Inbreukenpakket voor januari: voornaamste beslissingen
Overzicht per beleidsterrein
Het periodieke pakket inbreukbeslissingen betreft de gerechtelijke stappen van de Europese Commissie tegen lidstaten die hun verplichtingen uit hoofde van het EU-recht niet zijn nagekomen. De beslissingen betreffen diverse sectoren en beleidsterreinen van de EU en moeten ervoor zorgen dat het EU-recht correct wordt toegepast. Daar hebben zowel burgers als bedrijven baat bij.
De voornaamste beslissingen van de Commissie worden hieronder weergegeven, gegroepeerd per beleidsterrein. Ook sluit de Commissie 221 procedures waarin de problemen met de betrokken lidstaten zijn opgelost, zodat de Commissie de procedure niet hoeft voort te zetten.
Zie de vragen en antwoorden voor meer informatie over de EU-inbreukprocedure. Zie het register van inbreukbeslissingen voor meer details over alle beslissingen.
1. Milieu en visserij
(meer informatie: Adalbert Jahnz – Tel. +32 229 53156, Daniela Stoycheva – Tel.: +32 229 53664)
Aanmaningsbrieven
Schone lucht: Commissie verzoekt 14 lidstaten uitstoot van verschillende luchtverontreinigende stoffen te verminderen
De Commissie verzoekt 14 lidstaten (Bulgarije (INFR(2022)2068), Cyprus (INFR(2022)2069), Denemarken (INFR(2022)2070), Hongarije (INFR(2022)2072), Ierland (INFR(2022)2073), Spanje (INFR(2022)2071), Letland (INFR(2022)2076), Litouwen (INFR(2022)2074), Luxemburg (INFR(2022)2075), Oostenrijk (INFR(2022)2067), Polen (INFR(2022)2077), Portugal (INFR(2022)2078), Roemenië (INFR(2022)2079) en Zweden (INFR(2022)2080)) hun verbintenissen na te komen inzake de vermindering van de uitstoot van verschillende luchtverontreinigende stoffen zoals vereist bij Richtlijn 2016/2284 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen (de “richtlijn nationale emissieplafonds” of “NEC-richtlijn”). In de NEC-richtlijn zijn voor elk jaar tussen 2020 en 2029 voor verschillende verontreinigende stoffen nationale emissiereductieverbintenissen vastgesteld die door elke lidstaat moeten worden gehaald, en ambitieuzere reducties vanaf 2030. De lidstaten moeten nationale programma's ter beheersing van de luchtverontreiniging (NAPCP's) opstellen om aan te tonen hoe deze reductieverbintenissen zullen worden nagekomen. In de Europese Green Deal, met de daarin geformuleerde ambitie om alle vervuiling tot nul terug te brengen, wordt de nadruk gelegd op het terugdringen van de luchtverontreiniging, die een van de ernstigste bedreigingen voor de menselijke gezondheid vormt. De Commissie heeft de in 2022 door de lidstaten ingediende nationale emissie-inventarissen van verschillende verontreinigende stoffen (waarin de emissies vanaf 2020 worden weerspiegeld) geanalyseerd. De 14 hierboven genoemde lidstaten zijn hun verbintenissen voor een of meer verontreinigende stoffen waarop de NEC-richtlijn betrekking heeft, niet nagekomen. Aangezien de maatregelen in het NAPCP van de meeste van deze lidstaten er bovendien niet toe hebben geleid dat de emissiereductieverbintenis voor een of meer verontreinigende stoffen werd gehaald, volstaan deze maatregelen niet om de jaarlijks door de mens veroorzaakte emissies te beperken, zoals vereist door de richtlijn. Ammoniak (afkomstig uit de landbouwsector) is de verontreinigende stof waarvoor de meeste van deze lidstaten hun verplichtingen niet nakomen. Daarom stuurt de Commissie deze 14 lidstaten aanmaningsbrieven, waarna de landen twee maanden de tijd hebben om te reageren en de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.
Luchtkwaliteit: Commissie verzoekt ESTLAND de EU-luchtkwaliteitsregels correct om te zetten
De Commissie verzoekt Estland (INFR(2022)2134) zijn nationale wetgeving volledig in overeenstemming te brengen met de EU-wetgeving inzake luchtkwaliteit (Richtlijn 2004/107/EG betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht en Richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2015/1480). In de Europese Green Deal, met de daarin geformuleerde ambitie om alle vervuiling tot nul terug te brengen, wordt de nadruk gelegd op het terugdringen van luchtverontreiniging, die een van de ernstigste bedreigingen voor de volksgezondheid vormt. Volledige toepassing van de in de EU-wetgeving vastgelegde luchtkwaliteitsnormen is essentieel voor zowel de menselijke gezondheid als het natuurlijke milieu. De betrokken richtlijnen bevatten maatregelen om doelstellingen inzake luchtkwaliteit vast te stellen. Het gaat onder meer om het beoordelen van de luchtkwaliteit in de lidstaten, het verkrijgen van gegevens over de luchtkwaliteit, ervoor zorgen dat de gegevens over de luchtkwaliteit beschikbaar worden gesteld aan de bevolking, het in stand houden en verbeteren van de luchtkwaliteit, en het bevorderen van een verhoogde samenwerking tussen de lidstaten bij de vermindering van luchtverontreiniging. Estland heeft bepaalde voorschriften van deze richtlijnen niet correct omgezet, bijvoorbeeld met betrekking tot bemonsteringspunten, kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontrolesystemen en documentatie van de gekozen locaties. Daarom stuurt de Commissie Estland een aanmaningsbrief, waarna het land twee maanden de tijd heeft om te antwoorden op de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.
Natuur: Commissie verzoekt ESTLAND Natura 2000-gebieden doeltreffend te beheren
De Commissie verzoekt Estland (INFR(2022)2002) maatregelen te nemen voor het beheer van zijn Natura 2000-gebieden om de verplichtingen uit hoofde van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) na te komen. Op grond van de habitatrichtlijn moeten de lidstaten specifieke instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen vaststellen voor habitats en soorten in speciale beschermingszones (SBZ) om deze op nationaal biogeografisch niveau in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Het gaat om essentiële vereisten voor de bescherming van de biodiversiteit in de EU. Zowel in de Europese Green Deal als in de biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU haar biodiversiteitsverlies een halt toeroept door onze natuurgebieden te beschermen en beschadigde ecosystemen te herstellen. In 2016 is de Commissie een dialoog aangegaan met alle lidstaten, met inbegrip van Estland, om de resterende lacunes in de aanwijzing en het beheer van de SBZ's aan te pakken. Estland heeft alle gebieden aangewezen als SBZ, maar de instandhoudingsdoelstellingen voldoen niet altijd aan de wettelijke vereisten van de habitatrichtlijn, omdat zij niet voldoende gedetailleerd, meetbaar en rapporteerbaar zijn. Bijgevolg zijn ook de instandhoudingsmaatregelen die moeten worden vastgesteld om de instandhoudingsdoelstellingen voor elk Natura 2000-gebied te bereiken, ontoereikend. Daarom stuurt de Commissie Estland een aanmaningsbrief, waarna het land twee maanden de tijd heeft om te antwoorden op de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.
EU-milieukeur: Commissie verzoekt GRIEKENLAND Griekse bedrijven toe te staan EU-milieukeur te verkrijgen en markttoezicht te waarborgen
De Commissie verzoekt Griekenland (INFR(2022)2110) de EU-milieukeurverordening (Verordening (EG) nr. 66/2010) correct toe te passen. De verordening voorziet in een vrijwillig systeem van EU-milieukeuren om producten met een geringer milieueffect te promoten en klanten nauwkeurige, niet-misleidende, wetenschappelijk onderbouwde informatie te verstrekken over de milieueffecten van producten. De verordening verplicht elke deelnemende lidstaat om een bevoegde instantie op te richten die de houder het recht verleent om de EU-milieukeur te gebruiken voor producten die aan de EU-milieukeurcriteria voldoen. De bevoegde Griekse instantie is sinds 2020 niet meer operationeel en kan daarom geen aanvragen van bedrijven verwerken. Dit betekent dat Griekse bedrijven geen milieukeuren voor hun producten kunnen verkrijgen alvorens ze naar andere lidstaten uit te voeren, wat leidt tot oneerlijke mededinging met andere Europese bedrijven. Bovendien betekent dit ook dat er geen markttoezicht is op de Griekse EU-milieukeurproducten die al op de markt zijn. Hoewel de Griekse autoriteiten deze kwestie hebben erkend, is deze nog niet opgelost. Daarom stuurt de Commissie Griekenland een aanmaningsbrief, waarna het land twee maanden de tijd heeft om te antwoorden op de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.
Met redenen omklede adviezen
Natuurbescherming: Commissie verzoekt ROEMENIË Natura 2000-netwerk te voltooien
De Commissie verzoekt Roemenië (INFR(2019)2138) te zorgen voor een adequate bescherming van habitats en soorten die van EU-belang zijn door Natura 2000-gebieden aan te wijzen, zoals vereist op grond van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG). De lidstaten hebben zich ertoe verbonden een coherent Europees Natura 2000-netwerk te ontwikkelen. De habitatrichtlijn verplicht de lidstaten aan de Commissie geschikte gebieden van communautair belang (GCB's) voor te stellen en verplicht de EU-landen habitats die een vitale rol spelen voor de biodiversiteit te beschermen en in een gunstige staat van instandhouding te herstellen. Daarnaast benadrukken zowel de Europese Green Deal als de biodiversiteitsstrategie voor 2030 dat het van cruciaal belang is dat de EU het biodiversiteitsverlies een halt toeroept. De Commissie heeft Roemenië in juli 2019 een aanmaningsbrief gestuurd omdat het land geen adequate bescherming van habitats en soorten van EU-belang heeft gewaarborgd door Natura 2000-gebieden aan te wijzen. Roemenië heeft nog niet alle locaties voorgesteld die het had moeten voorstellen, en de voorgestelde gebieden dekken onvoldoende de verschillende habitattypen en soorten die bescherming behoeven. Daarom heeft de Commissie besloten Roemenië een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Natuurbescherming: Commissie verzoekt KROATIË de habitatrichtlijn correct uit te voeren met betrekking tot windenergieprojecten
De Commissie verzoekt Kroatië (INFR(2020)2204) de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) naar behoren toe te passen bij de goedkeuring van windmolenprojecten die gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. De Habitatrichtlijn vereist dat projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met andere plannen of projecten, slechts kunnen worden goedgekeurd nadat is vastgesteld dat de integriteit van de betrokken gebieden niet zal worden aangetast. Kroatië heeft de habitatrichtlijn niet correct toegepast bij de goedkeuring van wijzigingen aan bepaalde windmolenparken. Met name werden de wijzigingen van dergelijke projecten goedgekeurd zonder zekerheid dat deze de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zouden aantasten. De Europese Green Deal en de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2030 benadrukken dat het van cruciaal belang is dat de EU het biodiversiteitsverlies een halt toeroept door de biodiversiteit te beschermen en te herstellen. De Commissie heeft Kroatië in mei 2020 een aanmaningsbrief gestuurd. Hoewel er enige vooruitgang is geboekt, hebben de Kroatische autoriteiten de punten van bezwaar niet volledig aangepakt en hebben zij geweigerd maatregelen te nemen om de vastgestelde problemen op te lossen. Daarom heeft de Commissie besloten Kroatië een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Toegang tot milieu-informatie: Commissie verzoekt FRANKRIJK om betere toegang van burgers tot milieu-informatie
De Commissie verzoekt Frankrijk (INFR(2020)4014) te voldoen aan Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. Met de richtlijn wordt beoogd de toegang van het publiek tot milieu-informatie te verruimen en die informatie te verspreiden om zo bij te dragen tot een verhoogd milieubewustzijn, een doeltreffendere deelneming van het publiek aan de milieubesluitvorming en, uiteindelijk, tot een beter milieu. De richtlijn bepaalt dat een aanvrager die meent dat zijn verzoek om informatie is veronachtzaamd of ten onrechte is geweigerd, een onafhankelijk en onpartijdig orgaan kan verzoeken de zaak op een snelle manier te onderzoeken. In Frankrijk bestaat een dergelijke procedure, maar de termijn van één maand waarover de onafhankelijke instantie beschikt om advies uit te brengen, is herhaaldelijk overschreden. De Commissie heeft Frankrijk in mei 2020 een aanmaningsbrief gestuurd. Hoewel Frankrijk enkele maatregelen heeft genomen om de vertragingen te beperken, is er nog steeds sprake van een inbreuk. In 2021 overschreed de Franse onafhankelijke instantie (la Commission d'accès aux documents administratifs — CADA) in de overgrote meerderheid van de gevallen de wettelijke termijn om advies uit te brengen. De gemiddelde termijn voor het uitbrengen van het advies bedroeg ongeveer twee maanden. Daarom heeft de Commissie besloten Frankrijk een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Aanvullende met redenen omklede adviezen
Natuurbescherming: Commissie verzoekt FRANKRIJK een einde te maken aan illegale methoden voor vogeljacht en -vangst
De Commissie verzoekt Frankrijk (INFR(2019)2151) een einde te maken aan de jachtmethoden die verboden zijn op grond van de vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG). Die richtlijn heeft tot doel alle in het wild levende vogelsoorten in de Europese Unie te beschermen. Slechts 20 van de 64 bejaagbare soorten verkeert in een goede staat van instandhouding. Frankrijk heeft verschillende methoden voor de vangst van vogels toegestaan, zoals netten en vangkooien voor veldleeuweriken en (tortel)duiven, die niet selectief zijn en op grond van de richtlijn verboden zijn. Er bestaan alternatieve methoden voor het verkrijgen van veldleeuweriken en duiven voor voedselconsumptie (erop jagen met een geweer en fokken op een boerderij). Het gebruik van lijm voor de jacht op lijsters is ook toegestaan in de Franse wetgeving, maar is in strijd met de richtlijn. De lidstaten kunnen afwijken van sommige bepalingen van de richtlijn, maar alleen onder strikte voorwaarden die in dit geval niet zijn vervuld, met name omdat de gevangen leeuweriken niet in een goede staat van instandhouding verkeren. Bovendien worden beschermde soorten, zoals ortolanen en goudvinken, gevangen en kwaad gedaan. Frankrijk heeft ook verklaard voornemens te zijn de voorjaarsjacht op de grauwe gans te heropenen. Deze jacht is in het verleden systematisch toegestaan of getolereerd, wat in strijd is met de richtlijn. Frankrijk heeft ook niet volledig verslag uitgebracht aan de Commissie over de afwijkingen zoals vereist door de richtlijn. Dit zijn essentiële vereisten voor de bescherming van de biodiversiteit in de hele EU, zoals wordt benadrukt in de Europese Green Deal en de biodiversiteitsstrategie voor 2030. De Commissie heeft Frankrijk in juli 2019 een aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een met redenen omkleed advies in juli 2020. In maart 2021 heeft het Hof van Justitie de juridische interpretatie van het begrip selectiviteit en alternatieven gegeven in zijn arrest in zaak C-900/19. Op basis van de door het Hof vastgestelde criteria heeft de Commissie de niet-selectiviteit van de bovengenoemde jachtmethoden nu toegevoegd aan haar analyse. Daarom heeft de Commissie besloten Frankrijk een aanvullend met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Verwijzingen naar het Hof van Justitie
Water: Commissie besluit IERLAND voor Hof te dagen wegens onjuiste omzetting van kaderrichtlijn water ter bescherming van water tegen verontreiniging
De Commissie heeft vandaag besloten Ierland (INFR(2007)2238) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens onjuiste omzetting van de kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG) in nationaal recht. De richtlijn stelt een kader vast voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater door deze voor verdere achteruitgang te behoeden, verontreiniging te voorkomen en waterafhankelijke ecosystemen en watervoorraden te beschermen en te verbeteren. De richtlijn vereist dat alle binnen- en kustwateren uiterlijk in 2027 ten minste in een goede toestand verkeren. Daartoe moeten de lidstaten stroomgebiedbeheerplannen en programma's met maatregelen opstellen. Dit is een belangrijk aspect van de in de Europese Green Deal geformuleerde ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te brengen, waarbij op het vlak van waterverontreiniging gestreefd wordt naar niveaus die niet langer als schadelijk worden beschouwd voor de menselijke gezondheid en natuurlijke ecosystemen. De Commissie heeft Ierland in oktober 2007 een aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een met redenen omkleed advies in november 2011. De Commissie heeft de zaak opnieuw beoordeeld nadat Ierland nieuwe wijzigingswetgeving had aangenomen, en heeft Ierland in januari 2019 een aanvullende aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een met redenen omkleed advies in oktober 2020. Ondanks enige vooruitgang en de goedkeuring van nieuwe wetgeving in juni 2022 zijn de Ierse autoriteiten nog niet volledig aan de bezwaren tegemoetgekomen, meer dan 20 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de Ierse autoriteiten tot op heden onbevredigend en ontoereikend zijn, en daagt Ierland daarom voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zie voor meer informatie het persbericht.
Biodiversiteit: Commissie daagt zes lidstaten voor het Hof wegens niet voorkomen van introductie en verspreiding invasieve uitheemse soorten die schadelijk zijn voor de Europese natuur
De Commissie heeft vandaag beslist Bulgarije (INFR(2021)2007), Griekenland (INFR(2021)2011), Ierland (INFR(2021)2015), Italië (INFR(2021)2016), Letland (INFR(2021)2019) en , Portugal (INFR(2021)2021) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens het niet toepassen van verscheidene bepalingen van Verordening 1143/2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (“verordening invasieve uitheemse soorten”). Invasieve uitheemse soorten zijn planten en dieren die per ongeluk of opzettelijk worden geïntroduceerd in een gebied waar zij gewoonlijk niet voorkomen. De verordening invasieve uitheemse soorten bevat maatregelen die in de hele EU moeten worden genomen met betrekking tot invasieve uitheemse soorten die op de Unielijst staan. De zes betrokken lidstaten hebben nagelaten een actieplan (of een reeks actieplannen) op te stellen, uit te voeren en naar de Commissie te zenden om de belangrijkste routes voor de introductie en verspreiding van voor de EU zorgwekkende invasieve uitheemse soorten aan te pakken. Daarom heeft de Commissie in juni 2021 aanmaningsbrieven gestuurd aan 18 lidstaten (België, Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Kroatië, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje en Tsjechië), en in februari 2022 met redenen omklede adviezen gericht aan 15 van deze lidstaten (België, Bulgarije, Cyprus, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië). Sindsdien zijn elf lidstaten hun verplichtingen nagekomen en zal een van hen binnenkort de ontbrekende maatregelen nemen. Ondanks enige vooruitgang zijn de overige zes lidstaten (Bulgarije, Griekenland, Ierland, Italië, Letland en Portugal) nog niet volledig aan de bezwaren tegemoetgekomen. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de autoriteiten van deze zes lidstaten tot op heden onbevredigend en ontoereikend zijn, en daagt hen daarom voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zie voor meer informatie het persbericht.
Afval: Commissie besluit SLOWAKIJE voor Hof te dagen wegens niet-naleving van EU-regels inzake stortplaatsen
De Commissie heeft vandaag besloten Slowakije (INFR(2017)2035) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens het niet saneren en sluiten van een aantal stortplaatsen die de procedures van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen (Richtlijn 1999/31/EG) niet hebben nageleefd. Volgens de richtlijn mogen alleen veilige en gecontroleerde stortactiviteiten in Europa worden uitgevoerd. De richtlijn stelt normen vast om de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen de negatieve gevolgen van de behandeling en verwijdering van afvalstoffen op stortplaatsen. De richtlijn heeft tot doel de negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen, met name voor oppervlaktewater, grondwater, bodem, lucht en volksgezondheid, te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken door middel van strenge technische voorschriften voor afval en stortplaatsen. Het is van cruciaal belang dat de EU-regels inzake stortplaatsen volledig worden toegepast om de vruchten te plukken van het actieplan voor de circulaire economie, een van de belangrijkste onderdelen van de Europese Green Deal. De Commissie heeft Slowakije in april 2017 een aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een met redenen omkleed advies in maart 2019. Sindsdien heeft Slowakije een aantal stortplaatsen opgeknapt en opnieuw vergund en heeft het een aantal stortplaatsen gesloten die niet aan de voorschriften voldoen. Er zijn echter nog maatregelen nodig met betrekking tot 21 stortplaatsen. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de Slowaakse autoriteiten tot op heden onbevredigend en ontoereikend zijn, en heeft daarom besloten Slowakije voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen. Zie voor meer informatie het persbericht.
Milieueffectbeoordeling: Commissie besluit PORTUGAL voor Hof te dagen wegens onjuiste omzetting EU-regels
De Commissie heeft vandaag besloten Portugal (INFR(2019)2254) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens onjuiste omzetting van de richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (Richtlijn 2011/92/EU). De richtlijn is in april 2014 gewijzigd (bij Richtlijn 2014/52/EU) om de administratieve lasten te verminderen en het niveau van milieubescherming te verhogen, en tegelijkertijd zakelijke beslissingen inzake publieke en particuliere investeringen beter, voorspelbaarder en duurzamer te maken. Portugal heeft een aantal bepalingen van de gewijzigde richtlijn niet correct in nationaal recht omgezet. De Commissie heeft Portugal in oktober 2019 een aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een met redenen omkleed advies in november 2021. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de Portugese autoriteiten tot op heden onbevredigend en ontoereikend zijn, en daagt Portugal daarom voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zie voor meer informatie het persbericht.
2. Interne markt, industrie, ondernemerschap en midden- en kleinbedrijf
(meer informatie: Sonya Gospodinova – Tel.: +32 229 66953; Federica Miccoli – Tel.: +32 229 58300)
Aanmaningsbrieven
Interne markt: Commissie verzoekt BULGARIJE compensatieregeling voor brandstoffen in overeenstemming te brengen met regels inzake vrij verkeer en non-discriminatiebeginsel
De Commissie heeft vandaag besloten een inbreukprocedure in te stellen tegen Bulgarije (INFR(2022)4109) wegens de invoering van maatregelen die tegen internemarktbepalingen indruisen. Bulgarije heeft een compensatieregeling voor brandstof ingevoerd die alleen leidt tot een lagere brandstofprijs voor eigenaars van in Bulgarije geregistreerde voertuigen. De regeling bepaalt dat de gebruikers van in Bulgarije geregistreerde voertuigen, motorfietsen en bromfietsen recht hebben op lagere officiële brandstofprijzen. Door de compensatie wordt de brandstofprijs die een particulier aan de einddistributeur verschuldigd is, verlaagd met 0,25 BGN (0,13 EUR) per liter/kilogram brandstof. De verlaging is daarentegen niet van toepassing op voertuigen die niet in Bulgarije zijn geregistreerd. Deze maatregel is daardoor ernstig discriminerend en onevenredig. De Commissie verzoekt de Bulgaarse autoriteiten derhalve de beginselen van vrij verkeer van goederen, vrij verkeer van burgers en werknemers, non-discriminatie voor EU-burgers en de kennisgevingsregels van de richtlijn transparantie op de eengemaakte markt na te leven. Het waarborgen van de goede werking van de eengemaakte markt is van bijzonder belang in de huidige geopolitieke situatie, aangezien dit het belangrijkste instrument is om de huidige ontwrichtende economische gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne het hoofd te bieden. Unilateraal optreden op nationaal niveau en de invoering van discriminerende behandelingen kunnen geen oplossing vormen. Bulgarije heeft nu twee maanden de tijd om op de bezwaren van de Commissie te reageren. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten het land een met redenen omkleed advies te sturen.
Overheidsopdrachten: Commissie verzoekt GRIEKENLAND EU-regels in de nutssector na te leven
De Commissie heeft vandaag besloten een inbreukprocedure tegen Griekenland (INFR(2022)4111) in te stellen, omdat de nationale wetgeving niet in overeenstemming is met de EU-regels inzake overheidsopdrachten in de nutssector (Richtlijn 2014/25/EU). De Griekse wetgeving bepaalt dat aanbestedende diensten een specifieke aanbestedingsprocedure, de zogenaamde “beknopte” aanbestedingsprocedure, toepassen voor de gunning van alle opdrachten voor de tijdelijke installatie en exploitatie van ontziltingsinstallaties van bepaalde capaciteit op eilanden in Griekenland, ongeacht de waarde van de contracten. Een “beknopte” aanbestedingsprocedure voor de gunning van overheidsopdrachten waarvan de waarde gelijk is aan of hoger is dan de EU-drempels, voldoet echter niet aan de transparantievereisten van de richtlijn. Daarom is de Commissie van mening dat de Griekse wettelijke bepaling die het gebruik van deze procedure voor dergelijke opdrachten toestaat, duidelijk in strijd is met het EU-recht. Griekenland heeft nu twee maanden de tijd om op de bezwaren van de Commissie te reageren. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Energieproducten: Commissie verzoekt HONGARIJE uitvoerbeperkingen met betrekking tot energieproducten op te heffen
De Commissie heeft vandaag besloten een inbreukprocedure in te stellen tegen Hongarije (INFR(2022)4108), met het verzoek het EU-recht na te leven met betrekking tot nationale regels die gevolgen hebben voor de energiesector. Met de Hongaarse maatregelen worden stelsels van voorafgaande kennisgeving ingevoerd die het mogelijk maken de uitvoer van energiedragers op basis van hout en steenkool tegen te houden. De Commissie beschouwt deze als maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen binnen de interne markt, in strijd met artikel 35 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Voorts lijkt het erop dat Hongarije de status-quoperiode uit hoofde van de richtlijn transparantie op de eengemaakte markt heeft geschonden door die maatregelen tijdens deze periode vast te stellen. Bovendien heeft de beperking, die ook geldt voor de uitvoer uit Hongarije naar derde landen, gevolgen voor de handel met derde landen. Hongarije heeft nu twee maanden de tijd om op de argumenten van de Commissie te reageren. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten Hongarije een met redenen omkleed advies te sturen.
Met redenen omklede adviezen
Bouwproducten: Commissie verzoekt HONGARIJE de EU-regels inzake de vrijheid van vestiging na te leven
De Commissie heeft vandaag besloten Hongarije een met redenen omkleed advies te sturen (INFR(2022)4009) met het verzoek de nationale regels die van invloed zijn op de bouwsector in overeenstemming te brengen met het EU-recht. Volgens de Commissie zijn de Hongaarse maatregelen, waarbij voor specifieke grondstoffen voor de bouwsector prijzen worden vastgelegd en waarbij boetes worden opgelegd ten belope van 90 % van het verschil tussen de vaste prijzen en de verkoopprijzen, niet in overeenstemming met de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU). De Hongaarse regels verplichten marktdeelnemers ook om bepaalde productieniveaus te handhaven, ook als deze economisch niet houdbaar zijn. De Commissie is van mening dat de sanctie en het gecombineerde effect van beide maatregelen negatieve gevolgen hebben voor marktdeelnemers die toegang willen krijgen tot en activiteiten willen uitoefenen in deze sector. Hongarije heeft bovendien, in strijd met de richtlijn transparantie op de eengemaakte markt, verzuimd kennis te geven van de maatregelen. Hongarije heeft nu twee maanden de tijd om de maatregelen te nemen die nodig zijn om aan het met redenen omklede advies te voldoen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie Hongarije voor het Hof van Justitie van de Europese Unie dagen.
Diensten: Commissie verzoekt PORTUGAL te zorgen voor gelijke behandeling met betrekking tot strandconcessies
De Commissie heeft vandaag besloten Portugal een met redenen omkleed advies te sturen (INFR(2022)2020) omdat het de regels inzake aanbestedingsprocedures voor strandconcessies niet correct heeft uitgevoerd. De Commissie verzoekt Portugal te voldoen aan de bepalingen van de dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) en aan de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU). De Commissie is van mening dat de Portugese wetgeving die houders van bestaande “strandconcessies” een voorkeursrecht verleent in aanbestedingsprocedures voor de hernieuwing daarvan, niet verenigbaar lijkt met de dienstenrichtlijn en evenmin met de vrijheid van vestiging. Volgens de Commissie benadeelt en ontmoedigt een voorkeursrecht ten gunste van de zittende uitbater bedrijven die in andere lidstaten zijn gevestigd om stranddiensten aan te bieden in Portugal. Portugal heeft nu twee maanden de tijd om te reageren op de argumenten van de Commissie. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Verwijzingen naar het Hof van Justitie
Vrij verkeer van goederen: Commissie beslist HONGARIJE voor Hof te dagen wegens uitvoerbeperkingen in bouwsector
De Commissie heeft vandaag besloten Hongarije (INFR(2021)2158) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen in verband met een door de Hongaarse autoriteiten ingevoerd stelsel van voorafgaande kennisgeving, waardoor zij de uitvoer van bouwmaterialen kunnen blokkeren. Volgens de Hongaarse wet moeten voor de uitvoer bestemde bouwmaterialen aan een procedure van voorafgaande kennisgeving worden onderworpen. De uitvoer kan worden geblokkeerd indien de Hongaarse autoriteiten van mening zijn dat deze uitvoer “de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van kritieke infrastructuurvoorzieningen op significante wijze zou belemmeren of onmogelijk maken, waardoor de openbare voorziening in gevaar wordt gebracht, of indien de uitvoer een risico vormt voor de voorzieningszekerheid in de bouwsector”. De Commissie is van mening dat deze maatregelen in strijd zijn met artikel 35 VWEU en artikel 36 VWEU, aangezien zij een beperking vormen van het vrije verkeer van goederen en niet gerechtvaardigd zijn. Hongarije toont met name onvoldoende aan dat met de maatregel een legitiem doel wordt nagestreefd. Bovendien lijkt er geen sprake te zijn van een reëel risico voor de voorzieningszekerheid van de betrokken producten in Hongarije. Bovendien bevatten de Hongaarse maatregelen geen objectieve en vooraf vastgestelde criteria op basis waarvan kan worden beslist de uitvoer te blokkeren. Daarom kunnen de Hongaarse autoriteiten vrijelijk bepalen wanneer er sprake is van een risico voor de voorzieningszekerheid in de bouwsector, waardoor de beslissing arbitrair kan zijn. De maatregelen kunnen derhalve niet als gerechtvaardigd worden beschouwd voor het beoogde openbaar belang. Een persbericht is hier beschikbaar.
3. Migratie, binnenlandse zaken en veiligheidsunie**
(meer informatie: Anitta Hipper - Tel.: +32 229 85691; Yuliya Matsyk — Tel.: +32 229 13173, Andrea Masini — Tel.: +32 229 91519; Fiorella Belciu — Tel.: + 32 2 299 37 34)
Aanmaningsbrieven
Opvangvoorzieningen voor asielzoekers: Commissie verzoekt BELGIË, GRIEKENLAND, PORTUGAL en SPANJE alle bepalingen van de richtlijn opvangvoorzieningen volledig om te zetten *
De Commissie heeft besloten inbreukprocedures in te stellen door aanmaningsbrieven te richten aan België (INF(2022)2157), Griekenland (INF(2022)2156), Portugal (INF(2022)2153) en Spanje (INF(2022)2158) wegens het niet volledig conform omzetten van alle bepalingen van de richtlijn tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Richtlijn 2013/33/EU). Een belangrijke voorwaarde voor een goed functionerend gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) is dat de richtlijn opvangvoorzieningen volledig wordt nageleefd en de Commissie volgt nauwlettend hoe alle lidstaten deze wetgeving in nationaal recht hebben omgezet. De Commissie is van mening dat België, Griekenland, Portugal en Spanje sommige bepalingen van de richtlijn onjuist hebben omgezet. Deze landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren op de argumenten van de Commissie. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.
Verzoek om internationale bescherming: Commissie verzoekt FINLAND, GRIEKENLAND en PORTUGAL erkenningsrichtlijn na te leven
De Commissie heeft besloten inbreukprocedures in te stellen door aanmaningsbrieven te richten aan Finland (INFR(2022)2154), Griekenland (INFR(2022)2044) en Portugal (INFR(2022)2149) wegens het niet volledig conform omzetten van alle bepalingen van de richtlijn inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten (Richtlijn 2011/95/EU). Een belangrijke voorwaarde voor een goed functionerend gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) is dat de erkenningsrichtlijn volledig wordt nageleefd. De erkenningsrichtlijn moet ervoor zorgen dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke personen internationale bescherming behoeven, en dat in alle lidstaten bepaalde minimumvoorzieningen worden geboden aan deze personen. De Commissie houdt nauwlettend toezicht op de manier waarop deze wetgeving in alle lidstaten is omgezet. De Commissie is van mening dat Finland, Griekenland en Portugal sommige bepalingen van de richtlijn onjuist hebben omgezet of uitgevoerd. Deze landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren op de argumenten van de Commissie. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.
Terroristische online-inhoud: Commissie verzoekt BELGIË, BULGARIJE, CYPRUS, DENEMARKEN, ESTLAND, FINLAND, GRIEKENLAND, IERLAND, ITALIË, LETLAND, LITOUWEN, LUXEMBURG, MALTA, NEDERLAND, OOSTENRIJK, POLEN, PORTUGAL, ROEMENIË, SLOVENIË, SPANJE, TSJECHIË en ZWEDEN te voldoen aan de verordening inzake terroristische online-inhoud
De Commissie heeft beslist een inbreukprocedure in te stellen door aanmaningsbrieven te richten aan België (INFR(2022)2112), Bulgarije (INFR(2022)2113), Cyprus (INFR(2022)2114), Denemarken (INFR(2022)2116), Estland (INFR(2022)2117), Finland (INFR(2022)2131), Griekenland (INFR(2022)2118), Ierland (INFR(2022)2121), Italië (INFR(2022)2122), Letland (INFR(2022)2125), Litouwen (INFR(2022)2123), Luxemburg (INFR(2022)2124), Malta (INFR(2022)2126), Nederland (INFR(2022)2127), Oostenrijk (INFR(2022)2111), Polen (INFR(2022)2128), Portugal (INFR(2022)2129), Roemenië (INFR(2022)2130), Slovenië (INFR(2022)2132), Spanje (INFR(2022)2119), Tsjechië (INFR(2022)2115) en Zweden (INFR(2022)2131) wegens de onjuiste uitvoering van de verordening inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud (Verordening (EU) 2021/784). Het is van fundamenteel belang dat de verordening volledig wordt uitgevoerd om te voorkomen dat terroristen het internet misbruiken om hun ideologie te verspreiden en burgers te intimideren, te radicaliseren en te rekruteren. De verordening biedt een rechtskader om ervoor te zorgen dat terroristische online-inhoud binnen één uur na ontvangst van een verwijderingsbevel van een nationale bevoegde autoriteit wordt verwijderd, en verplicht bedrijven bijzondere maatregelen te nemen wanneer hun platforms aan dergelijke inhoud worden blootgesteld. Tegelijkertijd worden sterke waarborgen geboden om de vrijheid van meningsuiting en van informatie volledig te garanderen. Na de inwerkingtreding van de verordening op 7 juni 2022 hebben nog niet alle lidstaten alle maatregelen genomen die nodig zijn om de verordening om te zetten in nationaal recht. De Commissie is daarom van oordeel dat België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Estland, Finland, Griekenland, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Spanje, Tsjechië en Zweden de verplichtingen uit hoofde van de verordening niet volledig zijn nagekomen en dat zij nu twee maanden de tijd hebben om de Commissie een antwoord te bezorgen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen. Een persbericht met meer informatie vindt u hier.
Bestrijding van seksueel misbruik van kinderen: Commissie verzoekt ESTLAND, GRIEKENLAND, KROATIË en TSJECHIË de richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik van kinderen na te leven
De Commissie heeft besloten aanmaningsbrieven te richten aan Estland (INFR(2019)2229), Griekenland (INFR(2019)2230), Kroatië (INFR(2019)2233) en Tsjechië (INFR(2019)2228) om ervoor te zorgen dat deze landen alle vereisten van de richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik van kinderen (Richtlijn 2011/93/EU) correct omzetten. De richtlijn is een essentieel onderdeel van het rechtskader van de EU bij de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen. Krachtens deze richtlijn moeten de lidstaten minimumregels invoeren betreffende de definitie van strafbare feiten en sancties op het gebied van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen, kinderpornografie en het benaderen van kinderen voor seksuele doeleinden. Zij voert tevens bepalingen in om de preventie van die misdrijven en de bescherming van slachtoffers te versterken. Estland, Griekenland, Kroatië en Tsjechië hebben nu twee maanden de tijd om op de argumenten van de Commissie te reageren. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.
Met redenen omklede adviezen
Taalvereisten voor de status van langdurig ingezetene: Commissie zet inbreukprocedure tegen MALTA door
De Commissie verzoekt Malta (INFR(2020)2123) zijn nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de richtlijn betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (Richtlijn 2003/109/EG). De Commissie is van mening dat de taalvereisten voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene in Malta onevenredig zijn in vergelijking met de vereisten voor het verkrijgen van de Maltese nationaliteit. Volgens de huidige Maltese wetgeving is kennis van de Maltese taal verplicht voor het verwerven van de status van langdurig ingezetene, terwijl kennis van het Engels volstaat om de nationaliteit te verwerven. Op 2 juli 2020 heeft de Commissie Malta een aanmaningsbrief gestuurd, op 9 juni 2021 gevolgd door aanvullende aanmaningsbrief. Aangezien het Maltese antwoord niet tegemoetkwam aan de bezwaren van de Commissie, heeft de Commissie besloten een met redenen omkleed advies te sturen. Malta heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4. Justitie
(meer informatie: Christian Wigand - Tel.: +32 229 62253; Katarzyna Kolanko - Tel.:+32 229 63444; Cristina Torres Castillo – Tel.: +32 229 90679)
Aanmaningsbrieven
Gegevensbescherming: Commissie start inbreukprocedure tegen BELGIË wegens gebrek aan voorziening in rechte tegen besluit van parlement om leden van gegevensbeschermingsautoriteit te ontslaan
De Europese Commissie heeft vandaag besloten België een aanmaningsbrief te sturen (INFR(2022)2160) omdat het land zijn verplichtingen uit hoofde van de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) (Verordening (EU) 2016/679) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet is nagekomen. Twee leden van de Belgische gegevensbeschermingsautoriteit zijn op 20 juli 2022 ontslagen. Volgens de nationale wetgeving inzake de gegevensbeschermingsautoriteit is tegen dergelijke ontslagen geen beroep mogelijk. De Commissie is van mening dat een dergelijke nationale regel in strijd is met de AVG en het in het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht. Ontslagen leden moeten recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte om te waarborgen dat de ontslagvoorwaarden in acht zijn genomen. Bovendien is het waarborgen van een passende voorziening in rechte tegen dergelijke ontslagen van essentieel belang om de daadwerkelijke onafhankelijkheid van de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten te waarborgen. België heeft nu twee maanden de tijd om op de aanmaningsbrief van de Commissie te antwoorden. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Kinderontvoering door ouders: Commissie start inbreukprocedure tegen POLEN wegens niet-bescherming van kinderen bij internationale familieprocedures
Vandaag heeft de Europese Commissie Polen een aanmaningsbrief gestuurd (INFR(2021)2001) wegens niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van verordening Brussel II bis. De verordening heeft tot doel kinderen te beschermen in het kader van landsgrensoverschrijdende geschillen over ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderontvoering. Deze inbreukprocedure heeft betrekking op de non-conformiteit van het Poolse recht met verordening Brussel II bis, en met name de bepalingen betreffende de uitvoering van beslissingen of bevelen die de terugkeer van ontvoerde kinderen naar hun gewone verblijfplaats vereisen. De Commissie is van mening dat de Poolse autoriteiten stelselmatig en hardnekkig nalaten om vonnissen waarbij de terugkeer van ontvoerde kinderen naar andere EU-lidstaten wordt gelast, snel en doeltreffend uit te voeren. Polen heeft nu twee maanden de tijd om te antwoorden op de aanmaningsbrieven van de Commissie en de nodige maatregelen te nemen om de door de Commissie vastgestelde inbreuk op het EU-recht te verhelpen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.
Aanmaningsbrieven en met redenen omklede adviezen
Bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat: Commissie stuurt aanmaningsbrieven naar ESTLAND, FINLAND en POLEN en dringt bij GRIEKENLAND en HONGARIJE aan op correcte omzetting van EU-wetgeving waarin haatuitingen en haatmisdrijven strafbaar worden gesteld
Het kaderbesluit betreffende de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad) heeft tot doel ervoor te zorgen dat ernstige uitingen van racisme en vreemdelingenhaat, zoals het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat, in de hele EU kunnen worden bestraft met effectieve, evenredige en ontmoedigende strafrechtelijke sancties. De Europese Commissie heeft vandaag aanvullende aanmaningsbrieven verstuurd naar Estland (INFR(2016)2048), Finland (INFR(2020)2320) en Polen (INFR(2020)2322). De Commissie had eerder aanmaningsbrieven gestuurd naar Estland op 30 oktober 2020 en naar Polen en Finland op 18 februari 2021. Deze drie lidstaten hebben gereageerd met nieuwe informatie met betrekking tot de bezwaren van de Commissie. Na analyse van deze aanvullende informatie heeft de Commissie, naast de reeds in de aanmaningsbrieven genoemde kwesties, nog meer omzettingsproblemen gevonden die specifiek moeten worden aangepakt. Daarom heeft de Commissie besloten de drie lidstaten aanvullende aanmaningsbrieven te sturen. De drie lidstaten hebben nu twee maanden de tijd om te reageren op de met redenen omklede adviezen van de Commissie. Anders kan de Commissie besluiten hun een met redenen omkleed advies te sturen. De Commissie heeft vandaag ook besloten met redenen omklede adviezen te richten aan Griekenland (INFR(2021)2063) en Hongarije (INFR(2016)2078) wegens niet-nakoming van hun verplichtingen tot omzetting van het kaderbesluit. Op 9 juni 2021 heeft de Commissie Griekenland een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij vraagt om in een passend niveau van strafbaarstelling van haatzaaiende uitlatingen te voorzien. De Commissie heeft Hongarije op 2 december 2021 ook een aanmaningsbrief gestuurd met het verzoek het openbaar vergoelijken, ontkennen of verregaand bagatelliseren van internationale misdrijven strafbaar te stellen en te zorgen voor het vereiste niveau van strafbaarstelling van racistische en xenofobe haatmisdrijven in het algemeen. In de antwoorden van Griekenland en Hongarije werd onvoldoende ingegaan op de bezwaren van de Commissie. Daarom heeft de Commissie besloten beide landen een met redenen omkleed advies te sturen. Griekenland en Hongarije hebben nu twee maanden de tijd om te reageren op de met redenen omklede adviezen van de Commissie. Indien de antwoorden niet bevredigend zijn, kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Met redenen omklede adviezen
Procedurele rechten: Commissie stuurt met redenen omklede adviezen naar BELGIË, LETLAND en PORTUGAL wegens onjuiste omzetting van EU-regels voor vertolking en vertaling in strafprocedures
Vandaag heeft de Europese Commissie beslist met redenen omklede adviezen te richten aan België (INFR(2021)2102), Letland (INFR(2021)2103) en Portugal (INFR(2021)2104) wegens het niet correct omzetten van de bepalingen van de richtlijn betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (Richtlijn (EU) 2010/64). De richtlijn is één van de zes door de EU goedgekeurde richtlijnen om gemeenschappelijke minimumnormen tot stand te brengen die ervoor moeten zorgen dat de rechten van verdachten en beklaagden op een eerlijk proces voldoende worden beschermd in de hele EU. De richtlijn waarborgt met name het recht van verdachten en beklaagden in de EU op kosteloze vertolking en vertaling tijdens strafprocedures in een taal die zij begrijpen. Op 23 september 2021 heeft de Commissie deze drie lidstaten aanmaningsbrieven gestuurd met het verzoek de nodige maatregelen te nemen om de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen te verhelpen. Aangezien de antwoorden onvoldoende tegemoetkomen aan de bezwaren van de Commissie, heeft de Commissie vandaag besloten met redenen omklede adviezen te sturen. De lidstaten in kwestie hebben nu twee maanden de tijd om te reageren op de met redenen omklede adviezen. Indien de antwoorden niet bevredigend zijn, kan de Commissie besluiten de betrokken lidstaten voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen.
Consumentenbescherming: Commissie verzoekt LETLAND en PORTUGAL de EU-regels voor de modernisering van de consumentenbescherming volledig om te zetten
Vandaag heeft de Europese Commissie beslist met redenen omklede adviezen te richten aan Letland (INFR(2022)0127) en Portugal (INFR(2022)0159) wegens het niet volledig omzetten van de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/2161 wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de Unie. Deze richtlijn wijzigt vier richtlijnen: de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, de richtlijn consumentenrechten, de richtlijn oneerlijke bedingen en de richtlijn prijsaanduiding. De lidstaten dienden de richtlijn in nationaal recht om te zetten vóór 28 november 2021. Op 27 januari 2022 heeft de Commissie aanmaningsbrieven gestuurd naar 22 lidstaten die geen, of slechts gedeeltelijke, omzettingsmaatregelen hadden meegedeeld. Op 29 september heeft de Commissie zeven lidstaten die nog steeds geen omzettingsmaatregelen voor deze richtlijn hadden meegedeeld, met redenen omklede adviezen gestuurd. Vandaag heeft de Commissie deze twee lidstaten, die slechts gedeeltelijke omzettingsmaatregelen hebben meegedeeld, met redenen omklede adviezen gestuurd. Deze lidstaten hebben nu twee maanden de tijd om op de met redenen omklede adviezen van de Commissie te antwoorden. Indien de antwoorden niet bevredigend zijn, kan de Commissie besluiten de betrokken lidstaten voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen.
Gegevensbescherming: Commissie verzoekt FINLAND om doeltreffende voorziening in rechte tegen niet-handelen van gegevensbeschermingsautoriteit
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Finland een met redenen omkleed advies te sturen (INFR(2022)4010) omdat het de betrokkenen geen doeltreffende voorziening in rechte heeft geboden wanneer de gegevensbeschermingsautoriteit een klacht niet behandelt of de betrokkene niet binnen drie maanden in kennis stelt van de voortgang of het resultaat van de klacht. In Finland kan in dergelijke situaties een klacht worden ingediend bij de kanselier van justitie of bij de parlementaire ombudsman. Dit rechtsmiddel voldoet echter niet aan de vereisten van een doeltreffende voorziening in rechte, zoals vereist door het EU-recht. Daarom is de Commissie van oordeel dat Finland zijn verplichtingen uit hoofde van de algemene verordening gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679) en de richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving (Richtlijn (EU) 2016/680), gelezen in samenhang met het Handvest van de grondrechten van de EU, niet is nagekomen. Op 6 april 2022 heeft de Commissie Finland een aanmaningsbrief gestuurd. Aangezien Het Finse antwoord niet tegemoetkwam aan de bezwaren van de Commissie, heeft de Commissie vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen. Finland heeft nu twee maanden de tijd om te reageren. Indien dat antwoord niet bevredigend is, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5. Energie en klimaat
(meer informatie: Tim McPhie – Tel.: +32 229 58602; Giulia Bedini – Tel. +32 229 58661)
Aanmaningsbrieven
Commissie verzoekt HONGARIJE, KROATIË en ROEMENIË verslagen in te dienen over hun nationale streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie voor 2020
De Commissie heeft vandaag besloten Kroatië een aanmaningsbrief te sturen (INFR(2022)2164) omdat het niet volledig verslag heeft uitgebracht in het kader van Verordening (EU) 2018/1999 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, over de verwezenlijking van zijn streefcijfers voor 2020 inzake energie-efficiëntie en het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen. Ook heeft de Commissie vandaag besloten Hongarije (INFR(2022)2165) en Roemenië (INFR(2022)2166) aanmaningsbrieven te sturen omdat zij niet volledig verslag hebben uitgebracht in het kader van de verordening inzake de governance van de energie-unie en klimaatactie over de verwezenlijking van hun energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2020. In de governanceverordening is bepaald dat de lidstaten uiterlijk op 30 april 2022 aan de Commissie verslag moeten uitbrengen over de verwezenlijking van hun energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2020 die zijn vastgesteld in Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie. De governanceverordening schrijft ook voor dat de lidstaten binnen dezelfde termijn verslag uitbrengen over hun streefcijfers voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in 2020, zoals bepaald in Richtlijn 2009/28/EG betreffende hernieuwbare energiebronnen. De drie lidstaten hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. Als de Commissie geen bevredigend antwoord ontvangt, kan zij besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Energie-efficiëntie: Commissie verzoekt POLEN en ROEMENIË om kennisgeving van hun uitgebreide beoordelingen inzake hoogrenderende warmtekrachtkoppeling
De Commissie heeft vandaag besloten aanmaningsbrieven te richten aan Polen (INFR(2022)2162) en Roemenië (INFR(2022)2161) met het verzoek te voldoen aan de energie-efficiëntierichtlijn (Richtlijn 2012/27/EU). De lidstaten moeten met name een verwarmings- en koelingsinfrastructuur ontwikkelen en/of de ontwikkeling van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en het gebruik van energie voor verwarming en koeling uit afvalwarmte en hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken. De lidstaten moeten een uitgebreide beoordeling van het potentieel voor de toepassing van een hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming maken en de Commissie daarvan op de hoogte stellen. De uitgebreide beoordeling moet om de vijf jaar worden geactualiseerd en aan de Commissie worden meegedeeld. Tot dusver hebben Polen en Roemenië de geactualiseerde beoordeling, die uiterlijk 31 december 2020 moest worden meegedeeld, niet ingediend. De twee lidstaten hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. Als de Commissie geen bevredigend antwoord ontvangt, kan zij besluiten met redenen omklede adviezen uit te brengen.
Aanmaningsbrieven en een met redenen omkleed advies
Basisveiligheidsnormen: Commissie verzoekt HONGARIJE om correcte omzetting EU-wetgeving inzake stralingsbescherming en dringt bij SLOWAKIJE aan op volledige omzetting
De Commissie heeft vandaag besloten Hongarije een aanmaningsbrief (INFR(2022)2168) te sturen met het verzoek de herziene richtlijn basisveiligheidsnormen (Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad) correct om te zetten in nationale wetgeving. Daarnaast heeft de Commissie besloten Slowakije een met redenen omkleed advies (INFR(2020)2296) te sturen met het verzoek de richtlijn volledig in nationale wetgeving om te zetten. De lidstaten moesten deze richtlijn uiterlijk op 6 februari 2018 hebben omgezet. De Commissie is evenwel van oordeel dat Hongarije nog steeds niet aan bepaalde wettelijke voorschriften heeft voldaan. Ook is de Commissie van mening dat Slowakije nog steeds niet alle bepalingen van de richtlijn volledig heeft omgezet, nadat zij de lidstaten in oktober 2020 een aanmaningsbrief had gestuurd. De richtlijn, waarbij de EU-wetgeving inzake stralingsbescherming wordt gemoderniseerd en geconsolideerd, stelt basisveiligheidsnormen vast om de bevolking, werknemers en patiënten te beschermen tegen de gevaren die samenhangen met de blootstelling aan ioniserende straling. De richtlijn bevat ook bepalingen voor de voorbereiding en reactie op noodsituaties, die naar aanleiding van het nucleaire ongeval in Fukushima werden aangescherpt. Hongarije heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en te antwoorden op de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen. Slowakije heeft twee maanden de tijd om de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten Slowakije voor het Hof van Justitie van de EU te dagen.
Met redenen omklede adviezen
Hernieuwbare energie: Commissie dringt bij SPANJE aan op volledige omzetting van richtlijn hernieuwbare energie
De Commissie heeft vandaag besloten Spanje (INFR(2021)0220) een met redenen omkleed advies te sturen omdat zij de in Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde EU-regels ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen niet volledig hebben omgezet. Deze richtlijn schept het rechtskader voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie op het gebied van elektriciteit, verwarming, koeling en vervoer in de EU. De richtlijn bepaalt voor de EU als geheel een bindend streefcijfer voor hernieuwbare energie van ten minste 32 % tegen 2030 en omvat maatregelen om te waarborgen dat steun voor hernieuwbare energie kosteneffectief is en om de administratieve procedures voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie te vereenvoudigen. Ze faciliteert de participatie van burgers in de energietransitie en stelt specifieke streefcijfers om het aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector en de vervoerssector tegen 2030 te verhogen. De uiterste datum voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht was 30 juni 2021. In juli 2021 heeft de Commissie Spanje een aanmaningsbrief gestuurd. Tot dusver heeft Spanje de richtlijn slechts gedeeltelijk omgezet. Het land heeft nu twee maanden de tijd om aan de omzettingsverplichting te voldoen en de Commissie daarvan in kennis te stellen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Energieprestatie van gebouwen: Commissie dringt bij FRANKRIJK en PORTUGAL aan op volledige omzetting van richtlijn energieprestatie van gebouwen
De Commissie heeft vandaag besloten Frankrijk (INFR(2020)0185) en Portugal INFR(2020)0233) een met redenen omkleed advies te sturen omdat zij hebben verzuimd Richtlijn (EU) 2018/844 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen volledig in nationaal recht om te zetten. De richtlijn heeft nieuwe elementen ingevoerd om het bestaande kader te versterken, zoals minimumeisen inzake energieprestaties voor nieuwe gebouwen, elektromobiliteit en oplaadpunten, en nieuwe regels voor de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen. De uiterste datum voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht was 10 maart 2020. In mei 2020 is aan deze lidstaten een aanmaningsbrief gestuurd omdat zij de Commissie niet in kennis hadden gesteld van de volledige omzetting van de richtlijn. Na analyse van de Franse en Portugese antwoorden en van de aangemelde nationale omzettingsmaatregelen is de Commissie van oordeel dat Frankrijk en Portugal de richtlijn nog steeds niet volledig hebben omgezet. Zij hebben nu twee maanden de tijd om aan de omzettingsverplichting te voldoen en de Commissie daarvan in kennis te stellen. Doen ze dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Verwijzingen naar het Hof van Justitie
Commissie daagt BULGARIJE en SLOWAKIJE voor Hof van Justitie om ontwikkeling van hernieuwbare energie te garanderen
De Commissie heeft vandaag besloten Bulgarije (INFR(2021)0157) en Slowakije (INFR(2021)0360) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens niet-omzetting van de in Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde EU-regels ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Deze richtlijn schept het rechtskader voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie op het gebied van elektriciteit, verwarming, koeling en vervoer in de EU. De richtlijn bepaalt voor de EU als geheel een bindend streefcijfer voor hernieuwbare energie van ten minste 32 % tegen 2030 en omvat maatregelen om te waarborgen dat steun voor hernieuwbare energie kosteneffectief is en om de administratieve procedures voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie te vereenvoudigen. Ze faciliteert de participatie van burgers in de energietransitie en stelt specifieke streefcijfers om het aandeel hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector en de vervoerssector tegen 2030 te verhogen. De uiterste datum voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht was 30 juni 2021. De Commissie heeft beide lidstaten in juli 2021 een aanmaningsbrief gestuurd. In december 2021 heeft de Commissie Bulgarije en Slowakije een met redenen omkleed advies gestuurd. De Commissie heeft nu besloten Bulgarije en Slowakije voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen met een verzoek om financiële sancties op te leggen overeenkomstig artikel 260, lid 3, VWEU. Een persbericht is hier beschikbaar.
6. Belastingen en douane-unie
(meer informatie: Daniel Ferrie – Tel.: +32 229 86500; Francesca Dalboni – Tel.: +32 229 88170)
Aanmaningsbrieven
Belastingen: Commissie verzoekt SPANJE het nieuwe mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie naar behoren ten uitvoer te leggen
De Commissie heeft vandaag besloten Spanje een aanmaningsbrief (INFR(2022)2096) te sturen wegens het onjuist omzetten van het mechanisme ter beslechting van grensoverschrijdende belastinggeschillen (Richtlijn (EU) 2017/1852). Dat mechanisme zorgt ervoor dat belastinggeschillen tussen lidstaten sneller en doeltreffender worden opgelost. Dat geeft bedrijven en particulieren die met dubbele belasting te maken krijgen, meer fiscale rechtszekerheid. Op basis van haar beoordeling van de Spaanse omzetting van de nieuwe richtlijn is de Commissie van mening dat de nationale uitvoeringswetgeving niet voorziet in een aantal essentiële kenmerken van de nieuwe regels. Spanje heeft nu twee maanden de tijd om op de aanmaningsbrief te antwoorden. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.
Met redenen omklede adviezen
Belastingen: Commissie dringt bij SPANJE aan op omzetting van nieuwe accijnsregels
De Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te richten aan Spanje (INFR(2022)0074) omdat het land de Commissie niet in kennis heeft gesteld van de maatregelen tot omzetting in nationaal recht van Richtlijn (EU) 2020/262 houdende een algemene regeling inzake accijns (herschikking). Deze richtlijn, waarbij Richtlijn 2008/118/EG wordt ingetrokken en vervangen, bevat gemeenschappelijke bepalingen die van toepassing zijn op alle producten die aan de accijns worden onderworpen. De richtlijn bevat een reeks nieuwe regels die per 13 februari 2023 van toepassing zullen zijn, en de lidstaten moesten deze richtlijn uiterlijk op 31 december 2021 omzetten. Tot op heden heeft Spanje de Commissie geen omzettingsmaatregelen meegedeeld. Het land heeft nu twee maanden de tijd om aan de omzettingsverplichting te voldoen en de Commissie daarvan in kennis te stellen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
7. Mobiliteit en vervoer
(meer informatie: (meer informatie: Adalbert Jahnz – Tel.: +32 229 53156, Anna Wartberger - Tel.: +32 229 82054)
Aanmaningsbrieven en een met redenen omkleed advies
Vervoer per spoor: Commissie dringt bij DUITSLAND en POLEN aan op volledige omzetting en toepassing van EU-regels inzake spoorwegveiligheid en -interoperabiliteit
De Commissie verzoekt Duitsland (INFR(2022)2100 en INFR(2022)2101) en Polen (INFR(2020)0551 en INFR(2020)0552) de regels inzake spoorwegveiligheid en -interoperabiliteit van Richtlijn (EU) 2016/797 en Richtlijn (EU) 2016/798 correct ten uitvoer te leggen. Deze richtlijnen maken deel uit van het vierde spoorwegpakket, een reeks van zes Europese wetten die tot doel hebben de eengemaakte markt voor spoorwegdiensten (één Europese spoorwegruimte) te voltooien, de spoorwegsector nieuw leven in te blazen en deze concurrerender te maken ten opzichte van andere vervoerswijzen. De richtlijnen waarop Duitsland en Polen inbreuken maken, moeten het voor bedrijven gemakkelijker en goedkoper maken om in heel Europa spoorwegdiensten te exploiteren. De richtlijnen zorgen met name voor snellere en goedkopere manieren om spoorwegmaterieel te laten certificeren voor gebruik in verschillende lidstaten. Zij hebben ook onnodige nationale belemmeringen op technisch en operationeel gebied weggenomen ter bevordering van soepel grensoverschrijdend spoorverkeer. De lidstaten hadden tot juni 2019 de tijd om de nieuwe regels in nationale wetgeving om te zetten, een termijn die zij met één jaar konden verlengen. Polen moet de Commissie nog in kennis stellen van de volledige omzetting van de richtlijn in nationaal recht. Duitsland heeft niet alle vereisten toegepast op al zijn regionale netwerken. Vandaag stuurt de Commissie Duitsland aanmaningsbrieven en Polen met redenen omklede adviezen. Duitsland heeft nu twee maanden de tijd om te reageren op de aanmaningsbrieven. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten met redenen omklede adviezen te sturen. De met redenen omklede adviezen die vandaag aan Polen zijn gericht, volgen op de aanmaningsbrieven die de Commissie in november 2020 heeft verzonden. Polen heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
8. Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaalmarktenunie
(meer informatie: Daniel Ferrie – Tel.: +32 229 86500, Aikaterini Apostola - Tel.: +32 229 87624)
Aanmaningsbrieven
Bestrijding van witwassen van geld: Commissie dringt bij SPANJE en ITALIË aan op correcte toepassing antiwitwasrichtlijn
De Commissie heeft vandaag aanmaningsbrieven gestuurd naar Italië (INFR(2022)2150) en Spanje (INFR(2022)2151) wegens onjuiste toepassing van de antiwitwasrichtlijn (vierde antiwitwasrichtlijn als gewijzigd bij de vijfde antiwitwasrichtlijn). Deze lidstaten hadden kennisgegeven van een volledige omzetting van de richtlijn. Niettemin heeft de Commissie verschillende gevallen vastgesteld waarin de richtlijn onjuist wordt toegepast en die betrekking hebben op de werking van een van de hoekstenen ervan: het opzetten van de centrale registers van uiteindelijk begunstigden. Meer transparantie is essentieel om misbruik van juridische entiteiten tegen te gaan. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat informatie over de werkelijke eigenaren van deze juridische entiteiten (hun uiteindelijke begunstigden) in een centraal register wordt opgeslagen. Hiertoe kunnen de lidstaten gebruikmaken van een centrale database waarin de informatie betreffende uiteindelijk begunstigden wordt verzameld, van het handelsregister of van een ander centraal register. Het vertrouwen van beleggers en het grote publiek in de financiële markten hangt in grote mate af van het bestaan van een accurate openbaarmakingsregeling die zorgt voor transparantie in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van bedrijven. Dit geldt met name voor corporate-governancesystemen die worden gekenmerkt door eigendomsconcentratie, zoals die in de Europese Unie. Als deze lidstaten binnen twee maanden geen bevredigend antwoord geven, kan de Commissie besluiten de inbreukprocedure voort te zetten en een met redenen omkleed advies uit te brengen.
9. Digitale economie
(meer informatie: Johannes Bahrke – Tel.: +32 229 58615, Charles Manoury - Tel.: +32 229 13391)
Aanmaningsbrieven
Onlinehandelspraktijken tussen platforms en ondernemingen: Commissie verzoekt HONGARIJE, LITOUWEN, NEDERLAND, POLEN, PORTUGAL, SLOVENIË, SLOWAKIJE en TSJECHIË de EU-regels ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers na te leven
De Commissie heeft vandaag besloten aanmaningsbrieven te sturen naar Hongarije (INFR 2022/2142), Litouwen (INFR 2022/2143), Nederland (INFR 2022/2144), Polen (INFR 2022/2145), Portugal (INFR 2022/2146), Slovenië (INFR 2022/2147), Slowakije (INFR 2022/2148) en Tsjechië (INFR 2022/2141) wegens niet-nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de verordening ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (Verordening (EU) 2019/1150, ook de “P2B-verordening” genoemd). De P2B-verordening is van toepassing sinds 12 juli 2020. In haar aanmaningsbrieven uit de Commissie haar bezorgdheid met betrekking tot het feit dat de lidstaten een nationaal rechtskader moeten vaststellen om de doeltreffende handhaving van de P2B-verordening te verzekeren. De betrokken lidstaten beschikken nog niet over nationale wetgeving. Zij hebben nu twee maanden de tijd om te reageren op de argumenten van de Commissie. Doen zij dat niet, dan kan de Commissie beslissen hun met redenen omklede adviezen te sturen.
10. Werkgelegenheid en sociale rechten
(meer informatie: Veerle Nuyts – Tel.: +32 229 96302; Flora Matthaes – Tel.: +32 229 83951)
Met redenen omklede adviezen
Detachering van werknemers: Commissie verzoekt 17 lidstaten handhavingsrichtlijn detachering werknemers na te leven
De Commissie heeft beslist met redenen omklede adviezen te richten aan België (INFR(2018)2226), Bulgarije (INFR(2018)2227), Denemarken (INFR(2021)2057), Duitsland (INFR(2021)2056), Finland (INFR(2021)2058), Frankrijk (INFR(2018)2232), Hongarije (INFR(2018)2234), Ierland (INFR(2018)2235), Italië (INFR(2021)2059), Malta (INFR(2018)2238), Nederland (INFR(2021)2061), Oostenrijk (INFR(2018)2225), Polen (INFR(2018)2239), Roemenië (INFR(2018)2241), Slovenië (INFR(2018)2243), Slowakije (INFR(2018)2242) en Tsjechië (INFR(2018)2230) omdat deze landen verschillende nationale bepalingen niet in overeenstemming hebben gebracht met de handhavingsrichtlijn detachering werknemers (Richtlijn 2014/67/EU). De handhavingsrichtlijn heeft tot doel de praktische toepassing van de regels inzake detachering van werknemers te versterken door kwesties in verband met de bestrijding van fraude en omzeiling van regels, de toegang tot informatie en administratieve samenwerking tussen de EU-lidstaten aan te pakken. De handhavingsrichtlijn legt met name de administratieve eisen en controlemaatregelen vast die de lidstaten mogen opleggen om toe te zien op de naleving van de regels inzake de detachering van werknemers; zij verdedigt de rechten van gedetacheerde werknemers en beschermt hen tegen nadelige behandeling door hun werkgever in geval van juridische of administratieve stappen; zij beschermt de rechten van gedetacheerde werknemers in gevallen van onderaanneming; zij waarborgt de doeltreffende toepassing en inning van administratieve sancties en boeten in alle lidstaten; zij verplicht de lidstaten te voorzien in doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties. De Commissie heeft in juli 2021 naar 24 lidstaten aanmaningsbrieven gestuurd en stuurt nu in vervolg daarop deze met redenen omklede adviezen naar 17 lidstaten die sommige of alle bovengenoemde bepalingen van de richtlijn nog steeds niet correct hebben omgezet. De betrokken lidstaten hebben nu twee maanden de tijd om de nodige maatregelen te nemen. Doen ze dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Coördinatie van de sociale zekerheid: Commissie verzoekt DUITSLAND te voldoen aan EU-regels inzake coördinatie van sociale zekerheid en vrij verkeer van werknemers
De Commissie heeft besloten Duitsland een met redenen omkleed advies te sturen (INFR(2021)4039) wegens niet-naleving van de EU-regels inzake de coördinatie van de sociale zekerheid (Verordening (EG) nr. 883/2004) en inzake het vrije verkeer van werknemers (Verordening (EU) nr. 492/2011 en artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)). De Duitse deelstaat Beieren heeft een nieuwe regeling voor gezinstoelagen ingevoerd voor inwoners van Beieren met jonge kinderen (tot 3 jaar oud). In het kader van deze regeling ontvangen EU-burgers met kinderen die in een van de 15 lidstaten wonen waar de kosten van levensonderhoud lager zijn dan in Beieren, echter een kleinere toeslag. De Commissie heeft haar bezorgdheid geuit omdat deze wetgeving in strijd is met het EU-recht en er sprake is van ongerechtvaardigde indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit van migrerende werknemers. Bovendien is deze wetgeving in strijd met de EU-regels inzake het vrije verkeer van werknemers en de coördinatie van de sociale zekerheid. EU-werknemers met kinderen die permanent in een andere lidstaat wonen, moeten recht hebben op dezelfde gezinstoelagen als andere werknemers in Beieren. In juni 2022 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-328/20 geoordeeld dat een Oostenrijkse kinderbijslagregeling, die sterk vergelijkbaar was met die in Beieren, niet in overeenstemming was met het EU-recht. Deze uitspraak bevestigde het standpunt van de Commissie. De Commissie heeft Duitsland in november 2021 een aanmaningsbrief gestuurd. Duitsland heeft in maart 2022 op de brief van de Commissie geantwoord. Aangezien de Commissie van mening is dat het antwoord onvoldoende tegemoetkomt aan haar bezwaren, stuurt zij een met redenen omkleed advies. Duitsland heeft nu twee maanden de tijd om de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Mobiliteit van werknemers: Commissie verzoekt ITALIË een einde te maken aan discriminatie van lectoren vreemde talen
De Commissie heeft besloten Italië een met redenen omkleed advies te sturen (INFR(2021)4055) wegens niet-naleving van de EU-regels inzake het vrije verkeer van werknemers (Verordening (EU) 492/2011). Volgens het EU-recht mogen EU-burgers die hun recht op vrij verkeer uitoefenen, niet worden gediscrimineerd op grond van hun nationaliteit wat betreft de toegang tot werk en de arbeidsvoorwaarden. In zijn arrest in zaak C-119/04 verklaarde het Hof van Justitie van de Europese Unie dat een Italiaanse wet uit 2004 een aanvaardbaar kader biedt voor het zogenaamde opnieuw samenstellen van de loopbaan van lectoren vreemde talen (“lettori”) aan Italiaanse universiteiten. Dit betekent dat de wet voorziet in de mogelijkheid om hun salaris, anciënniteit en bijbehorende socialezekerheidsuitkeringen aan te passen aan die van een onderzoeker met een deeltijdcontract, en hun het recht toekent op betaling van achterstallig salaris vanaf het begin van hun dienstverband. De meeste universiteiten hebben echter niet de nodige stappen ondernomen om de loopbanen van lectoren vreemde talen opnieuw samen te stellen, waardoor de meesten nog steeds niet het geld hebben ontvangen waarop zij recht hebben. Italië heeft sinds de instelling van de inbreukprocedure in september 2021 niet de nodige maatregelen genomen en discrimineert derhalve nog steeds lectoren vreemde talen. Italië heeft nu twee maanden de tijd om en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
* Bijgewerkt op 26.1 om 12.12 uur
**Bijgewerkt op 26.1 om 15.30 uur