Tweede Kamer, 31e vergadering
- Begin10:15
- Sluiting19:28
- StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van Campen
Aanwezig zijn 118 leden der Kamer, te weten:
Aartsen, El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, Belhirch, Van Berkel, Biekman, Bikker, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boon, Boswijk, Van Brenk, Bart van den Brink, Tijs van den Brink, Bühler, Van der Burg, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Coenradie, Dassen, Dekker, Heera Dijk, Diederik van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Van Eijk, Ellian, Ergin, Erkens, Faber, Grinwis, Hamstra, Heinen, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Jetten, Jumelet, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Maeijer, Markuszower, Martens-America, Van Meetelen, Van Meijeren, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Raijer, Rajkowski, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Vermeer, Vervuurt, Vijlbrief, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wilders en Zalinyan,
en mevrouw Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, minister voor Asiel en Migratie, viceminister-president, en mevrouw De Vries, staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
De voorzitter:
Ik open de vergadering van donderdag 15 januari 2026.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.
Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.
Hamerstukken
Hamerstukken
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet medische hulpmiddelen in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2024/1860 betreffende de verplichting tot informeren in geval van onderbreking of stopzetting van de levering (36759);
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet tegemoetkomingen loondomein teneinde voor een nieuwe werkgever een recht te regelen op een loonkostenvoordeel voor de resterende duur daarvan (36792).
Deze wetsvoorstellen worden zonder beraadslaging en, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.
Begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2026
Begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026 (36800-XXII).
(Zie vergadering van 13 januari 2026.)
De voorzitter:
Dan is aan de orde de voortzetting van de begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening op vragen, gesteld in eerste termijn.
Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.
(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De voorzitter:
Ik heet de minister opnieuw van harte welkom in ons midden. Aan de orde is haar beantwoording in de eerste termijn. Daarvoor geef ik haar graag het woord.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Keijzer:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de leden voor hun inbreng in eerste termijn. In het bijzonder wil ik de heer Van Asten, mevrouw Zalin… Mevrouw … Hè, jakkes. Ik had erop geoefend. Zallinyan. Zeg ik dat goed?
De voorzitter:
Zalinyan.
Minister Keijzer:
Zalinyan. Ik wil hen en mevrouw Steen bedanken voor en feliciteren met hun maidenspeech. Ik zat zo naar ze te luisteren, en opeens viel bij mij het kwartje: het zijn alle drie wethouders. Ze zijn alle drie betrokken geweest bij de inrichting van onze omgeving en bij het realiseren van allerlei zaken op gemeentelijk niveau. Dat doet mij goed. Dat ben ik ook ooit geweest. Ik ben ook ooit begonnen als wethouder, en wel als wethouder Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Ik vind het prachtig om te zien dat de Kamer weer aangevuld is met mensen met die deskundigheid op gemeentelijk niveau, want dat is natuurlijk de plek waar alles uiteindelijk landt. Het is het bestuursniveau dat het dichtst bij de burger staat.
Mevrouw Steen had een heel erg herkenbare maidenspeech, waarin zij ook "heanig an" … Zeg ik dat goed? Ja, ik ben een Volendammer, hè. Ik kan het wel in het Volendams, maar niet in het Twents. Maar dat gaf zeker ook een glimlach op het gezicht. De boodschap die daarachter ligt, is: jongens, kalmpjes aan, rustig aan, geef elkaar een beetje de tijd, geef elkaar een beetje de ruimte en tel eens tot tien. Dat is in ieder geval iets wat voor ons allemaal geldt. De heer Van Asten heb ik ook als minister vaak mogen ontmoeten toen het ging over de uitdagingen in zijn stad. Mevrouw Zalinyan had ook een heel mooi verhaal, namelijk: laten we elkaar de ruimte geven en laten we met elkaar laten zien hoe mensen die van buiten Nederland komen gewoon bijdragen aan onze samenleving. Dat zijn dus allemaal woorden die we ons ter harte kunnen nemen.
Overigens mis ik hier de heer De Groot van de VVD-fractie. Niets ten nadele van mevrouw Den Hollander, maar ik mis hem toch wel. Vanaf het allereerste begin dat ik deze portefeuille behandel, ook hiervoor nog als Kamerlid, heb ik eigenlijk altijd met hem in deze zaal gestaan. Ik hoop dat hij heel snel weer op zijn twee benen staat en aanwezig is in deze debatten.
Voorzitter. Het is een begrotingsbehandeling onder een bijzonder gesternte. Het nieuwe kabinet zit al zo'n beetje in de wachtkamer. Ik heb af en toe het idee dat ze al met één been op het bordes staan. Zij hebben natuurlijk ook eigen ideeën. Ik zie de heer Vijlbrief nee schudden. Stel me nou niet teleur, zou ik bijna willen zeggen. Natuurlijk heeft een nieuw kabinet ook eigen plannen en eigen ideeën voor hoe het verder moet met de volkshuisvesting en de ruimtelijke ordening. Ik zag ook af en toe de heer Vijlbrief al een beetje zo staan, zo van: nou, ik ben de volgende die dit gaat doen. Dat doet mij deugd!
De voorzitter:
Ja, dit is uitlokking, mevrouw de minister! Meneer Vijlbrief.
De heer Vijlbrief (D66):
Ik wil hier ernstig bezwaar tegen maken! Ik ben lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zo heb ik me, dacht ik, ook gedragen. Verder wens ik de minister veel succes!
Minister Keijzer:
Mooi om te zien! Ik ken de heer Vijlbrief ook uit de vorige periode. Mocht het zover komen, dan zie ik uit naar de debatten met hem.
Voorzitter. Nu serieus. Ik ga mijn best doen om alle vragen te beantwoorden die mij gesteld zijn. Een groot gedeelte heb ik al schriftelijk beantwoord. Verdere vragen zal ik uiteraard vandaag beantwoorden. Maar u kunt zich voorstellen dat ik ook geregeld zal proberen te verwijzen naar een volgend kabinet, want dat past mij. Dat zal mij best wel zwaar vallen, want u kent mij: ik heb een mening. Als er echt dingen gezegd worden waarvan ik denk dat die gewoon onverstandig zijn, dan zal ik dat vanuit het perspectief van mijn portefeuille hier toch ook naar voren brengen.
Anderhalf jaar heb ik dit werk als minister mogen doen. Dat is natuurlijk veel te kort. Maar ik ben toch trots op het werk dat wij vanuit het ministerie hebben gedaan, ik en al die betrokken ambtenaren die keihard gewerkt hebben om de volkshuisvesting en ruimtelijke ordening in Nederland een stukje verder te brengen. Dat hebben wij niet alleen op het ministerie gedaan; dat hebben wij ook gedaan in debat met uw Kamer en uiteraard met al die lokale overheden. Nederland is namelijk een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening zijn dus zeker taken die je uitvoert samen met provincies, waterschappen, gemeenten en alle mensen die er verder bij betrokken zijn.
Voorzitter. Ik ben ook trots. De inkt van het regeerakkoord was namelijk nog niet droog, of daar was in december van 2024 al de Woontop; het eerste wapenfeit van het kabinet-Schoof. Op de Woontop is het gelukt om met alle betrokken partners afspraken te maken over sneller bouwen en minder regels. Heel veel mensen die zitten te luisteren, zullen hier misschien van denken: "Ja, duh. Logisch. Zo moet dat." Maar tot die Woontop waren er oeverloze discussies over alles: waar er gebouwd moest worden, wat er gebouwd moest worden en hoe er gebouwd moest worden. Het is ons met elkaar gelukt — dat is niet alleen mijn verdienste, maar zeker ook de verdienste van al die Woontoppartners — om een flink aantal afspraken met elkaar te maken.
Over het "waar", de vraag waar er gebouwd moest worden, zijn we een heel traject met elkaar aangegaan. Dat heeft uiteindelijk geleid tot het ontwerp van de Nota Ruimte. Dan het "wat": wat moest er gebouwd worden? Twee derde betaalbaar en 30% sociaal. Dat hebben we daarin ook met elkaar afgesproken. De discussie die er tot dat moment was over de vragen "kan het wel uit" en "kan het betaald worden", hebben we daarmee ook weten te beslechten. Ja, het kan uit, mits er wel subsidie van overheden bij zit. Hier is ook in vastgelegd "hoe" we gaan bouwen, namelijk: conform het Bbl, het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daar komen geen plussen meer bovenop. Dat is niet omdat ík vind dat het Bbl kwalitatief voldoende is — dat vind ik overigens wel; daarom hebben we dat met elkaar vastgelegd — maar dat is om te voorkomen dat er elke keer in het planproces, voordat er überhaupt een vergunningsaanvraag wordt ingediend, oeverloos discussie is: "Moet het niet een beetje zus? Moet het niet een beetje zo? Kan er niet een plusje hier? Kan het daar niet net even anders?" Dat vertraagt namelijk gewoon.
Dit heeft uiteindelijk geleid tot het programma STOER: het schrappen van tegenstrijdige en overbodige eisen en regels. Dat is een rechtstreekse reactie op datgene waar de heer Mooiman van de PVV-fractie en de heer Vermeer in hun inbreng naar verwezen: alle verstikkende regels in dit land die het er voor woningbouw niet makkelijker op maken.
Voorzitter. Ik ben trots op nog meer zaken, zoals de doorbraaklocaties. Gisteravond is in de gemeenteraad het plan voor Cortelande vastgesteld. Dat is het vervolg op een doorbraak die eind vorig jaar, een paar weken geleden, bereikt is. De Wet versterking regie volkshuisvesting ligt bij de Tweede Kamer. Ik hoorde, met dank aan de heer Grinwis, dat er een emailprocedure voorligt om zo snel als mogelijk dat wetsvoorstel verder te brengen.
Dan de realisatie van 50.000 woningen in de NPLV-gebieden, de nieuwe realisatiestimulans. Iemand zei eens tegen mij: waarom heb je dat niet gewoon een bouwbonus genoemd? Ik vond dat eigenlijk wel een heel goed idee, want dat is wat het is: gewoon €7.000 per gebouwde woning, helder, eenvoudig, niet al te veel moeite om het te moeten aanvragen. En we kunnen echt hier met elkaar vaststellen, zoals de heer De Hoop dat ook noemde, dat we door muren gegaan zijn.
Maar er is nog iets anders gebeurd. De sfeer aan allerlei tafels is de afgelopen anderhalf jaar omgeslagen. De houding is er eentje geworden van: het kan wel. Dat zeg ik de fractie van D66 na. Maar het is vooral ook een sfeer geworden van: pak je verantwoordelijkheid en doe wat gedaan moet worden.
Voorzitter. Ik durf te zeggen dat wat er nu staat het begin is van het oplossen van het woningnoodprobleem. In die zin komt de nieuwe minister van VRO beleidsmatig en juridisch in een gespreid bedje. We hebben nog wel een financiële discussie met elkaar te gaan, maar het beleidsmatige en juridische huis staat.
Ik heb geen magische bol, om de verzuchting van de heer Clemminck van de fractie van JA21 in zijn inbreng te herhalen. Was het maar zo. De realiteitszin waaraan mevrouw Den Hollander in haar inbreng refereerde, is ook echt nodig. Morgen is het niet opeens anders.
Het is wel zo dat we vorig jaar op ongeveer 75.000 nieuwbouwwoningen zaten. Als je er 100.000 per jaar nodig hebt, doen wij het stukken beter dan andere Europese landen, waar ze bij lange na niet het equivalent halen van de benodigde productie. We zijn er natuurlijk nog niet, maar als zaken blijven lopen zoals ze nu lopen, zitten we binnen twee jaar op die 100.000 woningen per jaar.
Daarin is nog niet de mogelijkheid opgenomen om in achtertuinen mantelzorgwoningen en familiewoningen te mogen bouwen; we hebben het verbreed naar kinderen van de hoofdbewoner. Daar is ook niet in opgenomen het vergunningsvrij mogen splitsen van woningen. Ik zal straks laten zien hoe je dat kan doen. Het is aan een volgend kabinet, maar ik ben het wel aan het uitzoeken, zodat het klaarligt voor de volgende minister.
Als we dat echt serieus gaan doen, dan kunnen we echt met elkaar in deze Kamer aan al die woningzoekenden in Nederland laten weten: we zien uw zorgen, we zien uw problemen en we hebben alles op alles gezet om ervoor te zorgen dat die woningen er komen. Ik ben daar trots op. De heer Vijlbrief refereerde aan het interview in het FD, maar het is gewoon zoals het is. En als het is zoals het is, dan moet je het gewoon zeggen. Zo zit ik een beetje in het leven.
De sector is wel gebaat bij continuïteit en voorspelbaarheid. Als ik kijk naar de ideeën en plannen van het nieuwe kabinet die voorbijkomen, dan zie ik daar wel de lijn in dat men doorgaat op de ingeslagen weg: bestendig beleid, grote lijnen blijven intact. Het belang daarvan hoef ik u niet uit te leggen. Woningbouw vraagt even niet om nieuwe idealen, maar vraagt om bestendig beleid, om doorgaan op de ingeslagen weg. Hooguit zou enige deregulering nog verder kunnen helpen. Er zijn ook een aantal voorstellen door u allen hier gedaan. De starters die noodgedwongen tot hun 30ste op de zolder blijven wonen. De gezinnen die hun leven in dozen hebben staan omdat er geen huis beschikbaar is voor ze. Scheidingen die, hoe verdrietig dat ook in het leven van mensen is, er ook nog eens toe leiden dat men veroordeeld blijft tot dezelfde trap naar de slaapkamers. Voor deze mensen telt maar één vraag: wanneer komt er een huis voor mij?
Ik heb de vragen op het onderdeel volkshuisvesting schriftelijk beantwoord. Ik zou nu graag over willen gaan naar het blokje ruimtelijke keuzes.
De voorzitter:
Kunt u de Kamer wellicht meenemen in de verschillende blokjes waarlangs u de beantwoording heeft gestructureerd?
Minister Keijzer:
Dat is dit, voorzitter. Ik heb alle gestelde vragen op het onderdeel volkshuisvesting schriftelijk beantwoord. Het verstandigst is denk ik om gewoon te kijken welke vragen er nog liggen, als er nog onduidelijkheden zijn. Vervolgens kan ik overgaan tot de ruimtelijke keuzes. Ja, voorzitter, ik help u ook maar een klein beetje in de voortgang.
De voorzitter:
Daar zijn wij alleen maar ontzettend blij mee, minister. Ik stel de Kamer voor het aantal interrupties niet te maximeren, maar wel om net als afgelopen dinsdag kort en bondig te blijven en de interrupties maximaal in drieën te doen. Meneer Vermeer?
De heer Vermeer (BBB):
Ik wil de minister en haar team bedanken voor de antwoorden die we ontvangen hebben. Mooi dat die op tijd binnen waren. Ik heb ook antwoord gekregen over de vakantieparken en het bewonen van recreatiewoningen. Er komt van alles aan, maar ik heb naar aanleiding van het debat ook meerdere berichten gekregen van mensen die zeggen: moet je eens luisteren; er wordt volop gehandhaafd en er worden dwangsommen uitgedeeld. Maar er is geen enkel alternatief voor die mensen, ook niet in de vorm van bijvoorbeeld een sociale huurwoning. Die mensen worden op deze manier gewoon keihard de schulden in gedrukt door de overheid zelf. Wat kan en wil de minister hieraan doen op de korte termijn?
Minister Keijzer:
De regeling zoals ik die zie, is gepubliceerd. Dat is duidelijk. Maar wat je op gemeentelijk niveau ziet, is dat er vervolgens doorgegaan wordt op de ingeslagen weg. Dat vind ik soms heel erg jammer; ik zal u ook uitleggen waarom. Wat is die ingeslagen weg? "Dit is een vakantiepark, dat is de bestemming in het omgevingsplan en daar mag je niet wonen." Dat is één. Twee. De wethouder zegt dan: gemeentelijke autonomie; het is aan mij om dat besluit te nemen. Waarom vind ik dat nou jammer? Eén. Deze mensen hebben geen alternatief. Woningnood, wachttijden, noem het allemaal maar op. Feitelijk zeg je tegen die mensen: u zoekt het maar uit. Maar het is ook jammer om het volgende. Heel veel gemeentes hebben dan wel autonomie — het is de taak van gemeenten — maar ze hebben ook heel vaak niet de ambtelijke capaciteit om goed te kijken hoe je dit wel mogelijk zou kunnen maken. Dat is precies de reden waarom die instructieregeling gemaakt is. Dat stond ook in het hoofdlijnenakkoord en is ook een wens van een meerderheid van de Kamer.
Deze mensen zouden vervolgens bij de volksvertegenwoordigers op gemeentelijk niveau kunnen aankloppen, zodat zij zich dit kunnen aantrekken. Daar waar het komt tot een handhavingszaak, kun je heel goed kijken naar de instructieregeling en zeggen: er is zicht op legalisatie. Dat helpt in een eventuele procedure. Dat laat onverlet dat de stress van de mensen die het betreft huizenhoog is. Het is ook gewoon niet te doen; dat weet ik. Ik ben, zolang het mij nog gegund is om dit werk te doen, aan het uitwerken wat nodig is op het gebied van de voorwaarden die gesteld moeten worden. Dat heeft u kunnen lezen. Denk aan de discussie over of iemand aanspraak kan maken op huurtoeslag en hoe je dat dan regelt. Zodra de minister dat heeft, mijn opvolger, zal die — dat hoop ik; daar ga ik van uit — verdergaan met het in werking laten treden van de instructieregel.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Het is altijd fijn dat we schriftelijke beantwoording van het ministerie krijgen, zodat we goed naar alle antwoorden kunnen kijken. Maar het is toch ook wel prettig om in het debat een aantal van die antwoorden langs te lopen met elkaar. Ik zou willen beginnen bij de slagkracht van corporaties. Voor dit debat kwam de koepel van woningbouwcorporaties, Aedes, met het signaal dat ze denken 20 miljard te weinig te hebben om te kunnen voldoen aan de nationale prestatieafspraken. In de beantwoording van de minister staat dat woningbouwcorporaties op korte termijn nog beschikken over een goede financiële positie, maar dat ze ook een investeringstekort verwacht van 20 miljard tot en met 2034. Hoe snel verwacht de minister dat corporaties echt in de problemen komen met betrekking tot het voldoen aan die doelen binnen de Nationale Prestatieafspraken?
Minister Keijzer:
Het gaat nog een aantal jaren goed, maar dat wil niet zeggen dat je niet nu al moet nadenken over de consequenties hiervan. Het moment dat het ten koste gaat van de productie van nieuwbouwwoningen of de verduurzaming van de bestaande voorraad huurwoningen, komt nu wel in beeld. Omdat het een aantal consequenties heeft ten aanzien van de middelen die naar corporaties gaan, ten aanzien van de belastingen die bij corporaties worden geheven of ten aanzien van het ambitieniveau — moet je deze hoeveelheid woningen verduurzamen en bouwen? — is dat echt aan een nieuw kabinet. Maar je moet ook kijken naar hoe dit nou kan. Kan de bedrijfsvoering bij corporaties efficiënter, goedkoper? Een van de redenen waarom het nu tegenvalt, zijn bijvoorbeeld de kosten aan onderhoud. Kan daarin efficiënter gewerkt worden? Dat moet je echt de komende jaren gaan doen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Helder. Ik ben het met de minister eens dat we daar nu met elkaar over na moeten denken. De minister is best expliciet over de punten waarvan zij denkt dat er binnen de corporaties zelf nog wat aan, bijvoorbeeld die efficiëntieslag, gedaan kan worden. Maar wat vindt de minister bijvoorbeeld van misschien toch kijken naar de ATAD en de vpb? Ik weet dat ze bij de belofte van de PVV ten aanzien van de huurbevriezing ook heeft nagedacht over wat je dan kunt doen. Zijn er nou dingen die deze minister de volgende Kamer en de volgende minister mee zou willen geven voor wat je juist op dat vlak dan misschien toch zou moeten doen de komende periode?
Minister Keijzer:
Hiervoor geldt dat je natuurlijk altijd aan fiscale knoppen kan draaien, maar dat dat geld kost. Dat moet je dan dus op een andere manier goedmaken. Daar moet je "dekking voor zoeken", om het maar eens gewoon even op een parlementair gebruikelijke manier te formuleren. Maar je moet in verband met de rechtsgelijkheid ook nadenken over wat je dan doet met particuliere verhuurders van sociale huurwoningen. Zoals u weet, zijn er daar nogal een aantal van. Daar moet je dan dus wel naar kijken. Je kunt aan verschillende knoppen draaien, maar het is uiteindelijk aan een volgend kabinet om te bezien aan welke knop dat dan is en hoe je dat organiseert.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Tot slot heb ik nog een andere vraag over volkshuisvesting die niet beantwoord is in de schriftelijke beantwoording en die de minister nu ook niet is langsgelopen. Die gaat over de staatsteunmogelijkheden die de Europese Unie nu biedt. Ik ben benieuwd wat de minister denkt over hoe snel we die in Nederland kunnen omzetten in wetgeving. Ik hoop ook dat de minister, zolang zij er nog zit, daar echt de vaart achter wil zetten, omdat we daarmee kunnen zorgen voor meer betaalbare woningen, ook in dat middensegment waar zij zorgen over maakt. Ik ben dus benieuwd of de minister nog wat uitgebreider in zou willen gaan op de kansen die zij ziet en op hoe snel we die in Nederland kunnen omzetten in wetgeving en beleid.
Minister Keijzer:
Zoals we allemaal weten, heeft de Europese Commissie laten weten dat de ontheffing voor de staatssteundiscussie ook gaat gelden voor middenhuur. Dat was dus goed nieuws. Eind deze maand zitten we bij de Europese Commissie om goed door te spreken hoe we dat dan doen. We weten in ieder geval dat de Woningwet gewijzigd moet gaan worden. We hebben dus een wetswijziging nodig. Ik voel me een klein beetje gemankeerd, want het is natuurlijk ook weer aan een volgend kabinet om dit te gaan doen. Dat wil niet zeggen dat er op mijn ministerie niet aan gewerkt wordt, maar het is niet meer aan mij.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik wil inderdaad de minister en de ambtenaren bedanken voor het beantwoorden van de vragen. Mijn zorg zit in de zorggeschikte woningen. ActiZ en Aedes zeggen in een reactie: wij kunnen geen sociale huurwoningen bouwen die zorggeschikt zijn. Wat is dan het antwoord van het ministerie en de minister?
Minister Keijzer:
Het antwoord zit in subsidiemogelijkheden die er daarvoor zijn, zoals bijvoorbeeld de ontmoetingsruimte. Daar zit geld om dat te organiseren. Je hebt de nultredenwoningen. Je hebt de geclusterde woningen. Naarmate je een hogere zorgbehoefte in die woningen hebt, kost het natuurlijk meer geld om die te realiseren. Daar zijn subsidies voor. Dat doe ik samen met de staatssecretaris Langdurige Zorg om ervoor te zorgen dat deze woningen uiteindelijk gebouwd gaan worden. Maar als je simpelweg zegt "het kan niet", dan ga je voorbij aan de mogelijkheden.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik ben blij om te horen dat er vasthoudendheid is ten aanzien van het belang om dit te gaan bouwen. Ik maak me nog wel zorgen over een ander punt, namelijk het puntensysteem voor die woningen. Er geldt een opslag van 35% als de woning zorggeschikt is. Betekent dat niet automatisch dat zo'n woning niet binnen de sociale huur valt?
Minister Keijzer:
Dat ligt eraan. Dat kun je zo niet zeggen. Dat is één. Twee: hoe hoger de huur is — uiteraard tot een bepaald niveau — hoe hoger uiteindelijk ook de huurtoeslag is. Dat is ook een punt dat hierbij speelt. Maar er zijn natuurlijk ook situaties waarin mensen onder de Wet langdurige zorg vallen. Zij betalen geen huur meer, maar een eigen bijdrage.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter, tot slot. Ik had nog gevraagd naar de termijn voor die 290.000. Het is nu doorgeschoven naar 2036. Denkt de minister dat dat echt realiseerbaar is? Want het is zo hard nodig.
Minister Keijzer:
Het is absoluut hard nodig. Daar heeft mevrouw Van Brenk absoluut gelijk in. De bevolking vergrijst. We worden steeds ouder. De hoeveelheid mensen in die leeftijdscategorie wordt groter. We weten dat mensen aan het einde van hun leven zorgbehoevender worden. Gelukkig komen ze niet allemaal terecht in de zware zorg, maar als de absolute aantallen stijgen, dan is de hoeveelheid mensen die aangewezen is op zwaardere zorg en op een bijbehorende woning natuurlijk ook groter.
In de gesprekken die in het kader van de woondeals worden gevoerd met de gemeenten is alles erop gericht om deze woningen te realiseren. We hebben inmiddels met alle woondealregio's afspraken gemaakt. Volgens mij ligt er inmiddels in zo'n beetje alle woondealregio's in Nederland een plan om dit te gaan doen. Ik ken geen wethouder die zich niet realiseert dat dit in zijn of haar gemeente nodig is. In zijn algemeenheid geldt natuurlijk wel wat voor alle nieuwbouw geldt, namelijk dat het te lang duurt. Dat is absoluut een feit. Ik zei al eerder in mijn betoog "ga niet lekker creatief met elkaar tekenen", ook al klinkt dat een beetje raar. Dat moet je wel doen als het gaat om de schoonheid, zoals de heer Clemminck mooi naar voren bracht, maar niet als het gaat om de technische inhoud van wat er nodig is in de woning, want die discussie is al beslecht.
Mevrouw Beckerman (SP):
Mijn complimenten aan de minister voor de beantwoording en een puntje van kritiek voor mijzelf. Ik denk dat ik mijn vraag niet duidelijk genoeg heb gesteld, want hij is niet beantwoord. Ik ga hem daarom nog een keer stellen. Vanaf deze maand kunnen huurders geen huurtoeslag meer krijgen voor de servicekosten. Dat kan oplopen tot €48 per maand. Dat komt niet veel voor, maar de mensen die dit treft, zijn veelal mensen die een flat bewonen. Het gaat voor een groot deel om de armste Nederlanders. Daar komt dit jaar ook weer een huurverhoging bovenop.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Beckerman (SP):
Mijn vraag is: erkent de minister dat dit problematisch kan zijn voor een grote groep huurders?
Minister Keijzer:
Er wordt in deze Kamer vaak gefulmineerd over de huurverhoging. Als je moeilijk kunt rondkomen, dan snap ik dat een huurverhoging rauw op je dak valt. Dat begrijp ik. Tegelijkertijd vloeit die huurverhoging wel voort uit de regels en wetten die hier vastgesteld zijn. Ik snap dat je het daar als fractie niet mee eens kunt zijn, maar dat is wel waarbinnen ik en de verhuurders moeten opereren. Dat is één.
Twee: die hogere huur is natuurlijk niet omdat het lekker is. Die vloeit voort uit bijvoorbeeld de hogere kosten die verhuurders moeten maken om woningen te bouwen en woningen te onderhouden. Het is dus ook noodzakelijk. Daarnaast wordt huurverhoging soms verbonden aan hogere lonen en hogere uitkeringen. Als mensen hogere huren krijgen, dan staat daar tegenover dat zij hogere lonen of hogere uitkeringen krijgen. Vervolgens groeit de huurtoeslag ook mee. Dus laten we die werkelijkheid ook met elkaar blijven zien.
Dan de servicekosten. Aan het begin van mijn ministerschap is daar wetgeving over aangenomen. Ook daar kan je tegen zijn geweest — dat zal wel, als ik mevrouw Beckerman een beetje ken — maar dat is wel de werkelijkheid waarbinnen de situatie zich beweegt. Is het vervelend voor de mensen die het betreft? Ja, dat snap ik volledig. Nibud heeft hier echter onderzoek naar gedaan en daaruit is gebleken dat het voor de meeste mensen uit kan. Wie echt in de problemen komt, kan zichzelf melden bij de gemeente, bij het loket. Daar zitten de mensen die je daarbij kunnen helpen.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dat is een lang antwoord, maar ook met heel veel dingen waar de politiek wél wat aan kan doen. We hebben geluk. De minister zegt namelijk dat die huurverhoging voortkomt uit wetgeving. Als het om de sociale huur gaat kunnen wij ingrijpen, maar dan moeten we wel snel zijn. Dan kunnen wij nog zeggen: dat gaat naar een lager percentage, dat gaat naar nul. Verlagen laat die wetgeving toe. Het onderzoek van Nibud, waar de minister naar verwijst, heeft dit helemaal niet allemaal meegenomen, want dat ging over vorig jaar.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Beckerman (SP):
Waarom maken we nu niet eerst een pas op de plaats? Het is in januari ingevoerd. We kunnen niet al die mensen naar gemeenten duwen. Side-note: er wordt door dit kabinet ook hard bezuinigd op gemeenten. Laten we eerst kijken of dit nog wel haalbaar is, want het is een grote klap: servicekosten én na een recordhuurverhoging twee jaar geleden en een hoge huurverhoging vorig jaar, nu weer een huurverhoging daaroverheen.
Minister Keijzer:
Dit kabinet heeft vorig jaar extra geld aan gemeenten gegeven. Ik herken me dus niet zo in de woorden van mevrouw Beckerman. Ik zie de heer Mooiman al staan. Zijn vraag zal ook over huur gaan. Je kunt alles. Nou niet alles, maar je kunt een hoop. Maar de gevolgen van ingrijpen in de huren hebben we eerder met elkaar meegemaakt. Dat was april vorig jaar in de Voorjaarsnota. Toen hebben we gezien wat een huurbevriezing doet bij corporaties. Het toezichtsorgaan corporaties luidde de noodbel. Corporaties doken onder de ratio's op basis waarvan ze hun werk kunnen doen, met grote consequenties voor het bouwen van nieuwbouwwoningen en voor het verduurzamen van de woningen. We weten hier allemaal dat de huurquote, dus de hoeveelheid geld die mensen in de sociale huur kwijt zijn aan huur, ongeveer gelijk gebleven is. Maar we weten dat de woonkosten, waaronder de energiekosten, het grote probleem zijn. Het is dus onverstandig om op zo'n manier in te grijpen in de kas van corporaties, want dat heeft juist consequenties voor mensen om rond te komen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Beckerman (SP):
Maar dit is natuurlijk het wrange antwoord, want huurders worden dus verplicht de wooncrisis te betalen. Zij moeten meebetalen aan die nieuwbouw. Tegelijkertijd blijft het kabinet een greep in de kas van die corporaties doen en vraagt het hun nog steeds om winstbelasting en ATAD af te dragen. We hadden net de interruptie van de heer De Hoop: corporaties komen flink tekort, op termijn 20 miljard. We kunnen dat niet allemaal van sociale huurders vragen. Daarom zul je slim beleid moeten voeren en de corporaties daar inderdaad voor moeten compenseren. Dat is mogelijk, als we op het juiste moment die besluiten nemen. Wil het kabinet dan in ieder geval toezeggen om nog vóór de periode waarin de Kamer een ander besluit kan nemen, de Kamer te informeren over de mogelijkheden om de huurverhoging te beperken of op nul te zetten of om op andere manieren te compenseren?
Minister Keijzer:
Mevrouw Beckerman doet dit volgens mij elk jaar. Elk jaar staat ze bij de interruptiemicrofoon en vraagt ze hierom. Daarbij doet ze naar mijn idee net alsof huurders nu opeens betalen voor nieuwbouw, maar dat is altijd zo geweest. Als je een huis huurt of een hypotheek betaalt, moet je geld opzijzetten voor onderhoud. Een huurder is zelf verantwoordelijk voor de binnenkant en met de huurpenningen betaalt de verhuurder, bijvoorbeeld een corporatie, het onderhoud aan de buitenkant. Denken dat dat niets met elkaar te maken heeft, is niet reëel. Daarmee laat je huurders die het moeilijk hebben — en die zijn er, hoor; dat snap ik heel goed — eigenlijk een beetje in de steek. Het is nog vroeg, maar ik kan het eigenlijk niet anders verwoorden. Natuurlijk kan je de vennootschapsbelasting afschaffen; dat heb ik net ook tegen de heer De Hoop gezegd. Het kan. Dat kost 1,3 miljard. Daar moet je dan wel alleen even dekking voor zoeken. Ook moet je vervolgens nadenken hoe je in het kader van rechtsgelijkheid particuliere verhuurders van sociale huurwoningen ...
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman, geen vraag meer, maar een korte conclusie.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik wilde trouwens op een ander punt nog hele sympathieke vragen stellen, maar dit is natuurlijk wel een heel onsympathieke manier van reageren op een interruptie. Het klopt dat wij hier elk jaar staan: wij zijn consequent en komen op voor huurders en de betaalbaarheid. Inderdaad, via de huur betaal je mee voor het onderhoud. Dat is heel vaak ondermaats. Er zitten heel veel huurders in ziekmakende schimmelwoningen, ondanks dat ze betalen. Wat hier verkeerd aan is, is dat huurders eerst hebben betaald met de verhuurderheffing — dat betrof 13 miljard — en ze nu betalen met de winstbelasting en ATAD. Als het kabinet dan zegt dat het de schuld van de SP is en dat je daarmee huurders in de steek laat ... Je kunt recht praten wat krom is, maar dit praat je op deze manier niet recht.
De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt.
Minister Keijzer:
Ik zeg overigens niet dat het de schuld van de SP is. Dat heeft u mij niet horen zeggen.
De voorzitter:
Helder.
De heer Mooiman (PVV):
Allereerst wil ik de minister natuurlijk ook bedanken voor de schriftelijke beantwoording van de vragen. Ik denk dat de minister in haar inleiding het programma STOER, dat zij natuurlijk samen met de relevante partijen heeft opgezet, heel terecht heeft aangeprezen. In de schriftelijke beantwoording refereert ze ook aan onze vraag ten aanzien van het Duitse noodmaatregelenpakket. Daar loopt nu een onderzoek naar, in het kader van de vraag welke elementen in STOER opgenomen kunnen worden.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Mooiman (PVV):
Daar had ik een vraag over. Wanneer kunnen wij de uitkomsten van het onderzoek verwachten?
Minister Keijzer:
Het onderzoek naar wat? Sorry. O, de Duitse bouwturbo, hoor ik meneer Mooiman zeggen. We zijn natuurlijk bezig met de uitwerking van het plan dat mij aangereikt is door de commissie-De Zeeuw. We gaan de komende tijd kijken wat we daar nog van kunnen leren, maar het is even lastig om uit mijn hoofd te zeggen hoelang dat duurt. Ik vind het moeilijk om dit nu te beantwoorden. Heel veel van wat daarin zit, doen we namelijk al. De komende tijd gaan we kijken of er eventueel nog meer in zit waar we iets aan zouden kunnen hebben. Kan ik met de heer Mooiman afspreken dat dat gewoon in de volgende brief over dit onderwerp wordt meegenomen?
De heer Mooiman (PVV):
Dat lijkt me een hele goede afspraak, dus dank daarvoor. Ik had nog een andere vraag, over een ander onderwerp: de staatssteun. Dat kwam net ook al even aan de orde. Het is natuurlijk goed dat die regels versoepeld worden. Woningbouwcorporaties kunnen anders straks ook geen huurwoningen meer bouwen. Tegelijkertijd horen we natuurlijk van marktpartijen dat zij ook een grotere rol daarin zouden willen spelen, maar dat ze geen aanspraak kunnen maken op het instrument dat straks voor de sociale woningbouwcorporaties vrijkomt, de geborgde leningen. Is de minister het met ons eens dat er voor marktpartijen die een grotere bijdrage zouden willen leveren, een soortgelijk instrument kan worden opgezet? Hoe ziet zij de oproep vanuit die marktpartijen?
Minister Keijzer:
Dit is precies een van de discussies. Eigenlijk is het een van de problemen, om het maar gewoon eens te zeggen. Het instrumentarium, de geborgde leningen, geldt namelijk voor corporaties, niet voor marktpartijen. Maar ja, omdat je niet zonder marktpartijen kan, moet je daarnaar gaan kijken. Ook daarvoor geldt trouwens dat je het gesprek hierover te voeren hebt met de Europese Commissie. Ik ben dus blij met het besluit van de Europese Commissie, maar dit is wel wat hierachter wegkomt.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Het was de afgelopen maand heel koud. Dat betekent dat we allemaal een hogere energierekening hebben gehad, maar dat betekent ook dat in Nederland 10.000 mensen met -10 graden in de kou buiten hebben geslapen. Bij die 10.000 mensen worden de kinderen nog niet eens goed meegeteld. Ik vind dit een van de meest schrijnende zaken op het punt van de woningnood. Tegelijkertijd zie ik dat dit kabinet nog niet eens in de buurt komt van het doel van nul daklozen in 2030. Ik zou in dit debat graag toch ook nog een reactie van de minister krijgen op het zeer alarmerende rapport dat we hier de afgelopen tijd weer over hebben gezien en waaruit blijkt dat we heel ver van dat doel af zitten. Hoe kunnen we daar volgens de minister met z'n allen toch komen? Ik vind het namelijk echt ontzettend pijnlijk dat we nog steeds in die situatie zitten.
Minister Keijzer:
Ik deel dat; ik deel dat. Dit is de afgelopen week ook door mijn hoofd geschoten; eigenlijk de afgelopen weken, want het is al een tijdje heel koud. We weten allemaal dat het doel van nul daklozen in 2030 een ideale situatie is. We weten ook allemaal dat het is zoals het bij mijn ouders langs de trap hing: "Al wie naar volmaaktheid zoekt, tast gelijk een blinde". Volmaaktheid is in deze wereld immers niet te vinden. Dat laat onverlet dat we alles moeten doen om ervoor te zorgen dat zo min mogelijk mensen in deze situatie terechtkomen. Er ligt inmiddels een novelle in de Tweede Kamer op de Wet regie. Daarin heeft u ook kunnen lezen hoe ik uitwerking geef aan het amendement dat de heer Grinwis tijdens de behandeling heeft ingediend om een urgentiecategorie toe te voegen aan de huisvestingsverordening, namelijk dakloze gezinnen met minderjarige kinderen. Dat is dus waar wij aan werken. Daarnaast: het enige waar een dakloze behoefte aan heeft, is een dak boven zijn hoofd. Dat geeft tegelijkertijd de noodzaak aan van blijven sleuren en trekken aan het realiseren van nieuwbouw.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik heb geen enkele twijfel dat de minister het net zo erg vind als ik dat er mensen buiten slapen. Het enige wat ik ingewikkeld vind, is dat het kabinet zelf — dat betreft niet deze minister, maar haar voorgangers — een aantal jaren met best wel veel bombarie zei dat het voor die nul daklozen zou gaan zorgen, maar dat het beleid dat daarop gemaakt wordt, achterblijft bij dat doel. Daarin heeft deze minister natuurlijk wél een verantwoordelijkheid. De minister heeft het over de urgentiemogelijkheid die er nu hopelijk komt met het aannemen van de Wet regie, maar je kunt ook iets doen op andere vlakken, bijvoorbeeld woningbouwcorporaties nog meer ruimte geven, meer sociale huur en het voorkomen van het uitzetten van kinderen. Ik vind dat de minister en dit kabinet daarin nog wel meer stappen hadden kunnen zetten. Ik hoop dat de minister de komende periode, zolang zij die mogelijkheid heeft, echt nog doorgaat om naast die urgentieverklaring ook extra beleid mogelijk te maken om die dakloosheid echt tegen te gaan.
Minister Keijzer:
Ja, want volgens mij is er niemand in deze Kamer die niet deelt dat dakloosheid voorkomen moet worden, maar je moet ook realistisch blijven. Je kunt met elkaar ook niet in een situatie terechtkomen waarin mensen bewust de huur niet betalen met stiekem in het achterhoofd dat zij, omdat ze een jong kind hebben, toch niet worden uitgezet. Je moet dus alles op alles zetten om het te voorkomen. Dat doen gemeenten en corporaties ook. In de tijd waarin ik nog wethouder was — dat is echt heel lang geleden, zeg ik tegen de heer De Hoop — is er gewerkt aan beleid waarmee er bij betalingsachterstand niet gewacht wordt totdat die achterstand opgelopen is, maar waarmee meteen, al na een of twee maanden, contact met de betrokkenen wordt opgenomen om te zien wat er aan de hand is en om te voorkomen dat het erger wordt. Dat is een van de zaken die op gemeentelijk niveau en bij corporaties plaatsvinden. Er wordt op gemeentelijk niveau uiteraard ook gewerkt aan daklozenopvang; daar is geld voor. Dat zijn alle zaken die gebeuren in de praktijk. Daarnaast ben ik samen met u bezig met het realiseren van die 100.000 woningen, waarvan 30% sociaal op regionaal niveau, op woningbouwregioniveau, zodat meer woningen toegevoegd worden aan de voorraad.
De voorzitter:
U vervolgt uw beantwoording.
Minister Keijzer:
Oké. Dank, voorzitter. Toen ik wilde beginnen aan mijn blokje over de ruimtelijke keuzes, dacht ik nog even: hoort het vergunningsvrij woningsplitsen bij ruimtelijke keuzes of bij volkshuisvesting? Misschien is het goed om dat als een soort intermezzo ertussen te doen, want daar is ook naar gevraagd.
De voorzitter:
Zeer creatief van u, minister.
Minister Keijzer:
Ja, goed hè?
De voorzitter:
Jazeker.
Minister Keijzer:
Er is gevraagd naar het delen en splitsen van woningen. In de beantwoording ben ik wat op de vlakte gebleven, maar ik dacht dat het misschien toch goed is om een doorkijkje te geven van de manier waarop je dat kunt organiseren. Ik geef een voorbeeld van vergunningsvrij woningdelen. Dat is natuurlijk het beter benutten van de bestaande voorraad. Daar zitten ruimtelijke consequenties aan. Het zit er een beetje tussen. De gemeente Utrecht heeft via de huisvestingsverordening woningdelen vergunningsvrij gemaakt voor maximaal drie personen. Zoals we allemaal weten, is Utrecht een studentenstad. Als het daar kan, dan denk ik dat er weinig plekken in Nederland zijn waar het niet kan, de NPLV-gebieden misschien daargelaten. Dat is dan iets waar je in het beleid uiteindelijk ruimte voor moet geven. Het is in ieder geval een inspirerend voorbeeld. Als een nieuw kabinet dat wil regelen — goed luisteren, meneer Vijlbrief — dan moet in de Huisvestingswet artikel 21, lid 1, sub c worden gewijzigd, waardoor dit in alle gemeenten de standaard wordt. Natuurlijk moet je daarbij regelen dat aan de eisen voor de bouwkwaliteit en de brandveiligheid wordt voldaan, want daar moet je niet op inboeten. Bovendien moet je, zoals ik net al zei, goed opletten dat je het niet doet in gebieden waar er nu al problemen zijn met bijvoorbeeld verkamering, de NPLV-gebieden.
Dan kom ik op woningsplitsen. Zal ik het afmaken, voorzitter?
De voorzitter:
Ja, heel graag.
Minister Keijzer:
Woningsplitsen. Ikzelf ben opgevoed in een rijtjeshuis dat nog door mijn vader en de buurmannen is gebouwd. Het was zo'n doorzonwoning met een voordeur, een klein tuintje voor de voordeur, een trap omhoog en een achtertuintje met een schuurtje erin. Volgens mij hebben we daar allemaal beeld bij. Sanne van Manen heeft een prachtige publicatie gemaakt met tekeningen erin — ik heb ervan genoten — waarin precies staat hoe je zo'n woning zou kunnen splitsen. Dit soort woningen gewoon opsplitsen naar twee kan natuurlijk prima. Hoe doe je dat? Dat kan door artikel 21, lid 1, sub e van de Huisvestingswet te wijzigen. Hierbij geldt natuurlijk ook dat je oog moet houden voor brandveiligheid en bouwkwaliteit. Ook moet je goed bezien of je niet iets moet wijzigen in de Omgevingswet, waardoor je eventuele omgevingsplannen of bestemmingsplannen die dat verbieden, onklaar maakt of beter gezegd buiten werking stelt. Dit zijn twee concrete mogelijkheden om, als de brandweer het toestaat, de bestaande voorraad beter te benutten.
De voorzitter:
Was dit het intermezzo?
Minister Keijzer:
Ja.
De heer Vijlbrief (D66):
Dat is prachtig. Dank u wel voor dit antwoord, minister. Het kan. Het is fijn om dat te horen. Bij het vergunningsvrij maken van delen en splitsen hoor je vaak de bezwaren vanwege de veiligheid et cetera. De minister hintte daar een beetje op. Je zou kunnen redeneren dat de gemeente dat het beste kan beoordelen. Dat is natuurlijk de reden waarom we het uiteindelijk ook bij gemeentes hebben neergelegd. Dan zegt de minister: je kunt dat landelijk regelen door iets te wijzigen in de wet. Dat begrijp ik.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Vijlbrief (D66):
Mijn vraag is dan: hoe maak je in de ogen van de minister een goede afweging tussen veiligheid et cetera en het belang van de woningzoekenden? Dat houdt me hier bezig.
Minister Keijzer:
We hebben een gedecentraliseerde eenheidsstaat, zoals dat heet. Dat zijn twee moeilijke woorden die erop neerkomen dat de gemeente erover gaat, omdat dat het laagste niveau is, het niveau waarop dit het beste kan. Tegelijkertijd zie je gewoon in de praktijk dat gemeenten onvoldoende ambtelijke capaciteit hebben. In de praktijk komt iemand aan een loket en stelt deze vraag. Dan is het: moeilijk, moeilijk, moeilijk, onvoldoende capaciteit. Vaak wordt er dan verwezen naar bestaande wet- en regelgeving die dat niet toestaat, terwijl gemeenten de mogelijkheid hebben om daarvan af te wijken. Maar ja, dat is een procedure. Dan heb je buren die er mogelijk wat van vinden en dan gebeurt het niet.
De veiligheid zit natuurlijk in het Bouwbesluit. Daar zit brandveiligheid in. Dat blijft van toepassing. Bouwkwaliteit, bijvoorbeeld hoeveel vierkante meters je nodig hebt om te voorkomen dat mensen boven op elkaar komen te zitten, kun je daar natuurlijk ook in opnemen. Dus dit is een kwestie van kiezen. We hebben wetten en praktische bezwaren die constant in de weg staan van wat we met elkaar willen maar niet doen, omdat er altijd redenen zijn om het niet te doen. Het is mij niet meer gegeven, maar ik was zeker bij u gekomen met voorstellen. Als je dan helemaal aan de veilige kant wilt zitten, kun je, net als bij de vakantieparken, zeggen: we doen het voor een aantal jaar en daarna vervalt de mogelijkheid weer. Je kunt natuurlijk niet tegen mensen die verbouwd hebben, zeggen dat ze het moeten terugbrengen in de oude staat, want dan doet niemand het meer. Maar je kunt wel zeggen dat we dit een aantal jaren toelaten in het kader van de woningnood.
Voorzitter. In de publicatie die onder anderen door Sanne van Manen gemaakt is, wordt verwezen naar de duplexwoningen die we gemaakt hebben na de Tweede Wereldoorlog. We hebben het dus een hele tijd op deze manier gedaan. Er is echt niets nieuws onder de zon. In mijn ouderlijk huis kunnen bijvoorbeeld prima twee gezinnen. Als je kijkt naar het aantal vierkante meters dat al die woningen hebben, vaak met een voortuintje en een achtertuintje, zie je dat het prima te doen is. Maar we doen het niet.
De heer Vijlbrief (D66):
Dank aan de minister.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De minister kent artikel 21 vele malen beter dan ik, want ik heb het niet scherp, maar betekent dit dat het probleem van de parkeervergunningen en de parkeernormen ook verdwenen is?
Minister Keijzer:
Dat zal je daarin mee moeten nemen. Nu loopt het vaak stuk op het feit dat er een parkeernorm wordt opgelegd, terwijl er nu bijvoorbeeld twee personen, een man en een vrouw, in zo'n huis wonen, die ook twee auto's hebben. Of erger nog, pa en ma wonen er met twee kinderen, met ieder een eigen auto. Ook hiervoor geldt: willen we het of blijven we beren op de weg zien? Ik ben van de afdeling "aanpakken en oplossen". Op een gegeven moment moet je een keertje doorzetten. Dan zal het een keer ergens niet gaan zoals je had gehoopt, maar dat is nu ook zo. Nu zitten de mensen te wachten op een huis en woont bijvoorbeeld de dochter boven op zolder, met haar auto geparkeerd naast die van haar vader. Dit is bijna uit het leven gegrepen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik ben gewoon heel blij als we inderdaad meer mogelijkheden zien en meer mogelijkheden geven. Ik heb vaak de indruk, maar ik hoor graag hoe de minister hiertegen aankijkt, dat gemeenten het zichzelf ook moeilijk maken. Ik weet dat Den Bosch fantastische ideeën heeft over woningsplitsing, maar dat mag dan bij één woning. Bij de twee ernaast mag het niet.
Minister Keijzer:
In mooi Nederlands: I rest my case.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Wat ons betreft is dit een handschoen die heel snel opgepakt moet worden. Wij zullen daar graag aan meewerken.
De voorzitter:
Waarvan akte. Meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ben het van harte eens met de minister. Kijk naar hoeveel mensen er 30 jaar geleden in een woning woonden en vergelijk dat met nu: 2,35 versus 2,1. Dat is met de huidige woningvoorraad een verschil van 900.000 woningen, twee keer het huidige woningtekort. Tel uit je winst. De minister maakt een soort uitzondering voor de wijken die in het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid zitten. Er kunnen op gemeentelijk niveau natuurlijk andere afwegingen zijn bij andere wijken. Ik weet zelf dat in Den Haag in het verleden — dat was een ander tijdsgewricht; dat geef ik toe — vanuit het oogpunt van leefbaarheid, en wetende dat huizen gebouwd waren rond 1900, met hele dunne wandjes en enorm krappe straten, de parkeerdruk, de fietsendruk en de leefbaarheidsproblemen serieuze issues waren, zeker in combinatie met de vele arbeidsmigranten die hier wonen. Dat leidde echt tot problemen.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn vraag is: op welke manier weegt de minister dit om de gemeenten hiervoor nog beleidsvrijheid te geven; moeten we dit uniform strakker gaan regelen en veel meer vergunningvrij gaan splitsen en verkameren, of moeten we deze afwegingsruimte bij de gemeenten laten? Er zit namelijk wel een reëel verhaal achter.
Minister Keijzer:
Dat is dus echt aan een nieuw kabinet in overleg met de Kamer. Kijk bijvoorbeeld naar het Statenkwartier hier in Den Haag, om maar eens iets te noemen. Daar stonden grote huizen waarin één gezin woonde. Daar zitten nu meerdere appartementen in. Dat is feitelijk waar het op neerkomt. De vraag is: wat wil je? Het is uiteindelijk echt aan het nieuwe kabinet, in overleg met de Kamer, om te bezien of we dit gaan doen en, zo ja, hoe we dit doen en voor welke delen wel en voor welke niet. Ik blijf het onverteerbaar vinden dat we overal in Nederland zo ontzettend veel bestaande voorraad hebben waar één persoon in woont. Voor de mensen die nu zitten te luisteren en al twitteren "ja, maar daar ga ik zelf wel over": ja, dat klopt; dit is een mogelijkheid om het te doen, maar het hoeft niet. Ik houd namelijk niet van een overheid die eventjes komt vertellen wat u met uw eigen woning moet doen. Dat doen we al veel te veel.
De voorzitter:
We gaan naar de ruimtelijke keuzes.
Minister Keijzer:
Dan het blokje ruimtelijke keuzes. Het bouwen van woningen is niet iets wat je geïsoleerd doet. Dat komt met logistiek en wegen, want je moet op je werk kunnen komen of bij je schoonouders in het weekend. Dat komt met een stuk leefomgeving, want je wilt het naar je zin hebben in je buurt. Dat komt met een heleboel zaken. Het Rijk heeft een onmiskenbare rol die vervuld moet worden in de ruimtelijke ordening en in de ruimtelijke keuzes die we in dit land moeten maken. Dat is het afgelopen jaar voor iedereen glashelder geworden.
De heer Van Asten, mevrouw Den Hollander en mevrouw Zalinyan benoemden in hun inbreng al het belang van het nemen van regie op de ruimte. Mevrouw Zalinyan zei het mooi: zonder regie ontstaat versnippering en komt de leefomgeving onder druk te staan. Je zou het zelfs nog scherper kunnen zeggen: zonder stevige regie op de ruimte gaat het ons niet lukken om de 100.000 woningen te bouwen, de energietransitie door te laten gaan, droge voeten te houden, een sterke en concurrerende economie te zijn, onze defensie op orde te krijgen, de natuur er goed bij te laten staan en de boeren een toekomstperspectief te geven. De keuzes zijn groot en de belangen concurrerend, maar niets doen is geen optie. Dat zou betekenen dat we spelen met de toekomst van onze kinderen en onze kleinkinderen, mochten die nog een keer komen; ik hoop het.
Geen keuzes maken betekent dat de keuzes ons worden opgedrongen, want de wereld om ons heen gaat zijn gang. Dat is het slechtste scenario. Met het concept van de Nota Ruimte ligt er nu een duidelijke richting. De ruimtelijke belangen van de verschillende departementen zijn hierin opgenomen en er is geprobeerd om deze in samenhang te brengen. De Nota Ruimte zal het kader zijn voor de toekomst, waarin alle ruimtelijke claims en transities bij elkaar worden gebracht en gewogen. De heer Van Asten zei het mooi: dit is het kompas voor de inrichting van Nederland in de komende decennia. Zo is het. Dat is ook echt de bedoeling ervan: doorkijken naar 2050 en stiekem een beetje verder. De Kamer zal daar in debat met elkaar over komen te praten.
Er zijn 445 inspraakreacties gekomen. Dat is best wat. Dat is niet alleen een gigantische hoop werk; ik vind het ook een compliment. De Nota Ruimte leeft dus. Iedereen ziet het belang ervan in en mensen nemen de moeite om te vertellen wat ze ervan vinden. Al die opmerkingen moet je goed gaan wegen. Zo sta ik in ieder geval in de wereld. Met alles wat je weet en alles wat je kan, kom je met een voorstel, maar dat is niet het einde van de discussie. Vervolgens moet je goed kijken of het ook klopt wat je gedaan hebt of dat je iets over het hoofd hebt gezien. Dat is natuurlijk echt aan mijn opvolgers. Ik vind niet dat ik dat nog moet doen.
De Nota Ruimte heeft ook een ander effect gehad. Ruimtelijke ordening was namelijk een beetje uit, een beetje weg. Wij dachten dat Nederland af was. Met deze Nota Ruimte zijn we daar natuurlijk van teruggekomen. Daardoor is ook het onderwerp weer op het netvlies komen te staan. Maar nog belangrijker is dat we met alle betrokkenen weer in gesprek zijn om deze discussie op een goeie manier te voeren; het gaat dan om waterschappen, provincies, gemeenten, ondernemers, natuurbeheerders en boeren. Dat vind ik echt winst.
Het is het begin. Het is niet zo dat dit het bouwplan voor de komende jaren is. Het is namelijk echt iets wat we met elkaar moeten uitwerken, maar met bestuurlijke dapperheid en in samenhang met alles en iedereen kunnen we regie geven aan Nederland. Ik heb gezien dat door te benadrukken wat wél kan, door kritisch naar bestaande wet- en regelgeving te kijken en door slim te coördineren en te innoveren, we meer kunnen dan we willen.
In die zin is er wel iets veranderd ten opzichte van de tijd dat ik in 1998 als wethouder Ruimtelijke Ordening begon. In die tijd waren we bezig om alles te compartimenteren. Dat is ook de tijd waarin het normaal was dat je niet meer op bedrijventerreinen woonde; dat moest je scheiden. Nu zijn we daar echt van terug. We zien dat je met 20 miljoen mensen combinaties zult moeten maken als je ook een florerende economie wil hebben, als je wil dat er goede natuurgebieden zijn en als je ook wil dat de voedselzekerheid, die zeker in deze internationaal onstuimige tijden van het grootste belang is, gewaarborgd blijft.
We zullen in de uitwerking die daar uiteindelijk van komt, tempo moeten maken. We moeten met elkaar het goeie gesprek blijven voeren om al deze belangen een plek te kunnen blijven geven.
Voorzitter. Dat was mijn blokje onder ruimtelijke ordening. Ik kijk nog even naar de heer Van Asten en de heer Vijlbrief, die ik niet meer zie, inzake de zogenaamde tien nieuwe steden. Het is, denk ik, goed om je te realiseren dat de meeste van die steden gewoon al een plek hadden in de Nota Ruimtelijke Ordening. Twee steden ontbreken, maar daar wordt ook op gemeentelijk niveau al aan gewerkt. De fractie van D66 kan dus gerust zijn: het is niet alleen een metafoor; ze zaten voor het grootste gedeelte allemaal al in de ruimtelijke plannen die we met elkaar gemaakt hebben.
Voorzitter. Dat was het einde van mijn beantwoording. Alles wat ik schriftelijk van de Kamer gehad heb, heb ik opgenomen in de schriftelijke beantwoording. Als er nog behoefte is aan debat, dan blijf ik hier voorlopig nog even staan.
De voorzitter:
Het is altijd prettig om een bewindspersoon te gast te hebben die ook de Kamer goed kent. Ik wil de minister en haar ambtelijke organisaties ook danken voor de goede, zorgvuldige voorbereiding. Daardoor is er nog ruimte voor debat. Daarvoor geef ik nu graag mevrouw Beckerman het woord.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik kom uit Veenendaal, maar ik kom niet naar voren om het over Veenendaal-De Klomp te hebben. Sorry, meneer Grinwis, wilde u daarover doorgaan? Dan kunt u misschien voorgaan.
De voorzitter:
Meneer Grinwis doet zo Veenendaal en u maakt uw punt.
Mevrouw Beckerman (SP):
Super. Mijn punt ging over Nij Begunwoningen. Ik was benieuwd wat de minister van dat plan vond. Er is in Groningen een JongerenTop gehouden, gesteund door het kabinet. Daar werd gezegd: de wooncrisis en zeker de dubbele wooncrisis — dat is dat als je uit huis gaat je weer in een kapot en soms zelfs onveilig huis terechtkomt — is voor ons een van de grootste problemen. Vervolgens is dit niet terechtgekomen in die sociale of economische agenda. Mijn voorstel was: zet die omissie nou recht en ga met jongeren aan de slag om een plan te maken. Dat moet natuurlijk ook lokaal gebeuren, maar omdat het Rijk betrokken is bij Nij Begun was mijn voorstel: kunnen we niet tot zo'n plan komen?
Minister Keijzer:
Ik hoor mevrouw Beckerman zeggen: het is geen onderdeel geworden van de sociaal-economische agenda. Maar dat is wel iets wat mijn collega Van Marum doet. Ik denk dus dat dat de beste plek is om deze discussie met elkaar te voeren. Het zou toch bijzonder zijn dat als hij aan het werk is aan Groningen, ik hier even een bypass leg.
Mevrouw Beckerman (SP):
Uiteraard is het niet mijn bedoeling om tweespalt te zaaien in het kabinet, maar omdat dit de begroting Wonen is — ik zal natuurlijk ook de begroting Groningen doen — vond ik het wel interessant om dit juist ook aan deze minister voor te leggen. Deze jongeren worden namelijk geraakt door een dubbele wooncrisis. Niet dit kabinet, maar het vorige kabinet heeft gezegd: we moeten toe naar een nij begun, en jongeren krijgen daarin een stem. Die stem hebben ze gebruikt, maar vervolgens is daar betreffende die wooncrisis nog geen vervolg op gekomen. Dat lijkt me dus heel passend binnen deze vergadering.
Minister Keijzer:
En toch: in de Nota Ruimte zijn locaties in Groningen aangewezen. Ik ben zelf in Groningen geweest bij de start van het Suikerterrein. Daar wordt van alles gerealiseerd. Er zit ongelofelijk veel geld in de begroting van deels het ministerie BZK en deels mijn ministerie om ervoor te zorgen dat al de woningen die daar geleden hebben onder de aardbevingen, verbeterd worden. Mijn collega Eddie van Marum, de staatssecretaris Herstel Groningen, is daar ook hard mee aan het werk. Maar het zou niet goed zijn om hier nu iets af te spreken met mevrouw Beckerman, zonder dat we daarvan de financiële dekking hebben doorgesproken. Dan denkt Groningen dat er iets geregeld is, terwijl dat niet het geval is.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Nee, dat kun je Groningen niet aandoen, maar dit is natuurlijk ook het moment om te debatteren over de begroting van komend jaar, en ook over waar je als partij heen wil. Voor de SP is dit een heel logisch punt. Ik sprak een jongedame, die haar hele jeugd in een caravan in de achtertuin heeft gewoond, omdat het huis onveilig was. Zij dacht: hé, nu kan ik eindelijk uit huis. Ze kwam in een flat terecht waar je gewoon twee handen in een scheur kunt stoppen, en er is geen oplossing voor. We moeten er natuurlijk nog veel harder mee aan de slag om dat op te lossen, maar daarnaast zou je kunnen zeggen: met deze jongeren bouwen we aan een nij begun. Het Suikerterrein in de stad is hartstikke mooi, maar voor heel veel mensen onbetaalbaar. Het is wel echt stads. Dat is er nou juist ook voor deze jongeren, die trots zijn op het bevingsgebied, en daar willen blijven wonen.
Minister Keijzer:
Deze situaties ken ik. Die zijn dramatisch; daar doe ik echt niets aan af. Maar het lijkt mij gewoon niet verstandig om nu te zeggen: we gaan weer een nieuw plan maken voor Groningen. Staatssecretaris Van Marum is bezig met het uitwerken van Nij Begun. Dat doet hij op een voortvarende manier, met heel veel passie en gevoel voor de Groningers ter plekke. Maar om nu te zeggen: nou, we doen er weer even een nieuw plan bij … Volgens mij zit niemand in Groningen daarop te wachten. Ze zitten erop te wachten dat we uitvoeren wat we hebben beloofd. We moeten niet weer met wat nieuws komen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik heb een vraag over de grootschalige woningbouwlocaties. Het waren er aanvankelijk 17. Nu zijn het er 21, geloof ik. Ik heb de volgende vraag aan de minister. Er zijn nog steeds grootschalige locaties denkbaar. We hebben onze handen vol aan het ontwikkelen ervan — dat begrijp ik — maar er zijn nog steeds grootschalige locaties beschikbaar die niet zijn benoemd in de Nota Ruimte. Veenendaal-De Klomp is vaak genoemd. Aan de zijde van het treinstation zijn tienduizenden huizen te bouwen. Maar denk ook aan IJburg II en Almere Pampus. Daartussen zou je IJstad kunnen ontwikkelen. Ik weet dat de minister buitengewoon prudent is met het Markermeer. Hoe verhouden dit soort nieuwe, grootschalige woningbouwlocaties voor de lange termijn zich tot het gegeven dat ze niet genoemd zijn in de Nota Ruimte? Welke mogelijkheden zijn er om ze toe te voegen? Of moeten we dat als Kamer zelf expliciet doen?
Minister Keijzer:
Ik heb hier staan: Ede-De Klomp is aangeduid als regionale, grootschalige woningbouwlocatie en is daarmee opgenomen in de Nota Ruimte. Die staat er dus in. We hebben in de Nota Ruimte 127 locaties genoemd, waarvan 21 grootschalig zijn. Vier daarvan zijn nieuw. We hebben het overal mogelijk gemaakt — ik hoop dat de Kamer dat overeind laat — dat er bij elk dorp en stadje een wijkje van 100 woningen bij kan, mits dat een beetje ruimtelijk inpasbaar is, wat al gauw het geval is. Het risico dat we met elkaar lopen, is dat we er weer wat aan plakken. Laten we nou met elkaar aan de bak gaan met deze locaties en niet weer iets nieuws bedenken. Er zullen bij die 445 inspraakreacties vast voorstellen zitten. Die moet de nieuwe minister uiteindelijk gaan wegen en in overleg met de Kamer gaan vaststellen: doen we het wel of doen we het niet? Maar laten we alle energie nu inzetten op wat we inzichtelijk hebben gemaakt. Dat lijkt mij de beste manier om de schaarse energie, ambtenaren en bouwstoffen die we hebben zo snel als mogelijk om te zetten in daken boven de hoofden van mensen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik kan het alleen maar eens zijn met de minister. Tegelijkertijd ben ik nooit vies van groot denken, en de plannen voor de Markerwaard zijn ouder dan menig woningbouwplan uit de Nota Ruimte, maar dat terzijde.
Minister Keijzer:
Laten we dat vooral zo houden.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik wil nog een heel ander punt aan de minister voorleggen. Het ging er eerder in het debat al over. Even over de financiële positie van woningcorporaties en de prestatieafspraken, waar eerst eigenlijk 5 miljard over leek te zijn en nu 20 miljard tekortkomt door oplopende rente en toenemende bouwkosten. Mijn vraag is de volgende. De minister zegt dat het de komende jaren nog wel meevalt, maar doordat het gaat knellen, zie je bij steeds meer woningcorporaties dat ze tekortkomen en een beroep moeten doen op collega's. Er wordt een beroep gedaan op de onderlinge solidariteit, en de mogelijkheden daartoe zijn beperkt. Kan de minister misschien toch in een brief nader uiteenzetten wat precies het probleem is qua tekorten ten opzichte van de prestatieafspraken, wanneer dat waar gaat knellen en wat een volgend kabinet dus aan opgaven heeft? Nu hebben we dat heel kort in de antwoorden — waarvoor dank — maar dat kan iets uitgebreider, denk ik.
Minister Keijzer:
Ja, ik ben er absoluut toe bereid om dat met de Kamer te delen als het stuk openbaar is. Volgens mij is het nog niet eens helemaal openbaar, dus we doen het hier van horen zeggen, maar goed, zo gaat dat. Ik denk dus dat het heel goed is om als het stuk echt openbaar is, dat met de Kamer te delen en daar een voorlopige analyse over neer te leggen. Als je uitgaat van de omvang van dit bedrag en je doet niets, is onderlinge solidariteit ook niet meer voldoende. Wat betekent dat dan? De knoppen waar je aan kunt draaien, heb ik net opgesomd. Dat is ook geen geheim. Iedereen met een beetje verstand van de corporatiewereld weet dat. De vraag is alleen: waar gaat het nieuwe kabinet op inzetten? Het gaat geld kosten, of het betekent inboeten op ambities. Dit is niet het enige wat geld gaat kosten.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nee, klopt. Dank voor deze toezegging. Ik zie de brief tegemoet. Het is inderdaad een van de twee: of geld erbij, of inboeten op ambitie. Dank.
Minister Keijzer:
Ja, of binnen corporaties bezuinigen. Met name die onderhoudskosten zijn een punt waarvan ik denk dat we daar toch eens een keertje goed naar moeten kijken met elkaar.
De voorzitter:
Helder.
De heer Van Asten (D66):
De minister begon met "het kan wél". Daarna kwamen ook nog de tien nieuwe steden, die in vruchtbare aarde waren gevallen. Dan wachten we natuurlijk op een mals lentebuitje om die te laten ontspruiten. Dat zullen we dan doen tijdens de bespreking van de Nota Ruimte. Daarover gesproken: we hebben het er enkele malen over gehad dat we door muren heen moeten om de woningbouw in Nederland los te krijgen. Ik vroeg me af hoe we dat nou precies gaan doen. Hoe ziet de minister dat? Als we er overal wijken bij willen, of misschien wel nieuwe steden of hele nieuwe stadsdelen, dan zal er ook flink aan de muren van het huis van Thorbecke moeten worden gesleuteld.
Minister Keijzer:
…
De heer Van Asten (D66):
En om de vraag af te maken …
De voorzitter:
O?
De heer Van Asten (D66):
Ja, er gaat nog één zin komen. Hoe ziet de minister de bevoegdheden die nu liggen bij de provincies en de gemeentes? Om tempo te maken, zullen ook daar extra maatregelen moeten worden genomen.
Minister Keijzer:
Alle locaties waar wij het op dit moment over hebben, de straatjes en wijkjes erbij daargelaten, want daar is nog weleens discussie over … Ik heb net Cortelande genoemd. Jeetje, nou ben ik die naam weer kwijt. Gisteren zijn er een aantal uitspraken geweest bij de Raad van State waarin bestemmingsplannen zijn goedgekeurd die bij elkaar optellen tot 11.000 woningen. Er is dus écht wat in beweging, dames en heren. Dat is goed. Maar over al die locaties is bijna geen discussie meer: daar wil men bouwen. Daarvoor geldt: zorg nou dat je aan het begin niet weer helemaal het Bbl ter discussie stelt. Bouw gewoon conform Bbl. Zorg dat ook de helft in de fabriek geproduceerd is. We hebben met elkaar 50% afgesproken. Het zijn prachtig mooie woningen; de kwaliteit is tiptop. Maar het kan sneller en goedkoper. Doe dat dan ook. Inmiddels hebben acht prototypes een goedkeuringsstempel gekregen. Daarvoor hoeft een ambtenaar niet meer te bekijken of het wel conform de eisen is. Doe dat dan ook.
Er zijn hier een aantal ideeën genoemd. De heer Grinwis had het over bezwaaruitzonderingen voor bouwvergunningen die al goedgekeurd zijn in het omgevingsplan. Ik vind dat een interessant idee. Dat is alleen niet meer aan mij. Als onherroepelijk vaststaat dat er gebouwd mag worden conform het omgevingsplan, waar ga je het dan nog over hebben met elkaar? Of het wel conform Bbl is, of conform de technische eisen? Of het wel mooi is? Iedereen weet dat de Raad van State uiteindelijk niet treedt in de vraag of iets mooi is. Als er een welstandsadvies ligt, is het oké en kunnen we door. Dat houdt de procedure alleen wel een jaar op. Hier zitten met name de kansen om iets te doen. De Omgevingswet in combinatie met de Wet regie geeft de minister van VRO de bevoegdheid om op een gegeven moment in te grijpen.
Tot slot, voorzitter. We hebben in de Woontopafspraken ook met elkaar afgesproken om te gaan werken met versnellingstafels. Als iets te lang duurt, komt het op de versnellingstafel. Als dat op een gegeven moment niet snel genoeg gaat, kan men zich melden bij de minister van VRO. Dan is het te hopen dat ook de volgende minister een beetje ballen en lef heeft om dan gewoon in te grijpen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Nog één puntje. Ik heb antwoord gekregen op mijn vragen over erfdelen, over agrarische bedrijven die misschien mooie appartementen en woningen kunnen bouwen in de stallen. Daarover wordt gezegd dat er een actieleerprogramma is. Daarmee schijnt de weg geplaveid te worden. Maar dan lees ik in de laatste zin de woorden "ambtelijke capaciteit". Als we weten dat dat misschien het enige probleem is, kunnen we daar dan niet iets op vinden? Of denkt de minister daar allang over na?
Minister Keijzer:
Ook hiervoor geldt dat het uiteindelijk aankomt op de vraag of er voldoende slimme koppen en handige handen zijn om de procedures te laten draaien. Daar komt het uiteindelijk altijd op neer. Het is niet zo ingewikkeld. Het is prima te organiseren, maar de vraag is of je uiteindelijk ook de procedure draaiende en de vergunning verleend krijgt. Ook hiervoor geldt: als dat op een gegeven moment niet werkt, kun je nadenken over een situatie waarin je zaken dereguleert, waardoor het makkelijker wordt. Ik heb het volgens mij nog niet gezegd vandaag, maar wij hebben ons als Nederland echt wel in een hoek geschilderd als het gaat om alle wet- en regelgeving die we met elkaar hebben. Elke regeling heeft een ontstaansgeschiedenis en iemand die 'm verdedigt, maar alles bij elkaar opgeteld frustreert het ongelofelijk en maakt het dat alles heel erg lang duurt.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Daar noemt de minister natuurlijk een heel belangrijk feit. Ik noemde het voorbeeld uit Nistelrode, maar er zullen vast meer voorbeelden zijn. Dit is dus wel al ergens gerealiseerd. Je zou dan denken: goed voorbeeld doet goed volgen, copy paste.
Minister Keijzer:
Ja, dat zou je denken, maar helaas is dat niet altijd zo. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn. Soms is een situatie echt anders, of heeft men het idee: het is niet hier bedacht, dus het zal wel niet kloppen. Dat is heel jammer, want ook hier liggen gigantische kansen om uiteindelijk dingen toe te voegen. Dan gaat het weliswaar maar over een kleine hoeveelheid woningen, maar als je dat overal in Nederland doet, maken kleine beetjes toch iets groters. Toch is dit iets wat op gemeentelijk niveau niet altijd tot resultaat leidt, met alle redenen die er daarvoor kunnen zijn.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ja, tot slot. Ik weet dat de inzet van Senioren Brabant-Zeeland geweest is om in ieder geval dit thema op te nemen in de woonvisie per gemeente. Zij hebben erop aangedrongen om dat in alle woonvisies te doen. Want bij voorbaat zeggen "erfdelen gaan wij niet doen" is natuurlijk ontzettend dom.
Minister Keijzer:
Ja, dat soort kwalificaties zijn eerder aan Kamerleden dan aan ministers, maar ik zou soms ook wat meer inventiviteit en creativiteit verwachten.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Wij willen allereerst de minister danken voor de beantwoording van alle vragen in de eerste termijn en voor de inbreng van zojuist. Wij zijn alleen nog niet helemaal tevreden over de beantwoording over de inkomensafhankelijke huurverhoging. De minister zegt natuurlijk terecht: we kunnen mensen niet uit de woning zetten, want er zijn geen vervangende woningen. Daarom vindt de VVD dat er in ieder geval meer gebouwd moet worden. Maar zou de minister niet wat meer inzet kunnen plegen om de vrijblijvendheid van de corporaties om die inkomensafhankelijke huurverhoging door te voeren aan de kaak te stellen en te zorgen dat daar meer actie op wordt gezet?
Minister Keijzer:
Het is een bevoegdheid van corporaties. Het hoeft niet. Je kunt het natuurlijk wettelijk verplichten, maar ook dat is echt aan een volgend kabinet.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Op zich is het prima als corporaties hun eigen beleid bepalen. Maar deelt de minister niet met ons dat het dan ook aan de overheid is om op andere manieren extra geld bij te passen zolang deze mogelijkheden niet voldoende worden benut door de corporaties?
Minister Keijzer:
We zitten in een situatie waarin corporaties onvoldoende middelen hebben om datgene te doen wat ze moeten doen, namelijk het verduurzamen van de bestaande voorraden en het bouwen van 30% sociale huurwoningen. Als u mij dan vraagt of het verstandig is om dat wettelijk te verplichten, is mijn antwoord: ja. Maar daar heeft u niks aan, want ik ben demissionair demissionair. Ik zou dus zeggen: regel het aan de formatietafel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik schors enkele ogenblikken, waarna we verder zullen gaan met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De vergadering is kort geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan … De heer Vijlbrief? De heer Van Asten? U ziet af van uw spreektijd in tweede termijn? Dan is het woord aan mevrouw Den Hollander voor haar inbreng in tweede termijn bij de behandeling van de begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. U heeft het woord.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Heb ik één minuut, voorzitter? Zie ik dat goed? Oké, dan gaan we heel snel.
Voorzitter. In de eerste termijn hebben wij als VVD vooral de aandacht gevestigd op het grote tekort aan woningen. Wat ons betreft zit de oplossing niet in het herverdelen van de bestaande voorraad, maar in het extra bouwen. De VVD roept al jaren "bouwen, bouwen, bouwen". Dat blijft voor ons heel erg belangrijk.
Wij hebben net nog een vraag gesteld over de inkomensafhankelijke huurverhoging. Wij overwogen een motie daarover, maar wij zouden willen kijken of wij een toezegging vanuit het ministerie kunnen krijgen dat wij deze zomer een terugkoppeling krijgen over of en hoe het vrijblijvende karakter van die huurverhoging af kan worden gehaald. Als we die binnenkrijgen, dan is dat voor ons voldoende, want het scheefwonen moet opgelost worden.
Daarmee is het voldoende voor deze tweede termijn. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel, mevrouw Den Hollander. Dan is het woord aan de heer Mooiman voor zijn inbreng in tweede termijn namens de PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Nogmaals dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen die we nog hadden. Ik ga gelijk over naar het indienen van de moties. Ik zal van tevoren wat toelichting geven bij de moties.
Voorzitter. Allereerst de motie omtrent taakstelling, waar natuurlijk al een tijd discussie over is. Wat ons betreft is het goed wanneer het kabinet zijn voornemen doorzet om die taakstelling af te schaffen gelijktijdig met de wet verbod voorrang statushouders. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering al geruime tijd het voornemen heeft om de wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders af te schaffen;
overwegende dat het wenselijk is om de taakstelling gelijktijdig af te schaffen met de invoering van het wetsvoorstel schrappen voorrang statushouders;
verzoekt de regering zo snel mogelijk de nodige maatregelen te nemen om de gemeentelijke taakstelling voor de opvang van statushouders af te schaffen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 15 (36800-XXII).
De heer Mooiman (PVV):
Voorzitter. Dan een motie omtrent woningbouwplannen die worden gehinderd door provinciaal omgevingsbeleid. We stellen hier met elkaar regels en ambities vast om zo snel mogelijk nieuwe betaalbare woningen te bouwen, maar we zien dat een aantal provincies … Ik heb in mijn eerste termijn al de provincie Zuid-Holland als voorbeeld genoemd. Die zegt: een straatje erbij is maximaal 1,5 hectare. Het PBL rekent met vijftien woningen per hectare, dus dan word je flink beperkt. Dat lijkt ons niet goed. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het voorkomt dat gemeentelijke woningbouwplannen worden gehinderd door provinciaal omgevingsbeleid dat haaks staat op landelijk beleid;
overwegende dat het niet bevorderlijk is voor het oplossen van de woningcrisis als er fundamentele verschillen zitten tussen provinciaal en landelijk beleid;
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat provinciaal omgevingsbeleid de woningbouwdoelstellingen niet nadelig beïnvloedt;
verzoekt de regering per provincie te analyseren in hoeverre en welke provinciale regels de ruimte voor woningbouw beperken ten opzichte van landelijk beleid, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 16 (36800-XXII).
De heer Mooiman (PVV):
Dan de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering verspreid over Nederland tientallen doorbraaklocaties en regionale grootschalige woningbouwlocaties heeft aangewezen waar de woningbouw moet worden versneld;
overwegende dat er tot op heden nog niet voor alle aangewezen locaties concrete plannen tot ondersteuning zijn gepresenteerd;
verzoekt de regering per locatie met concrete voorstellen te komen in een plan van aanpak om alle aangewezen doorbraaklocaties en regionale grootschalige woningbouwlocaties van ondersteuning te voorzien,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 17 (36800-XXII).
De heer Mooiman (PVV):
Voorzitter, dan de volgende.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de provincie Zuid-Holland in november 2025 liet weten niet akkoord te kunnen gaan met het Plan Park Weidevogel te Koudekerk in de gemeente Alphen aan den Rijn, omdat het gaat om bouw buiten bestaand stads- en dorpsgebied;
overwegende dat er lokaal veel draagvlak is voor woningbouw en de opstelling van de provincie Zuid-Holland niet bijdraagt aan het oplossen van de woningnood in het dorp Koudekerk;
verzoekt de regering om met de provincie Zuid-Holland in gesprek te gaan en de provincie te bewegen om woningbouw in Koudekerk doorgang te laten vinden en hiertoe zo nodig instrumentarium in te zetten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 18 (36800-XXII).
De heer Mooiman (PVV):
Voorzitter. Dan nog iets ten aanzien van de makelaarsdiscussie, de situatie omtrent de makelaardij. Eerder zijn natuurlijk twee moties ingediend en aangenomen over het biedlogboek en over het in het leven roepen van een kwaliteitsstandaard voor de makelaardij. We zien dat er nog de nodige struikelblokken liggen; vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat na uitgebreid overleg met betrokken partijen in de NTA 8061 minimale eisen aan het uniform biedproces en biedlogboek zijn vastgelegd, maar niet alle partijen zich hieraan hebben gecommitteerd;
overwegende dat het noodzakelijk is om met de relevante partijen in gesprek te blijven om de transparantie in het biedproces te verbeteren;
verzoekt de regering om binnen twee maanden met de Vereniging Eigen Huis, Vastgoed Nederland, de NVM en andere relevante partners in gesprek te gaan om de knelpunten te adresseren met als doel alsnog te komen tot een uniform biedproces dat voor iedere koper inzichtelijk en controleerbaar is, en de Kamer te informeren over de uitkomsten;
verzoekt de regering tevens als alternatief een eerste inventarisatie te maken van passende wet- en regelgeving teneinde het biedproces te uniformeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 19 (36800-XXII).
De heer Mooiman (PVV):
Tot slot, voorzitter. Een aantal partijen, waaronder onze partij, heeft het in de bijdrage natuurlijk gehad over de verhogingen van de sociale huur die eraan komen. Die moeten wat ons betreft bevroren worden. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat huurders in de sociale huursector vanaf 1 juli 2026 een huurverhoging tegemoet kunnen zien van maximaal 4,1%;
overwegende dat het van belang blijft om de woonlasten van alle sociale huurders te verlichten;
overwegende dat corporaties geen winstoogmerk hebben en de vennootschapsbelasting voor corporaties de sector jaarlijks ongeveer 1,5 miljard euro kost;
verzoekt de regering om de huren voor 2026 te bevriezen en corporaties tegemoet te komen door de vennootschapsbelasting te schrappen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 20 (36800-XXII).
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag over de motie over het biedlogboek. De heer Mooiman is daar al vaker mee aan de slag geweest en ik ben het op dat punt met hem eens. Ik heb zelf ook een motie liggen en ik wil even kijken of die hetzelfde doel behelst als die van de heer Mooiman, want dan is het niet nodig dat ik mijn motie indien. Wij willen komen tot een richtlijn die het verbiedt om tussentijds naar biedingen te kijken. Daarmee krijg je namelijk vaak dat mensen nog een extra bod kunnen doen, wat een prijsopdrijvende werking heeft. Dat is ook naar aanleiding van een bericht van de NVM in de afgelopen periode. Is dat ook wat de motie van de heer Mooiman behelst? Of heeft hij een andere aanvliegroute? In dat geval kan mijn motie misschien een toevoeging zijn. Als dat niet het geval is, ben ik altijd bereid om die motie niet in te dienen. Dan kunnen we met de motie van de heer Mooiman aan de slag.
De heer Mooiman (PVV):
Dat is een goede vraag. De motie is inderdaad meerledig. Enerzijds gaat die over het biedlogboek en de eisen die daaraan worden gesteld om ervoor te zorgen dat het voor iedere koper inzichtelijk is en dat het proces transparanter wordt. Anderzijds gaat het over de discussie over de wettelijke kwaliteitsstandaard, zoals opleidingseisen, tuchtrecht enzovoort. Die discussie is natuurlijk ook al eerder gevoerd. De discussie over het tussentijds inzichtelijk maken van biedingen door makelaars wordt daar wat ons betreft ook in betrokken.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat ik dan mijn motie indien om dat nog extra duidelijk te maken. Dan horen we wel van de minister wat daaruit komt. Ik kan dan altijd achteraf de motie nog intrekken, mocht de minister daar voortvarend mee aan de slag willen gaan.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Mooiman. Het woord is aan de heer Vermeer voor zijn inbreng in de tweede termijn namens de BBB.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb geen moties. We hebben het net even kort gehad over die instructieregel voor de recreatieparken. Ik wil echt de gemeenten oproepen om de handhaving en de dwangsommen te stoppen in de tussenliggende periode. Er worden op allerlei manieren voor allerlei urgentiedoelgroepen flexwoningen, hotelopvang en zelfs cruiseschepen afgehuurd. Volgens mij moet dat ook kunnen als iemand op een recreatiepark zit en daar echt weg moet, omdat dat nu eenmaal zo afgesproken is. Er moet wel een alternatief zijn voor deze mensen. Anders is het onmenselijk om ze dwangsommen op te leggen, waardoor ze schulden, stress en allerlei gezondheidsproblemen krijgen. Mijn omroep aan de gemeentes is: doe dit op een humane manier. Als het niet op een goede manier opgelost kan worden, gedoog dan het wonen op een recreatiepark.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vermeer. Het woord is aan de heer De Hoop voor zijn inbreng in de tweede termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik begin met een motie die gaat over de staatssteunregels van de Europese Unie. We hebben in de Kamer al vaker moties aangenomen om het ministerie ertoe te bewegen om daar snel mee aan de slag te gaan. Ik vind dat de minister dat nog iets meer kan doen. Meerdere fracties vinden dat. Vandaar deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Commissie de staatssteunregels voor de middenhuur heeft versoepeld;
overwegende dat corporaties hierdoor veel meer middenhuurwoningen kunnen bouwen, mits de Nederlandse wetgeving daarop snel wordt aangepast;
verzoekt de minister voor de zomer met een voorstel naar de Kamer te komen om geborgde financiering van middenhuurwoningen door corporaties mogelijk te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop, Beckerman, Grinwis, Flach en Van Brenk.
Zij krijgt nr. 21 (36800-XXII).
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dan een motie die gaat over de interruptie die ik net pleegde bij collega Mooiman.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat starters nauwelijks een woning kunnen kopen;
overwegende dat de woningprijzen worden opgedreven doordat makelaars en verkopers tussentijds inzicht hebben in biedingen;
constaterende dat de minister aangeeft hier geen regie op te willen nemen;
verzoekt de regering met brancheorganisaties tot een richtlijn te komen die tussentijds naar biedingen kijken verbiedt om het opdrijven van prijzen te stoppen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop en Beckerman.
Zij krijgt nr. 22 (36800-XXII).
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
De laatste motie die ik heb, gaat over het tegengaan van discriminatie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het aandeel verhuurbemiddelaars dat meegaat in een discriminerend verzoek is gestegen;
verzoekt de regering om met brancheorganisaties tot een vergunningsplicht en centraal register voor makelaars te komen, zodat discriminerende makelaars kunnen worden aangepakt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop, Beckerman en Van Brenk.
Zij krijgt nr. 23 (36800-XXII).
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik heb nog een slotwoord richting de minister, want dit is haar laatste begroting als minister van Volkshuisvesting. We hebben op inhoudelijk vlak best vaak de degens gekruist. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we het niet heel vaak met elkaar eens waren, bijvoorbeeld als het gaat over de Wet betaalbare huur, de Wet regie en de nestkastjes, waar ik al bijna niet meer over durf te beginnen bij deze minister. Er zijn weleens mensen die de politiek saai vinden, maar een debat met minister Keijzer is nooit saai. Het is altijd leuk. Ook al zijn we het inhoudelijk best vaak niet met elkaar eens geweest, ik heb wel gezien dat deze minister met volle overtuiging en vanuit haar idealen heeft geprobeerd om de woningbouw op gang te krijgen. Dat verdient heel veel waardering, ook al ben ik het niet altijd met haar eens. Ik hoop dat zij daar in de komende periode ook nog mee aan de slag zal gaan. Daar ga ik in zekere zin ook van uit.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Hoop. Het woord is aan mevrouw Zalinyan, die tevens spreekt namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid in de tweede termijn.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik zou graag drie moties willen indienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de beschikbaarheid van betaalbare grond een belangrijke randvoorwaarde is voor woningbouw, energietransitie en andere maatschappelijke opgaven;
constaterende dat er na de aangenomen motie-Gabriels c.s. van oktober 2024 nog geen plannen zijn gepresenteerd;
overwegende dat versnipperd grondeigendom, grondspeculatie en stijgende grondprijzen deze maatschappelijke opgaven vertragen en duurder maken;
overwegende dat een publieke grondbank kan bijdragen aan doelmatige uitgifte van gronden ten behoeve van het algemeen belang;
verzoekt de regering om een nationale grondbank op te richten in samenwerking met decentrale overheden, die gronden kan verwerven en uitgeven ten behoeve van maatschappelijke doelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Zalinyan.
Zij krijgt nr. 24 (36800-XXII).
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Dan mijn motie over grond voor coöperaties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering de inrichting van een grondfaciliteit verkent en een landelijke integrale grondbank word onderzocht om gemeenten te ondersteunen bij woningbouw;
constaterende dat wooncoöperaties in de praktijk vaak moeilijk toegang hebben tot grond;
overwegende dat wooncoöperaties bijdragen aan betaalbaar wonen, alternatieve woonvormen en uitvoering van de woningbouwopgave;
overwegende dat toegang tot rijksinstrumenten essentieel is om deze coöperatieve initiatieven een reële positie te geven binnen de woningbouwopgave;
verzoekt de regering te verkennen hoe de rijksgrondfaciliteit wooncoöperaties kan ondersteunen bij de risicodeling van grondaankopen en wooncoöperaties te betrekken bij een op te richten grondbank, en de Kamer hierover voor de zomer te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en Beckerman.
Zij krijgt nr. 25 (36800-XXII).
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
En nog de derde.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij gebiedsontwikkeling de inbrengwaarde van grond wordt vastgesteld op basis van de verwachtingswaarde, waarbij bestemmingswijzigingen een prijsopdrijvend effect hebben;
overwegende dat deze praktijk leidt tot hogere publieke kosten, verminderde betaalbaarheid van wonen, een onevenwichtige verdeling van waardestijgingen en vertraging van woningbouwprojecten;
overwegende dat het hanteren van de gebruikswaarde van grond, gebaseerd op het feitelijk en planologisch toegestane huidige gebruik, beter aansluit bij het uitgangspunt dat door de overheid gecreëerde waardestijgingen ten goede komen aan de samenleving en publieke kosten drukken;
verzoekt de regering om het toepassen van de gebruikswaarde zo spoedig mogelijk juridisch te borgen, met het oog op het versnellen van woningbouw en betaalbaar bouwen, en de Kamer voor de zomer te informeren over de daarvoor benodigde wettelijke en beleidsmatige stappen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Zalinyan.
Zij krijgt nr. 26 (36800-XXII).
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
In reactie op de laatste motie van collega Zalinyan: dit is interessant. Wij maken ons denk ik druk over hetzelfde probleem. Wij willen speculatie en te hoge grondprijzen tegengaan. Door de gebruikswaarde af te zetten tegen de huidige waarde onder de huidige bestemming bestaat tegelijkertijd ook het risico dat agrariërs denken: op deze manier ga ik mijn grond niet meer verkopen. Hoe ziet mijn collega dit risico? Dan kom je toch uit bij onteigening. Als je uitkomt bij onteigening, kom je uiteindelijk waarschijnlijk ook uit bij een hogere grondwaarde. Ik zal daar zo meteen een eigen motie over indienen; we hebben het al even gedeeld. Maar is dat risico wel voldoende getackeld in de motie van mijn collega?
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Dat is een hele mooie vraag. Wethouders lopen juist heel erg aan tegen de vaststelling van de inbrengwaarde. Stel dat een ontwikkelaar twintig jaar geleden grond heeft aangekocht voor bijvoorbeeld €2 en twintig jaar lang gewacht heeft totdat de grond meer waard is geworden. Ik denk dus dat het helemaal niet gaat om de vraag of we een agrariër raken of iemand anders. Het gaat er hier om dat je de werkelijke gebruikswaarde op dit moment neemt en dat een publieke functiewijzing, waartoe een gemeenteraad besluit, niet tot gevolg heeft dat de waarde van de grond stijgt, waardoor betaalbaar wonen überhaupt in het geding komt.
De voorzitter:
Tot zover. Dank u wel, mevrouw Zalinyan. Nu is het woord aan mevrouw Steen voor haar inbreng namens de CDA-fractie in tweede termijn.
Mevrouw Steen (CDA):
Dank, voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van onze vragen en het debat van vandaag. Ik denk dat we hebben geconcludeerd dat de woningbouwopgave eigenlijk een gemeenschapsopgave is, en dat we in de geest van Stork ook verantwoordelijkheid moeten nemen en bewust moeten kiezen voor het bouwen aan gemeenschappen. Daartoe dien ik de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het tekort aan onzelfstandige woonruimten voor studenten groot is, ook in middelgrote steden;
overwegende dat de bouw van studentenkamers in veel gemeenten wordt belemmerd door eisen, grondbeleid en regels rond verkamering en splitsing;
overwegende dat gespecialiseerde studentenhuisvesters vaak niet actief zijn buiten de grote studentensteden, terwijl woningcorporaties in middelgrote steden niet altijd beschikken over de specifieke kennis en ervaring die nodig is voor studentenhuisvesting en de regie nu versnipperd is;
overwegende dat de samenwerking en kennisuitwisseling tussen gespecialiseerde studentenhuisvesters en corporaties een vliegwieleffect kunnen creëren voor de bouw van studentenkamers op een manier die aansluit bij de lokale omstandigheden;
verzoekt het kabinet een ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting in te richten, gericht op gemeenten buiten de G4, waarin gespecialiseerde huisvesters en gemeenten structureel kennis en expertise delen met gemeenten en woningbouwcorporaties die minder ervaring hebben met studentenhuisvesting, met als doel de bouw van onzelfstandige woonruimte voor studenten te versnellen;
verzoekt het kabinet deze aanpak te verankeren in de actualisering van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Steen, De Hoop, Peter de Groot, Grinwis en Vijlbrief.
Zij krijgt nr. 28 (36800-XXII).
Mevrouw Steen (CDA):
Voorzitter. Ik deel nog één reflectie als het gaat over de vier verstedelijkingslocaties. We hebben het erover gehad en de vragen zijn ook beantwoord. Volgens mij kunnen we concluderen dat deze locaties zijn gestimuleerd om een aanvraag te doen. Maar toen zij uiteindelijk aangewezen waren, zijn er toch andere keuzes gemaakt omtrent de financiering. Die zijn daardoor tussen wal en schip gevallen. Ik wil graag de volgende reflectie hierover delen. Het is belangrijk dat we zaken samendoen en dat het Rijk, decentrale overheden, corporaties en bouwers dit met elkaar doen. Dan is een belangrijke voorwaarde dat je zegt wat je doet maar ook dat je doet wat je zegt. In dit geval heeft het ertoe geleid dat deze vier verstedelijkingslocaties geen geld meer hebben voor hun infrastructurele maatregelen, die ze een hele zomer lang hebben doorgerekend. Volgens mij kan dit beter. Dat gun ik ons allen in de komende tijd ook.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Steen. Het woord is aan de heer Clemminck voor zijn inbreng namens JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen. Daarmee natuurlijk ook dank aan de ambtelijke ondersteuning van de minister.
Voorzitter. Ten aanzien van biobased bouwen heeft de minister mij echter nog niet overtuigd met haar beantwoording. Naar mijn inzicht is biobased bouwen toch echt 10% tot 30% duurder dan normaal bouwen. Ik verwijs onder andere naar het artikel van Nieuwsuur en de NOS daarover. De minister is het vast met me eens: als de NOS het zegt, dan zal het wel waar zijn. Ik overweeg dus om daar nog een amendement over in te dienen. Volgens mij is het nu tijd om de betaalbaarheid van woningen te laten prevaleren boven biobased bouwen.
Voorzitter. Ik heb twee moties. Mijn allereerste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat volgens inschattingen minstens 100.000 sociale huurwoningen illegaal worden onderverhuurd;
overwegende dat in tijden van woningnood misbruik onacceptabel is;
overwegende dat de aanpak van deze woonfraude door woningbouwcorporaties en gemeentes veel strikter moet dan nu het geval is;
verzoekt het kabinet om samen met woningbouwcorporaties en gemeentes een actieplan woonfraude op te stellen en hiervoor voldoende middelen te reserveren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 29 (36800-XXII).
De heer Clemminck (JA21):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een duidelijk, feitelijk zicht op het aantal sociale huurwoningen dat illegaal wordt onderverhuurd, ontbreekt;
overwegende dat onderzoek van het AD uit 2025 uitwijst dat er signalen zijn dat bij het plegen van woonfraude ook statushouders zijn betrokken;
verzoekt het kabinet om bij het ontwikkelen van het verhuurregister ook een registratiesysteem woonfraude in te stellen, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende groepen verhuurders,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 30 (36800-XXII).
Dank u wel. Het woord is aan meneer El Abassi, voor zijn inbreng namens de fractie van DENK in tweede termijn.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. Ik merk dat mijn jasje steeds moeilijker dichtgaat, maar goed.
De voorzitter:
Dat hebben we allemaal na de feestdagen, meneer El Abassi.
De heer El Abassi (DENK):
Gelukkig is het binnenkort ramadan. Dat is een goed moment om af te vallen, denk ik.
Voorzitter. Ik begin meteen met drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jaarlijks tienduizenden sociale huurwoningen worden gesloopt;
overwegende dat sloop leidt tot verdringing van bewoners en verlies van betaalbare woningen;
verzoekt de regering om sloop van sociale huurwoningen alleen toe te staan indien gelijkwaardige, betaalbare sociale huur in dezelfde wijk wordt teruggebouwd, met terugkeergarantie voor bewoners,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 31 (36800-XXII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat per 1 juli 2026 de maximale huurverhoging in de sociale huursector wordt vastgesteld op het gemiddelde inflatiecijfer over drie jaar vermeerderd met 0,5 procentpunt, wat uitkomt op 4,1%;
overwegende dat het hanteren van het meerjarig inflatiegemiddelde reeds zorgt voor voorspelbaarheid en stabiliteit;
overwegende dat de extra opslag van 0,5% leidt tot hogere woonlasten voor sociale huurders en niet noodzakelijk is voor voorspelbaarheid;
verzoekt de regering de maximale huurverhoging in de sociale huursector per 1 juli 2026 vast te stellen op uitsluitend het gemiddelde inflatiecijfer, 3,6%, en de opslag van 0,5 procentpunt te laten vervallen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 32 (36800-XXII).
De heer El Abassi (DENK):
Dan mijn laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de doelstelling was om uiterlijk in 2026 geen corporatiewoningen meer te hebben met een slechte onderhoudskwaliteit, waaronder woningen met vocht- en schimmelproblemen;
constaterende dat de minister stelt dat ook in 2027-2028 nog duizenden woningen gerenoveerd of gesloopt moeten worden en de doelstelling daarmee niet wordt gehaald;
overwegende dat in deze woningen gezinnen en kinderen dag in, dag uit schimmel inademen, met ernstige gevolgen voor hun gezondheid;
verzoekt de regering om schimmel- en vochtproblematiek aan te merken als acute gezondheidsdreiging en onmiddellijk in te grijpen met verplichte renovatie of tijdelijke herhuisvesting waar nodig,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 33 (36800-XXII).
De heer El Abassi (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Bij afwezigheid van de heer Flach, die namens zijn fractie de onvolprezen Grüne Woche in Berlijn bijwoont, geef ik het woord aan de heer Diederik van Dijk. Hij levert zijn inbreng in tweede termijn namens de fractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Ik vond het inderdaad mooi om mijn collega Flach hier een poosje te mogen vervangen. De commissie is leuk, de minister is sympathiek en de thematiek is boeiend. Al was het soms wat technisch, het gaat wel om dossiers die het dagelijks leven van mensen bepalen. Het is algemeen bekend dat politici goed zijn in het bouwen van luchtkastelen, maar we zullen hier moeten tonen dat we ook in staat zijn om de echte woningbouw een boost te geven en te beseffen dat, als we niets doen aan het zeer hoge migratiesaldo, daar niet tegenop valt te bouwen.
Voorzitter. Ik heb een motie over de starterswoningen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat met het amendement-Flach c.s. (36850-XXII, nr. 8) 57 miljoen euro is toegevoegd aan de Woningbouwimpuls en dat ook na eventuele aanname van twee amendementen op de voorliggende begroting (36800-XXII, nrs. 13 en 14) extra middelen beschikbaar blijven;
overwegende dat hiermee de bouw van starterswoningen gestimuleerd moet worden, waarbij het publieke financiële tekort vaak hoog is;
verzoekt de regering te bezien hoe dit budget zo veel mogelijk specifiek besteed kan worden aan de bouw van woningen voor starters, bijvoorbeeld middels aanpassing van de voorwaarden of toetsingscriteria, en de Kamer daarover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en Flach.
Zij krijgt nr. 34 (36800-XXII).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Voorzitter. Ik ga ervan uit dat er nog een appreciatie van de amendementen komt.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Dijk. Het woord is aan de heer Grinwis voor zijn inbreng in de tweede termijn namens de fractie van de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Dank aan de minister, ook voor de vele aanbevelingen aan haar opvolger; het is leuk dat zij die geeft.
Ik heb een drietal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de prijs van verworven grond van grote invloed is op de financiële haalbaarheid en het tempo van woningbouw en er brede politieke en maatschappelijke consensus bestaat over het tegengaan van speculatieve grondhandel en daarmee samenhangend te hoge grondverwervingsprijzen;
overwegende dat de invoering van een planbatenheffing complex is, tot onzekerheid bij project- en gebiedsontwikkelaars en woningcorporaties leidt en het risico op vertraging van woningbouwprojecten vergroot, met name doordat de kans toeneemt dat agrarische eigenaren hun grond niet meer vrijwillig willen verkopen;
overwegende dat bepaling van de waarde van de verworven gronden op basis van de residuele methode, waarbij de waarde wordt afgeleid van de opbrengst van de ontwikkeling minus de kosten daarvan, speculatief hoge verwervingsprijzen uitbant, maar de verwerving van gronden niet zal doen stagneren, waarmee verruiming van het kostenverhaal door invoering van de residuele waarde de snelst en best uitvoerbare methode is met de minste nadelen;
constaterende dat de residuele methode ook in het rapport van de adviesgroep STOER wordt aanbevolen;
verzoekt de regering om het waardebepalingsvoorschrift, artikel 8.17 van het Omgevingsbesluit, aan te passen en de inbrengwaarde van grond vanaf 1 januari 2027 te bepalen op basis van de residuelewaardemethodiek,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Den Hollander en Vijlbrief.
Zij krijgt nr. 35 (36800-XXII).
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag die volgens mij verwacht werd. Ik ben heel erg benieuwd hoe de heer Grinwis kijkt naar de koppeling van de planbatenheffing en de residuele waarde aan de agrarische gronden en ook hoe de residuele waarde hierin wordt ingezet. De residuele waarde komt immers pas aan de orde als de overeenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente al gesloten is en het gaat over de verdeling van kosten. Hoe denkt de heer Grinwis dus speculatie tegen te gaan?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voor het uitgebreide antwoord verwijs ik eigenlijk naar het rapport van de adviesgroep STOER, die dit helemaal heeft beschreven en uiteindelijk tot de afweging gekomen dat de methode van de berekening van de residuele waarde beter is dan het idee van de planbatenheffing maar ook beter dan de methode die nu vaak wordt toegepast, namelijk de comparatieve methode. Als je de residuele waarde als leidraad neemt en het Omgevingsbesluit dus aanpast, zoals ik verzoek, zet je als het ware een nieuwe standaard waarmee je speculatie eigenlijk uit de grondmarkt haalt. Maar tegelijkertijd maak je het voor agrariërs nog steeds interessant om te verkopen, want het zal in de praktijk toch vaak om hun grond gaan. Als je echt full speed de planbatenheffing zou invoeren of het verschil tussen de huidige waarde onder de huidige bestemming en de gebruikswaarde die het in de nieuwe bestemming krijgt helemaal goed zou willen maken, heb je als agrariër geen enkele aanleiding meer om te willen verkopen, want waarom zou je dat dan nog doen? Dit is dus precies het midden tussen de huidige methode, die soms "wat de gek ervoor gaf" de maat maakt en een op papier misschien ideale oplossing om windfall profits af te romen die in de praktijk echter niet gaat werken.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Hoe kijkt de heer Grinwis naar het onderzoek van het ibo, waarin gebruikswaarde juist aangemoedigd wordt? Daar wordt ook vanuit de VNG al een tijdje voor gestreden. Als het gaat over woningbouw, gaat het soms over agrarische grond, maar heel vaak gaat het ook over herstructurering, waarbij een andere bestemming gewijzigd wordt. Sluit de heer Grinwis planbatenheffing helemaal uit?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Zoals heel veel collega's heb ik een paar jaar geleden de planbatenheffing omarmd. Dat instrument werd eigenlijk best wel breed omarmd in de Kamer. Daarna zijn het ibo en de technische briefings gekomen, hebben we eindeloos informatie gekregen en zijn er gesprekken gevoerd. Ook kwam er een advies van de adviesgroep STOER. In de door mij geschreven volkshuisvestingsvisie, die ik afgelopen vrijdag heb gepresenteerd en dinsdag gedeeld heb met mijn collega's, kom ik tot de conclusie dat dit in de praktijk niet gaat werken, omdat je gewoon enorme vertraging en onzekerheid in de markt krijgt. Grondeigenaren hebben dan namelijk geen enkele reden meer om hun grond te verkopen. Je kunt daarom beter een andere, betere methode voorstellen. Ik denk dat de adviesgroep STOER in dezen uiteindelijk het beste advies heeft gegeven. Het ibo beschrijft de diverse problemen, mogelijkheden en uitvoeringsissues. Uiteindelijk moeten wij een conclusie trekken. Wat gaan we dan kiezen? Ik denk dat de adviesgroep STOER een panklaar advies heeft uitgebracht dat we uiteindelijk alleen maar hoeven over te nemen en te implementeren. Daar ziet mijn motie op.
De voorzitter:
U vervolgt uw termijn.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat goede en tijdige participatie bij woningbouwprojecten van groot belang is, maar geen garantie biedt dat bezwaar- en beroepsprocedures uitblijven;
constaterende dat langdurige bezwaar- en beroepsprocedures woningbouwprojecten aanzienlijk vertragen en daarmee woningzoekenden raken;
overwegende dat onder de Omgevingswet de ruimtelijke afweging primair plaatsvindt bij de vaststelling van het omgevingsplan, waarbij participatie en rechtsbescherming zijn geborgd, en dat derhalve woningbouwprojecten die volledig passen binnen het geldende omgevingsplan planologisch al zijn beoordeeld;
constaterende dat de Omgevingswet gemeenten de ruimte biedt om in die gevallen de uitvoeringsfase te beperken tot toetsing aan technische bouwregels en welstand;
verzoekt de regering om samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en marktpartijen actief te stimuleren dat gemeenten deze mogelijkheden benutten, zodat woningbouw die past binnen het omgevingsplan sneller kan worden gerealiseerd en onnodige procedurele vertraging wordt voorkomen, en tevens te bezien of verruiming van deze mogelijkheid nodig en mogelijk is, en de Kamer over de toepassing in de gemeentelijke praktijk en mogelijkheden voor verruiming voor de zomer te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Den Hollander, Vijlbrief en Steen.
Zij krijgt nr. 36 (36800-XXII).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ten slotte een motie voor u, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het aantal mensen dat dakloos is de afgelopen jaren niet is gedaald, maar is gestegen;
overwegende dat het doel van nul daklozen in 2030, zoals geformuleerd in het Nationaal Actieplan Dakloosheid, uit zicht raakt;
overwegende dat de coördinatie van het nationaal actieplan nu bij het ministerie van VWS ligt, maar het aanpakken van dakloosheid primair een huisvestingsopgave is;
spreekt uit dat in het volgende kabinet de eerste verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de bestrijding van dakloosheid, en daarmee voor het Nationaal Actieplan Dakloosheid, wordt neergelegd bij de minister van c.q. het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
verzoekt de Kamervoorzitter dit verzoek door te geleiden aan de informateur,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Beckerman en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 37 (36800-XXII).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daarmee ben ik aan het eind van mijn spreektijd.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis. We gaan erover beraadslagen. Het woord is aan mevrouw Beckerman voor haar inbreng in tweede termijn namens de fractie van de SP.
Mevrouw Beckerman (SP):
Goedemiddag. Een tweetal moties vanuit de Socialistische Partij.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jongeren in Groningen naast door de landelijke wooncrisis ook worden geraakt doordat veel woningen in de regio (nog altijd) beschadigd en/of onveilig zijn;
constaterende dat deze jongeren niet opnieuw gedupeerd mogen raken wanneer zij het ouderlijk huis verlaten;
verzoekt de regering om in samenwerking met jongeren en de regio een concreet programma op te stellen voor het realiseren van veilige en betaalbare woningen voor Groningse jongeren door zowel nieuwbouw als herbestemming van leegstaande panden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman en Bushoff.
Zij krijgt nr. 38 (36800-XXII).
Mevrouw Beckerman (SP):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat huurders in 2024 zijn geconfronteerd met een recordhoge huurverhoging, gevolgd door opnieuw een substantiële huurverhoging in 2025;
constaterende dat huurders in flats en appartementen daarbovenop worden geraakt door het vervallen van huurtoeslag over servicekosten;
gelet op de aangenomen motie-Beckerman/De Hoop (36725-XXII, nr. 12) waarin de regering is verzocht een voorstel te doen voor structurele compensatie voor gestegen huur- en woonlasten;
spreekt uit dat de stapeling van hoge huurverhogingen en het wegvallen van huurtoeslag op servicekosten problematisch is;
verzoekt de regering om uiterlijk eind februari alle mogelijkheden voor te leggen waarmee de huurverhoging kan worden beperkt en/of huurders kunnen worden gecompenseerd voor gestegen huren en het wegvallen van huurtoeslag op servicekosten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman en De Hoop.
Zij krijgt nr. 39 (36800-XXII).
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot is het woord aan mevrouw Van Brenk namens 50PLUS, als laatste spreker van de zijde van de Kamer in tweede termijn.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter. Wij hebben een pleidooi gehouden om vooral te bouwen voor jong en voor oud. Wij hebben als 50PLUS onze zorgen uitgesproken over de betaalbaarheid van het bouwen van zorggeschikte woningen. Aedes en ActiZ hebben ons bericht dat die niet te bouwen zijn voor sociale huur. Er zitten veel meer kosten aan, omdat er een ruimere draaicirkel in de badkamer moet zijn en je bredere deuren moet hebben. Kortom, zij zeggen dat het niet te bouwen is voor sociale huur. Daarom hoop ik dat het volgende kabinet hier vol op zal inzetten. Wat ons betreft is dit een van de speerpunten, want als een senior verhuist, levert dat een heel mooie doorstroming op de woningmarkt op.
Voorzitter. Wat ons betreft zouden we met elkaar moeten kijken naar hoe regels versneld kunnen worden. Er zijn net al een heleboel dingen gezegd. Wij hebben geen motie ingediend, omdat wij heel tevreden zijn met de motie over 100 zorgbuurthuizen die al door de vorige Kamer is aangenomen. Het is een mooie motie van de SP. Wij kunnen niets anders zeggen dan dat wij hopen dat die omarmd wordt door het volgende kabinet en dat er zo veel mogelijk komen, in zo veel mogelijk wijken en buurten.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Natuurlijk wacht de lunch, maar ik heb toch wel een vraag aan collega Van Brenk. Ik ben het zeer met haar eens dat de manier waarop wij het geregeld hebben, de subsidieregeling voor zorggeschikte woningen, tekortschiet voor woningcorporaties. De kosten, de onrendabele top, zijn hoger. Het komt dus niet van de grond. Maar als we nu niks doen, verliezen we zo meteen een jaar. Moeten we niet een oproep doen aan de minister om de Realisatiestimulans, van nu €7.000 per woning, te vergroten, specifiek voor een aantal huizen met een grotere onrendabele top? Dan verliezen we geen tijd en kunnen woningcorporaties deze zorggeschikte woningen wel bouwen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Daarom hou ik van mijn buurman, vanwege zulk soort voorstellen. De ChristenUnie en 50PLUS vormen een duo in de gang. Dat is helemaal fantastisch. Wat dat betreft kan ik zeggen dat er op 22 januari een borrel is op gang C5. U bent natuurlijk allemaal van harte uitgenodigd.
De voorzitter:
Schrijf het in uw agenda, zou ik zeggen. Dank u wel, mevrouw Van Brenk. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering tot 13.15 uur voor de beantwoording van de minister.
De vergadering wordt van 12.19 uur tot 13.15 uur geschorst.
Beëdiging
Beëdiging
Aan de orde is de beëdiging van de heer T.K. Russcher (FVD).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan mevrouw Mutluer voor het uitbrengen van verslag namens de commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven.
Mevrouw Mutluer (lid van de commissie):
Dank u wel, voorzitter. De commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven heeft de stukken onderzocht die betrekking hebben op de heer T.K. Russcher te Harderwijk. De commissie is tot de conclusie gekomen dat de heer T.K. Russcher te Harderwijk terecht benoemd is verklaard tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De commissie stelt u daarom voor om hem toe te laten als lid van de Kamer. Daartoe dient hij wel eerst de eden, zoals die zijn voorgeschreven bij de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal, af te leggen.
De commissie verzoekt u tot slot om de Kamer voor te stellen het volledige rapport in de Handelingen op te nemen.
De voorzitter:
Ik dank de commissie voor haar verslag en stel voor dienovereenkomstig te besluiten.
Daartoe wordt besloten.
(Het rapport is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De voorzitter:
Ik verzoek de leden en de overige aanwezigen in de zaal, ook op de publieke tribune, te gaan staan voor zover dat mogelijk is.
(De heer Russcher wordt binnengeleid door de Griffier.)
De voorzitter:
De door u af te leggen eden luiden als volgt:
"Ik zweer dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet.
Ik zweer dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen."
De heer Russcher (FVD):
Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
De voorzitter:
Ik wens u van harte geluk met het lidmaatschap van deze Kamer. Ik schors de vergadering voor enkele ogenblikken voor felicitaties.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is een korte regeling van werkzaamheden.
Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer het debat over de Staat van de Europese Unie en daarbij spreektijden te hanteren van vijf minuten voor de leden van de Tweede Kamer en vier minuten voor de deelnemende Nederlandse Europarlementariërs.
Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:
het tweeminutendebat Duurzaam vervoer (CD d.d. 14/01), met als eerste spreker het lid Van Asten van D66;
het tweeminutendebat Gasmarkt en leveringszekerheid (CD d.d. 14/01), met als eerste spreker het lid Jumelet van het CDA;
het tweeminutendebat Zoönosen en dierziekten (CD d.d. 14/01), met als eerste spreker het lid Kostić van de PvdD.
Ik stel voor de volgende stukken van de stand van werkzaamheden af te voeren: 30821-322; 19637-3496; 29344-157; 19637-3489; 19637-3495; 36704-81; 19637-3492; 19637-3480; 36196-16; 19637-3478; 19637-3479; 22112-4220; 2025Z21407; 2025Z21090; 36180-180; 29237-237; 36180-181; 36712-8; 30821-324; 23432-567; 23530-152; 28498-58; 33763-173; 27830-475; 36858-4; 21501-33-1180; 21501-02-3312; 2025Z21024; 2025Z20971; 21501-20-2329; 32813-1110; 29502-197; 35123-46; 32140-256; 32637-709; 32637-690; 32637-671; 32140-218; 35247-13; 36600-XIII-4; 36708-44; 36045-261; 36800-IX-39; 36800-IX-38; 31935-95; 26643-1442; 29984-1271; 23645-875; 36800-A-6; 29984-1270; 29984-1269; 29984-1268; 29984-1264; 32404-129; 30821-321; 29984-1265; 29984-1267; 36563-17; 29984-1262; 29984-1266; 30373-81; 29984-1261; 22026-526; 29984-1260; 36600-A-67; 23645-865; 36800-XII-11; 22112-4221; 21501-08-1014; 36662-3; 36381-9; 30995-104; 36625-VII-5; 36600-XXII-6; 29697-155; 29697-154; 32847-1177; 32847-1181; 36600-XXII-4; 32847-1046; 36311-11; 32847-1129; 32847-1126; 30995-103; 33340-31; 32847-989; 30995-102; 30995-101; 32847-991; 31793-278; 21501-33-1094; 31793-277; 21501-33-1098; 29826-265; 36851-6; 36851-5; 36851-4; 36637; 36637-3; 36800-XVI-23; 29282-617; 34104-453; 26448-851; 26448-850; 31311-294; 31311-293; 29544-1308; 36800-XV-9; 31289-606; 30420-435; 31293-854; 26643-1235; 36600-XIV-64; 36600-XIV-74; 28807-311; 33037-627; 27858-737; 33037-613; 35334-419; 36800-IV-29; 2025Z22428; 36800-IV-26; 33845-57; 31293-777; 31293-776; 33495-125; 36600-VIII-149; 36600-VIII-135; 26643-1241; 31289-594; 31293-759; 31293-746; 31288-994; 36410-VIII-133; 36410-IV-68; 36600-VIII-12; 33845-54; 36600-IV-4; 36613-IV-3; 36410-X-20; 36470-K-3; 21501-28-262; 27925-963; 22054-400; 36263-37; 28676-451; 36045-174; 27830-425; 34225-46; 36550-K-3; 36560-X-7; 36560-X-8; 36550-X-5; 36560-K-6; 36812-34; 31793-268; 35154-33; 36560-XVII-10; 36577-7; 36200-VI-125; 2025Z21523; 2025Z20861; 36310-5; 31322-571; 28684-813; 29628-1302; 29628-1301; 29628-1299; 29628-1298; 34324-38; 29628-1279; 29628-1278; 29911-490; 2024Z03470; 22026-527; 36850-XVII-3; 29023-596; 29023-600; 29023-594; 29023-591; 29023-563; 28625-378; 28625-374; 33576-470; 33037-624; 28286-1411; 27428-405; 27428-407; 36826-1; 36740-XIV-2; 31305-527; 30175-480; 31305-525; 32813-1546; 30175-478; 32637-718; 30175-476; 31305-524; 31305-522; 31305-523; 32813-1527; 32813-1511; 30175-475; 30952-500; 29282-620; 36800-XVI-22; 28807-309; 29683-316; 28807-310; 29683-313; 29683-315; 29683-314; 28973-280; 29683-312; 28807-307; 29683-309; 28807-308; 28973-268; 30669-32; 28973-262; 27622-154; 36800-IV-31; 36045-262; 35420-541; 35165-74; 35455-20; 35165-77; 35455-21; 35165-81; 35165-84; 35165-86; 36552-12; 36013-5; 35165-93; 29614-185; 35165-99; 35165-98; 36852-1.
Aangezien voor de volgende stukken de termijn is verstreken, stel ik vast dat wat deze Kamer betreft, de daarbij ter stilzwijgende goedkeuring overgelegde stukken zijn goedgekeurd: 23908-(R1519)-178; 23908-(R1519)-177.
Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.
Begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2026
Begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026 (36800-XXII).
De voorzitter:
Dan zijn we aanbeland bij de tweede termijn van de zijde van het kabinet betreffende de begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef daarvoor het woord aan de minister.
Minister Keijzer:
Dank u wel, voorzitter. Voorafgaand aan de beoordeling van de ingediende moties is het, denk ik, nog wel even goed om iets te zeggen over de structurele financiering van taken die het ministerie heeft en over beleidsgeld dat er is om onrendabele toppen en investeringen in gebieden weg te nemen. Dat is omdat in een aantal moties voorstellen gedaan worden die op zichzelf wel belangrijk en prijzenswaardig zijn maar waar gewoon geen geld voor is. Toen ik aantrad als minister was ik namelijk eigenlijk wel verbaasd dat een groot deel van de middelen en de ambtelijke capaciteit waarmee het ministerie gefinancierd werd, tijdelijk was. De opgave vereist een langjarig en toekomstbestendig beleid; dat weten we allemaal en daar hebben het de hele dag ook al over gehad.
In de voorjaarsbesluitvorming van het afgelopen voorjaar heb ik een basis kunnen leggen voor een toekomstbestendig ministerie; dat ligt uiteindelijk natuurlijk ook in deze begroting voor. Een groot gedeelte van het personeel was tijdelijk gefinancierd; dat is nu structureel. Dat is natuurlijk belangrijk, want als je bijvoorbeeld aan de minister van VRO vraagt om in te grijpen in een bepaalde gemeente of om dingen te doen, dan heb je daar natuurlijk wel de ambtelijke capaciteit voor nodig. Ook is voldaan aan een aantal noodzakelijke voorwaarden om überhaupt beleid te kunnen voeren. Voor de Huurcommissie is bijvoorbeeld structureel 10 miljoen euro beschikbaar gekomen. De Nationale Geo-Informatie Infrastructuur is betaald. Het voortzetten van het programma voor ruimtelijke ordening, zoals bijvoorbeeld NOVEX, is ook structureel gefinancierd. Dat geldt ook voor aan aantal basisvoorzieningen voor de Omgevingswet.
Alleen ben je er dan natuurlijk nog niet, want je hebt ook te maken met aandachtsgroepen. Daar gaat het hier ook heel vaak over, zoals vandaag bijvoorbeeld over de huisvesting van studenten. Zo is vanaf 2026 geen geld meer beschikbaar voor de Regeling huisvesting aandachtsgroepen, inclusief die studenten. Na 2027 kunnen er geen projecten meer worden gestimuleerd die nu vallen onder de Stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen. Ik zie mevrouw Steen knikken en zij zit aan de formatietafel. Dat is dus goed om je te realiseren.
De grondfaciliteit heeft financiering tot en met 2029. De Woningbouwimpuls heeft die ook tot en met 2029. Dat is natuurlijk geld dat meegegeven is aan het nu nog zittende kabinet. Datzelfde geldt voor de Realisatiestimulans. Er is dus geen geld voor de aangewezen grootschalige woningbouwgebieden. Dit is voor het afgelopen jaar volledig toegekend. Voor de vier toegevoegde grootschalige woningbouwgebieden zal dus ook nog geld moeten worden gevonden. Actieve grondpolitiek is vandaag ook weer aan de orde geweest. Daarvoor zijn geen middelen, dus ook niet voor de Nationale Grondbank. Ook voor de versterking van de regie op projecten van nationaal belang moet nog geld gevonden worden.
Last but certainly not least: infrastructuur. De 2,5 miljard die meegegeven is aan het kabinet is inmiddels verdeeld, maar er was voor een miljard meer aangevraagd. Dan heb ik het nog niet eens gehad over de structuurversterkende infrastructuur zoals bijvoorbeeld de Lelylijn, de IJmeerverbinding en de Oude Lijn Leiden-Dordrecht. Als je al dat soort zaken wil — de Kamer is daar natuurlijk uitgebreid over geïnformeerd — zal je dus nog geld moeten vinden.
Voorzitter. Door de Omgevingswet hebben wij een juridisch systeem gemaakt waarin je bij de vaststelling van omgevingsplannen waarin woningbouw gerealiseerd wordt, ook de ontsluiting geregeld moet hebben, omdat je anders nat kunt gaan bij de rechter. Het is dus wel van het grootste belang om dit uiteindelijk te realiseren. Dit kan voor niemand nieuw zijn, want dit is in allerlei brieven opgenomen. Maar omdat er een nieuw kabinet aantreedt dat verdergaat dan 2027 — althans, dat is het plan — is het wel goed om dat hier te benadrukken. Ik zal bij een aantal moties naar dit verhaal verwijzen. Dan weet u waar het vandaan komt.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een korte vraag nu de minister over die 2,5 miljard begint. Ik denk dat we Kamerbreed al heel lang zaten te wachten op die verdeling. Ik ben blij dat die er nu komt. Ik heb wel één kritiekpunt, met name omdat deze minister van een partij is die voor de regio opkomt. Bij de verdeling van de WoMo-gelden hebben Friesland, Groningen en Drenthe met z'n drieën volgens mij minder dan 1% van die gelden toegewezen gekregen. Zelfs als je Zeeland erbij neemt, kom je nog maar amper aan 1% van die gelden. Ik vraag me toch af hoe een minister van een partij die ook oog heeft voor de regio, daarnaar kijkt. Is ze bereid om daar nog iets van herstelwerk te doen? Ook in die regio's worden er namelijk woningen gebouwd. Ook al zijn de aantallen wat kleiner, die woningen zijn niet minder belangrijk.
Minister Keijzer:
Dan maken we het toch politiek. Dat vind ik leuk; dat weet de heer De Hoop. Daar is natuurlijk wel gereageerd op aanvraag. Daar waar niet aangevraagd wordt, kun je niet beschikken. Daar waar het nog niet zover is dat het geld direct of sneller tot realisatie zal leiden, kun je een aanvraag ook niet honoreren. Dat is uiteindelijk de afweging die gemaakt is. Er was een miljard meer aangevraagd. In die hele afweging is natuurlijk ook gekeken welke aanvragen het snelst tot te realiseren woningen leiden. Soms lukte dat niet. Maar dat wil niet zeggen dat de aanvragen die gedaan zijn, slechte aanvragen zijn geweest of dat het geld daar niet naartoe moet. Dat is niet het geval, maar mijn financiële polsstok ging niet verder dan 2,5 miljard. Ik heb uiteraard ook contact gehad met bestuurders in de desbetreffende gebieden. Er was af en toe ook gewoon even wat discussie, want als je geen geld krijgt in het kader van de WoKT, wil dat niet zeggen dat je ook geen geld krijgt in het kader van een ander instrumentarium, zoals de realisatie-impuls; die is namelijk over heel Nederland gegaan. Ook in de WBI-gelden zit natuurlijk geld dat geland is in de desbetreffende provincies.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp dit antwoord van de minister. Tegelijkertijd weet ik dat er ook in die provincies zeker aanvragen zijn gedaan die wel toegekend hadden kunnen worden. Ik denk dat daar niet voor gekozen is omdat die grote aantallen in die provincies gewoon niet makkelijk gebouwd kunnen worden; die interpretatie geef ik nu zelf. Ik begrijp dat we zo snel mogelijk zo veel mogelijk woningen willen bouwen, maar mij bekruipt het gevoel dat als we niet oppassen, er weer een systematiek ontstaat waarmee verschillende regio's net benadeeld worden, ook al is dat niet de bedoeling. Ik zou de minister en het ministerie willen vragen om erop toe te zien dat we daar bij de verdeling van de rest van die 2,5 miljard extra oog voor blijven houden.
Minister Keijzer:
Nou, het geld is beschikt, dus als je meer wil, zal het nieuwe kabinet geld moeten vinden. Maar het is dus niet zo dat die andere plannen niet belangrijk of niet nodig zijn. Integendeel, overal in Nederland is woningnood, ook in die provincies. Dat het daar logischerwijs over minder grote aantallen gaat, wil niet zeggen dat het geld daar niet nodig is. Er ligt gewoon een gigantische opgave voor het volgende kabinet om ook daar de woningbouw noodzakelijk te maken.
De heer Mooiman (PVV):
Dank aan de minister voor het nogmaals naar voren brengen van de financieringsproblematiek. We hebben in het verleden al de brief gehad over hoe de verschillende instrumenten gefinancierd worden en natuurlijk ook de WoMo-middelen, waar de heer De Hoop net aan refereerde. Omdat dit toch een soort startpunt is, ook richting een nieuw kabinet, denk ik dat het goed is dat de minister deze oproep doet. Een hoop van deze zaken zijn natuurlijk over verschillende brieven verspreid. Misschien zou de minister kunnen toezeggen om hetgeen zij in haar termijn naar voren heeft gebracht nogmaals te bundelen in een brief, zodat dat ook kan mee worden genomen in de formatie, waar straks de nieuwe partijen over gaan.
Minister Keijzer:
Deze informatie is beschikbaar. Ik heb het nu gezegd. Ik vind het dus een beetje zonde om nou een kopietje te maken van de Handelingen en dat in een brief te stoppen, tenzij de heer Mooiman erop staat; dan wil ik uiteraard daarin bewilligen. Feit is wel — dat kunt u gewoon terugvinden in de stukken — dat er een aantal financiële regelingen zijn die tot 2027 lopen en daarna niet meer. Dat is gewoon zo. De realisatie-impuls en de Woningbouwimpuls lopen tot en met 2029. Dat is logisch, want die kwamen van het kabinet-Schoof. Het is dus echt noodzakelijk om na te denken over de termijn daarna, maar die informatie ligt uiteraard ook bij de formerende partijen.
De heer Mooiman (PVV):
Absoluut. Dat ben ik ook met de minister eens. Ik denk — maar dat is een opvatting die ik zelf heb — dat de minister deze oproep natuurlijk niet voor niets in haar tweede termijn heeft gedaan. Juist vanwege het belang dat die structurele financiering er wel komt, leek het mij goed als de Kamer, maar straks ook de formerende partijen, allemaal beschikken over die informatie. Dan hoeft het niet opnieuw opgevraagd te worden dan wel ergens gevonden te worden. Graag zie ik een overzicht toekomen, als dat kan.
Minister Keijzer:
Is goed.
De voorzitter:
Dat is toegezegd. Mevrouw Steen.
Mevrouw Steen (CDA):
De uitleg van de minister nodigt mij toch uit om nog even een vraag te stellen over die vier verstedelijkingsgebieden. Ik hoorde de minister namelijk zeggen: het was overtekend, want we hadden meer aanvragen gekregen dan we konden beschikken. Tegelijkertijd zijn die vier gebieden gestimuleerd om zich als grootschalig te laten kwalificeren. Vervolgens doen ze dan geen WoKT-aanvraag. Tegelijkertijd heeft het ministerie ook aan tafel gezeten toen zij hun aanvraag deden voor de gebiedsbudgetten en de daarmee gepaard gaande mobiliteitsinvesteringen. Die aanvraag is dus eigenlijk bijna onder begeleiding van het ministerie gedaan. Ik vind het dan best wel gek om te constateren dat de minister wel zegt: met een gebiedsbudget kun je alvast beginnen en die mobiliteitsmaatregelen doen we dan eventjes niet. Mijn vraag is: wat is dan precies de afweging geweest om in dit geval mobiliteit, bereikbaarheid en woningbouw niet hand in hand te laten gaan?
Minister Keijzer:
Met het aanwijzen van een gebied ben je er natuurlijk nog niet. Daarna moet je nadenken over wat je daar dan gaat bouwen. Dat is 30% sociaal en twee derde betaalbaar. Hoe je daar gaat bouwen, is conform het Bbl. Maar vervolgens begin je natuurlijk wel aan de ruimtelijke plannenmakerij. We weten allemaal hoelang dat duurt. Als je dan bij de aanwijzing die in de Nota Ruimte is opgenomen meteen geld ter beschikking stelt, wat ik niet heb, staat er geld op de plank dat je niet meteen nodig hebt. Regeren is vooruitzien. Dat is waarom we in de Nota Ruimte, die tot 2050 loopt, gezegd hebben: deze vier doen we erbij. Maar het is zeer de vraag of het kabinet-Jetten de realisatie ervan mee zal maken.
Mevrouw Steen (CDA):
Dan is toch mijn vraag: hoe kan het dan zijn dat het ministerie van VRO en het ministerie van IenW bij de aanvraag van de gebiedsbudgetten, juist omdat ze grootschalig gaan verstedelijken, aan tafel zitten en vervolgens zeggen: wij hebben deze plannen? Die plannen liggen er gewoon en zijn uitgetekend en zelfs doorgerekend. Daar liggen hele financieringsplannen onder. Daar zijn mensen hele zomers mee bezig geweest.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Steen (CDA):
Dat is dus helemaal niet vaag of onontwikkeld. Ik vraag mij af hoe het dan zo kan zijn dat de minister in dit geval zegt: het geld is op. Het ministerie wist namelijk dat deze aanvraag eraan kwam. Sterker nog, het was erbij betrokken.
Minister Keijzer:
Mevrouw Steen gaat meemaken dat je op een gegeven moment niet meer geld hebt dan er op je begroting staat. De keerzijde van deze vraag is trouwens: als je op dit moment geen geld hebt, moet je dan niet nadenken over de toekomst? Natuurlijk moet je dat. We groeien toe naar 20 miljoen mensen in 2040. Ik maak mij er zorgen over of het zolang gaat duren. Je zult er dus over na moeten denken waar die mensen dan allemaal gaan wonen. Je moet dus nadenken over of je dan voldoende locaties hebt. We hebben nu 130% harde plancapaciteit opgenomen in onze woondeals. Je kunt je afvragen of dat genoeg is. Het is trouwens al moeilijk om dat voor elkaar te krijgen, maar als u vervolgens van mij verlangt dat er alleen gepraat mag worden over toekomstige plannen als het geld er ook is, dan vraagt u het onmogelijke van een minister. Voordat je het weet, beweegt niemand meer omdat je anders lastige vragen krijgt over geld. Zo werkt het gewoon niet. Je zult moeten nadenken over de komende jaren en de komende locaties. Dat betekent — dat is ook de reden waarom ik het hier zeg — dat je ook moet nadenken over de budgetten voor de komende jaren. Dat zal voorbij dit kabinet-Jetten zijn, als het allemaal gaat lukken. We weten allemaal hoelang het, helaas, duurt. Alles is erop gericht om dat te verkorten. Maar de eerlijkheid gebiedt mij wel te zeggen dat als jij nu bedenkt "daar gaan we bouwen", in enige omvang, je dan wel een héle knappe bent als je over drie jaar begint.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Wij hebben een toezegging gevraagd aan de minister om voor de zomer een terugkoppeling te geven over hoe het vrijblijvende karakter van het doorvoeren van de inkomensafhankelijke huurverhoging kan worden geschrapt. Die heb ik niet gehoord. Het is ook geen motie. Ik vroeg me af of de minister daar nog op terugkomt.
Minister Keijzer:
Dat was mijn volgende punt.
De voorzitter:
U vervolgt.
Minister Keijzer:
Ik kan dat namelijk toezeggen aan mevrouw Den Hollander. Dat neem ik mee in de brief die ik, ook in antwoord op de Kamervragen die ik schriftelijk aan u heb doen toekomen, heb toegezegd. Die ga ik voor de zomer aan uw Kamer sturen — niet om het zelf te doen, want dat is echt aan een toekomstig kabinet. Daarbij zal ik ook ingaan op de vraag hoe we eigenlijk omgaan met discussies over een vermogenstoets, om de vermogenspositie van sociale huurders daarin mee te nemen.
De optie van een vermogenstoets bij toewijzing heeft de Kamer voor de zomer besproken. Daarbij is toen een motie ingediend. Die heb ik toen ontraden, en die is niet aangenomen. Reden daarvoor was dat uit een eerdere inventarisatie bleek dat een beperkte groep van 79.000 huishoudens op een totaal van 2,3 miljoen huishoudens een vermogen heeft van €100.000 of meer. Maar daar zitten ook gevallen bij van mensen die een erfenis hebben gekregen of pensioenvermogen hebben. Het gaat om huishoudens die dikwijls dat vermogen hebben opgebouwd terwijl ze in die woning woonden en dit vermogen nog niet hadden bij toewijzing. Die situaties heb je namelijk ook. Toch voelt het natuurlijk een beetje raar, iemand die zó veel geld op de bank heeft maar een lager inkomen heeft en vervolgens in een sociale huurwoning zit.
Maar ik zeg u toe dat ik, voor zolang het mij gegeven is, maar daarna zal het vast verder uitgewerkt worden, in kaart ga brengen of een vermogensafhankelijke huurverhoging op dezelfde wijze zou kunnen werken als een inkomensafhankelijke huurverhoging. Ik ga in kaart brengen of dat een optie zou kunnen zijn en of de nadelen daarvan opwegen tegen de voordelen. Het gaat dan sowieso om de positie van de mensen die het betreft, want we hebben nog wel meer eigen bijdrages in dit land. Die komen tot stand in verschillende beleidssilo's. Voordat je het weet, telt dat weer bij elkaar op tot een niveau waarvan je zegt: dit is ook weer niet eerlijk. Daarbij moeten we natuurlijk ook meenemen wat het eigenlijk aan capaciteit kost om dit allemaal te regelen. Niet alles wat niet helemaal rechtvaardig voelt, is iets wat door de overheid moet worden opgelost.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nog even een vraag over wat de minister in het sandwichmodel van haar antwoord zei over die 12.000 sociale huurwoningen die bewoond worden door huishoudens die ook één of meerdere koopwoningen bezitten. Wat was nou de portee van wat de minister daar zei? Zei ze nou: "Dat aantal op de 2,3 miljoen is zo klein; daarom heb ik destijds de motie over die vermogenstoets ontraden en daardoor moet je ook terughoudend zijn om je hier druk over te maken"? Of gaat de minister ook kijken of het, als het dan niet in de vorm van een vermogenstoets wordt gedaan, dan in de vorm van een eigenwoningtoets kan? Hoe ziet de minister dat voor zich? Of moeten we ons niet zo druk maken, want "12.000 op 2,3 miljoen woningen zijn er niet zo veel"?
Minister Keijzer:
Dit zijn twee verschillende discussies. De 79.000 huishoudens waar ik het over had, zijn de 79.000 huishoudens die een vermogen hebben van meer dan €100.000, wat soms het resultaat is van een pensioenpotje. Er zijn 12.000 woningen verhuurd aan iemand die daarnaast nog koopwoningen heeft, soms meerdere. Dat is een andere discussie. Het is ontzettend afhankelijk van de situatie waar het over gaat. Je hebt namelijk mensen die zelf in de sociale huurwoning zitten, maar een andere woning hebben die ze verhuren. En je hebt mensen een sociale huurwoning hebben, in een andere woning wonen en die woning verhuren aan iemand anders. Daar kan je verschillend beleid op voeren. De brief die ik gisteren heb toegezegd in de schriftelijke antwoorden, wat ik net nog eens bevestigd heb, zal ik ook aan de Kamer doen toekomen, zodat onder de fantastische leiding van een nieuwe minister de Kamer hier uiteindelijk een verstandig besluit over kan nemen. Tegen die tijd ben ik een van degenen die daar ook over mee mag stemmen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik zie ernaar uit, maar ik vind het ook fantastisch dat u daar staat, minister. Ik heb hier nog wel een vraag over, want dit klinkt als: ik zal het op een rijtje zetten in die brief. Wat is het doel van de minister daarbij? Wat is haar missie hierbij? We kennen de kwestie Ymere. Die heeft geprobeerd hier paal en perk aan te stellen. Na veel vijven en zessen hebben ze dat gewonnen bij de rechter, dus dat is fijn. Is het doel van de minister bijvoorbeeld om corporaties zoals Ymere te helpen om hun woningen toe te wijzen aan mensen die het echt nodig hebben? Of is het meer: ja, we moeten niet met een kanon op een mug gaan schieten? Hoe zit de minister hier zelf in?
Minister Keijzer:
Zoals ik gisteren ook voor de camera's van SBS6 en RTL gezegd heb. Het is bij een dergelijke woningnood natuurlijk verwerpelijk dat mensen een sociale huurwoning "bezitten", in overdrachtelijke zin, terwijl ze 'm niet nodig hebben, óf omdat ze een andere woning hebben en verhuren óf omdat ze überhaupt niet in de woning wonen. Ik heb ooit een essay geschreven met als titel "De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen". Als je iets verwerpelijk vindt, moet je vervolgens wel nadenken over: wat komt er weg aan een oplossing van overheidswege om dat dan vervolgens tegen te gaan? Wat hier in ieder geval wel kan, is het volgende. Ymere heeft een zaak aangespannen op basis van het eigen gebruik. Dat is het eigen gebruik van de corporatie, namelijk: ik ben op aarde om sociale huurwoningen te verhuren aan mensen met een zodanige inkomenspositie dat ze het niet zelf kunnen regelen. Daar staat dit haaks op. Er is een uitspraak geweest van een kantonrechter en er is geen hoger beroep aangetekend, dus je weet niet zeker of dat standhoudt. In de antwoorden aan de Kamer heb ik aangegeven dat we goed gaan bekijken of dit nu voldoende omvang en inhoud heeft om uiteindelijk in hoger beroep overeind te blijven en als dat niet zo is, je dan iets moet aanpassen in het Burgerlijk Wetboek. Ik zal, voor zover het mij nog gegeven is, u van informatie voorzien. Maar het is natuurlijk uiteindelijk ook aan een nieuw kabinet om dat te gaan regelen.
De voorzitter:
Ik zou de minister willen vragen of we zouden kunnen overgaan tot de appreciatie van de ingediende moties.
Minister Keijzer:
Bijna, voorzitter. De fractie van de BBB deed hier nog een oproep aan gemeentes: wees nou terughoudend met handhaven als mensen op vakantieparken wonen. Als meneer De Groot hier was geweest, was hij daar zeker ook over begonnen. Ik ondersteun dat. Ik heb in die instructieregeling opgenomen in welke situaties ik voornemens ben om het uiteindelijk zo te regelen dat er een gedoogvergunning kan worden afgegeven. Ik zou dan ook tegen gemeentes en mensen die dit betreft, willen zeggen: lees dat ook. Ook hiervoor geldt dat het aan een volgend kabinet is om dit al dan niet door te zetten, maar: lees dit. Ik vind het verstandig beleid. Als je in jouw gemeente zo'n situatie hebt of als je zelf op zo'n vakantiepark woont, maak daar dan ook gebruik van. De mensen die het betreft kunnen namelijk gewoon geen andere kant op. Het is dan onnodig om hier handhavingscapaciteit op in te zetten. Je loopt trouwens ook nog de kans dat als het uiteindelijk tot een rechtszaak komt, de aanzegging niet overeind blijft omdat er zicht is op gedogen. Dat is niet aan mij. Het is uiteindelijk natuurlijk aan de rechter. Het is wel hoe dit systeem in elkaar zit. Ik hoop uiteraard dat het volgende kabinet dit voortzet.
Dan kom ik bij de moties en de amendementen. De motie op stuk nr. 15. Dit was onderdeel van het hoofdlijnenakkoord. Nee, het was geen onderdeel van het hoofdlijnenakkoord. Het verbod omtrent voorrang statushouders was onderdeel van het hoofdlijnenakkoord. Uiteindelijk is daar in de coalitieafspraken van oktober 2024 het afschaffen van de taakstelling aan toegevoegd. We weten allemaal wat de heer Wilders toen vervolgens gedaan heeft. Inmiddels is er een nieuw kabinet aangetreden. We moeten met elkaar afwachten of dat nieuwe kabinet deze wetgeving voortzet. Ik heb met passie betoogd waarom ik het verstandig vind om dat te doen, maar het is niet meer aan mij. Daarmee is de motie op stuk nr. 15 ontijdig, want het is aan een volgend kabinet.
De voorzitter:
Dan moeten we formeel de heer Mooiman eerst vragen of hij bereid is tot het aanhouden van de motie. Dat mag ook met een non-verbale uiting. Dat is niet het geval. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 15 de appreciatie ontijdig.
Minister Keijzer:
Dan de motie op stuk nr. 16. Hierbij twijfel ik over "overbodig" en "ontraden". De motie vraagt om per provincie te analyseren welke regels in de provincie ruimte voor woningbouw beperken. Dat is nogal een vraag. Deels doen we dat natuurlijk ook al, want via de planmonitor houd ik zicht op de beschikbaarheid van voldoende woningbouwlocaties en rapporteer ik daar halfjaarlijks over. Wanneer er sprake is van belemmeringen, komen die via de versnellingstafels uiteindelijk bij de minister terecht. Dat heb ik net verteld. Via onderzoek breng ik belemmeringen in beeld, zoals het EIB-onderzoek voor een straatje erbij. Dit gebeurt dus in grote lijnen al. Hier bovenop een hele analyse doen kost weer meer onderzoekstijd. De vraag is of het uiteindelijk iets toevoegt. Daarom ontraad ik de motie op stuk nr. 16.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 16 wordt ontraden.
De heer Mooiman (PVV):
Ik heb daar nog wel een vraag over. De reden dat we deze motie indienen, is, zoals ik in mijn termijn ook heb aangegeven, dat we toch zien dat heel veel provincies, en in ieder geval ook de provincie Zuid-Holland, bezig zijn met omgevingsbeleid dat haaks staat op het landelijke beleid. Dat gaat om maximaal 1,5 hectare erbij voor een straatje erbij, terwijl het Rijk aan 100 woningen denkt, en ook om niet kunnen bouwen buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Dat laatste wordt in Zuid-Holland steeds verder beperkt. Ik ben relatief jong, maar ik ben nu tien jaar Statenlid geweest in de provincie Zuid-Holland en ik maak me daar toch hele grote zorgen over. Ik denk dat die inventarisatie juist heel veel kan toevoegen om ervoor te zorgen dat we in de uitwerking van die woningbouwdoelstellingen niet tegen problemen aanlopen. Mijn vraag aan de minister is of zij dit toch wil gaan doen, omdat ik denk dat dat wel degelijk heel veel toe kan voegen, ook straks voor het nieuwe kabinet bij de uitvoering van huidige plannen.
Minister Keijzer:
In alle plannen voor Zuid-Holland zijn voldoende locaties en voldoende aantallen woningen opgenomen. Daar is het dus niet voor nodig. Als ik de heer Mooiman zo hoor, kan hij prima zelf zo'n inventarisatie voor Zuid-Holland maken. Het voegt nu alleen niet veel toe, want dan moet ik het voor alle provincies doen.
De voorzitter:
Dat is het verzoek.
Minister Keijzer:
Dit speelt niet in alle provincies op deze manier. Dat vind ik dan weer geld besteden aan onderzoeken, terwijl ik geld wil brengen naar bouwen.
De voorzitter:
Meneer Mooiman, tot slot.
De heer Mooiman (PVV):
Ik heb inderdaad tot slot toch nog een reactie daarop. Het speelt wel degelijk in meerdere provincies. Ik krijg regelmatig van verschillende gemeenten uit het land het verzoek om meer te kunnen bouwen. Zij zeggen: wij willen meer bouwen, de ruimte gebruiken die het Rijk ons geeft, maar de provincie zit tegen. Ik denk ook niet dat het een onderzoek hoeft te zijn bij een of ander onderzoeksbureau, maar dat het juist ontzettend nodig is dat het ministerie van VRO scherp heeft waar het nu misgaat. Ik heb het gevoel dat dat nu nog niet het geval is. Dus ik zou de motie toch graag willen indienen om ervoor te zorgen dat we toekomstige problemen voorkomen.
De voorzitter:
Dan de volgende motie.
Minister Keijzer:
Dat mag, voorzitter. Hij heeft 'm al ingediend. De Kamer gaat erover stemmen, stel ik mij zo voor.
De voorzitter:
Ja, aanstaande dinsdag wordt erover gestemd.
Minister Keijzer:
De motie op stuk nr. 17 verzoekt om concrete voorstellen om aangewezen doorbraaklocaties maar ook regionale grootschalige woningbouwlocaties te ondersteunen. Deze motie is ontijdig. We zijn als Rijk al betrokken bij de gebiedsontwikkeling van 21 nationale grootschalige woningbouwlocaties. Op 24 doorbraaklocaties wordt in samenwerking met partners gewerkt aan een plan van aanpak. Stougjeswijk, Haarlemmermeer, Cortelande: daar hebben we al doorbraken bereikt. Dus het heeft ook effect en leidt ook tot woningen. De concrete uitwerking van de regionale grootschalige woningbouwlocaties is echt aan een nieuw kabinet, en daarmee is deze motie ontijdig.
De motie op stuk nr. 18 ...
De voorzitter:
Ook hier is de vraag of de heer Mooiman bereid is om de motie aan te houden. Dat is niet het geval. De motie op stuk nr. 17 is ontijdig. Dan de motie op stuk nr. 18.
Minister Keijzer:
De motie op stuk nr. 18 gaat over het Plan Weidevogel in Koudekerk, met 240 woningen. Dat is dus niet niks. De motie vraagt aan mij om in gesprek te gaan met de provincie om haar te bewegen om woningbouw in Koudekerk doorgang te laten vinden en hiertoe zo nodig instrumentarium voor in te zetten. Dat laatste moet ik ontraden, want ik kan op dit moment niet overzien hoe deze motie zich precies verhoudt tot bijvoorbeeld de woondealafspraken. Maar uiteraard wil ik zeker in gesprek gaan. Dus als ik de motie zo mag begrijpen, kan ik 'm oordeel Kamer geven.
De heer Mooiman (PVV):
Dat is akkoord.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 18 krijgt oordeel Kamer, met deze appreciatie. Dan de motie op stuk nr. 19.
Minister Keijzer:
In de motie op stuk nr. 19 vraagt de heer Mooiman mij om binnen twee maanden met de Vereniging Eigen Huis, Vastgoed Nederland, NVM en andere relevante partners in gesprek te gaan om knelpunten in het biedproces te bespreken. De heer Mooiman verzoekt mij ook om als alternatief een eerste inventarisatie te maken van passende wet- en regelgeving. Ik geef deze motie oordeel Kamer, waarbij uiteraard concrete stappen aan een nieuw kabinet zijn en niet meer aan mij.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 19: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 20.
Minister Keijzer:
De motie op stuk nr. 20 is een huurbevriezingsmotie. Met verwijzing naar het debat en de hele discussie vorig jaar ontraad ik deze motie.
De motie op stuk nr. 21 van de heer De Hoop gaat over het aanbieden van middenhuur door corporaties. Ik wil de motie voor dat deel uitvoeren waarin mij om informatie wordt gevraagd. Er wordt uiteraard gewerkt aan een plan van aanpak, maar het is niet meer aan mij om uiteindelijk wetgeving naar de Kamer te sturen. Dus dat deel is ontijdig. Maar als ik 'm zo mag verstaan dat dat niet meer aan mij gevraagd wordt, kan de motie oordeel Kamer krijgen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik denk even met de minister mee. Als de reden voor het oordeel "ontijdig" is dat het niet zozeer aan deze minister is, dan kan zij de Kamer daar toch ook een oordeel over laten vellen? Als de Kamer dat dictum wel wenst, dan kan de minister die motie toch in principe gewoon oordeel Kamer geven?
Minister Keijzer:
In de wandelgangen had ik dit gesprek met een ander lid van deze Kamer. Wij weten hier allemaal dat "oordeel Kamer" betekent dat de bewindspersoon in kwestie zegt: ja, dit ga ik zo doen, ik voer 'm uit. Het lastige hieraan is alleen dat dit echt niet meer aan mij is. Ik dank de heer De Hoop trouwens nog voor de vriendelijke woorden. U kent mij. Ik was nog lang niet klaar, maar het is gewoon niet meer aan mij. Ik vind het dus ook ingewikkeld om een volgend kabinet te binden aan zo'n onderwerp, dat echt wel wat voeten in de aarde heeft. Dat is waarom ik dit op deze manier zeg. Tegelijkertijd kan ik me niet voorstellen dat dit geen plek zal krijgen in het nieuwe regeerakkoord, of welke naam ze er ook aan geven.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik zit even te kijken. Adviseert de minister mij dan om de motie aan te passen zodat ie oordeel Kamer krijgt? Of blijft het hier bij "ontijdig"?
De voorzitter:
Ik heb eigenlijk drie verschillende appreciaties gehoord: ontijdig, een verzoek tot aanhouden en oordeel Kamer.
Minister Keijzer:
Ja, eigenlijk wel. Dat is hier het lastige van.
De voorzitter:
Minister, verlos ons uit ons lijden. Wat wordt het?
Minister Keijzer:
"Verzoekt de minister voor de zomer met een plan van aanpak naar de Kamer te komen". Dus als het woord "voorstel" mag worden begrepen als "plan van aanpak", dan kan de motie oordeel Kamer krijgen. Want hier mot wat mee.
De voorzitter:
Dan doen we het als volgt. De motie op stuk nr. 21 krijgt in zijn huidige vorm het oordeel ontijdig, maar de heer De Hoop geeft non-verbaal aan dat hij de motie gaat wijzigen langs de lijn van het voorstel van de minister. Dan zal de motie oordeel Kamer krijgen.
Minister Keijzer:
Ja.
De voorzitter:
Akkoord.
Minister Keijzer:
Uiteraard — maar dat is met verwijzing naar het debat — is hier ook nog wel een varkentje te wassen wat betreft de vraag wat je dan doet met private partijen die deze middenhuurwoningen realiseren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 22.
Minister Keijzer:
De motie op stuk nr. 22. Dat is de motie-De Hoop/Beckerman om tot een richtlijn te komen die tussentijds naar biedingen kijken verbiedt. Dat is het biedlogboek waar de heer Mooiman ook over sprak. De motie is te stellig geformuleerd. Ik moet 'm dan ook ontraden. Ik snap wat de heer De Hoop wil, maar kijken naar tussentijdse biedingen is bij sommige vormen van biedprocessen geen probleem, als het maar niet alleen voor verkopen mogelijk is. Daarbij: er is een richtlijn. Die heet NTA. Daar is nou net discussie over. Deze motie moet ik dus ontraden.
In de motie op stuk nr. 23 van De Hoop, Beckerman en Van Brenk wordt gevraagd om tot een vergunningsplicht en een centraal register voor makelaars te komen. Toe maar. Dit is echt een fundamentele verandering van ons verkooplandschap. Er zitten vele haken en ogen aan, die ik hier niet allemaal ga oplepelen. Dit is echt aan een volgend kabinet. Daarmee is de motie ontijdig.
De voorzitter:
Dan moet ik ook hier de heer De Hoop vragen of hij bereid is om de motie aan te houden.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik houd 'm aan.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer De Hoop stel ik voor zijn motie (36800-XXII, nr. 23) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 24.
Minister Keijzer:
In de motie op stuk nr. 24 van Zalinyan wordt gevraagd om een nationale grondbank op te richten. Deze motie is ook ontijdig. We hebben wel grote opgaven. Meer regie en sturing op dat er tijdig grond beschikbaar is, is ook noodzakelijk. Er loopt een onderzoek naar zo'n integrale grondbank, alsook naar financieringsfaciliteiten voor woningbouw. Maar zoals ik net in mijn inleiding heb aangegeven, zijn er op dit moment geen financiële middelen voor. Daarmee is deze motie vooral financieel ontijdig. Er is namelijk geen dekking voor. Wel loopt er onderzoek.
De voorzitter:
Is mevrouw Zalinyan bereid om de motie aan te houden? Of wil ze 'm toch graag in stemming brengen?
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Aanhouden, graag.
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Zalinyan stel ik voor haar motie (36800-XXII, nr. 24) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Keijzer:
De motie op stuk nr. 25 van mevrouw Zalinyan en mevrouw Beckerman verzoekt de regering te verkennen hoe een rijksgrondfaciliteit kan ondersteunen bij risicodeling van grondaankopen. Deze motie kan ik oordeel Kamer geven. Ik zal 'm betrekken bij de uitwerking.
De motie op stuk nr. 26 gaat over het toepassen van de gebruikswaarde bij grondbeleid. Dat is 'm. In juni heb ik de Kamer een brief gestuurd over een planbatenheffing of een vergelijkbaar systeem. Daarin heb ik ook een voorstel gedaan over de gebruikswaarde en over de stappen die daarbij nodig zijn. De brief voldoet dus eigenlijk al aan het verzoek in de motie, maar de heer Grinwis heeft ook nog een motie ingediend. Deze motie kan ik dus oordeel Kamer geven, omdat zij conform staand beleid is, maar tegelijkertijd geldt dat het wel even afwachten is wat het nieuwe kabinet op dit punt gaat doen.
Dan …
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 26: oordeel Kamer.
Minister Keijzer:
Sorry, voorzitter. Ik moet u elke keer even laten samenvatten.
De voorzitter:
Geen probleem; daar heeft u mij voor.
Minister Keijzer:
Ja, zo is dat. De motie-Steen c.s. op stuk nr. 28 verzoekt om met een ondersteuningsprogramma voor studentenhuisvesting te komen. Geen extra middelen; dat is één. Twee: je zou deze motie ook overbodig kunnen noemen, omdat er al allerlei ondersteuningsstructuren zijn, zoals de studentenhuisvestingsregisseur,. Maar er staat een dikke Kamermeerderheid onder deze motie. Daarmee verplicht u uzelf dus ook om hier middelen voor te vinden. Maar dat gaan we meemaken. Oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 28 krijgt oordeel Kamer.
Minister Keijzer:
Geen geld, maar degenen die eronder staan, zitten aan de knoppen. We gaan het dus zien.
De voorzitter:
U heeft het gezegd.
Minister Keijzer:
Ja, ja. De motie op stuk nr. 29 roept op om een aanpak van woonfraude te ontwikkelen. Dit doen we al. De motie is dus overbodig. En moties waarin gevraagd wordt om voldoende middelen te reserveren zijn ongedekt. Daarom moet ik deze motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 29 is ontraden.
Minister Keijzer:
Ja. En meneer Clemminck zit niet aan tafel; hij kan het dus niet regelen. Nóg niet; echt waar, in de politiek weet je het nooit.
De motie op stuk nr. 30 gaat over het ontwikkelen van een huurregister. Daarvoor geldt eigenlijk hetzelfde. We zijn bezig met het uitwerken van een huurregister, maar ook hiervoor geldt dat er nog geen dekking voor is. Daarom moet ik deze motie ontraden. Daarnaast is het zeer de vraag of je een registratiesysteem op zichzelf als instrument voor het vaststellen van woonfraude kunt gebruiken, want daar komt meer achter weg en dat is ook niet waar we mee bezig zijn. Het is meer een register waar huurders en contracten een plek in gaan krijgen.
De motie-El Abassi op stuk nr. 31 roept op om sloop alleen toe te staan als gelijkwaardige betaalbare sociale huur op dezelfde plek kan worden gerealiseerd. Corporaties die slopen hebben een verplichting om aan herhuisvesting te doen, maar dat is niet altijd dezelfde woning op dezelfde plek.
Dan de motie-El Abassi op stuk nr. 32 over het verlagen van de huurverhoging. In het debat heb ik uitgelegd hoe het zit met door de Kamer vastgestelde wetten of regelgeving die op wetten is gebaseerd. Daarom moet ik deze motie ontraden.
Dan de motie op stuk nr. 33, die de regering verzoekt om schimmel- en vochtproblematiek als acute gezondheidsbedreiging aan te merken en onmiddellijk in te grijpen. Ik begrijp de achtergrond van deze motie, want het is niet fijn als je in zo'n woning zit. Maar er wordt niet stilgezeten. Daar waar dit te maken heeft met de fysieke, technische omstandigheden van de woning, zijn daar programma's voor, maar soms is het ook een kwestie van een ander gebruik van de woning. Dan moet je daarop acteren, want als je zegt dat er een acute gezondheidsdreiging is, moeten mensen hun huis uit. Daar waar dit opgelost kan worden, zou dat een beetje veel zijn.
De voorzitter:
Tot welke appreciatie leidt dat?
Minister Keijzer:
Ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 33 is ontraden.
Minister Keijzer:
Dan de motie op stuk nr. 34 van de heer Van Dijk. Deze motie is overbodig naar aanleiding van een vergelijkbare motie-Boulakjar; die motie zal van eind 2023 zijn. Hier is aandacht aan besteed. Het is onwenselijk om minimale eisen aan lager geprijsde segmenten op te leggen.
Dan heb ik de motie op stuk nr. 35 van de heer Grinwis. Deze moet ik ontraden, want die staat haaks op de brief die ik in juni gestuurd heb. Hiervoor geldt ook dat het uiteindelijk aan de volgende coalitie is. Die moet besluiten wat ze hiermee gaat doen. In mijn verantwoordelijkheid is een brief aan de Kamer gestuurd, waarin een keuze is gemaakt. Daarom moet ik deze motie ontraden, dus we gaan meemaken hoe er gestemd gaat worden, voorzitter.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 35 is ontraden.
Minister Keijzer:
Dat is natuurlijk altijd zo, maar hier helemaal. De heer Grinwis begrijpt mij.
Dan heb ik nu de motie op stuk nr. 36 van de heer Grinwis c.s., waarin aan mij gevraagd wordt om met de VNG en alle betrokkenen te gaan praten over wat de Omgevingswet mogelijk maakt, namelijk: sluit nou uit dat je tegen de omgevingsvergunning ook nog eens in bezwaar en beroep kan. Daar heeft de heer Grinwis helemaal gelijk in. Dat kunnen gemeenten zelf regelen. Jawel, jawel, maar ze doen het lang niet allemaal. Dat is echt een gemiste kans, want met een beetje bezwaar en beroep ben je zo anderhalf tot twee jaar verder, als het niet langer is. Ik zal dus zeker in gesprek gaan, maar het is niet meer aan mij om de Omgevingswet te wijzigen en dit gewoon uit de wet te halen, hoewel mijn vingers jeuken.
De voorzitter:
Hoe appreciëren we de motie dus?
Minister Keijzer:
Ontraden, voorzitter. De motie krijgt het oordeel ontraden, want ik kan niet uitleggen hoe ik dit ga doen. Maar ik zal zeker in gesprek gaan ... O, wat staat er dan? Misschien lees ik de motie verkeerd.
De voorzitter:
Meneer Grinwis gaat ons duidelijkheid geven.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nou, er staat niet dat er allerlei dingen geschrapt moeten worden. Er staat gewoon: ga in gesprek, zodat gemeenten dat inderdaad gaan doen; precies wat de minister zegt!
Minister Keijzer:
Eens.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Vervolgens staat er: en tevens te bezien of verruiming van deze mogelijkheid nodig en mogelijk is en de Kamer over toepassing in de gemeentelijke praktijk — dat was het eerste deel — en mogelijkheden voor verruiming voor de zomer te informeren. Daar staat dus helemaal niet: minister, gij zult dit of dat! Het is een vrij open verzoek.
Minister Keijzer:
Nee, maar het is wel echt ...
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Maar dat is toch geen reden? Net werd gezegd dat de minister sommige verzoeken niet meer kan uitvoeren, maar dat de motie oordeel Kamer krijgt, omdat er een meerderheid is ontstaan. Over andere verzoeken wordt gezegd: daar ga ik niet meer over; ontijdig! Met dit verzoek is de minister het eigenlijk eens, maar ze zegt dat ze het laatste deel niet meer zelf gaat uitvoeren en daarom ontraadt ze de motie. Ik kan er geen touw meer aan vastknopen.
Minister Keijzer:
Ik snap het helemaal. De heer Grinwis heeft gelijk. Tegelijkertijd kijk ik ook naar degenen die onder deze motie staan. Als ik even heel snel tel, dan zie ik dat er geen Kamermeerderheid voor deze motie is.
De voorzitter:
Ik wijs de minister er wel op dat er altijd een regering zal zijn, welke dat dan ook is.
Minister Keijzer:
Ja, ja, zeker. In de hele voorbereiding van deze begroting heb ik ongemak gevoeld, zo van: moet ik nou ...? Het is niet zo ingewikkeld. De heer Grinwis weet net als ik wat je moet schrappen in de Omgevingswet om dit gewoon anders te organiseren. Is het nou aan mij om dat te doen? Er staat: "en tevens te bezien of verruiming van deze mogelijkheden nodig en mogelijk is". Dat is pertinent nieuw beleid dat ingrijpt in het recht van mensen om in bezwaar en in beroep te gaan. Ik vind ook dat dat wenselijk is in dit geval, maar is het nou aan mij om de Kamer daarover te informeren? Als mensen nu naar de interruptiemicrofoon lopen — met de heer De Hoop is er een meerderheid — en zeggen dat ik dat wel moet doen, dan krijgt die motie per direct het oordeel Kamer. Dan ga ik dat gewoon voor u op een rijtje zetten. Geen probleem.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik vind dat de minister hier ... Ze was net zo lekker bezig, maar hier begint ze echt te zwalken. De voorzitter zegt het al: er zal een regering zijn. Als het verzoek is om de Kamer voor het zomerreces te informeren, dan is er inderdaad een gerede kans dat dat niet door deze minister zal gebeuren, maar door haar opvolger. "Te bezien" is niet hetzelfde als een wet van Meden en Perzen, maar eigenlijk een onderzoeksvraag. De minister heeft net de loftrompet over het eerste deel gestoken, maar als ze dan op basis hiervan zegt "en dus ontraden", dan kan ik er geen touw meer aan vastknopen. Gelukkig ...
Minister Keijzer:
Ja, maar, voorzitter ...
De voorzitter:
Nee, minister, meneer Grinwis is nog aan het woord.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Gelukkig is de Kamer zelf mans genoeg om wel of niet iets met al die oordelen te doen, maar ik vind het ook wel grappig als er enige sprake is van consistentie.
Minister Keijzer:
Ja, nou ja, die zit hier wel in, als je kijkt naar de hoeveelheid ondertekenaars. Ik zie dat ook de fractie van D66 hieronder staat, terwijl dat toch altijd de fractie is die inspraak belangrijk vindt. Die verminder je hiermee. Ik zie de heer De Hoop eigenlijk knikken, dus dan kan de motie oordeel Kamer krijgen. Het ingewikkelde hieraan is wel dat ik als minister niet meer ga over wat u eigenlijk van mij verlangt. U kent mij. Ik heb overal — niet over alles — een mening over. Maar is dit nu aan mij? Dat is het ongemak dat u bij mij merkt.
De voorzitter:
Het is dat we zo goed en ruim in de tijd zitten …
Minister Keijzer:
Dan is de motie ontijdig. Dat is een mooie oplossing: ontijdig, huppetee.
De voorzitter:
Maar dan moet ik meneer Grinwis eerst vragen of hij bereid is de motie aan te houden. Ik zie dat dat niet het geval is. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 36 de appreciatie "ontijdig". We zijn eruit! Dank u wel. Dan de motie op stuk nr. 37.
Minister Keijzer:
De motie op stuk nr. 37 is een spreekt-uitmotie, dus ik heb geen appreciatie.
De voorzitter:
Nee.
Minister Keijzer:
Nee. Maar je moet jezelf wel realiseren dat dakloosheid veel verder gaat dan alleen een dak boven het hoofd van mensen. Het gaat over betalingsachterstanden, ggz, verslavingen, huiselijk geweld; het is alles en alles en alles. Je moet dus wel nadenken over hoe je de minister van VRO die bevoegdheden geeft.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 38.
Minister Keijzer:
De motie op stuk nr. 38: ontraden, met verwijzing naar het debat. In het kader van Nij Begun is er een uitgebreid pakket voor Groningen. Dat moeten we nu uitvoeren; we moeten niet weer een nieuw plan maken.
Dan de motie op stuk nr. 39 over de stapeling van huurverhogingen. Deze motie is ontraden, met verwijzing naar het debat. Dat leidt namelijk weer tot een tekort bij corporaties, terwijl dat tekort toch al oploopt.
Voorzitter. Dan heb ik nog drie amendementen.
Het amendement van de heer Flach op stuk nr. 13 krijgt oordeel Kamer. Er zijn op dit moment geen middelen beschikbaar voor een nieuwe tranche van de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten ouderen, zeg ik ook tegen mevrouw Van Brenk. Dit is een goede besteding daarvan.
Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 14 krijgt ook oordeel Kamer. Ook voor de nieuwe tranches van de Regeling huisvesting aandachtsgroepen is er op dit moment geen budget, en zo komt het er wel.
Dan heb ik het amendement op stuk nr. 27 van de heer Grinwis nog. Toen ik dit hoorde, dacht ik: het gaat niet over veel geld, maar wat doe je hier nou eigenlijk; wat gebeurt er met het geld? Dit zijn groepen burgers die met elkaar in gesprek gaan om de verduurzaming uiteindelijk soepeler te laten verlopen. Gemeenten kunnen, voor zover nodig, ook geld hiervoor inzetten uit hun budget van het Nationaal Isolatieprogramma, dat in totaal 1,6 miljard bedraagt. In de begintijd was het nodig om mensen te informeren over hoe je het doet. Nu is dat steeds minder noodzakelijker. Daarbij komt dat de dekking uit het budget komt dat op mijn begroting voor ruimtelijke ordening staat. Daar worden nu juist andere zaken mee betaald, zoals de gebiedsprocessen in de NOVEX-gebieden en de Basisregistratie Ondergrond. Als ik het in mijn verantwoordelijkheid voor die begroting moet wegen, wil ik het geld niet kwijt. Bovendien vraag ik mij echt af of de verduurzaming niet meer verloopt als je dit niet doet. Daarom ontraad ik dit amendement.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat laatste is natuurlijk de appreciatie van de minister. Over het eerste deel en de dekking: ik snap wat de minister zegt, maar dit was het enige nog vrij besteedbare budget in de hele begroting van de minister. Dat wil niet zeggen dat er geen plannen voor waren; dat klopt. Het gaat om het volgende. Neem het fantastische initiatief Buurkracht. Ik weet niet of de minister daar weleens mee op pad is geweest. Ik ben bij verschillende projecten daarvan geweest, in Leusden en in Molenwijk in Amsterdam-Noord. Als Buurkracht er niet was geweest, waren de bewoners daar niet met elkaar in staat geweest aan de slag te gaan met energiebesparende maatregelen, verduurzaming en verbetering van hun wijk.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Er wordt dus al flink op bezuinigd. Ook met mijn amendement wordt er nog steeds flink bezuinigd op die subsidies: het was 10 miljoen en het gaat naar 2,5 miljoen; met dit amendement maak ik daar 5 miljoen van. Als we dit dus weghalen, gaan we heel veel maatregelen missen.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De minister weet ook dat deze mensen in Amsterdam-Noord echt niet bij de gemeentelijke overheid gaan aanbellen met de vraag: kunt u mij helpen? Als een bewonerscollectief of een coöperatieve vereniging dat aanpakt, is dat iets heel anders dan wanneer de overheid zegt: wij komen u helpen en redden.
Minister Keijzer:
Ja, maar er gaat ontzettend veel geld naar dit soort praatgroepen; het is een beetje oneerbiedig om te zeggen, maar ik heb even geen ander woord. Daarnaast is dit een gemeentelijke taak. Er zit 1,6 miljard euro in het Nationaal Isolatieprogramma. We beginnen vaak aan dit soort projecten en op een of andere manier kunnen we er nooit meer mee stoppen. Daarbij gaat dit ten koste van zaken die deze Kamer ook belangrijk vindt. Dat is waarom ik deze motie ontraad.
De voorzitter:
"Het amendement ontraad."
Minister Keijzer:
Amendement. Dank u wel, voorzitter.
Tot slot.
De voorzitter:
Een cri de coeur.
Minister Keijzer:
Nee hoor, geen cri de coeur, absoluut niet. Ik ben een blij, opgeruimd mens. Maar het is waarschijnlijk wel mijn laatste behandeling als minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in dit kabinet.
Ik heb het echt een voorrecht gevonden om hiervoor verantwoordelijk te mogen zijn. Een dak boven je hoofd is toch probleem nummer één; het is fundamenteel. Altijd als ik in debatten zei dat iedereen wel iemand kent die wanhopig op zoek is naar een huis, dan had ik mensen in mijn eigen familie en omgeving op het netvlies staan, zoals wij allemaal. Mijn eerste bestuurlijke klus was die van wethouder Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting in de gemeente Waterland, een prachtige gemeente, net boven Amsterdam. Ik vond het dus ook heel erg mooi hoe dat uiteindelijk weer bij elkaar kwam.
Het is echt een voorrecht geweest, ook trouwens in het contact met uw Kamer. Ja, er waren debatten en er waren verschillen van mening, maar dat is nou net het leuke aan politiek: dat je met elkaar van mening verschilt, maar dat je dan toch met elkaar, wat ons hier gelukt is, elke keer weer die stappen zet. Je laat aan Nederland zien dat politiek af en toe lelijk is, maar dat politiek er ook toe in staat is om elkaar te vinden en om met elkaar stappen te zetten om de problemen van de burgers op te lossen; daar zijn wij als Tweede Kamer en als politieke bestuurders eigenlijk toe op aarde. Het is dus echt een voorrecht geweest.
Ik heb gisteravond nog de nota van de heer Grinwis zitten lezen. Helemaal op de laatste pagina schrijft hij ten slotte het volgende, waarbij hij Erasmus citeert. "Erasmus scheef eens: wat is de stad anders dan een groot klooster?" Nou ben ik van katholieken huize, dus ik weet dat in kloosters ook nog weleens de gelofte van armoede afgelegd wordt. Dat ga ik niet doen! Ik ben er namelijk van overtuigd dat de mens wil reiken naar het hogere, naar het betere, en dat het dus in mensen ingebakken zit om hard te werken om vooruit te komen. Bij een klooster komt ook de gedachte op dat mensen er in gezamenlijkheid er iets moois van proberen te maken, de wereld een mooiere plek proberen te maken. Dat spreekt mij buitengewoon aan.
Voorzitter. Nogmaals, het is mij echt een voorrecht geweest om dat samen met u, samen met alle ambtenaren op het ministerie van VRO en samen met al die bestuurders op lokaal en provinciaal niveau en in de waterschappen te hebben mogen doen. Laten we niet vergeten alle mensen die bij corporaties werken en zeker ook de marktpartijen. Want zonder hen gaan we die 100.000 woningen per jaar niet bouwen. Dank u wel. Ik blijf als het mij gegeven is — Deo volente zoals dat heet — nog een tijdje in uw midden, voorlopig nog even als minister, maar op een gegeven moment in een van die blauwe stoelen daar.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van de begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Ik dank de minister en haar organisatie voor het verdedigen van deze begroting.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering tot 15.00 uur.
De vergadering wordt van 14.18 uur tot 15.02 uur geschorst.
Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026
Voorzitter: Paulusma
Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2026 (36800-XVII).
(Zie vergadering van 14 januari 2026.)
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp op vragen, gesteld in eerste termijn.
Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.
(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De voorzitter:
Ik heet alle leden van de Kamer trouwens van harte welkom, en ook de bewindspersoon in vak K. Wij zijn toegekomen aan de eerste termijn van onze bewindspersoon. Ik wil voorstellen dat wij wat strakker op de interrupties gaan zitten. Ik sta met heel veel plezier de trapjes van drie toe. Gebruik dus ook drie interrupties, maar dat hoeft natuurlijk niet per se. Het aantal ga ik wel limiteren tot drie in deze eerste termijn, dus kies uw interrupties zorgvuldig. U kunt zelf hoofdrekenen. Dan weet u hoeveel interrupties u kunt plegen in deze eerste termijn van de staatssecretaris.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik ga de staatssecretaris nu van harte en met veel plezier het woord geven. Gaat uw gang.
Staatssecretaris De Vries:
Dank u wel, voorzitter. Het is altijd een hele onderhandeling, geloof ik, over dit soort onderwerpen. Het is een plezier om hier vandaag te staan. Dank voor de inbreng van alle leden gisteren. Natuurlijk mijn complimenten aan mevrouw Van Ark van het CDA voor haar mooie maidenspeech. Goed dat haar familie daar nog bij kon zijn. Het was een beetje schuiven in de volgorde, maar dat wordt altijd geaccommodeerd en dat is mooi.
Ik heb een deel van de vragen schriftelijk afgehandeld. Dat deel heb ik u vanmorgen toegestuurd. Het kan natuurlijk altijd dat daar nog vragen over zijn. Dat hoor ik dan graag. Ik ga zo kort een eerste aftrap doen. Dan kom ik bij de verschillende blokjes voor de beantwoording van de vragen die ik mondeling ga afdoen.
Voorzitter. Uw Kamer heeft gisteren al uitgebreid gesproken over het punt dat er op handelsgebied nogal wat aan de hand is in de wereld. Natuurlijk zijn er ook positieve zaken te vertellen. Nederland blijft een exportkampioen. Wereldwijd zijn wij de vierde grootste speler in goederenexport. Meer dan 30% van onze werkgelegenheid hebben wij te danken aan buitenlandse handel. Er zijn ook kansen te over. Nederlandse oplossingen zijn wereldwijd gewild. Denk aan watermanagement en voedselproductie, maar ook aan sleuteltechnologieën zoals halfgeleiders. We kunnen ook trots zijn op onze ondernemers.
De Nederlandse economie is robuust, maar niet immuun voor wat er om ons heen gebeurt. De wereld verandert. Het draait steeds meer om macht, competitie en invloed. Daar heeft een aantal van u gisteren ook al over gesproken. We hebben te maken met ongewenste onafhankelijkheden. Toeleveringsketens staan onder druk. Spanningen en conflicten zorgen voor voortdurende onzekerheid.
Voorzitter. Dan zitten we onze bedrijven ook nog eens in de weg met een bijna ondoordringbare laag van regelgeving. Veel van die regels zijn er natuurlijk niet voor niets. Dat snap ik. Maar ook onze bedrijven lopen vaak vast in een moeras van regels. Het is te veel, te zwaar en te complex, het verstikt onze economische groei en het is slecht voor ons concurrentievermogen in Europa.
De heer Hoogeveen van JA21 zei het gisteren heel terecht: het is cruciaal dat we inzetten op nieuwe handelsrelaties. Diversificatie maakt ons minder afhankelijk en is goed voor ons bedrijfsleven. Daarom zetten we in EU-verband in op nieuwe handelsakkoorden, zoals Mercosur. Ik kom daar later nog op terug. Nederland zoekt ook zelf nieuwe partners. Inmiddels werken we met veel landen direct samen wat betreft grondstoffen en halfgeleiders, zoals met India, Japan en Zuid-Korea.
Ik noemde diversificatie al. Dat is een belangrijk onderwerp, maar minder regels ook. Het kabinet heeft aangekondigd dat het voor de zomer van volgend jaar 500 regels wil schrappen of sterk wil vereenvoudigen. Daarvoor zijn inmiddels al stappen gezet. Het kabinet wil geen nationale koppen op Europese wetgeving. In Brussel maken we ons hard voor voorstellen die regels versimpelen en waar nodig schrappen.
Voorzitter. Ik sprak net over de economische weerbaarheid en veiligheid. Die begrippen zijn ook leidend in een ander deel van mijn portefeuille: de ontwikkelingshulp. Instabiliteit en conflicten elders raken ons hier namelijk ook, bijvoorbeeld doordat de handel wordt verstoord, zoals in de Rode Zee, of doordat er meer migranten naar ons land komen. Daarom is het cruciaal dat Nederland stabiliteit bevordert en investeert in relaties met bestaande en nieuwe partners.
De heer Stoffer zei het gisteren al: handel draait om halen en brengen. Daarom passen handel en ontwikkelingssamenwerking ook zo goed bij elkaar. Daarbij richten we ons op drie wederzijdse belangen, namelijk handel, veiligheid en migratie, en op de drie thema's waar Nederland goed in is: watermanagement, voedselzekerheid en gezondheidszorg. Ontwikkelingshulp vergroot onze invloed en geeft ons een plek aan tafel in heel veel landen.
Bij migratie wil ik iets langer stilstaan. De heer Markuszower is er niet, maar hij heeft daar gisteren een bepaald betoog over gehouden, net als de heer Hoogeveen van JA21. Ik wil daar dus ietsje langer bij stilstaan. Dit kabinet vaart een duidelijke koers: de instroom van migranten naar Nederland moet zo snel mogelijk omlaag. Tegelijk werken we aan de terugkeer van mensen. Daarvoor was ik onlangs nog in Syrië. We kijken ook breder. We zetten in op opvang van vluchtelingen in de regio en sluiten brede migratiepartnerschappen met landen in de Sahel, de Hoorn van Afrika, het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Eind vorig jaar was ik bijvoorbeeld in Ethiopië, een land op het kruispunt van drie belangrijke migratieroutes. Met Ethiopië werkt Nederland succesvol samen aan de opvang van vluchtelingen in de regio, terugkeer en het tegengaan van illegale migratie. Daarom ondersteunen we Ethiopië bijvoorbeeld ook bij het openen van nieuwe grenscontrolepunten. Zo werken we aan oplossingen die zowel Nederland als onze partnerlanden verder helpen.
Dan wil ik nu de vragen van uw Kamer beantwoorden via de volgende blokjes. Ik zie de heer Markuszower de zaal inlopen. Jammer genoeg heeft hij net het stukje over migratie gemist. Jammer! Allereerst ga ik naar handel, dan naar de bni-koppeling en de bezuinigingen, dan Afrika, vervolgens de wederopbouw — dat gaat over Gaza en Oekraïne — dan maatschappelijke organisaties, vervolgens groepen als vrouwen, meisjes, kwetsbaren en christenen, en tot slot een blokje overig.
Ik moet wel zeggen dat mij gister tijdens de behandeling een beetje een raar gevoel bekroop, want het is natuurlijk best apart om als demissionair kabinet een begroting te moeten verdedigen. Het is ook al niet gebruikelijk dat dit in januari is. Het hoort natuurlijk ook wel bij een demissionair kabinet dat de mogelijkheden enigszins worden beperkt, zeker ook gelet op het feit dat er nu druk onderhandeld wordt over een nieuwe coalitie. Het voelde gister dus soms wat bevreemdend, maar goed. Het zijn belangrijke onderwerpen, dus het is goed dat we hierover spreken.
Allereerst Mercosur. Daar zijn, behalve door mevrouw Van der Plas, niet heel veel vragen over gesteld. Er is wel veel over gesproken, dus ik wilde er wel even kort bij stilstaan. Ik heb net in mijn inleiding al aangegeven dat het belangrijk is dat we aan diversificatie van markten doen. Wij denken dat Mercosur daar een belangrijke rol in kan spelen. We denken dat het kansen biedt voor het bedrijfsleven, maar dat is nooit allemaal overal voor iedereen altijd positief. Ik denk dat we in die zin ook breder zouden moeten kijken naar de handelsverdragen. In het ene handelsverdrag zal de ene sector iets beter uitkomen dan de andere sector, maar als je het totaal bekijkt, zie je toch eigenlijk altijd vaak wel een goed en positief resultaat. Voor Mercosur geldt de verwachting dat bijvoorbeeld machines, farmaceutische producten en zuivelproducten zoals kaas en melkpoeder toenemen. Er zijn ook een aantal partijen die er last van kunnen hebben. Daar zijn natuurlijk wel aanvullende maatregelen voor genomen, bijvoorbeeld als het gaat om de landbouw en dan vooral de vleessector. Ik denk dat het belangrijk is dat we die goed gaan monitoren en dat we kijken wanneer er wel en niet ingegrepen zou moeten worden. Ik denk wel dat dat er goeie aanknopingspunten zitten in de hoeveelheid invoerquota die zijn afgesproken, maar ook in de vrijwaringsmaatregelen.
Mevrouw Van der Plas heeft nog specifiek gevraagd: welke ruimte ziet het kabinet om vóór het ondertekenen van het Mercosur-verdrag in Paraguay geld los te krijgen voor de boeren? Daar heeft de heer Hoogeveen van JA21 ook al goed op geantwoord: het geld dat beschikbaar is gesteld of beschikbaar gesteld gaat worden door de Europese Commissie is natuurlijk voor alle landen en niet specifiek voor één land. Daar kunnen de Nederlandse boeren dus ook gebruik van maken. Het is de bedoeling dat het verdrag op 17 januari ondertekend gaat worden door Ursula von der Leyen in Paraguay. Ik vind het wel een beetje ingewikkeld dat er nu gevraagd wordt: wat kun je er nu nog voor terugkrijgen? Ik denk dat de Kamer in het verleden in meerderheid heel helder is geweest dat er eigenlijk niet onderhandeld kon worden. Op het moment dat je zegt "ik wil dit ervoor terug hebben", zal de Europese Commissie zeggen: wij willen best wel met u onderhandelen, maar dan moet u uiteindelijk wel voor het Mercosur-verdrag stemmen. Daar waren de sfeer dan wel de meerderheden in de Kamer niet helemaal naar. Na de verkiezingen is dat veranderd. Daar waren sommigen blij mee en sommigen minder blij, maar dat is wel zoals het is.
De voorzitter:
Bent u klaar met dit blokje?
Staatssecretaris De Vries:
Met Mercosur, ja.
De voorzitter:
Meneer Markuszower, u was er net niet, maar ik heb een limiet gesteld aan het aantal interrupties. Voor u hou ik het op drie. Nee, dat is niet waar! Het zijn drie blokjes met drie interrupties, dus gebruik ze spaarzaam! Gaat uw gang.
De heer Markuszower (PVV):
En het algemene blokje?
De voorzitter:
Nee, we gaan niet onderhandelen. Het is drie keer drie. U hoeft ze niet allemaal te gebruiken. Gaat uw gang.
De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel. Ik vond u gisteren streng doch rechtvaardig. Ik hoop dat u die lijn vasthoudt in dit debat.
Nog even over Mercosur. Ik dank de minister voor haar reflectie op wat er allemaal is gebeurd. Ik heb nog niet van de minister gehoord wat zij vindt van de argumenten dat de voedselveiligheid in het gedrang zou zijn en dat de boeren in Nederland misschien wel weggedrukt worden vanwege goedkoper vlees uit het buitenland, wat natuurlijk een drukkend effect geeft op de prijzen hier, voor de lokale boeren. Hoe ziet de minister dat? Ik heb het dus over voedselveiligheid, de volksgezondheid en de boeren. Drukken we onze boeren niet weg uit ons eigen land? Ik hoor graag de reflectie van de minister daarop.
De voorzitter:
De staatssecretaris.
Staatssecretaris De Vries:
Ja, ik heb volgens mij promotie gemaakt bij de heer Markuszower.
De voorzitter:
Het gaat snel in dit huis.
Staatssecretaris De Vries:
Er is heel veel onderzoek gedaan naar de consequenties voor de boeren. Volgens die onderzoeken profiteert de zuivel ervan. De vleessector ondervindt wat negatieve gevolgen; dat was wel duidelijk. Daarna zijn er natuurlijk nog wel een aantal nieuwe maatregelen afgesproken, bijvoorbeeld rondom de vrijwaring. Dat wil zeggen dat je als je op een bepaald moment te snel ziet toenemen wat er in een sector gebeurt, je opnieuw het gesprek aangaat met elkaar. Het percentage waarvoor dat gaat gelden, is naar beneden bijgesteld.
Dan over de voedselveiligheid. Gisteren is ook al nadrukkelijk aangegeven dat de eisen rondom productstandaarden en voedselveiligheid gewoon nog steeds gelden op het moment dat het hier binnenkomt. Het is overigens niet zo dat er nu geen producten vanuit die regio naar Europa komen; die gaan ook gewoon de markt op. Maar er is ook door de Europese Commissie toegezegd dat ze het aantal SPS-controles zal verdubbelen en dat die vooral hierop ingezet worden. Dat zal risicogericht gebeuren, dus er zal vooral gekeken worden waar de grootste risico's zijn. Dat is volgens mij ook belangrijk. Bovendien kan er, als er ontwikkelingen zijn, ook gekeken worden wat er precies gebeurt en of er opnieuw in gesprek gegaan moet worden. Daar zijn die vrijwaringsmaatregelen voor.
De heer Markuszower (PVV):
VVD-woordvoerder Van der Burg goochelde gisteren in het debat met allemaal miljoenen die het Nederland zou opleveren: 10 miljoen daar, 100 miljoen daar, 80 miljoen daar. Ik weet het niet precies uit mijn hoofd. Hij baseerde zich, als ik goed heb geluisterd, op een rapport van de universiteit van Wageningen. Ik hoor de minister net toegeven dat het Mercosur-verdrag in ieder geval voor de vleesindustrie in Nederland, dus voor de boeren die zich daarmee bezighouden, negatief uitpakt. Zijn daar ook cijfers van? Hoeveel schade lijdt de Nederlandse economie in die sector door dat verdrag van Mercosur?
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb niet zo de exacte percentages, maar in datzelfde onderzoek is ook gekeken naar die sectoren. Die zou ik dus even moeten opzoeken, maar die staan in dat onderzoek. Gisteren had u ook een discussie van "het zijn maar ramingen van al die voordelen", maar dat geldt natuurlijk aan de andere kant ook. Dat zijn ook schattingen, die ook anders kunnen uitvallen. Maar de hele afweging is toch het totaalpakket van Mercosur. Er zijn sectoren die er baat bij hebben. Voor de sectoren waar het minder gunstig voor is, is vooral gekeken naar hoe we die risico's kunnen mitigeren zodat we ook tussentijds nog met elkaar en met de landen het gesprek aan kunnen gaan. Zo kunnen we ook die controles ophogen. Daar is ook overeenstemming over bereikt, net als over een bedrag, dat gisteren ook al genoemd is, vanuit de Europese Commissie, mochten er hele gekke dingen gebeuren.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank voor de toelichting ten aanzien van het Mercosur-akkoord. Wij van JA21 zijn blij dat het erdoorheen is in de Raad. Het is echter wel aangenomen met een vrij dunne marge van gekwalificeerde meerderheid. Het heeft 25 jaar geduurd. Wij als JA21, samen met de VVD en het CDA, hebben een motie ingediend om te zorgen dat Nederland die kopgroep gaat worden als het gaat over nieuwe handelsverdragen. Dat kwam terug in de brief van de Raad. Maar wordt er ook al gesproken over bijvoorbeeld Indonesië en India? En wat is de sfeer binnen de Europese Raad ten aanzien van het aangaan van nieuwe handelsakkoorden? Is daar enig perspectief op te bieden?
Staatssecretaris De Vries:
We komen zo nog op het blokje "andere handelsverdragen", maar die kan ik nu wel direct meenemen.
Ik denk dat het kabinet het belangrijk vindt dat we nieuwe handelsverdragen afsluiten, maar ook dat we de Europese Commissie daarvoor inzetten. Ik zie daar ook wel breed draagvlak voor in andere landen. Zodra het concreter wordt, wordt het soms natuurlijk ook ingewikkelder qua discussies. Maar ik denk dat er zeker een positieve houding is, gelet op alles wat er gebeurt en de behoefte aan diversificatie van markten. We willen graag afspraken maken over de kritieke grondstoffen, op een verantwoorde manier, waarbij ook de landen waar die gewonnen worden er profijt van kunnen hebben door daar waarde toe te voegen. We rapporteren regelmatig over de voortgang van de verschillende handelsverdragen. Met India wordt onderhandeld. Met Indonesië worden stappen gezet. Dat geldt voor nog een heleboel andere landen. Met Mexico wordt op korte termijn een overeenkomst ondertekend. Ik denk dat het belangrijk is voor Europa om de concurrentiepositie en economische macht te gebruiken en goede afspraken met andere landen te maken.
Daarmee heb ik wat mij betreft direct de vragen van de heer Bamenga van D66 en de heer Van der Burg van de VVD afgehandeld over de aanvullende handelsverdragen en hoe daartegen wordt aangekeken. Maar ik zie een schijnbeweging.
De heer Bamenga (D66):
Die schijnbeweging komt eigenlijk voort uit het mooie verhaal dat de staatssecretaris heeft gehouden over de positieve grondhouding om te kijken naar eventuele nieuwe handelsverdragen. Mijn vraag is wat de staatssecretaris zelf concreet gaat doen om dat op redelijk korte termijn te realiseren.
Staatssecretaris De Vries:
Wij hebben natuurlijk een keer in de zoveel tijd de Raad Buitenlandse Zaken Handel. Daar worden ook regelmatig de ontwikkelingen rondom de handelsverdragen besproken. Het is altijd mijn insteek om te stimuleren dat we daar tempo mee maken. We hebben eigenlijk niet de luxe dat we gaan vertragen. De discussies zijn soms moeilijk — daar moet je ook eerlijk in zijn — omdat de belangen in de verschillende landen heel verschillend zijn en er soms ook heel verschillend gedacht wordt over zaken die ook buiten de handel geregeld worden in handelsverdragen. Maar zolang ik hier zit zal ik daarvoor blijven pleiten in de Raad Buitenlandse Zaken Handel en ook in de gesprekken met bijvoorbeeld Eurocommissaris Sefcovic. Ik heb het idee dat hij niet heel veel aanmoediging nodig heeft, maar waar dat nodig en nuttig is zal ik dat zeker doen, ook om de zaken die hier in het parlement worden aangegeven daar te benadrukken.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel voor de reactie. Gisteren zijn er natuurlijk ook heel veel zorgen geuit. Ik heb in mijn bijdrage aangegeven hoe belangrijk het is dat wij ook oog hebben voor de andere kant van handel. Dan hebben we het bijvoorbeeld over mensenrechten, dierenleed en de zorg voor onze natuur. Hoe wil de staatssecretaris dat soort zorgen gaan borgen in de nieuwe handelsakkoorden die gesloten gaan worden?
Staatssecretaris De Vries:
Je ziet dat vanuit de Europese Commissie en dus ook vanuit Nederland, zodra er wordt gesproken over een mandaat voor de onderhandelingen … Zoals u ook weet, ligt het mandaat voor die onderhandelingen bij de Europese Commissie. Maar die mandaatverlening komt hier wel langs in het parlement en natuurlijk ook langs het kabinet. Het is belangrijk dat we zaken rondom mensenrechten, klimaat en dergelijke proberen te regelen in de verschillende verdragen. Dat is een heel belangrijk element binnen die handelsverdragen en dat zal het ook blijven. Dat is ook de insteek van de Europese Commissie. Er zullen altijd verschillende uitkomsten zijn bij verschillende landen, maar ik denk dat het een heel belangrijk element is voor heel de Europese Unie om daar echt afspraken over te maken, ook over: hoe ga je ermee om als dat met voeten getreden wordt? Een belangrijk element dat we nu ook hebben teruggezien bij Mercosur, zijn die gelijke productiestandaarden. Daar is de Commissie ook mee bezig: wat moet je daar nu mee doen? De Commissie heeft in een visie op de agrarische sector aangegeven daar ook stappen in te willen zetten.
De voorzitter:
Even voor de structuur van de blokjes. Was de staatssecretaris bezig met het blokje handel?
Staatssecretaris De Vries:
Ja, nog steeds.
De voorzitter:
Zullen we dan met elkaar afspreken dat ik eerst de staatssecretaris het blokje laat afronden en dat we dan vragen stellen? Dan weten we ook zeker dat de staatssecretaris toegekomen is aan alle antwoorden. Dus als u aangeeft …
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb nog drie vragen in dit blokje. De heer Hoogeveen van JA21 vroeg nog naar invoerheffingen: hoe werkt het nou eigenlijk als het een bewerkt of een onbewerkt product is? Het ging om het verschil in heffingen. Ik denk dat de heer Hoogeveen een belangrijk punt aankaart. We moeten kijken wat het betekent voor de landen, bijvoorbeeld ontwikkelingslanden, als je handelsverdragen afsluit, en ook hoe je omgaat met de importtarieven, de invoerheffingen. Ik denk dat het heel goed is dat je daar een goede balans in aanbrengt. U vroeg of dat in Brussel weleens op tafel komt. Ja, daar wordt zeker in Brussel wel over gesproken. Ik denk dat die goede balans er moet zijn. Ontwikkelingslanden moeten hun kansen pakken en ook kunnen pakken wat ons betreft. Ik zei zonet ook al wat eigenlijk geldt voor de kritieke grondstoffen. Je wilt dat er waarde toegevoegd wordt in de ontwikkelingslanden waar de mijnbouw plaatsvindt. Ik vind het belangrijk dat we kijken hoe we de economische ontwikkeling daar kunnen stimuleren, zodat het niet alleen maar bijvoorbeeld basisproducten zijn, maar er ook verdere economische ontwikkeling plaatsvindt in de ontwikkelingslanden. Dat doen we natuurlijk ook met de ontwikkelingshulpkant.
Dan China. Mevrouw Van der Plas vroeg welke concrete diplomatieke en handelsmatige stappen Nederland zet richting China om de schade voor sectoren als varkensvlees en zuivel te beperken. Dat duidt op de heffing die is opgelegd aan de zuivelindustrie in Nederland door China, maar ook op ontwikkelingen op het gebied van varkensvlees. Ik deel die zorgen. Ik heb vorige week nog gesproken met FrieslandCampina en de Nederlandse zuivelorganisaties. We maken ons er zorgen over en zijn het nu aan het bekijken. Er is al inbreng geleverd bij de onderzoeken die erover plaatsvinden. We zullen bij de Commissie er actief en vocaal op inzetten om deze dossiers hoger op de agenda te krijgen en te bekijken of we er oplossingen voor kunnen vinden.
Dat was het blokje handel.
De voorzitter:
Ik kijk de Kamer rond en zie de heer Van Baarle aan komen lopen voor een vraag. Gaat uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
Over handel. De staatssecretaris had het ook over handel in relatie tot mensenrechten. Is dit misschien het juiste moment om het handelsverdrag met de VAE te bespreken met de staatssecretaris? Of past het beter in een ander blokje?
Staatssecretaris De Vries:
Als het gaat vanuit het handelsverdrag, dan kan dat prima. Je kan 'm ook bij Sudan oppakken. We hebben het er natuurlijk al wel uitgebreid overleg over gehad vlak voor het kerstreces. Maar goed, ik begrijp dat er nog behoefte is aan aanvullende vragen. Die mogen wat mij betreft ook bij dit blokje.
De heer Van Baarle (DENK):
Prima. Ik dacht: ik kies een logisch moment. Het voelde voor mij logisch aan en als de staatssecretaris dat ook vindt, zijn we het in ieder geval op dat punt eens.
De voorzitter:
En als de voorzitter dat ook nog vindt, kunt u van start, meneer Van Baarle!
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u wel. We gaan vliegend beginnen aan de interruptie! Maar het is wel een serieuze zaak. De Europese Commissie onderhandelt op dit moment met de VAE over een handelsverdrag, terwijl we weten dat de VAE een rol hebben in het aanwakkeren van de oorlog in Sudan door het ondersteunen van de RSF. Ik zou de staatssecretaris nogmaals willen vragen waarom zij, Nederland en Europa niet een veel actievere rol innemen om de besprekingen over dat handelsverdrag te gebruiken om die rol van de VAE te stoppen.
Staatssecretaris De Vries:
Dat impliceert dat er niet over gesproken wordt. De vorige keer in het debat hebben we heel uitgebreid gesproken over wat je nou moet doen. Een aantal partijen zei: stop die hele onderhandelingen maar. Nou, dan weet ik één ding, namelijk dat de telefoon niet meer wordt opgenomen. Dan staat men ook niet echt open voor een gesprek, denk ik. Het is dus belangrijk wat je daaraan doet. Wij zien natuurlijk de problemen daar. Laat dat helder zijn. Het is in het debat voor de kerst volgens mij ook uitgebreid aan de orde gekomen. In de bilaterale relaties en gesprekken daarover wordt daar ook over gesproken. Ik heb zelf ook aangegeven dat ik tijdens mijn bezoek daar ook over gesproken heb. Is dat dan altijd direct al iets wat tot resultaat leidt? Nee, je moet een langjarige relatie met landen hebben om te kijken hoe ze dat doen. De VAE, maar ook andere landen in de regio, zoals Qatar, hebben ook wel een andere rol als het bijvoorbeeld gaat om de Quad in Sudan. Ik denk dat het belangrijk is om met z'n allen te bekijken of daar oplossingen voor gevonden kunnen worden.
De heer Van Baarle (DENK):
Het wordt zo weinig concreet. De staatssecretaris zei net wat te vinden van wat daar in die rol allemaal gebeurt. We hebben het over beschuldigingen van genocide, etnische zuivering en verschrikkelijke misdaden tegen de weerloze bevolking gepleegd door de RSF in Sudan. Dat wordt ondersteund door die wapenleveringen en netwerken. Een van de eisen in dat verdrag is respect voor mensenrechten. Waarom is de staatssecretaris nou niet bereid om de Europese Commissie te verzoeken dat haakje — het gaat om dat haakje respect voor mensenrechten; ze was niet bereid om mijn motie daarover oordeel Kamer te geven — in ieder geval te gebruiken? Op het moment dat je een handelsverdrag gaat sluiten met als eis mensenrechten en je laat dit volledig onbesproken en je uit dit niet, wat is de positie van de EU ten aanzien van mensenrechten dan nog waard?
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb die motie destijds niet oordeel Kamer willen geven, omdat er medio vorig jaar juist een onderhandelingsmandaat is afgegeven. Ik weet niet of het hier uitgebreid aan de orde is geweest, maar het is in elk geval naar de Kamer gegaan, met een appreciatie van het kabinet natuurlijk. Daar staan ook al elementen in zoals dit soort zaken rondom mensenrechten. Om dan een halfjaar na dato nog weer terug te komen, zo van: we vinden dit wel heel belangrijk … In het mandaat stond al dat we het heel belangrijk vonden dat daar afspraken over gemaakt werden. Ik zie dus niet in waarom ik dan nog een keertje daar langs zou moeten gaan. We krijgen die discussies nog regelmatig op het moment dat die onderhandelingen verder zijn. Dan zullen we uiteindelijk het resultaat aan de hand van het mandaat gaan beoordelen.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
De heer Van Baarle (DENK):
Tot slot. De staatssecretaris kan nu het stuur pakken. Dit past binnen het onderhandelingsmandaat. Binnen het onderhandelingsmandaat kan Europa dit te berde brengen bij de VAE. Het kan dit verdrag zien als een manier om druk uit te oefenen of het bespreekbaar te maken. Als je dit pas bespreekt bij het eindresultaat, zit je niet meer aan het stuur. Deze staatssecretaris kan dus nu haar rol pakken in Europees verband. Ze kan doen wat ze kan doen om ervoor te zorgen dat die mensenrechtenschendingen stoppen of in ieder geval druk uit te oefenen. Ik ga die motie opnieuw indienen. Nogmaals, mijn oproep is: kan de staatssecretaris die motie oordeel Kamer geven om die rol dan, hopelijk met steun van de Kamer, op te pakken?
Staatssecretaris De Vries:
Ik weet niet of het zin heeft om moties waar al eerder over gestemd is opnieuw in te dienen. Dat kan allemaal natuurlijk, maar in het richtsnoer is opgenomen — dat heb ik al eerder aangegeven — dat de inzet van de EU is dat het internationaal recht en de naleving daarvan onderdeel worden van het toekomstige handelsakkoord. Wij hebben heel veel jaren geleden — volgens mij was dat al in de jaren vijftig — gezegd dat handelsverdragen door de Europese Commissie worden afgesloten. Dan ga je niet daarnaast nog eens een keer op allerlei stoelen zitten om daar heel veel … Dit is al de inzet. Uiteindelijk kunnen we dan beoordelen of we het eindresultaat dat eruit komt voldoende vinden of niet. Maar om dan de hele tijd nog maar weer eens te zeggen wat al afgesproken is, want: mandaat ... Ze zien me al aankomen bij de Europese Commissie, denk ik. Volgens mij heb ik dat de vorige keer ook aangegeven.
De heer Stoffer (SGP):
De meeste vragen rond handel zijn schriftelijk afgerond en ook wel op een goede manier. Naar aanleiding van zo'n debat van gisteren, krijg je dan ook weer dingen in je hoofd waarvan je denkt: hé, daar liggen kansen. We hebben best veel gesproken over de vraag of er kansen liggen om landen te helpen om hun eigen economie verder op poten te zetten enzovoort. Dat was gekoppeld aan hetgeen de staatssecretaris zojuist herhaalde, namelijk dat als we nu wat doen rond die handel, dat halen en brengen is. Ik zat nog eens even te zoeken in allerlei stukken hieromheen. Toen zag ik dat Nederlandse mkb-ondernemers eigenlijk heel tevreden zijn over ambassadeposten die een koppeling hebben met bedrijfsondersteuningspunten. Die heb je op een heel aantal plekken. De enige plek waar we die niet hebben, is Afrika. Daar liggen eigenlijk best kansen. Daar zijn een aantal groeimarkten. Mijn vraag is eigenlijk of de staatssecretaris kansen ziet om … Zou zij willen onderzoeken of er mogelijkheden zijn om in bepaalde Afrikaanse landen bedrijfsondersteuningspunten te koppelen aan onze ambassades om zo ons eigen mkb kansen te geven in bepaalde groeimarkten daar? Ik weet niet of dat exact zo kan, maar daar liggen volgens mij kansen en opties. Voorzitter, u wilt natuurlijk dat ik mijn vraag snel stel, maar ik ga niet aan die negen interrupties komen; dat beloof ik u alvast. Zou de staatssecretaris willen verkennen of er geen mogelijkheden zijn voor bedrijfsondersteuningspunten om ons eigen mkb ook kansen op die Afrikaanse markt te geven?
Staatssecretaris De Vries:
Ik moet eerlijk zeggen dat het postennetwerk natuurlijk van mijn collega van Buitenlandse Zaken is. Ik weet wel dat er heel veel aan economische ontwikkeling gedaan wordt. Ik ben recent in Ethiopië geweest. Daar ben ik op bezoek geweest bij Cool Port bijvoorbeeld, waar met geld van Invest International wordt gekeken hoe we ervoor kunnen zorgen dat de producten ook op een goede manier geëxporteerd kunnen worden vanuit Ethiopië. Ik vind het ingewikkeld om nu te zeggen: dan ga ik een inventarisatie of iets dergelijks maken. Als uiteindelijk meer mensen daaraan moeten werken, dan is het ook wel een kwestie van geld. Daar ben ik ook wel duidelijk in, want uiteindelijk kosten extra mensen op die posten ook geld. Mijn beeld is — misschien kunt u dat bij de behandeling van de begroting Buitenlandse Zaken verder navragen — dat er op de posten ook echt wel heel veel aandacht is voor economische ontwikkeling. Ik ben dus een beetje zoekende wat we dan nog extra zouden moeten doen.
De heer Stoffer (SGP):
Eigenlijk heb ik diezelfde zoektocht. Toevallig doe ik ook de begroting Buitenlandse Zaken. Daar zal ik dit punt zeker aanstippen. Dat kwam ook naar boven in de voorbereiding daarop. Ik begrijp in ieder geval dat deze staatssecretaris er niet voor gaat liggen als er kansen liggen, want het gaat mij ook echt om de zoektocht naar kansen voor ons eigen mkb. Daar moeten we denk ik altijd voor openstaan. Als de staatssecretaris zegt dat het beter is om het nog eens aan te kaarten bij BZ — dat was ik sowieso al van plan — dan ga ik het daar ook nog eens aankaarten. Dan weet de minister alvast dat het eraan komt.
Staatssecretaris De Vries:
We zien natuurlijk dat op sommige ambassades bijvoorbeeld landbouwattachés zitten. U kent mij volgens mij ook als iemand met een warm hart voor het mkb. Dus als ik kansen zie, dan zult u begrijpen dat we die proberen te grijpen. Mijn indruk is dat de posten dat al heel goed oppakken, ook omdat we bijvoorbeeld ontwikkelingshulp en handel gecombineerd hebben. Maar het lijkt me goed om die discussie dan ook nog eens met de minister van Buitenlandse Zaken op te nemen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Vlak voor het reces hadden wij hier inderdaad een debat over Sudan. Dat debat had ik aangevraagd naar aanleiding van de hongersnood in de stad Al-Fashir en het feit dat daar duizenden kinderen dreigden te sterven. Ten tijde van dat debat, vlak voor het reces, was Al-Fashir binnengevallen en waren heel veel van die kinderen gedood door de RSF, onder meer door wapens uit ongetwijfeld de Emiraten. We weten immers dat die de RSF ondersteunen met wapens. Wij vragen dit kabinet om druk uit te oefenen op de Emiraten, omdat wij weten dat die de wapens leveren. Maatschappelijke en humanitaire organisaties zeiden toen al: "Er komen nog meer Al-Fashirs in Sudan. Er worden op dit moment ook andere steden omsingeld. Er komen nog meer slachtpartijen in Sudan." Ik hoor de staatssecretaris zeggen: wij hebben die handelsrelaties nodig. Maar ik hoor de staatssecretaris ook zeggen: dat is een langjarige investering. Maar die langjarige investering is te laat. Dus als dit het enige drukmiddel is dat deze staatssecretaris nu toepast om die slachtingen te voorkomen, dan is dat te laat. Ik wil dat de staatssecretaris dat erkent.
Staatssecretaris De Vries:
De indruk wordt gewekt, en dat vond ik ook bij het vorige debat, alsof er helemaal niks gedaan wordt, en dat wat er in Sudan gebeurt ons helemaal niks zou doen. Toen ik begon aan deze functie heb ik direct gezegd dat ik wil kijken hoe wij daar extra humanitaire hulp kunnen proberen te regelen. Ik heb ook gesproken met de organisaties die daar actief zijn. Het kan een andere politieke lijn of inschatting zijn, maar de vraag is altijd of het probleem is opgelost als je de onderhandelingen over het handelsverdrag stop zou zetten. Zijn de mensen in Sudan dan beter af? Ik geloof daar niet in. Continu wordt de indruk gewekt dat er niks gedaan wordt en dat het opzeggen van de onderhandelingen de enige optie zou zijn. Er zijn echt andere mogelijkheden om in gesprek te gaan en dingen aan te kaarten. Het is misschien onbevredigend dat dat voor een groot deel achter de schermen gebeurt, maar ik denk dat we moeten kijken naar wat het meest effectief is. En ik denk dat dat het meest effectief is.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dus zegt de staatssecretaris dat het meest effectieve nu is om de handel uit te breiden en een verdrag te sluiten met de Emiraten, waarvan we weten dat die de hofleverancier zijn van de RSF, die oorlogsmisdaden begaat met wapens in Sudan. Dat kan toch niet waar zijn? Zeker niet omdat de staatssecretaris zelf — en dit zijn haar eigen woorden — zegt dat dit een "jarenlange investering" is en dat er op dit moment nieuwe slachtpartijen dreigen. Wil de staatssecretaris daarop reageren? De inspanningen tot nu toe hebben namelijk nog niet geleid tot enige druk vanuit Nederland of de EU op de Emiraten.
Staatssecretaris De Vries:
Mevrouw Dobbe kan volgens mij helemaal niet staven of er geen druk geweest is. Ik heb aangegeven dat er wel degelijk gesprekken hebben plaatsgevonden. Ik heb gezegd dat je jarenlang aan je relatie moet bouwen. Ik heb niets gezegd over specifiek dit element. Ik moet ook eerlijk zeggen dat ik het vervelend vind dat er gedaan wordt alsof het anderen niks doet, alsof het een soort tegenstelling is. Volgens mij hebben minister Van Weel en ik in het debat gezamenlijk gezegd dat we er actie op ondernemen en dat we er ook achter de schermen de gesprekken over aangaan. Kan ik daar wat over zeggen? Nee, dat kan niet. Dan werken dat soort gesprekken namelijk niet meer. Maar ik waag ook echt te betwijfelen dat het wél een effect zou hebben als je de onderhandelingen over het handelsverdrag zou opzeggen. Wij kiezen voor de effectiefste methode om te kijken of we het leed in Sudan kunnen verhelpen. Dat doen we als volgt. Enerzijds heb ik voor de kerst nog extra middelen toegezegd. Anderzijds kijken we via diplomatieke lijnen wat we kunnen bereiken.
De voorzitter:
Afrondend op dit punt.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik hoop wel dat de staatssecretaris ons in de Kamer probeert te begrijpen. Ik zeg overigens niet dat het de staatssecretaris niks doet. Ik zeg dat deze regering naar mijn beleving te weinig doet. Dat is iets anders. De Emiraten zijn de hofleverancier van wapens aan de RSF. Daarmee worden oorlogsmisdaden begaan in Sudan. Het enige wat wij zien, zijn vrolijke tweets van deze staatssecretaris. Zij gaat op de foto in de Emiraten omdat er allerlei kansen voor handelsbetrekkingen zijn. Deze staatssecretaris moet toch begrijpen dat wij dat bar weinig vinden? Niet alleen is het bar weinig, maar het geeft ook het tegenovergestelde signaal af. De staatssecretaris zegt dat we wél genoeg doen. Ze zegt dat we alles doen wat we kunnen om de slachtpartij in Sudan te voorkomen. Dat mag ik hopen. Maar wat is dat dan? Wat doet de staatssecretaris nog meer behalve dit soort gesprekken over het handelsverdrag?
Staatssecretaris De Vries:
Maar het gaat nu specifiek over de gesprekken over het handelsverdrag. Volgens mij heb ik tijdens het debat aangegeven dat op het moment dat je daar voor de handel op bezoek bent, je daar ook gesprekken over andere zaken hebt. Kan ik zeggen wat daar precies allemaal gebeurt? Nee, dat kan niet. Zo werkt dat niet met diplomatieke gesprekken. Maar ik vind ook ... Hoe kan je nou aantonen dat je genoeg doet? Ik denk dat mevrouw Dobbe ook niet kan aantonen dat het opzeggen van handelsverdragen een effectievere methode is om het voor elkaar te krijgen. Ik waag dat sterk te betwijfelen. Wij proberen vanuit het kabinet in te zetten op de effectiefste manier om bepaalde zaken in conflictgebieden aan te kaarten. We willen kijken hoe we de strijdende partijen een oplossing kunnen bieden, zodat er geen conflict meer is. Wij denken dat dit op dit moment de beste methode is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ten aanzien van handel: dat is een EU-competentie. Ten aanzien van Mercosur: we hebben gezien dat het heel lang duurt en dat Nederland misschien ook niet altijd krijgt wat het belangrijk vindt. Ook is het nog de vraag welke voordelen eraan kleven. Ik zou graag zien dat Nederland wat meer ruimte pakt om zelf, bilateraal, afspraken met landen te maken. Die ruimte is er. Dat kan niet via een handelsverdrag — dat is een EU-competentie — maar er zijn heel veel andere varianten waarin je afspraken kan maken. Denk aan MoU's, aan sectorale ketenafspraken en aan douaneafspraken. Ik zou graag zien dat Nederland daar maximaal op gaat inzetten. Ik heb het over landen of continenten waarmee de EU het misschien nog niet doet of waar het misschien nog 25 jaar gaat duren. Ik denk aan een land als Suriname of andere landen waar we historische banden mee hebben. Mijn vraag is of de staatssecretaris bereid is om te maximaliseren binnen wat juridisch kan. Zo kunnen we daar ons economisch voordeel mee doen — en die landen overigens ook.
Staatssecretaris De Vries:
Ik denk dat Nederland dat al doet. Ik ben in een wat verder verleden staatssecretaris Douane geweest. Daar was een volle inzet om te kijken hoe douaneverdragen konden worden afgesloten. Er worden ook MoU's afgesproken met landen zoals Suriname en Brazilië. Daarbij wordt gekeken hoe we daar aan beide kanten baat bij kunnen hebben. Enerzijds is dat soms gericht op de aanpak van ondermijnende criminaliteit en de smokkel van drugs. Maar we kijken ook zeker hoe we het met MoU's en bijvoorbeeld met douane- of belastingverdragen niet alleen voor ons bedrijfsleven makkelijker en beter kunnen maken, maar ook voor de ontwikkeling van de landen aan de andere kant van de ondertekening.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Dat is fijn om te horen en ik weet dat er hier en daar afspraken gemaakt worden. Ik denk dat het juist in dit economisch tijdgewricht goed is om verder te verkennen hoe dit meer zou kunnen gebeuren. Ik weet bijvoorbeeld dat Nederland die afspraken niet al gemaakt heeft met elke economie van de tien grootste Afrikaanse economieën die upcoming is of al aan de top zit, terwijl andere landen dat misschien wél al doen. Wij hebben een haven. Ook daarom zijn douaneafspraken met opkomende havens misschien interessant. Ik heb het al gehad over de Afrikastrategie; de vragen daarover zal u vast nog beantwoorden, maar het is fijn om dit te horen. Misschien kom ik nog met een voorstel om de interne ruimte te maximaliseren, juist op opkomende continenten. Daar kom ik straks misschien op terug.
De voorzitter:
Gaat u verder met het volgende blokje. Nee, eerst een vraag van de heer Bamenga.
De heer Bamenga (D66):
Ik wilde met mijn vraag eigenlijk wachten totdat de staatssecretaris ingaat op de vragen over Sudan, maar dit werd zojuist al een aantal keren opgebracht. Ik heb, volgens mij op LinkedIn, de berichten gezien over de reis van de staatssecretaris. Daarin werd inderdaad weinig gemeld over mensenrechten, maar ook over de rol van de landen waarmee de staatssecretaris in gesprek is gegaan. Ik wil eigenlijk weten of de staatssecretaris de situatie in Sudan heeft opgebracht, ja of nee.
Staatssecretaris De Vries:
Volgens mij heb ik in het debat over Sudan al aangegeven dat er gesproken is over Sudan en de VAE.
De heer Bamenga (D66):
Zou de staatssecretaris de Kamer iets meer kunnen vertellen over wat er precies besproken is over Sudan?
De voorzitter:
Ik ga wel een kleine kanttekening maken.
Staatssecretaris De Vries:
Nee, dat ga ik ook niet doen.
De voorzitter:
Even een moment. We gaan niet het debat over Sudan overdoen. Ik zou de vragen dus richten op waar we het nu over hebben. Dat kan in relatie tot Sudan en handel, maar ik ga niet toestaan dat we het hele debat overnieuw gaan doen.
Staatssecretaris De Vries:
Volgens mij weet de heer Bamenga ook dat we niets zeggen over de inhoud van dit soort diplomatieke gesprekken, want dan is het effect van dit soort gesprekken vaak weg. Dat bent u niet alleen van mij gewend; dit is volgens mij ook de lijn van minister Van Weel.
De voorzitter:
Afrondend, op dit punt.
De heer Bamenga (D66):
Ik hoor wat de staatssecretaris hierover zegt, maar hoe kunnen wij als Kamer volgens de staatssecretaris onze controlerende rol maar ook onze sturende rol vervullen als wij niet weten wat er met de partijen waarvan wij dat belangrijk vinden, besproken wordt en hoe dat besproken wordt? Wij willen er immers alles aan doen dat de oorlog die plaatsvindt, in dit geval in Sudan, eindigt en dat er vrede komt, maar ook dat de partijen die daaraan bijdragen hun rol vervullen. Ik wil dus eigenlijk van de staatssecretaris weten hoe de Kamer haar sturende en controlerende rol kan pakken als de staatssecretaris hier helemaal niks over zegt.
Staatssecretaris De Vries:
Nou, door dit soort debatten met elkaar te hebben, ook het debat dat wij voor de kerst hebben gehad. Deels is het ook een kwestie van vertrouwen. Wij zeggen hier dat wij bepaalde dingen bespreken. Dan mag u er ook van uitgaan dat we dat doen. Dat is ook het verschil tussen wat soms in een kabinet gebeurt en wat in de Tweede Kamer gebeurt. U mag ons daarover bevragen, maar volgens mij is de lijn bij Buitenlandse Zaken ook altijd dat we niet in detail weergeven wat er in diplomatieke gesprekken en diplomatieke wisselingen besproken is.
De heer Dassen (Volt):
Ik had een vraag aan de minister gesteld …
De voorzitter:
De staatssecretaris.
De heer Dassen (Volt):
De staatssecretaris; excuus.
De voorzitter:
Ja, promotie gaat hier razendsnel, maar het blijft nog steeds de staatssecretaris.
De heer Dassen (Volt):
Ja, het is inderdaad al een paar keer op en neer gegaan. Ik had de staatssecretaris een vraag gesteld over de manier waarop we in de toekomst met handel omgaan. Je ziet wereldwijd een trend dat er juist aan aspecten zoals goede arbeidsomstandigheden en duurzaamheid getornd wordt. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris daarop reflecteert en hoe zij hiernaar kijkt richting de toekomst om te voorkomen dat we meegaan in die race to the bottom.
Staatssecretaris De Vries:
Ik denk niet dat we naar een race to the bottom moeten gaan, maar ik denk ook niet dat we ons achter de dijken terug moeten trekken. Ik ben nog steeds een groot voorstander van vrijhandel. Ik denk dat de regels die we daar met elkaar over afgesproken hebben, belangrijk zijn. We zien dat die onder druk staan. Ik denk dan ook dat de discussie die op dit moment in de Wereldhandelsorganisatie plaatsvindt over hervorming, heel belangrijk is. Ik denk dat de bijeenkomst in maart daarover heel belangrijk gaat worden. U heeft mijn inzet daarvoor al gekregen. Ik denk dat dat heel belangrijk is. We zien dat steeds meer landen eigenlijk lak hebben aan de regels. Uiteindelijk is dat wel waar bedrijven zekerheid aan kunnen ontlenen, want dan weten ze voor de toekomst: als ik ergens in investeer, dan is dat ook vertrouwd en gaat het niet opeens op een andere manier. Dat staat echter onder druk. Dat is een ding dat zeker is. Daarom zal de Wereldhandelsorganisatie wat ons betreft ook moeten hervormen. Ik denk nog steeds dat die organisatie een belangrijke pilaar is, maar we zien wel dat die onder druk staat.
De heer Dassen (Volt):
Op het gebied van vrijhandel ben ik het met de staatssecretaris eens. Ik ben het er ook mee eens dat de Wereldhandelsorganisatie moet hervormen, wil die een bepaalde toekomst hebben in een wereld waarin dit soort instituties steeds meer onder vuur komen te liggen, ook van de grote sponsoren die de organisatie eerder had, zoals de Verenigde Staten. Ik heb de brief van de staatssecretaris daarover nog niet gelezen, dus ik zal die tot mij nemen. Wat is daarin volgens de staatssecretaris het hoofdpunt? Ze hoeft niet de hele brief te bespreken, want die zal ik zelf waarderen. Ik ben echter wel benieuwd wat volgens de staatssecretaris de manier is om ervoor te zorgen dat het soort multilaterale instellingen als de Wereldhandelsorganisatie nog wel levensvatbaar blijft in deze tijdsgeest.
Staatssecretaris De Vries:
Vaak hoeft er in heel veel internationale, multilaterale organisaties maar één partij tegen te zijn en dan gaat het al niet meer gebeuren, zeg maar. Ik denk dus dat het belangrijk is om te kijken of we eventueel met groepen landen die daarvoor openstaan, wel goed afspraken kunnen borgen en vasthouden. We zien dat alle landen vertegenwoordigd zijn in de Wereldhandelsorganisatie. Niet al die landen hechten evenveel waarde aan de regels die er binnen de Wereldhandelsorganisatie zijn afgesproken. Ik denk dus dat we moeten bekijken wat we eventueel met groepen van koplopers van landen kunnen doen. Kunnen die toch nadere afspraken met elkaar maken over hoe dit met elkaar gedaan kan worden in de wereldhandel? Op die manier kunnen onze bedrijven maar ook de bedrijven in het Globale Zuiden daar een goede rol in spelen. Ik denk dat dat eigenlijk het belangrijkste is.
De voorzitter:
Kort en afrondend op dit punt.
De heer Dassen (Volt):
Is de staatssecretaris dan van mening dat Europa en Nederland dan ook een voortrekkersrol moeten blijven spelen, juist als het gaat om de duurzaamheidsvoorwaarden en de arbeidsomstandigheden om ervoor te zorgen dat we op dat vlak geen stappen achteruit zetten? De staatssecretaris zei namelijk net ook tussen neus en lippen door in het eerste antwoord dat we onszelf ook niet moeten terugtrekken achter de dijken. Ik denk dat dit juist een kans is.
Staatssecretaris De Vries:
Het is een kans, maar het is wel een fragiel evenwicht; laat ik het zo maar zeggen. In bepaalde landen wordt namelijk best wel met een andere bril naar sommige dossiers gekeken. Ik denk dat de handelsverdragen juist een middel zijn om de zaken die wij belangrijk vinden, wel mee te nemen in de handelsverdragen. Ook dat staat echter onder druk, bijvoorbeeld als het gaat om CSDDD, want daar wordt echt wel op een andere manier tegen aangekeken. Ik kan u zeggen dat Amerika daar ook heel wat van vindt evenals een heleboel andere landen, omdat dat ook externe werking heeft en men dat ook wel lastig vindt. Je hoort dat ontwikkelingslanden ook wel mogelijkheden willen hebben. Zij zeggen bijvoorbeeld: jullie beperken ons nu. Ik denk dat je daar een goede weg in moet vinden met elkaar. Dat zal niet met alle landen op dezelfde manier zijn. Ik denk dat je echt wel variatie daarin kunt hebben. Volgens mij hebben we wel een aantal kaders die wij gewoon altijd belangrijk vinden en die ook meegenomen worden in de mandaten die voor de handelsverdragen gelden.
De voorzitter:
Gaat u verder met het volgende blokje.
Staatssecretaris De Vries:
Dat blokje gaat over de bni-koppeling en de bezuinigingen. Omdat de Kamer daar zelf over begon, zal ik ook iets zeggen over de gevolgen van het eventueel niet aannemen van deze begroting.
Allereest kom ik op de bni-koppeling. Daar is door meerdere partijen over gesproken, zoals door Volt, SP, de Partij voor de Dieren, GroenLinks-PvdA, ChristenUnie, SGP en dan heb ik er vast nog wel eentje vergeten. Het kabinet heeft de ... De terminologieën lopen soms een beetje door elkaar. We hebben eigenlijk twee discussies. Eén. Moet het gekoppeld worden aan 0,7% van het bni? Twee. Koppel je het aan de ontwikkeling van de economie? Koppel je de groei van het bestaande budget dus aan de groei van het bni? Over die laatste koppeling ging ook een van de moties in de Eerste Kamer. Die koppeling heeft het kabinet hersteld, maar wel met het lagere percentage van het bedrag dat er staat voor ontwikkelingshulp. Er is niet opgeplust naar 0,7%. Er zijn keuzes gemaakt door dit kabinet. Partijen verschillen van mening over hoe dat zou moeten. Er waren ook wensen om bijvoorbeeld te investeren in defensie. Dan worden er andere keuzes gemaakt. Dit is de keuze die dit kabinet gemaakt heeft. Het is wat ons betreft aan een nieuw kabinet om te kijken of het deze wil herstellen.
Ik weet dat de Kamer hecht aan de uitvoering van moties, maar dat betekent dat niet-aangenomen moties ook belangrijk zijn. Op 18 september is de motie-Van Hijum/Bikker die verzoekt om het naar 0,7% te brengen, verworpen. Daar kan deze Kamer anders over denken, maar dan zou ik wel willen voorstellen dat er een deugdelijke dekking komt. Wij stellen dat als kabinet niet voor, omdat de partijen die het kabinet schragen vinden dat deze lijn van het oorspronkelijke kabinet — laat ik het zo maar zeggen — doorgezet moet worden.
Een aantal partijen heeft gezegd dat zij het ervan laten afhangen of zij deze begroting wel of niet zullen steunen. Als een begroting wordt verworpen, dient er zo snel mogelijk een nieuwe te worden ingediend. Dat kost tijd. Het is niet zo dat er een week later dan een nieuwe begroting ligt. Dit geldt zeker als er meer geld in een begroting moet worden opgenomen, want dan moet er ergens anders minder geld aan worden uitgegeven. Zo werkt het systeem. In de tussentijd kan het nieuwe beleid niet worden uitgevoerd. Dan kunt u zeggen dat er in deze begroting van een demissionair kabinet niet zo veel nieuw beleid staat, maar er staan toch een aantal nieuwe dingen in. Dan gaat het bijvoorbeeld om de country-based pooled funds uit de middelen voor humanitaire hulp, die ik ook heb genoemd in de recentelijke brief, maar ook om het nieuwe kader voor het maatschappelijk middenveld, Focus. Zolang een nieuwe begroting nog niet is aangenomen, kunnen er geen middelen aan worden besteed en kan er geen vervolg aan worden gegeven. Dat over het bni.
Ik kan hierbij direct de amendementen meenemen die zijn ingediend. Ik heb net nog een nieuw amendement van mevrouw Kröger gekregen, ter vervanging van het amendement van mevrouw Hirsch. Daarin wordt gesteld dat er dekking moet komen uit het belastingplan, nog afgezien van het feit dat dit kabinet niet voorstelt naar 0,7% te gaan. De dekking komt uit het Belastingplan 2027 en daarmee is de dekking echt ondeugdelijk. Zo werkt het niet. Je kunt niet nu geld uitgeven en daarvoor een belastingplan gebruiken als dekking, terwijl je nog geen idee hebt wat daarin komt te staan.
Dan is er nog een tweede amendement, van de heer Ceder, zeg ik uit mijn hoofd.
De voorzitter:
Mag ik voor de duidelijkheid heel even terugkomen op de appreciatie van dit eerste amendement? U heeft daar namelijk veel over gezegd.
Staatssecretaris De Vries:
Het was het amendement op stuk nr. 3, maar ik weet eerlijk gezegd niet welk nummer het nu heeft.
De voorzitter:
Het is nu het amendement op stuk nr. 30. Wat is uw appreciatie?
Staatssecretaris De Vries:
Ontraden.
De voorzitter:
Dat betekent dat het amendement op stuk nr. 30 van mevrouw Kröger van GroenLinks-Partij van de Arbeid wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan het amendement van de heer Ceder op stuk nr. 28. Dat gaat ook over het herstellen van de 0,7%. Als dekking stelt dit amendement voor om het eigen risico minder te verlagen. De formerende partijen zijn bezig. Ik vind echt dat als het gaat om het eigen risico, de formerende partijen aan zet zijn. Dit amendement moet ik dus ook ontraden.
De voorzitter:
Heeft u daarmee alle amendementen op dit onderwerp van een appreciatie voorzien?
Staatssecretaris De Vries:
De amendementen over het bni volgens mij wel.
De voorzitter:
Dan zijn we ook bij de afronding van dit blokje gekomen. Dat betekent dat de Kamerleden vragen kunnen stellen.
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb er nog een paar over bezuinigingen, maar daar kunnen we ook een apart blokje van maken.
De voorzitter:
De heer Ceder heeft het hardst gerend naar de interruptiemicrofoon. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben blij dat de staatssecretaris erkent dat de dekking deugdelijk is.
Staatssecretaris De Vries:
Nou, daar kun je ook nog over verschillen van mening.
De voorzitter:
Zullen we dat nu niet doen? Ik vermoed namelijk dat er een hele korte en bondige vraag gaat komen van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Uiteraard, voorzitter. U kent mij. De vraag is inhoudelijk en gaat over die bni-koppeling. Het kabinet spreekt met één mond. Ik weet dat de voormalige staatssecretaris, in ieder geval degene die tijdelijk de rol vervulde, wel degelijk aangaf dat het belangrijk was om in ieder geval een deel dan wel het totaal van die koppeling te herstellen. Ik vraag mij af of het kabinet is bijgedraaid, want daar heeft de staatssecretaris het in haar toelichting niet over gehad. Dit vraag ik ook in het licht van een aangenomen Eerste Kamermotie. Ik ben dus benieuwd wat het standpunt van het kabinet is ten aanzien van die bni-koppeling, ook in het licht van de uitspraken van uw voorganger.
Staatssecretaris De Vries:
Ik ken die uitspraken niet helemaal. Ik weet niet welke voorganger dat was. Er zijn er nogal wat geweest, helaas. Wat ik gezegd heb, is dat er een koppeling hersteld is met de toename van de groei. Het is in 2026 0,55% van het totale bni. Er is op basis van het rapport van de AIV afgesproken dat elk jaar bij de voorjaarsnota wordt gekeken hoe de ontwikkelingen zijn. Dan vindt er een bijstelling plaats op basis van economische groei of — ik hoop het niet — economische krimp, waarbij dan het budget naar beneden gaat. Het kabinet heeft tot nu toe altijd gezegd dat het kabinet niet terug wil naar de 0,7%. Volgens mij is dat ook nooit anders geweest, maar blijkbaar heeft de heer Ceder daar andere informatie over. Ik snap dat iedereen daar anders over kan denken, maar de bezuinigingen zijn natuurlijk ook wel gebruikt om andere uitgaven, bijvoorbeeld op het gebied van defensie, te dekken. Politiek kan je daar een andere afweging in maken, maar ik vind het eigenlijk ook wel een moeilijke vraag aan een dubbeldemissionair kabinet, zoals iedereen het noemt. Ik vind het eigenlijk echt wel aan de onderhandelende partijen om te kijken wat het dan uiteindelijk zou moeten worden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Die 0,7% is één ding. Daar ben ik overigens voor. Maar het loslaten van de bni-koppeling is op langere termijn de grootste bezuiniging op OS ooit; dat weet de staatssecretaris ook. Die twee dingen worden dus vaak bij elkaar gegooid, maar het zijn wel twee verschillende dingen. Over die 0,7% heb ik het nu niet. Daar vind ik wel wat van. Ik heb het nu over die bni-koppeling. Het staat namelijk te gebeuren dat we voor een begroting gaan stemmen, in ieder geval als ik gister de bijdrage van de formerende partijen gehoord heb, waarmee, door het loslaten van die koppeling, op termijn die grootste bezuiniging wordt ingeboekt. Ik kan mij wel heugen — misschien kunnen mijn collega's mij bijvallen — dat het de heer Veldkamp was … Dat was na een hele discussie over de vraag hoe het komt dat die bni-koppeling überhaupt was losgelaten, want dat was volgens een van de formerende partijen niet de bedoeling; volgens mij werden de woorden "bedrijfsongeluk" of "-ongeval" gebruikt.
De voorzitter:
En uw vraag, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het was in ieder geval de ambitie om die koppeling weer te herstellen. Dan heb je het niet over die 0,7%. Daarover kun je inderdaad politiek van mening verschillen. Mijn vraag is wat er in de tussentijd veranderd is.
Staatssecretaris De Vries:
Volgens mij heb ik net aangegeven dat wij wel gaan koppelen. Dat doen we niet in deze begroting; dat gebeurt bij de voorjaarsnota. Er is een advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken geweest. Er wordt voorgesteld om het ODA-budget één keer per jaar op basis van macro-economische ontwikkelingen bij te stellen. Daarvan is door het kabinet gezegd: dat doen we bij de voorjaarsnota. Bij de voorjaarsnota die eraan komt zal dus bekeken worden of er economische groei geweest is en of het bni gestegen is. Dan zal er ook extra geld bijgeplust worden voor het ODA-budget.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
De staatssecretaris probeert nu echt een rookgordijn op te trekken. Dat heeft het kabinet gedaan door te suggereren dat het koppelen aan economische groei of krimp de bni-koppeling is zoals die gevraagd is door de Eerste Kamer en zoals die gevraagd is door de Tweede Kamer. Dat is het niet. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus: erkent zij dat het de wens van de Eerste en de Tweede Kamer was om het te koppelen aan het bni, en dat dat iets anders is dan het koppelen aan groei of krimp van de economie?
Staatssecretaris De Vries:
Volgens mij is bni economische groei, maar goed. Laten we die discussie niet verder voeren. Er zijn een aantal moties aangenomen. In de Eerste Kamer is dat de motie-Huizinga-Heringa die vraagt om de koppeling van het ODA-budget aan het bni te handhaven. Ik heb gezegd: die wordt uitgevoerd. Jawel, zeg ik tegen mevrouw Kröger, die wordt wel uitgevoerd. Op 1 juli in de Eerste Kamer vroeg de heer Holterhues de OESO-norm van 0,7% van het bni als richtlijn te herstellen. En mevrouw Hirsch vroeg dat in de Tweede Kamer op 3 juli 2025: ook 0,7%. Die moties zijn aangenomen. Het kabinet heeft die niet uitgevoerd en daar is ook over gecommuniceerd. Er is echter ook een Tweede Kamermotie van 18 september verworpen. Die ging erover om het ODA-budget te koppelen aan 0,7% van het bni. Er zijn dus verschillende signalen. Dit is de lijn die het kabinet heeft gekozen. Als er andere keuzes gemaakt worden, dan zal er ook dekking gevonden moeten worden. De amendementen die er nu liggen, hebben geen deugdelijke dekking. Ik vind het ook echt aan een nieuw kabinet om hier een keuze in te maken, want het is best een fundamentele keuze.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Wij kunnen hier de discussie gaan hebben over de vraag of de moties uit de Eerste Kamer worden uitgevoerd. Dat is mijns inziens niet zo. Het gaat erom dat je de 0,7% als basislijn herstelt, waarna het kabinet er inderdaad voor gekozen heeft om daar een bezuiniging op te doen. Maar die 0,7% als basislijn is niet hersteld en de bni-koppeling is niet hersteld. Mijn vraag aan de staatssecretaris is als volgt. Zij staat hier nu eigenlijk een paar amendementen af te serveren, maar realiseert zij zich dat zij met 26 zetels steun in de Kamer op dit moment op geen enkele manier een begroting heeft gepresenteerd waar een Kamermeerderheid voor is? Wat doet ze met dat feit?
Staatssecretaris De Vries:
Ik vind de toon bij dit onderwerp altijd een beetje onaangenaam. Ik noem een aantal feiten. Ik noem ook een motie die als laatste verworpen is. Blijkbaar doen verworpen moties er totaal niet toe in deze Tweede Kamer. Die motie om het te koppelen aan 0,7% van het bni is gewoon verworpen. Dan kunt u wel zeggen dat er eerder wel moties zijn aangenomen. Ja, dat kan, maar uiteindelijk is het dan aan het kabinet om te kijken wat het daarmee doet. Er is geen deugdelijke dekking voor de amendementen. Het is niet zo dat ik die makkelijk afserveer. Dat vind ik het echt tekortdoen. Ik probeer er echt serieus naar te kijken. U weet ook dat er een demissionair kabinet is. Als er voorstellen zijn, dan moet er wel een deugdelijke dekking zijn. Dan moet er echt een deugdelijke dekking zijn. Die is er nu niet.
De voorzitter:
Kort en afrondend, mevrouw Kröger.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor geen begin van een antwoord van een staatssecretaris die, zo zeg ik nogmaals, in een dubbeldemissionair kabinet zit dat op 26 zetels stoelt, en die een begroting aan deze Kamer presenteert waarvan zij weet dat er op geen enkele manier een Kamermeerderheid voor is. Dat is een probleem voor deze staatssecretaris. Nogmaals, de wens van de Kamer is om de koppeling wél te herstellen, om de basislijn te herstellen. Mijn vraag is dus: hoe denkt de staatssecretaris steun te verwerven voor deze begroting? Op deze manier komt die er namelijk niet.
Staatssecretaris De Vries:
Uiteindelijk moet dat blijken. Ik heb ook mensen gehoord die zeggen: ik wil de begroting wel steunen, maar dan moeten er niet allerlei andere dingen in gewijzigd worden. Uiteindelijk is dat wel wat we dan gaan zien. Ik kan het ook niet anders maken dan het is. Ik heb op dit moment ook niet de budgetten om dat op te plussen. Er worden geen voorstellen gedaan met een deugdelijke dekking. Dan is het ook wel van twee één. Het is geen free lunch. Het is echt geen free lunch op dit moment. Ook als ik naar de toekomst kijk en zie wat voor financiële uitdagingen er op een nieuw kabinet afkomen, bijvoorbeeld wat betreft de investeringen in defensie, vind ik dat een nieuw kabinet uiteindelijk moet wegen waar we het geld wel en waar we het geld niet uitgeven.
De heer Van der Burg (VVD):
Ik wil graag mevrouw Kröger én de staatssecretaris helpen, vandaar mijn vraag. Er is inderdaad nog geen meerderheid in deze coalitie. Ook de toekomstige coalitie heeft geen meerderheid. Nu staan de twee grootste oppositiepartijen, GroenLinks-PvdA en de PVV, diametraal tegenover elkaar in dit debat. Als de een voor zou stemmen, dan zou de ander dus tegen moeten stemmen, of omgekeerd. Nu zeggen ze ook het tegenovergestelde. De PVV zegt: als deze begroting wordt aangenomen, dan gaat er meer geld naar ontwikkelingssamenwerking. De PVV sprak over 500 miljoen. Dat wil de PVV niet. GroenLinks-PvdA zegt: als deze begroting wordt aangenomen, gaat er minder geld naar ontwikkelingssamenwerking. Dat wil GroenLinks-PvdA niet. Wie van de twee partijen heeft nu gelijk? De ander zou vervolgens dus voor moeten stemmen, omdat óf de PVV niet wil wat GroenLinks-PvdA graag wil óf omgekeerd. Dan heeft u er dus respectievelijk 26 of 20 stemmen bij.
Staatssecretaris De Vries:
Ik kom zo nog op de vraag van de heer Markuszower. Er zijn inderdaad verschillende werkelijkheden en werelden ten aanzien van wat er gebeurt in deze begroting. Ik kom daar zo nog wat uitgebreider op terug. Ik kan het misschien ook wel meteen erbij pakken. Ik heb wel aangegeven wat de gevolgen zijn van het niet-aannemen van deze begroting en dat nieuw beleid dan niet uitgevoerd kan worden. Ik denk dat een aantal partijen die ik daarover gehoord heb, toch ook zeer hechten aan die onderdelen van deze begroting. Maar uiteindelijk is de keuze aan de Kamer.
Dan de vraag waarom het kabinet een half miljard meer uitgeeft dan vorig jaar. Er is door het kabinet natuurlijk bezuinigd. Daar weet de heer Markuszower alles van. We vonden het bijvoorbeeld belangrijk dat er ook geld werd geïnvesteerd in defensie. Je kunt van mening verschillen over waar de prioriteiten moeten liggen. De heer Markuszower stelt herhaaldelijk dat het kabinet een half miljard meer uitgeeft dan vorig jaar. Dat klopt ook niet helemaal, want het ODA-budget is ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van vorig jaar: 6,7 miljard. Tegelijkertijd is het ODA-budget afgelopen voorjaar bijgesteld op basis van economische groei en we geven ook extra steun aan Oekraïne. We weten ook hoe de partij van de heer Markuszower daarin staat. Het is een beetje hoe je naar de wereld kijkt. Er zit natuurlijk ook nog een verschil tussen de BHO-begroting en het ODA-budget.
De heer Van der Burg (VVD):
Mijn nummer twee in blokje één, voorzitter. Mijn vraag is of de heer Markuszower in die zin gelijk heeft dat op het moment dat voor deze begroting wordt gestemd, er netto meer geld kan worden uitgegeven aan ontwikkelingssamenwerking. Dat zou dus een argument moeten zijn voor onder andere de ChristenUnie en GroenLinks-PvdA om voor te stemmen, want als dankzij hen deze begroting het niet haalt, gaat er daardoor minder geld aan ontwikkelingssamenwerking uitgegeven worden. Klopt die redenering?
Staatssecretaris De Vries:
Het is een beetje een Babylonische spraakverwarring als het gaat om de BHO-begroting en het ODA-budget, want niet al het ODA-budget staat op de begroting van BHO. Of de redenering dus helemaal klopt … Ik kan aangeven wat we nu uitgeven in de BHO-begroting en ook wat we uitgeven aan het ODA-budget. Ik heb ook gezegd dat het ODA-budget afgelopen voorjaar is bijgesteld op basis van de economische groei en de extra steun aan Oekraïne. Uiteindelijk is het aan alle partijen, maar ik denk dat het belangrijk is om te weten wat het betekent als de begroting op dit moment niet aangenomen wordt. Ik denk dat dan een aantal zaken die ik belangrijk vind — maar volgens mij heeft ook een deel van deze Kamer aangegeven die belangrijk te vinden — voorlopig geen doorgang kunnen vinden. Een nieuwe begroting is niet zomaar opgesteld, zeker niet als er dan ook nog budget met dekking bij gevonden moet worden.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Van der Burg (VVD):
Ik ben het natuurlijk helemaal eens met de staatssecretaris. Ik ga dus ook voor die begroting stemmen. Alleen, ik probeer samen met de staatssecretaris daarvoor een meerderheid te krijgen. Of de heer Markuszower slaapt slecht als mevrouw Kröger haar zin krijgt, of mevrouw Kröger slaapt slecht als meneer Markuszower zijn zin krijgt. Vandaar dat ik zoekende ben, want een van de twee zou toch voor moeten stemmen? Het kan toch niet zo zijn dat GroenLinks-PvdA de PVV aan een meerderheid helpt, noch dat de PVV GroenLinks-PvdA aan een meerderheid helpt? Vandaar dat ik aan het zoeken ben naar wie van de twee de ander aan een meerderheid helpt.
Staatssecretaris De Vries:
Dat moeten ze uiteindelijk zelf maar uitmaken. Ik hoop altijd op een constructieve houding van de partijen die hier aanwezig zijn. Ik hoop dat ze rekening houden met het feit dat er een demissionair kabinet is en dat partijen druk bezig zijn met onderhandelen. Iedereen hoopt volgens mij dat die partijen er snel uit komen en dat er snel een nieuw kabinet zit. Ik denk dat dat uiteindelijk bepaalt of er meerderheden zijn voor deze begroting. Ik heb ook aangegeven wat het betekent als die niet aangenomen wordt. Ik hoop dat partijen hun verantwoordelijkheid nemen, zodat de nieuwe beleidszaken door kunnen gaan. Maar goed, uiteindelijk is het een afweging die partijen zelf moeten maken; daar ga ik niet over.
De voorzitter:
Het heeft mijn voorkeur om het niet over de nachtrust van eenieder te hebben. Dat gezegd hebbende: gaat uw gang, meneer Markuszower.
De heer Markuszower (PVV):
Het zit tussen een interruptie en een persoonlijk feit in. Het ging erover of ik wel of niet goed slaap als deze begroting wordt aangenomen. Er wordt wel degelijk 425 miljoen euro meer uitgegeven, verdeeld over ODA en BHO, ten opzichte van de stand van 2025. De staatssecretaris houdt ook nog rekening met inkomsten van 48 miljoen. Dat telt op tot ongeveer 500 miljoen. Maar het gaat niet om mijn slaaprust, maar om die van de gewone Nederlander. Als we 500 miljoen euro meer uitgeven dan vorig jaar … Vorig jaar vonden we het eigenlijk ook al te veel. We vinden dat er 6,7 miljard te veel wordt uitgegeven aan het buitenland.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Markuszower (PVV):
Het was dus meer een persoonlijk feit richting de heer Van der Burg. Het gaat niet om onze nachtrust, maar om die van de gewone Nederlander, die pijn heeft bij het afrekenen van de boodschappen en niet goed rondkomt. Ik begrijp gewoon niet — daar kan de minister wel een antwoord op geven — waarom we zo veel geld moeten uitgeven aan het buitenland, terwijl onze eigen mensen in Nederland pijn hebben wanneer ze in de supermarkt hun boodschappen afrekenen.
Staatssecretaris De Vries:
Ik snap dat ook de PVV wat wil doen voor de mensen die moeilijk rond kunnen komen. Het kabinet heeft daar ook een aantal maatregelen voor genomen. De PVV heeft ook wel een beetje boter op het hoofd, moet ik heel eerlijk zeggen. Volgens mij zat de PVV bij de Voorjaarsnota nog aan de onderhandelingstafel. Daar is deze begroting natuurlijk een product van. Ik vind het jammer dat de heer Markuszower gemist heeft wat ik ook belangrijk vond als het gaat om het tegengaan van migratie, bijvoorbeeld waar we juist met ontwikkelingshulp op inzetten, om te kijken hoe we de migratiestromen kunnen beperken, illegale migratie kunnen tegengaan en opvang in de regio kunnen regelen. Daar dragen deze middelen natuurlijk ook wel aan bij.
De heer Markuszower (PVV):
Ik zal niet veel meer interrumperen. Ik heb nagelezen wat de staatssecretaris erover heeft gezegd. Ik ben op zich blij dat de staatssecretaris erkent, anders dan de VVD-woordvoerder, en volgens mij ook nog een andere woordvoerder, gisteren in het debat deden, dat …
De voorzitter:
Zullen we het debat voeren met de staatssecretaris en niet over de rug van collega's?
De heer Markuszower (PVV):
Ik wil de staatssecretaris complimenteren omdat zij eindelijk de woordvoerder van de VVD terugfluit, die in het debat zei: als we ontwikkelingshulp geven, dan gaat de migratie naar beneden.
De voorzitter:
En uw vraag aan de staatssecretaris?
De heer Markuszower (PVV):
Ik wil graag van de staatssecretaris horen of ik dat inderdaad goed heb begrepen, maar volgens mij heb ik dat goed begrepen. Ik wil dus eigenlijk de staatssecretaris complimenteren dat zij de woordvoerder van de VVD terugfluit en zegt: wat de heer Van der Burg gisteren zei, dat ontwikkelingshulp leidt tot minder migratie, is onzin. Het is precies andersom.
De voorzitter:
De staatssecretaris.
De heer Markuszower (PVV):
Ik wil de staatssecretaris ermee complimenteren dat ze eindelijk die VVD-woordvoerder, die jaar in jaar uit dat soort onzin verkondigt …
De voorzitter:
Meneer Markuszower …
De heer Markuszower (PVV):
… dat dat nu eindelijk eens van de baan is.
Staatssecretaris De Vries:
Misschien dat de heer Markuszower mijn tekst nog eventjes moet teruglezen. Ik denk dat het belangrijk is dat wij op die migratiepartnerschappen inzetten, ook vanuit de begroting van BHO. Dat is overigens ook een lijn die de minister van de heer Markuszower destijds heeft ingezet. Ik denk dat het belangrijk is dat we zorgen voor opvang in de regio en dat we bijvoorbeeld, zoals toen ik in Ethiopië was, kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen niet gaan migreren. Daarvoor heb je ook economische ontwikkeling nodig. Dat zit ook in het beleid van OS. Ik denk dus dat ik het misschien meer eens ben met meneer Van der Burg dan meneer Markuszower zegt. Overigens was zijn eigen minister er een fervent voorstander van — dat riep ze volgens mij ook aan alle kanten — dat migratie werd tegengegaan door de middelen uit haar begroting destijds.
De voorzitter:
Ik zou willen voorstellen dat we elkaar buiten de orde van dit debat complimenten gaan geven of naar elkaar gaan verwijzen, want dit wordt ook heel ingewikkeld om voor te zitten. Als u inhoudelijk nog één ding wilt zeggen, mag dat, maar daarna geef ik mevrouw Teunissen het woord, want die staat al heel lang heel keurig te wachten.
De heer Markuszower (PVV):
Zeker, maar ik was eerder met dit interruptietje.
De voorzitter:
Heel kort.
De heer Markuszower (PVV):
Ik had er drie van u gekregen in dit blokje. Ik beloof dat ik niet over de negen ga. Ik houd me aan mijn afspraken; dat beloof ik u. Maar dit is wel een essentieel punt. De staatssecretaris is handig met woorden, en zij zegt het nét ietsje anders dan de heer Van der Burg gisteren deed. De staatssecretaris zegt dat er uit haar middelen beleid kan worden gemaakt dat eventueel migratie terugdringt, bijvoorbeeld met migratiedeals of weet ik veel wat. Daarin verschillen we misschien wel, of niet, van mening, maar daar had de heer Van der Burg het niet over. De heer Van der Burg — dit is een essentieel onderwerp, want op basis van zo'n gedachte kun je beleid maken — zei gisteren in het debat gewoon, vrij vertaald: als we ontwikkelingshulp geven, worden die pushfactoren voor de migranten uit Afrika minder, want als het daar goed gaat, hebben ze weinig reden om hiernaartoe te komen. Ik …
De voorzitter:
En uw vraag aan de staatssecretaris?
De heer Markuszower (PVV):
Ik heb een heel ander punt. Ik zeg: nee, hoe meer geld we daar geven, hoe meer middelen ze hebben om naar Europa toe te komen. Dat wijzen ook heel veel onderzoeken uit. Ik wil gewoon van de staatssecretaris weten — dat is essentieel voor de Kamer om te weten — op basis waarvan we beleid maken. Hoe staat de staatssecretaris in die discussie?
Staatssecretaris De Vries:
Ik denk dat de ontwikkeling van landen eraan kan bijdragen dat mensen meer perspectief in hun eigen land hebben en daardoor minder de neiging zullen hebben om naar andere landen te gaan. Daar is ook de combinatie van handel, economische ontwikkeling en ontwikkelingshulp op gericht. Ik denk dat dat belangrijk is. Ik denk dat we daarin niet zo heel veel van mening verschillen. De heer Van der Burg moet maar voor zichzelf spreken om zijn woorden uit te leggen.
De voorzitter:
Dat lijkt mij heel verstandig. Mevrouw Teunissen, ik dank u voor uw geduld. Gaat uw gang.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Uiteraard graag gedaan. Ik snap dat de heer Van der Burg namens de VVD naar voren loopt om draagvlak voor de begroting te vergroten, of een poging te doen, althans. Maar dat is natuurlijk niet het punt, dus ik wil even heel scherp terug naar die bni-koppeling. Er ligt een aangenomen motie in de Eerste Kamer. Dat is niet voor niks, want die bni-koppeling bestond sinds 1975 en die is voor het eerst losgelaten in 2025. Dat zou een aanvullende bezuiniging op ontwikkelingssamenwerking betekenen van 2,6 miljard in 2029. Het is een hele duidelijke oproep geweest. Ook in deze Tweede Kamer ligt een heel duidelijke oproep. Nu hoor ik de staatssecretaris zeggen: die amendementen, ja, helaas. Mijn vraag is dus: op welke manier komt de staatssecretaris deze Kamer maar ook de Eerste Kamer tegemoet in deze begroting?
Staatssecretaris De Vries:
Volgens mij is het een herhaling van zetten, maar ik wil het best nog een keertje uitleggen. Ik heb aangegeven wat de motie-Huizinga-Heringa, die is aangenomen in de Eerste Kamer, gevraagd heeft. Die heeft gevraagd om een koppeling aan het bni, niet aan 0,7%. Die motie is uitgevoerd. Er zijn daarna twee moties in de Eerste en de Tweede Kamer aangenomen die vragen om het naar 0,7% te brengen, maar er is ook op 18 september 2025 een motie verworpen in de Tweede Kamer waarin gevraagd wordt om naar 0,7% te gaan. Ja, je kunt heel selectief shoppen in allerlei moties. Ik snap ook wel dat je het gebruikt zoals het je uitkomt. Ik snap ook de wens van de Partij voor de Dieren. Die is niet onbekend, maar dit is wel het voorstel. Ik loop er echt niet voor weg dat er bezuinigd is op ontwikkelingshulp. Dat is gebeurd. Dat is een keuze geweest van dit kabinet, in de oude samenstelling maar ook in de nieuwe samenstelling. En dat is uiteindelijk geland in deze begroting.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik begrijp nu dat de staatssecretaris zegt: ik heb niets gedaan om de Eerste Kamer tegemoet te komen. Ik verwijs namelijk naar een motie van het lid Holterhues, aangenomen in de Eerste Kamer bij de Voorjaarsnota, die letterlijk zegt: verzoekt de regering de gebruikelijke systematiek — dus die van 1975 — met de OESO-norm van 0,7% van het bni als richtlijn structureel te herstellen. Het gaat dus wel degelijk om de koppeling van het bni met 0,7% als basis. Kan de staatssecretaris erkennen in dit debat: ik ben niet tegemoetgekomen aan die wens van de Eerste Kamer, ook niet die van de Tweede Kamer, eerdere oproepen en ook niet de belofte van het kabinet om die koppeling te herstellen; daar ben ik niet aan tegemoetgekomen? Dan is dat helder zodat wij vervolgens een oordeel kunnen vellen over de begroting. Kan zij dat erkennen?
Staatssecretaris De Vries:
Volgens mij ben ik zonet die vier moties afgelopen. Je kunt zeggen dat de koppeling aan het bni dan ook automatisch 0,7% is, maar dat staat niet in die eerste motie van de Eerste Kamer. Die hebben we in onze beleving wel uitgevoerd. Ik heb inderdaad aangegeven dat wij die andere twee niet uitgevoerd hebben, maar ik wil dan ook wel wijzen op de verworpen motie van 18 september 2025. Die vraagt ook om te koppelen aan 0,7% van het bni, maar is verworpen door de Tweede Kamer. Uiteindelijk moet daar chocola van gemaakt worden. Dit is wat het kabinet heeft gedaan. Het heeft gezegd: "We gaan een keer per jaar bij de Voorjaarsnota kijken hoe het macro-economisch is gelopen. Dan gaan we het ODA-budget bijstellen. Als er groei is, wordt het naar boven bijgesteld. Als er krimp is, wordt het naar beneden bijgesteld. Dat was ook zo in de oude systematiek. Maar we gaan niet naar die 0,7 toe."
De voorzitter:
Gaat u verder met het volgende blokje.
Staatssecretaris De Vries:
Dan gaan we naar het blokje Afrika. Een aantal partijen heeft nadrukkelijk hun steun uitgesproken voor alle hulpverleners — artsen, verpleegkundigen maar ook andere humanitaire hulpverleners — die er steeds meer mee te maken krijgen dat ze niet veilig zijn, dat ze beschoten worden. Dat is denk ik een zorg van ons allemaal. Een aantal partijen heeft daar heel nadrukkelijk aandacht voor gevraagd. Ook dit kabinet vindt het belangrijk dat humanitaire hulpverleners ongestoord hun werk kunnen verrichten. Nederland draagt dan ook bij aan het werk van de International NGO Safety Organisation, die veiligheidstrainingen voor hulpverleners verzorgt. Ik hoopte eigenlijk dat ze niet nodig zouden moeten zijn, maar helaas is dat wel het geval. We hebben ons de afgelopen jaren ook aangesloten bij de verklaring ter bescherming van humanitair personeel en zijn toegetreden tot een group of friends op dit thema die aan deze verklaring opvolging willen geven. Ook draagt Nederland bij aan het global initiative dat het internationale Rode Kruis heeft gelanceerd ter bevordering van het humanitair oorlogsrecht.
Een beetje in het verlengde daarvan vroeg de heer Bamenga specifiek naar Sudan. Ik denk dat het geldt voor alle conflictgebieden en alle gebieden waar humanitaire hulp wordt verleend, maar het geldt zeker voor Sudan. We zien dat er daar in delen waar de conflicten het heftigst zijn bijna geen toegang is voor humanitaire hulpverleners. Dat is een enorme zorg. Daarom proberen we er daar steeds druk op uit te oefenen dat dat wel gaat plaatsvinden.
De heer Bamenga heeft gevraagd of ik bereid ben om in Europa ervoor te pleiten om als EU deel te nemen aan het vredesproces in Sudan en het vredesproces in de Grote Meren, en Sudan en Congo structureel op de agenda te houden van de Raad Buitenlandse Zaken. Ik kan daar ja op zeggen. Ik denk dat het belangrijk is dat de Europese Unie ook een belangrijke rol pakt als het gaat om conflictbemiddeling en het oplossen van conflicten in de wereld. Dat mag wel wat meer, wat mij betreft. In Sudan hebben we het Quad-initiatief. Nederland heeft daar herhaaldelijk voor gepleit en zal dat ook blijven doen. Nederland is en blijft een grote donor — u heeft de brief over humanitaire hulp gezien — voor wat betreft humanitaire hulp aan Sudan en Congo, zowel via meerjarige flexibele financiering, die wij aan heel veel organisaties geven, als via de VN-landenfondsen. In 2026 dragen we respectievelijk 16 en 8 miljoen euro bij aan de humanitaire landenfondsen van Sudan en Congo. Ik denk dat dat belangrijk is. Dat is natuurlijk niet alles wat er gebeurt. We hebben namelijk ook de flexibele financiering, waarmee gekeken wordt naar de urgentste noden. Maar goed, vaak is achteraf pas aan te geven waar dat precies heen is gegaan.
De voorzitter:
We ronden eerst dit blokje af en daarna sta ik interrupties toe.
Staatssecretaris De Vries:
De heer Van der Burg heeft gevraagd naar meer Europese samenwerking, bijvoorbeeld voor Sudan en Gaza en ook als het gaat om ontwikkelingssamenwerking. Ik heb al iets aangegeven over conflictbemiddeling. Ik denk dat het belangrijk is dat Europa gezamenlijk een vuist gaat maken om te kijken hoe ze daar, meer dan nu het geval is, een belangrijkere rol in kunnen spelen. Ik denk dat we, gelet op hoe wij bijvoorbeeld met ontwikkelingshulp omgaan, daar ook de mogelijkheden toe hebben. Wat betreft Europese samenwerking denk ik dat het goed is dat er afstemming komt over wat er gedaan wordt door Europa en de verschillende lidstaten, om te zorgen dat we niet allemaal hetzelfde doen en om te voorkomen dat bepaalde conflicten helemaal geen aandacht krijgen. Ik denk dat dat ook een van de redenen is waarom wij heel bewust zeggen: we kiezen voor water, voedselzekerheid en gezondheid als belangrijke thema's. Daarin zijn wij ook sterk als Nederland en hebben we expertise.
Zowel mevrouw Van Ark van het CDA als de heer Ceder van de ChristenUnie heeft gevraagd naar de Afrikastrategie. Ik denk dat het belangrijk is dat we die hebben en dat er nu gevolg aan gegeven wordt. Dat is het pleidooi dat ik tussen de regels van beide partijen heb gehoord. Het kabinet investeert in gelijkwaardige partnerschappen op basis van gedeelde belangen. De urgentie om meer samen te doen, is echt ook breed gedeeld. Zoals ik zei, heb ik zelf een bezoek gebracht aan Ethiopië. Daar wordt echt intensief samengewerkt op economische ontwikkeling, landbouw, voedselzekerheid maar ook migratie. Het werk van Nederland draagt ook bij aan economische kansen, voor Nederlandse bedrijven maar zeker ook voor bedrijven in die landen. Ik denk dat dat belangrijk is. Er werd nog gevraagd of daar per brief een update over kan worden gegeven. Ik denk dat het goed is dat we in de bestaande instrumenten, de begroting en het jaarverslag, volgen wat er gebeurt bij de Afrikastrategie, zodat de Tweede Kamer goed op de hoogte gehouden wordt van hoe het gaat met de actiepunten in de Afrikastrategie.
De heer Hoogeveen van JA21 had een vraag over de Oxfordstudie over militaire uitgaven in Afrika. Ik ken deze studie persoonlijk niet, maar u noemt wel een relevant punt. Het is weliswaar lang geleden, maar een evaluatie in 2016 heeft aangegeven dat er eigenlijk geen bewijs is dat het een probleem vormt of gevolgen heeft voor de effectiviteit van ontwikkelingshulp, namelijk dat er niet meer militaire uitgaven gedaan worden in plaats van uitgaven aan ontwikkelingshulp. Om het risico desondanks te beperken — er kan natuurlijk een risico zijn — is het kabinet extreem terughoudend met het geven van begrotingssteun aan landen. Dat doen we op een andere manier.
De heer Hoogeveen van JA21 had ook nog een vraag over de besteding van de ODA-gelden. Zoals ik net al zei, raakt het een beetje aan de economische ontwikkeling van landen. De heer Hoogeveen gaf eigenlijk aan: hulp kan niet langer bevrijdend maar verstikkend werken voor de opbouw van lokale instituties. Ik denk dat de waarheid een beetje in het midden ligt. Ik denk dat humanitaire hulp, voedselhulp et cetera, heel belangrijk is als het gaat om de urgente noden. Dat is volgens mij een no-brainer. Daarnaast moeten we inderdaad kijken hoe we de economieën kunnen stimuleren en ervoor kunnen zorgen dat uiteindelijk de koek groter wordt in die landen — dat gaf de heer Van der Burg ook al aan, volgens mij — en daaruit ook zaken als gezondheidszorg gefinancierd kunnen worden. Uiteindelijk moet die economische ontwikkeling gewoon op gang komen, wil je ook perspectief kunnen bieden aan de mensen die daar wonen.
Dat was het blokje Afrika.
De voorzitter:
Dan kijk ik de Kamer rond en concludeer ik dat de staatssecretaris bijna compleet was. Ik zag mevrouw Van Ark en de heer Bamenga in beweging komen. Komt u er zelf uit? Ja. Mevrouw van Ark, gaat uw gang.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik heb een vraag over de Afrikastrategie. Die is al in 2023 gepubliceerd. Het kabinet is daarna pas aangetreden en heeft ook een bezuiniging ingeboekt in de begroting. Hoe kijkt de staatssecretaris naar die Afrikastrategie en welke keuzes gaan we daarin maken, want het kan toch niet zo zijn dat we hetzelfde gaan doen met minder geld? Daar ben ik benieuwd naar.
Staatssecretaris De Vries:
Ik denk dat voor een aantal zaken niet per se altijd méér geld nodig is. Ik denk dat je daarin ook keuzes kan maken. Ik denk dat de Afrikastrategie voor ons nog steeds geldt. Ik denk dat dat ook belangrijk is. Ik ben even mijn stukken erbij aan het pakken. Excuus, voorzitter. Het lijkt mij goed dat we bijvoorbeeld in het jaarverslag van BHO van afgelopen jaar eventjes goed inzichtelijk maken wat de voortgang is. Ik wil daar niet apart weer allemaal brieven over sturen. Dat bespaart de ambtenaren misschien ook weer wat extra werk. Laten we dat meenemen in de verantwoording die we altijd over het jaar doen. Maar het blijft een belangrijk element. Het is niet zo dat we daar niet op in willen zetten of iets dergelijks. Maar goed, ik denk dat heer Bamenga straks nog over het Grote Merenprogramma begint.
De voorzitter:
U mag vragen stellen totdat ik zeg dat ze op zijn, mevrouw Van Ark. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Deze nieuweling weet nog niet alles, hè? Mijn tweede vraag gaat over de schuldenproblematiek in, met name Afrikaanse, landen die niet hun eigen gezondheidssysteem kunnen betalen. Hoe kijkt de staatssecretaris daarnaar en naar de Nederlandse inzet daarop?
Staatssecretaris De Vries:
Ik denk dat het inderdaad belangrijk is dat er gekeken wordt naar de schuldenlast van landen. Het is overigens niet zo dat als de schuldenlast lager wordt, men zelf automatisch meer gaat uitgeven aan gezondheid. Ik denk dat de inzet van dit kabinet ook niet is om te doen aan schuldafschrijving of schuldkwijtschelding, maar ik denk wel dat het een belangrijk instrument is om te bekijken hoe het draagbaar kan worden, bijvoorbeeld met behulp van het IMF of andere instanties die daarin een rol kunnen spelen. Ik denk dat dat een belangrijk punt is, maar nogmaals: kwijtschelding van schulden is wat ons betreft nog wel weer een stap verder. Dat is niet de lijn van het kabinet op dit moment.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Van Ark twijfelen. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dat bedoelde ik ook niet. Ik bedoelde inderdaad: het lijkt me heel goed als Nederland zich daarvoor in gaat zetten en gaat bekijken wat we daarin wel kunnen doen zonder dat we direct gaan kwijtschelden. Ik denk dat er veel slimmere manieren zijn om dat te doen. Ik zal daar later ook nog een motie over indienen.
Staatssecretaris De Vries:
Ik ben altijd voor slimme oplossingen.
De heer Bamenga (D66):
Ik ben ontzettend blij met de reactie van de staatssecretaris in het kader van Congo en Sudan, namelijk om dat structureel te agenderen in Europa. Ik ben ook blij met de uitspraak van de staatssecretaris om ervoor te zorgen dat Europa in ieder geval te allen tijde een belangrijke rol gaat spelen als het gaat om Congo en Sudan. Op welke manier worden wij erover geïnformeerd op het moment dat zij hiervoor in Europa gaat pleiten?
Staatssecretaris De Vries:
Dat kan rondom de RBZ, de Raad Buitenlandse Zaken OS bijvoorbeeld. Volgens mij heeft mijn collega Van Weel daar ook weleens in een gewone RBZ aandacht voor gevraagd. Dat zullen wij natuurlijk altijd in het verslag aangeven. Ik denk dat dat de belangrijkste manieren zijn om u daarvan op de hoogte te houden.
De voorzitter:
Gaat u verder met het volgende blokje.
Staatssecretaris De Vries:
Ik zit nog even te kijken of ik niks overgeslagen heb, maar volgens mij is dat niet het geval. Dan ga ik naar de wederopbouw. Het gaat over Oekraïne en Gaza.
De heer Van der Burg van de VVD heeft gevraagd hoe er aangekeken wordt tegen de wederopbouw van Oekraïne. Ik denk dat het op dit moment hele zware tijden zijn voor de Oekraïense bevolking. Er zijn heel veel aanvallen op de energie-infrastructuur. Heel veel Oekraïners zitten in de kou. Daar spelen we ook echt op in. We hebben ook een hele actieve rol in het bekijken hoe we die energie-infrastructuur voor de Oekraïners op de been kunnen houden.
Er wordt natuurlijk ook nagedacht over hoe het moet als er straks vrede is en hoe we moeten kijken naar de wederopbouw. U weet ook als geen ander dat er in de besprekingen onderhandeld wordt over een prosperity package. Een collega van de heer Van der Burg heeft eerder al eens een motie ingediend, die ook is aangenomen, over of je niet vooruitlopend alvast kunt kijken of er handel mogelijk is. Dat soort zaken worden opgepakt wat ons betreft. U kunt ervan uitgaan dat we dat op een zo goed mogelijke manier proberen te doen, met alle landen die daar ook een rol in spelen. Nederland doet heel veel als het gaat om bijvoorbeeld de energie-infrastructuur. Wij roepen andere landen op om daar ook hun verantwoordelijkheid in te nemen.
Dan Gaza. Er is niet echt een vraag gesteld over de wederopbouw, maar wel een amendement over ingediend. U heeft het ook genoemd; dat klopt. Dat gaat ook over de wederopbouw. We zijn natuurlijk allemaal blij dat er een overeenkomst is. Die is fragiel. Daar is ook nog heel veel over te zeggen. Dat debat zou ik niet over willen doen, voorzitter. Maar er is een amendement ingediend, dat op stuk nr. 23 van de heer Van Baarle, voor het verhogen van de humanitaire bijdrage aan Gaza met 1 miljard euro. Ik denk dat iedereen ziet dat er heel veel moet gebeuren in Gaza. Er wordt ook over nagedacht hoe je dat moet doen. Er wordt ook gekeken of er niet op korte termijn een conferentie over kan plaatsvinden. Nederland heeft aangegeven graag co-host te willen zijn. Ik denk ook dat andere partijen — ik heb het dan over private partijen, maar bijvoorbeeld ook over de Wereldbank — daarbij betrokken zouden moeten worden. Wij doen nu natuurlijk ook al dingen. We hebben onder andere voor de watervoorziening extra bedragen beschikbaar gesteld.
Bij het amendement op stuk nr. 23 is er qua dekking voor gekozen om de staatsschuld op te laten lopen. Dat is wat ons betreft geen deugdelijke dekking. Ik denk ook dat er op dit moment echt nagedacht wordt over de vraag hoe we daar uiteindelijk vorm aan kunnen geven en welke partijen daar een rol bij moeten spelen. Maar ik moet dit amendement wel ontraden.
De voorzitter:
Het amendement-Van Baarle op stuk nr. 23 wordt ontraden. Ik kijk even naar de staatssecretaris. Heeft zij dit blokje afgerond, inclusief deze appreciatie?
Staatssecretaris De Vries:
Ja.
De voorzitter:
Dat is het geval. Dan geef ik met veel plezier de heer Van Baarle het woord.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik zag natuurlijk niet aankomen dat de staatssecretaris dit amendement zou ontraden. De wederopbouw van Gaza is een uitdaging die ontzettend veel inzet gaat kosten. Die gaat de internationale gemeenschap ook geld kosten. De regering heeft eerder 20 miljoen euro voor de wederopbouw van Gaza gereserveerd, naar ik meen in 2024. Dat bedrag is toen doorgeschoven naar de begroting van 2025. Toen is daar een gedeelte van gebruikt voor watervoorziening. Wat is er met de rest van het bedrag gebeurd dat is toegezegd voor de wederopbouw van Gaza? Staat dat nog steeds op de begroting, was een van mijn vragen.
Staatssecretaris De Vries:
Die 20 miljoen is helemaal uitgegeven aan het herstel van de waterinfrastructuur in Gaza. Dat is via UNICEF gedaan. Het is dus niet zo dat er nu nog ergens geld staat of dat geld dat niet gebruikt is, opeens verdwenen is.
De heer Van Baarle (DENK):
Dus als ik het goed begrijp, is die 20 miljoen overgemaakt aan UNICEF. Nederland heeft op dit moment dus geen budget staan, geen inzet staan, geen middelen gereserveerd voor de wederopbouw van Gaza. Dan zou ik tegen deze staatssecretaris willen zeggen dat dat niet kan. Je kan niet aan de ene kant zeggen "we doen zo veel, we zijn geweldig, we zullen cohost zijn van een internationale bijeenkomst" en tegelijkertijd die 20 miljoen ... Het is mooi dat het is gebeurd, maar het is natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat als je kijkt naar wat er nodig is.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Van Baarle (DENK):
Kan de staatssecretaris in ieder geval toezeggen dat in het komende begrotingsjaar vanuit het budget dat er is ook een bijdrage komt voor de wederopbouw van Gaza, onder andere op die bijeenkomst waar Nederland nota bene cohost van wil zijn?
Staatssecretaris De Vries:
Ik weet niet op welk budget de heer Van Baarle dan doelt. Het is duidelijk dat er heel veel nodig is in Gaza. Ik denk dat een heleboel andere landen ook aan de lat zouden moeten staan om daarin een rol te spelen. Ik kan daarvoor nu gewoon geen budget neerzetten. Het is belangrijk dat we met elkaar kijken naar wie welke rol moet spelen. Het is niet zo dat altijd overheden daarin een rol hoeven spelen, al spelen ze daar natuurlijk ook een rol in. Maar ook andere partijen kunnen een rol spelen. Ik vind het aan een nieuw kabinet om hiervoor bedragen beschikbaar te stellen.
De voorzitter:
Afrondend op dit punt.
De heer Van Baarle (DENK):
Ja, afrondend. De internationale gemeenschap heeft niet gedaan wat ze moest doen om de genocide in Gaza te stoppen. De mensen in Gaza zijn daar het slachtoffer van. Op het moment dat deze staatssecretaris dit jaar de inzet gaat voorbereiden voor een conferentie over de wederopbouw van Gaza en Nederland daar met lege handen naartoe gaat omdat het daar geen budget voor heeft, dan laat deze staatssecretaris zien dat Nederland — het spijt me dat ik het moet zeggen — de mensen in Gaza gewoon echt laat stikken. Dus nogmaals de oproep richting deze staatssecretaris: stel nou budget beschikbaar, zodat in Gaza begonnen kan worden met de wederopbouw. Daarvoor is die 20 miljoen bij lange na niet genoeg.
Staatssecretaris De Vries:
Ik weet dat 20 miljoen inderdaad een laag bedrag is als je kijkt naar de huidige schattingen, maar ik kan ook geen geld uit de hoge hoed toveren. Dan moet er een deugdelijke dekking gegeven worden als de heer Van Baarle een voorstel wil doen. U kunt ervan op aan dat wij echt wel nadenken over hoe dat zou moeten, wie dat zou moeten betalen, wat de rol van de Wereldbank daarin kan zijn en wat de rol van Nederland kan zijn. Maar ik ga nu niet stante pede eventjes ... Dat lijkt mij niet de juiste manier.
Mevrouw Dobbe (SP):
Voordat ik mijn blokje interrupties begin, zou ik even iets willen checken. Dit was het blokje Afrika en Midden-Oosten. Worden mijn vragen over medische evacuaties en UNRWA nog beantwoord?
Staatssecretaris De Vries:
Die zijn naar aanleiding van de schriftelijke vragen beantwoord, maar als u daar nog een vraag over heeft, kan dat natuurlijk altijd.
Mevrouw Dobbe (SP):
Daar blijft het dan bij, denk ik. Mijn vraag is deze. Bij UNRWA ...
Staatssecretaris De Vries:
Ik ga aan het eind nog de amendementen appreciëren.
De voorzitter:
Dat komt nog.
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb er nu een paar meegenomen omdat het in het blokje paste bij bni. Het leek me raar om daar geen appreciatie van te geven. Aan het einde ga ik nog een keer alle amendementen appreciëren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Oké. Dan een vraag over UNRWA. Daarvan zegt deze regering: er is geen alternatief voor UNRWA. Onlangs hebben wij daarover schriftelijke vragen gesteld. Eigenlijk is er geen alternatief voor UNRWA voor het leveren van humanitaire hulp en eigenlijk ook een groot deel van de publieke voorzieningen. Dat erkent deze regering ook. Tegelijkertijd zien we nog iets anders gebeuren. Deze regering wil diversificeren, want ze willen niet dat UNRWA de enige is en er geen alternatief is. Andere organisaties moeten dat ook gaan doen, ook internationale organisaties. Een deel daarvan wordt nu geblokkeerd. Dat diversificeren staat dus op het spel, want op dit moment kan dat helemaal niet. Tegelijkertijd is er geen alternatief voor UNRWA en zijn de humanitaire noden in Gaza ontzettend hoog. Dus eigenlijk kan de conclusie alleen maar zijn dat de financiering voor UNRWA niet kan worden afgebouwd. Dat is de enige conclusie die je hieruit zou kunnen trekken, tenzij je vindt dat de Palestijnen geen humanitaire hulp verdienen. Wat is daarop dan de reactie van de staatssecretaris?
Staatssecretaris De Vries:
Ik kan misschien wel direct de amendementen over UNRWA meenemen. Dat is het amendement op stuk nr. 15, van mevrouw Kröger, en het amendement op stuk nr. 29, van mevrouw Dobbe. Het kabinet ontraadt deze amendementen. Wij hebben nadrukkelijk ingezet op diversificatie van de humanitaire hulp in de Gazastrook. We weten ook dat het amendement-Stoffer/Eerdmans gaat over de afbouw en over het op een andere manier inzetten van de middelen. Er zijn zeker nog wel organisaties. Niet elke organisatie staat op de lijst van organisaties die niet mogen werken in Gaza. Ik denk dat dat een belangrijk element is. Het kabinet heeft eerder zijn zorgen geuit over de neutraliteit van UNRWA. Er wordt uitvoering gegeven aan de aanbevelingen uit het Colonnarapport. Ik meen dat men nu gereed is met ongeveer 40% van de aanbevelingen. Men is goed bezig om daar stappen in te zetten. Er zijn nog wel wat zorgen over het lesmateriaal. Het kabinet houdt zich dus aan het amendement-Stoffer/Eerdmans, met de oproep tot diversificatie. Persoonlijk denk ik dat het gezond is dat er geen afhankelijkheid van één organisatie is, want anders ben je heel kwetsbaar.
De voorzitter:
Voor de duidelijkheid: wat wordt het oordeel daarmee?
Staatssecretaris De Vries:
Het amendement op stuk nr. 15 en het amendement op stuk nr. 29 worden ontraden.
De voorzitter:
Dat zal de voorzitter dan ook nog een keer benoemen. Het amendement op stuk nr. 15 wordt ontraden en het amendement op stuk nr. 29 krijgt ook de appreciatie ontraden.
Mevrouw Dobbe (SP):
Met dit antwoord is het dus heel goed dat deze amendementen er liggen. Ik zou de Kamer er heel graag toe willen oproepen om deze te steunen, want de staatssecretaris gaat hier gewoon keihard voorbij aan de realiteit dat er op dit moment geen alternatief is voor UNRWA. Zelfs al zou ze dat wel willen, de realiteit is dat het alternatief dat er zou kunnen zijn op dit moment voor een groot deel wordt geblokkeerd door de Israëlische regering. Dat is dus mijn oproep aan de Kamer.
Ik heb ook vragen gesteld over medische evacuaties. Dat komt omdat er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie op dit moment ruim 4.000 kinderen wachten op medische evacuatie. Er is geen plek in de regio. De Wereldgezondheidsorganisatie vraagt aan landen om medische evacuaties mogelijk te maken. Voor het reces heeft dit kabinet met veel bombarie gezegd dat het die mogelijk gaat maken, maar nu ligt het helemaal stil. We hadden van de week nog een debat met de minister van Buitenlandse Zaken. Die verwijst naar de staatssecretaris van BHO. Er zou een rondje worden gemaakt om te inventariseren hoe het zit met de medische capaciteit in de regio, terwijl het al duidelijk is. Ik zal mijn vraag aan de minister van Buitenlandse Zaken hier herhalen aan de staatssecretaris: welke informatie is er nog nodig? Alles is namelijk al duidelijk.
Staatssecretaris De Vries:
Voorzitter, u bent een groot voorstander van het niet herhalen van discussies. Dit punt is inderdaad door de minister verwezen naar deze begrotingsbehandeling, maar volgens mij heeft de Kamer daar niet helemaal genoegen mee genomen. De minister heeft eerder namens het kabinet toegezegd dat er in januari een brief over komt. Daar wil ik op dit moment naar verwijzen. Volgens mij is dat ook in lijn met wat de heer Van Weel heeft gezegd.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat is echt geen porem. Sorry, hoor. Tijdens een eerder debat worden wij door de minister van Buitenlandse Zaken verwezen naar deze staatssecretaris en deze staatssecretaris zegt: wacht maar op de brief die de minister gaat sturen. Wat is het nou? Ik herhaal het hier nog een keer: er zijn 4.000 kinderen die urgente medische evacuatie nodig hebben. Die zijn ontzettend ziek of ze zijn gewond. Zij hebben nu medische hulp nodig die er in de regio niet is. Dit kabinet loopt uit te stellen en uit te stellen en uit te stellen. Die kinderen hebben nu hulp nodig en die krijgen ze niet. Elke dag dat we dit niet doen, kunnen die kinderen overlijden. Daarom nemen wij geen genoegen met dit antwoord. Het lijkt er namelijk heel erg sterk op dat deze staatssecretaris en de minister gewoon aan het traineren zijn.
De voorzitter:
Wat is uw vraag, mevrouw Dobbe?
Mevrouw Dobbe (SP):
De informatie is al beschikbaar. Ik krijg maar geen antwoord op de vraag welke informatie ze nu dan nog aan het zoeken zijn, behalve de hele duidelijke informatie van de humanitaire organisaties en de Wereldgezondheidsorganisatie, die zeggen dat de medische capaciteit er niet is.
Staatssecretaris De Vries:
Het is natuurlijk allemaal hartstikke leuk, maar gisteren is er geen genoegen mee genomen dat er alleen verwezen werd naar dit debat. Toen is wel de discussie met minister Van Weel aangegaan. U weet dat wij allebei hebben gezegd dat het kabinet in januari met een brief komt. Er zijn vijf kinderen naar Nederland gehaald. We gaan bekijken wat daar de resultaten … Nou ja, "de resultaten" klinkt een beetje lelijk. We hebben natuurlijk ook 25 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de opbouw van de capaciteit daar. We moeten ook kijken naar wat daarmee precies is gebeurd. Ik ga nu inderdaad echt verwijzen naar die brief, want anders ga ik hier lopen freewheelen en dat verdient het onderwerp niet.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
UNRWA vormt de ruggengraat van humanitaire hulp in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever. Ook Nederlandse humanitaire operaties, inclusief die van de Dutch Relief Alliance, zijn afhankelijk van de capaciteit van UNRWA. Dat horen wij van de organisaties waarvan de staatssecretaris nu zegt dat die die hulp nu maar moeten gaan leveren. We hebben UNRWA nodig om de humanitaire noden in Gaza te kunnen ledigen. Erkent de staatssecretaris dat UNRWA die cruciale rol moet spelen?
Staatssecretaris De Vries:
UNRWA heeft zeker nog steeds een belangrijke rol. Dat is de reden dat er ook in de begroting van 2026 geld naartoe gaat. Misschien verschillen we daarover van mening, maar dat laat onverlet dat ik het voor de lange termijn niet gezond vind dat er afhankelijkheid is van één organisatie. Ik vind het dus heel goed dat er ingezet wordt op diversificatie. Dat is ook waarom ik de amendementen heb ontraden. Het is uiteindelijk aan de Kamer, maar het is niet de lijn van dit kabinet om het amendement dat vorig jaar is aangenomen, nu opeens te gaan aanpassen.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
De staatssecretaris moet zich realiseren dat de Kamermeerderheid van het amendement dat vorig jaar is aangenomen, niet meer bestaat. Er is nu een Kamermeerderheid van mensen van partijen die toen tegen dat amendement hebben gestemd. Het antwoord van de staatssecretaris is nu eigenlijk dat UNRWA helemaal prima is, terwijl zij er net, in haar eerste blokje, toch weer een beetje in meeging dat UNRWA problematisch zou zijn. Als we kijken naar de situatie in Gaza en het feit dat de toegang van noodorganisaties geblokkeerd wordt, zien we dat we UNRWA nodig hebben. We hebben volledige steun voor UNRWA nodig. Ik wil de staatssecretaris toch vragen om de bezuiniging op UNRWA, die afbouw, ongedaan te maken en ervoor te zorgen dat we UNRWA steunen, juist omdat de Israëlische overheid noodorganisaties de toegang ontzegt.
Staatssecretaris De Vries:
Ik begin volgens mij een beetje in herhaling te vallen. Inderdaad is UNRWA nog steeds nodig. Daarom staat er ook geld voor UNRWA op deze begroting. Vind ik dan dat we het amendement van Eerdmans en Stoffer terug zouden moeten draaien? Nee, ik denk dat dit niet nodig is, omdat ik het ook belangrijk vind dat we aan diversificatie doen. Ik wil ook niet volledig mijn ogen sluiten voor bijvoorbeeld het Colonnarapport, waarin aanbevelingen zijn gedaan over punten waarop het gewoon anders moet. Als je kijkt naar de lesmaterialen, zijn daar echt nog wel stappen te zetten door UNRWA. Ik vind ook dat het belangrijk is om niet meer alleen maar daarvan afhankelijk te zijn. Is daarmee de rol van UNRWA helemaal niets waard? Nee, zeker niet, zeker niet. Maar ik vind ook niet dat we dat zo tegenover elkaar moeten zetten. Ik denk dat het belangrijk is dat er humanitaire hulp in Gaza is en ik zou het heel gezond voor de toekomst vinden dat we dat niet alleen maar via één organisatie doen.
De voorzitter:
Afrondend op dit punt, mevrouw Kröger.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
De staatssecretaris gaat hier geheel voorbij aan de realiteit on the ground in Gaza, waarbij de noodorganisaties waarover zij het heeft, die de diversificatie van die hulp zouden moeten bieden, geen toegang krijgen. Die roepen ons op: alsjeblieft, herstel de steun aan UNRWA. En de staatssecretaris weigert dat, alsof er niks aan de hand is. Ik vind dat uitermate teleurstellend. Inderdaad, dan is het aan de Kamer om in meerderheid te spreken.
Staatssecretaris De Vries:
Ik vind het altijd wel ingewikkeld als woorden verdraaid worden. Ik heb een aantal dingen over UNRWA gezegd. Ik heb gezegd dat UNRWA nodig is om daar een aantal zaken te doen. Ik heb ook aangegeven dat ik het belangrijk vind dat er diversificatie is, maar ik vind het ook belangrijk — ik hoop dat ook andere partijen dat zien — dat er natuurlijk een Colonnarapport is geweest, waarvan een aantal aanbevelingen nog echt geïmplementeerd moeten worden door UNRWA. Wij sturen erop dat dit zo snel mogelijk gaat. Ze zijn echt goede stappen aan het zetten. Maar ik vind wel dat we daar ook oog voor moeten hebben. Het belangrijkste voor mij is gewoon dat ik het heel ongezond vind dat je maar van één partij afhankelijk bent om ergens humanitaire hulp te leveren op deze manier. Ik blijf dus bij het ontraden van de beide amendementen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
We moeten deze discussie over UNRWA natuurlijk wel zien in het licht van waar die is begonnen, namelijk met de verdachtmakingen door de Israëlische regering dat er allerlei dingen mis zouden zijn en dat er sprake zou zijn van terrorisme binnen UNRWA. Vervolgens is er een onafhankelijk VN-onderzoek geweest waaruit blijkt dat er een aantal stappen te zetten zijn. Maar voor al die verdachtmakingen heeft de Israëlische regering nooit bewijs aangeleverd. Is het dan ook niet vanuit eerherstel voor een VN-organisatie gepast als de Nederlandse regering zegt: "De noden zijn heel hoog. Er waren verdachtmakingen en toen hebben we die hulp stopgezet. Daar gaan we niet meer in mee en ook in het kader van eerherstel gaan we de steun aan UNRWA hervatten"?
Staatssecretaris De Vries:
Kijk, je kunt zeggen dat er helemaal niks aan de hand is geweest, maar er zijn natuurlijk wel dingen die aangepast moeten worden. In het Colonnarapport zijn een groot aantal aanbevelingen gedaan over punten waarop er aanpassingen moesten zijn bij UNRWA. Ze zijn goed bezig om die te implementeren, maar zijn ze ermee klaar? Nee, dat zijn ze nog niet. Maar dat is buiten het feit dat ik vind dat diversificatie gewoon een belangrijk onderwerp is. Ik zie dan ook dat er een amendement-Eerdmans/Stoffer door de Kamer is aangenomen om het af te bouwen. UNRWA heeft nog zeker een rol en er staat ook nog geld op de begroting, maar die diversificatie is voor ons echt cruciaal.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dat amendement was ook ingegeven door die verdachtmakingen, die uiteindelijk niet blijken te kloppen. Geen enkele organisatie is perfect, maar dat is heel wat anders dan dat je een organisatie onjuist beschuldigt van terrorisme. Achteraf blijkt dat niet waar te zijn. Er zijn weliswaar verbeterpunten op andere vlakken, waar UNRWA nu mee aan de slag is. Maar dat is geen reden om de hulp stop te zetten. De staatssecretaris zegt de hele tijd dat ze diversificatie belangrijk vindt. Ze erkent in de beantwoording dat Gaza op dit moment afhankelijk is van UNRWA, dat UNRWA een belangrijke rol speelt in het leveren van humanitaire hulp en dat er nog geen alternatief is. Dan vraag ik me af waarop de staatssecretaris baseert dat diversificatie op dit moment, nu al die organisaties dus geen toegang krijgen tot Gaza, een belangrijker argument is dan "er is nu geen alternatief voor de humanitaire noden in Gaza". Waar baseert de staatssecretaris op dat diversificatie zo belangrijk is?
Staatssecretaris De Vries:
Ik vind diversificatie belangrijk, omdat ik het heel kwetsbaar vind als maar één organisatie bepaalde zaken in een gebied levert. Ik vind dat gewoon geen gezonde situatie, of dat nu in Gaza is of ergens anders. Je zit namelijk meteen met de handen in het haar als er een keer iets gebeurt met zo'n organisatie. Wij hebben een genuanceerd verhaal geschetst over wat er aan de hand is bij UNRWA. We hebben gekeken naar het Colonnarapport. Daar zijn aanbevelingen uit voort gekomen, die ook zo goed mogelijk geïmplementeerd worden door UNRWA op dit moment. Is men daarmee klaar? Nee, daar is men nog niet mee klaar. Op een aantal punten is het inderdaad noodzakelijk dat UNRWA een aantal dingen doet in Gaza. We kunnen van mening verschillen over die diversificatie. Als u het prima vindt om het aan één organisatie over te laten, dan is dat een keuze. Dat is niet de keuze die eerder door de Kamer is gemaakt. Het kan dat partijen daar misschien anders over denken, door alle informatie die men nu heeft gekregen na het Colonnarapport et cetera en door hoe de aanbevelingen worden geïmplementeerd, maar dit is de lijn van dit kabinet.
De voorzitter:
Afrondend op dit punt.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Afrondend. Ik deel het beeld dat de staatssecretaris schetst helemaal niet. Er zijn heel veel organisaties actief in Gaza voor humanitaire hulp. UNRWA is niet zomaar een organisatie, het is een VN-organisatie. Het is logisch dat zij een grote rol spelen. Ik hoor dat de staatssecretaris zich toch nog laat leiden door de eerdere onjuist gebleken verdachtmakingen richting UNRWA. Ik roep de Kamer vooral op om hier een andere positie in te nemen en de hulp aan UNRWA te hervatten.
Staatssecretaris De Vries:
Ik val in herhaling. Ik heb ook iets gezegd over het lesmateriaal dat daar gebruikt wordt. Daar wordt door UNRWA aan gewerkt. Ik heb begrepen dat het lesmateriaal voor het lager onderwijs inmiddels is verbeterd, maar er zijn daar ook echt nog stappen te zetten. Ik denk dat dat ook een belangrijk element is waar UNRWA nog vervolgstappen op moet zetten. Ze willen daar ook vervolgstappen op zetten. Maar ik blijf het daarnaast heel ongezond vinden dat er maar één organisatie is die daar bepaalde dingen doet.
De heer Markuszower (PVV):
Als je naar het debat tussen mevrouw Teunissen en de staatssecretaris luistert, dan lijkt het net of mevrouw Teunissen zegt dat er helemaal niets aan de hand is met UNRWA. Het lijkt of de staatssecretaris zegt dat er wel wat dingetjes uit een rapport naar voren kwamen, en dat ze bezig zijn met lesmateriaal en met allemaal andere dingen. Ik wil toch van deze staatssecretaris een wat hardere normering. Ik wil eventjes terug naar wat UNRWA nou precies heeft gedaan en waarvan ze onder andere worden beschuldigd. Op 7 oktober zijn duizenden terroristen vanuit Gaza naar Israël gekomen. Ze hebben 1.200 mensen afgeslacht op de meest beestachtige manier die wij ons niet eens kunnen voorstellen: er zijn baby's levend verbrand, vrouwen dood verkracht en mannen onthoofd. Dat is daar gebeurd. Er zijn ook nog 250 Israëli's ontvoerd. Die zijn maandenlang in de donkere kelders en tunnels van Gaza verborgen gehouden. Wie hebben dat onder anderen gedaan? Dat waren onder anderen twaalf medewerkers van UNRWA. Tientallen medewerkers van UNRWA hebben dat toegejuicht. Er is bewezen dat zij nauwe banden hebben met die terroristen van Hamas, islam en jihad. Ik wil dat de staatssecretaris gewoon duidelijk zegt: er waren niet een aantal dingetjes mis met UNRWA, nee, bij UNRWA waren terroristen geïnfiltreerd en er zijn zelfs medewerkers van UNRWA die Joodse baby's hebben verbrand in hun eigen huis. Dat kan de staatssecretaris toch zeggen in plaats van "er moet nog iets gedaan worden aan lesmateriaal" of zo?
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb aangegeven dat er een aantal zaken zijn geconstateerd. Daar hebben we het Colonnarapport voor gehad. Je kunt heel hard gaan roepen dat het een terroristische organisatie is, maar dat gaat mij echt veel en veel te ver. Ik had ook gehoopt dat de Kamerleden daar toen u aan het woord was iets over zouden zeggen, zeker na het indienen van een motie waarin staat dat ik mij daar wel over moet gaan uitspreken. Ik sluit mijn ogen niet voor de dingen die fout gegaan zijn bij UNRWA, maar ik hou me ook vast aan de feiten, namelijk dat er aanbevelingen zijn gedaan en dat UNRWA ook echt niet blij is met de medewerkers die daarbij betrokken zijn geweest. Dat was verschrikkelijk; dat weet iedereen. Ik denk dat het iedereen die de beelden ziet aan het hart gaat. Maar ik vind ook dat we goed moeten kijken naar de feiten. We hebben het Colonnarapport gehad. We hebben aanbevelingen gehad. Ze zijn er nog niet helemaal. We moeten ook constateren dat we op een aantal punten inderdaad niet zonder UNRWA kunnen. Maar dat is wel waarom ik ook hecht aan de diversificatie van organisaties die daar een rol in kunnen spelen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Er lopen een aantal dingen door elkaar. Dat gebeurt al twee jaar. Het is goed om die feiten uit elkaar te houden. Er zijn twee rapporten uitgekomen. We hebben het Colonnarapport, waarin een aantal zaken naar boven zijn gekomen die voor verbetering vatbaar waren. Daarbij zijn de gebeurtenissen rond 7 oktober expliciet niet meegenomen. Het Colonnarapport is belangrijk, maar het omvat niet wat er op 7 oktober is gebeurd. Een paar maanden later is een ander rapport uitgekomen, het OIOS-rapport. Aan de hand daarvan zijn — uit mijn hoofd — negen medewerkers door de VN ontslagen. Ze gingen er niet in detail op in, maar wel vanwege hun betrokkenheid bij 7 oktober. Dat rapport had wél betrekking op in ieder geval de gebeurtenissen op en rond 7 oktober. Dat neemt niet weg dat UNRWA belangrijk is; misschien wel te belangrijk om om te vallen. Dit is ook de reden waarom de ChristenUnie het amendement van vorig jaar, om de betalingen te verlagen, niet heeft gesteund, omdat de staatssecretaris destijds geen goed verhaal had over de alternatieven. Ik ben het eens met de staatssecretaris over de diversificatie, dus die lijn steun ik. Ik denk ook dat veel van de problemen ermee te maken hebben dat één organisatie het VN-mandaat heeft uit 1949 en dat dat kwetsbaar is. Maar er moet wel iets tegenover staan, en dat amendement bood dat niet.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag is ... Wij als ChristenUnie zullen ons opnieuw moeten buigen over dit amendement. Aan de ene kant vinden wij dat diversificatie belangrijk is. Aan de andere kant zien wij niet dat er pogingen gedaan worden om dat mandaat te veranderen, dus dat er meer partijen betrokken kunnen worden. Tja, dan wordt het een lastig verhaal, want zoals de staatssecretaris zelf zegt, is UNRWA gewoon belangrijk voor de eerste levensbehoeften. Ik vroeg mij dus af of de staatssecretaris naast het ontraden van het amendement nog verdere plannen heeft om die diversificatie ook echt vorm te geven, misschien wel door naar het mandaat te kijken dat de UNRWA alleen heeft. Misschien zouden meer partijen dit kunnen doen. Maar hoe ziet die diversificatie er dan uit?
Staatssecretaris De Vries:
Op het laatste punt, dat van het mandaat, moet ik even terugkomen in de tweede termijn. De middelen zijn natuurlijk wel nog steeds beschikbaar; het is niet zo dat die niet meer voor Gaza beschikbaar zijn. Ik moet even kijken hoe die besteed zijn de afgelopen tijd en hoe men daarnaar kijkt. Daar kom ik ook even op terug in tweede termijn.
De heer Markuszower (PVV):
Kort, voorzitter. Wij vinden — en dat is al een paar keer gezegd — dat je die hele ontwikkelingshulp moet ontmantelen en dat we ons geld, ons duur verdiende belastinggeld, in Nederland moeten uitgeven. Er zijn genoeg zielige kinderen in Nederland die ook onze hulp nodig hebben. Er zijn genoeg zieke kinderen in Nederland die onze hulp nodig hebben. Er zijn genoeg mensen die te veel pijn hebben als ze hun boodschappen afrekenen. Maar er werd net gezegd of er werd net gedaan in dit debat alsof er niet genoeg organisaties zijn die in de Gazastrook actief zijn. Is de staatssecretaris bekend met de lijst van 24 organisaties die, as we speak, hulp geven aan en binnen Gaza? En 24 is meer dan 1, dus in mijn optiek is dat diversificatie. Maar ik herhaal wel: geeft u alstublieft geen geld aan Gaza, en ook niet aan Timboektoe en ook niet aan Afrika, maar houd het geld in Nederland.
Staatssecretaris De Vries:
Ik vind het altijd moeilijk om de mensen die hier niet kunnen rondkomen en het slecht hebben tegenover mensen die het elders slecht hebben neer te zetten. Ik zou even moeten kijken welke lijst dat is. Deze specifieke lijst ken ik niet zo, maar dat zal dan vast aan mij liggen. U kent die organisaties vast wel. Kijk, het punt is natuurlijk wel dat UNRWA ook een ander type rol heeft als het bijvoorbeeld gaat om onderwijs en dat soort zaken. Die is anders dan andere organisaties. Vandaar dat er nu inderdaad nog steeds geld staat voor UNRWA, ook in het amendement van de heer Eerdmans en de heer Stoffer, om daar ook voor volgend jaar toch nog een bedrag voor beschikbaar te stellen.
De voorzitter:
Gaat u verder met het volgende blokje.
Staatssecretaris De Vries:
Ja. Dat zijn de maatschappelijke organisaties. Er wordt gezegd: het kabinet verbiedt maatschappelijke organisaties om met overheidssteun te lobbyen; ze willen kritiek smoren; "democratische legitimiteit". Dat zijn hele zware woorden. Laat ik vooropstellen dat maatschappelijke organisaties belangrijk zijn voor een goed functionerende democratie. En als ngo's willen lobbyen richting de Nederlandse politiek, dan kan dat, dan mag dat, dan is dat prima, maar dan niet met subsidie van de Nederlandse overheid. Ik heb dat ook toegelicht in de brief van 9 januari. Er is nog steeds wel heel veel subsidiabel onder dat Focus-beleidskader. Anderen zullen daar misschien weer over denken dat dat teveel is. Ik denk dat dat ook belangrijk is. Ik heb in de brief ook uiteengezet wat het betekent als er een andere keuze wordt gemaakt voor het instrument Schone en eerlijke handel. Ik ben er geen voorstander van en het kabinet is er geen voorstander van om lobby te financieren. Dat is de reden waarom ik de uitvoering van de motie naast mij neergelegd heb, en ook vanwege de vertraging die het voor het beleidskader Schone en eerlijke handel zou betekenen. Maar ik laat mij niet in de mond leggen dat wij organisaties verbieden om te lobbyen. Dat mogen ze en dat kunnen ze ook prima uit eigen zak doen, zoals ze ook een aantal rechtszaken tegen de Rijksoverheid betalen. Ik denk dat het verschil van mening 'm erin zit of je vindt dat dat subsidiabel moet zijn. We doen het natuurlijk voor heel veel andere bedrijven en organisaties ook niet.
De voorzitter:
U kijkt de Kamer rond alsof u klaar bent met dit blokje.
Staatssecretaris De Vries:
Ja.
De voorzitter:
Dat klopt. Dat geeft aanleiding tot een vraag. Mevrouw Kröger, gaat uw gang.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat we allemaal met heel veel zorgen kijken naar de overkant van de oceaan, waar een ondemocratische wind waait. Maar we moeten niet naïef zijn, want die wind waait hier in Nederland ook. Dat is tekenend in het antwoord van de staatssecretaris, en daarbij gaat het niet alleen om de inhoud. Maatschappelijke organisaties, civil society, hebben een ongelofelijk belangrijke rol. Zij kunnen de stem zijn die laat horen wat de impact is van programma's die wij hier maken. We zitten hier in Den Haag dingen te bedenken, maar hoe pakken die uit in de landen in Afrika waar ze daadwerkelijk worden uitgevoerd? Die stem kan hier nu niet meer op dezelfde manier klinken. Het is wat mij betreft ook echt stuitend hoe deze staatssecretaris, met 26 zetels steun van de Kamer, nu gewoon twee aangenomen Kamermoties naast zich neerlegt. Ik wil de staatssecretaris toch nogmaals oprecht verzoeken om zich te verhouden tot deze Kamermeerderheid.
Staatssecretaris De Vries:
Ik weet niet of het helpt bij mijn beoordeling van voorstellen als mij heel, heel erge beschuldigingen in de schoenen worden geschoven. Ik ben daar echt wel boos over. "Ondemocratisch", "we doen hetzelfde als in andere landen gebeurt": ik vind dat echt ... Ik ben begonnen met te zeggen hoe belangrijk ik maatschappelijke organisaties vind. Ik ben begonnen met te zeggen dat het prima is dat organisaties en ngo's lobbyen richting de Nederlandse politiek. De vraag is: moet dat betaald en gefinancierd worden vanuit de Rijksoverheid?
Er is echt nog heel veel mogelijk onder het beleidskader Focus. Denk ook aan het instrument Schone en eerlijke handel, de dialoog tussen overheid, bedrijven en ngo's binnen convenanten, platforms en andere stakeholdersinitiatieven. Ook is beleidsbeïnvloeding subsidiabel in ontwikkelingslanden zelf, in de regio en op internationaal niveau, conform de motie van mevrouw Dobbe, die medio vorig jaar is aangenomen. Toen is er overigens ook een motie aangenomen, moet ik erbij zeggen, om dat nationaal niet te doen. Daarna zijn er inderdaad andere moties aangenomen, maar ik laat mij echt niet in de schoenen schuiven — daar ben ik echt wel narrig en eigenlijk heel boos over — dat we nu opeens ondemocratisch zijn. Het staat partijen nog steeds vrij om te lobbyen richting de politiek. Er wordt heel veel mogelijk gemaakt om in een dialoog tussen overheid en bedrijven dat geluid gewoon te laten horen. Ik laat mij niet aanmeten dat dat allemaal ondemocratisch is.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
We hebben de afgelopen twee jaar in een kabinet met de PVV gezien hoe maatschappelijke organisaties structureel in de hoek gedreven werden. Er werd gezegd: ze moeten geen toegang tot de rechter meer hebben in bepaalde gevallen. Er werd getornd aan hun mogelijkheden om aan beleidsbeïnvloeding richting Kamerleden te doen. Dat doe je namelijk op het moment dat je een subsidie terugdraait. Dat is een manier van kijken naar maatschappelijke organisaties die wat mij betreft draait om het in de kiem smoren van kritiek. Een zelfverzekerde overheid is niet bang voor een kritisch tegengeluid. Dat is jaren- en jarenlang het beleid geweest, ook onder VVD-bewindspersonen. Nu hebben we een demissionaire VVD-staatssecretaris die gewoon PVV-beleid uitvoert en de wens van de Kamer negeert. Wat is daar de democratische legitimiteit van?
Staatssecretaris De Vries:
Ik probeer helemaal niet de kritiek in de kiem te smoren. Ik vind kritiek ook gezond. Dat is prima. De vraag is alleen: wat is de rol van de overheid en moet het subsidiabel zijn of niet? Ik voer geen PVV-beleid uit; ik voer beleid uit dat het kabinet in gang heeft gezet. De VVD, mijn partij, is ook van die lijn en heeft die moties niet gesteund. Ik vind het hele zware beschuldigingen en ik werp ze echt verre van me. Ik vind kritiek en maatschappelijke organisaties belangrijk. Het gaat erom of ze het uit eigen zak moeten betalen — ze hebben die eigen middelen — of dat de overheid daar subsidie voor moet geven.
De voorzitter:
Ik ben even de volgorde kwijt, excuses. De heer Bamenga.
De heer Bamenga (D66):
Wat wij hier natuurlijk bespreken in de begroting, geeft ook duiding aan wat wij belangrijk vinden in de maatschappij. Die maatschappelijke organisaties zijn heel erg belangrijk. Ook hun stem zou gehoord moeten worden. Iedere keer als wij hier een rondetafelgesprek organiseren, vragen wij hen erbij, juist omdat wij willen weten wat er speelt op allerlei gebieden. Zeker als het gaat om dit onderwerp. Wij vinden het dus belangrijk dat wij die stem horen en dat de budgetten die wij hier verdelen, ook daarnaartoe gaan. Daarom wil ik graag aan de staatssecretaris vragen, los van dit onderwerp, hoe zij zelf reflecteert op het feit dat zij tot twee keer toe een aangenomen motie gewoon niet uitvoert.
Staatssecretaris De Vries:
Er is medio vorig jaar ook een motie verworpen die hierom vroeg. Ik heb bij de laatste motie, waarvan ik inhoudelijk nog steeds vind dat we het niet moeten doen, ook aangegeven dat het leidt tot vertraging. Dat vind ik helemaal onwenselijk. Ik vind het een belangrijk beleidskader, zeker ook Schone en eerlijke handel.
Het staat al die partijen vrij om naar de Tweede Kamer te komen en met politici in gesprek te gaan. U mag daarheen gaan. Er is niets dat iemand daarvan weerhoudt. Ik laat mij niet aanleunen dat wij dat zouden verhinderen. Daar ben ik niet bang voor. Dat gebeurt, dat gaat nog steeds gebeuren en het is ook goed dat dat gebeurt.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik heb gisteren in mijn maidenspeech nog aangegeven dat ik graag de praktijk met de politiek wil verbinden. De meeste maatschappelijke organisaties hebben wel echt moeite om aan "vrij geld" te komen, juist omdat het eigenlijk allemaal gebonden hulp is. Ook mijn fractie hecht erg aan de uitvoering van die motie. Volgens mij is het ook veel slimmer om het nu te regelen, omdat het subsidiekader Schone en eerlijke handel nog niet is gepubliceerd. Nu kunnen we het nog rechtzetten voor dit specifieke kader. Wij hebben als indieners juist besloten om het niet groter te maken. Ik heb het nog even nagekeken. Het gaat om wijziging van de SRBZ. Dat betekent inderdaad dat dat kader gewijzigd moet worden, maar het gaat letterlijk om één zin, die eruit moet. Ik kan me ook voorstellen dat in het subsidiekader Schone en eerlijke handel een of twee alinea's erbij moeten. Dat zal ongetwijfeld een paar weken vertraging opleveren, maar mijn vraag aan de staatssecretaris is: is het niet gewoon veel slimmer om het nu te regelen in plaats van dat wij het straks achteraf moeten corrigeren?
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb natuurlijk niet voor niks een aantal oordelen gegeven over de motie en aangegeven wat we met die motie gaan doen. Ik heb overigens van de ambtelijke organisatie begrepen dat het kader al naar de Staatscourant is. Het zou 19 januari gepubliceerd worden. Daar kan ik in tweede termijn wel iets meer over zeggen. Ik ga ook uit van de informatie die de organisatie mij geeft, namelijk dat het inderdaad vertraging gaat opleveren en dat het kader dan niet kan worden ingevoerd per 1 juli. Dat is dan een keuze die de betrokken partijen maar moeten maken. Ik zou dat heel slecht vinden, nog afgezien van het feit dat ik er gewoon geen voorstander van ben om lobby op deze manier subsidiabel te maken. Er zijn echt genoeg organisaties die eigen inkomsten hebben. Dat geldt voor de meeste organisaties die ik ken. Dat vragen wij in een aantal gevallen natuurlijk ook van de organisaties, omdat we vinden dat ze ook niet alleen afhankelijk zouden moeten zijn van de overheid. Uiteindelijk is dat de lijn van dit kabinet.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik zou het volgende toch willen vragen. Wij hebben als indieners natuurlijk ook hierover gesproken. We hebben al eerder aangegeven dat dit subsidiekader wat ons betreft veel eerder gepubliceerd had moeten worden. Die paar weken kunnen er, helaas, ook nog wel bij. Wat ons betreft wordt er, graag, nog een keer naar die motie gekeken. Die paar weken vertraging nemen we dan maar voor lief.
Staatssecretaris De Vries:
Ik ga volgens mij in herhaling vallen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik probeer even de redenering van de staatssecretaris te volgen. Als wij in het verleden gaan kijken, gaan spitten in alle ingediende moties, vinden we ook verworpen moties die hetzelfde vragen als het beleid dat deze staatssecrvetaris nu uitvoert, dan begrijp ik dat de staatssecretaris de conclusie trekt dat ze haar beleid gaat wijzigen omdat er in het verleden moties zijn verworpen. Het gaat even om de redenering, want dat is de redenering die deze staatssecretaris toepast. De feiten die hier liggen ... Voorzitter, ik was nog niet klaar. Het feit dat hier ligt, is dat er op 10 december, vlak voor het reces, en daarvoor ook al, een motie is aangenomen. De Kamer heeft zich uitgesproken om dit te doen. De staatssecretaris doet net alsof het heel onduidelijk is wat de Kamer wil, maar dat is gewoon niet waar. Waarom schetst deze staatssecretaris het alsof er heel veel onduidelijkheid is? Zou ze de motie misschien nog een keer willen lezen en zou ze aan ons willen uitleggen wat er precies onduidelijk is aan de op 10 december aangenomen motie?
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb alleen een aantal feiten ... Volgens mij zijn de twee moties van mevrouw Dobbe ingediend op het moment dat het kader gepresenteerd is. Toen was ik hier geen bewindspersoon. Met de uitkomsten gaat de ambtelijke organisatie natuurlijk aan de slag en volgt er overleg en komen er consultaties et cetera, et cetera. Die motie is mij helder; ik hoef die niet nog een keertje te lezen. Dit kabinet is gewoon van mening dat lobby daarin niet subsidiabel zou moeten zijn. Ik kan er niet meer van maken.
Mevrouw Dobbe (SP):
Maar dan moet de staatssecretaris niet net doen alsof de Kamer een soort onduidelijke uitspraak heeft gedaan, want dat is gewoon een valse voorstelling van zaken. Volgens mij is de Kamer heel duidelijk geweest, tot tweemaal toe, met de laatste keer op 10 december, in wat de Kamer wil dat deze staatssecretaris doet. Dat weigert deze staatssecretaris uit te voeren en dat is gewoon heel kwalijk. Mijn vraag is dan ook: beseft deze staatssecretaris dat dit gevolgen heeft? Ze doet namelijk net alsof het geen gevolgen heeft. Het heeft gevolgen voor zaken die deze staatssecretaris zegt heel belangrijk te vinden, bijvoorbeeld vrouwenrechten. Daarvan is de post al uit de begroting gesloopt. Vervolgens moeten die organisaties zelf op de een of andere manier de kosten ophoesten om ons te kunnen vertellen wat de gevolgen zijn van het beleid dat wij hier voeren. Die gevolgen zijn enorm. Maar zij kunnen dat nu niet meer doen, want daar hebben zij het geld niet meer voor. Zij hebben daar het geld niet meer voor en deze staatssecretaris doet net alsof het allemaal niet uitmaakt omdat ze allemaal zakken vol met geld hebben en het allemaal wel uit eigen zak kunnen betalen. Maar dat is niet zo. Erkent de staatssecretaris dat?
Staatssecretaris De Vries:
Op dat laatste punt: volgens mij kan er nog prima contact zijn tussen de politiek en ngo's. Ik denk dat dat niet het probleem is. Ik heb alleen geschetst welke moties er wel en niet aangenomen zijn. De organisatie begint op basis van moties die aangenomen zijn en die door het kabinet omarmd zijn. Wat betreft het internationale wordt de organisatie aan het werk gezet. Ik moet eerlijk zeggen dat er hier wel met twee maten wordt gemeten. Mij wordt nu verweten dat ik een lijstje met moties heb en dat de laatste motie omtrent het bni die verworpen is, helemaal niks waard is. Ik zou zeggen: kijk dan ook even naar die redenering vanuit de SP.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, dit is uw laatste interruptie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is gewoon een beetje flauw wat deze staatssecretaris doet. Deze staatssecretaris heeft telkens, bij elk debat dat hierover gaat, het beeld geschetst dat de Kamer een onduidelijk signaal heeft gegeven. Er moet gewoon een heel duidelijke erkenning door deze staatssecretaris zijn dat het heel helder is wat deze Kamer vraagt en dat deze staatssecretaris dat weigert uit te voeren. Zij weigert ook te erkennen dat dit grote gevolgen heeft voor maatschappelijke organisaties. Ik hoop dus echt dat deze Kamer deze staatssecretaris op een andere manier de goede richting in kan duwen, want dit is gewoon niet het debat op een eerlijke manier voeren. Dit is geen eerlijke voorstelling van zaken.
Staatssecretaris De Vries:
Volgens mij heb ik helemaal niet gezegd dat ik niet goed begrepen heb wat de Kamermotie heeft aangegeven. Ik heb ook in de brief van 9 januari aangegeven wat daarin de afwegingen zijn geweest, ook wat betreft het punt van de vertraging. Dat is blijkbaar iets wat de Kamer niet interesseert. Ik vind dat wel heel belangrijk. Ik vind het wel een beetje flauw dat nu ... Dan kan ik ook zeggen, en ik heb helemaal geen zin om die kant op te gaan, dat dat bij het bni ook het geval is. Daarover is ook een motie verworpen die zegt graag naar 0,7% te willen. Die wordt genegeerd door de hele Kamer. Ik heb daar eigenlijk niet zo heel veel zin in. Ik vind het belangrijk dat ngo's en het maatschappelijk middenveld zich nog steeds nadrukkelijk kunnen uitspreken en contact kunnen hebben met de politiek. Er is helemaal niets wat daaraan in de weg staat. De vraag is: vind je dat de overheid dat moet financieren? Het kabinet vindt dat niet. Het signaal dat de Kamer heeft gegeven, is ook helder; in meerderheid overigens, niet alle partijen.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik weet niet of ik het net helemaal goed proefde, maar ik proefde bij de staatssecretaris een klein beetje ruimte om er nog eens over na te denken, misschien in consultatie met de ambtenaren. Mijn vraag is of we daar even tijd voor moeten geven.
De voorzitter:
Wij doen hier nu geen voorstel tot schorsing. Er is altijd nog een tweede termijn. U heeft uw gevoel gedeeld met de staatssecretaris. Daar kan ze op reageren.
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb volgens mij gezegd dat het stuk al naar de Staatscourant is gestuurd. Volgens mij is het zelfs al rond. Maar goed, daar wil ik in de tweede termijn nog even bij u op terugkomen. Dat wil niet zeggen dat ik dan tot een andere mening kom over het wel of niet subsidiëren. U kunt wel zeggen dat het om een paar weken gaat, maar ik vind dat we eerlijk en duidelijk moeten zijn dat er dan vertraging optreedt voor dit kader. Dat wil het kabinet niet.
De voorzitter:
Mevrouw Kröger, uw laatste interruptie.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
De Kamer is duidelijk geweest, maar niet alleen de Kamer. Ook 150 maatschappelijke organisaties hebben zich uitgesproken. Dat zijn precies de organisaties die zelf ook gebruik zouden kunnen maken van dit subsidiekader. Ook zij zeggen dat het cruciaal is dat het maatschappelijk middenveld de ruimte krijgt en niet beknot wordt. De staatssecretaris zegt: ik beknot niemand. Maar als het niet de intentie is om een van de organisaties te beknotten, waarom zou je dan toch de wens van de Kamer op deze manier negeren? Gisteren gaf de heer Van der Burg van de VVD in een interruptiedebat duidelijk aan dat hij als Kamerlid vindt dat een staatssecretaris moties zou moeten uitvoeren, maar dat amendementen uitgevoerd móéten worden. Ik proef geen beweging bij de staatssecretaris. Daarom hebben wij een amendement voorbereid dat we zullen indienen met brede ondertekening, met een meerderheid van deze Kamer. Via dit amendement wordt in de wet geregeld dat maatschappelijke organisaties wel degelijk binnen het subsidiekader aan beleidsbeïnvloeding kunnen doen.
Staatssecretaris De Vries:
Ik ken het amendement nog niet, dus ik kan er nu niet op reageren. Ik wil echt verre van mij werpen dat wij partijen zouden beknotten of dat wij niet zouden willen dat mensen mogen lobbyen. Het gaat erom of je dat subsidiabel wil laten zijn onder dit beleidskader. Ik geef het liever via dit beleidskader uit aan de andere zaken die wél mogelijk zijn onder dit beleidskader. Dat is ook het standpunt van het kabinet.
De voorzitter:
Gaat u verder met het volgende blokje.
Staatssecretaris De Vries:
Het blokje vrouwen, meisjes, kwetsbare groepen en christenen. Dat is misschien een beetje een rare combinatie, maar goed. Laat ik maar gewoon beginnen met de vraag van D66. Die ging voornamelijk over onderwijs. Onderwijs is natuurlijk belangrijk. U weet ook dat wij keuzes hebben moeten maken. Je kunt dan van alles een beetje doen of je kunt zeggen dat we gaan focussen op een aantal prioriteiten waar wij aan willen geven. Het is niet zo dat er helemaal niks meer gebeurt op dat vlak. We blijven binnen de beschikbare financiële kaders gericht inzetten op beroepsonderwijs, hoger onderwijs en vaardigheden. Dit doen we waar dit aantoonbaar bijdraagt aan onze prioriteiten, zoals handel, economie en werkgelegenheid. Concreet zetten we in vijf landen — Marokko, Egypte, Zuid-Afrika, Nigeria en Indonesië — in op beter opgeleide werknemers in sectoren die van belang zijn, via capaciteitsversterking, training, opleidingsinstituten et cetera. Het is dus niet meer een apart aandachtspunt, maar het komt zeker terug bij andere programma's die wij ook belangrijk vinden. Het is dus meer dat het daardoorheen snijdend aandacht krijgt waar wij denken dat het aantoonbaar belangrijk is.
Dan hadden de heer Stoffer van de SGP en de heer Ceder van de ChristenUnie een vraag over het Focus-instrument en de aanpak van de christenvervolging. Er werd ook gerefereerd aan de uitkomst van een nieuw onderzoek. Het zijn natuurlijk zorgelijke zaken die daaruit naar voren komen. Dat geldt overigens voor alle vervolgden, niet alleen voor de christenvervolging. U heeft eerder een motie ingediend die opriep om binnen het mensenrechtenbeleid hierover jaarlijks te informeren. Binnen het Focus-instrument Beschermen en promoten van mensenrechten en fundamentele vrijheden, dat een totaal budget heeft van 85 miljoen, wordt voor circa 35 miljoen euro ingezet op vrijheid van religie en levensovertuiging. Binnen dat kader is er hier aandacht voor.
Ik heb zonet al iets aangegeven over wat er ter discussie staat. Dit is een beleidskader dat nieuw beleid betreft. Op het moment dat de begroting niet zou worden aangenomen, kan dit beleid niet uitgevoerd worden. Wij vinden dit een belangrijk onderdeel. Ik denk ook dat het goed is dat we er geld voor beschikbaar stellen.
Ik zag een schijnbeweging.
De voorzitter:
De schijnbewegingen komen pas als u het blokje heeft afgerond. Gaat u dus rustig maar met snelheid verder.
Staatssecretaris De Vries:
De heer Stoffer van de SGP gaf aan dat jongerenwerkgelegenheid niet langer prioritair is, maar dat het wel een dwarsdoorsnijdende plek kan krijgen zoals mijn voorganger minister Klever heeft aangegeven. Vanuit handelsbelangen investeert Nederland in jong ondernemerschap en handel. Het afgelopen jaar hebben we het lokale mkb helpen groeien met programma's als Orange Corners, het Challenge Fund for Youth Employment en het Dutch Good Growth Fund. Tegelijkertijd ontwikkelen we via onderwijs- en vaardigheidsprogramma's het talent dat Nederlandse bedrijven in bijvoorbeeld Nigeria, Egypte en Indonesië nodig hebben voor sectoren als water en voedsel. In het kader van PROSPECTS kijken we naar de perspectieven van jonge vluchtelingen die in de regio worden opgevangen, bijvoorbeeld naar onderwijs- en werkgelegenheidsprogramma's om te bezien hoe we ook daar meer kansen kunnen bieden.
Ik heb dit zelf kunnen en mogen zien in Ethiopië. Het was mooi om te zien dat daar met heel kleine middelen echt meer perspectief wordt geboden aan teruggekeerde vluchtelingen die de reis hadden geprobeerd te maken. Zo kan hun een toekomst worden geboden en kunnen zij hun gezin en familie onderhouden. Ik denk dat dat een mooi voorbeeld is.
Meerdere partijen hebben gesproken over de positie van vrouwen en meisjes. Er wordt dan altijd direct gewezen naar het geld dat in de begroting staat als een soort afgeschermd stukje waar een hek omheen staat. Wij zien het echter als een van de belangrijke dwarsdoorsnijdende thema's bij heel veel van de programma's. Het kabinet blijft zich inzetten voor vrouwen en meisjes en voor hun rechten. Dit doen we ten eerste door diplomatie, ten tweede door directe financiering van activiteiten voor vrouwenrechten en door de belangen en behoeften van vrouwen en meisjes integraal mee te nemen in het BHO-beleid.
We zien inderdaad dat vrouwen en meisjes vaak heel kwetsbaar zijn, zeker in conflictgebieden. Het kabinet heeft 210 miljoen euro beschikbaar gesteld voor vrouwenrechten en gendergelijkheid binnen het beleidskader Focus voor de periode 2026-2030. Dat is nog even buiten … We geven natuurlijk via flexibele financiering heel veel geld aan allerlei organisaties die kijken naar de meest urgente noden. Ook daar zijn natuurlijk — helaas, eigenlijk — meisjes, vrouwen en andere kwetsbare groepen de belangrijkste doelgroep waarvoor men zich inzet. Ook dat blijft mogelijk in het nieuwe beleidskader.
In het verlengde van het punt over de vrouwenrechten stelde mevrouw Dobbe een vraag over de vrouwen in Iran. Het is, denk ik, bewonderenswaardig hoe vrouwen daar zich uitspreken. Zij hebben een heel moeilijke positie in een land als Iran. Er wordt natuurlijk wel op ingezet; zij verdienen steun. U heeft kunnen lezen dat de minister van Buitenlandse Zaken de ambassadeur al heeft ontboden. Er worden nog wel projecten gedaan, maar we kunnen om veiligheidsredenen niet aangeven wat wij specifiek in Iran doen. Helaas, eigenlijk, maar goed, uiteindelijk gaat het om het doel dat we willen bereiken.
Kamerleden van Volt, ChristenUnie en SGP hebben gevraagd naar de kinderen. Ik heb zonet al iets gezegd over groepen kwetsbare meisjes, maar wat ik zei, geldt eigenlijk voor alle kinderen in conflictgebieden. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we daar echt aandacht voor hebben en goed kijken of we hen bereiken. Dat doen we in principe via UNICEF, de Max Foundation, War Child en Save the Children en via andere flexibele financiering die ook ten goede komt aan kinderen in nood. Er zijn ook specifieke programma's met aandacht voor kinderen, zoals die van UNICEF en de Max Foundation, die direct bijdragen aan de gezondheid van kinderen via voedselzekerheid en toegang tot water, sanitatie en hygiëne. Ik denk dat dat belangrijk is en ook noodzakelijk is.
Dat was dit blokje, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik even de Kamer rond of dit aanleiding geeft tot vragen. Zo niet, gaat u verder met uw laatste blokje. Ik vraag de heer Dassen toch om wat eerder in beweging te komen. Gaat uw gang.
De heer Dassen (Volt):
Excuus, voorzitter. Ik heb nog een vraag over wat de staatssecretaris net aangeeft. Ik ben het natuurlijk helemaal met haar eens over het belang van kinderen, dat we daar met elkaar goed voor moeten opkomen. De vraag die ik had gesteld is of we dat niet binnen de verschillende beleidsprioriteiten nog beter kunnen waarborgen. De staatssecretaris noemt net enkele manieren waarop dat gedaan wordt, maar ze gaat niet specifiek in op de verschillende beleidsprioriteiten die we daarbij hebben. Mijn vraag is of daar meer aandacht voor kan zijn.
Staatssecretaris De Vries:
De basis van het beleid dat in gang is gezet — ik denk dat dat een goede is en dat krijgen we ook terug van heel veel ontwikkelingshulporganisaties — is dat we juist die flexibele financiering geven. We vragen ze daarbij — daar geven we ze ook het vertrouwen — om naar de urgentste noden te kijken. Ik hoor veel terug dat dat inderdaad vooral vrouwen en meisjes en ook kinderen zijn. Als je dat nu weer met een hekje apart zet, denk ik: die kinderen zijn ook onderdeel van een familie. Je wilt ook dat er werk komt, dat er economische ontwikkeling komt en dat mensen weer in hun eigen onderhoud kunnen voorzien. Ik vind het belangrijk dat er specifieke aandacht voor is. Daar hebben we ook die programma's voor. Dat heb ik ook aangegeven: UNICEF, War Child, Save the Children. Die geven natuurlijk specifieke aandacht aan de kinderen. Dus ik denk dat we dat al doen en dat ook de organisaties — ik denk dat mensen meeluisteren — heel nadrukkelijk beseffen dat de zwaksten in de samenleving vaak de kinderen, de meisjes en de vrouwen zijn, zeker in conflictgebieden.
De heer Dassen (Volt):
Helemaal eens. Zeker als je het hebt over een preventieve werking, is het natuurlijk heel belangrijk om daarop in te zetten. Ik snap wat de staatssecretaris zegt over de afbakening van bepaalde financiële middelen, ook ten aanzien van gezinnen. Daar gaat mijn vraagstelling ook niet helemaal over. Die gaat meer over hoe we ervoor zorgen dat we voldoende aandacht hebben voor het kind in de verschillende beleidsprioriteiten die vanuit de regering gezet worden. Daar gaat mijn vraag eigenlijk over. Zouden we niet juist voor de meest kwetsbaren en in dat geval dus ook voor kinderen, meer aandacht moeten hebben in die verschillende beleidsprioriteiten?
Staatssecretaris De Vries:
Ik ben nog wat zoekende. Kinderen zijn niet alleen maar de kwetsbaren in een conflictgebied. Misschien dat we urgente noden niet altijd goed uitleggen. Ik denk dat de kinderen, de vrouwen en de meisjes daar juist van profiteren, omdat daar de noden het grootst zijn en dat beseffen de organisaties die die flexibele financiering krijgen ook als geen ander volgens mij. Dus volgens mij verschillen wij niet zo van mening. Ik ben een beetje zoekende naar wat u dan precies zou willen. Ik heb het vertrouwen in de hulporganisaties dat ze echt voldoende aandacht voor zeker de kinderen hebben, maar ook voor vrouwen en meisjes. Het is dus een beetje zoeken wat dan nog extra geregeld zou moeten worden. Ik wil niet een soort hekje ergens omheen zetten, zeg maar. In de gesprekken die we hebben, kunnen we natuurlijk altijd aandacht vragen voor de kwetsbare groepen en daarbij ook de kinderen noemen, maar ik zou het wel heel smal vinden als we dan alleen voor de kinderen zeg maar een … Ik denk dat wij juist geprezen worden door heel veel andere landen en ook door de hulporganisaties, omdat die juist blij zijn met die flexibele financiering. Daarmee kunnen zij snel en gericht ook met heel veel lokale partijen kijken hoe ze mensen die in nood zijn, kunnen helpen. En daar zitten natuurlijk ook kinderen bij, helaas.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
De heer Dassen (Volt):
Ik denk dat de staatssecretaris en ik misschien niet zo heel ver uit elkaar liggen. Het gaat mij er meer om dat in de ontwikkeling van die beleidsprioriteiten de aandacht voor het kind goed gewaarborgd is, omdat een heel grote groep van de mensen wereldwijd die in die situatie zitten, kinderen zijn. Ik ben van mening dat dat wellicht nog wat scherper zou kunnen in die ontwikkeling. Ik heb het idee dat de staatssecretaris daar best positief tegenover staat, dus dat we elkaar daar ook misschien nu wel kunnen vinden als de staatssecretaris aangeeft: ik wil wel kijken hoe we dat nog beter kunnen borgen.
Staatssecretaris De Vries:
Ik kan daar aandacht voor vragen in een gesprek, natuurlijk met de betreffende organisaties. Ik ben alleen een beetje bang dat we het zo gaan afbakenen dat er geen flexibiliteit meer is, want er zijn allemaal groepen, zoals vrouwen en christenen, die heel veel problemen en ellende ervaren. Ik ben dus een beetje bang dat wij hier gaan zeggen "dat is de urgentste nood", terwijl ik hun specialisme, expertise en kunde eigenlijk het allerbelangrijkst vind. Ik vind het belangrijk dat zij kunnen bekijken ... Ik vind het belangrijk dat dat geld op een goede plek terechtkomt, op de plek waar het het meest nodig is. Ik denk dat we het geld dan het doelmatigst besteden. Ik denk inderdaad niet dat we heel veel uit elkaar zitten. Ik denk dus dat we eigenlijk wel hetzelfde willen, maar ik wil zeg maar geen hekjes om groepen gaan zetten.
De voorzitter:
Nee, meneer Dassen, ik doe drie ...
De heer Dassen (Volt):
Ik hoor de staatssecretaris toezeggen dat ...
De voorzitter:
Meneer Dassen, als u door mij heen gaat praten, wordt het een heel lange avond. Ik heb drie interrupties per blokje afgesproken. Dat hebben we nu gedaan. Ik ga zo meteen heel kort schorsen, voordat wij direct doorgaan naar de tweede termijn. U kunt de staatssecretaris wellicht nog even spreken tussen de bedrijven door, maar ik ga niet nog een interruptie op dit punt toestaan. Dat doe ik echt niet. U mag straks een heel nieuw punt maken, maar wees niet creatief door het oude er weer in te fietsen.
De heer Dassen (Volt):
Dan maak ik een punt van orde, een verzoek richting u als voorzitter. De staatssecretaris begon het antwoord met te zeggen dat ze toewerkte naar een toezegging. Vervolgens nam ze een zijstapje om in haar gedachten nog iets verder te gaan, waardoor ze van het pad van de toezegging af ging. Daar wilde ik nog even op doorvragen. Mijn vraag aan u, voorzitter, is dus om daarop te letten en de staatssecretaris misschien nog even te helpen om tot die toezegging te komen. Dat scheelt namelijk ook weer moties op het einde.
De voorzitter:
Ik ga niet in deze interpretatiediscussie komen. Ik ga de staatssecretaris nu het laatste blokje laten afronden. De heer Dassen ...
Staatssecretaris De Vries:
Ik ga even kijken of wij elkaar straks in de tweede termijn ergens kunnen vinden.
De voorzitter:
Het zou ook helpen als de staatssecretaris niet door de voorzitter heen praat. De heer Dassen heeft ook nog een tweede termijn. Daar zie ik nog genoeg kansen. Het woord is aan de staatssecretaris voor het laatste blokje.
Staatssecretaris De Vries:
Het laatste blokje, met één vraag van mevrouw Van Ark van het CDA. Die vraag gaat over het internationale probleem van landen die meer betalen aan internationale schulden dan ze kunnen investeren in hun eigen gezondheidssysteem. Dat is zeker een probleem. Ik denk ook dat het belangrijk is dat bijvoorbeeld het IMF ... Ik denk dat het belangrijk is dat er bekeken wordt: hoe kunnen we ervoor zorgen dat er toegewerkt wordt naar herstructurering, zodat er ook voor de langere termijn een schuldverlichting zou kunnen zijn? Het is overigens niet zo dat, als die schuldenverlichting er is, elk land besluit om dat aan de gezondheidszorg te besteden. Dat is misschien een teleurstelling voor mevrouw Van Ark. Ik denk wel dat het belangrijk is dat die partijen daar een belangrijke rol in vervullen. Het punt is bekend. Daar wordt ook wel aan gewerkt door de grote instellingen die daarvoor actief zijn, zoals het Internationaal Monetair Fonds. Ik heb zonet ook al aangegeven dat ik het belangrijk vind dat we het niet gaan hebben over kwijtschelding of het afschrijven van schulden, maar we kunnen zeker wel bekijken hoe we die schuldverlichting zouden kunnen realiseren.
Dat was het wat mij betreft, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van het kabinet. De heer Dassen gaat mij verblijden. Ga uw gang.
De heer Dassen (Volt):
Absoluut. De vraag over de digitaledienstenbelasting is niet beantwoord, volgens mij ook niet schriftelijk.
Staatssecretaris De Vries:
Als het goed is, is die schriftelijk beantwoord. Anders neem ik 'm ...
De heer Dassen (Volt):
Dan ga ik daar nog snel naar kijken.
Staatssecretaris De Vries:
Het is fijn als u daar eerst even naar kan kijken. Anders moet u er in tweede termijn nog even op terugkomen. We hebben gewoon geprobeerd om die te beantwoorden. Ik denk dat u het antwoord ook al wel weet. Ik denk dat u al weet hoe het kabinet erin staat.
De voorzitter:
Daar gaan we achter komen. Wij zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik schors voor enkele ogenblikken. Daarna gaan we door met de tweede termijn van de Kamer.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van de Kamer. Ik nodig hiervoor graag de heer Bamenga — hij gaat zitten, maar hij mag blijven staan — namens de fractie van D66 uit voor zijn bijdrage in deze tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties. Daar ga ik meteen mee beginnen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de aanhoudende gewapende conflicten in het Grote Merengebied, met name in het oosten van de Democratische Republiek Congo, leiden tot grote humanitaire noden en grote migratiestromen;
overwegende dat duurzame vrede en ontwikkeling in het Grote Merengebied vragen om continuïteit van bewezen effectieve langetermijnprogramma's in samenhang met flexibele inzet van humanitaire hulp en adequate parlementaire informatievoorziening;
verzoekt de regering succesvolle programma's in het Grote Merengebied, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, rechtsstaat, handel en grondstoffen, zo veel mogelijk voort te zetten, in kaart te brengen wat er in het Grote Merengebied nodig is op het gebied van humanitaire hulp, en de Kamer hierover jaarlijks te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Van Ark, Van der Burg, Dassen, Ceder, Stoffer, Kröger, Dobbe en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 32 (36800-XVII).
De heer Bamenga (D66):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in humanitaire crisissituaties, met name in conflictgebieden, miljoenen kinderen langdurig verstoken blijven van onderwijs, terwijl toegang tot veilig en kwalitatief onderwijs aantoonbaar bijdraagt aan bescherming van kinderen, psychosociaal herstel en het voorkomen van een verloren generatie;
overwegende dat onderwijs in noodsituaties een essentiële pijler is van een effectieve humanitaire respons en vanaf het begin structureel moet worden meegenomen naast voedsel, water en gezondheidszorg;
verzoekt de regering om onderwijs waar mogelijk onderdeel te maken van de humanitaire respons in humanitaire crisissituaties,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Dassen, Van Ark, Van der Burg, Ceder, Stoffer, Kröger, Dobbe en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 33 (36800-XVII).
De heer Bamenga (D66):
Voorzitter. Verder wil ik nog de staatssecretaris bedanken voor al haar reacties. Ook wil ik haar bedanken voor haar reactie dat de EU veel meer zou moeten doen in het kader van Congo en Sudan en dat ze ons daar jaarlijks, of in ieder geval periodiek, over gaat informeren. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de bijdrage van de heer Markuszower van de fractie van de PVV in deze tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer Markuszower (PVV):
Veel dank, voorzitter. Ook van onze kant twee moties, beide mede namens de heer Wilders ingediend.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland in 2026 opnieuw 6,7 miljard euro uittrekt voor ODA;
overwegende dat:
Nederland geen pinautomaat is voor de rest van de wereld;
ontwikkelingshulp vaak leidt tot afhankelijkheid, corruptie en verspilling;
het geld van hardwerkende Nederlanders beter besteed kan worden aan koopkracht, veiligheid en zorg;
verzoekt de regering direct te stoppen met alle vormen van ontwikkelingshulp,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Markuszower en Wilders.
Zij krijgt nr. 34 (36800-XVII).
De heer Markuszower (PVV):
De tweede motie gaat over het verschrikkelijk corrupte UNRWA.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat diverse ngo's zich willens en wetens hebben laten infiltreren door islamitische terroristen, waaronder die van Hamas;
overwegende dat:
geld geven aan organisaties die zijn geïnfiltreerd door of samenwerken met islamitische terroristen feitelijk neerkomt op het financieren van een terroristische aanslag;
het moreel verwerpelijk en strafbaar is om terrorisme te financieren;
verzoekt de regering per direct te stoppen met het financieren van terroristische organisaties of organisaties die heulen met terroristen of daardoor zijn geïnfiltreerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Markuszower en Wilders.
Zij krijgt nr. 35 (36800-XVII).
De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Kröger van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. We hebben een fundamenteel debat met elkaar gehad over de rol van maatschappelijke organisaties in een gezonde democratie. Op het moment dat bedrijven 80% van de lobby beheersen en diepere zakken hebben om die lobby te betalen, is het voor het evenwicht in het democratisch debat belangrijk om ook andere stemmen te financieren. Daar wordt ons beleid simpelweg beter van. Dat is de taak van een overheid. Daarom hebben we daar al eerder, tot twee keer toe, met een Kamermeerderheid moties over ingediend. Nu dienen we met eenzelfde Kamermeerderheid een amendement in.
Voorzitter. Dan nog twee moties, waarvan een over de OESO-richtlijnen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de OESO-richtlijnen al 50 jaar het normenkader zijn voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;
constaterende dat de Nederlandse overheid als doelstelling heeft dat 90% van de (grote) Nederlandse bedrijven de OESO-richtlijnen toepast, maar slechts 41% dit doet;
verzoekt het kabinet de OESO-richtlijnen te stimuleren door toepassing hiervan rijksbreed in te voeren als standaard bij het ontvangen van subsidies, aanbestedingen en internationale handelsbevordering, en hierop toe te zien,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Ceder.
Zij krijgt nr. 36 (36800-XVII).
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. We hebben een amendement over UNRWA ingediend, maar ik vind het heel belangrijk dat we als Kamer ons hierover ook uitspreken, aangezien er op dit moment bijzonder veel op het spel staat in Gaza. Vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er een humanitaire crisis in de Palestijnse gebieden is en UNRWA de ruggengraat van de hulp vormt;
overwegende dat Nederland pal moet staan voor VN- en hulporganisaties nu deze worden gecriminaliseerd;
verzoekt de regering stevig steun uit te spreken voor het werk en het mandaat van UNRWA en de banden met deze VN-organisatie te herstellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger, Teunissen, Dobbe en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 37 (36800-XVII).
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Van Ark van het CDA voor haar bijdrage in deze tweede termijn.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dank u wel. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat de gezondheid van mensen in Afrika niet afhankelijk zou moeten zijn van de vrijgevigheid van derde landen;
constaterende dat veel Afrikaanse landen echter mede door onbeheersbare schuldenlasten te weinig budget hebben om basisoverheidstaken zoals gezondheidszorg op peil te houden;
overwegende dat Afrikaanse regeringen hierdoor vaak moeten kiezen tussen het afbetalen van schulden of het kopen van vaccins, medicijnen en het bouwen van klinieken;
overwegende dat deze situatie bijdraagt aan het ontstaan van een ontwrichtende wereldwijde gezondheidscrisis;
verzoekt de regering in kaart te brengen op welke wijze substantiële schuldverlichting in combinatie met innovatieve oplossingen zoals "schuld in ruil voor zorg"-programma's en publiek-private matching funds vorm zou kunnen krijgen en hoe dit zou kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van Afrikaanse landen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Ark, Van der Burg, Kröger, Stoffer, Bamenga, Ceder, Dobbe en Dassen.
Zij krijgt nr. 38 (36800-XVII).
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Van Baarle van de fractie van DENK voor zijn bijdrage.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om een aanvullende bijdrage te doen voor de wederopbouw van Gaza,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 39 (36800-XVII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om de Europese Commissie te verzoeken om de ruimte binnen het onderhandelingsmandaat, namelijk naleving van het internationaal recht, te benutten om de rol van de VAE in de oorlog in Sudan bespreekbaar te maken, en hierin te proberen Europese medestanders te vinden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle, Kröger, Dobbe, Ceder, Teunissen en Dassen.
Zij krijgt nr. 40 (36800-XVII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat producten die met Oeigoerse dwangarbeid tot stand zijn gekomen nog steeds toegang hebben tot de Europese en Nederlandse markt;
overwegende dat de volledige implementatie van de Europese antidwangarbeidverordening nog jaren kan duren;
verzoekt de regering om in samenwerking met andere lidstaten voorbereidingen te treffen om gezamenlijk de Europese antidwangarbeidverordening, zodra deze van kracht wordt, zo effectief mogelijk in te zetten om producten afkomstig uit Oeigoerse dwangarbeid te weren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Bamenga.
Zij krijgt nr. 41 (36800-XVII).
De heer Van Baarle (DENK):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om zich in internationaal verband blijvend en actief in te zetten voor de verbetering van de positie van de Rohingya, met nadruk op internationale bescherming, mensenrechten en veilige, vrijwillige terugkeer;
verzoekt de regering tevens de komende begrotingsperiode te bezien hoe vanuit het flexibele budget een gerichte bijdrage gedaan kan worden voor de ondersteuning van de Rohingya,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 42 (36800-XVII).
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat de heer Stoffer al staat. Ik nodig hem graag uit voor zijn bijdrage in deze tweede termijn namens de fractie van de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Twee moties. De eerste luidt als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet inzet op intensivering van de samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties, internationaal bekend en gewaardeerd als de Dutch Diamond;
overwegende dat de overheid de juiste randvoorwaarden dient te scheppen voor effectieve samenwerking tussen internationaal opererende bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties;
verzoekt de regering in de nadere uitwerking van het handels- en ontwikkelingsinstrumentarium, die momenteel plaatsvindt, te borgen dat samenwerking wordt bevorderd en alle actoren in de Dutch Diamond worden gefaciliteerd om hun respectievelijke rollen te vervullen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Van Ark en Bamenga.
Zij krijgt nr. 43 (36800-XVII).
De heer Stoffer (SGP):
Dan kom ik nu bij mijn tweede motie, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de koppeling van het ODA-budget aan 0,7% van het bruto nationaal inkomen vorig jaar is losgelaten;
overwegende dat dit besluit boven op de miljardenbezuiniging komt, met grote gevolgen voor onze verre naasten;
verzoekt de regering, bij voorkeur met een nota van wijziging op de voorliggende begroting, maar uiterlijk bij de Voorjaarsnota van 2026, de bni-koppeling van het ODA-budget zoals deze 50 jaar gold te herstellen, en daarbij de benodigde middelen voor 2026 beschikbaar te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stoffer.
Zij krijgt nr. 44 (36800-XVII).
De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Teunissen voor haar bijdrage namens de fractie van de Partij voor de Dieren. Ga uw gang.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland een zeer brede definitie van klimaatfinanciering hanteert, waarbij bezuinigd wordt op projecten met klimaat als hoofddoel en steeds meer algemene programma's als klimaatrelevant meetellen;
overwegende dat hierdoor het risico ontstaat dat klimaatfinanciering vooral op papier groeit, zonder aantoonbare extra klimaatimpact;
verzoekt de regering voor alle als klimaatfinanciering gerapporteerde middelen expliciete toetsbare kwaliteits- en impactcriteria vast te stellen, deze transparant te monitoren en publiek te rapporteren, en bij onvoldoende klimaatimpact tijdig bij te sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen en Kröger.
Zij krijgt nr. 45 (36800-XVII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in ontwikkelingslanden het recht van boeren op gebruik en verhandeling van traditionele zaden onder druk staat;
overwegende dat waarborging van boerenrechten op traditionele zaden essentieel is voor voedselzekerheid en behoud van gewasdiversiteit;
overwegende dat erkenning van inheemse en boerengemeenschappen als cruciale schakels in landbouwdiversiteit van belang is;
verzoekt de regering om in het internationale zaaizaadbeleid en -budget ruimte te maken voor interventies die expliciet als doel hebben de biodiversiteit te bevorderen door middel van het ondersteunen van boerengemeenschappen en het borgen van hun rechten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 46 (36800-XVII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat op de COP30 is afgesproken dat de publieke adaptatiefinanciering voor kwetsbare landen tegen 2035 verdrievoudigd wordt ten opzichte van het niveau van 2019;
constaterende dat Nederland vanwege een grote historische klimaatimpact de verantwoordelijkheid draagt om een eerlijke en voorspelbare bijdrage te leveren aan deze mondiale inspanning;
verzoekt de regering een opbouwpad te presenteren voor de Nederlandse adaptatiefinanciering tot 2035, inclusief een stapsgewijze verhoging van de Nederlandse bijdrage, gebaseerd op een eerlijke verdeelsleutel, en integratie met het Nederlandse Klimaatplan 2025-2035 en de Nationale klimaatadaptatiestrategie, en de Kamer daarover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 47 (36800-XVII).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Tot slot, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Nederlandse consumptie en financiële instellingen leiden tot een aanzienlijke ontbossingsvoetafdruk buiten de landsgrenzen;
overwegende dat verschillende departementen betrokken zijn bij de aanpak van ontbossing, maar dat er geen jaarlijkse, integrale rapportage is waarin de Nederlandse ontbossingsvoetafdruk en het effect van beleid daarop inzichtelijk worden gemaakt;
verzoekt de regering om, te beginnen met het verslagjaar 2026, jaarlijks een openbare rapportage aan de Kamer te sturen waarin:
de Nederlandse ontbossingsvoetafdruk kwantitatief in kaart wordt gebracht;
wordt weergegeven hoe instrumenten en uitgaven onder de BHO-begroting bijdragen aan het verkleinen van deze voetafdruk;
concrete verbetermaatregelen en streefwaarden voor het daaropvolgende jaar worden opgenomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen en Dobbe.
Zij krijgt nr. 48 (36800-XVII).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat de heer Ceder ook al in de benen is voor zijn bijdrage namens de fractie van de ChristenUnie in deze tweede termijn. Ga uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een paar moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat religieuze minderheden, waaronder christenen, wereldwijd zwaar onder druk staan wegens geloofsvervolging;
overwegende dat het van groot belang is om te investeren in religieuze geletterdheid, zodat Nederland een constructieve bijdrage kan leveren aan het voorkomen en tegengaan van geloofsvervolging en het bevorderen van de interreligieuze dialoog en verzoening;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat binnen de begrotingen van BZ en BHO structureel afdoende financiële middelen worden gereserveerd om de komende jaren blijvend te investeren in deskundigheid, capaciteit en netwerken ter bevordering van religieuze geletterdheid om zodoende geloofsvervolging effectief te bestrijden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 49 (36800-XVII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in 2023 de Rijksbrede Afrikastrategie werd vastgesteld en, mede in het licht van geopolitieke ontwikkelingen, het bevorderen van deze gelijkwaardige samenwerking steeds belangrijker en urgenter wordt;
verzoekt de regering om voor de begrotingsbehandeling van 2027 de Kamer per brief te informeren over de voortgang van de Afrikastrategie, te reflecteren op eventuele herziening en versnelling in het licht van geopolitieke ontwikkelingen en concrete actiepunten te formuleren, waaronder het versterken van de handelsrelaties met de tien grootste economieën van Afrika, ook via nationale instrumenten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Van Ark.
Zij krijgt nr. 50 (36800-XVII).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderen 46% van de bevolking vormen in landen waar ontwikkelingssamenwerking plaatsvindt, maar dat wereldwijd slechts 12% van de ODA-middelen direct op kinderen is gericht;
overwegende dat recente bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking kinderen onevenredig hard raken, met name op het gebied van onderwijs, gezondheid en bescherming, terwijl kindgerichte investeringen tot de meest kosteneffectieve en impactvolle vormen van ontwikkelingssamenwerking behoren;
verzoekt de regering jaarlijks inzichtelijk te maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking het welzijn en de belangen van kinderen ten goede komen, en waar mogelijk kinderen extra aandacht te geven binnen bestaande beleidsprioriteiten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Dassen, Bamenga en Stoffer.
Zij krijgt nr. 51 (36800-XVII).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Dobbe. Zij spreekt namens de fractie van de SP. Ga uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de OESO tegenstander is van gebonden hulp, omdat gebonden hulp de effectiviteit van hulp vermindert en de kosten voor ontwikkelingslanden verhoogt;
verzoekt de regering om ontwikkelingshulp via alle bestaande kanalen te blijven verstrekken en daarnaast het beleid met betrekking tot ongebonden hulp voort te zetten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 52 (36800-XVII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet 12,6 miljoen euro bezuinigt op het matching fund van Gavi;
overwegende dat Gavi een onmisbare rol speelt in het verstrekken van vaccinaties aan mensen in ontwikkelingslanden en dat met deze pandemische paraatheid ook onze veiligheid gemoeid is;
verzoekt de regering de bezuiniging op Gavi terug te draaien, financiering langjarig te garanderen en een dekking hiervoor te zoeken in de asieltoerekening aan het ODA-budget,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 53 (36800-XVII).
Mevrouw Dobbe (SP):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het regime in Iran mensenrechten schendt, vrouwen worden onderdrukt en ook de rechten van vrouwen ernstig worden geschonden;
constaterende dat het Iraanse regime geweld pleegt tegen demonstranten in Iran;
verzoekt de regering een extra inspanning te leveren om Iraanse vrouwenrechten- en mensenrechtenorganisaties te ondersteunen bij hun werk,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 54 (36800-XVII).
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij tot slot luisteren naar de heer Dassen, die spreekt namens de fractie van Volt. Gaat uw gang.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het terugtrekken van de Verenigde Staten uit mondiale samenwerkingsverbanden en hulporganisaties kansen biedt voor een versterkte internationale positie van Europa;
overwegende dat een hoge mate van Europese coördinatie nodig is binnen de ontwikkelingssamenwerking om die kansen te benutten;
overwegende dat die coördinatie momenteel te wensen overlaat, omdat lidstaten te vaak hun eigen stempel willen drukken op de geleverde hulp, wat voor inefficiëntie en hoge kosten zorgt;
verzoekt de regering om zich in te zetten voor een Europese ontwikkelingssamenwerkingsstrategie, waarbij ontwikkelingssamenwerking vanuit de Europese Unie uitsluitend Europees gecoördineerd wordt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 55 (36800-XVII).
De heer Dassen (Volt):
O, ik heb nog veel meer tijd!
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Unie een handelstekort van 109 miljard euro heeft met de Verenigde Staten op het gebied van digitale diensten;
overwegende dat een Europese digitaledienstenbelasting gericht moet zijn op techbedrijven die in feite omzet genereren binnen de EU maar onder het huidige belastingstelsel binnen de EU niet of nauwelijks in de belastingheffing worden betrokken;
verzoekt de regering te verkennen hoe een Europese digitaledienstenbelasting als alternatief voor pijler 1 van het OESO-verdrag kan worden ingevoerd en hierin ook het voorkómen van dubbele belastingen mee te nemen, de afbakening en de concurrentiepositie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 56 (36800-XVII).
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter. Dan nog een laatste vraag aan de staatssecretaris. Vanwege de discussie die er in het debat is geweest over de koppeling met het bni heb ik nog even naar de motie van de Eerste Kamer gekeken. Die was toch vrij helder, vrij duidelijk. Er stond ook een redelijke meerderheid onder. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris kijkt naar de behandeling van deze begroting en dadelijk ook naar de behandeling van de begroting in de Eerste Kamer.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamer. Ik ga schorsen zodat de staatssecretaris in de gelegenheid wordt gesteld om de ingediende moties van een appreciatie te voorzien. Dat is dan inclusief een dinerpauze. Dat betekent dat ik voor 45 minuten ga schorsen. Ik schors voor 45 minuten.
De vergadering wordt van 17.57 uur tot 18.45 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van de staatssecretaris voor de beantwoording van de laatste vragen en de appreciaties van de ingediende moties. Gaat uw gang.
Staatssecretaris De Vries:
Dank u wel, voorzitter. Ik had nog twee openstaande vragen. De heer Ceder van de ChristenUnie had een vraag over de besteding van de middelen voor de diversificatie wat Gaza betreft. Zoals opgenomen in het amendement is er in 2025 15 miljoen aan UNRWA gegeven en 4 miljoen aan UNICEF. Dat is dus ook degelijk besteed. In 2026 is er 8 miljoen voor UNRWA. Het kabinet zal de rest van de middelen aanwenden voor bijdragen aan het VN-landenfonds voor de Palestijnse gebieden, het Wereldvoedselprogramma en UNICEF.
Dan had de heer Ceder ook nog een vraag over het mandaat van UNRWA. Dat is door de Algemene Vergadering van de VN verlengd. Dat zou ook betekenen dat het daar dus aangepast moet worden en dat er een meerderheid van de 193 landen voor moet zijn. Dat staat er overigens niet aan in de weg dat er wel diversificatie kan plaatsvinden. Nederland heeft bij de laatste verlenging van het mandaat natuurlijk wel de punten gemaakt die ik hier eerder ook heb gemaakt, namelijk het streven naar diversificatie van humanitaire hulp en de implementatie van de Colonna-aanbevelingen.
Voorzitter. Dan kom ik bij de amendementen. Ik ga ze op volgorde behandelen. Ik zal proberen een beetje tempo te maken. Het amendement op stuk nr. 8 is eerder al door de minister van Financiën beoordeeld bij de Algemene Financiële Beschouwingen.
De voorzitter:
Dat betekent dat het amendement op stuk nr. 8 de appreciatie oordeel Kamer heeft.
Staatssecretaris De Vries:
Het amendement op stuk nr. 15 van mevrouw Kröger had ik tijdens het debat al ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 15 krijgt de appreciatie: ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Het amendement op stuk nr. 18 van de heer Dassen gaat over het verhogen van het budget om ontbossing tegen te gaan met 15 miljoen. Dit amendement wordt gedekt door een kasschuif van 2029 en 2030 naar het heden. Ik wil de mogelijkheden van het volgende kabinet niet beperken. Ik vind dat ook niet passend bij de demissionaire status. We hebben natuurlijk al wel extra dingen gedaan. We hebben 5 miljoen beschikbaar gesteld aan de Tropical Forest Forever Facility. Ik zal geen opmerkingen maken over Mercosur, waarin ook aandacht is voor ontbossing. Het amendement op stuk nr. 18 wordt daarmee ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 18 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan het amendement op stuk nr. 21 van Van Baarle over een bedrag voor noodhulp aan Rohingya ter hoogte van 1 miljoen euro. De situatie van de Rohingya is natuurlijk schrijnend. Nederland ondersteunt de militaire hulpverlening door flexibele financiering; dat heb ik ook al aangegeven toen het ging over verschillende andere onderwerpen. Ik heb het dan bijvoorbeeld over humanitaire partners als UNICEF, UNHCR, WFP en het internationale Rode Kruis. Die moeten kijken naar de hoogste noden. Dat geldt ook voor de Rohingya-crisis. Ik ontraad dit amendement, omdat we dat via die lijn willen gaan doen.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 21 wordt ontraden. Dat geeft aanleiding tot één vraag. Gaat uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik snap niet zo goed waarom de situatie of de systematiek nu opeens zo anders zou zijn dat dit amendement ontraden dient te worden. De voorganger van deze staatssecretaris, nota bene minister Klever, gaf precies hetzelfde amendement oordeel Kamer en de Kamer stemde er met een grote meerderheid mee in. Ook vorige bewindspersonen hebben deze amendementen in verschillende vormen altijd oordeel Kamer gegeven. Deze staatssecretaris geeft terecht aan dat de noden nog steeds heel hoog zijn. Dus wat is er nou veranderd in de systematiek waardoor deze oproep nu ineens geen positief oordeel meer krijgt van het kabinet? Volgens mij kan een gedeelte van dat budget nog steeds naar de Rohingya gaan.
Staatssecretaris De Vries:
Volgens mij was de dekking het reservepotje voor 2026. Wij staan nu aan het begin van 2026. We weten zelf wat er op dit moment gebeurt in de wereld. Dat zou betekenen dat het resterende bedrag voor 2026 wordt verlaagd. Ik ben daar geen voorstander van. Ik vind dat we een redelijk eenduidige lijn moeten hebben en dat we niet voor alle groepen specifiek nu weer ergens een bedrag neer moeten zetten, hoe erg het ook is. Ik vind dat we het via die flexibele financiering moeten overlaten aan de professionele hulporganisaties om te bepalen waar de noden het hoogst zijn. Ik denk dat we daar ook op moeten vertrouwen. We krijgen namelijk continu discussies over andere groepen en speciale potjes. Ik zie de schrijnendheid van de situatie, maar ik wil het toch ontraden met het oog daarop.
De voorzitter:
Gaat u door naar het volgende amendement.
Staatssecretaris De Vries:
Dan het amendement op stuk nr. 22 van de heer Van Baarle over een bijdrage aan het West Bank Protection Consortium, ter waarde van 0,2 miljoen. Nederland ondersteunt het werk van het consortium al vanuit de begroting van Buitenlandse Zaken, dus niet die van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Dit amendement ziet wel op die begroting. De recente bijdrage vanuit de BZ-begroting was met 1,5 miljoen euro opgehoogd tot in totaal 5,5 miljoen tot juni 2027. Wij denken dat dat budget voldoende is. Daarmee wordt dit amendement ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 22 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan hebben we het amendement op stuk nr. 23. Daar heb ik al een oordeel over gegeven in het debat; dat was ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 23 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Het amendement op stuk nr. 24: ondersteuning van de Oeigoerse bevolking. Hiervoor geldt een beetje hetzelfde als voor het eerdere amendement van de heer Van Baarle. Wij geven overigens geen ontwikkelingshulp aan China, dus dat zou al een hele complexe situatie geven. Maar ik moet dit amendement ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 24 wordt ontraden.
Ik geef u de gelegenheid tot het stellen van één vraag. Ga uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
Tegelijkertijd heeft deze staatssecretaris bij het beleidsterrein Handel en het voorkomen van producten die met dwangarbeid van Oeigoeren tot stand zijn gekomen en die naar Nederland komen, natuurlijk wel met dit onderwerp van doen. En stel nou dat de dekking niet uit het flexibele potje zou komen, maar dat ik het voorstel zou doen om het vanuit het artikel dat zit op Handel te dekken, dan kan de staatssecretaris ook denken dat dit juist een bedrag is om haar te helpen om straks bij het implementeren van die antidwangarbeidverordening op basis van goede informatie over dwangarbeid van Oeigoeren die producten tegen te houden. Zou de staatssecretaris op dat vlak kunnen meedenken?
Staatssecretaris De Vries:
Nee, want dan is het nog weer een heel ander potje. Hier geldt wel het volgende voor. Er wordt natuurlijk altijd gekeken naar noden van groepen. We zien natuurlijk dat er Oeigoeren gevlucht zijn in een aantal gevallen. Maar voor elke aparte groep een apart budget neerzetten, dat is het niet. We hebben ook niet een ontwikkelingshulprelatie met China. Dus wat mij betreft blijft het amendement ontraden.
Dan ga ik over naar het amendement op stuk nr. ... Had ik nr. 24 al gehad?
De voorzitter:
Ja, dat is net behandeld. Nu het amendement op stuk nr. 25, dat van het lid Dobbe.
Staatssecretaris De Vries:
Het amendement op stuk nr. 25: het terugdraaien van de bezuinigingen op artikel 4.1, van 45 miljoen. De voorgestelde dekking is de asieltoerekening. Ik moet daarom dit amendement ontraden. Het is ongedekt, want de uitgaven voor de eerstejaarsasielopvang die niet uit het ODA-budget betaald worden, moeten elders gedekt worden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 25 wordt ontraden. Nu het amendement op stuk nr. 26.
Staatssecretaris De Vries:
Het amendement op stuk nr. 26 van Dobbe: de bezuinigingen op vrouwenrechten en gender, ter hoogte van 24 miljoen, terugdraaien. Hier geldt eigenlijk hetzelfde voor: hier is dezelfde dekking voor gekozen. Dat is geen deugdelijke dekking, dus daarom moet ik het amendement ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 26 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan hebben we het amendement op stuk nr. 27 van Kröger over het herstellen van het afgeschafte Civic Space Fund, ter hoogte van 10 miljoen. De voorgestelde dekking is uit het artikel 4.2 voor migratiesamenwerking. Nou, u heeft mij al horen zeggen dat wij het belangrijk vinden dat wij met de middelen die daar staan, de terugkeer en herintegratie bevorderen naar landen waar we in 2026 meer mee willen samenwerken, zoals Somalië en Syrië. Daarom ontraad ik dit amendement.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 27 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Over het amendement op stuk nr. 28 heb ik het al gehad. Dat was ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 28 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Hetzelfde geldt voor het amendement op stuk nr. 29. Dat heb ik ook al aangegeven.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 29 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Van het amendement op stuk nr. 30 heb ik ook al een appreciatie gegeven.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 30 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 31. Dat is een complex amendement, nog even afgezien natuurlijk van de verschillen die wij daarover hadden. In het artikel worden de uitgaven verlaagd met 141 miljoen en worden de uitgaven verhoogd met 141 miljoen. Dat kan natuurlijk, alleen is dat het totale pakket van het Focus-beleidskader. Dit amendement is wat ons betreft op alle fronten onwenselijk en heeft verstrekkende gevolgen voor de maatschappelijke organisaties. Wat ons betreft zou het ook niet van goed bestuur getuigen. Alle aanbestedingen die al gepubliceerd zijn, moeten worden stopgezet en aangepast met dit amendement. Dit hebben we ook nog nooit gedaan. Dit kan leiden tot juridische procedures en juristen raden ons dit dan ook af.
Dit betekent ook dat organisaties die al voorstellen hebben ingediend, die moeten aanpassen en opnieuw moeten indienen, en dit jaagt hen op substantiële extra kosten. Ze moeten vervolgens langer wachten op duidelijkheid over de financiering. Dit geldt ook voor de rond de honderd organisaties uit het Mondiale Zuiden die een voorstel hebben ingediend onder de aanbesteding voor vrouwenrechten. Ook zijn er voor twee instrumenten al contracten getekend. Op deze juridische verplichtingen kan en wil ik sowieso niet terugkomen. Gezien de duur van de aanbestedingsprocedure zal dit betekenen dat middelen gereserveerd voor maatschappelijke organisaties niet kunnen worden uitgegeven in 2026. Ik heb net aangegeven dat de publicatie van het beleidskader Schone en eerlijke handel in principe naar de Staatscourant is gegaan, maar die kan ik terughalen. Dat zal ik ook doen, met het oog op de indiening van dit amendement.
Het betekent echter heel veel voor de andere onderdelen van het beleidskader. Ik moet alles terugdraaien, behalve die twee, want ik vind dat dat niet kan als ik al een juridische verplichting ben aangegaan. De stemmingen hierover zijn in maart. Dan ligt het stil en moet het daarna opgestart worden, om eventueel opnieuw dingen te doen. Ik vind het echt niet getuigen van goed bestuur om het te doen zoals in dit amendement staat. Ik ontraad het dan ook. Ik zal, door de indiening van dit amendement, sowieso wel de publicatie in de Staatscourant terugdraaien. Dan moeten we ergens in maart maar verder zien. Vervolgens worden dan dus ook alle andere dingen in het beleidskader teruggedraaid.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 31 wordt, met deze toelichting, ontraden. Ik zie dat er een klein overleg gaande is.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
We hebben in het debat natuurlijk een aantal keer gewisseld dat het wat ons betreft van groot belang is dat die twee moties worden uitgevoerd. De staatssecretaris geeft nu aan dat zij het kader inderdaad terugtrekt uit de Staatscourant. Dat geeft dus ook de mogelijkheid om het aan te passen. Nogmaals, daar ziet dit amendement op. Dit amendement heeft tot doel de staatssecretaris zover te krijgen dat zij die moties uitvoert. Ik vraag het de staatssecretaris dus nogmaals. De stemmingen zijn in maart. Het kader wordt teruggetrokken uit de Staatscourant. Dat geeft de mogelijkheid om het alsnog aan te passen.
Staatssecretaris De Vries:
Maar met het voorliggende amendement zal ik ook alle partijen die nu onder die andere kaders al allerlei dingen hebben ingediend, hierover moeten gaan informeren, want het hele kader wordt dan aangepast. De hele regeling wordt ook aangepast. Zo is het amendement geformuleerd. Zij zullen dan allemaal opnieuw een indiening moeten doen. Ik vind dat zelf niet van heel goed bestuur getuigen. Het hele maatschappelijke middenveld zal hier ook heel veel extra werk aan hebben. Ik vind dus dat ik dit amendement moet ontraden. Ik weet niet hoe de stemming hierover zal uitvallen, maar ik vind het ook niet netjes vanuit de Rijksoverheid om die publicatie dan wel door te laten gaan.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
De staatssecretaris noemt nu een aantal keer goed bestuur. Nogmaals, het gaat hier om een motie die in eerste instantie in juli is ingediend, die de staatssecretaris vervolgens genegeerd heeft door gewoon door te gaan met het kader, om vervolgens nóg een motie te negeren. Ik vind het dus moeizaam dat de Kamermeerderheid die dit amendement indient, dit verwijt krijgt. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat zij het kader terugtrekt uit de Staatscourant. Dat geeft dus ook de mogelijkheid om het nog aan te passen. Dat zou volgens mij de uitweg uit deze situatie zijn.
Staatssecretaris De Vries:
Maar dit amendement is veel breder dan alleen dat. Dit betekent dat ik ook alle andere zaken moet terugdraaien. Die zijn al gepubliceerd. Die moeten worden stopgezet en die moeten worden aangepast, op basis van de inhoud van dit amendement. Ik kan er niets anders van maken dan dat. U gaat zelf over de formulering van het amendement. Dit is wat u opgeschreven heeft en dit is mijn oordeel over dit amendement.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Het heeft natuurlijk de voorkeur van de indieners dat de motie die ziet op het kader Schone en eerlijke handel wordt uitgevoerd. Het is niet de bedoeling om het groter te maken met andere subsidiekaders, die er natuurlijk bij horen in het grote Focusverhaal. De bedoeling van de indieners is om alleen naar Schone en eerlijke handel te kijken. Ik begrijp natuurlijk — dat stond ook zo in de brief van de staatssecretaris — dat de juristen verwachten dat daar mogelijk nog door andere subsidieontvangende organisaties, die binnen het kader al subsidie ontvangen, een beroep op wordt gedaan. Ik verwacht eerlijk gezegd dat die kans heel klein is. Mijn vraag is of u niet nog eens naar die motie kunt kijken. Dan kunnen de indieners volgens mij ook wel leven met het terugtrekken van het amendement.
Staatssecretaris De Vries:
U heeft zelf het amendement zo ingediend. Ik ga niet over hoe u een amendement indient. U zegt: 141 miljoen aan verplichtingen aan de uitgavenkant, en aan de andere kant moet dat weer opgehoogd worden. Daar zegt u bij: "Deze financiering moet volgens de indieners onder andere aangewend kunnen worden voor maatschappelijke organisaties voor pleiten en beïnvloeden in Nederland." Dat geldt dan voor dat totale bedrag. Ik kijk nu alleen naar dit verhaal. Ik heb u ook gehoord met betrekking tot de motie, maar dat is niet wat dit regelt.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dat is wel de bedoeling. Zo hebben we het ook geprobeerd aan te geven, net voor de dinerpauze. Die motie moet echt worden gezien als onze voorkeur. Schone en eerlijke handel, daar gaat het om. Het gaat er niet om andere subsidiekaders die daarbij horen te veranderen.
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb al twee keer brieven gestuurd naar de Kamer over mijn appreciatie van de motie. Daar heeft het kabinet naar gekeken en dat heeft gezegd: dit is niet in lijn met het kabinetsbeleid. De Kamer probeert dit nu met een amendement te regelen en dat is haar goed recht, maar dit amendement is heel verstrekkend. Ik kan het op dit moment ook niet mooier maken dan het is. Misschien kunnen de indieners nog eens naar het amendement kijken, maar ik moet uitgaan van dit amendement, voorzitter.
De voorzitter:
Dat snap ik. Ik kijk nog even naar de eerste indiener van dit amendement om te zien of wij hier nog met elkaar uit kunnen komen, of dat er in maart gestemd wordt over dit amendement met deze appreciatie en de toelichting van de staatssecretaris.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Wij zullen zeker nog naar dit amendement kijken, maar voor de duidelijkheid: er dreigt nu een kader te worden gepubliceerd waarmee de staatssecretaris is doorgedenderd door het naar de Staatscourant te sturen. Zij weet dat daar geen steun voor is in de Kamer. Dat wordt nu teruggetrokken. Dat geeft de staatssecretaris dus de mogelijkheid om het aan te passen en dat geeft ons de mogelijkheid om naar dit amendement te kijken. Uiteindelijk gaat het om een vrij fundamenteel punt, waarbij de staatssecretaris weigert iets zeer duidelijks te doen, waartoe 150 maatschappelijke organisatie hebben opgeroepen. De staatssecretaris schermt er nu mee dat deze organisaties dit heel problematisch zouden vinden.
De heer Van der Burg (VVD):
Als de 141 miljoen van het amendement op stuk nr. 31 wordt overgeheveld conform dat amendement, dan verandert er toch niets aan het standpunt van het kabinet?
Staatssecretaris De Vries:
Nee, dat blijft ook hetzelfde. Dat is het punt niet. Maar dit amendement is nog veel verstrekkender dan de motie die er ligt. Mijn standpunt over de motie en over het wel of niet subsidiëren van een lobby is nog steeds hetzelfde. Als de Kamer een amendement wil indienen, geef ik aan wat de consequenties van dat amendement zijn. Dit is hoe ik aankijk tegen het amendement dat hier ligt. Ik wil best nog een keer op papier zetten wat het probleem is, maar dit is wel de hoofdlijn.
De heer Van der Burg (VVD):
Maar ik vraag even het volgende, via de voorzitter uiteraard, aan de staatssecretaris, met de bedoeling om te kijken naar de broeders en zusters in de Kamer. Dat betekent dus ook dat dit amendement in de ogen van de staatssecretaris niet leidt tot datgene wat beoogd is met het amendement, als ik luister naar de woorden van mijn collega-Kamerleden.
Staatssecretaris De Vries:
Uiteindelijk wel, maar ik vind het niet netjes, als er zo'n amendement ligt, om dan door te gaan naar de organisaties die nu al allerlei zaken hebben ingediend of op aanbestedingen hebben ingeschreven. Die zal ik wel moeten gaan informeren dat dit er ligt. Twee verplichtingen zijn al aangegaan. Ik geef nu al aan dat ik daar sowieso niet op ga terugkomen. Maar ik kan dan niet hiermee doorgaan, zeg maar. Ik vind het niet meer dan netjes dat ik dat richting die organisaties ga aangeven op het moment dat dit amendement het amendement is.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik vraag me af of de appreciatie van de staatssecretaris anders wordt als er in het amendement heel duidelijk wordt geformuleerd dat het echt om schone en eerlijke handel gaat en niet om de andere kaders, die al gepubliceerd zijn. Ik denk dat het heel logisch is dat die nationale lobby wordt toegestaan.
Staatssecretaris De Vries:
Dat is dan niet tekstueel. Dan moet er echt een heel ander amendement komen te liggen. Dan blijft mijn oordeel overigens nog steeds ontraden, omdat ik inhoudelijk iets anders vind dan wat de indieners van plan zijn. Ik heb nu echter alleen dit amendement.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Zou u zich kunnen voorstellen dat het anders uitpakt? Ik zoek een beetje naar een weg om ervoor te zorgen dat we vaart maken met een aanpassing en dat we niet tot de stemming in maart moeten wachten om verder te kunnen. Wij kunnen kijken naar het aanpassen van de tekst naar "schone en eerlijke handel", zodat duidelijk is dat het niet de bedoeling is om met die andere subsidiekaders aan de slag te gaan, zoals u het amendement nu interpreteert.
Staatssecretaris De Vries:
Zoals het amendement nu geformuleerd is, gaat het daarover. Het is aan de indieners om het eventueel aan te passen.
De voorzitter:
Ik ga toch even helpen.
Staatssecretaris De Vries:
Ja, maar ik heb al gezegd dat ik, ook als dit amendement er zo blijft liggen, de Staatscourant ga terughalen. Dat doe ik sowieso, omdat ik het niet netjes vind. Op dit moment heb ik echter niks anders dan dit amendement.
De voorzitter:
Ik ga nog steeds een poging doen om te helpen, want anders blijven we in deze patstelling. Ik zie beweging vanuit de Kamer om het amendement aan te passen, zodat de scope smaller wordt wat betreft andere partijen waarmee verplichtingen zijn aangegaan. Dan is het effect dat Kamerleden beogen ook in overeenstemming met hetgeen waar de staatssecretaris aan tegemoet kan komen. Ik kan mij voorstellen dat de indieners kijken naar de tekst van dit amendement. Daarmee heb ik nog niks gezegd over de appreciatie, zo zeg ik even tegen de staatssecretaris. Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris dan nog steeds aan de slag moet met de publicatie in de Staatscourant. Ik hoop ergens dat er hier in het midden consensus gevonden kan worden omtrent de tekst, zodat het amendement uitgevoerd kan worden op basis van de wens van de Kamer, of niet eens het amendement maar wel de moties. Dit wordt voor mij een hellend vlak, want ik wil mij niet inhoudelijk mengen in deze discussie. Ik zie wel van beide kanten, zeker van de kant van de Kamer, een beweging om hier uit te komen. Is daar dan ruimte voor buiten dit debat?
Staatssecretaris De Vries:
Er is natuurlijk altijd ruimte om een aangepast amendement in te dienen. Ik zou dan wel zeggen: doe dat op heel korte termijn. Anders ben ik namelijk echt genoodzaakt om de volle breedte van de mensen die hierdoor geraakt worden op de een of andere manier te informeren. Anders zou ik dat ook niet netjes vinden.
De voorzitter:
Mevrouw Kröger. Ik wil dit ook wel ergens gaan afronden.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Goed, voorzitter. Ik snap dat, maar ik vind het volgende echt heel moeizaam. Een Kamermeerderheid vindt het dusdanig belangrijk dat die motie wordt uitgevoerd dat zij daar zelfs een amendement voor wil indienen. In plaats van dat de staatssecretaris dat inziet en tegemoet komt aan de wens van de Kamer, problematiseert zij nu eigenlijk de stap die wij zetten.
Staatssecretaris De Vries:
Nee. Maar, voorzitter ...
De voorzitter:
Maar zullen we ...
Staatssecretaris De Vries:
Daar wil ik wel echt op reageren.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Nogmaals ...
De voorzitter:
Mag ik als voorzitter even ingrijpen? Ik denk dat het ons gaat helpen als we uit de woorden "problematiseren" en "verwijten" komen. Emotie is eenieder vrij, maar ik probeer te zoeken naar een oplossing. Ik proef aan de kant van de Kamer heel veel bereidheid. Ik vul dat ook een beetje in voor vak K. Laten we het niet op de spits drijven. Laten we kijken hoe we hier inhoudelijk uit kunnen komen. Ik heb het idee dat dat ook uw intentie is.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Zeker. Het is volgens mij belangrijk dat het kader teruggehaald wordt dat gepubliceerd zou worden tegen de wens van de Kamer in. Het is ook belangrijk dat er naar het amendement gekeken wordt, zodat het juridisch de basis biedt om precies te regelen wat er in die twee moties geregeld diende te worden.
De heer Van der Burg (VVD):
Ik ben dus niet voor het amendement op stuk nr. 31 en ik sta er ook niet onder, maar ik wil wel helpen om te kijken of we tot een oplossing kunnen komen. Maar dan wil ik van de staatssecretaris weten: als het amendement wordt ingediend zoals zojuist ter rechterzijde van mij is gezegd — dan vergeet ik mevrouw Dobbe even — leidt dat dan tot het beoogde resultaat, namelijk dat het intrekken van het kader niet alle gevolgen heeft die de staatssecretaris net heeft benoemd als het zo zou blijven? Oftewel: is dit een oplossing?
Staatssecretaris De Vries:
Ik ben geen wetgevingsjurist. Ik denk dat dat zou kunnen, maar dan is wel de vraag: wat wil de Kamer regelen? Het amendement zal van mijn kant nog steeds ontraden zijn. Maar goed, dat heb ik al aangegeven. Zoals het nu geformuleerd is, heeft het deze insteek. Ik geef aan dat de indieners dan moeten kijken hoe ze het willen aanpassen.
De voorzitter:
Mag ik een voorzichtige conclusie doen? Zal ik eerst een conclusie doen? Het amendement wordt in de huidige vorm ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Ja.
De voorzitter:
Ik denk dat de indieners heel goed gehoord hebben dat de staatssecretaris gezegd heeft: indien wijziging, dan tempo. Ik zie mensen knikken aan de overkant, althans, aan mijn overkant. Zou de voorzichtige conclusie kunnen zijn dat de appreciatie in de huidige vorm "ontraden" blijft en dat de indieners met een wijziging op dit amendement komen, wellicht ook nog in goede samenspraak met de staatssecretaris, om tot een uitkomst te komen die de Kamer tegemoetkomt — dat hoor ik namelijk heel goed — maar waarbij de staatssecretaris ook de ruimte heeft om dat te kunnen uitvoeren passend binnen de juridische mogelijkheden? Heb ik het zo netjes geconcludeerd? Nou, het is bijna Gronings enthousiasme aan de overkant.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Wij hebben de staatssecretaris duidelijk gehoord. We zullen ons beraden. We hebben ook het geluid gehoord van 150 organisaties die zeggen: wij willen dat dat kader wordt aangepast. Wij gaan ons hier dus op beraden.
De voorzitter:
Dan zou ik dat met tempo doen. Ik denk dat dat gaat helpen. Ik hoop dat mevrouw Dobbe geen vraag meer heeft.
Mevrouw Dobbe (SP):
Wat bij het beraden zou helpen, is dit. De staatssecretaris heeft blijkbaar tijdens de schorsing ambtelijke adviezen en ook een juridische appreciatie vanuit haar organisatie gekregen. Het zou ons als indieners heel erg helpen om die ook te ontvangen, zodat wij ook weten waar de pijnpunten zitten en er inhoudelijk vanuit dezelfde informatiepositie over kunnen oordelen.
Staatssecretaris De Vries:
Ik heb het in principe mondeling aangegeven, maar ik ben best bereid dat nog even kort op papier te zetten. Dat neemt wel weer extra tijd in beslag en hoe langer het duurt …
De voorzitter:
Soms helpen tijd en extra informatie om elkaar in het midden te ontmoeten.
Staatssecretaris De Vries:
Jawel, maar er is voor mij een kantelpunt wanneer ik moet zeggen dat dit amendement er ligt en ik het allemaal terug moet halen …
De voorzitter:
Dat snap ik.
Staatssecretaris De Vries:
… anders vind ik het niet netjes.
De voorzitter:
Dan blijft de conclusie: in de huidige vorm is de appreciatie "ontraden". De indieners gaan in tempo aan de slag op basis van de informatie die de staatssecretaris ook nog verstrekt en dan komt er een gewijzigd amendement.
Dan kunnen wij nu verder met de ingediende moties.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de moties. De eerste motie is de motie op stuk nr. 32 van de heer Bamenga over het Grote Merenproject. Die kan ik oordeel Kamer geven. Ik ga niet over alles apart informeren; dat doe ik in de bestaande zaken zoals het jaarverslag en/of de begroting.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 32 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 33 van D66 over onderwijs in humanitaire crisissituaties kan ik oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 33 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 34 van de PVV over stoppen met ontwikkelingshulp ga ik ontraden. Wij vinden ontwikkelingshulp belangrijk. Er zijn ook Nederlandse belangen zoals migratie et cetera. Die hebben we in het debat met de heer Markuszower ook gedeeld. Daarom is de motie ontraden, want anders hadden we deze begroting, die ook nog mede gemaakt is met de PVV, niet ingediend.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 34 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie op stuk nr. 35 van de PVV over geen subsidies meer naar ngo's en terroristische organisaties. Laat ik vooropstellen dat wij geen terroristische organisaties financieren, maar onder verwijzing naar het debat moet ik deze motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 35 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie op stuk nr. 36 van mevrouw Kröger over de OESO-richtlijnen. Ik moet deze motie ontraden. De OESO-richtlijnen vormen de basis van het Nederlandse imvo-beleid, maar wij vinden het niet wenselijk en realistisch om dit rijksbreed in te voeren. Dat zou aan een volgend kabinet zijn.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 36 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 37 verzoekt de regering om stevige steun uit te spreken voor het werk en het mandaat van UNRWA en de banden met deze VN-organisatie te herstellen. Deze motie is wat mij betreft overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 37 krijgt de appreciatie: overbodig. Mevrouw Kröger, één vraag alstublieft.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Over het algemeen zegt het kabinet dat iets overbodig is als het het gevraagde al doet. Concludeer ik dan uit haar appreciatie dat de staatssecretaris stevig steun uitspreekt voor het werk en het mandaat van UNRWA?
Staatssecretaris De Vries:
Ik denk dat ik duidelijk ben geweest in het debat; ik heb daar kanttekeningen bij geplaatst. Maar de motie impliceert dat het kabinet geen banden zou hebben met UNRWA of niet zou staan voor de VN-hulporganisaties en dat klopt simpelweg niet. We steunen het mandaat van UNRWA. Ik heb daar de kanttekeningen bij geplaatst van het Colonnarapport en ik heb iets gezegd over de lesmaterialen. Ik vind deze motie dus overbodig.
De voorzitter:
Dan moet ik aan mevrouw Kröger, de eerste indiener, vragen of zij de motie indient of intrekt.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Gezien de humanitaire crisis in Gaza denk ik dat het heel belangrijk is dat de Kamer zich wél uitspreekt.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie op stuk nr. 38 van mevrouw Van Ark van het CDA, over schuldverlichting in combinatie met innovatieve oplossingen. Ik verwijs naar wat ik hierover gezegd heb in het debat. Wat mij betreft is dit oordeel Kamer. We hebben al het nodige gewisseld over kwijtschelding en dergelijke zaken. Als randvoorwaarde wil ik meegeven dat het kabinet daar niet voor is, maar we kunnen altijd goed naar innovatieve oplossingen kijken omdat we het probleem ook wel zien.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 38 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 39, van de heer Van Baarle, verzoekt de regering om een aanvullende bijdrage te doen voor de wederopbouw van Gaza. Ik denk dat ik heel uitgebreid ben ingegaan op het belang van de wederopbouw van Gaza. Ik moet deze motie ontraden. Er is geen dekking, dus dan zou het ten koste gaan van andere programmering. Ook willen wij even goed kijken wat andere landen doen en dan gezamenlijk kijken naar wat er moet gebeuren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 39 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie op stuk nr. 40 van DENK, over het voorbereiden van de inzet van de antidwangarbeidverordening voor Oeigoeren. We zijn sowieso bezig met de EU om …
De voorzitter:
Excuus. De motie op stuk nr. 40 gaat volgens mij over Sudan. De motie op stuk nr. 41 gaat over de antidwangarbeidverordening.
Staatssecretaris De Vries:
Nou, dan krijg ik die zo dadelijk nog eventjes aangereikt van de ambtenaren.
De voorzitter:
Dan parkeren we de motie op stuk nr. 40 even en gaan we naar de motie op stuk nr. 41.
Staatssecretaris De Vries:
Dan moet ik er dus overal eentje bij optellen. De motie op stuk nr. 41 gaat over de antidwangarbeidverordening. Wij zijn bezig met de voorbereidingen van de implementatie en het bedrijfsleven is daar ook mee bezig. Wat mij betreft is deze motie eigenlijk overbodig, maar ik kan 'm ook wel oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 41 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 42 verzoekt de regering om zich in te zetten voor de positie van de Rohingya, met nadruk op internationale bescherming, mensenrechten en veilige terugkeer en om te bezien hoe een gerichte bijdrage gedaan kan worden voor de ondersteuning van de Rohingya. Dit is eigenlijk een beetje hetzelfde als het amendement. Ik zou mij daar dus bij willen aansluiten en dan is de appreciatie: ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 42 wordt ontraden. Eén vraag, meneer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
Als het gaat om bijvoorbeeld het continueren van de programma's in de Grote Meren — terecht; ik sta mede onder die motie — is dat geen aanslag op het flexibele budget voor de toekomst. Onderwijs waar mogelijk onderdeel maken: heel belangrijk, ook daar sta ik onder. Zo zijn er nog meer moties, toevallig allemaal van coalitiepartijen in wording, die ook iets doen met een budgettaire implicatie. Daarvan zegt de staatssecretaris: oordeel Kamer. Dan vraag ik om een bijdrage voor Gaza en wordt dat ontraden, want geen dekking. Of ik vraag om een bijdrage voor de Rohingya en dan is het: tja, ontraden, wánt het flexibel budget, wánt geen dekking. De staatssecretaris is gewoon niet rechtlijnig. Er zijn gewoon heel goede argumenten om een bijdrage te doen aan Gaza of aan de Rohingya op basis van de noden. Kan de staatssecretaris aangeven dat zij andere redenen heeft dan die in haar argumentatie? Zij is namelijk in ieder geval niet consistent.
Staatssecretaris De Vries:
Volgens mij zijn de moties echt verschillend van elkaar. Over het Grote Merenproject heb ik eerder al in een brief aangegeven dat we bestaande programma's door laten gaan. Voor aanvullende humanitaire hulp hebben we gewoon criteria op basis waarvan wij die hulp inzetten. Daar wordt echt secuur naar gekeken; dat is echt niet een willekeurige exercitie. Daaruit is voor Congo ik meen 8 miljoen beschikbaar gesteld. Dat is ook niet het enige wat we doen. We doen ook nog flexibele financiering bij een heleboel instanties die kijken naar de urgente noden. Daar komen ook een heleboel landen en groepen voor in aanmerking. Als de urgente noden zo hoog zijn en het in het totale palet nodig is dat daar geld heengaat, dan is dat vanuit die flexibele financiering die organisaties krijgen. Volgens mij is dat een verhaal dat op basis van feiten en criteria bepaald is en dat is hoe het zou moeten zijn wat mij betreft. Het is altijd heel ingewikkeld om verschillende conflicten, situaties en urgente noden tegen elkaar af te wegen, maar ik vind dat we er vertrouwen in moeten hebben dat onze hulporganisaties die daar een rol in spelen dat op een goede en verantwoorde manier doen.
Dan de motie op stuk nr. 43 van de SGP over het faciliteren van de actoren in de Dutch Diamond. Die is wat mij betreft oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 43 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie op stuk nr. 44. Het bni herstellen met een motie is wel wat ingewikkeld, meneer Stoffer. Ik ken de SGP als een financieel degelijke partij. Ik moet deze ontraden, ook onder verwijzing naar het debat. In feite ligt er ook geen dekking aan ten grondslag.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 44 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie op stuk nr. 45 over de criteria voor klimaatfinanciering. Onder verwijzing naar de beantwoording van de schriftelijke vragen: ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 45 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie op stuk nr. 46 van mevrouw Teunissen van de Partij voor de Dieren over het ondersteunen van boerengemeenschappen en het borgen van hun rechten en biodiversiteit. Er is al sprake van inzet van budget op deze thema's en prioriteit heeft wat ons betreft voedselzekerheid, dus wat mij betreft wordt zij ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 46 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie van de Partij voor de Dieren op stuk nr. 47 over een opbouwpad voor Nederlandse adaptatiefinanciering voor het klimaat. Ik heb in de schriftelijke beantwoording al aangegeven dat wij het als Nederland heel goed doen als het gaat om die adaptatiefinanciering, dus ik zie geen reden om dat opbouwpad nu nog meer op te laten lopen. Dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 47 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 48 gaat over een rapportage over de ontbossingsvoetafdruk. Ik zou willen zeggen dat die ontijdig is, want dit gaat over de door de staatssecretaris LVVN met uw Kamer gedeelde Nationale Biodiversiteit Strategie Actieplan Nederland en dat is een verantwoordelijkheid van LVVN en niet BHO. Vandaar dat ik het oordeel "ontijdig" wil geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 48 krijgt het oordeel "ontijdig".
Staatssecretaris De Vries:
En anders is zij ontraden. Want bij ontijdig moet geloof ik gevraagd worden of zij aangehouden wordt.
De voorzitter:
Ja. Het ingewikkelde is alleen dat de indiener er niet is. De appreciatie "ontijdig" kan ook. Behalve als u daar nu zelf wat van vindt. Dan gaan we het wijzigen.
Staatssecretaris De Vries:
Als het niet geaccepteerd wordt, heb ik als opdracht om te zeggen: ontraden. Dan zou ik tegen de Partij voor de Dieren zeggen: doe nog een poging en dien de motie, tenzij die aangenomen wordt, opnieuw in bij de begroting van LVVN. Dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 48 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie Ceder op stuk nr. 49 over de expertise bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp op het gebied van religieuze en culturele contexten. Dat is staand beleid. In die zin zou die overbodig zijn. Maar ik kan 'm ook oordeel Kamer geven, want ik weet dat het een heel belangrijk punt is voor de indiener.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 49 van de heer Ceder krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris De Vries:
De Afrikastrategie, de motie op stuk nr. 50. Die krijgt wat mij betreft oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 50 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie van de heer Ceder van de ChristenUnie op stuk nr. 51 om te kijken in hoeverre beleidsprioriteiten ten goede komen aan kinderen. Het lijkt mij goed om daar aandacht voor de hebben. Daar hebben meerdere partijen overigens aandacht voor gevraagd. Wat mij betreft oordeel Kamer, maar dat is dan wel in de bestaande gremia of bestaande stukken, zoals het jaarverslag en dat soort zaken. Daarin geven we daar dan een indicatie van.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Ceder. Die knikt enthousiast. De motie op stuk nr. 51 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris De Vries:
Dan de motie op stuk nr. 52 van de SP over ongebonden hulp. Mevrouw Dobbe weet heel goed dat wij geen voorstander zijn van ongebonden hulp, dat wij het belangrijk vinden dat er ook gebonden hulp is. Dus wat dat betreft: ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 52 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 53 van de SP gaat over Gavi. Het kabinet reserveert nu 37,4 miljoen euro per jaar voor Gavi, door middel van de kernbijdrage, het Matching Fund en de innovatieve financiering voor vroegtijdige immunisatie van kinderen. Dit bedrag is meerjarig vastgelegd, tot 2030. Dat is een bezuiniging van 2,6 miljoen per jaar. Ik vind dat alleszins redelijk in het totale palet van wat we allemaal moeten doen. De dekking die wordt genoemd, de asieltoerekening aan het ODA-budget, is geen dekking — dat heb ik al eerder aangegeven — want dan moet daar weer een dekking voor gevonden worden. De motie wordt dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 53 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 54 is ook van mevrouw Dobbe. Daarin wordt de regering verzocht een extra inspanning te leveren om Iraanse vrouwenrechten- en mensenrechtenorganisaties te ondersteunen bij hun werk. Zoals ik ook in het debat aangaf, sta ik daar sympathiek tegenover. Er gebeuren ook al dingen. We willen ook kijken of er iets van een extra inspanning mogelijk is en een aantal opties daarvoor in kaart brengen, maar dat is in verband met de veiligheid natuurlijk niet heel gemakkelijk. Daarmee kan ik de motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 54 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 55 gaat over Europese ontwikkelingssamenwerking. Dat is wel een heel vergaand dictum. Die motie verzoekt de regering om zich in te zetten voor een Europese ontwikkelingssamenwerkingsstrategie, waarbij geen ruimte is voor nationale inzet, maar alles Europees gecoördineerd wordt. Nou, dan hoeven we dit debat niet meer te hebben met elkaar, denk ik. Wat mij betreft wordt deze motie ontraden. Ik heb inderdaad aangegeven dat er natuurlijk afstemming moet zijn op Europees niveau en dat we ook dingen gezamenlijk kunnen doen met betrekking tot conflictbemiddeling, maar dit is wel een hele vergaande motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 55 wordt ontraden.
Staatssecretaris De Vries:
De motie op stuk nr. 56 is van Volt, D66 en GroenLinks-PvdA, en gaat over de digitaledienstenbelasting. Ik ben er in de schriftelijke beantwoording ook al op ingegaan. Deze motie wordt ontraden. Ik denk ook niet dat dat een verrassing voor de indieners is, want de staatssecretaris van Financiën heeft in september 2025 een brief gestuurd over de complexe afwegingen bij de invoering van de DST. Er is voor gekozen om dat niet te doen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 56 wordt ontraden. Dan hebben we onder andere nog de motie op stuk nr. 40 van de heer Van Baarle over.
Staatssecretaris De Vries:
Dat is die over ...
De voorzitter:
"Verzoekt de regering om te Europese Commissie te verzoeken om de ruimte binnen het onderhandelingsmandaat, namelijk naleving van het internationaal recht, te benutten om de rol van de VAE in de oorlog in Sudan bespreekbaar te maken."
Staatssecretaris De Vries:
Ik moet even kijken wat er precies staat, want deze zat niet in mijn setje.
Voorzitter. Deze motie is eigenlijk vergelijkbaar met de motie die volgens mij eerder al is ingediend. Het zal de heer Van Baarle dan ook niet verbazen dat ik daar dezelfde beoordeling aan zal geven, namelijk ontraden. De Raad heeft ingestemd met het onderhandelingsmandaat voor de Golfstaten. In het mandaat wordt ook verwezen naar de naleving van het internationaal recht door derde landen als onderdeel van het toekomstige handelsakkoord. Dan is dit eigenlijk overbodig, vind ik. Ik ga deze ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 40 wordt ontraden. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van onze staatssecretaris.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan aanstaande dinsdag stemmen over de ingediende moties. Over de ingediende amendementen stemmen we nadat we alle begrotingen behandeld hebben.
Ik wil alle leden en de staatssecretaris bedanken voor hun aanwezigheid. Ik wil alle medewerkers in dit huis bedanken voor de goede ondersteuning. Ik wens u allen wel thuis en morgen gezond weer op. Ik sluit de vergadering.
Sluiting
Sluiting 19.28 uur.