Tweede Kamer, 52e vergadering
- Begin14:00
- Sluiting00:00
- StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van Campen
Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:
De voorzitter:
Ik open de vergadering van dinsdag 17 maart.
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Ellian
Vragen van het lid Ellian aan de minister van Justitie en Veiligheid over het bericht "Afschuw om aanslag op synagoge in Rotterdam, politie onderzoekt beelden met terreurclaim over 'aanval op Joden'".
De voorzitter:
Aan de orde is het mondelinge vragenuur. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid van harte welkom. Ik geef het woord aan de heer Ellian voor zijn vragen aan de minister namens de fractie van de VVD.
De heer Ellian (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Afgelopen week werd Nederland opgeschrikt door twee laffe terroristische aanslagen: één op een synagoge in Rotterdam en één op een school in Amsterdam. Ik begrijp dat er inmiddels vier verdachten zijn aangehouden. Daarvoor dank ik de politie en alle betrokkenen die daaraan hebben bijgedragen.
Voorzitter. Zondagochtend sprak ik met een vertegenwoordiging uit de Joodse gemeenschap. Het trof mij dat zij tegen mij zeiden: "Dit is wat je krijgt als je niets doet aan de voedingsbodem van antisemitisme. Dit is wat je krijgt: geweld tegen de Joodse gemeenschap." Wat is die voedingsbodem dan? Ik en vele collega's hebben er al herhaaldelijk aandacht voor gevraagd: Joodse docenten die niet meer veilig college kunnen geven, mensen die op hun werk moeten uitleggen wat ze van Israël vinden, omdat ze Joods zijn, een hovenier die geen klusje wil doen aan een Joods object, voorstellingen die geannuleerd worden. Zo zijn er talloze voorbeelden. De Joodse gemeenschap heeft één vraag. Dat trof mij, dus die vraag stel ik, via u, voorzitter, aan de minister. Gaan we onze rug een keer recht houden? Gaan we iets doen tegen die voedingsbodem van antisemitisme?
Minister Van Weel:
Voorzitter, dank. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik de aanslagen op de synagoge in Rotterdam en de Joodse school in Amsterdam verafschuw. Het zijn laffe daden: een gemeenschap intimideren met geweld tegen een synagoge en een school. Een synagoge zou een veilig huis voor Joden moeten zijn. Een school zou een onbezorgde plek voor kinderen moeten zijn. Antisemitisme, intimidatie en geweld tegen Joden mogen geen plaats hebben in Nederland. We moeten dit als kabinet, maar ook als samenleving, hard veroordelen.
De verdachten uit Rotterdam worden verdacht van het veroorzaken van een explosie, brandstichting en poging tot brandstichting, allemaal met een terroristisch oogmerk. Ik sluit me aan bij de complimenten voor de politie voor dit adequate en snelle optreden. Daarnaast wordt onderzocht of er een samenhang bestaat tussen de aanslagen in Rotterdam en Amsterdam en in hoeverre er samenhang bestaat met de internationale ontwikkelingen. Alles wijst er tot nu toe op dat de jongeren in Rotterdam zijn geronseld. De mogelijkheid dat Iran betrokken is bij deze aanslag wordt nadrukkelijk onderzocht.
Ik heb de afgelopen dagen, naast dat ik me heb gebogen over de veiligheidssituatie en de onmiddellijke maatregelen die nodig zijn voor bescherming, veel gesprekken gevoerd met de Joodse gemeenschap. Deze gesprekken, net als die met u, hebben mij diep geraakt en motiveren me om antisemitisme hard te blijven aanpakken. We moeten antisemitisme altijd keihard veroordelen. Hier ligt niet alleen een rol voor het kabinet of voor de veiligheidspartners, maar ook voor de hele maatschappij. Het gevoel van onveiligheid bij Joden in Nederland is niet nieuw. In mijn eerste termijn als minister van Justitie heb ik zelf al vele van deze verhalen gehoord. Het gaat om zaken als niet meer kunnen optreden, altijd onder beveiliging gaan, kinderen die worden uitgescholden op school, Joden die hun keppeltje niet meer opdoen, Joden die hun davidster op hun rug dragen als ze door bepaalde buurten lopen. Het is onacceptabel, maar het sluimert wel. Hoewel de materiële schade van deze aanslagen beperkt is, worden ze terecht gevoeld als een regelrechte aanslag op het Joodse leven in Nederland.
Boven op de bestaande veiligheidsmaatregelen die al werden genomen bij Joodse instellingen, nemen de bevoegde gezagen naar aanleiding van de aanvallen aanvullende veiligheidsmaatregelen. Daarover zijn we ook in gesprek met de Joodse gemeenschap. Het staat buiten kijf dat het afschuwelijk is dat deze maatregelen nodig zijn, maar zolang het nodig is, zullen wij deze inspanning voortzetten. Het onderliggende probleem — daarmee sluit ik aan bij de vraagsteller — is het groeiende antisemitisme in Nederland. Dat is geen probleem van de Joden. Dat is een probleem van onze samenleving. Ik zou iedereen ook willen oproepen: ga achter de Joodse gemeenschap staan en spreek je uit. Vanuit het kabinet zou ik willen zeggen: onze antisemitismestrategie, die in 2024 is gelanceerd, nemen we weer op. We gaan zitten met de Joodse gemeenschap. Onder andere de input die we gisteren bij het gesprek met de minister-president hebben ontvangen, nemen we daarin mee.
Een van de punten daaruit wil ik u niet onthouden. Het onderwerp educatie en onderwijs werd heel veel genoemd. Het feit dat op scholen het verhaal van de Holocaust niet verteld kan worden en het feit dat leerlingen niet mee mogen op een excursie naar Westerbork zijn zaken die raken. Dat is waar de maatschappij de Joodse gemeenschap kwijtraakt. Dat zit diep bij hen. Ik zal mij ervoor inspannen om te zorgen dat het Joodse leven, dat traditioneel onderdeel is van de Nederlandse gemeenschap, ook hier weer een veilige plek zal krijgen.
De heer Ellian (VVD):
Over dat Joodse leven. Gisteren ben ik ook naar de scholen in Amsterdam geweest. Dan zie je die kindjes daar, met die bizarre maatregelen eromheen. Die prachtige kindjes van de Joodse gemeenschap vervullen mij enerzijds met hoop dat er nog Joods leven zal zijn. Ik dank ze ook voor hun veerkracht, want al eeuwenlang wordt die gemeenschap opgejaagd en gaat zij gebukt onder haat uit alle hoeken van de wereld. Ze hebben wel één vraag. Die vraag wil ik hier nadrukkelijk aan de minister stellen. Deze situatie van een voedingsbodem enerzijds en van de lange arm van een regime in het Midden-Oosten, het Iraanse regime, via alle proxy's in de wereld, is natuurlijk niet nieuw. Ik denk dat je rustig kunt stellen dat de dreiging nog nooit zo hoog is geweest als nu, ook al is het niet nieuw voor de Joodse gemeenschap. Zij vragen één ding: blijven de maatregelen die de minister heeft genomen intact en worden die niet afgeschaald zolang de wereld zich in deze situatie bevindt, namelijk een situatie van hoge dreiging jegens de Joodse gemeenschap?
Minister Van Weel:
Ik kan nooit in een openbare setting ingaan op de maatregelen die we wel of niet nemen en op welk moment. Ik kan u wel garanderen dat de dreigingssituatie voor de Joodse gemeenschap in Nederland onze volle aandacht heeft, niet alleen naar aanleiding van de ontwikkelingen in Nederland of van onderzoek onder onze eigen bevolking, maar ook nadrukkelijk in het licht van de internationale ontwikkelingen zoals die plaatsvinden. Zoals ik in mijn eerste antwoord al aangaf, wordt de mogelijke link met Iran en de betrokkenheid bij deze aanslagen nadrukkelijk meegenomen in het onderzoek.
De heer Ellian (VVD):
Toen ik nog fractievoorzitter was in Almere, was ik de eerste die vragen stelde over het Iraanse regime, dat de opdracht had gegeven voor de moord op een dissident in mijn stad. Daarna, in 2017: in Den Haag. Twee jaar geleden: in Haarlem, waar een Colombiaan en een Tunesiër voor de deur stonden van een Iraanse dissident, die had gesmeekt om politiebewaking, die die niet kreeg maar die gelukkig op camerabeelden zag dat de schutters voor zijn deur stonden. Nog los van Spanje, Zweden, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk is deze werkwijze heel bekend. Jonge jongens worden ingeschakeld, of grote criminele netwerken zoals de mocromaffia. Mijn vraag aan de minister is of hij ons kan verzekeren dat alles in het werk wordt gesteld om de mogelijke opdrachtgevers, die zich wat mij betreft laten raden, eindelijk eens een keertje te vinden, zodat het Iraanse regime ook een keer verantwoordelijk kan worden gehouden.
Minister Van Weel:
Absoluut, daar zullen we alles aan doen. Daar wordt al alles aan gedaan. Daarom is er naast het lokale onderzoek dat normaal plaatsvindt door de recherche en het OM in Rotterdam en in Amsterdam, ook een landelijk onderzoek dat zich juist richt op deze vraag. Ik noemde al dat alles erop wijst dat de jongens die in Rotterdam zijn gepakt, geronseld zijn. Dat wil zeggen dat de vraag wie daarachter zat heel pertinent is. Die heeft al onze aandacht.
De heer Ellian (VVD):
Tot slot. Dit is een aloude en decennialang alom beproefde werkwijze van het Iraanse regime. Ik wil graag ook van de minister horen — want dit is nu helaas gebeurd — wat er gedaan gaat worden om ervoor te zorgen dat er de komende tijd niet nog meer aanslagen worden gepleegd. De criminele cellen in Europa zijn waarschijnlijk al geactiveerd.
Minister Van Weel:
Zoals ik zei, kan ik nog niet vooruitlopen op de vraag wie uiteindelijk de opdrachtgever zou zijn geweest van deze daad. Daarvoor moeten we echt het onderzoek afwachten. We weten wel — daarvoor zal de politie de komende dagen ook aandacht vragen — dat datgene wat "crime as a service" wordt genoemd, dus het feit dat jonge jongens bereid zijn om afschuwelijke daden te plegen voor een relatief kleine vergoeding, een probleem is. Het is niet alleen een probleem in dit geval, bij de Joodse gemeenschap, maar we zien het overal waar explosieven aan deuren worden gehangen en waar jongeren worden geronseld voor criminele netwerken. Daar ligt de weerbaarheid bij jongeren tegen dit soort zaken. Daar zullen we nadrukkelijk naar kijken.
De heer Wilders (PVV):
Steun aan de Joodse gemeenschap in Nederland na deze vreselijke terroristische daden, maar waar komt dat antisemitisme in Nederland nou vandaan? Dat komt natuurlijk van de islamisering van ons land. Dit is Jodenhaat, rechtstreeks uit de Koran. Dat is weer het gevolg van jarenlang iedereen maar binnenlaten, alles maar laten gebeuren, alles goedvinden, samen iftars eten en drinken, en niet doen wat nodig is, namelijk optreden. Dat doet u niet. Vandaag gaan ze achter de joden aan, morgen gaan ze achter de christenen aan en overmorgen zijn we allemaal de klos. Wanneer … Laat ik het anders vragen. Hoeveel terreuraanslagen en antisemitische daden zijn er nog nodig voordat ook deze minister en dit kabinet erkennen dat de islamisering van Nederland daaraan een hele grote bijdrage heeft?
Minister Van Weel:
Antisemitisme in Nederland groeit al jaren. Dat is iets waar we tegen moeten optreden. Antisemitisme is niet beperkt tot één bepaalde groep binnen onze bevolking. De oplossing tegen antisemitisme moet komen uit alle lagen van de bevolking. Dat bedoelde ik met wat gisteren uit de Joodse gemeenschap kwam. Het kan niet waar zijn dat op bepaalde scholen niet meer kan worden gesproken over de Holocaust, dat leerlingen niet mee mogen naar Westerbork om het verhaal over de Tweede Wereldoorlog te horen en dat nabestaanden van de Holocaust voordat ze hun verhaal doen, geconfronteerd worden met de daden van Israël nu in het Midden-Oosten. Dat zijn hele zorgelijke ontwikkelingen. Die neem ik heel erg ter harte. Daarvoor gaan wij strijden. Dat zien we niet alleen in het onderwijs, maar ook in theaters en op universiteiten, waar onlangs een rapport over gekomen is. Ik kan niet beloven dat we dit allemaal oplossen. Ik kan u wel zeggen dat we hier vol voor gaan, omdat het Joodse leven hoort bij Nederland en wat mij en het kabinet betreft zal blijven horen bij Nederland.
De heer Wilders (PVV):
Wat een ongelofelijk slap en, eerlijk gezegd, laf antwoord. De minister heeft het over theaters en weet ik wat allemaal. U, uw partij, heeft de afgelopen tien jaar 1 miljoen niet-westerse allochtonen Nederland binnengehaald. Ons land is onherkenbaar. We zien overal hoofddoekjes, we zien de groei van de Jodenhaat. We hebben het in Nederland en in de rest van Europa gezien. We hebben aanslagen gezien en u durft het woord niet eens in de mond te nemen. Het is een ongelofelijke schande. Als u dat blijft weigeren, als u blijft weigeren toe te geven dat de groei van de islam in Nederland de groei van het antisemitisme betekent, dan zullen er incidenten en aanslagen blijven komen en bent u daar mede voor verantwoordelijk.
Minister Van Weel:
De wetmatigheid die de heer Wilders hier opbrengt, is er natuurlijk niet. Antisemitisme komt overal voor. Daar waar het voorkomt, moeten we het bestrijden. Ik ben het met hem eens dat dat begint bij opvoeding en ervoor zorgen dat in de cultuur en de opvoeding het Joodse leven en de waardering daarvoor met de paplepel wordt ingegoten. Dat moeten we ook hier in Nederland kunnen regelen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Maar dat kunnen we niet regelen, want dat is niet geregeld. Ik hoorde de minister eerder in zijn betoog praten over mensen die hun keppeltje niet meer op durven doen of hun ketting met de davidster achter zich dragen uit angst. Vervolgens wordt er gezegd: dus het sluimert. Het sluimert niet; het is geëxplodeerd. Het sluimert allang niet meer. Het sluimerde misschien ergens tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en begin jaren zeventig, toen iedereen zag hoe erg de Joden hebben geleden onder de Holocaust, maar het sluimert allang niet meer. We kunnen het niet afwentelen op de scholen of de ouders. Nee, de regering moet eens gaan normeren. We zien wat er is gebeurd op de universiteiten en hoeveel antisemitisme daar plaatsvond. Dat kon gewoon vrijelijk gespuid worden. Daar is ook een voedingsbodem gelegd. Het werd een soort van bon ton. "Nou, dat mag." Er is geen "ja, maar …" bij Jodenhaat. Dat zeg ik nog maar eens. Wat gaan de minister en de regering breed in het kabinet — het zit namelijk ook bij het onderwijs en andere portefeuilles — nu concreet doen om eindelijk eens onze Joodse gemeenschap in Nederland te beschermen?
Minister Van Weel:
Daar heeft mevrouw Van der Plas compleet gelijk in: het gaat om normeren, maar het gaat er ook om in al die lagen van onze samenleving te zorgen dat antisemitisme geen voet aan de grond krijgt. Ik ben het met u eens dat het antisemitisme is toegenomen, dat Joden worden aangesproken op wat de regering-Netanyahu in het Midden-Oosten doet. Volstrekt onacceptabel. Volstrekt onacceptabel, maar het speelt op scholen, het speelt in gemeenschappen en het speelt in buurthuizen. Daar, op al die plekken, moeten wij die boodschap laten horen. Vandaar dat ik het voorbeeld noemde van die mevrouw die over de Holocaust kwam vertellen, maar als inleiding een Rode Lijndemonstratie naar haar hoofd geslingerd kreeg, alsof dat het onderwerp was waarover ze kwam spreken. Zij kwam als Joodse vrouw vertellen over haar familiegeschiedenis. Ik ben het met u eens dat wij streng moeten normeren, ook vanuit de regering. Ik ben het ook met u eens dat we vanuit de samenleving in al die verschillende hoeken moeten optreden tegen antisemitisme waar we het zien oprukken. Ik sta volledig aan uw zijde. Alle suggesties die u daarvoor heeft, maar ook de Joodse gemeenschap, want die kwamen daar gisteren al mee, zullen wij heel serieus nemen.
De heer Bamenga (D66):
Een aanval op Joodse mensen, een aanval op de Joodse gemeenschap en het Joods leven is een aanval op ons allemaal. Wij moeten om de Joodse gemeenschap heen gaan staan. Het is heel erg belangrijk dat wij die voedingsbodem gaan aanpakken en onlinehaat is een belangrijke voedingsbodem. Ik zou graag van dit kabinet, van de minister willen weten wat we daaraan gaan doen.
Minister Van Weel:
Ik ben het met u eens dat online een steeds grotere rol speelt, in de criminaliteit, maar ook in discriminatie, in pesten en in antisemitisme. Dat is een groot probleem. In de kern hebben wij dat goed geregeld, want alles wat in het echte leven strafbaar is, is dat ook online. Toch is die enorme verspreiding, het feit dat mensen elkaar vinden in gemeenschappen waar zaken ontsporen, wel een punt van aandacht. Er wordt op dit moment gewerkt aan een aantal wetsvoorstellen die pogen hier wat tegen te doen, onder andere de wet die het strafbaar maakt om terrorisme te verheerlijken, ook in de online-omgeving, juist om de norm te stellen dat het vergoelijken van geweld of het applaudisseren voor terroristische organisaties absoluut uit den boze is. Maar we gaan met het nieuwe coalitieakkoord ook kijken naar wat we extra aan digitale rechercheurs moeten inzetten om onlinecriminaliteit, inclusief antisemitisme, aan te pakken.
De heer Flach (SGP):
De afgelopen dagen lazen we over een bestuurder uit de Joodse gemeenschap die zijn teleurstelling uitsprak over een bezoek van premier Jetten en de overige kabinetsleden. Hij zei: er worden mooie woorden gebezigd, maar wij hebben behoefte aan actie. Een van de meest treffende citaten die ik tegenkwam, was: "we vragen geen tissues van de overheid maar daden, en als heel Nederland achter ons blijft staan, dan staan wij er alleen voor". De SGP dringt al jarenlang aan op harde acties, een aparte eenheid bij de politie, het apart strafbaar stellen van antisemitisme of het ontbinden van demonstraties als er sprake is van antisemitisme. Welke concrete daden heeft de minister voor ogen, samen met zijn collega's vanuit het kabinet, om hier echt wat aan te gaan doen en om verder te komen dan alleen troostrijke woorden?
Minister Van Weel:
Daar zijn wat mij betreft geen taboes op. Nogmaals, we hebben in 2024 met de lancering van de antisemitismestrategie voor het eerst breed willen bekijken hoe we grote stappen kunnen zetten op al die plekken van het Joodse leven, tot en met onderwijs, tot en met concrete beschermingsmaatregelen. Ik denk echt dat er stappen zijn gezet, en daar hoor ik ook positieve verhalen over van de Joodse gemeenschap. Maar het antisemitisme is daarmee echt nog niet teruggedrongen en het veilig leven van de Joodse gemeenschap is niet terug op een normaal niveau. Geenszins. Ik baal ervan dat ik nu beveiligingsmaatregelen moet treffen rondom scholen en moskeeën. Ik baal ervan als ik kijk naar die scholen — dat zult u ook hebben — dat daar een metalen hek van 4 meter hoog om de deur staat, terwijl ik mijn kinderen elke morgen naar een open schoolplein breng, waar ze in alle vrijheid en veiligheid onbezorgd kunnen spelen. Dat hebben deze kinderen niet. En ik ben het met u eens: we moeten niet alleen achter de Joodse gemeenschap gaan staan, we moeten er omheen gaan staan. We moeten bezien hoe wij dit beest in de bek kunnen kijken, zeg ik in de woorden van een van de aanwezigen, en het dan onschadelijk maken.
De heer Flach (SGP):
Dank voor deze reactie. Mijn vraag is hoe de minister naar het volgende kijkt. Antisemitisme is een zieke plant die voortwoekert in onze samenleving. Hoe komen we nu van het steeds afhakken van een paar takken naar het vernietigen van de wortels ervan? Wat zijn de beelden van de minister daarbij?
Minister Van Weel:
Ik ben zo ambitieus als de heer Flach is. Ik zou dolgraag de wortels hiervan uitbannen. We zien wel dat deze wortels honderden jaren oud zijn. Dat krijg je ook elke keer terug van de Joodse gemeenschap: we herkennen dit; we zien dezelfde verhalen elke keer terugkomen, eeuw in, eeuw uit. Ze hebben de desastreuze gevolgen daarvan ondervonden als gemeenschap. Daarom zijn ze natuurlijk zo alert op wat er gebeurt. Het beste wat wij kunnen doen, is inspelen op die alertheid, ze serieus nemen en daarop actie ondernemen. De regering staat achter de Joodse gemeenschap. Ze kan op ons rekenen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De gerichte aanslagen in Amsterdam en Rotterdam zijn afschuwelijk. De stalen hekken in Amsterdam, het cameratoezicht en de marechaussee zijn er niet pas sinds de oorlog in Iran. Ze zijn er ook niet sinds 7 oktober 2023. Al jarenlang gaan kinderen hun hele leven lang onder begeleiding van de marechaussee naar school. Dat gebeurt met geen enkele andere bevolkingsgroep, behalve met de Joodse gemeenschap. Of we het nou durven te zeggen of niet: we zijn het normaal gaan vinden. Pas bij een incident komen we hier bij elkaar, terwijl die kinderen jaren daarvoor al onder begeleiding van de marechaussee naar school gingen. Ik vraag me oprecht af of het kabinet-Jetten het kantelpunt wordt waarop de Joodse gemeenschap definitief zegt: wij zetten een exodus in vanwege wat er de afgelopen jaren gebeurd is en wij gaan weg. Ik vraag me af of de minister herkent dat het vijf over twaalf is, dat er steeds meer Joodse gemeenschappen zijn die zich afvragen: zijn we hier nog thuis? Ik vraag me af of de minister dat sentiment hoort, erkent en ook begrijpt.
Minister Van Weel:
Alle drie. U heeft volledig gelijk. We hebben nu, na deze aanslagen, weer de aandacht op de Joodse gemeenschap, maar we zien al jarenlang de veiligheidssituatie waarin de Joodse gemeenschap in Nederland moet wonen. We zien al jarenlang dat men zijn identiteit op straat verbergt, dat men over zijn schouder kijkt op het moment dat men vanuit de synagoge naar huis of naar de auto loopt en dat kinderen uitgescholden worden als ze van hun school naar huis toe fietsen omdat ze Joods zijn. Het is verschrikkelijk. Het is alleen maar goed dat we daar nu, door deze trieste aanleiding, allemaal weer bewust bij stilstaan en dat we met z'n allen zeggen: dit kan niet normaal zijn. Zo kunnen we een gemeenschap die bij Nederland hoort en die al zo veel heeft meegemaakt in de geschiedenis, niet hier laten leven. Ik roep dat met u uit. Dit kan niet normaal zijn. Ik herken deze sentimenten. Ze zijn niet nieuw, maar dat maakt ze niet minder prangend en triest.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben gemeenteraadslid geweest in Amsterdam. Toen al moesten Joodse winkeliers eronder lijden als er wat gebeurde in het Midden-Oosten. Dat is eigenlijk nooit meer veranderd. Nederlandse Joden worden verantwoordelijk gehouden voor wat er in het Midden-Oosten en in Israël gebeurt. Ook de afgelopen tijd zagen we dat. Dat zien we op universiteiten. Dat zien we op scholen. Ik zeg niet dat mensen dat willen, maar dat is wel een gevolg daarvan dat je continu ziet. Ik vraag me af of de minister begrijpt en erkent dat wij als kabinet, als lokale stadsbestuurders, als universiteiten en als middelbare scholen een extra verantwoordelijkheid hebben als we het hebben over wat er in het Midden-Oosten gebeurt. Wij moeten ons realiseren dat de manier waarop wij daarover spreken, de Joodse gemeenschap hier in Nederland direct raakt. Mijn vraag is of de minister dat erkent en, zo ja, wat we kunnen doen om collectief onze verantwoordelijkheid te nemen.
Minister Van Weel:
Ik herken dat absoluut. De Joodse gemeenschap herkent dat ook. Die voelt ook dat ze continu op één lijn wordt gesteld met de regering-Netanyahu in Israël. Dat is natuurlijk idioot. De Joodse gemeenschap heeft eeuwenlange wortels hier in onze samenleving. Mensen wonen hier, zijn Nederlands en zijn onderdeel van de Nederlandse gemeenschap. Het is volslagen onterecht dat zij hinder ondervinden van wat er in het Midden-Oosten gebeurt. Natuurlijk moeten we daartegen opstaan. Dat zal ik ook altijd doen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Om te beginnen spreek ik ook ons medeleven uit met de Joodse gemeenschap. De aanslagen zijn verwerpelijk en afschuwelijk. We hebben eerder gevraagd om structurele middelen om de grondoorzaken van antisemitisme aan te pakken, zoals met onderwijs. Nou zegt het kabinet vooral in te zetten op veiligheidsmaatregelen. We hebben een strategie, maar we missen die structurele middelen nog. Ziet de minister mogelijkheden om structurele financiering in te zetten voor onderwijs, scholing en schoolbezoeken aan musea?
Minister Van Weel:
Zeker. Dat maakt ook al onderdeel uit van onze antisemitismebestrijdingsstrategie uit 2024. Onderwijs, Joods cultureel leven en het in stand houden van herinneringsplekken zoals Kamp Vught en Westerbork maken daar al onderdeel van uit. Natuurlijk kijken we bij de evaluatie die we nu doen of dat voldoende is of dat er nog meer nodig is.
De heer Dassen (Volt):
Het zijn schandalige aanvallen. Elke vorm van antisemitisme is verwerpelijk en zou echt uitgebannen moeten worden uit de samenleving. Ik wil een compliment geven aan de minister, omdat ik vanuit de Joodse gemeenschap juist heb gehoord dat mensen erg blij waren dat de minister met hen in gesprek is gegaan en ook blij waren met de extra veiligheidsmaatregelen. Tegelijkertijd is er natuurlijk ook angst, aangezien er nu mensen met bivakmutsen naast de synagoge staan om de Joodse gemeenschap te beschermen. Ik hoor ook dat ze hopen dat de minister transparant blijft terwijl dit onderzoek loopt en dat hij de Joodse gemeenschap daar volledig in meeneemt, ook wat betreft de uitkomsten. Zij willen juist ook weten wat er daarna wordt gedaan, want daarin zit ook een zorg. Wat gebeurt er daarna?
Minister Van Weel:
Absoluut. De bivakmutsen kwamen ook naar voren in een van de gesprekken. Dan zie je hoe nauw het samenspel is met de veiligheidsdiensten, die zeiden: we snappen dat bivakmutsen rondom een school voor kinderen absoluut afschrikwekkend werken, dus wij zijn bereid om die af te zetten om in ieder geval de drempel voor de kinderen zo laag mogelijk te maken. Die dialoog is er. Ik wil ook dat die er blijft tussen de veiligheidsdiensten, tussen de lokale driehoeken en tussen mij en de Joodse gemeenschap. Daar zullen we mee voortgaan.
Wat betreft het meenemen in het onderzoek: absoluut. Normaal gesproken hoort u de minister van Justitie helemaal niks zeggen over lopende onderzoeken, totdat er een uitkomst is. Ik heb vandaag wel gepoogd om een aantal zaken uit het onderzoek die we al wel kunnen delen, kenbaar te maken, om iets meer duiding te geven aan waar we nu mee te maken hebben. Daarom heb ik gezegd dat alles erop wijst dat deze jongeren in Rotterdam geronseld waren. We kijken naar de mogelijkheid dat Iran hier een rol in zou hebben kunnen gespeeld. Wij zetten de dialoog dus voort.
De heer Dassen (Volt):
Dank daarvoor. Mijn vervolgvraag gaat meer over wat de minister net terecht aangaf: dit is niet een probleem van de Joodse gemeenschap, maar van de samenleving. We moeten naast de Joodse gemeenschap staan in het oplossen hiervan. De afgelopen jaren zijn er verschillende initiatieven geweest, waaronder Bekend maakt Bemind, juist om ervoor te zorgen dat de dialoog aangegaan wordt, zodat er in de samenleving veel meer betrokkenheid bij is. Ik ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt en of hij van plan is om ervoor te zorgen dat dit soort initiatieven voor de langere termijn gesteund zullen worden.
Minister Van Weel:
Ja, absoluut. Op het moment dat die dialoog tot stand kan worden gebracht, gebeuren er hele mooie dingen. Die initiatieven zijn er. Ik noemde al even een vrouw die elk jaar naar Westerbork gaat met een aantal mensen, om hun vooroordelen weg te nemen. Dat doet ze bijvoorbeeld met hooligans die antisemitische spreekkoren vormen. De uitkomst daarvan is fantastisch. Denk ook aan universiteiten. Er zat een vertegenwoordiger van de jongerenorganisaties aan tafel. Je merkt dat wederzijds begrip groeit op het moment dat je het gesprek aan kunt gaan. Maar er zijn ook plekken waar de dialoog niet eens meer welkom is. Daar had ik het net over. Denk aan scholen waar niet meer over de Holocaust kan worden onderwezen. Dat is waar we als regering, maar ook als parlement en als samenleving, een rol in hebben, denk ik. Ik bedoel dat we zeggen: dat accepteren we niet; dit hoort óók bij onze geschiedenis.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Mijn fractie is zeer geschrokken van de aanslagen op een synagoge en een joodse school in Amsterdam en Rotterdam. Het is afschuwelijk en zeer verwerpelijk dat Joden bang gemaakt worden en dat Joodse kinderen bang gemaakt worden en angst aan wordt gejaagd. Ik wil vandaag namens mijn fractie uitspreken dat we meeleven en dat we er alles aan willen doen om het joodse leven in Nederland veilig te maken, zo zou ik bijna willen zeggen. Er is al veel gevraagd, over online criminaliteit, scholen en veiligheid. Heeft u nog maatregelen waarvan u denkt: die zou ik heel graag willen nemen, maar daar heb ik uw steun voor nodig?
Minister Van Weel:
Ik wil dat niet overhaasten. In de beveiliging doen we nu wat nodig is. Dat zullen we doen, ook vanuit de verantwoordelijkheid die de regering en de lokale overheden hiervoor dragen. Maar het onderliggende probleem, namelijk datgene wat de Joodse gemeenschap in het gesprek met de premier aankondigde, vereist veel meer inspanning. Ik wil kijken of de antisemitismestrategie wel alle elementen bevat die we beoogden en of er op dit moment nog zaken leven waar we meer mee kunnen. Dan kom ik daarmee natuurlijk naar uw Kamer. Dan hoop ik op het gesprek en op brede steun om het een en ander mogelijk te maken.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Wat een hypocriet gedoe. De halve Kamer, waaronder uw partij, heeft de afgelopen jaren Israël en de Joden gedemoniseerd en tegelijkertijd moslims binnengelaten die aanslagen op de Joodse gemeenschap willen plegen. Dat willen ze niet allemaal, maar het zijn er wel heel veel die dat willen. Als de minister echt meent wat hij net allemaal heeft gezegd, moet hij ervoor zorgen dat koningin Máxima en minister Sjoerdsma niet naar het jubileum van Oxfam Novib gaan, want dat is gewoon een antisemitisch feestje. Kan de minister dat toezeggen?
Minister Van Weel:
Ik denk dat we twee dingen moeten scheiden. Kritiek geven op de Israëlische regering mag, net zoals mensen kritiek mogen hebben op mij als lid van de Nederlandse regering. Daar is niks mee. Waar wel wat mis mee is, is het samenbrengen van kritiek op de Israëlische regering en dat afreageren op Joodse Nederlanders. Dat is absoluut verwerpelijk en daar moeten we wat tegen doen. Dat is wat ik hier betoogd heb en dat zal ik ook altijd blijven doen. Daar waar kritiek verandert in het aanpakken of onveilig laten worden van Joodse Nederlanders moeten wij optreden.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Terreur is bedoeld om angst te zaaien. Helaas lukt dat. Buiten een aanslag op een synagoge en een school hebben we gezien dat mensen die een plek van rust zoeken en kinderen die naar school gaan, angstig zijn. Ik kan me daar niks bij voorstellen. Ik kan me daar alleen in proberen te verplaatsen. Ik denk dat het goed is dat we in de afgelopen jaren een aanpak antisemitisme hebben opgebouwd in deze Kamer. Met de huidige internationale ontwikkelingen zal de invloed van buitenaf een stuk groter zijn dan op het moment van het schrijven van de aanpak antisemitisme. Dat is een logica die volgens mij makkelijk uiteen te zetten is. Mijn vraag aan de minister is dus: is deze minister van plan om in de update van de aanpak antisemitisme, die hij in april wil geven, mee te nemen wat de buitenlandse invloeden zijn en wat er nodig is om de netwerken aan te pakken en de invloeden te doorbreken, door te snijden, zodat hier minder angst gezaaid kan worden?
Minister Van Weel:
Ik probeer even helder te krijgen wat de heer Dijk bedoelt met de internationale invloeden. Aan de ene kant wil ik hier juist heel duidelijk maken dat datgene wat gebeurt in het Midden-Oosten, nooit zijn weerslag mag hebben op de Joodse Nederlanders. Daar wil ik helemaal geen woorden aan besteden. Dat is voor mij klip-en-klaar. Dat wil ik in hoofdletters in die strategie hebben staan. Wat betreft de vraag of er netwerken zijn die onze maatschappij hier beïnvloeden ten nadele van de Joodse bevolking: ik zeg dat graag toe. Dat is geen nieuwe discussie. Die hebben we eerder gehad. Na dit vragenuurtje vertrek ik naar de Eerste Kamer om daar te spreken over de Wet transparantie maatschappelijke organisaties, die onder andere bedoeld is om buitenlandse beïnvloeding die onwenselijk of ondermijnend is of onze openbare orde bedreigt, tegen te gaan. Ik hoop dat die wet het redt. Dan hebben we een klein stapje gemaakt in het aanpakken van dit soort organisaties.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik heb nog een toevoeging. Dit is een wet die er al een tijd ligt. We zien de internationale ontwikkelingen allemaal. We zien ook dat dit niet zomaar uit de lucht komt vallen. Het kan geen toevalligheid zijn. Ziet de minister noodzaak om al in april met extra maatregelen te komen tegen die buitenlandse beïnvloeding van mensen die hier terreur of geweld willen plegen richting de Joodse gemeenschap?
Minister Van Weel:
Dat is een lopend onderzoek. Dat gebeurt door de NCTV in samenwerking met de diensten en de politie. Elk jaar brengen wij het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren uit. Als u kijkt naar bijvoorbeeld het hoofdstuk Iran, om maar een actor te noemen die vandaag ter sprake komt, dan zie je dat daarin de modus operandi van Iran, met het gebruik van lokale criminele netwerken et cetera, beschreven staat. Het belangrijkste wat we zien gebeuren, hebben we dus al. Nu is de vraag: welke extra stappen kunnen we zetten? Ik noem daarom wel de wet die al een tijdje loopt, omdat die juist voortkomt uit het willen weten waar op oneigenlijke manier in onze maatschappij invloed wordt uitgeoefend die uiteindelijk onze democratie ondermijnt. Ik zou durven stellen dat op het moment dat de Joodse gemeenschap het doelwit is van zo'n organisatie, de democratie wordt ondermijnd.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik ben blij met de Kamerleden die hier vragen over stellen; eigenlijk doen we dat bijna allemaal. Ik ben ook blij met de antwoorden die de minister geeft. Ik wens hem heel veel succes met het beschermen van de Joden in Nederland samen met het lokale gezag, de burgemeesters van Rotterdam, Amsterdam en waar het dan ook nodig is.
Ik sprak vanmorgen met rabbijn Yanki Jacobs. Ik vroeg aan hem: wat zou jij nou aan de minister willen vragen als je bij het vragenuur stond? Hij zei: "Scholen waarbij kinderen achter hekken les moeten krijgen: dat moet over zijn. Uiteindelijk moeten dat gewoon normale scholen zijn waar kinderen niet bedreigd worden. Wat gaat het kabinet eraan doen om dat te bereiken?" Ik zou zijn vraag willen specificeren. De minister had het over het onderwijs en zei dat daar meer moet worden gedaan tegen de bron van antisemitisme. Wat is nou een concrete maatregel die op alle scholen genomen kan worden waardoor de bron van antisemitisme wordt weggehaald?
Minister Van Weel:
Dat zijn er ontzettend veel. Scholen zijn belangrijk, want uiteindelijk is antisemitisme ook iets wat mensen op een gegeven moment gaan geloven. Dat is het gevaarlijke eraan, dat het op een gegeven moment geen rationeel ... Het is nooit rationeel. Op een gegeven moment zit het heel diep. Daarom is onderwijs zo belangrijk. Ik denk dat het Holocaustonderwijs een heel belangrijke graadmeter is. Het feit dat dat niet meer op elke school gegeven kan worden vanwege het gevaar van onrust, vind ik schokkend. Dat is iets heel concreets waarover wij als kabinet kunnen zeggen: dat kan dus niet, u zult. Ik besef ook dat dit voor docenten ontzettend moeilijk kan zijn. Daar zullen we ook naar moeten kijken. Hoe doorbreken we die cyclus? Dat moet namelijk wel.
De heer Van Baarle (DENK):
De aanvallen op een synagoge en een Joodse school zijn verschrikkelijk. Ook verschrikkelijk is die tirade van Wilders die we net hebben gehoord, dat antisemitisme als stok wordt gebruikt om de hele moslimgemeenschap mee te meppen, dat gedaan wordt alsof de hele moslimgemeenschap hier verantwoordelijk voor zou zijn. Het zou liggen aan moskeeën, aan de Koran. Ik heb de meest verschrikkelijke reacties gezien van politici. Ik zou van deze minister willen horen dat hij daar ook keihard afstand van neemt, dat hij er afstand van neemt dat de moslimgemeenschap door die verschrikkelijke aanvallen in het verdachtenhoekje wordt geplaatst. Van alle vormen van haat moeten we afstand nemen, van antisemitisme en ook van de moslimhaat die we gezien hebben naar aanleiding van deze verschrikkelijke aanvallen.
Minister Van Weel:
Ik hoef geen afstand te nemen van iemand anders woorden, maar als u mij vraagt of wij hierin moeten generaliseren, dan is mijn antwoord: helemaal niet. Ik heb al gezegd, ook in dit debat, dat Jodenhaat echt niet alleen onder één bepaalde groep van onze bevolking voorkomt, dat het echt op meerdere plekken is, dat je het fenomeen moet bestrijden en dat je daarbij zeker niet een hele bevolkingsgroep over één kam moet scheren. Ik denk dat ik daarover helder ben geweest.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik vind dat milde woorden. Het vindt ook in de samenleving plaats. Even wat reacties. "Het is wachten tot er een moskee gaat fikken." "Is er al een moskee in de fik gestoken?" "Wanneer gaat de eerste moskee in de fik?" "Dood aan alle kk-moslims." Dit soort dingen wordt allemaal maar gedeeld, ook naar aanleiding van de retoriek die van bijvoorbeeld de heer Wilders komt. Antisemitisme moeten we keihard bestrijden, maar dit evenzo hard. Ik vraag aan de minister: bestrijd dit soort haat evenzo hard.
Minister Van Weel:
De uitspraken die u voorleest, vind ik verwerpelijk en werp ik verre van mij. In die zin vindt u mij aan uw zijde. We moeten alle haat bestrijden, we moeten alle discriminatie bestrijden. We moeten het ook niet over één kam scheren. Maar ik wil wel zeggen dat het vandaag ook even gaat om de Joodse gemeenschap, die niet alleen na dit weekend in angst leeft, maar inderdaad al vijftien à twintig jaar achter hoge muren zit en ontzettend onder druk staat in dit land. Het is een kleine gemeenschap die het leven op dit moment nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt. Zo ervaren zij dat. Daar wil ik vandaag echt even de focus op hebben.
De heer Eerdmans (JA21):
Ik ben blij met de laatste woorden. Het is ongekend hoe DENK een discussie over antisemitisme toch weer weet te draaien en in de eigen modderige hoek weet te trekken. Mijn punt is dat antisemitisme niet groeit, maar steeds duidelijker wordt. Het komt steeds meer aan de oppervlakte. We hebben daar eerder debat over gehad. De minister noemde de universiteiten. Dat is nou precies de plek waar het heel vaak misgaat. Tientallen bezettingen van campussen met tentenkampen en noem maar op, waar de leus "globalize the intifada" wordt gepredikt. Volgens mij is dat niet een kwestie van het vrije woord, maar een oproep tot gewelddadigheden. Dat is het echt. Ik vraag mij zeer af wat het kabinet ervan vindt dat dit geroepen wordt. Het zijn gewoon stenen op de Israëliërs, op de Joodse mensen in Nederland. Het zijn bommen die met het woord worden beleden, maar feitelijk een oproep zijn tot geweld. Hoe kijkt het kabinet daarnaar?
Minister Van Weel:
We hebben net een rapport gekregen van Jaap Smit. We hebben hem gevraagd om te kijken naar een aantal specifieke plekken waar Joden zich onveilig voelen. Universiteiten zaten daarbij. We zijn nu naar het rapport aan het kijken. In algemene zin kan ik wel zeggen dat het misgaat daar waar kritiek op de regering van Israël zorgt voor onveiligheid van Joden. Ja, dat is op universiteiten gebeurd. Ik heb met veel Joodse studenten gesproken die zich absoluut onveilig voelen, die uitgescholden worden. Er zijn Joodse leraren die niet meer welkom zijn om colleges te geven. Ja, dat werp ik verre van mij. Ik vind dat we daar wat te doen hebben. We moeten om onze Joodse bevolking heen staan.
De heer Eerdmans (JA21):
Ik vind ook dat we daar wat te doen hebben. De vraag is: zou de minister niet eens met het OM kunnen bespreken dat dit soort leuzen moeten worden vervolgd? Dit gaat namelijk, denk ik, om een oproep tot geweld. Dan hebben we het dus echt over een serieuze zaak. Daar voelen Joodse studenten zich bijzonder onveilig bij. Dat begrijp ik heel erg goed. De vraag is: gaat de minister dan inderdaad tot actie over om die oproep en de smurrie die daar wordt gepredikt, te vervolgen?
Minister Van Weel:
Wat wel en geen straf is, staat in ons wetboek. Het is uiteindelijk aan het OM om dat te bepalen. Ik denk ook niet dat dat ene woord nou per se het probleem is. Maar het probleem is, denk ik, het intimiderende gegeven dat jij op de universiteit geïdentificeerd wordt als een Joodse student en daarmee het mikpunt wordt van leuzen en vijandigheid. We moeten wat doen aan die onveiligheid. Ik zal u eerlijk zeggen dat ik als minister van Buitenlandse Zaken ook het mikpunt ben geweest van dit soort woede en agressie. Maar ik heb er nog voor gekozen om bewindspersoon te zijn. Een Joodse student heeft er niet voor gekozen en die moet daar dus ook niet het slachtoffer van worden.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wat had je dan gedacht, schreef ik, na twee jaar van het demoniseren van Joden en "globalize the intifada" en "from the river to the sea"? Als je na twee dagen met aanslagen en Joden die niet meer weten waar ze het moeten zoeken, denkt dat je alles gehad hebt, komt onze Nationale Coördinator tegen Discriminatie met de uiting dat er een programmaleider moslimdiscriminatie of islamofobie komt. Hoe toondoof en losgezongen van de werkelijkheid kan je zijn? Wil de minister van Justitie in overleg met zijn collega van het ministerie van BZK — want ik weet dat ze samen deze brieven versturen — eens een functioneringsgesprek hebben met deze beste man? Want dit is toch wel al te bar.
Minister Van Weel:
Ik wil niet insinueren dat er enig verband ligt tussen de twee gebeurtenissen die u noemt. De Nationale Coördinator tegen Discriminatie valt onder mijn collega van Binnenlandse Zaken. De Nationale Coördinator Antisemitismebestrijding valt onder mij, evenals de antisemitismebestrijdingsstrategie. Dus ik zie geen aanleiding om nu een functioneringsgesprek te voeren met iemand die niet onder mij valt. Ik waag ook te betwijfelen of dat verband er ligt.
De heer Struijs (50PLUS):
Ook 50PLUS staat voor, achter en naast de Joodse gemeenschap. Ik heb een vrij praktische vraag. Zoals u weet, staat de rechtsstaat onder water. Wij krijgen, zowel vanuit het stelsel bewaken en beveiligen, de intelligence en de uitvoeringsorganisaties, als van het OM, signalen dat ze dit niet lang gaan volhouden. Zoals u weet, is er nu een nationaal grootschalig optreden. Dat is meer dan terecht. Overal is opgeschaald. Maar hoelang houden we dit vol? Als er echt een lange adem nodig is, komen we dan ook met extra maatregelen? Mijn tweede vraag is nog zorgwekkender. Veel dingen worden niet vervolgd. Ik zal u een voorbeeld geven van een grote reeks die ik in Rotterdam en Amsterdam heb mogen ophalen. Een jongeman van ongeveer 15 jaar rijdt op zijn fatbike voorbij aan Joodse kinderen en roept de meest verschrikkelijke dingen. We hebben geen tijd om het valide te onderzoeken, want we zijn met zo veel andere dingen bezig.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Struijs (50PLUS):
Mijn vraag is: krijgt de minister dit soort signalen ook? Hoe gaan we prioriteren? Als we onder water staan, zijn er dan additionele maatregelen te verwachten?
Minister Van Weel:
Over dat eerste, bewaken en beveiligen, kan ik in het openbaar geen uitspraken doen. Ik kan u wel in algemene zin zeggen dat we naar de dreiging kijken en op basis van de dreiging maatregelen nemen die nodig zijn, op welke manier dan ook. Die toezegging kan ik u doen.
Dan het tweede signaal. Ik ken dat niet, maar ik herken natuurlijk wel het signaal dat onze strafrechtketen enorm onder druk staat. Dat is ook een van de zaken die ik in mijn termijn heel graag wil oplossen. Een van de terreinen waarop ik daarvoor ruimte zie, is het terrein van de in het coalitieakkoord genoemde politiebeschikkingen. Daarbij ben je niet meer heel veel tijd kwijt aan vrij simpele vergrijpen. Die kun je gewoon afdoen, waarbij je niet meer die hele strafrechtketen door moet. Daarnaast wil ik echt dat we nu een stap gaan zetten in het omgaan met mensen met verward gedrag. Ik kan geen politiebureau binnenlopen of mensen vertellen mij hoe veel van hun tijd ze daaraan kwijt zijn. Ten derde noem ik demonstraties die uit de hand lopen en alle ME-capaciteit die vervolgens uit de wijken wordt getrokken. Ik kan er geen politieagenten bij printen. Ik heb gelukkig wel geld gekregen voor de organisatie, en daarbinnen wil ik kijken hoe we de juiste prioriteiten kunnen stellen. Het bestrijden van antisemitisme hoort daarbij.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik hoor ook dat de minister bereid is om de Kamer tijdig te informeren als het code zwart wordt in de hele rechtsstaat, omdat dit wel vraagt om terechte uitzonderlijke maatregelen en een extra inspanning.
Minister Van Weel:
Ik probeer even te preciseren wat u verstaat onder code zwart.
De heer Struijs (50PLUS):
Nou ja, dat is een beetje een algemene term …
De voorzitter:
Meneer Struijs, heel kort, want u heeft al twee vragen gesteld.
De heer Struijs (50PLUS):
Ja. De hele rechtsstaat staat onder water en nu komen er extra maatregelen. Kunt u de Kamer tijdig informeren als u extra signalen krijgt dat het echt niet meer gaat?
De voorzitter:
De minister. En minister, ik wil u vragen om geen vragen terug te stellen aan de leden.
Minister Van Weel:
Excuus. Het antwoord is ja.
De voorzitter:
Die heeft u binnen, meneer Struijs. Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid en ik wens hem wijsheid bij de voortzetting in de senaat.
Vragen Jumelet
Vragen van het lid Jumelet aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat over het bericht "Gemeenten gefrustreerd over 30km-wegen, want 'kunnen amper boetes uitdelen'".
De voorzitter:
Ik vraag de heer Jumelet het woord te nemen voor zijn vragen aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Dat doet hij namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
De heer Jumelet (CDA):
Voorzitter, het zou goed zijn als iedereen een keer naar Westerbork zou gaan. Dat is, denk ik, zojuist wel duidelijk geworden.
Een heel ander onderwerp nu. Stelt u zich voor dat u wethouder bent. Deze minister kan zich dat voorstellen; hij weet wat het is. Op weg naar het gemeentehuis kom je elke dag langs een zeer onveilig kruispunt. Elke dag weer hou je je hart vast en hoop je dat de scholieren op weg naar de middelbare school veilig kunnen oversteken. Je komt op kantoor aan. Je bent als wethouder verantwoordelijk voor de fietsveiligheid in je gemeente en je probeert al jaren om het probleem op te lossen. De snelheid is teruggebracht naar 30 kilometer en de inrichting van de weg is aangepast. Deze maatregelen neem je natuurlijk niet voor niets, maar je hebt hulp van het Rijk nodig voor handhaving en dat duurt maar. Je hebt geprobeerd om er samen met het Rijk uit te komen. Dit is geen hypothetisch voorbeeld. Het is iets waar heel veel wethouders verkeersveiligheid tegenaan lopen.
Uit het onderzoek van de NOS blijkt iets wat we al heel lang weten, namelijk dat wethouders die elke dag verantwoordelijk zijn voor de verkeersveiligheid tegen een muur aan lopen. 30 kilometer is prima, maar hoe handhaaf je dat? Eerlijk gezegd schrok ik toch wel van de reactie van de minister: waar ik kan helpen om de verkeersveiligheid te verbeteren, zal ik dat zeker gaan doen. Dat lijkt een beetje op meeveren maar nog geen actie ondernemen. Ook de collega, de heer Van Weel, die hier zojuist nog aanwezig was, gooit de deur eigenlijk een beetje halfdicht voor de oplossingen die wethouders aandragen op het gebied van flitspalen. In de kern heb ik de volgende vraag. Wat gaat deze minister doen om de lokale verkeersveiligheid te verbeteren? Ik vraag hem niet alleen om te bezien of de verkeersinrichting anders moet of om te kijken hoe we samen kunnen optrekken. Nee, de vraag is wat we gaan doen om concreet samen op te trekken met gemeenten om de lokale veiligheid te verbeteren.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Karremans:
Dank voorzitter. Ik begreep dat de heer Jumelet vandaag jarig is. Uiteraard krijgt hij de felicitaties van het hele kabinet, maar daarvoor zijn we hier niet.
De voorzitter:
En hierbij ook namens de Kamer, meneer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel, dank u wel.
Minister Karremans:
Nou, dan hebben we dat gehad. De heer Jumelet beschreef treffend het voorbeeld van de wethouder die elke dag naar zijn of haar werk gaat en langs een verkeersonveilige plek rijdt. Voor mij gold dat zeker ook. Twee jaar geleden was ik nog wethouder. Ik fietste altijd naar het stadhuis en ik kwam niet langs één onveilige plek, maar langs vele. Als wethouder mobiliteit of verkeer ben je verantwoordelijk voor de verkeersveiligheid in jouw stad. Zo was ik dat voor Rotterdam. Met de verkeersveiligheid ging het in Rotterdam, net als in heel veel andere gemeenten en steden, niet goed. Sterker nog, we denderden achteruit. Het aantal verkeersdoden en -gewonden stagneerde. De dalende trend die we te pakken hadden in de decennia na de jaren zeventig, stagneerde. We zagen het aantal in 2023 zelfs een beetje toenemen.
Nu heeft verkeersveiligheid grofweg met vier aspecten te maken: weginrichting, gedrag, voertuigen en handhaving. Inzet op al die vier elementen is nodig om uiteindelijk het aantal doden en gewonden terug te dringen. Wat betreft weginrichting kunnen gemeenten natuurlijk heel veel: drempels aanleggen, wegversmallingen, belijning. Dat deed ik als wethouder ook. Ik heb zelf, nota bene als VVD'er, 110 straten in Rotterdam teruggebracht van 50 naar 30 kilometer per uur, maar wel vanwege de verkeersveiligheid en niet om andere redenen. Andere wethouders in andere gemeenten kunnen dat ook.
Maar ja, ook handhaving is hier onderdeel van. Het plan dat de heer Jumelet beschreef, over de wethouders, heb ik twee jaar geleden zelf gemaakt. Daar kwam ik zelf mee richting Den Haag. Diezelfde wethouders, oud-collega's van mij, vragen nu om actie. Die actie kunnen ze ook krijgen van deze minister, want we gaan daarmee aan de slag. Voor het commissiedebat over verkeersveiligheid zal ik samen met mijn collega-minister Van Weel, die verantwoordelijk is voor verkeershandhaving, aan de Kamer laten weten wat onze inzet en actie daarop is. Verkeershandhaving en verkeersveiligheid gaan namelijk hand in hand. Bij de uitloop van de ministerraad van afgelopen week werden wij daarop bevraagd. Het antwoord is vaak wat ingewikkelder dan je zou willen; dat weet ik als oud-wethouder ook. Je hebt namelijk ook te maken met toegang tot het recht en ervoor zorgen dat de hele rechtsketen niet verstopt raakt, maar er moet wel wat gebeuren, want verkeersveiligheid is een opgave in elke gemeente in Nederland.
De heer Jumelet (CDA):
Ik ben blij met de woorden van de minister. Toch nog even wat meer. We weten bijvoorbeeld dat er in dorpen en wijken vooral aan verkeersveiligheid wordt gewerkt door bijvoorbeeld 30 kilometerzones te maken. Dan worden er vervolgens in de inrichting drempels gelegd en komen er wegversmallingen en hier en daar een bloembak, maar vervolgens hoor je ook terug dat dat weer lastig is voor het ov en dat het allerlei problemen oproept voor ambulances en trekkers, die ook hun weg moeten weten te vinden. De vraag aan de minister is dus: hoe denkt hij vanuit het coalitieakkoord invulling te geven aan die vier aspecten, waar ook handhaving bij hoort? Wat betreft de mobiele flexibele snelheidscamera's is mijn vraag of de gemeenten daar ook een rol in kunnen krijgen. Kan daar samen in worden opgetrokken, om de verkeersveiligheid langs die vier lijnen nadrukkelijk aan de orde te hebben?
De voorzitter:
De minister, voor een kort en bondig antwoord.
Minister Karremans:
Dat laatste is er al, want de gemeentes zijn de aanvragers van die flitsers. Die kunnen ze aanvragen. Dat gaat ook in overleg tussen de gemeente, de politie en het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie bepaalt uiteindelijk. Anders dan twee jaar geleden, toen ik als wethouder aan de bel trok, is het standpunt van het OM niet meer dat er altijd sprake moet zijn van een andere weginrichting. Ik ben het namelijk met de heer Jumelet eens: als er een tram door een straat gaat, dan is het heel lastig om daar een drempel aan te leggen. Ik heb nog nooit een tram over een drempel zien gaan. Ik weet niet of de voorzitter dat wel heeft gezien, maar volgens mij ook niet, want dat kan helemaal niet. Dan wil je kijken naar andere maatregelen en dan is handhaving vaak nog de enige mogelijkheid die je hebt. Dat pak ik dus ook op, samen met mijn collega Van Weel.
De heer Jumelet (CDA):
Laatste opmerking. Ik moet zeggen dat ik eerder, als gedeputeerde in Drenthe, een andere ervaring had met het plaatsen van flitspalen. Er zat toch een heel aantal criteria aan vast om daar uiteindelijk voor de handhaving gebruik van te kunnen maken. Maar ik ben blij met het antwoord, want ik denk dat het heel erg nodig is om die hele aanpak rond te maken. Daar hoort handhaving gewoon bij, dus ik ben blij met dit antwoord. Ik zie uit naar de acties. Ik denk dat heel veel gemeenten heel blij zijn dat hier nadrukkelijk actie op wordt ondernomen.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Bikkers (VVD):
Ik neem wel een patroon waar. Dat patroon is dat ik vaak linkse gemeentebesturen zie die ongericht wegen afwaarderen naar 30 kilometer per uur. Ik zou de minister willen vragen of hij beaamt dat dat ongerichte afwaarderen naar 30 kilometer per uur uiteindelijk soms averechts werkt voor de verkeersveiligheid. Als hij dat beaamt, wat kunnen we daar dan met elkaar aan doen?
Minister Karremans:
Dat klopt. Het werkt ook averechts. Als je een snelheidslimiet van 30 kilometer per uur invoert op een weg die eigenlijk uitnodigt om door te rijden, dan werkt dat heel verwarrend. Er zijn veel onderzoeken gedaan, onder andere door de SWOV, waaruit blijkt dat het de verkeersonveiligheid eigenlijk alleen maar vergroot. Toch zie ik ook bij deze gemeenteraadsverkiezingen heel veel partijen campagne voeren om een limiet van 30 kilometer per uur in te voeren in bepaalde straten die daar absoluut niet voor geschikt zijn. Daar vind ik vanuit mijn vakministerschap natuurlijk heel veel van. Daarover zullen we ook in overleg moeten treden met gemeenten. Dat zal ik doen als verantwoordelijk minister voor verkeersveiligheid in Nederland. Uiteindelijk zijn gemeenten wel wegbeheerder en mogen zij zelf bepalen hoe zij dat invullen, maar wij hebben niet voor niets in Nederland, ook om het allemaal een beetje hetzelfde te houden, in alle gemeenten richtlijnen voor hoe je wegen inricht. Daar zullen we de gemeenten, waar we kunnen, aan houden, maar uiteindelijk zijn zijzelf de verantwoordelijke wegbeheerder.
De heer Vermeer (BBB):
Deze vraag gaat volgens mij niet over waar wel of niet 30 kilometer per uur gehandhaafd moet worden of waar wel of geen drempels moeten zijn. Dat zijn inderdaad zaken die een gemeente zelf bepaalt. De vraag gaat over het volgende. Ik vind de minister toch vaag. Hij zegt "er komt een actieplan" en "dat ligt er al". Ik wil gewoon weten: gaan gemeentes meer hulp krijgen bij de handhaving, ja of nee?
Minister Karremans:
Ja.
De heer Vermeer (BBB):
Oké.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Het is eigenlijk best wel een beetje een rare figuur, want de minister reageert nu op een actieplan dat hijzelf twee jaar geleden als wethouder gepresenteerd heeft. Dat is een bijzondere figuur.
Minister Karremans:
Wij van WC-Eend …
De voorzitter:
Nee, nee, nee, minister. De heer De Hoop heeft het woord. Dat weet u.
Minister Karremans:
Excuus.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Een van de dingen die de minister toen ook zei, is dat hij er helemaal klaar mee was dat hij van de toenmalige minister van Infrastructuur en Waterstaat hoorde: ga maar drempels aanleggen; je moet met de weginrichting bezig. De heer Karremans, de toenmalig wethouder in Rotterdam, zei: ik heb dat geld helemaal niet en dan ben ik tot 2089 bezig, dus in de tussentijd heb ik gewoon flitspalen nodig. De minister zei dat er een actieplan komt samen met JenV. Gaat de minister er dan ook daadwerkelijk voor zorgen dat die flitsmogelijkheden er voor gemeenten zijn? Ik wil in de brief graag een reflectie op het Vlaamse concept, waar dat wel al mogelijk is.
Minister Karremans:
De heer De Hoop heeft de band goed teruggespoeld, want dit klopt allemaal. Dat heb ik allemaal gezegd als wethouder. Eén ding klopte alleen niet. De minister van IenW zei dat namelijk niet. Het gaat over het OM. Dat bepaalt en zegt dat flitspalen om een bepaalde reden niet of wel worden geplaatst. Ik begreep ook dat de afgelopen twee jaar, ook naar aanleiding van het plan … Het was niet alleen mijn plan. Het was een plan van onder anderen — hoe heet ze? — Lot van Hooijdonk uit Utrecht en Melanie van der Horst uit Amsterdam, dus dit was echt een breedgedragen plan van wethouders van alle kleuren die zeiden: we willen hier wat aan doen. Sindsdien heeft het OM het standpunt losgelaten dat ze alleen flitspalen plaatsen op wegen waar de weginrichting is aangepast. Dat doen ze niet meer. Het aantal flitspalen is sindsdien ook flink uitgebreid. In het coalitieakkoord staat ook dat we hier meer werk van gaan maken. Daar ga ik samen met mijn collega Van Weel invulling aan geven. Dat doen we met alle liefde, zeg ik erbij.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor zijn beantwoording en zijn aanwezigheid.
Vragen Tseggai
Vragen van het lid Tseggai aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht "Nooit eerder riep een verkiezingscampagne voor de gemeenteraad zoveel agressie op: 'Pak hem!'".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Tseggai voor haar vragen namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Die stelt zij aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die ik ook van harte welkom heet in ons midden. Het woord is aan mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Een wethouder die tijdens het flyeren in Landgraaf wordt achtervolgd door een groep boze jongeren met een mes. Campagneposters in Warmond waarop in het voorhoofd van een kandidaat-raadslid kogelgaten zijn gemaakt, met wat rode viltstift als bloed om het af te maken. Campagneborden in de voortuin van kandidaten in Baarn die besmeurd worden met hakenkruizen. Een dreigmail aan een raadslid in Ede met de tekst: "Als er maar één kogel wordt afgevuurd op een wolf, gaat er ook een kogel naar degene die hiervoor heeft gestemd. Zonen en dochters zijn niet veilig."
Overal in ons land hebben lokale politici en politieke partijen steeds vaker te maken met fysieke bedreigingen en toenemende agressie. Dit speelt overal in het land, bij politici van alle politieke kleuren. Dit moet stoppen. GroenLinks-PvdA maakt zich grote zorgen over al die nieuwe raadsleden die morgen verkozen gaan worden en hoe we er aan de vooravond van een nieuwe raadsperiode voor gaan zorgen dat ook zij zich veilig kunnen inzetten voor de lokale politiek. Allereerst zou ik daarom aan deze minister willen vragen om zich uit te spreken — ik weet namelijk zeker dat ook hij dit absoluut afkeurt — en om om onze lokale politici en bestuurders heen te gaan staan.
Voorzitter. Dat brengt mij bij mijn eerste vraag. Natuurlijk keuren we geweld tegen politici allemaal af, maar het blijft toch elke keer gebeuren. Erkent de minister dat dit ook buiten campagnetijd een structureel probleem is, waarvoor structurele oplossingen nodig zijn? Welke onderliggende oorzaken ziet hij voor de toenemende agressie tegen politici? Welke stappen gaat de minister zetten om deze oorzaken aan te pakken? In woord nemen we er altijd afstand van, maar het blijft toch elke keer gebeuren. Is de minister het met GroenLinks-PvdA eens dat dit een aantasting is van de democratische rechtsstaat, omdat raadsleden zich soms minder vrij voelen om zich over iets uit te spreken of voor iets te stemmen? Wat doet het met onze democratische rechtsstaat als minderheden zich door bedreigingen vaker geïntimideerd zien bij het deelnemen aan het publieke debat of het politieke werk?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Heerma:
Dank u, voorzitter. Ook dank aan mevrouw Tseggai voor het stellen van deze vragen. Het is inderdaad een punt dat ook mij grote zorgen baart. Ik ben als minister van Binnenlandse Zaken in deze weken veel in Nederland op lokaal niveau op werkbezoek geweest, in het kader van de verkiezingen. Ik zie lokaal heel veel positieve energie om campagne te voeren en verkiezingen mogelijk te maken. Tegelijkertijd is het onderwerp waar mevrouw Tseggai mij vragen over stelt, datgene waar ik deze weken misschien wel het meest van ben geschrokken van alles wat ik ben tegengekomen.
In het begin van haar vragen haalde zij voorbeelden aan. Een aantal van deze bedreigde mensen, in dit geval een wethouder en een raadslid, heb ik de afgelopen week ook aan de lijn gehad. Ik geef hier naar aanleiding van de eerste vraag aan dat dit echt onacceptabel is. Gemeenteraadsverkiezingen zijn vrije verkiezingen. Het is de kern van onze democratie dat je een open debat aangaat, ook als er een verschil van mening is. Maar het is niet acceptabel dat verkiezingsposters worden beklad met hakenkruizen en homohaat, dat ze worden vernietigd en dat kandidaat-raadsleden en -wethouders worden geïntimideerd en bedreigd. Het klopt inderdaad dat vrouwelijke raadsleden en raadsleden uit minderheidsgroepen hier nog meer mee te maken hebben. Dat verdient ook extra aandacht.
Ik vind dat ik hier moet uitspreken dat ik pal achter onze lokale politici sta en dat zij hun werk veilig moeten kunnen doen, want zij zetten zich dagelijks in voor onze democratie op lokaal niveau. Dat zouden wij hier met z'n allen moeten doen. We doen al heel veel, want dit is een bekend probleem. Het is ook nodig. De bekende dichtregel luidt: alles van waarde is weerloos. Nou, onze democratie is van waarde en moet weerbaar zijn. We doen heel veel. Ik spreek me uit. Ik sta ook in contact met raadsleden, burgemeesters en wethouders als ze bedreigd worden. Het klopt, dit gebeurt niet alleen in campagnetijd. Ook die vraag kan ik bevestigend beantwoorden.
Daarnaast hebben wij als ministerie van Binnenlandse Zaken een ondersteuningsteam weerbare democratie, dat 24 uur per dag, 7 dagen per week klaarstaat om lokale politici die worden bedreigd, bij te staan. Dit bestaat vaak uit collega-bestuurders die zelf met agressie te maken hebben gehad. Daarnaast bieden wij veiligheidsscans aan politici aan, waarbij gekeken wordt naar hun woning. Mijn voorganger heeft het afgelopen jaar extra geld vrijgemaakt om ook raadsvergaderingen, vergaderingen van de gemeenteraad, veilig te laten plaatsvinden. Het is ernstig dat het nodig is, maar daar is extra geld voor vrijgemaakt. Daar zal ik ook zelf nog meer geld voor vrijmaken, om ervoor te zorgen dat dit kan gebeuren.
Daarnaast moeten we ervoor zorgen dat daders niet ongestraft wegkomen met hun daden. Ik roep daarom ook iedereen op die daadwerkelijk te maken heeft gehad met agressie en bedreigingen om aangifte te doen. Samen met politie, OM, beroepsverenigingen en de minister van Justitie gaan we kijken waar we kansen zien om daders steviger aan te pakken.
Bij de voorbeelden die mevrouw Tseggai aanhaalde, zeker het tweede voorbeeld van die verschrikkelijke posters waar die kogels met bloed op getekend zijn, zie je dat mensen, in dit geval raadslid Anja Schrage, worden ondersteund, doordat alle partijen die meedoen aan de raadsverkiezing gezamenlijk een verklaring uitbrengen, een advertentie waarin staat dat ze achter hun collega staan en dat dit niet acceptabel is. Je ziet ook dat een gemeente aangifte doet. Op die manier staan wij niet alleen landelijk, maar staat men ook lokaal steeds meer, duidelijk als één man, achter raadsleden die bedreigd en geïntimideerd worden, want zij moeten gewoon hun werk kunnen doen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank. Fijn om te horen dat de minister zich duidelijk uitspreekt en pal achter de lokale bestuurders gaat staan. Ik heb nog een paar aanvullende vragen. De minister haalde al aan dat er een team weerbare democratie is. Heeft dit team ook een speciale aanpak voor de groepen politici die vaker te maken hebben met bedreigingen?
Daarnaast zien we verbale en fysieke bedreigingen in de openbare ruimte, maar ook op social media gaat het natuurlijk tekeer. Dat gebeurt vaak ook door buitenlandse inmenging en fake news, die gevoelens van haat online versterken. We hebben als GroenLinks-PvdA het kabinet hier al eerder over bevraagd, maar een oplossing ontbrak. Dit probleem zou bijvoorbeeld kunnen vragen om ingrijpen in algoritmes. Door een recente gerechtelijke uitspraak tegen Instagram weten we dat dat mogelijk is. Hoe kijkt de minister hiernaar?
Voorzitter. Als laatste zou ik het volgende willen vragen. Ook wij als landelijke politiek, de Kamer en het kabinet, hebben een verantwoordelijkheid. Uit een recent rapport van de staatscommissie tegen discriminatie en racisme blijkt dat discriminerende uitlatingen hier in de politiek in Den Haag leiden tot meer online haat. Hoe ziet de minister dit rapport? Kan hij er nog aanknopingspunten uithalen om lokale politici beter te beschermen?
Minister Heerma:
Dank voor deze vervolgvraag. Ik begin met het eerste. Ja, binnen het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur is er specifiek aandacht voor bijvoorbeeld vrouwen, die inderdaad vaker te maken hebben met dit soort agressie en haat. Dat gebeurt onder andere door een speciaal agressieprotocol en een specifiek mentornetwerk voor vrouwelijke politici. Er is ook specifiek aandacht voor het tegengaan van online haat. Zelfs in het coalitieakkoord wordt, ook als het gaat om inmenging, aangekondigd dat we meer gaan doen om dat te bestrijden, bijvoorbeeld door een organisatie op te zetten.
Ik wil specifiek ook ingaan op het laatste punt dat mevrouw Tseggai aanhaalt. Zij haalt namelijk een rapport aan, maar over dit onderwerp is al eerder gesproken. Het SCP heeft in 2022 een onderzoek uitgebracht, waarin het zijn zorgen uit over het feit dat het politieke debat polarisatie breed onder de Nederlanders aanwakkert. De NCTV heeft eerder een opdracht aan de Universiteit Utrecht gegeven om onderzoek te doen naar de relatie tussen het politieke debat hier, wat er online gebeurt en het aanwakkeren van woede. Het artikel naar aanleiding waarvan mevrouw Tseggai deze vragen stelt, haalt ook de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden aan, die aangeeft dat wat hier in de landelijke politiek gebeurt en de hardheid van het debat hier met een schok lokaal doorwerken. Keer op keer is duidelijk dat wat hier in het debat gebeurt en de polarisatie in dit huis hun doorwerking hebben in de lokale politiek en in wat je nu ziet in campagnes. Daarom is het aan ons allen in dit huis om het debat wellevend te voeren en te letten op de manier waarop wij spreken, om haat en agressie dus niet verder aan te wakkeren.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de minister voor deze antwoorden. Kijk, ik denk dat we met z'n allen willen dat de raadsleden die morgen verkozen worden met minder bedreigingen te maken hebben dan de raadsleden die de afgelopen periode bezig zijn geweest in de lokale politiek. Ik denk dat het daarvoor ook belangrijk is dat we voortvarend aan de slag gaan. Ik hoor dat de minister dat wil. Zou hij bereid zijn om over al deze maatregelen een update aan de Kamer te geven voor het eerstvolgende debat over dit onderwerp?
Minister Heerma:
Dank voor deze laatste vraag. Wij gaan deze verkiezingen evalueren. Ik wil toezeggen om in die evaluatie expliciet aandacht te besteden aan het vraagstuk van extra agressie, en daarin niet alleen te bezien wat we nu al doen, maar ook welke extra maatregelen er uit die evaluatie volgen die mogelijk nog genomen moeten worden, bijvoorbeeld rondom aangifte doen gemakkelijker maken. Ik zeg mevrouw Tseggai en de Kamer toe dat ik met een brief kom naar aanleiding van die evaluatie, waarin we hierop expliciet ingaan.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Oké. Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Huizinga.
Mevrouw Huizenga (D66):
Allereerst vind ik het belangrijk dat wij hier met z'n allen uitspreken dat wij morgen achter al onze kandidaten en raadsleden staan. Daarom dank voor deze vraag. Ik wil graag nog een aanvullende vraag over het laatste stellen, namelijk hoe wij hier acteren. Alles wat wij hier doen, heeft effect op onze samenleving. Kunt u daar toch nog wat duiding aan geven? Hoe wij hier met elkaar omgaan, is een voorbeeld richting de samenleving. Het effect daarvan is automatisch dat de kandidaten die morgen op de lijst staan, en niet alleen zij, maar ook al die vrijwilligers die in stembureaus zitten, hun familie thuis en iedereen die daarbij hoort, zich niet meer vrij voelen om morgen naar de stembus te gaan. Daar krijg ik dus graag nog een extra reflectie op.
Minister Heerma:
Ik heb daar zojuist al iets over gezegd. Zowel op de dag van de gemeenteraadsverkiezingen als bij het tellen daarna zijn er tienduizenden mensen, ambtenaren en vrijwilligers, betrokken om de democratie mogelijk te maken, waarbij het stemproces de kern is. Gelukkig zie je in heel veel gemeenten dat mensen dat met passie en enthousiasme en ook met professionaliteit doen. Ik vind het heel belangrijk dat hier, in dit debat, in dit huis, wij ons er allemaal bewust van zijn dat de woorden die wij kiezen en de toonzetting die wij kiezen, doorwerken op lokaal niveau en polarisatie kunnen aanwakkeren. Dat blijkt ook uit het onderzoek dat een aantal jaren geleden door de NCTV is uitgezet bij de Universiteit Utrecht met de titel Spelen met vuur. Ik vind het dus ook belangrijk — daar gaat deze vraag ook over — dat wij met z'n allen, zowel ik als u hier in dit huis, letten op wat we zeggen, omdat het in een gepolariseerd debat belangrijk is dat we met elkaar olie op de golven gooien in plaats van olie op het vuur.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Het is mooi dat we deze vraag nu bespreken in een plenaire zaal die mooi aan het vollopen is, zodat iedereen mee kan luisteren. Dat alleen vind ik al heel erg mooi, want dit heeft heel veel aandacht nodig. Ik ben zelf lokaal bestuurder geweest, dus ik vind het fijn dat deze vraag is gesteld. Ik waardeer het dat de minister de mensen heeft gebeld die te maken hebben gehad met agressie. Ik denk dat dit heel belangrijk is, want dan hoor je hun verhaal. Mijn vraag aan de minister, via de voorzitter, is dan ook of deze mensen hem ook iets hebben teruggegeven waarvan wij als Kamerleden en ook het kabinet, dus samen, iets kunnen leren en wat wij zouden kunnen toepassen.
Minister Heerma:
Ik wil sowieso aangeven dat de aanleiding dat ik lokale bestuurders moet bellen in het kader van bedreigingen, divers is. Dit gebeurt niet alleen in het kader van verkiezingen. Ik merk hoe erg het wordt gewaardeerd dat er aandacht voor is en dat er het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur is dat hen in dit soort situaties helpt. Ik merk ook hoe groot de impact van een bedreiging kan zijn op een lokale bestuurder, maar ook op de mensen daaromheen. In een aantal gevallen krijg ik terug dat doordat fracties, dus de politieke partijen die op een lijst staan, maar ook de gemeenten lokaal aangifte doen en om mensen heen gaan staan, ze zich niet alleen voelen staan. Dat is een belangrijk signaal dat ik in verschillende telefoongesprekken terugkrijg.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ook vanuit onze eigen fracties horen we nare berichten, van woorden zoals "heks" en "ik wil je in de slachterij uitbenen" tot doodsbedreigingen in de eigen straat en voor de eigen deur. Veel van dat soort haat, zeker online, is nu nog niet strafbaar. Aangifte doen heeft dus vaak geen zin. Ik heb hier een mooi protocol van een werkgroep, Veilig online zichtbaar in de politiek, met allemaal handvatten voor de politiek om dit aan te pakken. Wil de minister toezeggen om hiermee aan de slag te gaan en dit protocol ook te laten doorwerken in de landelijke politiek? Wil hij daarover voor de zomer terugkoppelen?
Minister Heerma:
Aan de strafmaat, maar ook aan het gemak waarmee aangifte kan worden gedaan, wordt al gewerkt door de minister van Justitie. Ik heb zojuist aan mevrouw Tseggai toegezegd dat we bij de evaluatie van deze gemeenteraadsverkiezingen expliciet terugkomen op wat er aan extra maatregelen kan worden genomen en dat ik daar in een brief op terugkom. Ik zal dit protocol ook bestuderen en er in de brief aandacht aan besteden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor zijn beantwoording.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het mondelinge vragenuur. Ik schors een kort ogenblik, waarna we zullen stemmen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.