Tweede Kamer, 53e vergadering

  • Begin10:15
  • Sluiting00:00
  • StatusOngecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Van Campen

Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:

De voorzitter:

Ik open de vergadering van donderdag 19 maart.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Hamerstukken

Hamerstukken

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet luchtvaart in verband met de bevoegdheidsverdeling voor buitenlandse luchthavens (36793);

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet handhaving consumentenbescherming ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 tot wijziging van Richtlijn 2011/83/EU wat betreft op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten, en tot intrekking van Richtlijn 2002/65/EG (Implementatiewet richtlijn op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten) (36860).

Deze wetsvoorstellen worden zonder beraadslaging en, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.

Begrotingen Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Diergezondheidsfonds 2026

Begrotingen Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Diergezondheidsfonds 2026

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026 (36800-XIV).

(Zie vergadering van dinsdag 10 maart 2026.)

De voorzitter:

We zijn aangekomen bij de voortzetting van de begrotingsbehandeling van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ik heet de minister en de staatssecretaris van harte welkom in ons midden. We zullen aanvangen met de beantwoording in de eerste termijn aan de zijde van het kabinet. De spelregels zijn als volgt. We spreken via de voorzitter. Ik zou de leden willen voorstellen interrupties te doen na de afronding van een inhoudelijk blokje van de beide bewindspersonen. Interrupties maximeren we niet, maar ze zijn wel kort en bondig en maximaal in drievoud. Ik zie dat iedereen daarmee kan leven. Dan gaan we dat doen.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de minister. Wellicht kunt u ons meenemen in hoe u uw beantwoording heeft gestructureerd.

Minister Van Essen:

Dat gaan we doen, voorzitter. Voordat ik begin, wil ik de leden Vellinga en Koorevaar van harte feliciteren met hun maidenspeeches. U liet heel mooi zien hoe uw persoonlijke geschiedenis uiteindelijk kan doorwerken in uw werk voor de publieke zaak hier in het parlement. Wat moeten er in de Alblasserwaard veel vlotten zijn gebouwd, zeg ik richting de heer Koorevaar. Ik kan namelijk uit eigen ervaring beamen dat een jeugd op het platteland je onverwachte wendingen in je leven kan opleveren. Ik wil de Kamer ook bedanken voor de vele constructieve handreikingen en vragen. Ze geven me energie en houden het kabinet scherp. Hoewel het ministers niet is gegeven om maidenspeeches te houden, hoop ik u vandaag toch ook een beetje van mijn kant te laten zien wat mij inspireert.

Voorzitter. Oet 't zelfde hoalt snije 'n zelfde leppel. Zo zeggen we dat in Twente. Het is een uitdrukking uit de oude boeren- en ambachtscultuur. Ik heb Herman Finkers gevraagd om mij te helpen, want ik zei: hoe kan ik hier nou het beste vertellen dat als je doet wat je deed, je krijgt wat je kreeg? Maar die uitspraak is een beetje sleets geworden. Toen kwam hij met deze uitdrukking. Het kabinet is ook uit ander hout gesneden en gaat voor een andere uitkomst. Ik ga mij ervoor inzetten om de stikstofcrisis op te lossen. Dat kan alleen samen. Daarvoor moet je elkaar regelmatig in de ogen kijken. Dat is iets wat ik de afgelopen weken al heb gedaan tijdens vele kennismakingssessies met u, maar ook tijdens contact met boeren, natuurorganisaties, wetenschappers, overheden en omwonenden. Ik heb kennisgemaakt met de mooie plannen die zij al hebben. Er is veel positieve energie om aan de slag te gaan. Dat heeft u mij ook horen zeggen in vele interviews. Met die 20 miljard die het kabinet uittrekt, kunnen we voor natuur, het landschap, boeren en tuinders namelijk echt wat voor elkaar krijgen.

Voorzitter. Landbouw en natuur horen bij elkaar. Dat voel ik, geboren en getogen op het Twentse platteland, ook zo. Stelt u zich een streek voor met essen, heidevelden, zandverstuivingen en de meanderende Dinkel. Wat mij tijdens werkbezoeken met name bij jonge boeren is opgevallen, is dat ze heel eerlijk en transparant zeggen: trek die pleister er maar af; wij willen niets liever dan duidelijkheid. Zij willen ontzettend graag vooruit, net zoals hun vader en grootvaders dat ooit wilden en konden. Verder boeren op oale groond, zoals ze dat in Twente zeggen. Daarom zal het kabinet richting de zomer een aantal belangrijke keuzes maken om de stikstofuitstoot verder te reduceren. Die aanpak valt uiteen in drie sporen: een landelijk pakket generieke maatregelen, belangrijke gebiedsgerichte maatregelen door medeoverheden en betekenisvolle stappen op bedrijfsniveau. Dat vraagt om inzet van het Rijk, van medeoverheden en van individuele ondernemers.

Voorzitter. Vanuit het Rijk stellen we doelen vast, nemen we landelijke maatregelen, schetsen we kaders, ook voor zonering, en maken we de benodigde middelen vrij voor een aanpak als geheel. De provincies zullen vanuit hun kennis en verantwoordelijkheden aanvullende maatregelen treffen en maatwerk leveren per gebied, dat zijn eigen kenmerken heeft. Vervolgens is het aan ondernemers om stevige keuzes te maken voor de toekomst van het bedrijf, waarbij ze nadrukkelijk moeten worden ondersteund door het Rijk en door medeoverheden, bijvoorbeeld door te werken aan de invoering van doelsturing.

Voorzitter. Ik benadruk het belang van samenhang tussen deze drie lijnen: het Rijk, de medeoverheden en uiteindelijk ook de ondernemers zelf. Zonder duidelijkheid, samenhang en, nog nadrukkelijker, zonder ondersteuning tussen deze kaders, kunnen bedrijven niet verder en kunnen wij onze verplichtingen niet waarmaken. Er bestaan op dit moment specifieke regelingen om bedrijven te helpen om te schakelen of te stoppen, maar de gevolgen daarvan kunnen diep ingrijpen op levens. Daar ben ik mij zeer van bewust; dat wil ik u meegeven. Ik wil daarbij oog houden — ik hoop dat samen met u te doen — voor hoe boeren het platteland leefbaar houden, hoe ze zorgen voor levendige dorpen en levendige streken. Dat is wat mij betreft van grote betekenis voor de sociaal-economische toekomst van de verschillende regio's in ons land.

Voorzitter. Ik ga mensen erbij betrekken die de lokale natuur goed kennen, zoals boeren en vrijwilligers, want met elkaar hebben we in Nederland volop natuurkennis en knowhow. Beide zitten vaak, opgebouwd over verschillende generaties, bij de boer die het landschap beheert. Beide zitten ook bij Nederlanders die in hun vrije tijd laten zien dat de natuur het waard is om jezelf ervoor in te zetten. Denk bijvoorbeeld aan mensen die op zaterdag houtwallen herstellen. Net zo trots als ik ben op onze boeren en tuinders, ben ik op alle gewone Nederlanders die in hun buurt hun natuur helpen verbeteren.

Voorzitter. Ik mag werken aan thema's naar mijn hart. Ik vind het een eer en uitdaging om daaraan met uw Kamer samen te werken. Die uitdaging ga ik kalm, maar vastberaden aan: stap voor stap en oplossingsgericht. Het is mijn overtuiging dat het wél kan, door de ene stap rustig voor de andere te zetten en naar maximale duidelijkheid te streven. Dan kunnen wij het samen rooien.

Dan ga ik nu in op de individuele vragen. Daar heb ik inderdaad blokjes voor, dus ik heb structuur ingebouwd voor u. Het eerste blokje is stikstof, het tweede landbouw, het derde natuur, en dan zal ik eindigen met het appreciëren van amendementen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Mooie woorden van de nieuwe minister, ook over de vrijwilligers, die heel veel voor de natuur doen in Nederland. Dank daarvoor. Ik heb een vraag, en die gaat over het volgende. Het hele stikstofprobleem is — daar refereert de minister ook al naar — inmiddels geen beleidskeuze meer, maar gewoon het uitvoeren van een vonnis. Hoe kijkt de minister daarnaar? Want we zitten niet in een situatie waarin we allerlei vrije keuzes hebben.

Minister Van Essen:

Ik ben me daarvan bewust. Ik wil me als minister uiteraard houden aan vonnissen. Dat zal ik ook doen. Ik ben ervan overtuigd dat natuurherstel daarin de enige weg vooruit is. Alleen, het is wel een weg vooruit die gepaard gaat met ondersteuning van bedrijven en boeren, die met name het accent legt op het gebiedsgerichte.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

De minister zei in zijn inleiding: boeren willen niets liever dan duidelijkheid; trek die pleister er maar af. Ik weet niet met welke boeren deze minister praat, maar de boeren met wie wij hebben gesproken — dat zijn er honderden, in de afgelopen jaren — zeggen niet: trek die pleister er maar af. Die zitten met ontzettend veel verdriet en leed aan de keukentafel, omdat zij niet verder kunnen met hun bedrijf door stikstofwetten en stikstofbeleid waarmee wij onszelf hebben gewurgd. Ze zeggen niet tegen ons "trek die pleister er maar af"; ze willen gewoon door. Wat bedoelt de minister met "trek die pleister er maar af"? Dat impliceert dat het pijn moet doen, maar dat de pleister er dan wel af is.

Minister Van Essen:

Wat ik daarmee bedoelde te zeggen, en wat ik heb ervaren tijdens mijn werkbezoeken, is het volgende. Er wordt tegen mij gezegd: "Wees maar eerlijk. Wees maar duidelijk, ook als dat niet meteen fijn is voor ons om te horen. Wij willen perspectief. Wij willen weten waar we in kunnen investeren. Wij willen weten hoe jongere boeren het straks over kunnen nemen en hoe men verder kan, ook op die oale groond.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Als ik eerlijk ben tegen iemand en zeg dat ik 'm zo meteen voor de bus ga gooien die met 50 kilometer per uur aan komt rijden, dan is dat hartstikke eerlijk, maar fijn is het niet. Ik heb steeds het gevoel dat dit wordt vergeten. Als we kijken naar de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen, dan zien we, met de lokale partijen en BBB met 41 zetels in gemeenteraden, dat mensen op het platteland heel anders denken over het beleid dat hier in Den Haag wordt gevoerd dan deze minister. Gisteren werd ook door mensen bij de NOS aangegeven dat ze gewoon zien dat het platteland leegloopt en dat ze zich zorgen maken over alle voorzieningen die, mede daardoor, verdwijnen. Heeft de minister daar dan helemaal geen oog voor? Het wordt een beetje van tafel geveegd, alsof dat niet speelt. De gemeenteraadverkiezingen hebben een duidelijke uitslag laten zien.

Minister Van Essen:

Dat is een beetje flauw van mevrouw Van der Plas, want ik kom zelf ook van het platteland. Ik weet als geen ander dat voorzieningen en het werk dat boeren doen een-op-een verband houden met hoe levendig het daar is. Ik zie in de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen echter ook dat lokale partijen — die werden even aangehaald door mevrouw Van der Plas — gewoon een verzameling zijn van allerlei soorten mensen die met name hun gemeente belangrijk vinden. Ik zie daar een brede groei, en ik zie ook een brede inzet van allerlei soorten mensen met verschillende denkbeelden. Maar ik weet als geen ander hoe belangrijk het platteland en de voorzieningen daar zijn.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mensen hebben gisteren gekozen voor lokale partijen. Nogmaals, ik ben er ontzettend trots op dat de BBB 41 zetels heeft gehaald bij de gemeenteraadsverkiezingen, waarvan een groot deel in de regio. Dat mensen hun gemeente belangrijk vinden, is nou juist precies het punt. Zij zien namelijk in hun gemeente wat er gebeurt doordat wij hier een bepaald beleid uitvoeren. We hebben het hier vandaag met name over het landbouwbeleid, maar dit gaat ook over het visserijbeleid. Mensen zien gewoon dat hun dorpen daardoor ofwel leeglopen ofwel dat de voorzieningen en werkgelegenheid verdwijnen. Ik weet dat de minister uit Losser komt. Hij zal die verhalen dus vast ook hebben gehoord. De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen is wel echt een heel duidelijk signaal van mensen. Ik wil de minister en de staatssecretaris dan ook met klem oproepen om daar echt goed naar te kijken en om goed te weten wat er echt in die dorpen leeft. Want het is hartstikke leuk om met LTO en NAJK werkbezoeken af te leggen, maar je moet ook in gesprek gaan met de echte mensen die dagelijks deze pijn voelen — die pleister is er trouwens ook allang af — om te zien wat dit beleid doet met het platteland en de regio's in Nederland.

Minister Van Essen:

Ik wil allereerst mevrouw Van der Plas feliciteren met de verkiezingswinst die de BBB heeft geboekt. Ze weet dat ik gedurende de week op veel plekken op bezoek ga, zeker ook in gebieden waar niet alleen maar de LTO en NAJK aansluiten. Dat doe ik juist om een breed palet aan reacties op te halen. Bovenal vind ik het belangrijk om perspectief en duidelijkheid te geven om ervoor te zorgen dat mensen gewoon verder kunnen boeren.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Los van het feit dat het voor de VVD ook een hele mooie verkiezingsuitslag was, waar we uiteraard heel trots op zijn, zou ik de minister een vraag willen stellen over de gebiedsgerichte aanpak. Ik hoor de minister zeggen dat de provincies de regie voeren ten aanzien van het maatwerk rondom de specifieke gebieden. Komt de minister straks nog terug op de vraag in hoeverre er regie wordt gepakt om te voorkomen dat ondernemers in eenzelfde gebied maar in een andere provincie, een andere aanpak krijgen?

Minister Van Essen:

Ik kom zo inderdaad nog terug op die specifieke vraag van mevrouw Den Hollander, maar in algemene zin heb ik proberen te benadrukken hoe belangrijk de samenwerking met provincies is, omdat zij daar gewoon bevoegdheden hebben.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dan wacht ik dat even af en gaan we hier straks misschien nog verder op door.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik wil beginnen met de minister een tip geven. Ik merk namelijk dat hij nu alweer in het defensief wordt gedrukt door vragen over de verschraling van de voorzieningen op het platteland en wat die betekent voor de sector. Dat de bussen niet meer rijden, heeft niets te maken met het landbouwbeleid. Het waren landelijke politieke keuzes om te bezuinigen. Het lijkt me dus goed als de minister daar een beetje op terugduwt. Misschien is het ook goed als de minister de Kamer voorhoudt wat de gevolgen zijn geweest van het niet sturen op daadwerkelijk beschermen van de natuur en een gezonde landbouw, namelijk dat het aantal veeboeren de afgelopen twintig jaar is gehalveerd. Dat was een ontwikkeling die vooral de agro-industrie diende. Deze minister gaat het nu anders doen, juist met behoud van boeren die op een gezonde manier kunnen werken. Dat was mijn tip.

Mijn vraag is …

De voorzitter:

O!

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Sorry, voorzitter, ik heb al vrij lang gesproken. Ik ga het nu kort houden.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mijn vraag gaat over de doelen. Zojuist zei de minister in reactie op de vraag van mevrouw Bromet: wij respecteren rechterlijke uitspraken. Ik was blij om dat te horen, maar het ingewikkelde is dat dit kabinet twee verschillende dingen zegt. In het coalitieakkoord staan doelen die niet voldoen aan de wet en aan de rechterlijke uitspraken, maar de minister zegt dat hij wel gaat voldoen aan de rechterlijke uitspraken. Daar moet helderheid over komen: wat wordt het nou?

Minister Van Essen:

Ik heb één vraag gehoord, maar ook heel wat tips. In algemene zin vind ik het goed om het volgende te zeggen. Niet alles komt voort uit het landbouwbeleid, maar ik voel me wel geroepen om de voorzieningen op en de leefbaarheid van het platteland wel degelijk ook onderdeel van mijn aanpak te maken.

Dan ten aanzien van de vraag over uitspraken. In algemene zin kan ik zeggen dat ik me als minister wil houden aan uitspraken en dat ik aan de doelen die daarin worden gesteld, wil voldoen. Ik zal straks nog specifieker op de vragen van mevrouw Bromet en mevrouw Ouwehand terugkomen, in het blokje dat daarover gaat. Ik hoop dus dat ze het geduld wil bewaren en dat we daarover de discussie kunnen voeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, dus dan krijgen we straks duidelijkheid over wat het doel nou is. Ik kan de minister alleen maar aanmoedigen om te investeren in de leefbaarheid op het platteland en dat los te koppelen van de verandering die noodzakelijk is en waar boeren ook bij geholpen moeten worden, want anders blijft de minister de hele tijd in het defensief zitten. Dat lijkt me voor hem niet fijn, maar voor de natuur en de boeren ook niet.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik ben benieuwd naar het volgende. Ik las van de week dat de minister heeft gekozen voor LTO en NAJK als gesprekspartners. Hoe zit het dan met al die andere belangenverenigingen die ook in het verleden contact hebben gehad met het ministerie? Ik heb een hele lijst laten uitdraaien met hoe vaak zij in 2025 in contact zijn geweest. Zoals mevrouw Van der Plas net zei, gaat deze minister dan aan de hand van LTO en NAJK op werkbezoeken naar uitgezochte bedrijven. Hoe komt het dan dat een deel van de mensen in het land, een aantal ondernemers, zegt: ja, maar wij voelen ons helemaal niet vertegenwoordigd door LTO en NAJK, dus hoe gaat de minister dan naar onze belangen luisteren?

Minister Van Essen:

Volgens mij refereert de heer Jansen aan een artikel uit Boerderij. Dat is geen uitspraak van mij geweest. Ik heb daar nog geen ei over gelegd. Ik ben bezig met het uitdenken van een structuur die gekoppeld kan worden aan de taskforce en daar informeer ik u als Kamer over na de eerste taskforcebijeenkomst. Over de brede blik houden, heb ik net ook al proberen aan te geven dat ik dat gewoon zal doen. Ik ben heel blij met partijen als LTO en NAJK, net zoals ik dat ben met Natuurmonumenten en Natuur en Milieu, maar ik zal er ook voor zorgen — dat doe ik al dagdagelijks — dat mijn blik breder is dan alleen maar die partijen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Op zich geeft dit antwoord al enige duiding. Ik ben benieuwd of deze minister de afspraken die in de afgelopen periode zijn gemaakt met een aantal van dat soort belangenorganisaties, overneemt of naast zich neerlegt.

Minister Van Essen:

Het is best wel moeilijk om te gissen welke afspraken nu bedoeld worden, maar ik zou de heer Jansen willen vragen om als ik na de eerste taskforcebijeenkomst de Kamer informeer, te bekijken of dit voldoet aan zijn wensen.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dan heel specifiek. Op 25 januari heeft de vorige minister van Landbouw een brief gestuurd. Daarin heeft zij stichting Stikstofclaim uitgenodigd aan tafel. Mijn vraag is, via u voorzitter, of de minister die afspraak gaat nakomen of dat hij die aan zijn laars lapt en alleen met LTO en NAJK de gesprekken aangaat.

Minister Van Essen:

Die vraag van meneer Jansen zat nog ergens in mijn mondelinge set en die wilde ik nog beantwoorden. Ik sta ervoor open om met allerlei soorten partijen te spreken. Ook Stikstofclaim staat op dat lijstje.

De voorzitter:

U vangt aan met uw beantwoording op het onderdeel stikstof.

Minister Van Essen:

Ja, dank u wel. Het is een flink blok stikstof. Ik heb daarbij weer een onderverdeling gemaakt. De thema's zijn: generieke stikstofreductie, gebiedsgericht — daar hadden we het net al even over — de aanpak op bedrijfsniveau, vergunningverlening en KDW, en de rekenkundige ondergrens, AERIUS en de Greenpeacezaak waarnaar is gevraagd.

Voorzitter. Dit kabinet heeft zich een heldere opdracht gesteld. Deze zomer maken we een aantal duidelijke keuzes, zodat Nederland weer in beweging komt. Dit verwacht de samenleving ook van ons. Dit doen we samen met onze boeren, natuurorganisaties en andere maatschappelijke partners. Nederland van het stikstofslot halen, heeft de hoogste prioriteit bij dit kabinet. Dat is iets waar maatschappelijke partijen en medeoverheden ook om vragen, en waarvoor zij, zoals u weet, ook voorstellen hebben gedaan. Delen van die voorstellen, de zogenoemde bouwstenen, ziet u ook terug in het coalitieakkoord, maar zoals uw Kamer al terecht constateerde, vraagt dat akkoord op sommige delen nog nadere uitwerking. Dat is wat we de komende tijd gaan doen. Daarmee hoop ik de vraag van mevrouw Bromet daarover te hebben beantwoord.

We zetten in op een samenhangende aanpak, bestaande uit generieke maatregelen, gebiedsgerichte maatregelen en concrete stappen op bedrijfsniveau, zoals ik zei. Daar maakt het kabinet geld voor vrij, een bedrag van 20 miljard tot 2035. Met deze aanpak wil het kabinet het halen van doelen op het terrein van klimaat, water, natuur, stikstof en dierwaardigheid aan elkaar verbinden. Dan pakken we het integraal aan, zoals ook mevrouw Ouwehand en mevrouw Podt mij vroegen. Het slim integraal combineren van die opgaven is ook nodig om boeren en andere belanghebbenden duidelijkheid en handelingsperspectief te geven. Zoals ik net al zei: we kunnen geen investeringen doen als we steeds met losse opgaves na elkaar langskomen. Aandacht voor de sociaal-economische effecten en aspecten zie ik als essentieel onderdeel van het kabinetsbeleid, omdat de aanpak een uitwerking kan hebben op de inrichting van het platteland.

Voorzitter. Mevrouw Bromet gaf aan dat er concrete besluiten nodig zijn. Daar ben ik het van harte mee eens. Sterker nog, zoals ik net al aangaf, is dat ook de oproep die ik in mijn eerste weken als minister vanuit meerdere kanten heb gekregen, ook van de boeren. Daarom zetten we via een generieke aanpak in op maatregelen, zoals innovatie, en op de afroming van productierechten. In het kader van de gebiedsgerichte aanpak zetten we in op zonering en op maatregelen voor onder andere extensivering en omschakeling. Ik vind het vanzelfsprekend — ik kijk even naar de heer Flach — dat ik daarbij breder kijk dan alleen naar de coalitie, want het stikstofprobleem is een complex en maatschappelijk vraagstuk dat baat heeft bij een breed draagvlak in de politiek en de maatschappij. Dat weet u allen, want enkelen van u zijn al even bezig met dit thema.

Daarom ga ik actief het gesprek aan met zowel de coalitie- als de oppositiepartijen. In de afgelopen tijd heb ik al vele kennismakingen gehad met een groot deel van uw Kamer, maar ook met vertegenwoordigers van de sector, natuurorganisaties en medeoverheden. Ik wil dat graag benadrukken, omdat ik mij ervan bewust ben dat een coalitie die geen meerderheid heeft in deze Kamer, ook in het land moet kijken naar samenwerking. Bij de uitwerking van het akkoord zal ik ook heel nadrukkelijk kijken naar voorstellen van uw Kamer, ongeacht van welke fractie ze afkomstig zijn. Naast nieuwe plannen bouwen we ook zo veel mogelijk voort op de goede ideeën en onderdelen van beleid van de afgelopen jaren, zoals de heer Grinwis mij vroeg, zeker als dat de snelheid bevordert.

Ik wil de heer Grinwis overigens graag bedanken voor de mooie vlag die ik van hem heb gekregen. Ik heb na laten gaan waarom die niet meer wappert boven het gebouw van LVVN, KGG, EZK en AZ. Dat komt omdat de vlaggenmast stuk is. Het heeft niks te maken met de brandweer, die er niet in kon, of met een vergunning. Ik zeg de heer Grinwis graag toe dat er gewerkt zal worden aan het herstel daarvan en dat de Nederlandse driekleur weer zal wapperen. Het is trouwens goed om te weten dat als u het gebouw binnenkomt, u op het binnenplein zowel de Nederlandse vlag als de Europese vlag gewoon fier overeind ziet staan. Maar ik beloof dat de vlag van de heer Grinwis een mooie bestemming krijgt.

Om de inleiding van het blokje over stikstof af te ronden — ik kom zo nog terug op de specifieke onderdelen — wil ik u graag meegeven dat het mijn streven is om uw Kamer voorafgaand aan het commissiedebat over mest en stikstof, dat we op 1 april hebben, ook te informeren over de aanpak van de taskforce. Bij alle vervolgstappen van die taskforce wil ik uw Kamer meenemen en informeren.

Ik kom nu op de generieke stikstofreductie. De overige vragen over stikstof zal ik beantwoorden langs de lijnen van het voorgenomen kabinetsbeleid. Ik begin met de generieke stikstofreductie door landbouw, industrie en mobiliteit, waardoor er stapsgewijs weer meer ruimte komt voor vergunningverlening. Onder mijn voorgangers zijn al meerdere acties in gang gezet om Nederland van het slot te krijgen, maar voor de zomer is het aan ons om een aantal grote keuzes te maken. Ik wil uw Kamer wel graag meegeven dat het niet in één keer van het slot af kan. Er is niet zoiets als een rode knop waarop we kunnen drukken en waarna alles weer kan en alle vergunningverlening weer vlot getrokken is, maar dat zult u allen weten en begrijpen. Als het zeker is dat er maatregelen genomen kunnen worden, dan is het ook weer mogelijk om de vergunningverlening in stapjes mogelijk te maken. Die inzet verschilt per gebied. Daar werd al even naar gevraagd in de eerste termijn van uw Kamer. Het op gang komen van de vergunningverlening zal dan ook per gebied verschillend zijn.

De heer Goudzwaard vroeg mij wat er gebeurt met de vrijgekomen hectares uit de vrijwillige beëindigingsregelingen. De vrijwillige beëindigingsregelingen, zoals de Lbv, de MGB en de Vbr, de voorgenomen vrijwillige beëindigingsregeling, hebben geen betrekking op landbouwgrond. Dat was heel duidelijk. Zij richten zich op de veehouderijlocaties waar de stallen en de opstallen zich bevinden. Anders gezegd: het erf. Er komt dus geen grond vrij vanuit die beëindigingsregelingen. Het is aan de eigenaar van die grond om binnen de relevante wettelijke kaders te bepalen wat er met die grond gebeurt.

Voorzitter. Meer Kamerleden hebben hier vragen over gesteld. Mevrouw Bromet vroeg naar mijn reactie op het feit dat bij de uitkoop van boeren de grond niet wordt opgekocht. Ik begrijp de zorgen over veranderend grondgebruik. Ik hoor die ook in het land. Maar tegelijkertijd is het opnemen van grond in die beëindigingsregelingen niet de oplossing. Daar zijn verschillende redenen voor. Ik begin met de reden die mevrouw Bromet misschien het minst graag hoort, namelijk de staatssteunkaders. Die vereisen dat de landbouwgrond die wordt meegenomen in dergelijke regelingen voor een periode van minimaal twintig jaar uit productie wordt genomen en verplicht wordt omgezet in bos en natuur. Nu kan ik mij voorstellen dat sommigen dat niet erg vinden en zich niet kunnen voorstellen wat daar bezwaarlijk aan is, maar in het kader van alle opgaven die we hebben in het ruimtelijk domein, zou ons dat ontzettend kunnen beperken, ook voor de landbouwopgaves. Die grond kunnen we dan bijvoorbeeld niet meer inzetten voor het extensiever maken van andere bedrijven. Daarnaast is landbouwgrond erg duur — daar heeft afgelopen week weer wat over in de pers gestaan — dus heeft het opnemen van die grond ook budgettaire consequenties die ervoor kunnen zorgen dat er minder middelen zijn om veehouders te helpen om vrijwillig te stoppen. Bovendien zijn ondernemers vaak gehecht aan de grond waar de familie al generaties op woont; ik noemde het net al even in mijn inleiding. Onze verwachting is dus ook dat als we die grond opnemen in die regelingen, de deelnamebereidheid voor die regelingen afneemt. Dat lijkt mij onwenselijk.

Voorzitter. Dat neemt niet weg dat ik de zorg van mevrouw Den Hollander wel begrijp. Ik verken daarom ook de mogelijkheden om beter te kunnen sturen op veranderend grondgebruik, bijvoorbeeld ook om de negatieve effecten op waterkwaliteit zo veel mogelijk tegen te gaan. Hier ligt een rol voor het Rijk, maar ik zie ook een rol voor medeoverheden, die met de Omgevingswet instrumenten in handen hebben om daarop te sturen en die negatieve effecten tegen te gaan.

Daarnaast zijn er verschillende oorzaken voor het omzetten, maar met het oog op die problematiek heeft het coalitieakkoord een onderzoek naar grasland- en rustgewasplicht in uitspoelingsgevoelige gebieden aangekondigd. Daar ga ik mee aan de slag. Verder neem ik dit onder andere mee in de uitwerking van de zonering rond kwetsbare natuur en de aanpak van kwetsbare watergebieden.

Dan het spoor gebiedsgericht. Dit spoor richt zich met name op de Natura 2000-gebieden. Het kabinet zet in op een combinatie van vrijwillige en meer normerende maatregelen.

Mevrouw Den Hollander vroeg hoe ik ervoor ga zorgen dat er geen lappendeken van verschillende provinciale aanpakken in het landelijk gebied ontstaat; ik kwam er net ook al even op terug. Ook de heer Koorevaar vroeg naar een gelijk speelveld en regie op de uitvoering van plannen. Het kabinet wil graag voortbouwen op lopende processen in de provincie. Ik vind het belangrijk dat we oog hebben voor verschillende gebieden.

Ik zie een interruptie.

De voorzitter:

U heeft een erg lang blokje stikstof.

Minister Van Essen:

Ja, dat klopt.

De voorzitter:

Ik zou dus toch willen voorstellen om na die subblokjes ruimte te geven voor interrupties, omdat er behoefte is om vragen hierover te stellen. U heeft de generieke reductiedoelstelling nu behandeld, begrijp ik.

Minister Van Essen:

Ja, ik was in gebiedsgericht aan de gang gegaan.

De voorzitter:

Dan zou ik de heer Grinwis en anderen gelegenheid willen geven voor interrupties.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Stikstof zal inderdaad een groot blok zijn. Daarin hebben we diverse thema's die niet allemaal op één hoop zijn te gooien. Ik wil graag eerst ingaan op het punt grond, dat de minister al heeft behandeld. Ik ben blij dat de minister ziet wat er aan de gang is. Ik snap heel goed wat hij schetst over opkoop et cetera. Maar ik sprak toevallig gisteren nog een melkveehouder op de droge hoge zandgronden, die mij schetste wat er in 20, 30 jaar aan grondgebruik was veranderd. Ik ben afkomstig uit de akkerbouw, dus ik vind het prachtig als er aardappels worden geteeld. Je ziet echter hoe dat juist op die gronden is toegenomen, net als andere intensieve teelten. Dat heeft vervolgens ook weer gevolgen voor de grondprijs, want het opbrengend vermogen van die grond gaat natuurlijk wel omhoog als je intensief kunt telen.

De voorzitter:

Uw vraag.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Aan welke sturingsmogelijkheden denkt de minister? Verzaakt de provincie daar? Ziet de minister zelf kansen? Hoe zouden we dat op een verantwoorde wijze kunnen doen?

Minister Van Essen:

Zoals ik aangaf, zie ik die veranderingen ook. Tijdens mijn werkbezoeken wordt er ook over gesproken. Ik erken dus de noodzaak om daarnaar te kijken. Ik vind het wel lastig om hier te zeggen hoe groot het probleem precies is. We horen er veel over en er wordt veel over geschreven, maar de exacte omvang is nog niet in beeld. Met de zin uit het coalitieakkoord over dat we het gaan onderzoeken, denk ik dat we het kunnen ondervangen. Ik denk dat we niet alleen maar naar medeoverheden kunnen wijzen als het gaat om het tegengaan van dit veranderende grondgebruik. Ik weet zelf ook wat dat vraagt van een andere overheid. Daar zie ik dus echt een rol voor ons weggelegd. Ik wil dat ook meenemen in de uitwerking richting de zomer. Dan hoop ik de zin in te kunnen lossen die nu als ambitie in het coalitieakkoord staat.

De voorzitter:

Kort en bondig, meneer Grinwis.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat snap ik, voorzitter. Net was even de inleiding, nu houd ik het even korter. Fijn, voor de zomer. De situatie is volgens mij namelijk heel urgent, maar ook heel erg ingewikkeld. De grondprijs — de minister raakte er al aan — is zo enorm hoog geworden. Op den duur is een hectare bijna niet extensief te telen. Ik zou dus heel graag zien dat het realiteitsgehalte van de oplossingsrichting die de minister voor zich ziet goed wordt getoetst in de aanpak die voor de zomer komt. Kan de minister toezeggen dat er niet alleen een soort van wensbeelden of abstracte taal volgen, maar dat de eigen redeneerlijnen ook echt op realiteitsgehalte worden getoetst?

Minister Van Essen:

Uiteraard willen wij het ook reëel en uitvoerbaar hebben. Als je snel van wal wil steken, moet het ook te doen zijn. Dan gaat het niet alleen om een visie; dan moet het een combinatie van maatregelen zijn die ervoor zorgen dat het ook daadwerkelijk kan in een gebied.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik vergeet nog een heel klein puntje. De grote angst van alle woordvoerders met betrekking tot veranderend grondgebruik is, denk ik, niet dat we het iemand niet gunnen om akkerbouwer te worden in plaats van veehouder, maar dat we nu vanuit het perspectief van stikstof vrij verkokerd aan het ingrijpen zijn en overmorgen op de koffie komen op het gebied van waterkwaliteit. Kan er in die brief ook op ingegaan worden wat de consequentie van niet ingrijpen kan zijn vanuit waterkwaliteitsperspectief en met welke ingrepen het platteland dan geconfronteerd zou worden?

Minister Van Essen:

Het is mij heel duidelijk dat dit op elkaar ingrijpt. Ik heb ook in mijn eerste beantwoording proberen te zeggen dat we een integrale aanpak willen, zeker met betrekking tot de thema's water, klimaat en dierwaardigheid. Daar speelt dit een grote rol in. Ik kan de heer Grinwis daar dus in geruststellen. Ik zie dit probleem en ik wil daarop handelen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik heb meerdere vragen, maar wil even aansluiten op het punt van de heer Grinwis over grondgebruik. De prijs van grond wordt ook bepaald door wat er mogelijk is. Er wordt hier heel vaak geklaagd over hoge grondprijzen. Dat is ook een probleem, maar als de overheid grenzen stelt aan het gebruik van die grond, zou die grond ook in waarde kunnen dalen. Mijn vraag gaat over het gebruik van die grond. We hebben het hier vaak gehad over kalenderlandbouw en de nadelen die daar allemaal aan kleven, maar het alternatief zou kunnen zijn dat je op bepaalde gronden bepaalde teelten verbiedt, bijvoorbeeld maisteelt op uitspoelingsgevoelige gronden of bloembollenteelt in gebieden waar omwonenden heel veel last hebben van een grote overmaat aan bestrijdingsmiddelen. Is beperking van het gebruik van grond ook een maatregel waar de minister aan denkt?

Minister Van Essen:

Ik snap de suggesties van mevrouw Bromet, maar ik zou daar nu niet op vooruit willen lopen, omdat alles wat we hier zeggen ook weer in de buitenwereld gebruikt kan worden. Ik zou dus wat geduld willen vragen van in dit geval de Kamerleden. Laat mij dit tot de zomer uitwerken.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dan moet de minister het maar als een tip beschouwen.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

In aanvulling op wat de vorige twee interrumpeerders hebben gezegd: ik maak me echt wel zorgen over het veranderend grondgebruik en het voor een deel naar de gemeenten verplaatsen daarvan. Als de gemeenten dat via de Omgevingswet moeten gaan doen, wat inderdaad een optie is, hoe worden ze dan gecompenseerd voor de afwaardering van die grond? Dat is voor gemeenten gewoon onbetaalbaar. De minister zegt dat het voor het Rijk ook onbetaalbaar is om al die gronden te kopen. Dat begrijp ik, maar dat betekent niet dat je het kunt afschuiven op de gemeenten.

Dan stel ik maar gelijk een tweede vraag. We hebben in het coalitieakkoord natuurlijk ook iets staan over een grondbank, die mogelijk kan gaan dienen als instrument voor landinrichting. Ziet de minister daar ook mogelijkheden in?

Minister Van Essen:

Ik heb inderdaad benoemd dat decentrale overheden via die instrumenten de mogelijkheid hebben om in te grijpen, maar ik ben me er als oud-wethouder terdege van bewust wat dat betekent voor een gemeente. In uitzonderlijke gevallen zal men daar mogelijk een beroep op doen, maar ik denk dat we vanaf deze plek niet kunnen verwachten dat alle gemeenten dat generiek gaan doen, want dan hebben we inderdaad een gesprek over kosten. Ik zie het dus als opdracht voor mezelf om hierop te sturen.

De tweede vraag ging over de grondbank. Ik kijk even naar rechts om te zien of mijn staatssecretaris daar zo verder op in wil gaan. Dat is het geval.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Het is goed om te horen dat de minister hierop wil gaan sturen. Dan ben ik natuurlijk wel superbenieuwd welke kant hij dan op gaat sturen. Is dat ook onderdeel van wat voor de zomer terugkomt naar de Kamer? Hoe gaat de minister dan sturen op dat veranderend grondgebruik en voorkomen dat het wordt afgewenteld op de lagere of decentrale overheden?

Minister Van Essen:

Ik begrijp die belangstelling heel nadrukkelijk. Ik heb net bij de heer Grinwis en ook bij mevrouw Bromet proberen uit te leggen dat ik daar even de tijd voor wil nemen en het in het geheel van maatregelen wil beschouwen. Ook aan mevrouw Den Hollander vraag ik dus wat geduld.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik haak hier ook nog even kort op aan. Ik denk dat de regionale grondbanken het beste gaan werken als ze gedragen worden door degenen die het gebied dragen. Dan is er draagvlak om daarmee verder te gaan. Maar dat is niet mijn vraag. Mijn vraag heeft meer te maken met uw inleiding. U schetste even drie stappen. De eerste stap was een algemene reductiestap. Daarna was er een stap richting zonering en dan had u het over betekenisvolle stappen als derde lijn. In mijn hoofd is natuurherstel eigenlijk de derde lijn, want soms heb je ook te maken met hydrologie of andere maatregelen die je moet nemen. Mijn vraag is dus: is dat niet de derde stap in de stikstofaanpak?

Minister Van Essen:

De stappen waar ik het over had, gingen inderdaad over welke spelers een bijdrage kunnen leveren. Die zijn ook niet per se chronologisch. Die kunnen we ook allemaal tegelijk doen. Maar zoals ik ook al aangaf in mijn inleiding ben ik ervan overtuigd dat natuurherstel de enige weg vooruit is. Dat is dus niet máár een derde pijler die daarna komt. Ik hoop dat ik de heer Koorevaar daarover gerust kan stellen.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik vraag aan de minister of hij het dan met mij eens is dat ook de aanpak om natuur te herstellen niet sec een stikstofreductieaanpak is, maar dat het en-en is en dat het gebiedsafhankelijk is hoe de uitwerking plaats gaat vinden?

Minister Van Essen:

Daar kan ik bevestigend op antwoorden. Ik kom daar straks nog op terug wanneer ik het heb over de Peel, waar de heer Koorevaar vragen over heeft gesteld. Maar wat ik daar heel mooi vond om te zien, was dat juist de drukfactor hydrologie en hoe dat in het gebied geregeld was, ervoor zorgde dat we met z'n allen achteruitboerden, terwijl inzetten op watermaatregelen daar juist voor stikstof heel erg bevorderlijk was. Dus ik wil er ook niet verkokerd naar kijken, zoals net werd gesteld. Ik wil die opgave in samenhang zien, omdat inzet op het een voor een ander doel weleens veel beter kan zijn dan alleen maar focussen op stikstof.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Onder de landelijke generieke aanpak noemt de minister ook zonering. Dat lijkt me verstandig. Maar ik heb de volgende vragen aan de minister. Is die zonering dan iets wat wij op gaan leggen vanuit landelijk? En hoe groot moeten die zones dan ongeveer zijn? Waar moet je aan denken? Wij hebben de vorige minister natuurlijk horen spreken over zones van een paar honderd meter. GroenLinks-PvdA vindt dat volstrekt onvoldoende. Ik ben wel benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt.

Minister Van Essen:

Ik gaf in de inleiding ook aan dat die drie niveaus communicerende vaten zijn, dus dat wat wij landelijk doen een uitwerking heeft op wat gebiedsgericht kan en dat dat weer zijn uitwerking heeft op wat de ondernemer uiteindelijk nog aan mogelijkheden heeft om zelf te sturen. Wat ik daarmee bedoel te zeggen — en dat is ook de reden waarom ik hem ook bij generiek heb genoemd — is dat ik ervan overtuigd ben dat wij daar het pad moeten effenen en moeten aangeven dat we ermee gaan werken, maar dat ik ook vrijheden in de gebieden wil geven om misschien hetzelfde te behalen met die zonering, maar het net iets anders in te richten. Aan de ene kant van het natuurgebied kunnen namelijk een aantal boeren zitten die niet verder willen, terwijl ze dat aan de andere kant van het natuurgebied misschien juist wel willen. Dus ik wil ook niet mijn ogen sluiten voor hoe je in het gebied die zonering zo kunt toepassen dat het net zo veel effect sorteert, maar het de ondernemers meer kansen geeft. Dus we moeten landelijk het pad effenen en daar een duidelijke lijn in trekken, maar we moeten niet de ogen sluiten voor de mogelijkheden die het gebied kan bieden.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Als ik boer zou zijn in zo'n gebied, zou ik dit nog niet heel duidelijk vinden, maar dat komt dan misschien nog. Mijn aansluitende vraag is de volgende. De minister zegt: we gaan per gebied de vergunningverlening op gang brengen, dus in het ene gebied duurt het langer dan in het andere gebied. Betekent dat dat in de gebieden waar de problemen heel groot zijn, waar er een heel groot probleem is met de stikstofoverlast, het ook langer duurt voordat de vergunningverlening op gang komt of betekent dat dat de ingrepen veel groter zullen zijn en de vergunningverlening ook snel op gang kan komen als de ingrepen maar groot genoeg zijn?

Minister Van Essen:

Juist in de gebieden die mevrouw Bromet beschrijft, waar het juist ingewikkelder is of waar meerdere opgaven samenkomen, zie ik nadrukkelijk meer een rol voor ons weggelegd, om het ook in de tijd daar sneller voor elkaar te krijgen. De heer Koorevaar heeft me al gevraagd naar de Peel. Ik ben zelf ook al bij de Veluwe gaan kijken. Daar is rijksinzet misschien harder nodig dan op een andere plek waar je het met provincie-inzet ook op een redelijke termijn tot een goed eind kunt brengen. Dus ik zie in die gebieden eerder het verschil in wat onze rijksinzet zou moeten zijn en hoe wij ons daarmee moeten bemoeien dan dat het per se betekent dat het veel langer moet duren voordat er iets kan.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik ben benieuwd naar het volgende. Ik hoor de minister zeggen dat alles met elkaar samenhangt. Dat snap ik ook. Maar hoe dwingend gaat de minister dan vanuit het Rijk bepaalde maatregelen erdoorheen rammen richting de ondernemers? Of gaat hij dat via de gemeente doen of via de provincie? Hoe dwingend gaan we dat dan doen?

Minister Van Essen:

Mijn opdracht is om dat stikstofslot eraf te halen en te zorgen dat we in Nederland weer vergunningverlening op gang krijgen en de natuur herstellen, zodat ondernemers ook weer verder kunnen met hun bedrijf. Wat daarvoor nodig is, zal ik doen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dat is een heel diplomatiek antwoord, maar de vraag is natuurlijk: sluit de minister gedwongen bedrijfsbeëindigingen uit en sluit hij gedwongen maatregelen die ondernemers moeten nemen uit?

Minister Van Essen:

Ik had aangegeven dat het coalitieakkoord onder andere is gebaseerd op de input die allerlei maatschappelijk partijen in die bouwstenen hebben afgesproken. Ook daarbij zijn uiteindelijk maatregelen die het ook afdwingbaar en juridisch borgbaar maken, niet uitgesloten. Op dit moment wil ik ook nog geen maatregelen uitsluiten.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dat betekent dus dat ondernemers gewoon het haasje kunnen zijn. Heel simpel. Daarnaast kom ik nog even terug op de vraag die ik zonet stelde. De minister gaf als antwoord "ik sta ervoor open om met organisaties te praten", maar mijn vraag was de volgende. Gaat de minister het doen als er een afspraak ligt, op papier, zoals in dit geval in de brief van 25 februari? Gaat de minister praten met bijvoorbeeld Stichting Stikstofclaim of staat hij open voor een gesprek? Ik neem aan dat hij gaat praten als het op papier is bevestigd?

Minister Van Essen:

Ik vind het mooi dat de heer Jansen heel goed luistert naar mijn woorden. Ik ga met ze in gesprek. Als ik me niet vergis, staat dat gesprek ook al in mijn agenda gepland. En anders zorgen we dat dat voor elkaar komt.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik had een vraag gesteld over de uitbreiding van de natuurgebieden. Die vraag is nog allerminst beantwoord. Er staat dat we een inrichtingsopgave hebben van maar liefst 30.000 hectare aan nieuwe natuur en dat dit de verantwoordelijkheid van provincies is. Ik sluit me hierin aan bij de zorgen die mevrouw Den Hollander heeft geuit. Het beleid wordt hier gemaakt en de provincies hebben het uiteindelijk uit te voeren. Ik stel mijn vraag over het beleid dus nogmaals. Hoe houdt het kabinet er bij het uitbreiden van die natuurgebieden rekening mee dat dit kan leiden tot verdere beperkingen van de landbouw? Die vraag is nog niet beantwoord.

De voorzitter:

De minister komt ook nog op het kopje natuur. Ik vind het best belangrijk om veel ruimte te geven voor veel interrupties op de verschillende onderdelen, maar dat werkt alleen als we de vragen echt toespitsen op de onderdelen waarop de minister zijn beantwoording concentreert. Wellicht kan de minister mevrouw Ten Hove dus een kort antwoord geven, maar laten we ons concentreren op de blokken die zijn aangegeven, om het debat ordentelijk te laten verlopen.

Minister Van Essen:

Volgens mij kom ik nog terug op uw vraag, mevrouw Ten Hove. Volgens mij zit die vraag in de set over natuur, zoals de voorzitter aangeeft. Mocht die daar niet in zitten, dan hoor ik graag weer van u.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dan parkeren we die even. Dank.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mijn vraag gaat over de generieke maatregelen die de minister voor zich ziet. Mevrouw Bromet vroeg al even naar sturen op grondgebruik. Daarvoor moeten we geduld hebben, want de minister zegt dat hij dat wil uitwerken. Maar ik miste ook nog wel een aantal maatregelen die volgens mij nodig zijn, zoals het schrappen van latente ruimte. We moeten echt iets doen om te voorkomen dat we aan de ene kant uitkopen en er aan de andere kant nog steeds wordt uitgebreid of nieuwbouw wordt gepleegd. Daar hebben we in deze Kamer de afgelopen jaren heel veel over gesproken. Dat is natuurlijk weggooien van belastinggeld. Het intrekken van vergunningen is volgens mij een maatregel die de minister ook nadrukkelijk in zijn pakket moet zien. Mijn vraag is dus hoe hij hiernaar kijkt. Ziet hij deze maatregelen ook als onderdeel van dat generieke pakket?

Minister Van Essen:

Ik zie dat enkele provincies of volgens mij één provincie ook het schrappen van de latente ruimte in de plannen hebben staan. Ik zou er bij mevrouw Ouwehand op terug moeten komen in hoeverre ik dat effectief vind als onderdeel van de aanpak.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Oké. Geldt dat dan voor alle opties die ik zojuist heb genoemd? Een grote steen des aanstoots is ook dat er de afgelopen jaren al ontzettend veel geld is gestoken in pogingen om dit op te lossen. Er werden bijvoorbeeld bedrijven uitgekocht. Het is zelfs gebeurd dat in één straat een bedrijf voor 2,5 miljoen werd uitgekocht, terwijl in diezelfde straat gewoon een nieuwe varkensstal werd gebouwd. Ja, dan los je én de problemen niet op én is het geld gewoon weggegooid. Ik zou de minister dus willen vragen om de Kamer snel gerust te stellen en te zeggen: dat gaan we dus niet meer doen, want ik heb daar een stokje voor gestoken. Dat zou ik fijn vinden.

Minister Van Essen:

Bij het voorbeeld van mevrouw Ouwehand — ik zal er niet te diep op ingaan — is het heel belangrijk om te weten hoe die bedrijven dan functioneren, wat voor stallen ze hebben en noem maar op, dus daar kan ik niet op ingaan. Ik wil echter gerust wel aangeven dat ik op de opties die worden geschetst, nog even schriftelijk terugkom.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Fijn. Dank u wel.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dit ligt een beetje in het verlengde van de vragen van de heer Jansen over generieke maatregelen en saneringen. De minister heeft schriftelijk antwoord gegeven op een vraag van mij in de eerste termijn. Die ging over het neerslaan van de emissies van bijvoorbeeld de melkveehouderij. De minister stelt in zijn antwoord dat ongeveer 10% neerslaat binnen een straal van 500 meter, terwijl de rest opgaat in een deken. Nu zeggen verschillende belanghebbenden, zoals de Stichting Stikstofclaim, Wouter de Heij en Agractie — zij zijn allemaal ook vertegenwoordigd en hebben deel in dit dossier — dat het wel 50% of 60% is. Hoe verklaart de minister dat verschil in inzichten?

Minister Van Essen:

Als er een verschil van inzicht is tussen enkele partijen die wij ook spreken en het schriftelijke antwoord, dan zou ik daar voor u nog even in moeten duiken. Ik kom daar in de tweede termijn even op terug.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dat zou ik zeker heel erg waarderen, want als we het over dit soort enorme verschillen hebben, dan is dat eigenlijk de overtreffende trap van appels en peren vergelijken. Als de minister dat in mijn optiek niet krachtig op gaat pakken, dan is mijn vraag ook: wie zit er nu eigenlijk naast? Dit gaat natuurlijk hoe dan ook een enorme splijtzwam vormen, dus ik krijg hier dan graag later een antwoord op.

Minister Van Essen:

Ja, daar kom ik op terug.

Mevrouw Podt (D66):

Ik wilde nog even doorgaan op de vragen van collega Bromet over de rol van het Rijk in de zonering in samenwerking met de provincies. Ik begon zelf mijn verhaal met het bezoek aan de melkveehouders in De Peel. Zij zeiden tegen mij: leuk dat jullie met eigen plannen komen, maar we hebben ook al de opdracht gekregen van de provincie Noord-Brabant om met een plan te komen, dus hoe breien we dat nu aan elkaar? Dat is eigenlijk de vraag die ik hier even aan de minister wil voorleggen.

Minister Van Essen:

Ik waardeer het natuurlijk ontzettend dat allerlei provincies actief ermee bezig zijn om dit probleem op te lossen. Naast Noord-Brabant zijn dat ook Gelderland, Utrecht en andere. Zij maken hier ook eigen keuzes in bij het uitblijven van beleid van ons. Zo zie ik dat. Ik waardeer dat, maar ik wil wel graag weten of de voorstellen die zij doen, genoeg zijn om ons uiteindelijk van het stikstofslot af te halen. Als er een zonering van 250 meter wordt voorgesteld, dan wil ik weten of dat voldoende is om de vergunningverlening weer vlot te trekken en ervoor te zorgen dat bedrijven weer vooruit kunnen en Nederland weer vooruit kan. Ik waardeer de energie, maar ik heb hier ook nog vragen bij.

Mevrouw Podt (D66):

Dat begrijp ik natuurlijk heel goed, want we willen inderdaad niet over een halfjaar weer bij die boeren staan en zeggen: het was toch niet genoeg. Mijn vraag zit 'm ook een beetje in het feit dat bijvoorbeeld Noord-Brabant heeft gezegd dat de plannen er voor de zomer moeten zijn. Dan is het natuurlijk extra belangrijk dat die duidelijkheid er vanuit onze kant, zo zeg ik het maar even, ook op dat moment komt. Anders komt de boer in een soort gordiaanse knoop terecht, waar hij niet meer uit komt.

Minister Van Essen:

Dat benadrukt alleen maar dat we dat pakket, de uitspraken, echt voor de zomer nodig hebben om ook aan provincies duidelijkheid te kunnen geven. Wij zitten vanuit het ministerie van LVVN natuurlijk ook bij die gebiedsaanpakken, dus we kunnen ook wat sneller inspelen op die vragen. Maar ik ben het met mevrouw Podt eens dat het geen dag kan wachten.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Als je gaat zeggen dat op bepaalde gronden bepaalde teelten niet meer mogen, bijvoorbeeld maisteelt, dan kom je eigenlijk aan het eigendomsrecht van een boer. Het is zijn grond, maar je zegt dan als overheid eigenlijk: u mag hier niet meer produceren. Dat zou hetzelfde zijn als dat je tegen een fietsenfabrikant zegt: dit deel van uw gebouw mag u niet meer gebruiken voor uw productie. Je komt aan het eigendomsrecht. Dat betekent dat die grond per definitie wordt afgewaardeerd. Als die wordt afgewaardeerd, dan zul je dat moeten compenseren. Dat geldt overigens ook voor de zoneringen; daar geldt precies hetzelfde voor.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Hoe gaat de minister dat doen?

Minister Van Essen:

Ik denk dat het allereerst belangrijk is om te zeggen dat wij zoneringen of gebruiksbeperkingen niet doen omdat we het leuk vinden, maar omdat een goede waterkwaliteit en een goede bodemgesteldheid uiteindelijk voor de agrariër, de boer zelf ook gewoon heel belangrijk zijn. "Hoe gaat de minister dat doen?" Daar zult u in het zomerpakket een antwoord op vinden. U ziet in de financiële tabellen bij het coalitieakkoord ook al bedragen staan. We zijn ons ervan bewust dat er voor normeren en ingrijpen middelen nodig zijn. Daar zult u in de uitwerking dus meer over vinden, zeg ik via de voorzitter.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat is dus eigenlijk ... Voor wat het kabinet van plan is, zal gewoon nooit genoeg geld zijn. Vooropgesteld, ik vind het allemaal onzin. Maar als dit het beleid wordt, dan moet daar gewoon heel veel geld naartoe. Het verbaast me wel een beetje dat de minister zegt: het is beter voor de waterkwaliteit en voor de bodemkwaliteit, en dat is ook wel gewoon goed voor de boer. Eigenlijk zegt de minister hier dus: wij gaan uw grond afpakken, want dat is beter voor u. Dat kan toch niet? Boeren zijn toch — dat hebben we al eerder gezegd — al eeuwen bezig met bodem en water? Het kan toch niet om op deze manier te zeggen: eigenlijk doen we het voor de boer, want het is voor hem beter? Alsof het een stelletje nitwits zijn die aan het fröbelen zijn op hun land.

Minister Van Essen:

Dit vind ik ook weer een beetje flauw, want dat is natuurlijk niet wat ik zeg. Ik geef aan dat het doel uiteindelijk ook dient voor een goede bedrijfsvoering van agrariërs. Dat heb ik proberen te zeggen. Volgens mij is dat voor heel veel mensen ook wel duidelijk. Ik heb bijvoorbeeld op mijn werkbezoek bij een akkerbouwer in Drenthe deze week ook gezien dat ze er zelf heel erg mee bezig zijn, want zij weten als geen ander dat een goeie waterkwaliteit ook voor de bedrijfsvoering belangrijk is. Dát is het doel, en niet het afpakken van grond.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nou, feitelijk is het wel het afpakken van grond. Het is gewoon hun eigendom. Zij telen daarop. Dat is hun productie. Daarom geef ik ook het voorbeeld van een fietsenfabriek. De overheid zegt gewoon: in dit deel mag u niet meer doen wat u deed. Dat is wel het afpakken van grond; dát is wat de overheid aan het doen is. Als we het dan hebben over eerlijk zijn, wees dan ook gewoon eerlijk en zeg: inderdaad, dit is wel een vorm van het afpakken van grond. Het is gewoon eigendom van die mensen.

Minister Van Essen:

Volgens mij zijn de doelen waarvoor we aan de lat staan heel duidelijk. Ik ga nog op werkbezoek met mevrouw Van der Plas. Ik zou het mooi vinden als we dan ook langs een paar akkerbouwers gaan die echt heel bewust bezig zijn met waterkwaliteit, want dat vind ik alleen maar te prijzen.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik had nog even een vraag over de zonering. Waar eindigt dat voor deze minister?

Minister Van Essen:

Een hele mooie, open vraag. Ik kan tegen mevrouw Ten Hove zeggen dat het doel is om de natuur in die Natura 2000-gebieden te versterken en te beschermen, en uiteindelijk om de vergunningverlening weer los te trekken. Wat daarvoor nodig is, zie ik als mijn opdracht.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Oké, maar is de minister het met mij eens dat als we niet gaan meten ... Ik heb nergens rapporten gevonden waarin in de buitenste rand wordt gemeten of het effectief is. Dan weten we dus ook niet of het nodig is om uit te breiden. Ik ben dus op zoek naar of de minister daar een antwoord op heeft. Als we dat niet gaan doen, is de minister het dan met mij eens dat dit gaat leiden tot onomkeerbare maatregelen, zonder dat we überhaupt het gewenste effect hebben bereikt?

Minister Van Essen:

U kunt ervan uitgaan dat ik geen voorstellen zal doen die niet onderbouwd zijn of die geen effect hebben. In de voorstellen kunt u die twee aspecten ook terugvinden bij de beoordeling.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Kunnen we dat dan voor de zomer ook teruglezen?

Minister Van Essen:

Op het moment dat wij zonering met daarbij een bepaalde maatvoering voor gaan stellen, zult u daar ook een onderbouwing bij aantreffen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat wij de ondernemers nu niet opzadelen met alle mogelijke maatregelen qua beleid? Dat staat overigens ver van mij, maar goed, de minister gaat dat doen. Hoe gaan we dan voorkomen dat we in dezelfde situatie terechtkomen als bij de PAS-melders?

Minister Van Essen:

Daar kom ik zo in het blokje over de rekenkundige ondergrens en dergelijke nog op terug: wat wij voorstellen, moet juridisch houdbaar zijn. Je wilt geen tweede groep PAS-melders creëren, dus de voorstellen die we doen, moeten geborgd zijn.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dan kom ik daar zo direct op terug. Overigens heb ik via u, voorzitter, een opmerking aan de minister. In de agenda van Stichting Stikstofclaim staat geen afspraak. De minister heeft dus heel veel hooi op zijn vork en vergist zich, of hij heeft een andere agenda, maar die afspraak staat niet in de agenda van de gesprekspartner.

Minister Van Essen:

Er is maar één agenda van deze minister. Als die afspraak er niet in staat, gaat hij er op de kortst mogelijke termijn in komen, zoals ik net ook al aangaf.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik twijfelde even of deze vraag hier past, maar ik stel hem toch. Het gaat over rijksregie. In het land zie ik rijpe en groene plannen door elkaar heen van provincies en gebieden. Sommige zijn integraal. Sommige zijn niet integraal. In sommige gebieden wordt opgelopen tot het eind, tot aan de normeringen, en in andere gebieden niet. Mijn vraag is nu: zou u willen toezeggen dat u de goede punten uit die gebiedsaanpakken beetpakt en die dan meeneemt in uw landelijke regie en dat u zich ook rekenschap geeft van de dingen die niet goed lopen? Dat gaat dan om dingen waarvan u denkt dat er misschien zienswijzen in de provincie over zijn ingediend. Ik vraag of u die punten ook meeneemt en kunt aangeven dat u daar in uw landelijke aanpak niet mee verdergaat.

De voorzitter:

Ik ga nergens mee verder en ik zeg niks toe, maar we gaan vragen of de minister daar eventueel toe bereid is.

Minister Van Essen:

Ik wil ook gewoon aan het werk met een aantal landelijke vereisten waar die plannen aan moeten voldoen. Dat betekent dat je de elementen meeneemt die goed werken en waar in een gebied bijvoorbeeld de Provinciale Staten en ondernemers enthousiast van worden. De goede punten neem je dus mee, maar uiteindelijk houdt regie ook in dat je aan die landelijke vereisten gaat toetsen. Ik laat mij door de regionale aanpakken voeden om die landelijke vereisten mede vorm te geven.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik zal proberen dit nog iets scherper te krijgen: wilt u toezeggen dat u die aanpakken evalueert, waarbij u ook aangeeft wat u daarin positief vindt en daarom overneemt en wat u minder positief vindt en daarom niet overneemt? Excuses dat ik niet via de voorzitter sprak.

Minister Van Essen:

Ik heb volgens mij in de beantwoording van de vragen aan uw Kamer toegezegd dat ik voor de zomer met een Kamerbrief over onze gebiedsgerichte inzet kom. Ik wil daar gerust ook in opnemen dat we daar de punten in meenemen over plannen die er al liggen die de heer Koorevaar zojuist beschrijft, ook buiten wat wij doen om, dus de positieve en minder positieve punten en hoe we die meenemen in de uiteindelijke beoordeling van regionale plannen. Dan hoop ik de vraag te hebben beantwoord.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik ga het toch nog één keer proberen. Dus als ik het goed begrijp geeft de minister aan dat er een evaluatie komt van die plannen en dat u heel specifiek de leerpunten meeneemt. Ik bedoel de minister! We gaan speciaal voor mij nog een keer op cursus om te leren via de voorzitter te spreken!

De voorzitter:

U doet het voortreffelijk.

De heer Koorevaar (CDA):

En dat de minister die leerpunten dan ook meeneemt in de ontwikkeling van de plannen die voor de zomer met ons gedeeld worden.

Minister Van Essen:

Het woord "evaluatie" roept bij mij altijd weer een soort van gevoel op over allerlei dikke rapporten. Dat zou ik willen voorkomen, maar ik wil toezeggen dat in die Kamerbrief de punten meegenomen worden die de heer Koorevaar net noemt. Dus ja, die krijgt u.

De voorzitter:

De minister vervolgt met het onderdeel "gebiedsgericht".

Minister Van Essen:

Dank u wel. Mocht ik de structuur kwijt zijn, dan helpt u me wel.

De voorzitter:

We doen het samen.

Minister Van Essen:

Voorzitter. Omdat ik in dat stukje was ik bezig over lappendekens, begin ik toch nog even met de vraag van mevrouw Den Hollander. Daar zit dan een klein stukje herhaling in, maar dan kan iedereen het ook weer volgen. Zowel mevrouw Den Hollander als de heer Koorevaar hebben mij dus gevraagd naar het gelijke speelveld en de uitvoering van plannen. Wij willen graag voortbouwen op de lopende processen in de provincie. Ik vind het ook belangrijk dat we oog houden voor de verschillen tussen gebieden. Daarbij wil ik ook genoemd hebben dat provincies natuurlijk een eigenstandige taak en verantwoordelijkheid hebben op het terrein van natuur en gebiedsgerichte coördinatie. Als ik daarbij — daarmee kom ik ook een beetje terug op het punt van net over regie en evalueren — ook stuit op fundamentele tegenstrijdigheden, dan zie ik het ook als mijn taak om dat op te lossen en de regie te pakken.

We geven prioriteit aan gebieden met de hoogste nood. We starten dit jaar ook in minimaal vijf gebieden met grote impact. We werken daar als Rijk intensief samen met medeoverheden en gebiedspartners. Dat doen we in een vijftal gebieden. Dat zijn de Peel, de Veluwe — ze zijn allebei net al genoemd — Noordwest-Overijssel, het Hart van het Noorden en het Groene Hart. We hebben ook nog de economische clusters Brainport Eindhoven en de haven van Rotterdam staan. Daarbij wil ik voortbouwen op acties die provincies de afgelopen jaren al in gang hebben gezet. Er ligt veel om mee aan de slag te gaan, ook voor andere gebieden. Uiteindelijk komt er inzet op alle plekken waar dat nodig is. Het kabinet zal ook blijven kijken naar kansen voor versnelling in andere gebieden. Op die manier gaan we direct aan de slag. De resultaten die we daarmee bereiken, neem ik mee voor verdere doorontwikkeling van de landelijke aanpak. Dat komt onder landelijke regie ook andere gebieden ten goede.

Ik kom nog even specifiek op de vraag van de heer Koorevaar over de Peel en de Veluwe. In de Peel en op de Veluwe zijn intentieovereenkomsten getekend. In deze begroting zit een reservering van 600 miljoen om daadwerkelijk van start te kunnen gaan met emissiereductie, natuurherstel, hydrologische maatregelen en opschaling van ondernemingsplannen, waarbij wij ondernemers helpen. Er zit veel energie in deze plannen en in die gebieden. Dat heb ik kunnen ervaren toen ik de afgelopen week in de Peel was. Uw Kamer ontvangt, zoals ik net al toezegde, voor de zomer een voortgangsbrief over deze vijf prioritaire gebieden, met daarbij de toezegging die ik net aan de heer Koorevaar deed.

Voorzitter. Dan kom ik bij het volgende blokje: op bedrijfsniveau. Dat is ook het spoor …

De voorzitter:

U mag wel uw zin afmaken.

Minister Van Essen:

Dan ga ik liever zo nog goed van start voor iedereen dan dat ik nu halve zinnen zeg.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Toch even over de provinciale aanpak. De VVD begrijpt dat provincies een eigen verantwoordelijkheid hebben. We vinden het heel belangrijk dat ondernemers die elkaars buren zijn maar toevallig net in een andere provincie wonen, die aan een gelijk natuurgebied met gelijke opgaven grenzen, daar ook gelijke mogelijkheden hebben voor hun bedrijf. Het zou ons plezieren als het kabinet daar oog voor houdt en de regie oppakt als dat niet zo is. Wat gaat de minister doen als een hele ambitieuze provincie veel verdergaande maatregelen neemt dan wij als Rijk zouden willen voorstellen?

Minister Van Essen:

Je wilt aan de ene kant de energie niet uit de gebieden slaan, maar ik heb, toen ik in de Peel was, zelf gehoord dat ondernemers tegen mij zeiden dat in de ene provincie iets wel kan rondom innovatie en in de andere provincie niet. Dat is natuurlijk niet wenselijk, zeker niet als je bedrijf zo goed als op een provinciegrens zit. U kunt van mij verwachten dat ik daar oog voor heb en de medeoverheden daarop aanspreek. Ik zal zorgen dat ondernemers een gelijk speelveld hebben.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dat is heel goed om te horen. Ik zou hierbij ook willen terugkijken op wat ik vorige week dinsdag heb ingebracht over mijn bedrijfsbezoek aan de Regio Foodvalley. Daar zie je dat een provinciaal plan een regionaal plan doorkruist. De regio komt met een heel goed voorstel met daadwerkelijk geborgde stikstofreductie en de provincie banjert daar dwars doorheen met haar eigen plannen. Mijn vraag aan de minister is: in hoeverre gaan de regio's ook een rol spelen? Je hebt gemeenten, provincies en regio's. Wat is de rol van de regio in de gebiedsgerichte aanpak?

Minister Van Essen:

Ik heb een tijdje geleden ook contact gehad met de VNG, omdat ik als wethouder uit ervaring weet dat gemeenten in dat soort gebiedsprocessen soms best verrassende dingen kunnen inbrengen die leiden tot oplossingen voor agrarische ondernemers. Ik vind de regioaanpak van groot belang. Ik heb bij mijn overleggen met de provincies ook een vertegenwoordiging vanuit de VNG zitten, wethouders in dit geval, om juist ook hun punt in te brengen. Ik kan niet zomaar in bevoegdheden van medeoverheden treden, maar vaak helpt het om in dit soort gesprekken aan te geven wat het probleem is voor een ondernemer. Ik ben nog niet veel wethouders of gedeputeerden tegengekomen die dat niet willen oplossen. U kunt van mij een houding verwachten waarbij ik goed meekijk, stuur waar dat moet en aanspreek.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dat klinkt goed. We gaan de komende maanden goed bekijken of dat op die manier vorm krijgt.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik ben heel blij dat de minister zegt dat hij voor een gelijk speelveld is. We willen niet twaalf ministaatjes in Nederland. Als we dat kunnen voorkomen, is dat heel mooi. Het betekent ook dat de minister op zoek gaat naar manieren om de middelen die er zijn, doelmatig in te zetten. Daarom had ik de vraag of bij de Peel het geld dat nu bij de minister op de begroting staat, breder kan worden ingezet. Ik vraag me af of de minister daarop terug kan komen.

Minister Van Essen:

Ik heb daar gezien dat het investeren in hydrologische maatregelen buiten de 250 meterzone direct effect heeft op de drukfactoren in het gebied. Ik wil daar dus niet te benauwd mee omgaan. Ik heb voor dit gebied daar een eerste kennismaking mee gehad. Ik vind die vraag terecht. Als het helpt voor de doelen die wij met elkaar stellen, moet je daar niet te benauwd in zitten. Maar ik kan de vraag nog niet exact beantwoorden voor de heer Koorevaar.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik waardeer dat de minister dit zegt, dat hij daarvan kennis heeft genomen en ook zoekt naar een effectieve inzet van die middelen. Wat ik mij nog wel afvraag, is het volgende. Het gesprek dat wij hier in het parlement voeren, gaat over 250 meter of 500 meter, terwijl je die maatregelen juist gebiedsgericht wilt nemen. Wil de minister ook aangeven dat inderdaad het gebied centraal staat en niet een fittie over het aantal meter?

Minister Van Essen:

Wij willen sowieso geen fitties. Uiteindelijk is het doel het belangrijkste. Mensen buiten dit huis vragen ook om regie. Dat betekent dat je daar als minister, en ook u als parlement, regie in zou moeten willen nemen. Zoals ik net al antwoordde op de vragen van mevrouw Bromet en mevrouw Podt, wil ik daar duidelijkheid over scheppen, maar niet blind en doof zijn voor situaties waarin er in een gebied een alternatieve keuze mogelijk is die dezelfde doelen bereikt en beter uitpakt voor ondernemers en natuurgebieden. Dat moet een wisselwerking zijn. Dat zijn de communicerende vaten, zoals ik net aangaf, tussen generieke en gebiedsgerichte maatregelen.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Koorevaar (CDA):

Er ligt vanuit de Peel een concreet voorstel. Ik begrijp dat de minister dit voorstel ook kent. Ik ben blij met de beantwoording en wil de minister vragen om dit voorstel echt serieus te nemen, want alleen dan behouden wij draagvlak.

Minister Van Essen:

Dat doe ik. Ik neem dat serieus.

De heer Chris Jansen (PVV):

Een gelijk speelveld is altijd belangrijk, misschien zelfs wel het belangrijkste dat er is. De minister noemde net Brainport. Dat is heel belangrijk voor de werkgelegenheid en voor de hightechontwikkeling in de regio en in Nederland. De vraag is wel hoe de minister ertegen aankijkt dat voor Brainport een uitzondering wordt gemaakt, waardoor vergunningverlening voor uitbreiding mogelijk is, terwijl ondernemers in de omgeving, zoals boeren, al jarenlang klem zitten en mogelijk zelfs worden geconfronteerd met gedwongen krimp of beëindiging. Kan de minister daarop reflecteren?

Minister Van Essen:

Het bevoegd gezag ligt hier, als ik mij niet vergis, bij de provincie. Die heeft met een ADC-toets aangetoond dat een bepaalde uitbreiding, in dit geval bij een bedrijf in Brainport, wel mogelijk was, terwijl dat op andere plekken nog niet kon. Dat benadrukt voor mij dat wij moeten afkomen van het "nee" op additionaliteit. Kortom, wij moeten dit pakket voor de zomer neerleggen, inzetten op natuurherstel en vergunningverlening weer mogelijk maken.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dat snap ik, maar de vraag blijft waarom ondernemers in hetzelfde gebied al jarenlang niets kunnen. Ik mag toch verwachten dat de minister van Landbouw daar ook wat van vindt en het bevoegd gezag flink aan de tand gaat voelen over waarom dit hier wel mogelijk is. Het lijkt erop dat er ruimte is gereserveerd of dat er naar een bepaald resultaat is toegewerkt. Nogmaals, ik zeg niet dat dit onlogisch is, gezien het belang voor de regio en Nederland, maar het is wel iets waar je als minister van Landbouw scherp op moet zijn.

Minister Van Essen:

Ik snap wat de heer Jansen zegt. Ruimtelijke ordening is voor inwoners en ondernemers vaak complex en soms moeilijk te volgen. Het kan dan lijken op willekeur, waardoor je je afvraagt: waarom mag ik dit niet? Dat is ook de reden dat in het coalitieakkoord meerdere sectoren worden genoemd. Het is niet alleen de landbouw die moet leveren, maar ook mobiliteit en industrie. U kunt van mij verwachten dat ik die sectoren aan dezelfde maatstaven houd als de landbouw. Ik ben tenslotte minister van Landbouw.

De voorzitter:

U heeft al drie vragen gesteld, meneer Jansen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Volgens mij heb ik nog één afsluitende vraag, want ik heb er pas twee gesteld.

De voorzitter:

U heeft gelijk. Gaat uw gang.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik snap wat de minister zegt, maar hier krijgen bedrijven, in dit geval ASML, juist meer ruimte. Ik snap dat de minister zegt dat we moeten voorkomen dat er minder kan, maar hier gaat het over meer. Ik snap het antwoord niet helemaal. Kunt u daar iets meer duiding aan geven?

Minister Van Essen:

In dit geval is de provincie het bevoegd gezag. De rechter heeft dit getoetst en zo geoordeeld. Het is geen vraag die mij als minister van Landbouw is voorgelegd in het kader van natuurbeschermingsvergunningen. Maar ik snap wel hoe dit overkomt op mensen in de regio en daar heb ik net een antwoord op proberen te geven.

De heer Goudzwaard (JA21):

Het CDA heeft ook een aantal vragen aan de minister gesteld en daarop heeft hij antwoord gegeven. In een van die antwoorden, over saneringen en het kijken naar bedrijfsspecifieke maatregelen, zegt de minister dat subsidies binnen een bepaalde groep worden toegekend op basis van een rangschikking: het aantal euro subsidie per kilogram ammoniakreductie. Daarmee stuurt de minister op kosteneffectiviteit, zegt hij. Kan de minister mij zeggen wat het meest kosteneffectief is? Is dat inzetten op technologie, of gewoon platte extensivering?

Minister Van Essen:

Als ik het goed heb, gaat dit over de beëindigingsregeling waarover we ook afgelopen dinsdag hebben gesproken. Het gaat erom dat er in het verleden kritiek is gekomen op welke bedrijven zijn uitgekocht, los van de stikstofwinst. Daarom hebben we in deze regeling ook rekening proberen te houden met de bezwaren die toen zijn geuit. We zorgen er dus voor dat de uitkoop die je doet ook kosteneffectief is.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dat is helder. Dank aan de minister voor het antwoord. Ik haal dat niet zo uit de tekst. Mijn vraag blijft daarom staan. Als het in het algemeen gaat om de ammoniakreductie, kijkt de minister naar de kosteneffectiviteit, linksom of rechtsom. Dat is volgens mij de stellingname van de minister. Ik kan mij voorstellen dat je bij innovatie te maken hebt met opstartkosten. Die kosten liggen per saldo natuurlijk veel hoger per kilogram ammoniakreductie. Wat kan de minister eraan doen dat innovatie hierdoor niet onderaan het lijstje gaat belanden?

Minister Van Essen:

Ik vind het mooi dat de heer Goudzwaard mij de kans geeft om te reageren op de innovatie. Ik vind innovatie zelf ook een belangrijke pijler in de aanpak, of het nu gaat om mestvergisting of om andere innovaties op het erf. De vergelijking met de specifieke set vragen die de heer Goudzwaard in zijn hand heeft, kan ik zo nog niet maken. Daar zou ik in de tweede termijn, of anders schriftelijk op terug moeten komen.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dat kan, maar ik ben hier nu twee keer naar voren gekomen en dit zou dan de tweede keer zijn dat de minister daar in de tweede termijn antwoord op moet geven. Dit zijn toch eigenlijk gewoon vragen waar een minister direct antwoord op zou moeten kunnen geven? Dit zijn vrij fundamentele vragen.

Minister Van Essen:

We hebben een discussie gehad over het kosteneffectief uitvoeren van uitkoopregelingen. Er wordt nu een vraag gesteld over innovaties en opstartkosten. Die vraag is zo breed, dat ik daar niet meteen een gericht antwoord op kan geven. Dan geef ik liever een goed antwoord in tweede termijn dan dat we met elkaar gaan gissen wat we precies bedoelen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik wil nog even terugkomen op de afspraak met Stikstofclaim. Ik heb het even nagevraagd, maar bij Stikstofclaim is er geen afspraak bekend. Stikstofclaim is niet uitgenodigd. Ze wordt ook weggehouden bij reguliere overleggen. Het is essentieel dat de minister zich breed laat informeren door allerlei partijen, en niet alleen door partijen die de deur constant platlopen en die de minister misschien welgevalliger zijn. Ik wil hier wel duidelijkheid over. Als de minister zegt dat hij een afspraak heeft, terwijl die afspraak bij de andere partij niet bekend is, dan wil ik gewoon even weten hoe het zit. Ik vind het namelijk belangrijk dat de minister zich ook door partijen als Stikstofclaim, Wouter de Heij en nog meer partijen laat informeren. Ik zou graag horen of hier sprake is van een misverstand, dan wel dat de afspraak wel degelijk is gemaakt en de minister zich dus breed laat informeren.

Minister Van Essen:

Uiteraard wil ik mij breed laten informeren. Zoals ik net ook op dezelfde vraag van de heer Jansen antwoordde: als die afspraak nog niet in de agenda staat, zorgen we ervoor dat die erin komt, want ik ben ook benieuwd naar hun visie.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Van Essen:

Dat is het derde spoor: de aanpak van het kabinet op bedrijfsniveau. We zetten ons vol in voor de ontwikkeling van doelsturing, waarbinnen de ondernemer zelf aan het roer is om stevige stappen te zetten die passen bij zijn of haar bedrijfsvoering en die bijdragen aan de doelen en een duurzaam toekomstperspectief.

De heer Flach vroeg naar de inzet van het kabinet om bedrijven te ondersteunen in de doorontwikkeling van hun bedrijf. Voor ons is dat essentieel. De toekomst en het handelingsperspectief voor agrarische ondernemers willen wij maximaal ondersteunen. Daarvoor is het van belang dat individuele boeren zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over wat er van hen wordt verwacht in de vorm van bedrijfsspecifieke energienormen. Maar ook duidelijkheid over grondgebondenheid is van belang. Daar refereerden wij al eerder aan.

Naast die duidelijkheid gaat het ook over de manier waarop wij de boeren hierbij helpen. Het kabinet heeft 20 miljard beschikbaar gesteld om te investeren in oplossingen, waaronder innovaties, extensivering en omschakeling of verplaatsing. De heer Goudswaard heeft mij gevraagd wanneer de Kamer een uitwerking kan verwachten van de juridische kaders van doelsturing.