Inbreukenpakket voor april: voornaamste beslissingen

Overzicht per beleidsterrein

Het periodieke pakket inbreukbeslissingen betreft de gerechtelijke stappen van de Europese Commissie tegen lidstaten die hun verplichtingen uit hoofde van het Unierecht niet zijn nagekomen. De beslissingen betreffen diverse EU-beleidsterreinen en moeten ervoor zorgen dat het Unierecht correct wordt toegepast. Daar hebben zowel burgers als bedrijven baat bij. De voornaamste beslissingen van de Commissie worden hieronder weergegeven, gegroepeerd per beleidsterrein. De Commissie sluit ook 70 zaken waarin de kwesties met de betrokken lidstaten zijn opgelost. In die zaken hoeft de Commissie de inbreukprocedure dus niet voort te zetten. 
Deze interactieve kaarten en aanpasbare grafieken tonen de stand van zaken van de handhaving door de Commissie en de naleving van het Unierecht door de lidstaten. U kunt het register van inbreukbeslissingen raadplegen voor meer informatie over de geschiedenis van een zaak of om toegang te krijgen tot de volledige database van inbreukbeslissingen. Zie ook de vragen en antwoorden voor meer informatie over de EU-inbreukprocedure.

 

1. Milieu

(meer informatie: Anna-Kaisa Itkonen – tel: +32 2 295 75 01; Maëlys Dreux – tel.: +32 2 295 46 73)

Aanmaningsbrieven

Commissie verzoekt Polen de nodige maatregelen te treffen om het ecosysteem van de Oder te herstellen  
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door een ingebrekestelling te sturen aan Polen (INFR(2026)2009) wegens het niet naleven van zijn verplichtingen uit hoofde van de kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG), de richtlijn industriële emissies (Richtlijn 2010/75/EU), de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) en de vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG). De waterlichamen, habitats en soorten van Polen zijn achteruitgegaan, zoals geïllustreerd door de giftige algengroei in de Oder in de zomer van 2022, met massale vissterfte tot gevolg. De Oder is een belangrijke waterweg in Midden-Europa en biedt uiteenlopende ecosysteemdiensten, zoals visserij, drinkwater, recreatie en toerisme. Herstel en bescherming van de waterkringloop is een van de belangrijkste doelstellingen van de strategie voor waterweerbaarheid. In de zomer van 2022 tierde een giftige algensoort (“goudwieren”) zo welig dat over een afstand van 500 kilometer in het water levende organismen, inclusief meer dan 360 ton vis, de dood vonden. Een hoog zoutgehalte en hoge concentraties voedingsstoffen zijn de voornaamste redenen voor de sterke algengroei. In de zomer van 2024 werd opnieuw meer dan 100 ton vis dood aangetroffen in het stroomgebied van de Oder, omdat de goudwieren daar aanwezig blijven en het zoutgehalte van het water hoog blijft. Polen heeft toestemming gegeven voor lozingen van zoutrijk mijnwater in de rivier, ondanks de erkende negatieve gevolgen daarvan voor de watertoestand. De door Polen getroffen maatregelen zijn ontoereikend om de verslechtering om te buigen en te waarborgen dat de waterlichamen weer in een goede toestand komen. Polen heeft ook nagelaten de nodige maatregelen te treffen om het herstel van de in en langs de rivier aanwezige beschermde habitats en soorten, zoals bittervoorn of de kleine modderkruiper, te waarborgen. Tot slot heeft Polen een stroomgebiedbeheerplan aangenomen waarin geen rekening is gehouden met de ramp van de zomer van 2022 en de gevolgen daarvan. Polen heeft daardoor ook niet voldaan aan het vereiste om een passende beoordeling van de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden uit te voeren op basis van geactualiseerde gegevens. Daarom stuurt de Commissie Polen een ingebrekestelling. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te antwoorden op de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Commissie verzoekt Italië de drinkwaterrichtlijn correct om te zetten  
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door Italië een ingebrekestelling te sturen (INFR(2026)2038) wegens het niet correct omzetten van de drinkwaterrichtlijn (Richtlijn (EU) 2020/2184). Zoals in de strategie voor waterweerbaarheid wordt benadrukt, is de volledige omzetting van de waterkwaliteitseisen van de EU cruciaal om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen. De herschikte drinkwaterrichtlijn heeft tot doel de menselijke gezondheid te beschermen door voor schoner kraanwater te zorgen, de waterkwaliteitsnormen te actualiseren en zorgwekkende verontreinigende stoffen zoals hormoonverstoorders en microplastics aan te pakken. De lidstaten moesten uiterlijk 12 januari 2023 de richtlijn in nationaal recht omzetten en aan de bepalingen ervan voldoen. Er bestaan nog steeds verscheidene tekortkomingen in de omzetting van deze richtlijn door Italië. Het gaat onder meer om de beperking van het toepassingsgebied van de risicobeoordeling van nationale leidingnetten, het uitstel van bepaalde verplichtingen, het ontbreken van de verplichting om kwetsbare personen te informeren over manieren om toegang tot drinkwater te krijgen, om afwijkingen alleen toe te staan in gerechtvaardigde omstandigheden en dan zo kort mogelijk, alsook het ontbreken van een richtwaarde om de aanwezigheid van niet-relevante metabolieten van bestrijdingsmiddelen in drinkwater te beheren. Daarom stuurt de Commissie Italië een ingebrekestelling. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te antwoorden en de door de Commissie geconstateerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Commissie verzoekt Ierland zijn nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de richtlijn kunststoffen voor eenmalig gebruik  
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door een ingebrekestelling te sturen aan Ierland (INFR(2026)2037) wegens het niet correct omzetten van de richtlijn kunststoffen voor eenmalig gebruik (Richtlijn (EU) 2019/904). De richtlijn heeft tot doel de impact van bepaalde kunststofproducten op het milieu en de menselijke gezondheid te voorkomen en te verminderen en de overgang naar een circulaire economie met vernieuwende en duurzame bedrijfsmodellen, producten en materialen te bevorderen. Ierland heeft veel van de belangrijkste verplichtingen van de richtlijn correct in nationaal recht omgezet. De verplichting voor producenten van kunststofproducten voor eenmalig gebruik om de kosten van bewustmakingsinitiatieven te dekken, is echter niet omgezet. Evenmin hebben de Ierse autoriteiten het vereiste omgezet dat de kosten van de overheid voor het opruimen van zwerfafval door de producenten worden gedekt. Verder bevat de wetgeving geen bepalingen om producenten uit andere lidstaten een gemachtigde vertegenwoordiger in Ierland te laten aanwijzen, waardoor niet-Ierse marktdeelnemers uit de EU zich op nationaal niveau niet kunnen laten vertegenwoordigen. Verder bevat de Ierse wet geen specifieke maatregelen om in 2026 een kwantificeerbare vermindering van kunststoffen voor eenmalig gebruik te bereiken noch maatregelen voor gescheiden inzameling om bepaalde kunststoffen voor eenmalig gebruik te recyclen. Tot slot heeft Ierland geen termijnen voor verlengde producentenaansprakelijkheid voor bepaalde kunststofproducten voor eenmalig gebruik vastgesteld. Daarom stuurt de Commissie Ierland een ingebrekestelling. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie geconstateerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Commissie verzoekt Ierland zijn netwerk van mariene Natura 2000 gebieden te completeren  
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door een ingebrekestelling te sturen aan Ierland (INFR(2026)2051) wegens het niet naleven van zijn verplichtingen uit hoofde van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) en de vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG). Op grond van de habitatrichtlijn moeten de lidstaten gebieden van communautair belang (GCB's) voorstellen om de meest bedreigde typen en soorten habitats in de EU, met inbegrip van verscheidene mariene typen en soorten, te beschermen. Op grond van de vogelrichtlijn moeten de lidstaten speciale beschermingszones (SBZ's) aanwijzen om bepaalde vogelsoorten, met inbegrip van verscheidene zeevogels, te beschermen. Die gebieden en zones ondersteunen het EU-brede netwerk van beschermde natuurgebieden, bekend als Natura 2000, alsook de verwezenlijking van de doelstelling van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 om ten minste 30 % van de zeeën van de EU wettelijk te beschermen. Voor gebieden in het mariene milieu was de Commissie met de lidstaten overeengekomen dat zij dit netwerk uiterlijk 2012 zouden opzetten. Om gevolg te geven aan die verplichting heeft de Commissie in 2015 onderzoeken geopend om de vooruitgang in verschillende lidstaten, waaronder Ierland, te beoordelen. Hoewel Ierland zijn mariene wateren grondig is gaan monitoren, hebben de Ierse autoriteiten formeel nog geen nieuwe mariene GCB's voorgesteld of mariene SBZ's in kust- en offshoregebieden aangewezen. Meer in het bijzonder moeten er aanvullende GCB's voor riffen, zandbanken, tuimelaars en bruinvissen worden vastgesteld. Ierland moet ook voldoende SBZ's instellen voor acht vogelsoorten in bijlage I bij de vogelrichtlijn en elf trekvogelsoorten die regelmatig in Ierland voorkomen. Door na te laten om dergelijke locaties voor te stellen, zo veel jaar na het verstrijken van de termijn, wordt de snelle implementatie van projecten op het gebied van hernieuwbare energie opgehouden, vanwege de rechtsonzekerheid voor autoriteiten en ontwikkelaars. Ierland heeft ambitieuze plannen voor hernieuwbare offshore-energie, die de Commissie volledig steunt. Met het oog op die doelstelling moeten de autoriteiten en ontwikkelaars duidelijkheid hebben over de locatie van de ecologisch kwetsbaarste gebieden. Daarom stuurt de Commissie Ierland een ingebrekestelling. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie geconstateerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Verwijzing naar het Hof van Justitie

Commissie besluit Spanje voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens niet-naleving van de richtlijn stedelijk afvalwater
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Spanje voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen (INFR(2017)2100) wegens het niet volledig naleven van de verplichtingen inzake de opvang, de behandeling en de monitoring in de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (Richtlijn 91/271/EEG van de Raad). Onbehandeld afvalwater kan een risico voor de volksgezondheid vormen, en verontreinigt meren, rivieren, bodem, kustwateren en grondwater. De richtlijn beschermt zowel de waterkwaliteit als de gezondheid van de mens door te eisen dat EU-landen voor alle stedelijke gebieden met 2 000 inwoners (of meer) hun stedelijk afvalwater opvangen en behandelen voordat dit in het milieu wordt geloosd. De lidstaten moeten waarborgen dat lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties steeds aan de richtlijn blijven voldoen. Een correcte implementatie van de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater draagt dus bij tot de waterweerbaarheid in de hele EU. De Commissie heeft Spanje in oktober 2017 een ingebrekestelling gestuurd, in november 2019 gevolgd door een met redenen omkleed advies. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de Spaanse autoriteiten tot op heden ontoereikend zijn, en daagt Spanje daarom voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Voor meer informatie, zie het persbericht.

 

2. Interne markt, industrie, ondernemerschap en midden- en kleinbedrijf

(meer informatie: Siobhan McGarry – tel. +32 2 296 47 98; Rüya Perincek – tel: +32 460 76 25 10)

Ingebrekestellingen

Commissie verzoekt Hongarije en Slowakije discriminatoire behandeling van EU-burgers bij tanken te staken
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door Hongarije (INFR(2026)4008) en Slowakije (INFR(2026)4009) een ingebrekestelling te sturen vanwege discriminerende brandstofprijzen voor bestuurders van in het buitenland geregistreerde auto's. In Slowakije wordt de dieselprijs voor bestuurders van buiten Slowakije geregistreerde auto's gereguleerd en wekelijks vastgesteld op basis van de prijsontwikkeling in de buurlanden, terwijl bestuurders van in Slowakije geregistreerde auto's een lagere marktprijs krijgen. De maatregel was oorspronkelijk voor slechts 30 dagen vastgesteld, maar is op 17 april 2026 verder verlengd. In Hongarije zijn beschermde vaste prijzen ingevoerd voor bestuurders van voertuigen met Hongaarse kentekenplaten, terwijl bestuurders van in het buitenland geregistreerde voertuigen hogere marktprijzen moeten betalen. Deze maatregelen schenden verscheidene bepalingen van primair en secundair Unierecht betreffende de eengemaakte markt, namelijk het vrije verkeer van goederen (Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU)), het vrije verkeer van diensten (VWEU of Richtlijn 2006/123/EG), het vrije verkeer van werknemers en de gelijke behandeling daarvan (VWEU en Verordening nr. 492/2011), het vrije verkeer van wegvervoersdiensten (Verordening (EG) nr. 1072/2009 en Verordening (EG) nr. 1073/2009) en de vrijheid van vestiging (VWEU of Richtlijn 2006/123/EG). Bovendien zijn de betrokken maatregelen niet vóór de aanneming aangemeld, wat in strijd is met artikel 5, lid 1, van Richtlijn (EU) 2015/1535 (richtlijn transparantie op de eengemaakte markt). Daarnaast heeft Hongarije een stelsel van voorafgaande vergunningen ingevoerd voor de uitvoer van ruwe olie en brandstofproducten, wat in strijd is met artikel 35 VWEU. Daarom stuurt de Commissie Hongarije en Slowakije ingebrekestellingen, waarna deze landen twee maanden de tijd hebben om op de brieven te reageren en de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Commissie verzoekt Frankrijk EU-regels inzake vrij verkeer van goederen zoals biomethaan na te leven
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een inbreukprocedure in te stellen door Frankrijk een aanmaningsbrief te sturen (INFR(2026)4002) wegens de niet-verenigbaarheid van een nationale regeling voor certificaten voor de productie van biomethaan met het vrije verkeer van goederen in de interne markt (artikelen 34 tot en met 36 VWEU). Biomethaan is een hernieuwbaar gas uit organisch afval dat in aardgasnetwerken kan worden geïnjecteerd. In het kader van de Franse regeling moeten leveranciers ofwel zelf biomethaan produceren, ofwel certificaten kopen van producenten in continentaal Frankrijk. Biomethaan dat in andere EU-lidstaten wordt geproduceerd, wordt in dit systeem wegens niet-traceerbaarheid niet erkend, zelfs als het als duurzaam gecertificeerd is. Hoewel de Commissie milieudoelstellingen zoals het verminderen van emissies steunt, is het onevenredig om voorrang te geven aan binnenlands biomethaan boven invoer indien er minder restrictieve opties bestaan. Zo zou het meetellen van biomethaan waar het wordt verbruikt in plaats van geproduceerd, de streefcijfers voor hernieuwbare energie ondersteunen, en zouden ook de regels van de interne markt in aanmerking worden genomen. De Commissie bevordert ook de integratie van biomethaan in de gasmarkt van de EU door middel van samenwerking tussen de lidstaten, zoals uiteengezet in het REPowerEU-actieplan. Frankrijk schendt voorts de richtlijn transparantie op de eengemaakte markt (Richtlijn (EU) 2015/1535), aangezien de regeling en de respectieve nationale uitvoeringsmaatregelen niet in de ontwerpfase bij de Commissie zijn aangemeld, voorafgaand aan de aanneming ervan. Frankrijk heeft nu twee maanden de tijd om op de bezwaren van de Commissie te reageren. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Commissie verzoekt Spanje het arrest van het Hof inzake betalingsachterstand na te leven
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een inbreukprocedure in te stellen door Spanje een ingebrekestelling te sturen (INFR(2026)2049) wegens het niet aanpassen van de wetgeving inzake de retailsector aan de uitleg van het Hof van Justitie in zaak C-677/22. Volgens Spaans recht kunnen betalingstermijnen voor consumptiegoederen stelselmatig worden verlengd tot meer dan 60 dagen, en soms tot meer dan 120 dagen, wat in strijd lijkt met het arrest van het Hof. Tijdige betalingen zijn van cruciaal belang voor Europese ondernemingen om te groeien en te investeren in de eengemaakte markt. Daarom stuurt de Commissie Spanje een ingebrekestelling, waarna het land twee maanden de tijd heeft om te antwoorden op de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.

Met redenen omkleed advies

Commissie verzoekt België te waarborgen dat ondernemingen tijdig worden betaald
De Europese Commissie heeft vandaag besloten België een met redenen omkleed advies te sturen (INFR (2025) 2130) wegens stelselmatige betalingsachterstanden van gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij hun leveranciers, alsook wegens het nalaten van Vlaamse gemeenten en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om een forfaitaire vergoeding van 40 EUR voor laattijdige betaling van facturen te betalen. De Commissie tracht de partijen op gelijkere voet over betalingsvoorwaarden te laten onderhandelen en de toegang tot liquiditeit te faciliteren, conform de richtlijn betalingsachterstand. Betalingsachterstanden hebben negatieve gevolgen voor de liquiditeit, groei en veerkracht van bedrijven, en met name van kleine en middelgrote ondernemingen. Daarom heeft de Commissie besloten België een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie België voor het Hof van Justitie van de Europese Unie dagen.

 

3. Migratie en Binnenlandse Zaken

(meer informatie: Markus Lammert — tel: +32 2 296 75 33; Fiorella Boigner — tel.: +32 2 299 37 34)

Ingebrekestellingen

Commissie verzoekt Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk richtlijn strafrechtelijke bestrijding van witwassen van geld correct om te zetten
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door Duitsland (INFR(2026)2043), Frankrijk (INFR(2026)2042) en Oostenrijk (INFR(2026)2040) een ingebrekestelling te sturen wegens het niet correct omzetten van bepalingen van de richtlijn inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (Richtlijn (EU) 2018/1673), met inbegrip van de definities en de regels inzake de aansprakelijkheid van rechtspersonen. De richtlijn biedt een definitie van strafbare feiten en sancties tegen natuurlijke en rechtspersonen in verband met het witwassen van geld, met als doel de politiële en justitiële samenwerking tussen de EU-lidstaten te vergemakkelijken en te voorkomen dat criminelen van soepelere rechtsstelsels profiteren. Wegens de onjuiste omzetting van de richtlijn, met inbegrip van de definities en de regels inzake de aansprakelijkheid van rechtspersonen, stuurt de Commissie Oostenrijk, Duitsland en Frankrijk een ingebrekestelling. De lidstaten hebben nu twee maanden tijd om te reageren en de door de Commissie geconstateerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Commissie roept Hongarije op nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met EU-hulpverleningspakket
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door een ingebrekestelling te sturen aan Hongarije (INFR/2026)2039) wegens niet-naleving van zijn verplichting uit hoofde van Richtlijn 2002/90/EG van de Raad om doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen voor het de­lict hulpverlening bij illegale binnenkomst in, illegale doortocht door en illegaal verblijf in de EU (d.w.z. migrantensmokkel) en uit hoofde van het Kaderbesluit van de Raad (2002/946/JBZ) waarin regels zijn vastgesteld voor strafrechtelijke sancties met betrekking tot die delicten. Bovendien is de Hongaarse wetgeving onverenigbaar met de doelstellingen van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht om een hoog niveau van veiligheid in de Unie te waarborgen. Deze wetgeving ondermijnt ook het gemeenschappelijk beleid inzake immigratie en grenscontrole en vormt een ernstige schending van het beginsel van loyale samenwerking. Op 31 juli 2025 heeft de Commissie Hongarije voor het Hof van Justitie gedaagd in verband met het regeringsbesluit van 2023, dat heeft geleid tot de vrijlating uit de gevangenis van veroordeelde mensensmokkelaars en hun uitzetting naar andere lidstaten of derde landen. Deze procedure loopt nog. Het regeringsbesluit van 2023 is bij wet van 19 juni 2025 ingetrokken. Bij diezelfde wet waren wijzigingen in het wetboek van strafvordering ingevoerd inzake een voorwaardelijke opschorting van de procedure tegen verdachten van strafbare feiten op het gebied van mensensmokkel. Deze opschorting van strafrechtelijk vervolging is van toepassing op niet-Hongaarse onderdanen die volgens Hongaars recht kunnen worden uitgezet, mits zij schuld bekennen, verklaren over de omstandigheden van het delict en het grondgebied van Hongarije binnen 72 uur verlaten. De betreffende bepalingen brengen een risico op stelselmatige straffeloosheid met zich mee en ondermijnen de werking van de bepalingen tot strafbaarstelling van de Uniewetgeving. Door verdachten van migrantensmokkel niet doeltreffend te vervolgen, brengt de wet van 2025 niet alleen het algemeen belang bij het waarborgen van een hoog niveau van veiligheid in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, maar ook een doeltreffend immigratie- en grenscontrolebeleid stelselmatig in gevaar. Daarom stuurt de Commissie Hongarije een ingebrekestelling, waarna het land uitzonderlijk één maand de tijd heeft om op de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen te antwoorden. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Verwijzingen naar het Hof van Justitie

Commissie besluit Bulgarije, Spanje, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Polen en Zweden voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens niet-omzetting van de richtlijn weerbaarheid kritieke entiteiten
De Europese Commissie heeft besloten Bulgarije (INFR(2024)0258), Spanje (INFR(2024)0271), Frankrijk (INFR(2024)0275), Luxemburg (INFR(2024)0283), Nederland (INFR(2024)0289), Polen (INFR(2024)0291) en Zweden (INFR(2024)0297) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens niet-omzetting van of het niet meedelen van nationale omzettingsmaatregelen van de richtlijn weerbaarheid kritieke entiteiten (Richtlijn (EU) 2022/2557 – CER-richtlijn). De EU-landen moesten de CER-richtlijn vóór 17 oktober 2024 in hun nationale rechtsorde omzetten. De CER-richtlijn waarborgt de doorlopende verlening van diensten van essentieel belang voor de samenleving en de economie van de EU in belangrijke sectoren zoals energie, vervoer, gezondheid, water, het bankwezen en digitale infrastructuur. De lidstaten moeten regelmatig risicobeoordelingen uitvoeren om kritieke entiteiten in kaart te brengen en te waarborgen dat die entiteiten passende maatregelen treffen om de ononderbroken verlening van essentiële diensten te beschermen. De richtlijn volgt een alle gevaren-benadering, die zowel natuurlijke als door de mens veroorzaakte risico's omvat, zoals terroristische aanslagen, cyberdreigingen, criminele infiltratie en sabotage. Tot op heden heeft geen van de betreffende lidstaten maatregelen van de richtlijn in hun nationale wetgeving omgezet. Daarom daagt de Commissie hen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie en verzoekt zij het Hof aan ieder van deze lidstaten financiële sancties op te leggen. Voor meer informatie, zie het persbericht.

 

4. Justitie

(meer informatie: Markus Lammert — tel: +32 2 296 75 33; Antoine Lomba — tel.: +32 2 299 32 33)

(meer informatie over gelijkheid: Eva Hrncirova – Tel: +32 2 298 84 33; Anna Gray – tel.: +32 2 298 08 73)

Ingebrekestellingen

Commissie verzoekt Polen EU-regels inzake prijsverminderingen met betrekking tot diensten correct om te zetten
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door een ingebrekestelling te sturen aan Polen (INFR(2026)2050) wegens het niet correct omzetten van de regels inzake prijsverminderingen conform de moderniseringsrichtlijn (Richtlijn (EU) 2019/2161). Bij die richtlijn worden vier richtlijnen gewijzigd: de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, de richtlijn consumentenrechten (Richtlijn 2011/83/EU), de richtlijn oneerlijke bedingen (Richtlijn 93/13/EEG van de Raad), en de richtlijn prijsaanduiding (Richtlijn 98/6/EG). De richtlijn beoogt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, maar ook de nationale voorschriften te harmoniseren ten behoeve van de interne markt. De Commissie is van mening dat de Poolse bepalingen tot omzetting van de wijzigingen van de richtlijn prijsaanduiding buiten het toepassingsgebied ervan vallen, aangezien die nationale bepalingen niet alleen van toepassing zijn op roerende goederen conform de richtlijn, maar ook op diensten. Polen voldoet dus niet aan de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, die van toepassing is op alle handelspraktijken, waaronder aankondigingen van prijsverlagingen voor diensten, en die de lidstaten verbiedt strengere regels vast te stellen die verder gaan dan de vereisten ervan. Daarom stuurt de Commissie Polen een ingebrekestelling. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te antwoorden op de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Commissie verzoekt Griekenland en Kroatië EU-regels over rechtsbijstand correct om te zetten
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door Griekenland (INFR(2026)2052) en Kroatië (INFR(2026)2053) een ingebrekestelling te sturen wegens het niet correct omzetten van de EU-regels voor rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden (Richtlijn (EU) 2016/1919). Het EU-recht waarborgt dat de grondrechten van verdachten en beklaagden worden beschermd, ook voor personen die op grond van een Europees aanhoudingsbevel worden gezocht. Krachtens de richtlijn moeten beslissingen over rechtsbijstand bovendien onverwijld worden genomen door een bevoegde en onafhankelijke autoriteit, zoals een rechtbank. In Kroatië worden beslissingen voor de tenlastelegging echter genomen door de openbare aanklager, die niet aan het vereiste van onafhankelijkheid krachtens Unierecht voldoet. Het Kroatische recht biedt ook geen duidelijk garantie over rechtsbijstand in bepaalde omstandigheden waarin iemand voor de rechter wordt gebracht om over zijn voorlopige hechtenis te beslissen. In bepaalde situaties verleent Griekenland alleen rechtsbijstand op verzoek, wat in strijd is met de richtlijn. Bovendien houdt het Griekse rechtsstelsel bij de beoordeling van het recht op rechtsbijstand geen rekening met de complexiteit van de zaak of de ernst van de sanctie die op het spel staat, zoals vereist krachtens Unierecht. Beslissingen over rechtsbijstand lopen ook vaak vertraging op en zijn niet duidelijk over de termijnen. De politie en het openbaar ministerie zijn in dringende gevallen bij dergelijke beslissingen betrokken. Dit is strijdig met het Unierechtelijke onafhankelijkheidsvereiste. Bovendien worden personen, in strijd met de normen van de richtlijn, niet altijd schriftelijk ingelicht wanneer hun verzoek om rechtsbijstand wordt afgewezen. Daarom stuurt de Commissie een ingebrekestelling aan Griekenland en Kroatië. Deze landen hebben nu twee maanden de tijd om te antwoorden en de door de Commissie aan de orde gestelde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Met redenen omklede adviezen

Commissie verzoekt België, Bulgarije, Tsjechië, Cyprus, Letland, Hongarije, Oostenrijk, Polen en Portugal de EU-regels inzake genderevenwicht in raden van bestuur volledig om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten met redenen omklede adviezen te sturen aan België (INFR(2025)0005), Bulgarije (INFR(2025)0011), Tsjechië (INFR(2025)0025), Cyprus (INFR(2025)0018), Letland (INFR(2025)0073), Hongarije (INFR(2025)0057), Oostenrijk (INFR(2025)0001), Polen (INFR(2025)0085), en Portugal (INFR(2025)0092) wegens het niet-mededelen van de nationale maatregelen tot omzetting van de richtlijn inzake genderevenwicht in raden van bestuur (Richtlijn (EU) 2022/2381). In de richtlijn is als doelstelling vastgesteld dat bij grote beursgenoteerde ondernemingen in de EU 40 % van de niet-uitvoerende bestuurders en 33 % van alle bestuurders van het ondervertegenwoordigde geslacht moet zijn. De omzettingstermijn voor die richtlijn voor de lidstaten was 28 december 2024. In januari 2025 heeft de Commissie besloten inbreukprocedures in te stellen door verscheidene lidstaten een ingebrekestelling te sturen wegens niet-mededeling van de respectieve maatregelen ter omzetting van de richtlijn. Tot op heden hebben België, Bulgarije, Cyprus, Letland, Hongarije, Oostenrijk, Polen, Portugal en Tsjechië nog steeds geen volledige omzettingsmaatregelen meegedeeld, hoewel zij voldoende tijd hebben gekregen om de vereiste maatregelen te treffen en mee te delen. Daarom heeft de Commissie besloten deze negen lidstaten een met redenen omkleed advies te sturen. De landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie beslissen de zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, met verzoeken om een financiële sanctie op te leggen.

Commissie verzoekt Spanje collectieve belangen van consumenten middels representatieve vorderingen te beschermen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Spanje een met redenen omkleed advies te sturen (INFR(2023)0015) wegens het niet volledig omzetten van de richtlijn representatieve vorderingen (Richtlijn (EU) 2020/1828) in nationaal recht. De richtlijn, die in 2020 is vastgesteld, beoogt dat alle consumenten in de EU ten volle kunnen gebruikmaken van hun rechten uit hoofde van het Unierecht. De richtlijn verleent bevoegde instanties, zoals consumentenorganisaties, de bevoegdheid om vergoeding van schade te vorderen. Dit kan maatregelen omvatten zoals compensatie, vervanging of reparatie, voor groepen consumenten die schade hebben geleden ten gevolge van een onrechtmatige handelspraktijk. De lidstaten moesten deze richtlijn uiterlijk 25 december 2022 in nationaal recht hebben ingevoerd. In januari 2023 heeft de Commissie verscheidene lidstaten, waaronder Spanje, een ingebrekestelling gestuurd omdat zij geen volledige omzettingsmaatregelen hadden meegedeeld. Sindsdien heeft Spanje kennisgegeven van een slechts gedeeltelijke omzetting van de richtlijn. Hoewel het Spaanse recht tot op zekere hoogte reeds een mechanisme van representatieve vorderingen kent, ontbreken essentiële elementen van de richtlijn, zoals de mogelijkheid voor bevoegde instanties om grensoverschrijdende representatieve vorderingen in te stellen. Daarom heeft de Commissie besloten Spanje een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie beslissen de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, met een verzoek om financiële sancties op te leggen.  

Verwijzingen naar het Hof van Justitie

Commissie daagt Tsjechië en Hongarije voor Hof van Justitie van de Europese Unie wegens onjuiste omzetting van regels inzake het Europees aanhoudingsbevel
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Tsjechië (INFR(2020)2312 en Hongarije INFR(2021)2071) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens het niet naleven van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel (Besluit 2002/584/JBZ van de Raad). De Commissie heeft Tsjechië in december 2020 en Hongarije in juni 2021 een eerste ingebrekestelling gestuurd wegens de niet-mededeling en de onjuiste omzetting van het kaderbesluit. De Commissie stelt dat het Tsjechische recht niet waarborgt dat de gezochte persoon in afwachting van de beslissing over de overlevering tijdelijk wordt overgebracht naar de uitvaardigende lidstaat of wordt gehoord in de uitvoerende lidstaat. Bovendien waarborgt het niet dat de duur van een tijdelijke overbrenging in onderling overleg tussen de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt vastgesteld. De Commissie stelt dat het Hongaarse recht de bepalingen inzake weigeringsgronden onjuist omzet door de rechterlijke autoriteiten te verplichten Europees aanhoudingsbevel-verzoeken te weigeren voor bepaalde strafbare feiten die in Hongarije niet strafbaar zijn gesteld. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de autoriteiten tot nu toe ontoereikend zijn, en daagt Tsjechië en Hongarije daarom voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Voor meer informatie, zie het persbericht

 

5. Energie en Klimaat

(meer informatie: Anna-Kaisa Itkonen – tel: +32 2 295 75 01; Cristiana Marchitelli – tel: +32 2 298 94 07; Ana Crespo Parrondo – tel: +32 2 298 13 25)

Met redenen omklede adviezen

Commissie dringt er bij Kroatië, Polen en Portugal op aan EU-regels voor een betere opzet van de elektriciteitsmarkt om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten met redenen omklede adviezen te sturen aan Kroatië (INFR(2025)0143), Polen (INFR(2025)0162) en Portugal (INFR(2025)0166) wegens niet-omzetting in nationaal recht van de nieuwe EU-regels voor de opzet van de elektriciteitsmarkt van Richtlijn (EU) 2024/1711 tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2018/2001 en (EU) 2019/944. De nieuwe regels beogen de elektriciteitsprijzen voor consumenten stabieler en minder afhankelijk van de prijs van fossiele brandstoffen te maken. De uitvoering van de wetgeving is van cruciaal belang om te waarborgen dat de Europese consumenten — zowel huishoudens als bedrijven — energiekosten kennen die de lagere productiekosten van hernieuwbare energie beter weerspiegelen, en dat de prijzen voorspelbaarder zijn. Met de hervormde opzet van de elektriciteitsmarkt worden consumenten beter beschermd, zowel in de vorm van een ruimere keuze bij de ondertekening van contracten als in geval van afsluiting. De lidstaten moesten uiterlijk 17 januari 2025 kennisgeven van de omzetting van de richtlijn van 2024, met uitzondering van de bepalingen inzake de vrije leverancierskeuze en het delen van energie, waarvoor zij tot en met 17 juli 2026 de tijd hebben. In maart 2025 heeft de Commissie 26 EU-landen een ingebrekestelling gestuurd omdat ze de richtlijn niet volledig in nationaal recht hadden omgezet. Na onderzoek van de antwoorden van de lidstaten heeft de Commissie besloten Kroatië, Polen en Portugal een met redenen omkleed advies te sturen, omdat zij geen omzettingsmaatregelen hebben meegedeeld. De drie betrokken lidstaten hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Anders kan de Commissie beslissen de zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, met verzoeken om financiële sancties op te leggen.  

Commissie dringt er bij Hongarije op aan om te voldoen aan scheidsrechterlijke regels tussen investeerders en staten binnen de EU
De Europese Commissie heeft besloten Hongarije een met redenen omkleed advies te sturen (INFR(2025)2204), omdat het land niet heeft voorkomen dat het verbod op arbitrage tussen investeerders en staten binnen de EU, zoals vastgesteld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, is geschonden. In zijn arrest in zaak C-741/19 (“Komstroy”), oordeelde het Hof van Justitie dat de artikelen 267 en 344 VWEU verhinderen dat een investeerder uit een lidstaat op grond van een internationale overeenkomst, zoals artikel 26 van het Verdrag over het Energiehandvest, een geschil over investeringen in een andere lidstaat bij een door die lidstaat als bevoegd aanvaard scheidsgerecht aanhangig mag maken. De schendingen waarop het met redenen omkleed advies betrekking heeft, vloeien voort uit de acties van de door de Hongaarse staat gecontroleerde onderneming MOL en de ondernemingen waarover MOL zeggenschap heeft, die het scheidsrechterlijke verbod tussen investeerders en staten binnen de EU schenden. Eerst heeft MOL een rechter van een derde land verzocht om een scheidsrechterlijke uitspraak binnen de EU tussen investeerders en staten op grond van artikel 26 van het Verdrag over het Energiehandvest in haar voordeel te erkennen en ten uitvoer te leggen. Vervolgens heeft een onderneming die onder zeggenschap staat van MOL een nieuwe scheidsrechterlijke procedure binnen de EU tussen investeerders en staten ingesteld tegen een andere EU-lidstaat op grond van artikel 26 van het Verdrag over het Energiehandvest.  De Commissie is van oordeel dat de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgens vaste rechtspraak van het Hof met terugwerkende kracht gelden en dat de staatsaansprakelijkheid overeenkomstig artikel 258 VWEU kan worden uitgebreid tot: i) handelingen van privaatrechtelijke entiteiten onder zijn toezicht of feitelijke controle of functie; ii) de entiteiten waaraan taken van algemeen belang of specifieke voorrechten worden toegekend; en iii) enige entiteit waarvan de handelingen het staatsbeleid weergeven of uitvoeren. Daarom heeft de Commissie besloten Hongarije een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie de zaak voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Verwijzingen naar het Hof van Justitie

Commissie besluit Griekenland, Malta en Portugal voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen om te waarborgen dat zij de versterkte regels ter bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen in nationaal recht omzetten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Griekenland (INFR(2025)0214), Malta (INFR(2025)0233) en Portugal (INFR(2025)0241) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen omdat ze de bepalingen van de wijzigende Richtlijn (EU) 2023/2413 wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft niet volledig in nationaal recht omgezet hebben. De nieuwe regels beogen de invoering van hernieuwbare energie en de uitrol van eigen schone energie in de EU te versnellen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, de energieonafhankelijkheid te versterken en de energieprijzen te verlagen. De richtlijn heeft tot doel hernieuwbare energie in alle sectoren van de economie uit te rollen, dus niet alleen in de energiesector, maar ook en vooral in sectoren waar de vooruitgang moeilijker is, zoals verwarming en koeling, gebouwen, vervoer en industrie, waar ook nieuwe of aangescherpte streefcijfers zijn vastgesteld. Bij de regels worden horizontale maatregelen ingevoerd om het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te bevorderen, zoals betere oorsprongsgaranties, eenvoudiger integratie van energiesystemen door bevordering van elektrificatie en hernieuwbare waterstof, alsmede waarborgen voor een duurzamere productie van bio-energie. Het bevorderen van hernieuwbare energie is van cruciaal belang voor het concurrentievermogen van Europa en voor de route naar klimaatneutraliteit en is een essentieel onderdeel van het actieplan voor betaalbare energie en het REPowerEU-plan. De richtlijn is vastgesteld in 2023. De lidstaten moesten uiterlijk 21 mei 2025 kennisgeven van de omzetting van de richtlijn, met uitzondering van een aantal bepalingen over vergunningen, die uiterlijk 1 juli 2024 al moesten worden omgezet. De Commissie heeft Griekenland, Malta en Portugal in juli 2025 een ingebrekestelling en in december 2025 een met redenen omkleed advies gestuurd, omdat zij de richtlijn niet hadden omgezet. Griekenland en Portugal hebben nog geen omzettingsmaatregelen meegedeeld. Malta heeft onvoldoende duidelijke en nauwkeurige informatie verstrekt over de wijze waarop de richtlijn is omgezet. Daarom besluit de Commissie Griekenland, Malta en Portugal voor Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen, met een verzoek financiële sancties op te leggen. Voor meer informatie, zie het persbericht.

 

6. Belastingen

(meer informatie: Louise Bogey – tel.: +32 2 296 97 76; Bridget Moylan – tel.: +32 2 298 28 44)

Met redenen omkleed advies

Commissie verzoekt Spanje een einde te maken aan discriminatoire belasting van niet-ingezeten belastingplichtigen die in Spanje werken en daar gewoonlijk wonen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een inbreukprocedure in te stellen door Spanje een met redenen omkleed advies (INFR (2025) 4007) te sturen wegens schending van het vrije verkeer van kapitaal (artikel 63 VWEU) omdat het belasting heft van niet-ingezeten belastingplichtigen op hun als gewone verblijfplaats gebruikte woningen. Als algemene regel heft Spanje belasting op fictieve inkomsten uit onroerend goed van particulieren ter hoogte van 2 % van de kadastrale waarde. Onroerende goederen die als woning worden gebruikt en gelden als de gewone verblijfplaats van ingezeten belastingplichtigen in Spanje zijn evenwel van belasting vrijgesteld. Deze belastingvrijstelling geldt niet voor niet-ingezeten belastingplichtigen. Daarom heeft de Commissie besloten Spanje een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doen ze dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig te maken.

Verwijzing naar het Hof van Justitie

De Commissie besluit Hongarije voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens niet-afschaffing van de belastingregeling voor de detailhandel
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Hongarije voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen (INFR(2024)4022) omdat het zijn belastingregeling voor de detailhandel niet in overeenstemming heeft gebracht met de door de artikelen 49 en 54 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging. Door de huidige opzet van de belastingregeling voor de detailhandel zijn buitenlandse detailhandelsondernemingen die in Hongarije als geïntegreerde of verbonden onderneming actief zijn, voor hun omzet onderworpen aan hoge en sterk progressieve belastingtarieven. Binnenlandse detailhandelaren die onder hun respectieve merken en logo's via franchisesystemen op de Hongaarse markt actief zijn, zijn evenwel niet onderworpen aan dezelfde hoogste tarieven omdat hun omzet niet voor belastingdoeleinden wordt geconsolideerd. De belastingregeling belet met name de door het buitenland gecontroleerde retailbedrijven om hun bedrijfsactiviteiten op te zetten zoals binnenlandse detailhandelsbedrijven. De belastingregeling voor de detailhandel vormt derhalve een beperking van de vrijheid van vestiging. De Commissie heeft Hongarije in oktober 2024 een ingebrekestelling gestuurd, in juni 2025 gevolgd door een met redenen omkleed advies. Aangezien Hongarije de inbreuk ontkent, verwijst de Commissie de zaak naar het EU-Hof van Justitie van de Europese Unie. Voor meer informatie, zie het persbericht.

 

7. Mobiliteit en vervoer

(meer informatie: Anna-Kaisa Itkonen – tel: +32 2 295 75 01; Annie Juusola – tel.: +32 2 296 09 86) 

Ingebrekestellingen

Commissie verzoekt België, Frankrijk en Portugal krachtens EU-regels vereiste verkeersveiligheidsbeoordelingen van het wegennet uit te voeren
De Europese Commissie heeft besloten inbreukprocedures in te stellen door België (INFR(2026)2047), Frankrijk (INFR(2026)2048) en Portugal (INFR(2026)2045) een ingebrekestelling te sturen wegens het niet uitvoeren van verkeersveiligheidsbeoordelingen van het wegennet en het niet inlichten van de Commissie van de resultaten daarvan. De richtlijn betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (Richtlijn 2008/96/EG), zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2019/1936, is van toepassing op alle wegen die deel uitmaken van het TEN-T-wegennet. De richtlijn heeft ook betrekking op alle autosnelwegen, hoofdwegen die grote steden en regio's met elkaar verbinden, en alle door de EU gefinancierde interlokale wegen. De lidstaten moesten de veiligheidsbeoordeling van het wegennet uiterlijk in 2024 uitvoeren en uiterlijk 31 oktober 2025 bij de Commissie verslag uitbrengen over de veiligheidsclassificatie van hun wegennet. Frankrijk en Portugal hebben de verslagen voor hun netwerken niet ingediend overeenkomstig de richtlijn, en België heeft slechts gedeeltelijke resultaten ingediend. De Commissie stuurt daarom een ingebrekestelling aan België, Frankrijk en Portugal, waarna de landen twee maanden de tijd hebben om te reageren en de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten met redenen omklede adviezen te sturen.

 

8. Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaalmarktenunie

(meer informatie: Siobhan McGarry- tel.: + +32 2 296 47 98; Saul Louis Goulding – tel.: +32 229-64735)

Met redenen omklede adviezen

Commissie verzoekt Spanje en Polen wijzigingen in de vierde anti-witwasrichtlijn om te zetten en de implementatie van andere maatregelen uit de verordening geldovermakingen te voltooien
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Spanje (INFR(2025)2079) en Polen (INFR(2025)2081) omdat zij de wijzigingen die in de vierde anti-witwasrichtlijn (Richtlijn (EU) 2015/849) zijn aangebracht bij de verordening geldovermakingen (Verordening (EU) 2023/1113), niet hebben omgezet en omdat zij de Commissie geen kennis hebben gegeven van de regels inzake bestuurlijke geldboeten en andere maatregelen tegen inbreuken op de verordening. De verordening geldovermakingen (TFR) stelt regels voor de informatie over betalers en begunstigden die bij geldovermakingen in iedere valuta moet worden gevoegd, en over initiators en begunstigden die bij overdrachten van cryptoactiva moeten worden gevoegd, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van het witwassen van geld en terrorismefinanciering. De verordening vervangt en verruimt het toepassingsgebied van de vroegere verordening inzake bij geldovermakingen te voegen informatie (Verordening (EU) 2015/847) en wijzigt de vierde antwitwasrichtlijn, om nieuwe voorwaarden op te nemen over informatie die bij de overdracht van cryptoactiva moet worden gevoegd. Bovendien moeten de lidstaten krachtens de verordening geldovermakingen hun nationale rechtskaders aanpassen. Deze bepalingen zaten reeds vervat in de vorige versie van de verordening geldovermakingen (Verordening (EU) 2015/847), maar er waren aanvullende maatregelen van de lidstaten nodig om te waarborgen dat zij ook bestuurlijke sancties en maatregelen toepassen, met name voor inbreuken met betrekking tot aanbieders van cryptoactivadiensten. De twee lidstaten hebben de omzetting van de wijzigingen in de vierde anti-witwasrichtlijn niet gemeld en hebben de implementatie van de verordening op het punt van bestuurlijke sancties en andere maatregelen niet voor de termijn van 30 december 2024 voltooid.  De verordening geldovermakingen is een belangrijke Europese wetgevingshandeling ter bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering doordat financiële overdrachten kunnen worden getraceerd. Er zijn juridische, financiële en operationele risico's voor instellingen en personen verbonden aan het niet uitvoeren van de verordening, en met name voor alle aanbieders van cryptoactivadiensten die in de EU actief zijn. Daarom heeft de Commissie besloten beide betrokken EU-landen een met redenen omkleed advies te sturen. Deze landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doen ze dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig te maken.

Commissie verzoekt Spanje, Nederland, Portugal en Zweden de Europees centraal toegangspunt- omnibusrichtlijn (ESAP) volledig om te zetten zodat beleggers toegang hebben tot openbare bedrijfsinformatie  
Na de ingebrekestelling van juli 2025 heeft de Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Spanje (INFR(2025)0269), Nederland (INFR(2025)0281), Portugal (INFR(2025)0285) en Zweden (INFR(2025)0288) wegens het niet volledig omzetten van de Europees centraal toegangspunt-omnibusrichtlijn (ESAP) (Richtlijn EU 2023/2864) ten aanzien van de bij de transparantierichtlijn ingevoerde wijzigingen (Richtlijn 2004/109/EG). De omnibusrichtlijn van het ESAP maakt deel uit van het ESAP-wetgevingspakket dat de oprichting vergemakkelijkt van een gecentraliseerd mechanisme dat eenvoudig toegankelijke, vergelijkbare en bruikbare openbare informatie biedt aan beleggers en andere belanghebbenden. Eenvoudige en gestructureerde toegang tot informatie voor marktdeelnemers draagt bij tot de integratie van de kapitaalmarkten van de EU, conform de doelstellingen van de spaar- en investeringsunie. Hierdoor kunnen EU-bedrijven gemakkelijker financiering vinden en zo de groei en het scheppen van banen in de EU stimuleren. Het wetgevingspakket omvat drie fasen van de ontwikkeling van het ESAP. De eerste fase begint in juli 2026, wanneer de overeenkomstig de transparantierichtlijn, de prospectusverordening en de verordening short selling bekend te maken informatie bij de nationale bevoegde autoriteiten wordt ingediend om die bij het ESAP beschikbaar te stellen. Voor die eerste stap moesten de lidstaten de in de transparantierichtlijn ingevoerde wijzigingen uiterlijk 10 juli 2025 hebben omgezet, zoals aangegeven in de ingebrekestelling van juli 2025. Daarom heeft de Commissie besloten de vier overblijvende EU-landen die de wijzigingen niet hebben omgezet, een met redenen omkleed advies te sturen. Deze landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie beslissen de zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, met verzoeken om financiële sancties op te leggen. 

 

9. Digitale economie

(meer informatie: Thomas Regnier - tel: +32 2 299 10 99, Patricia Poropat – tel: + 32 2 298 04 85)

Aanvullende ingebrekestelling

Commissie vraagt Kroatië digitaledienstenverordening na te leven en de nationale autoriteit handhavingsbevoegdheid te verlenen
De Europese Commissie heeft besloten Kroatië een aanvullende ingebrekestelling (INFR(2024)2166) te sturen wegens niet-naleving van de digitaledienstenverordening (DSA). De Commissie heeft haar bezorgdheid reeds geuit in een ingebrekestelling die in juli 2024 aan Kroatië is gezonden. De Commissie is van mening dat Kroatië Verordening (EU) 2022/2065 niet naleeft. Overeenkomstig de digitaledienstenverordening moeten de lidstaten digitaledienstencoördinatoren aanwijzen, d.w.z. nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de verordening binnen hun rechtsgebied. Een operationele digitaledienstencoördinator is vereist om op het grondgebied van zijn lidstaat de digitaledienstenverordening volledig te doen uitvoeren, zodat gebruikers de regels kunnen gebruiken en om rechtszekerheid voor marktdeelnemers te creëren. Na de eerste ingebrekestelling heeft Kroatië op 18 april 2025 wetgeving vastgesteld ter uitvoering van de digitaledienstenverordening. De Commissie is echter van mening dat Kroatië zijn digitaledienstencoördinator nog steeds niet met bevoegdheden heeft bekleed en de sanctiebevoegdheden krachtens de digitaledienstenverordening verkeerd heeft uitgevoerd. De Kroatische wet eerbiedigt met name niet altijd de maximumgrenzen van 6 % voor geldboeten en 5 % van de gemiddelde dagelijkse wereldwijde omzet of inkomsten voor dwangsommen voor onlineplatforms, noch waarborgt het land dat alle sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Bovendien is het niet mogelijk om aan particulieren boetes op te leggen voor het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie of voor het niet meewerken aan inspecties, zoals vereist krachtens de verordening. Kroatië heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en te antwoorden op de door de Commissie aan de orde gestelde tekortkomingen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

 

10. Werkgelegenheid en sociale rechten

(meer informatie: Eva Hrncirova – Tel: +32 2 298 84 33; Eirini Zarkadoula – tel.: +32 2 295 70 65)

Ingebrekestelling

Commissie dringt bij Portugal aan op opheffing van discriminatoire arbeidsvoorwaarden in de overheidssector
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te stellen door Portugal een ingebrekestelling te sturen (INFR(2026)4001) omdat het land zijn nationale wetgeving niet volledig in overeenstemming heeft gebracht met de richtlijn inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (Richtlijn 1999/70/EG van de Raad), die werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tegen discriminatie beschermt. Het Portugese recht sluit werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de overheidssector uit van een betere positie in de salarisschaal, in tegenstelling tot werknemers in vaste dienst die hetzelfde werk verrichten en dezelfde beoordelingen doorlopen.  Volgens de Commissie is dit met het Unierecht strijdige discriminatie. Daarom stuurt de Commissie Portugal een ingebrekestelling. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te antwoorden op de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies te sturen.

Met redenen omklede adviezen

Commissie dringt bij Spanje aan op opheffing van discriminatoire arbeidsvoorwaarden in de overheidssector
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Spanje (INFR(2014)4224) wegens het niet volledig in overeenstemming brengen van zijn nationaal recht met de richtlijn inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (Richtlijn 1999/70/EG van de Raad), die werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tegen discriminatie beschermt. De Spaanse wetgeving bevat voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de Spaanse overheidssector minder gunstige arbeidsvoorwaarden dan voor werknemers in vaste dienst. Volgens de Commissie vormt dit discriminatie in strijd met het Unierecht, en daarom heeft zij in 2014 deze inbreukprocedure ingesteld. Hoewel Spanje enkele kwesties heeft opgelost en verduidelijkt die in de recentste ingebrekestelling van de Commissie van juli 2024 aan de orde werden gesteld, zijn de verklaringen in andere gevallen nog steeds niet bevredigend. Daarom heeft de Commissie besloten Spanje een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doen ze dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig te maken.

Commissie dringt bij Spanje aan op preventie van misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en voorkoming van discriminatoire arbeidsvoorwaarden in de overheidssector
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Spanje (INFR(2014)4334) wegens het onvoldoende beschermen van werknemers in de publieke sector tegen misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Dit is in strijd met de EU-regels (Richtlijn 1999/70/EG van de Raad), op grond waarvan de lidstaten in hun nationale recht maatregelen moeten opnemen om misbruik door opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen en, indien nodig, te bestraffen. In de Spaanse wet ontbreken dergelijke maatregelen voor bepaalde soorten arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd in de publieke sector. Hoewel Spanje zijn nationale regels na de instelling van de inbreukprocedure in 2015 en de recentste ingebrekestelling van de Commissie van oktober 2024 heeft gewijzigd, blijven de verstrekte toelichtingen onbevredigend. Daarom heeft de Commissie besloten Spanje een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie besluiten de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig te maken.

Aanvullend met redenen omkleed advies

Commissie verzoekt België aan EU-voorschriften inzake beroepskwalificaties te voldoen
De Europese Commissie heeft besloten België een aanvullend met redenen omkleed advies te zenden (INFR(2018)2162) wegens het niet correct invoeren van de richtlijn erkenning beroepskwalificaties (Richtlijn 2005/36/EG) in het nationale recht. De richtlijn bevordert de beroepsmobiliteit en de erkenning van kwalificaties over de grenzen heen. Deze EU-regels spelen een essentiële rol bij de aanpak van het tekort aan geschoolde arbeidskrachten in de EU. Volgens de Commissie legt België buitensporige taalvereisten op aan leerkrachten die in de Franse Gemeenschap willen werken, waardoor de mogelijkheid voor buitenlandse leerkrachten om in België te werken ernstig wordt beperkt. België heeft nu twee maanden de tijd om te reageren op de argumenten van de Commissie; doet het land dat niet, dan kan de Commissie België voor het Hof van Justitie van de Europese Unie dagen.

 

11. Mededinging

(meer informatie: Ricardo Cardoso – tel.: +32 2 298 01 00; Luuk de Klein – tel.: +32 2 299 47 74)

Met redenen omkleed advies

Commissie verzoekt België te voldoen aan verplichtingen krachtens EU-recht over erkenning van scheidsrechterlijke uitspraken tussen staat en investeerders
De Europese Commissie heeft besloten België een met redenen omkleed advies te zenden (INFR(2025)2199) omdat het land zijn verplichtingen uit hoofde van het Unierecht over de erkenning van scheidsrechterlijke uitspraken tussen de staat en investeerders binnen en buiten de EU niet heeft nageleefd. De scheidsrechterlijke uitspraken in kwestie verplichten Spanje om investeerders te compenseren wegens een wijziging van zijn regeling voor hernieuwbare energie. Spanje heeft de scheidsrechterlijke uitspraken in kwestie bij de Commissie gemeld voor de noodzakelijke toetsing aan de EU-staatssteunregels. België heeft de scheidsrechterlijke uitspraken erkend met het oog op de tenuitvoerlegging in België, vóór de beoordeling door de Commissie. Zodoende heeft België een imminent risico gecreëerd dat Spanje gedwongen zou zijn de compensatie te betalen, in weerwil van de standstill-verplichting van artikel 108, lid 3, VWEU en Besluit SA.40348 van de Commissie betreffende de regeling voor hernieuwbare energie. De verzoeken om erkenning vormen een poging om de staatssteunregels te omzeilen. België had zich hiertegen moeten verzetten op grond van het beginsel van loyale samenwerking, zoals vastgelegd in artikel 4, lid 3, VEU, juncto artikel 108, lid 3, VWEU, Besluit SA.40348 en de jurisprudentie van het Hof van Justitie over het scheidsgerecht bij investeringen. De Commissie heeft België in december 2025 een ingebrekestelling gestuurd. In zijn antwoord op de aanmaningsbrief heeft België verschillende toelichtingen verstrekt die niet volstaan om de beoordeling van de Commissie te herzien. Daarom heeft de Commissie besloten België een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie de zaak voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.