Tweede Kamer, 69e vergadering
- Begin10:15
- Sluiting00:00
- StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van Campen
Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:
De voorzitter:
Ik open de vergadering van woensdag 13 mei 2026.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.
Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.
Hamerstuk
Hamerstuk
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Woningwet in verband met het vervangen van de actuele waarde door de beleidswaarde (36886).
Dit wetsvoorstel wordt zonder beraadslaging en, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.
Wet startprocedure b3-scholen en hardvochtigheden vso en pro
Wet startprocedure b3-scholen en hardvochtigheden vso en pro
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van diverse wetten op het terrein van het funderend onderwijs in verband met aanpassing van het toezicht rondom oprichting van bepaalde niet bekostigde scholen en het wegnemen van hardvochtigheden in het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs (Wet startprocedure b3-scholen en hardvochtigheden vso en pro) (36745).
De voorzitter:
Dan is aan de orde de Wet startprocedure b3-scholen en hardvochtigheden vso en pro (36745). Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom in vak K. Van de zijde van de Kamer hebben zich elf sprekers gemeld.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik wil als eerste het woord geven aan mevrouw Moorman, die spreekt namens GroenLinks-PvdA; nog wel.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Als we het vandaag hebben over "pro", hebben we het vooral over praktijkonderwijs, zeg ik om het maar even helder te maken, ook voor alle mensen die meekijken.
Voorzitter. In eerste instantie lijken de drie wetswijzigingen waarover we het vanochtend hebben, weinig met elkaar te maken te hebben, maar ik zie toch een rode lijn in de drie wetsvoorstellen, al moest ik een beetje zoeken, moet ik in alle eerlijkheid zeggen. Ze lijken in eerste instantie misschien een beetje bij elkaar gezocht te zijn, maar er is een rode lijn, namelijk: hoe voorkomen we dat kinderen en jongeren op een spoor belanden dat niet goed is voor henzelf en ook niet voor de samenleving? Denk aan kinderen die op privéscholen komen waar ze geen goed onderwijs krijgen, kinderen van nieuwkomers die niet het onderwijs krijgen dat bij hen past en kinderen op het voortgezet speciaal onderwijs die thuis komen te zitten, omdat ze niet op school mogen blijven omdat ze 20 jaar zijn, maar ook niet naar een vervolgtraject kunnen.
Voorzitter. Ik zeg het maar meteen: elk van de drie voorstellen die nu voorliggen, kunnen we als GroenLinks-PvdA — nog wel — steunen. Sterker nog, ze komen voor een groot deel voort uit voorstellen die wij zelf eerder hebben gedaan, dus we zijn er blij mee dat ze hier nu voorliggen. Het is eerder zo dat we ons afvragen of het allemaal wel ver genoeg gaat. Daarom stel ik toch een aantal vragen naar aanleiding van deze wetsvoorstellen.
Ik begin met het deel van particulier onderwijs. Het wetsvoorstel is bedoeld om te voorkomen dat er scholen zijn waar niet wordt voldaan aan de minimale vereisten voor burgerschap en veiligheid. De regering ziet aanleiding om zich daar zorgen over te maken — een groot deel van de Kamer ook, weet ik; wij zeker ook — mede naar aanleiding van het AIVD-rapport Met de rug naar de samenleving, waarin een fenomeenanalyse wordt gemaakt van de soevereinenbeweging. De fractie van GroenLinks-PvdA deelt deze zorgen en vindt het dus goed dat er een extra drempel wordt opgeworpen voor de stichting van die b3-scholen.
We missen in het wetsvoorstel echter wel actie om iets te doen aan een andere manier waarop kinderen buiten de samenleving worden gehouden, namelijk het thuisonderwijs. Zou er niet ook iets moeten worden gedaan aan de toename van het aantal vrijstellingen onder artikel 5b van de Leerplichtwet? Twee jaar geleden is hier in de Tweede Kamer een motie aangenomen van de leden Westerveld en Kwint om alleen nog maar vrijstelling op basis van lichamelijke en psychische problemen toe te staan. De Kamer heeft dus al gezegd: wij willen geen vrijstelling onder artikel 5b; die zou eigenlijk überhaupt niet moeten plaatsvinden. Maar wat zien we? Er zijn steeds meer vrijstellingen onder 5b. Dat is misschien wel dezelfde beweging die we zien bij het stichten van die b3-scholen. Nog erger, het OM heeft gezegd: we hebben er eigenlijk geen tijd voor, dus we handhaven niet meer op die vrijstelling onder 5b. Ingrado, de branchevereniging van de leerplichtambtenaren, heeft aangegeven dat er geen extra toets meer is voor die vrijstellingen. Die worden nu heel erg makkelijk verstrekt. Het gaat dus precies de verkeerde kant op.
Het staat ook helemaal haaks op wat het wetsvoorstel beoogt. We kunnen scholen waar kinderen verkeerde dingen leren, nu dus beter beperken, maar als we er ondertussen niets aan doen dat kinderen überhaupt niet meer naar school gaan, bijvoorbeeld omdat hun ouders soevereiniteitsgedachten hebben, en thuis verkeerde dingen meekrijgen, is het eigenlijk water naar de zee dragen. Dan is het dus niet de school, maar kunnen kinderen wel gewoon thuisblijven. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus: waarom is er nog geen opvolging gegeven aan de motie van de leden Westerveld en Kwint? Dat is toch al twee jaar, of zelfs drie jaar, geleden. Wat vindt zij ervan dat het OM niet meer handhaaft en dat er zonder extra toets vrijstelling van de leerplicht onder artikel 5b wordt verstrekt? Wat gaat zij doen om de toename van de vrijstellingen onder 5b te keren?
Voorzitter. Dan ga ik terug naar het onderwerp particulier onderwijs. Een van de redenen om deze wetswijziging in te voeren is de groei van het particulier onderwijs. Die is inderdaad vrij fors. We zagen 44 scholen in 2015 en in 2023 was het aantal al opgelopen naar 134. Dat is bijna een verdrievoudiging. Mijn vraag aan de staatssecretaris is wat zij sowieso vindt van die toename van het particulier onderwijs. Wat zijn in haar ogen de oorzaken ervan? We zien de ongelijkheid in de samenleving toenemen. Dat laten rapporten van het SCP zien. We zien dat die ongelijkheid heel vaak is gebaseerd op het schooldiploma. De Onderwijsraad heeft laatst ook weer laten zien dat een mbo'er die start €7 per uur minder verdient dan een leerling met een wo-diploma. Onze samenleving wordt steeds diplomagerichter. Het is dan ook niet gek dat ouders er alles aan doen om hun kinderen de gewenste diploma's te geven.
Als het dan niet lukt in het reguliere systeem, om wat voor reden dan ook, bestaat er dus een bypass om toch uit te komen waar je uit wil komen, maar wel alleen voor degenen die dat kunnen betalen. Dat zien we in een toename van bijlessen. Dat zien we ook in de toename van privéonderwijs. Ik weet niet of u dat weleens heeft gezien, maar als je langs het hockeyveld staat, zie je allemaal advertenties van privéscholen. Die adverteren met leuzen als: op onze school geen lerarentekort. Je moet alleen wel meer dan €20.000 per jaar betalen. Dat leidt natuurlijk tot een hele ongewenste ongelijkheid in de samenleving. Mijn vraag aan de staatssecretaris is wat zij van deze ongelijkheid vindt. Wat vindt zij ervan dat privaat bekostigde scholen schaars onderwijspersoneel wegtrekken van reguliere scholen? Zouden we die concurrentie überhaupt wel moeten willen? Is zij bereid om inzichtelijk te maken wat de verschillen zijn in de arbeidsvoorwaarden in enerzijds het privaat bekostigd onderwijs en anderzijds bij de regulier bekostigde scholen?
Voorzitter. Dan over de twee andere onderwerpen die vandaag op de agenda staan: de directe toelating tot het praktijkonderwijs van leerlingen die van elders komen en de hardheidsclausule voor leerlingen op vso die nog niet kunnen uitstromen naar een arbeidsgericht profiel. Zoals gezegd ben ik het met beide van harte eens. Voor het wegnemen van die hardheden heeft onze fractie zich namelijk zeer sterk gemaakt, eerst voor het in kaart brengen van die hardheden en vervolgens ook voor het wegnemen ervan. Ik heb wel een aantal vragen.
We zien nu al een bovenmatig aantal nieuwkomers in het praktijkonderwijs die daar cognitief eigenlijk niet thuishoren, maar daar zitten omdat ze de taal bijvoorbeeld nog onvoldoende spreken. Gaat deze wetswijziging de toestroom van nieuwkomerskinderen naar praktijkonderwijs niet juist nog verder vergroten? Wat gaat de staatssecretaris eraan doen om te voorkomen dat kinderen van nieuwkomers wel op het juiste niveau terechtkomen? Wij zijn ook hartstochtelijk voorstander van de mogelijkheid om langer aan het onderwijs op het vso deel te nemen, omdat het kan voorkomen dat kinderen thuis komen te zitten omdat ze nog niet klaar zijn voor doorstroom of omdat er nog geen plek is. Dat is dus beter voor leerlingen. Het voorkomt ook veel maatschappelijke kosten. Ik heb wel de vraag waarom het dan alleen maar voor leerlingen geldt met een arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel. Het kan namelijk ook gelden voor leerlingen die een uitstroomprofiel vervolgonderwijs of dagbesteding hebben. Waarom doen we het alleen maar voor de leerlingen met een arbeidsmarktgericht profiel?
De inschatting is dat het maar om vier leerlingen per jaar gaat. Mijn vraag is waar dit op is gebaseerd. Als wethouder kwam ik dit regelmatig tegen bij scholen in het vso. Het was inderdaad een enorme hardheid. Het leidde tot veel verdriet. Als ik in Amsterdam al een aantal leerlingen per jaar zag, dan vraag ik me af of we met vier leerlingen wel een goede inschatting maken, of dat het eigenlijk een hele grote hardheid is die blijft bestaan.
Voorzitter, dat was mijn bijdrage. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Moorman. U heeft nog wel een interruptie van de heer Claassen. Interrupties maximeren we niet, maar u kent het inmiddels: maximaal drie keer en kort en bondig.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Begin vorige eeuw is artikel 23 ingevoerd. Daarbij hebben we gezegd: we hebben er vertrouwen in dat gefinancierd onderwijs en bijzonder onderwijs samen kunnen bestaan. Daar zijn allemaal regels en wetten voor gemaakt. We zien toch een enorme secularisatie, ook binnen het openbaar onderwijs. Wij vinden het systeem wat betreft islamitisch onderwijs wat onhandig. Nu hebben we de b3-wetten, waarover de Raad van State zegt: er zijn eigenlijk geen incidenten te noemen waar die wet een oplossing voor is. Is GroenLinks-Partij van de Arbeid ervan overtuigd dat deze wet wel een bijdrage gaat leveren aan de oplossing van het probleem dat wordt voorgesteld?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Wij vinden segregatie in de samenleving een groot probleem. Segregatie loopt overigens via heel veel verschillende factoren en zeker niet alleen maar op basis van denominatie. We zien namelijk op islamitische scholen nog wel het kind van de slager naast het kind van de bankdirecteur zitten. We zien vaak juist segregatie op basis van sociaal-economische lijnen. Dat is precies het punt dat ik hier probeerde te maken. Als privéscholen, privaat bekostigde scholen, een soort bypass op het systeem zijn om bijvoorbeeld te voorkomen dat jouw kind geen last heeft van het lerarentekort en jij meer dan €20.000 per jaar kan betalen, dan is het net zozeer een ongewenste segregatie waar we iets aan zouden moeten doen. Dat begint natuurlijk bij het investeren in regulier onderwijs.
Ik vind het verstandig dat de regering nu de maatregel neemt om te kijken of b3-scholen die worden opgericht eigenlijk wel voldoen aan de basisvereisten van ons onderwijs. Uiteindelijk moet het er niet alleen om gaan dat het niet publiek maar privaat bekostigd is, maar moet het ook om het belang van het kind gaan. Ik vind het dus heel verstandig dat deze stap genomen wordt. Gaat dit de problemen van segregatie dan voldoende tegen? Ik denk dat het antwoord op die vraag nee is. We zien namelijk dat met de toename van het aantal privaat bekostigde scholen de toename van het aantal scholen met bijzonder onderwijs niet is gestopt. Sterker nog, dat aantal neemt ook toe. Bovendien zien we de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen. Daar heeft de Kamer zich natuurlijk ook al regelmatig over uitgesproken. Overigens heb ik daarover een aantal goede vragen aan de staatssecretaris. Hoe staat het ermee? Hoe staat het met de evaluatie.? Moeten we nu echt niet maatregelen nemen? We zien namelijk dat de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen ook meer ruimte heeft gegeven voor andere scholen. Dat staat overigens ook in de memorie van toelichting. Daarin lezen we ook dat een van de redenen om deze stap nu te nemen was dat er soms ook in het regulier bekostigde bijzonder onderwijs wel degelijk problemen ontstaan met de kwaliteit van het onderwijs. Dat heeft er wel degelijk mee te maken. Dat was een uitgebreid antwoord.
De voorzitter:
Het mag iets beknopter. Dat geldt niet alleen voor de vragen, maar ook voor de antwoorden.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ja, maar het is handig dat ik allemaal dingen die ik niet kon zeggen in mijn bijdrage nu toch kwijt kan, voorzitter.
De voorzitter:
Dat doet u heel handig, maar ik zie het allemaal.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik weet niet of dat zo handig is, want ik snap er helemaal niks van. Mijn vraag was of deze wet bijdraagt aan een oplossing. Als ik het hele verhaal over weet ik het wat allemaal samenvat, zou het antwoord zijn: nee. Klopt dat?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat deze wet eraan bijdraagt dat er een drempel wordt opgeworpen om b3-scholen op te richten die niet goed zijn en niet in het belang zijn van de kinderen en onze samenleving. Is het voldoende? Nee, zeker niet. Ik heb daarover namelijk al gezegd dat we water naar de zee dragen als we niks doen aan bijvoorbeeld het feit dat er thuisonderwijs gegeven kan worden, waarmee kinderen ook niet beschermd worden tegen dit soort ideeën.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Precies. Bij alle andere vormen van onderwijs wordt er aan de voorkant een check gedaan en dan moet er gehandhaafd worden. Dat gaat ook niet altijd goed. Als we aan de voorkant meten, dan zien we enorme problematiek. Nu gaan we bij b3-scholen hetzelfde doen, dus dan gaat er hetzelfde gebeuren. Het gaat dus niks oplossen. Ik hoop dat GroenLinks-Partij van de Arbeid dat met ons eens is.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dit is volgens mij precies waar ik mijn bijdrage mee startte. Het is goed dat deze stap wordt genomen, maar van ons mag het verder gaan. Dat lijkt mij vanaf het moment dat ik begon te spreken helder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik sta met licht ongemak bij dit debat, want we hebben heel veel uitdagingen in het onderwijs. De kwaliteit holt achteruit. Goed lezen en rekenen is niet meer vanzelfsprekend. En wat doen we hier vandaag, in mei 2026? We hebben een wetsvoorstel waarvan ik me afvraag wat de toegevoegde waarde is. Volgens mij moeten we geen wetten maken die helemaal geen gewenst effect hebben. Bij het doorlezen van deze wet kwam bij mij een fundamentele vraag op: wat voegt dit toe? Hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik dacht: ik kan gewoon niet integer tot een volleerd antwoord komen dat dit iets bijdraagt.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zou ook aan de partij PRO willen vragen: klopt het dat wij nu een wet gaan maken waarbij er geen indicaties zijn dat er zaken misgaan als we die niet hebben? Dan komt de vraag: moeten wij als medewetgever daar niet wat kritischer naar kijken als we regelgeving gaan toevoegen die niets oplevert, of tenminste niet het gewenste effect dat we allemaal willen?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Hier geldt eigenlijk hetzelfde antwoord. Gaat het ver genoeg? Nee, ik denk het niet. Maar ik denk dat we ons zorgen moeten maken over elk kind dat buiten de samenleving wordt geplaatst, al is het er maar één. We zien inderdaad een toename van tendensen, zoals ook in het AIVD-rapport staat, waar we ons best zorgen over mogen maken. Dan is het best vreemd dat je zomaar een school mag starten in Nederland en er helemaal geen vereisten aan worden gesteld als je die privaat bekostigt, en dat we pas daarna gaan toetsen. Dat de wetgever zegt "we willen al aan de voorkant weten of het wel veilig is en of er ook wordt voldaan aan de burgerschapseisen", vind ik een goede stap. Die hadden we al veel eerder moeten zetten. Dat hadden we allang in de wet moeten zetten. Maar het feit dat er nog steeds, en in toenemende mate, kinderen thuis worden gehouden onder bijvoorbeeld artikel 5b van de Leerplichtwet, vind ik echt zorgelijk. Natuurlijk, we hebben een systeem in Nederland waarin ouders zelf enorme keuzevrijheid hebben, de meeste keuzevrijheid van de wereld, maar die keuzevrijheid mag er niet toe leiden dat kinderen ongewenste ideeën krijgen, waardoor ze zich van de samenleving afkeren. Dat is volgens mij waar we het hier met elkaar over hebben vandaag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Maar mijn collega van PRO draait, want de AIVD heeft het niet over privéscholen. Thuisonderwijs heeft niets te maken met b3-scholen. Alle voorbeelden die net genoemd zijn, hebben niets te maken met het wetsvoorstel. Dan kom ik terug tot de kern van de vraag. Volgens mij zijn er nul voorbeelden. Ook ik heb opvattingen over privéscholen, hoor; die zal ik zo delen. Maar ik voel hier ongemak, omdat er nul voorbeelden zijn dat er een probleem is, er heel veel voorbeelden zijn dat er heel veel problemen in het onderwijs zijn, en we dit wetsvoorstel hier vandaag behandelen, terwijl mevrouw Moorman in mijn tweede interruptie en ook richting de heer Claassen, net zoals ik niet kan aangeven wat dit bijdraagt aan de oplossing, waarvoor misschien wel een meerderheid in de Kamer is. Mijn vraag is of die conclusie in ieder geval klopt. Ik zeg niet dat u dan tegen de wet moet zijn, maar voelt u het ongemak dat we hier deze ochtend een debat voeren terwijl we het eigenlijk over veel ingrijpendere en indringendere zaken zouden moeten hebben?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik voel eigenlijk veel meer ongemak bij het feit dat dit niet in eerste instantie altijd al in de wet heeft gestaan. Het is heel raar dat je gewoon een school mag oprichten en dat een school pas gesloten kan worden als de onderwijsinspectie achteraf constateert dat er allemaal dingen niet deugen, terwijl een kind daar dan inmiddels al zeker een jaar op heeft gezeten, en misschien nog wel veel langer als er ook nog hoger beroep is ingesteld. Dat moeten we volgens mij gewoon niet willen. Het gaat eigenlijk over: willen wij als overheid grip hebben op het feit dat onderwijs voldoet aan de normen die wij met z'n allen hebben gesteld? Mijn antwoord daarop is ja. In die zin vind ik het dus heel erg logisch. Ik zou het veel pijnlijker vinden als we straks wel een heel duidelijk voorbeeld hebben … Overigens worden er in de memorie van toelichting wel wat voorbeelden genoemd, maar ik laat het aan de staatssecretaris om daarop in te gaan. Ik wil niet dat wij straks hier in de Kamer met elkaar spreken over een school die eigenlijk nooit opgericht had moeten worden. Dan zijn hier de rapen gaar, denk ik. Dan zeggen wij met z'n allen: waarom hadden we dat van tevoren niet geregeld? Waarom was er niet al van tevoren inspectie? Ik weet zeker dat er hier dan meteen een voorstel zou liggen om dat wel te doen. Ik denk dus dat het een verstandige stap is.