Tweede Kamer, 80e vergadering

  • Begin10:15
  • Sluiting00:00
  • StatusOngecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Van der Lee

Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:

De voorzitter:

Ik open de vergadering van woensdag 10 juni 2026.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Discriminatie, racisme en mensenrechten

Discriminatie, racisme en mensenrechten

Aan de orde is het tweeminutendebat Discriminatie, racisme en mensenrechten (CD d.d. 21/05).

De voorzitter:

Aan de orde is het tweeminutendebat Discriminatie, racisme en mensenrechten. Daarvoor heet ik de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van harte welkom, evenals de leden, de mensen op de publieke tribune en iedereen die dit debat op afstand volgt. Het is een tweeminutendebat met één termijn van de zijde van de Kamer. Daarvoor hebben zich elf leden ingeschreven.

Als eerste ga ik het woord geven aan het lid Bamenga. Hij voert het woord namens de fractie van D66. Gaat uw gang.

De heer Bamenga (D66):

Dank u wel, voorzitter. In Wijdenes is vorige week een restaurant in vlammen opgegaan. Op de muren stonden discriminerende teksten geschreven, die ik hier niet zal herhalen. Een walgelijke actie, waar de politie gelukkig bovenop zit, maar helaas ook een actie die in een patroon past van discriminerende incidenten. Juist nu is het belangrijk om als overheid het goede voorbeeld te geven. Ik hoop dat we snel een uitgebreid debat kunnen voeren over de stevige aanbevelingen van de staatscommissie.

Over één aanbeveling heb ik alvast een motie. Juist omdat de discriminatietoets voorlopig niet verplicht is, wil ik de minister extra aansporen om serieus werk te maken van dit instrument.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering heeft besloten het gebruik van de discriminatietoets vrijwillig te laten en een projectteam aanstelt om het gebruik hiervan te stimuleren;

overwegende dat de aangenomen motie-Van Nispen c.s. (30950, nr. 439) de regering reeds heeft verzocht ervoor te zorgen dat de toets door publieke dienstverleners zal worden gebruikt;

van mening dat de discriminatietoets een waardevol instrument is tegen institutionele discriminatie en daarom zo breed mogelijk dient te worden toegepast;

verzoekt de regering om bij het onder de aandacht brengen van de discriminatietoets bij overheidsorganisaties die deze nog niet gebruiken, met uitzondering van organisaties die een eigen, kwalitatief vergelijkbaar instrument hanteren, te streven naar toepassing door zo veel mogelijk tot alle organisaties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Verkuijlen, Tseggai, Ceder en Van Baarle.

Zij krijgt nr. 548 (30950).

De heer Bamenga (D66):

Dan de volgende motie over Ketikoti.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de provincies Zeeland, Drenthe, Groningen, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht hebben besloten jaarlijks ter gelegenheid van Ketikoti de vlag te hijsen;

overwegende dat de herdenking van het slavernijverleden en de viering van Ketikoti voor veel Nederlanders een belangrijk moment is;

verzoekt de regering de mogelijkheden te onderzoeken voor een aanpassing van de vlaginstructie uit 2013 voor rijksgebouwen om daar de Herdenking Slavernijverleden / Ketikoti in op te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Ceder en Van Baarle.

Zij krijgt nr. 549 (30950).

De heer Bamenga (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Baarle. Hij voert het woord namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.

De heer Van Baarle (DENK):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding, ook wel bekend als het boerkaverbod, in te trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 550 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de meest recente discriminatiecijfers blijkt dat het aantal meldingen van discriminatie bij zowel de politie als de antidiscriminatievoorzieningen aanzienlijk is toegenomen;

overwegende dat de aanpak van discriminatie en racisme vraagt om structurele inzet, continuïteit en voldoende middelen;

verzoekt de regering zich ervoor in te zetten om het antidiscriminatiebeleid, waaronder het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme, de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en de ondersteuning van antidiscriminatievoorzieningen, uit te zonderen van eventuele rijksbrede bezuinigingen, taakstellingen of ombuigingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 551 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Nationale Herdenking Slavernijverleden tijdens Ketikoti op 1 juli van groot belang is voor veel mensen in Suriname, de Caribische delen van het Koninkrijk en Europees Nederland;

overwegende dat 1 juli wel wordt erkend als nationale herdenkingsdag, maar nog geen nationale feestdag is;

verzoekt de regering om in overleg met sociale partners en nazaten van tot slaaf gemaakten tot een concreet voorstel te komen om van 1 juli, Ketikoti, een nationale feestdag te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 552 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om een gericht nationaal plan tegen moslimhaat op te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 553 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de VNG waarschuwt dat het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie onvoldoende recht doet aan de rol van gemeenten;

verzoekt de regering de rol van gemeenten in de aanpak van discriminatie wettelijk te verankeren door lokaal antidiscriminatiebeleid verplicht te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 554 (30950).

De heer Van Baarle (DENK):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme adviseert om de Discriminatietoets Beleidsprocessen en de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening in te voeren voor de gehele publieke sector;

verzoekt de regering om het periodiek doorlopen van de Discriminatietoets Beleidsprocessen en de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening verplicht te stellen voor de publieke sector,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 555 (30950).

De heer Van Baarle (DENK):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u. Ik weet niet of het een record is, zeven moties in twee minuten, maar het zal in de buurt komen. Dan geef ik het woord aan mevrouw Beckerman. Zij voert het woord namens de fractie van de Socialistische Partij.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter. Dat was een knappe prestatie, maar ik heb niet helemaal goed kunnen luisteren. Ik hoop dat ik niet een motie heb die dubbel is, maar we gaan het zien, en anders lossen we dat op.

Voorzitter. Overheden gebruiken steeds vaker algoritmes en data om burgers en risicogroepen in te delen, bijvoorbeeld bij toeslagen, DUO-controles of politieonderzoeken. Dit kan verregaande consequentie hebben voor mensen die onterecht als risico of zelfs als fraudeur uit het systeem rollen. We hebben ook voorbeelden genoemd in het debat. Meer dan 50 algoritmes van de Belastingdienst bleken discriminerend en in strijd met de wet, bijvoorbeeld. Maar we hebben er meer gezien, ook bij DUO. De overheid presenteert profilering heel vaak als een soort technische keuze, maar de commissie zegt dat het eigenlijk een politieke en normatieve keuze is, die raakt aan grondrechten en democratie. Daarom zegt de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme nu dat we moeten stoppen met lopende toepassingen van datagedreven profilering en de verdere inzet moeten beperken, zolang de overheid niet kan garanderen dat deze systemen eerlijk zijn en geen mensenrechten schenden. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat datagedreven profilering schade kan veroorzaken, met name waar het gaat om de gelijkheid en gelijkwaardigheid van (groepen) burgers;

overwegende dat profilering weliswaar aan kaders en beperkingen is gebonden, maar dat deze in de praktijk vaak onvoldoende tegenwicht bieden;

verzoekt de regering uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme in het rapport Principes voor profilering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 556 (30950).

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we door naar het lid Ceder. Hij voert het woord namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. We staan er dit jaar bij stil dat het 75 jaar geleden is sinds de eerste Molukse KNIL-militairen naar Nederland zijn gekomen. Dat is, denk ik, ook een goed moment — dat vindt een groot deel van de Kamer ook — om met elkaar te verkennen wat dat betekent, niet alleen in het verleden, maar ook vandaag de dag nog. We weten dat er een eerste generatie is van mensen die toentertijd zijn overgekomen, maar dat het er elk jaar steeds minder worden. Het is daarom goed om daar een stap in te zetten als overheid. De afgelopen weken heb ik, maar ook vele anderen, gesprekken gevoerd met de Molukse gemeenschappen om te kijken wat een eerste stap daarin zou kunnen zijn. Vandaar de volgende motie, waarvan ik ook hoop dat we kunnen bouwen aan die gedeelde toekomst met elkaar.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het in 2026 75 jaar geleden is dat de eerste Molukse KNIL-militairen onder erbarmelijke omstandigheden in Nederland kwamen;

overwegende dat er van de eerste generatie Molukkers in Nederland steeds minder mensen in leven zijn, maar dat de Molukse gemeenschap met meer dan 75.000 burgers een belangrijk onderdeel is van de Nederlandse samenleving;

overwegende dat er herhaalde oproepen zijn geweest uit de maatschappij om recht te doen aan deze groep, zoals de breed ondertekende brief van burgemeesters uit 2021, de brief van oud-premier Van Agt aan de koning en brieven van de Molukse gemeenschap zelf;

overwegende dat er meerdere initiatieven in de Kamer lopen (zoals het aangekondigde rondetafelgesprek van de commissie voor VWS) om de situatie rond de Molukse gemeenschap bespreekbaar te maken;

overwegende dat historisch en cultuurwetenschappelijk onderzoek inzichtelijk kan maken wat zich sinds de koloniale betrokkenheid en het dekolonisatieproces heeft afgespeeld, welke doorwerking dit voor de Molukse gemeenschap tot op de dag van vandaag heeft en welke rol de Nederlandse Staat hierin heeft gespeeld;

verzoekt de regering:

een onafhankelijk onderzoek te doen naar het verleden, de komst en het 75-jarig verblijf van de Molukkers in Nederland en de doorwerking van deze geschiedenis naar het heden, en de uitkomsten daarvan uiterlijk in het eerste kwartaal van 2027 te presenteren met als uiteindelijk doel te komen tot een proces van erkenning en een passend gebaar dat recht doet aan de gemeenschap en de gemeenschap versterkt;

een consultatietraject in te gaan en in gesprek te gaan met de Molukse gemeenschap in al haar diversiteit, en hierbij lopende initiatieven van de Kamer te betrekken;

een verkenning te initiëren voor een nationale agenda over hoe op gepaste wijze recht kan worden gedaan aan de Molukse gemeenschap, en de resultaten hiervan in het tweede kwartaal van 2027 aan de Kamer te presenteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Vliegenthart, Bamenga, Tijs van den Brink, Dassen, Markuszower, Van der Plas, Nanninga, Struijs, Van Baarle, Jimmy Dijk, Teunissen, Diederik van Dijk en Verkuijlen.

Zij krijgt nr. 557 (30950).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

De heer Verkuijlen heeft een interruptie, terwijl hij al heeft meegetekend, maar gaat uw gang.

De heer Verkuijlen (VVD):

Ik heb even behoefte aan enige verduidelijking van de heer Ceder. We hebben de motie gesteund omdat de manier waarop de KNIL-militairen na de Tweede Wereldoorlog in Nederland zijn opgevangen, echt diepe sporen in die gemeenschap heeft nagelaten. Er zit echter ook een donkere bladzijde in de Molukse geschiedenis hier in Nederland die diepe sporen heeft getrokken in de Nederlandse samenleving en waar ook getraumatiseerde slachtoffers van zijn. Ik ben benieuwd of de heer Ceder deze bladzijde ook wil meenemen in dat onafhankelijke onderzoek dat hij voorstelt.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat is een goede vraag. Wat mij betreft nemen we alle bladzijdes mee. Ik denk dat het belangrijk is om een zo neutraal mogelijk historisch verhaal neer te leggen. Voor sommigen zal dat betekenen dat je ook kijkt naar de situatie voordat de eerste KNIL-militairen aankwamen, om de situatie daarna te begrijpen. Maar u heeft gelijk; wat mij betreft bestaan er geen taboes. Dit is voor mij een eerste stap naar het met elkaar bespreekbaar maken hiervan. Ik hoop dat het in ieder geval leidt tot verkennende gesprekken met elkaar. Uiteindelijk hoop ik dat, daar waar we met elkaar vinden dat je ook recht moet doen aan het verleden, aan welke kant dan ook, we dat met elkaar ook doen. Wat mij betreft is dat er dus natuurlijk ook een onderdeel van.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik sta niet onder die motie, en dat is omdat ik mij zorgen maak over de uiteindelijke uitkomst hiervan, namelijk dat we moeten of willen overgaan tot individuele financiële compensatie. We weten vanuit allerlei andere compensatietrajecten hoe ongelofelijk ingewikkeld dat is, omdat de overheid zich altijd heeft te houden aan het gelijkheidsbeginsel en andere juridische voorwaarden, en je dan uiteindelijk terecht kunt komen in grote teleurstelling van mensen in de overheid. Is het de bedoeling van de heer Ceder om uiteindelijk uit te komen in een individueel financieel compensatietraject?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mevrouw Keijzer heeft gelijk dat we teleurstelling moeten voorkomen. Wat ik vraag — dat kunt u in de motie zien — is om een eerste stap te maken, wetende dat er wel degelijk losse eindjes zijn. Dat speelt op verschillende vlakken. Je hebt vandaag de dag nog steeds de Molukse wijken waar best nog wel wat uitdagingen zijn. Wat betreft het eerherstel voor de KNIL-militairen: dat zijn nog lopende zaken, daar zitten losse eindjes. Hoe we ook naar de situatie kijken, dat moeten we gewoon met elkaar constateren. Ik wil niet vooruitlopen op de situatie, omdat ik niet denk dat dat aan ons is en ik ook niet denk dat je dat als Kamer alleen moet doen; je moet het gesprek met elkaar aangaan. Ik heb het ook gekoppeld aan een historisch onderzoek, waardoor we ook echt wel zullen weten waar we het over hebben met elkaar. Dit is niet bedoeld om ergens op vooruit te lopen, maar wel om een beginstap te maken in het voeren van dat gesprek met elkaar. Ik denk dat dat heel waardevol is. Ik heb in mijn motie ook aangegeven dat het kabinet uiterlijk volgend jaar moet komen met wat ze hebben opgehaald. Het is uiteraard zo dat wij daar als Kamer bij betrokken zullen zijn, ook over wat dat dan betekent. Ik ben het echter met u eens dat wij geen georganiseerde teleurstelling met elkaar moeten creëren. Dat is geenszins mijn bedoeling. Ik hoop juist vanaf deze plek een beweging te maken die we de afgelopen decennia nog niet hebben kunnen maken. Ik proef dat daar nu wel momentum voor is en ik voel me hierin gesteund door een meerderheid van de Kamer. Ik hoop ook op steun van mevrouw Keijzer bij de stemmingen.

De voorzitter:

Nogmaals dank voor uw bijdrage. We gaan nu door naar de heer Schenk, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie.

De heer Schenk (FVD):

Dank, voorzitter. Een week of twee, drie geleden spraken wij in het commissiedebat over dit onderwerp. Ik heb toen stilgestaan bij de meest gebagatelliseerde en minst erkende vorm van racisme in Nederland, namelijk antiblank racisme. Het ging over kleurenquota die gewild zijn door ambtenaren op ministeries, over de waardering voor de inzet van Kick Out Zwarte Piet en Black Lives Matter, over het vieren van Diversity Day en, nog ernstiger, het werving-en-selectiebeleid van de overheid, waarbij actief ingezet wordt op de vertegenwoordiging van minderheden. In feite komt het erop neer dat je, wanneer je een blanke Hollander bent, niet wordt aangenomen terwijl je wel perfecte startkwalificaties hebt.

Gisteren hebben we het eindrapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme gezien. Ik vind het bizar wat daarin staat. In feite wordt meer racisme richting blanke Nederlanders voorgesteld. Al het beleid dat ik net noemde, moet worden geïntensiveerd. Het gaat alle schaamte voorbij dat met Nederlands belastinggeld wordt gewerkt aan zulk links broddelwerk. Blanke Nederlanders betalen in dit land voor hun eigen vernedering. Dat maakt deze motie enorm nodig.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat binnen de Rijksoverheid beleid wordt gevoerd gericht op het vergroten van de vertegenwoordiging van specifieke groepen op basis van afkomst, huidskleur, geslacht of andere identiteitskenmerken;

overwegende dat functies binnen de overheid uitsluitend op basis van kwaliteit, geschiktheid en vakbekwaamheid behoren te worden vervuld;

overwegende dat de overheid het goede voorbeeld dient te geven door iedere sollicitant gelijk te behandelen;

verzoekt de regering bij werving en selectie binnen de Rijksoverheid afkomst, huidskleur, geslacht en andere identiteitskenmerken geen rol te laten spelen en uitsluitend te selecteren op kwaliteit, geschiktheid en vakbekwaamheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Schenk.

Zij krijgt nr. 558 (30950).

De heer Schenk (FVD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng. Een ogenblik. U heeft nog een interruptie van de heer Clemminck.

De heer Clemminck (JA21):

Ik denk dat ik met de heer Schenk deel dat wij ook tegen positieve discriminatie zijn. Degene die het beste gekwalificeerd is, moet bijvoorbeeld bij een sollicitatie de baan krijgen. Is de heer Schenk het met mij eens dat dat in theorie ook kan betekenen dat er misschien tien mensen van kleur in een bepaald team terechtkomen, omdat dat dat uiteindelijk de tien beste mensen waren?

De heer Schenk (FVD):

Vanzelfsprekend. Dat is volgens mij ook precies waar mijn motie toe oproept, namelijk om te selecteren op vakbekwaamheid en geschiktheid. Wij willen juist niet kijken naar welke kleur iemand heeft, maar iedereen gelijk behandelen. Dat is wat er nu juist niet gebeurt in het werving- en selectiebeleid van de Rijksoverheid. Ik probeer dat hier dus recht te zetten.

De voorzitter:

Nogmaals dank voor uw inbreng. Meneer Clemminck, u bent aan de beurt. U gaat spreken namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.

De heer Clemminck (JA21):

Voorzitter, dank u wel. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland al beschikt over wetgeving, meldpunten, toezichthouders en bewindspersonen om discriminatie tegen te gaan;

verzoekt de regering de functie en het bureau van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme op te heffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 559 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit verschillende onderzoeken, zoals de global antisemitism survey van de Anti-Defamation League en het Pew Global Attitudes Project van het Pew Research Center, blijkt dat antisemitisme in islamitische landen veel vaker voorkomt dan in onze eigen regio;

constaterende dat daderstudies en politiestatistieken uit binnen- en buitenland aantonen dat jongeren met een islamitische achtergrond oververtegenwoordigd zijn bij fysiek straatgeweld tegen lhbtiq+-personen;

overwegende dat het voor het bestrijden van Jodenhaat en intolerantie ten opzichte van lhbtiq+-personen van belang is om te weten wat precies de oorzaak is van deze problemen, zodat ze beter kunnen worden geadresseerd;

verzoekt de regering onderzoek te laten doen naar de opvattingen, houdingen en gedragingen van Nederlanders ten aanzien van Joden en lhbtiq+-personen, uitgesplitst naar religieuze en culturele achtergronden, zodat een vergelijking mogelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 560 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme een nationale aanpak moslimdiscriminatie heeft aangekondigd en daarvoor een programmaleider wil aanstellen;

overwegende dat discriminatie van moslims, waar die plaatsvindt, onaanvaardbaar is en binnen de bestaande rechtsstaat moet worden bestreden;

overwegende dat het optuigen van een afzonderlijke nationale aanpak voor één specifieke groep echter vraagt om een duidelijke probleemanalyse, een toets op proportionaliteit, een financiële onderbouwing en meetbare doelstellingen;

overwegende dat bestaande instrumenten, zoals antidiscriminatievoorzieningen, politie, Openbaar Ministerie, onderwijsinspectie en regulier antidiscriminatiebeleid, reeds mogelijkheden bieden om discriminatie te melden, te onderzoeken en aan te pakken;

verzoekt de regering de Kamer, voordat er verder uitvoering wordt gegeven aan de nationale aanpak moslimdiscriminatie, een onderbouwing te sturen waarin ten minste wordt ingegaan op:

1. de aard, omvang en ontwikkeling van moslimdiscriminatie in Nederland;

2. de mate waarin sprake is van een probleem dat niet via bestaande instrumenten kan worden aangepakt;

3. de verhouding tot bestaand antidiscriminatiebeleid;

4. de kosten, personele inzet en looptijd van de aanpak;

5. de concrete doelstellingen en meetbare indicatoren;

6. de wijze waarop de aanpak wordt geëvalueerd;

verzoekt de regering de verdere uitvoering van de nationale aanpak moslimdiscriminatie aan te houden, de Kamer over deze onderbouwing te informeren en hierover te debatteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Clemminck en Keijzer.

Zij krijgt nr. 561 (30950).

De heer Clemminck (JA21):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Keijzer wil nog een interruptie plaatsen.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik heb als eenpitter maar 1 minuut en 20 seconden spreektijd. Mag ik onder deze motie? Ik vind 'm fantastisch.

De heer Clemminck (JA21):

Zeer welkom.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Die wil ik medeondertekenen. Dank u.

De voorzitter:

Dan zullen we uw naam toevoegen. Op mijn lijstje heeft u anderhalve minuut, mevrouw Keijzer. We gaan nu luisteren naar mevrouw Tseggai. Zij heeft het genoegen om als eerste formeel in de Tweede Kamer te spreken namens de fractie PRO. Dat staat voor Progressief Nederland. Gaat uw gang.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Wat een eer, voorzitter. Nu moet ik er wel op oefenen dat ik na dertien jaar PvdA gezegd te hebben, waarvan de laatste tweeënhalf jaar GroenLinks-PvdA, namens de fractie van Progressief Nederland spreek.

Voorzitter. Ik heb een paar weken geleden, toen we het debat over discriminatie hadden, al mijn ongenoegen geuit over het feit dat er maar liefst vijf bewindspersonen betrokken zijn bij de aanpak van discriminatie en racisme en dat wij ook een tweede bewindspersoon hadden uitgenodigd voor het debat, namelijk de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor arbeidsmarktdiscriminatie, maar dat die er niet bij was. Dit is een terugkerend probleem. De staatscommissie heeft eergisteren in haar rapport ook te kennen gegeven dat het goed zou zijn als er een centrale coördinatie en aanpak is van discriminatie en racisme. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat volgens de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme in Nederland sprake is van diepgewortelde en structurele discriminatie en racisme;

van mening dat de aanpak van discriminatie en racisme snel fundamentele verbetering behoeft en dat de door de staatscommissie voorgestelde actieagenda daarbij goede diensten kan bewijzen;

constaterende dat de verantwoordelijkheid voor de aanpak van discriminatie en racisme over vijf ministeries is verdeeld en dat daardoor de slagkracht versnippert;

verzoekt de regering om het advies van de staatscommissie te volgen en te voorzien in de borging van een duurzame aanpak van discriminatie door de centrale regie, coördinatie en actie te versterken, bijvoorbeeld door dit bij de minister-president, de minister van Algemene Zaken, te beleggen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.

Zij krijgt nr. 562 (30950).

Mevrouw Tseggai (PRO):

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar de heer Van den Brink. Hij voert het woord namens de CDA-fractie. Gaat uw gang.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik ben tevreden met de beantwoording van de minister in het commissiedebat. Ik heb daarom geen motie, maar wel een korte inbreng.

Als christendemocraten geloven wij dat alle mensen uniek, relationeel en gelijkwaardig zijn, en ook als gelijkwaardig moeten worden behandeld. De overheid dient in te grijpen als er gediscrimineerd wordt, maar het bestrijden van discriminatie is niet een taak van de overheid alleen. Minstens zo belangrijk is hoe wij als samenleving daarmee en met elkaar omgaan. Wij moeten elkaar aanspreken en bevragen.

Voorzitter. We moeten ook eerlijk zijn: niet alles wat discriminatie lijkt, is ook discriminatie. Kritiek op ideeën en religiekritiek is toegestaan in ons land. Dat moet zo blijven. Dat is niet altijd leuk, maar dat hoort bij een vrije en open samenleving. De rechtsstaat beschermt mensen tegen discriminatie, maar die beschermt ideeën en religies niet tegen kritiek. Ik roep het kabinet op om dat scherp in het oog te houden bij het ontwikkelen van beleid tegen discriminatie.

Tot slot. Collega Ceder heeft in zijn bijdrage gesproken over de Molukse gemeenschap. Die gemeenschap verdient een proces dat leidt tot erkenning en een passend gebaar dat recht doet aan de gemeenschap en de gemeenschap versterkt. Daarom heeft de CDA-fractie de motie van meneer Ceder medeondertekend.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Ik had toch gehoopt — dat hoopte ik de vorige keer bij het commissiedebat al — op iets meer reflectie van het CDA op het probleem van discriminatie en racisme, bijvoorbeeld ook op hoe het is beschreven door de staatscommissie. Ik vraag me daarom af hoe het CDA reflecteert op dat rapport van de staatscommissie.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Volgens mij hebben we gisteren besloten dat daar een apart debat over komt. Dan gaan we het daar grondig over hebben.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Dat snap ik, maar ik sla er even op aan omdat de heer Van den Brink stelt dat niet alles door de overheid opgelost hoeft te worden en dat dat ook door de samenleving kan gebeuren. Daar ben ik het mee eens. Wij bespreken hier hoe hard je mag rijden in Nederland, maar we moeten ons met z'n allen aan de maximumsnelheid houden. Maar dat betekent dan toch niet dat het CDA geen ideeën heeft over de verkeersveiligheid? Daarom had ik gehoopt dat het CDA zelf ook ideeën zou hebben bij de aanpak van discriminatie en racisme.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Daar hebben we het in het debat inderdaad over gehad. Toen heb ik verwezen naar het regeerakkoord, waarin we afspraken gemaakt hebben over de bestrijding van discriminatie, en toen heb ik aangegeven dat wij die afspraken van harte ondersteunen.

De voorzitter:

U heeft twee interrupties gehad, mevrouw Tseggai. Er komt een apart debat. Dank voor uw inbreng, meneer Van den Brink. We gaan door met de heer Verkuijlen. Hij voert het woord namens de VVD-fractie. Gaat uw gang.

De heer Verkuijlen (VVD):

Voorzitter, aangezien u net mevrouw Tseggai feliciteerde, moet ik u ook feliciteren, want u zit als eerste voor namens PRO hier in de plenaire zaal. Felicitaties daarmee.

De voorzitter:

De voorzitter is neutraal. Die hoort niet bij een fractie.

De heer Verkuijlen (VVD):

Ik weet het, maar toch. Gisteren heeft de staatscommissie — dat is hier al aan de orde geweest — geconstateerd dat discriminatie door de overheid actief aangepakt moet worden. Dat is ook de reden geweest waarom wij de motie van de heer Bamenga mede ingediend hebben. Maar ik vraag hier ook vandaag even aandacht voor een ander perspectief. Dat heb ik ook in het debat gedaan. Het Openbaar Ministerie constateert dat in 2025 645 discriminatiefeiten zich afspeelden tijdens werk of gezagsuitoefening. Daarvan waren er 568 gericht op personen met een publieke functie. Het gaat hierbij om ambtenaren. Zij zijn onderdeel van de overheid. Ik wil graag van de minister weten hoe hij daarop reflecteert en welke acties hij voornemens is daarop te nemen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we naar de heer Flach, die het woord voert namens de fractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij, ook wel bekend als de SGP, een partij die inmiddels meer dan 108 jaar bestaat. Gaat uw gang.

De heer Flach (SGP):

We kijken terug op een debat dat stevig was en waarin we behoorlijk botsten met verschillende opvattingen. Daar zijn die debatten ook voor. Ik heb in dat debat aandacht gevraagd voor het doorslaan van het begrip "discriminatie" en het waarnemen van discriminatie achter iedere struik. Dat kan ook leiden tot inflatie van dat begrip. Ook heb ik aandacht gevraagd voor de verwarring tussen begrippen en heb ik opgeroepen om het woord "islamofobie" niet meer te gebruiken, omdat dat samenhangt met kritiek op een religie en dat zou gewoon moeten kunnen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Verenigde Naties in 2022 door middel van een resolutie een internationale dag voor de bestrijding van islamofobie hebben uitgeroepen;

overwegende dat deze resolutie onderkent dat er ook sprake is van discriminatie en geweld tegen Joden en christenen en dat de EU bezwaar heeft gemaakt tegen de exclusieve aandacht voor de islam;

voorts overwegende dat het woord "islamofobie" ten onrechte kritiek op de islam en discriminatie van moslims verwart en islamkritiek op voorhand in een kwaad daglicht stelt;

verzoekt de regering zich in het overheidsbeleid en in de praktijk van overheidsdiensten en -instanties bewust afzijdig te houden van vermelding en erkenning van de internationale dag voor de bestrijding van islamofobie en tevens het gebruik van het woord "islamofobie" te vermijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.

Zij krijgt nr. 563 (30950).

Dank voor uw inbreng. Tot slot is in de termijn van de Kamer het woord aan mevrouw Keijzer, die spreekt namens mevrouw Keijzer. Gaat uw gang.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dank, voorzitter. Stel, iemand wil een vereniging oprichten voor jonge homo's. Mag ik daar als 57-jarige heteroseksuele vrouw bij? Volgens het laatste rapport van de staatscommissie niet. Als ik me gekrenkt voel, is dat straks de maatstaf voor discriminatie. Niet de intentie, maar het gevoel wordt leidend. Daarmee draai je de rechtsstaat om. Het vermoeden van onschuld verdwijnt en de beschuldigde moet bewijzen dat het niet zo is. Te gek om los te lopen. En het rapport zelf: fouten. Het hof heeft in de casus die over mij ging, gezegd dat er geen sprake is van groepsbelediging; het rapport zegt van wel. Helaas, wederom een gekleurd rapport, en nog wel van een staatscommissie. Dat doet mij zeer.

Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat identiteitspolitiek mensen reduceert tot kenmerken als huidskleur, afkomst of seksuele voorkeur;

overwegende dat een mens altijd meer is dan één aspect van zijn identiteit en dat beleid juist uit moet gaan van de gelijkwaardigheid van iedere burger;

overwegende dat beleid zoals diversity, equity and inclusion (DEI) de nadruk legt op verschillen tussen mensen en daarmee polarisatie in de hand werkt;

verzoekt de regering te stoppen met beleid gericht op DEI en te kiezen voor beleid dat uitgaat van gedeelde normen, waarden en taal,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Keijzer.

Zij krijgt nr. 564 (30950).

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Waar dat DEI-beleid toe kan leiden, hebben we recent gezien in het Verenigd Koninkrijk met de dood van Henry Nowak. Ik hoop dan ook op een "oordeel Kamer" van deze minister, want die weg moeten we niet op met elkaar.

Dank u.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng. Dit was de termijn van de zijde van de Kamer. We gaan tien minuten schorsen en dan krijgen we een appreciatie van de zeventien ingediende moties. We zijn even geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het tweeminutendebat Discriminatie, racisme en mensenrechten. We zijn toe aan de termijn van de zijde van de regering. Ik geef het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Minister Heerma:

Dank u, voorzitter. Er zijn flink veel moties en ik heb nog een vraag van de VVD-fractie. Ik ga de moties in de volgorde waarop ze zijn ingediend, van een beoordeling voorzien.

Ik begin bij de eerste motie van D66, de motie-Bamenga c.s. op stuk nr. 548, over de discriminatietoets. Daarin wordt verzocht te streven naar een zo breed mogelijke toepassing. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven, ook indachtig het commissiedebat dat we twee weken geleden met elkaar gehouden hebben.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Interessant. Hoe verhoudt zich dit tot de nieuwe definitie van "discriminatie" in het rapport van de staatscommissie? Daarin staat wat ik heb gezegd, namelijk dat het discriminatie is als je je gekrenkt voelt. Is dat dit? Ziet dat dan ook op de discriminatie van de blanke of witte man?

Minister Heerma:

Mevrouw Keijzer, we hebben hier in het debat uitgebreid met elkaar over gesproken. Dit betreft de discriminatietoets die we gaan uitvoeren, zoals ik al heb aangegeven. Dat doen we dus niet conform een eerder advies van de staatscommissie om die direct verplicht te stellen. Op het rapport dat deze week is verschenen komen we nog met een uitgebreide kabinetsreactie. Dat heb ik ook aangegeven. In de Kamer is ook besloten dat daar een apart debat over wordt gehouden. Deze discriminatietoets is geen reactie op het rapport van afgelopen maandag, maar iets wat al loopt. De link die mevrouw Keijzer hier legt, zie ik dus niet.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Nou, dan gaan we maar dat debat doen. Maar dan zal ik tegen deze motie stemmen, omdat ik geen idee heb welke definitie van discriminatie hier van toepassing is.

Minister Heerma:

Het staat elke fractie vrij om te stemmen, maar de discussie over de discriminatietoets loopt al langer en deze motie verwijst volgens mij ook naar vragen die in dat debat gesteld zijn. Ik kan haar dus oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Nu de motie op stuk nr. 549.

Minister Heerma:

Dan de motie op stuk nr. 549 van de heren Bamenga, Ceder en Van Baarle. Die verzoekt naar de vlaginstructie te kijken. Voor veel Nederlanders is de herdenking van het slavernijverleden en de viering van Ketikoti een belangrijk moment. Met de excuses uitgesproken in 2022 en in 2023 op 1 juli door de koning tijdens zijn speech is dit moment gemarkeerd. Het staat iedere rijksorganisatie vrij om de vlag te hijsen. Voor rijksgebouwen geldt een vlaginstructie uit 2013. Daar refereerde de heer Bamenga aan. Het kabinet zal onderzoeken of een herziening van de vlaginstructie wenselijk is en de Kamer hierover informeren. In dat kader kan ik deze motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

In dit tempo gaan we wel een probleem krijgen. We hebben inderdaad nog een wetsbehandeling met daarin veel amendementen en ook andere agendapunten.

Minister Heerma:

En nog een commissiedebat ...

De voorzitter:

Ik vind het dus niet zo handig dat leden op ieder oordeel gaan interrumperen. Ik geef de heer Schenk nu nog wel de gelegenheid, maar ik roep u op terughoudend te zijn. De heer Schenk.

De heer Schenk (FVD):

Ik zal proberen het kort te houden. Ik vraag me af wat dit in de praktijk betekent voor de uitvoering. Welke vlag wordt er dan bijvoorbeeld gehesen als hieraan uitvoering gegeven wordt?

Minister Heerma:

Daar kan ik vrij makkelijk over zijn. Wat ik heb aangegeven, is dat de vlaginstructie wordt herzien. En de vlag die wij doorgaans hijsen, is de Nederlandse vlag. Maar de vlaginstructie wordt nu dus herzien. Daar zullen we de Kamer over informeren en daarom laat ik deze motie aan het oordeel van de Kamer.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Minister Heerma:

Dan de moties, volgens mij zes, van de heer Van Baarle. Dit was toch een Guinness-Book-of-Recordspoging in twee minuten! Altijd respect voor de snelheid waarmee dat kan. Dat betekent niet dat ik alle moties oordeel Kamer kan geven; eerder het omgekeerde.

De eerste motie van de heer Van Baarle, die op stuk nr. 550, heeft betrekking op het intrekken van de wet op gezichtsbedekkende kleding. Deze motie moet ik ontraden. Het regeerakkoord gaat uit van een versterkte handhaving op dit punt.

Dan de motie rondom het antidiscriminatiebeleid en dit uitzonderen van eventuele bezuinigingen, de motie op stuk nr. 551. Daar heeft de heer Van Baarle mij volgens mij in het commissiedebat ook naar gevraagd. U zult begrijpen dat ik in dit debat geen beleidsterreinen kan gaan uitzonderen van een rijksbrede taakstelling. Als ik dat wel zou gaan doen, en andere bewindslieden ook, zouden we bij elk beleidsterrein dit soort moties krijgen. Dus ik moet deze motie ontraden.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik had natuurlijk het liefst een motie ingediend waarin ik had gezegd: "uitzonderen". Maar ik heb de minister in het commissiedebat gehoord en in de motie staat daarom "om zich ervoor in te zetten". Er is een aantal van die beleidsterreinen, bijvoorbeeld het bestrijden van kinderarmoede, waarvan we met elkaar zeggen: ook al hebben we een uitdaging als Rijksoverheid, je wilt gewoon voorkomen dat daar een taakstelling bij neerslaat. De minister kan toch wel zeggen dat hij met die inspanning aan de slag gaat?

Minister Heerma:

Ook in verwijzing naar het debat: ik snap dat de heer Van Baarle een bepaalde formulering heeft, maar ik moet deze motie ontraden, ook indachtig wat ik in het debat gezegd heb.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Heerma:

Ik sloeg mijn blaadje net om, voorzitter.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 552.

Minister Heerma:

De heer Van Baarle dient ook een motie in over Ketikoti, met het verzoek om in overleg met sociale partners een concreet voorstel te doen om daarvan een nationale feestdag te maken. Deze motie moet ik het oordeel "ontijdig" geven. Tijdens het commissiedebat Slavernijverleden op 11 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd dit vraagstuk te onderzoeken. Het Herdenkingscomité Slavernijverleden is met deze opdracht aan de slag gegaan. Richting het einde van het jaar, in Q4 van 2026, levert het herdenkingscomité haar advies op. Ik zal de Kamer daarover begin 2027 informeren, maar ik moet deze motie op stuk nr. 552 nu als ontijdig beoordelen.

De volgende motie van de heer Van Baarle verzoekt de regering om een gericht nationaal programma tegen …

De voorzitter:

Ik moet u even onderbreken, want eigenlijk moet ik dan vragen aan de indiener of hij bereid is de motie aan te houden. Nee. Dan gaan we door. Dan blijft het oordeel "ontijdig". Gaat u door met de motie op stuk nr. 553.

Minister Heerma:

De heer Van Baarle heeft een motie waarin hij verzoekt om een gericht nationaal plan tegen moslimdiscriminatie. Ook deze moet ik het oordeel "ontijdig" geven. In december vorig jaar is de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie verzonden. Hierin worden maatregelen aangekondigd die moslimdiscriminatie bestrijden. Dit kabinet blijft deze maatregelen ook uitvoeren. Ook heeft de NCDR begin dit jaar aangekondigd met een plan te komen voor een aanpak van moslimdiscriminatie in samenwerking met gemeenschappen. Ik verwacht dat dit advies ons bouwstenen zal bieden die de aanpak van moslimdiscriminatie ten goede komen.

De voorzitter:

De heer Van Baarle wil deze motie ook niet aanhouden, geloof ik. Nee. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 554.

Minister Heerma:

Die motie van de heer Van Baarle verzoekt om de aanpak van discriminatie wettelijk te verankeren en lokaal antidiscriminatiebeleid verplicht te stellen. Deze motie moet ik ontraden. Ik begrijp de wens van de heer Van Baarle, maar ik heb tijdens het commissiedebat ook aangegeven dat er op dit moment geen financiële middelen zijn om een nieuwe taak effectief uit te kunnen voeren. Daarnaast wil ik nogmaals benadrukken dat gemeentes in het licht van artikel 1 van de Grondwet een eigen verantwoordelijkheid hebben in het voorkomen en aanpakken van discriminatie en racisme in de gemeentes en dat veel gemeentes dit ook al doen. Ik moet deze motie dus ontraden.

De heer Van Baarle (DENK):

De minister geeft aan dat hij het verzoek begrijpt, maar dat er geen middelen voor zijn. Betekent dat dat de minister zegt dat hij het ermee eens is, maar dat hij het niet doet, omdat er geen financiën zijn?

Minister Heerma:

Nee, dat is niet wat ik zeg. Wat ik aangeef, is het eerlijke antwoord. Er zijn hier op dit moment geen middelen voor. In het licht van artikel 1 van de Grondwet hebben gemeentes al een verantwoordelijkheid en heel veel gemeentes vullen die ook al in. Deze motie komt ook op naar aanleiding van de herziening van de antidiscriminatievoorzieningen. In algemene zin geldt ook dat we met gemeentes een discussie hebben over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Ook in dat kader moet ik deze motie ontraden.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Heerma:

De motie op stuk nr. 555 is ook van de heer Van Baarle. Die verzoekt om de discriminatietoets verplicht te stellen. Ik heb de motie van de heer Bamenga oordeel Kamer gegeven. Ik moet deze motie ontraden. Ik heb in het commissiedebat drie redenen gegeven waarom ik de toets nu niet verplicht wil stellen en, verwijzend naar dat debat en de redenen die ik gegeven heb, moet ik deze motie ontraden.

Dan de motie van mevrouw Beckerman op stuk nr. 556. Die verzoekt, onder verwijzing naar de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, uitvoering te geven aan de principes van het rapport Principes voor profilering. Deze motie moet ik het oordeel "ontijdig" geven. Het kabinet neemt de waarschuwingen over de risico's van risicoprofilering die de staatscommissie in het rapport schetst uiterst serieus. We ondernemen al acties om deze risico's tegen te gaan en werken continu aan het verbeteren van transparantie en de verantwoording van de werkwijze. Het kabinet hecht groot belang aan het rapport van de staatscommissie en zal in een kabinetsreactie op het eindrapport uitgebreid ingaan op de aanbevelingen, maar het is nu te vroeg om te zeggen dat we die allemaal gaan overnemen. Er komt een kabinetsreactie. Er is ook al steun in uw Kamer om er een apart debat over te hebben, dus deze motie moet ik nu als "ontijdig" bestempelen.

De voorzitter:

Wil mevrouw Beckerman de motie ook aanhouden?

Mevrouw Beckerman (SP):

Volgens mij praten we over twee verschillende dingen. De minister heeft het volgens mij — corrigeer me als ik het verkeerd heb — over het rapport dat maandag is uitgekomen. Wij hebben het hier specifiek over een aanbeveling die we ook al genoemd hebben in het commissiedebat en die van een eerder moment is. Ik snap het oordeel "ontijdig" als je het hebt over het rapport van maandag. Deze motie refereert aan een oudere aanbeveling, die ook uitgebreid bevraagd en besproken is in het commissiedebat. Daarom begrijp ik het "ontijdig" even niet. Dit gaat echt over datagedreven risicoprofilering.

Minister Heerma:

Op een aantal rapporten die de staatscommissie heeft gemaakt, is nog geen kabinetsreactie gegeven, waaronder dit rapport. Daarom hebben we aangegeven dat we bij de reactie op het eindrapport de brede kabinetsreactie meenemen. Dat geldt hier ook voor, dus ik zal toch mijn oordeel "ontijdig" moeten handhaven.

De voorzitter:

Wil mevrouw Beckerman 'm aanhouden?

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik laat 'm heel even staan en denk er even over na.

De voorzitter:

Dan is het oordeel: ontijdig. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 557.

Minister Heerma:

De motie op stuk nr. 557 is de lange motie van de heer Ceder. Ik kan niet anders zeggen dan dat die ook zeer breed ondertekend is in de Kamer. Het was het hoofdonderwerp van de inbreng van de heer Ceder tijdens het commissiedebat. Ik wil deze motie oordeel Kamer geven. Het kabinet vindt het van belang om op een waardige manier stil te staan bij 75 jaar Molukkers in Nederland. Dit is een geschiedenis die erkenning verdient. Hiervoor dient een zorgvuldig proces te worden ingericht om te bezien hoe, in aanvulling op wat er al gebeurt, tegemoetgekomen kan worden aan de Molukse gemeenschap. Ik laat deze motie dus oordeel Kamer, indien ik de motie zo mag interpreteren dat de nationale agenda volgt uit de uitkomsten van het onafhankelijk onderzoek en het consultatietraject, en dat hierbij de primaire focus ligt op de periode rond de Tweede Wereldoorlog tot nu, mede gelet op de uitkomsten van een onderzoek, die binnen een jaar dienen te worden gepresenteerd.

Dan de motie op stuk nr. 558 van de heer Schenk van Forum voor Democratie. Ik ga zeggen dat het oordeel op deze motie "overbodig" is. Binnen het Rijk wordt geen voorkeursbeleid bij aanname toegepast. Het beleid binnen het Rijk is toegespitst op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie op basis van functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie. Deze motie is dus "overbodig".

Dan de eerste motie van de heer Clemminck, op stuk nr. 559, met betrekking tot het opheffen van het bureau van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. Deze motie moet ik ontraden. Uit de evaluatie van de NCDR, die uw Kamer in het najaar van 2024 heeft gekregen, volgt dat de NCDR een waardevolle aanvulling is op het stelsel voor de aanpak van discriminatie. Ik zie geen reden om dat instituut op te heffen. Het regeerakkoord zegt ook dat we de nationaal coördinator wettelijk gaan verankeren. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden".

Dan de motie op stuk nr. 560 van de heer Clemminck, over onderzoek laten doen naar religieuze en culturele achtergronden ten aanzien van haat richting Joden en lhbtiq+-personen. We hebben het hier in het commissiedebat ook over gehad. Ik wil deze motie ontraden. Discriminatie moet aangepakt worden, ongeacht de culturele achtergrond van mensen die zich hier schuldig aan maken. Ik ben dus geen voorstander van een apart onderzoek hiernaar. Dat was ook mijn antwoord in het commissiedebat. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden". Dat zal de heer Clemminck niet verrassen.

Dan de lange motie van de heer Clemminck, en inmiddels ook van het lid Keijzer, op stuk nr. 561, over het aanhouden van de aanpak. Ook deze motie moet ik ontraden. Het bestaan van moslimdiscriminatie is voldoende aangetoond in allerlei onderzoeken. In de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie is al vermeld dat er waar nodig zowel generieke als specifieke inzet wordt gedaan. De NCDR heeft op grond van signalen en onderzoeken aangegeven aan de slag te gaan. Daarnaast is er grond om specifiek met een plan te komen. Het plan wordt aangeboden aan het kabinet. Daarna zal het kabinet gaan kiezen wat we gaan doen. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden".

Dan de motie op stuk nr. 562 van het lid Tseggai van de fractie van PRO. Ik geloof dat ik nu de eerste ben die de fractie officieel zo mag noemen; ik heb het stiekem al een paar keer smokkelend gedaan, gisteren tijdens het vorige tweeminutendebat. Deze motie verzoekt om — het is een onderwerp waar mevrouw Tseggai zich volgens mij al meerdere malen over geuit heeft — in lijn met de staatscommissie de coördinatie neer te leggen bij, in dit geval, de minister-president. Dat is niet wat de staatscommissie zegt. De coördinerende rol ligt bij het ministerie van BZK. Ik zal me onverminderd blijven inzetten op deze rol. Bij de invulling van deze rol neem ik de adviezen van de staatscommissie ter harte. Daar komt dus ook nog een uitgebreide kabinetsreactie op. Daarnaast geldt dat elk departement ook verantwoordelijk is voor de eigen portefeuille, zoals ook staat in artikel 44 van de Grondwet. Het verandert niets als je de coördinerende rol bij de minister-president neerlegt. Ik wil deze motie dus ontraden.

Dan de motie …

De voorzitter:

Een ogenblik.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Het gaat mij er vooral om dat het bij één departement komt te liggen. Ik weet niet of de minister nu vooral valt over het feit dat ik in de motie het ministerie van Algemene Zaken als voorbeeld heb genoemd. Ik zou het fijn vinden om hier een uitgebreidere appreciatie op te krijgen, misschien ook van het ministerie van Algemene Zaken.

Minister Heerma:

Ik had de motie ook het oordeel "ontijdig" kunnen geven. Die gaat net als sommige andere moties in op de adviezen van de staatscommissie, waar een uitgebreide kabinetsreactie op en een apart debat over zal komen. Ik kan me voorstellen dat mevrouw Tseggai wil dat we er in dat debat uitgebreid op terugkomen. Maar indachtig het commissiedebat, waarin ik ook al duidelijk heb aangegeven dat hier enerzijds coördinatie is en dat er anderzijds simpelweg sprake is van de werking van onze Grondwet en de ministeriële verantwoordelijkheid, wil ik toch handhaven dat ik de motie ontraad. Tegelijkertijd heb ik er alle begrip voor dat mevrouw Tseggai dit debat opnieuw en uitgebreider wil voeren na de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie. Dan zullen we ook uitgebreid ingaan op dit punt, wat volgens mij haar aanvullende vraag was.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (PRO):

De minister houdt de appreciatie nu op "ontraden". Dan houd ik 'm even aan.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Tseggai stel ik voor haar motie (30950, nr. 562) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 563 van de heer Flach.

Minister Heerma:

Ja. De motie van de heer Flach gaat deels over een gesprek dat wij in het commissiedebat hadden. Ik wil deze motie ontraden. De motie kent twee elementen. Ik heb over het tweede element al aangegeven dat, los van het feit dat ik niet kan garanderen dat de term nooit gebruikt wordt, het kabinet in beginsel de term "moslimdiscriminatie" hanteert en niet de term "islamofobie". Tegelijkertijd is het zo dat de VN deze dag heeft uitgeroepen. Dat is een feitelijkheid die we niet kunnen ontwijken of stilzwijgen. Ik ben ook niet bij machte om hier te zeggen dat overheidsinstanties of departementen daar nooit naar zouden mogen verwijzen. Dat zou ik dus ook niet verstandig vinden. Er kan aan gerefereerd worden, net zoals dat ook kan gebeuren met andere dagen die de VN heeft uitgeroepen.

De heer Flach (SGP):

Het gaat hier niet om overgevoeligheid van mijzelf of van mijn partij. Ik heb bewust genoemd dat ook de EU bezwaar gemaakt heeft, omdat dit raakt aan de vrijheid van meningsuiting. Satirische programma's draaien helaas voor een groot gedeelte op allerlei spottende opmerkingen over het christendom. Dat mag al decennialang. Dat doet mij pijn, maar het is wel toegestaan. Datzelfde geldt voor de islam. Door die dag zo in te stellen, verbijzonder je die godsdienst ten opzichte van andere, terwijl we het hebben over een heel ander begrip. Het ontraden door de minister heeft dus ook een bepaalde betekenis. Daarmee zegt de regering namelijk: wat ons betreft mag die ene unieke term voor die ene specifieke godsdienst ook bestaan en daar distantiëren wij ons niet van. Ik zie dat toch als een inperking van de vrijheid van meningsuiting.

Minister Heerma:

Ik zie dat toch echt niet zo. Wij hebben dit debat ook in commissieverband gevoerd. Ik heb daarin ook uitgelegd welke positie Nederland daarin heeft en welke positie de EU daarin heeft, maar ik heb ook uitgelegd dat wanneer de VN dan toch een dag uitroept, we daar niet opnieuw specifiek bezwaar tegen gaan maken. Het is een feit dat het is gebeurd. Het verzoek is om ons afzijdig te houden van vermelding van die internationale dag. Dat is wat de motie vraagt. De dag is er feitelijk en dat kan vermeld worden. Wat betreft het tweede heb ik ook uitgelegd dat wij uitgaan van de term "moslimdiscriminatie" en dat de term "islamofobie" vanuit het kabinet dus niet gebruikt wordt.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Flach (SGP):

Ja, afrondend. Met alle respect voor wat de minister zegt, vind ik dit toch een wat slappe reactie. Het is namelijk vrij dubieus tot stand gekomen. Doordat het kabinet hier dan eigenlijk een beetje mak in volgt, gaan we ook mee in die verbijzondering van één godsdienst ten opzichte van andere godsdiensten. Dat je de ene groep, die een bepaalde godsdienst aanhangt, vrijwaart van kritiek op die religie, terwijl dat bij andere godsdiensten niet zo is, is in z'n aard al discriminatie. Ik kan nu volgens mij niks veranderen aan het oordeel van de minister, maar ik verzoek hem toch wel om zich hier nader op te bezinnen, want volgens mij past dit pad dat we ingaan echt niet bij hoe wij omgaan met de vrijheid van meningsuiting.

Minister Heerma:

Het staat de heer Flach vrij om deze oordelen te hebben. Dit is onderwerp geweest van het debat dat wij in commissieverband al hadden. Door het uitroepen van een "dag van" door de VN verandert niet een heel juridisch kader. Deze dag wijzigt niet de interpretatie van de Grondwet of van het EVRM. Ik kan dus niet delen wat de heer Flach hierover zegt. Ik ontraad de motie.

De voorzitter:

Kort, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik heb toch een vraag. Een fobie is een psychische aandoening met een irrationele overmatige angst. Vindt de minister dat islamofobie als fenomeen bestaat in Nederland? Is dat een probleem? Ik ben wel benieuwd wat de minister daarvan vindt.

Minister Heerma:

Mevrouw Keijzer verwijst nu naar een debat dat ik al met de heer Flach heb gevoerd in het commissiedebat. Ik heb uitgelegd dat wij de term "islamofobie" in beginsel niet gebruiken, omdat die over angst gaat. Wij gaan uit van de term "moslimdiscriminatie". Als wij als overheid communiceren, spreken wij over moslimdiscriminatie.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dan concludeer ik maar dat de minister op mijn vraag of dat iets is wat bestaat en of dat een probleem in Nederland is, zegt dat dat niet zo is omdat men spreekt van moslimdiscriminatie. Klopt dat?

Minister Heerma:

Over de term "islamofobie" is al discussie geweest sinds die vijftien à twintig jaar geleden opkwam. Die discussie kan ook afleiden van het feit dat het fenomeen "moslimdiscriminatie" echt bestaat en echt een probleem is. Ik geef dus aan dat wij als kabinet uitgaan van de term "moslimdiscriminatie" en de term "moslimfobie" niet gebruiken, omdat die tot verwarring leidt in het debat.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik denk dat het belangrijk is om moslimdiscriminatie aan te pakken. Ik herken wel iets van het ongemak. Als je het reduceert of juist vergroot tot het niveau "fobie" kom je in een ongemakkelijk werkveld. Ik ben ook woordvoerder Buitenlandse Zaken. Als je kritiek hebt op landen waar shariawetgeving geldt, ontstaat de vraag waar het discriminatie is, waar het fobie is en waar het gewoon een terechte uitwisseling is van argumenten bij een verschil van mening. Mijn vraag is of het klopt dat de minister vindt dat de termen "moslimdiscriminatie" en "islamofobie" niet hetzelfde betekenen en er wel degelijk een verschil is.

Minister Heerma:

Ik heb in het commissiedebat bij herhaling uitgelegd dat dit de reden is waarom wij de term "moslimdiscriminatie" hanteren en niet "islamofobie". Die leidt tot verwarring over wat het betekent. De heer Flach koppelt het in zijn motie aan de dag die de VN heeft uitgeroepen. Daar hebben wij als EU en als Nederland een andere positie in gehad, maar in de motie wordt ook gevraagd om er niet naar te verwijzen en dat moet ik echt ontraden.

De voorzitter:

Afrondend, de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat van de dag snap ik. Ik snap dat de minister zegt dat dat buiten zijn macht is vastgesteld. Ik begrijp de argumentatie. Ik heb wel behoefte — dat kan ook per brief — aan een kabinetsstandpunt over de vraag of islamofobie gelijkstaat aan moslimdiscriminatie en of er een verschil zit in interpretatie en reikwijdte. Daar wordt in de samenleving en in partijen verschillend over gedacht. Zou het kabinet daar een brief over kunnen sturen? Ik vraag dit omdat er in de samenleving en in het parlement heel verschillende interpretaties over bestaan. Dan krijg je heel ingewikkelde discussies met elkaar. Ik heb daar dus wel behoefte aan.

Minister Heerma:

Ik heb eigenlijk geen behoefte om een brief toe te zeggen over een term die we niet gebruiken. Ik was hier tijdens het commissiedebat heel helder over: wij gebruiken deze term niet; wij gebruiken de term "moslimdiscriminatie". Ik heb er geen behoefte aan om een aparte brief te sturen om uit te leggen dat we een term niet gebruiken en waarom we hem niet gebruiken.

De voorzitter:

Heeft u echt een andere vraag, meneer Clemminck? Ik merk dat er een zekere herhaling is. Er is een duidelijk oordeel gegeven over de motie. De heer Clemminck.

De heer Clemminck (JA21):

Ik ben toch wat in verwarring en teleurgesteld in het antwoord en de appreciatie van de motie door de minister. De minister zegt dat het kabinet de term niet gebruikt, zonder eigenlijk aan te geven waarom dan precies niet. Hij wil daar ook geen brief over sturen. Hij vindt het blijkbaar wel acceptabel dat overheidsdiensten de term zouden kunnen gebruiken in hun communicatie naar burgers. Wat voor beeld geeft dat aan burgers van Nederland wanneer zij overheidscommunicatie krijgen waarin die term wel wordt gebruikt, terwijl hij zegt dat het kabinet de term niet wil gebruiken?

Minister Heerma:

Wat ik aangeef, is dat wij in onze communicatie deze term niet gebruiken. Dat doen we niet, omdat de term juist tot verwarring en dat debat leidt. Daarom heb ik in het commissiedebat gezegd dat wij uitgaan van de term "moslimdiscriminatie". Dat was in het commissiedebat een duidelijk antwoord. Dat is het nu nog steeds. Ik wil nu ook geen brief sturen waarin we een soort omgekeerde taalgids maken. Er worden nu dingen gezegd, maar het is het beste om het via de microfoon te doen. De motie vraagt meerdere dingen. De motie vraagt om iets dat ik al heb aangegeven in het debat: wij gebruiken die term niet. Er wordt ook iets gezegd over die dag van de VN en dat daar niet naar verwezen mag worden. Die dag is er feitelijk. Daar kan naar verwezen worden. Ik ontraad deze motie.

De heer Van Baarle (DENK):

De definitie die aan het woord "islamofobie" wordt gegeven door het College voor de Rechten van de Mens is: een manier van denken die de angst voor de islam of moslims uitdrukt en voedt en moslims als groep problematiseert en als een bedreiging ziet op basis van hun religie. Volgens mij willen we in geen enkel geval, of het nou gaat om de lhbti-gemeenschap, de dag tegen homofobie of een dag tegen islamofobie, of, you name it, christenfobie of andere vormen van angsten, een religie of een groep in de samenleving met angst bejegenen en als dreiging zien. Dat willen we in geen enkel geval, ook niet als het gaat om de islam en moslims. Ik hoop dat de minister dát kan onderschrijven. Het gaat mij ook niet zozeer om een definitiekwestie. Volgens mij is het feit dat er sprake is van een fobie in de richting van een religie of een groep in de samenleving op zichzelf al problematisch, om wie het ook gaat. Dat zullen we moeten bestrijden.

Minister Heerma:

Discriminatie is strafbaar en moet worden bestreden. De vraag van de heer Van Baarle raakt precies aan de reden waarom deze term ook tot verwarring leidt. Je mag ergens angst voor hebben. Als we angst en discriminatie te veel met elkaar vermengen, krijgen we ook deels het debat dat we hier nu voeren. Wij gebruiken de term moslimdiscriminatie en dat willen wij bestrijden. Dat wil de heer Van Baarle ook, want daar heeft hij veel moties over ingediend. Ik ontraad deze motie vanwege de overwegingen die samenhangen met het eerste deel ervan.

De voorzitter:

Tot slot de motie op stuk nr. 564 van mevrouw Keijzer.

Minister Heerma:

Niet helemaal tot slot, voorzitter.

De voorzitter:

U heeft ook nog een vraag; dat klopt.

Minister Heerma:

De heer Verkuijlen heeft geen motie ingediend, maar heeft natuurlijk wel recht op een antwoord. Dit is niet de eerste keer dat een motie wordt ingediend om te stoppen met beleid gericht op diversiteit en inclusie, het zogenoemde DEI-beleid. Volgens mij heeft mevrouw Keijzer deze motie, toen zij nog tot de BBB-fractie behoorde, eerder ook ingediend. Ik moet deze motie ontraden. Het beleid binnen het Rijk dat is toegespitst op het creëren en waarborgen van gelijke kansen en het voorkomen van racisme en discriminatie is in lijn met artikel 1 van de Grondwet. De overheid moet in verbinding staan met de samenleving en deze zo goed mogelijk vertegenwoordigen en bedienen. Hiervoor is een representatief medewerkersbestand, dat aansluit bij de samenleving in haar verscheidenheid, noodzakelijk. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft dit ook aanbevolen in het rapport Deskundige overheid uit 2025. Ook de staatscommissie beveelt dit aan in haar eindrapport, waarop wij nog met een aparte kabinetsreactie zullen komen. Dit betekent dat de overheid een goede mix van perspectieven, achtergronden, oriëntaties en kennis in huis moet hebben. Op dit moment is dat nog niet het geval. Medewerkers en potentiële medewerkers geven dat ook aan. Het is en blijft daarom nodig om effectief diversiteits- en inclusiebeleid te voeren.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Korte vraag, voorzitter. Het DEI-beleid ziet op niveaus van slachtofferschap en onderdrukking, waarbij de blanke man altijd de dader is. Daar moet je van af willen, want dat leidt bijvoorbeeld tot situaties zoals we die nu in het Verenigd Koninkrijk zien. Iets doen aan discriminatie? Helemaal mee eens. Maar dit is iets anders. Deelt de minister dat?

Minister Heerma:

Ik deel niet alles wat mevrouw Keijzer hier zegt. Dat is ook de reden waarom ik de motie ontraad. Ik denk wel degelijk dat het van belang is om het beleid voort te zetten dat, onder meer door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, wordt aanbevolen en dat gericht is op diversiteit. Daarom moet ik deze motie ontraden.

De voorzitter:

Dan nog de beantwoording van de vraag van de heer Verkuijlen.

Minister Heerma:

De heer Verkuijlen stelt een vraag die raakt aan verschillende beleidsterreinen en aan best veel inzet. Ik deel de zorg over de stijging van het aantal discriminatiefeiten tegen personen met een publieke taak. Dat geldt overigens ook voor intimidatie, bedreiging en geweld. Dat is een onderwerp waar wij veel vaker over spreken. Het is echt onacceptabel. Als het toch gebeurt, of als sprake is van een andere vorm van intimidatie of verbale agressie, is het essentieel dat medewerkers goed worden opgevangen, dat de nazorg goed is ingericht en dat de dader een passende en duidelijke reactie krijgt op het gedrag. Voor ambtenaren is dit belegd in het programma Veilige Publieke Dienstverlening. Dat werkt volgens een drietrapsraket: preventie, handelen bij incidenten en nazorg. In de zogenoemde Eenduidige Landelijke Afspraken staat dat aangiften van strafbare feiten die betrekking hebben op agressie en geweld tegen medewerkers met een publieke taak altijd worden opgenomen en met prioriteit worden opgepakt. Op dit moment worden deze Eenduidige Landelijke Afspraken herzien, zodat zij beter aansluiten bij de praktijk. Daarbij zal hier ook naar worden gekeken. Voor politieke ambtsdragers geldt het programma Weerbaar Bestuur. Het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur verzorgt bewustwordings- en trainingssessies, evenals bijbehorende hulpmiddelen en stappenplannen voor gemeenteraden en colleges. Daarnaast biedt het ondersteuningsteam advies en ondersteuning na incidenten. Daarbij wordt gebruikgemaakt van ervaringsdeskundigen en experts. Wat ik de heer Verkuijlen wil toezeggen, is dat wij in de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie, hoewel de staatscommissie hierover geen specifiek advies over geeft, ook aandacht zullen besteden aan dit onderdeel en zijn vraag zullen meenemen.

De voorzitter:

Hartelijk dank aan de minister. Dit is het einde van het tweeminutendebat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

We gaan dinsdag 16 juni aanstaande stemmen over de ingediende moties. Ik schors voor een enkel ogenblik, om even de gelegenheid te geven aan de sprekers in het volgende debat, met dezelfde minister, over de Kieswet.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Nadere regels voor bijstand in het stemhokje

Nadere regels voor bijstand in het stemhokje

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje (36863).

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje. Negen leden hebben zich daarvoor ingeschreven. Mijn streven is om de eerste termijn af te ronden voor de lunchpauze. Hoe meer u elkaar interrumpeert, hoe later die lunchpauze wordt. Of we moeten de agenda aanpassen. We gaan dat zien.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Als eerste geef ik het woord aan mevrouw Schilder, die het woord voert namens de Groep Markuszower. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties had ik bij het vorige onderwerp al welkom geheten. Hij volgt namens de regering dit debat en hij zal daar na de eerste termijn op reageren. Maar nu is het woord aan mevrouw Schilder. Gaat uw gang.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank u wel. Een democratie werkt pas goed wanneer mensen niet alleen formeel stemrecht hebben, maar dit ook daadwerkelijk kunnen uitoefenen. De aanleiding voor dit wetsvoorstel is daarom begrijpelijk. Er zijn mensen die moeite hebben om zelfstandig hun stem uit te brengen. Het kabinet wil deze mensen tegemoetkomen door ondersteuning niet alleen buiten, maar ook in het stemhokje mogelijk te maken. Dat vindt DNA op zichzelf een goede ontwikkeling. Maar vervolgens kiest het kabinet voor de verkeerde oplossing.

Ten eerste kiest het kabinet ervoor geen afbakening in te voeren van de groep die aanspraak maakt op hulp. Dit omdat, volgens het kabinet, het praktisch onmogelijk is dat stembureauleden moeten beoordelen of iemand daadwerkelijk tot die doelgroep behoort. In andere landen blijkt dit echter wel mogelijk. Zo is bijvoorbeeld in België, Duitsland, Finland en Zweden wel een afbakening ingesteld. In die landen wordt niet van stembureauleden verwacht dat zij in staat zijn een medische keuring te doen. Waarom kiest het kabinet niet voor een vorm die in onze buurlanden prima werkt? Waarom gelijk deze alles-of-niets-regelinzet? Voor DNA is dit een onbegrijpelijke keuze.

Naast afbakening kiest het kabinet er ook voor om de hulpregeling anders toe te passen dan de hulpregeling die we al kennen. De huidige Kieswet kent namelijk al een regeling voor mensen met een lichamelijke beperking. Zij mogen zelf iemand aanwijzen om hen te ondersteunen in het stemhokje. Dit kan een stembureaulid zijn, maar het kan ook een familielid of een vertrouwd persoon zijn. Dit wetsvoorstel verandert niks aan de regeling voor deze groep mensen. Zij behouden hun keuzevrijheid. Voor mensen met een andere beperking geldt die vrijheid echter niet. Zij krijgen straks wel hulp, maar uitsluitend van een stembureaulid. Daar wringt het bij onze fractie. Als het kabinet erkent dat ook mensen met een andere dan een lichamelijke beperking ondersteuning nodig hebben in het stemhokje, waarom dan niet dezelfde keuzevrijheid als de eerste groep? Kan de minister uitleggen welk principieel verschil hij ziet tussen deze groepen mensen dat dit onderscheid rechtvaardigt? Zijn deze mensen volgens het kabinet dan niet allemaal gelijk? DNA vindt van wel. Wij pleiten er dan ook voor om, net als onder andere de VNG en de NVVB, beide groepen gelijk te trekken.

Dan over de stemvrijheid en het stemgeheim. Volgens onze fractie zijn dat fundamentele uitgangspunten in onze democratie. Het kabinet stelt dat een stembureaulid een neutrale positie inneemt, waardoor beïnvloeding en dwang worden voorkomen en de stemvrijheid zo goed mogelijk gewaarborgd blijft. De kans op beïnvloeding zou veel groter zijn als een bekende meegaat het stemhokje in. Waar baseert de minister deze aanname precies op? Weet de minister dat we inmiddels leven in het jaar 2026? Beïnvloeding is niet per se nodig in het stemhokje. Mensen die dwang willen uitoefenen, kunnen simpelweg een foto eisen van het ingevulde stembiljet of eisen dat ze live mee kunnen kijken via videobellen.

Vergeet ook de grootste beïnvloeding van stemmen niet, die al jaren legaal plaatsvindt: de volmacht. Bij een volmacht geeft iemand zijn stem volledig uit handen aan een ander, zonder dat er controle is op dwang of beïnvloeding, zonder dat de volmachtgever überhaupt weet of de volmachtnemer stemt volgens zijn of haar wil. De recente gebeurtenissen in Gorinchem hebben laten zien dat de risico's op fraude met volmachten bepaald niet theoretisch zijn. Dat roept bij DNA principiële vragen op. Waarom vindt de minister het wel acceptabel dat een kiezer zijn stem volledig overdraagt aan een volmachtnemer zonder daar nog zicht op te hebben, maar niet dat diezelfde kiezer, wanneer die nota bene persoonlijk aanwezig is in het stemlokaal, zelf mag bepalen wie hem ondersteunt in het stemhokje? Als het kabinet echt van mening is dat er een grote kans bestaat op beïnvloeding, waarom blijft de regeling voor de lichamelijk beperkte kiezer dan wel bestaan?

Voorzitter. Als het kabinet aan de ene kant zonder afbakening iedereen recht geeft op hulp in het stemhokje en daarna alleen hulp van een stembureaulid toestaat om beïnvloeding tegen te gaan, dan gaat het volgens onze fractie voorbij aan de groep die het eigenlijk tegemoet wil komen. Dat zijn de kwetsbare mensen die iemand nodig hebben die ze vertrouwen. De dementerende mevrouw die nog graag wil stemmen. De laaggeletterde man die niet te koop wil lopen met zijn beperking. Kortom, de mensen achter dit wetsvoorstel. Een stembureaulid kent die mensen en hun beperking niet. We vragen ook wel heel veel van de stembureauleden. Minister, hoe kunnen we verwachten dat zij alle verschillende vormen van hulp herkennen en begrijpen? Een partner, familielid of begeleider weet hoe iemand communiceert en kan iemand geruststellen en helpen op een manier die bij hen aansluit. Juist voor de mensen voor wie deze wet is bedoeld, gaat de ondersteuning niet alleen over praktische hulp; het gaat over vertrouwen, veiligheid en het gevoel dat iemand je begrijpt.

Daarom hebben wij een amendement ingediend dat keuzevrijheid centraal stelt en dat het voor de mensen voor wie deze wet is bedoeld mogelijk maakt bij de verkiezingen zelf te bepalen wie ondersteuning verleent in het stemhokje. Natuurlijk is dat met waarborgen. Ik vraag de minister: heeft het kabinet eigenlijk onderzocht wat de mensen die ondersteuning nodig hebben zelf willen? Is hun gevraagd of zij niet liever een vertrouwd persoon bij zich hebben dan een onbekend stembureaulid? Zo ja, wat waren daar de uitkomsten van?

Voorzitter, ik rond af. We erkennen uiteraard dat de stemvrijheid en het stemgeheim beschermd moeten worden. Dat zijn fundamentele uitgangspunten van onze democratie. Wij willen die ook zo goed mogelijk beschermen, maar wij zijn ervan overtuigd dat mensen met kwade bedoelingen niet per se mee hoeven het stemhokje in. Die vinden hun manier wel. De mensen voor wie deze wet is gemaakt hebben vaak juist behoefte aan hulp van mensen die hen begrijpen. Wij hopen daarom op steun voor ons amendement.

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we door met de heer Van den Brink. Hij voert het woord namens de CDA-fractie. Gaat uw gang.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel, voorzitter. De CDA-fractie onderschrijft het doel van dit wetsvoorstel: het stemproces toegankelijker maken, ook voor mensen met een beperking. Iedereen moet in staat zijn zijn of haar stem uit te brengen. Dit wetsvoorstel sluit aan bij de uitvoering van het VN-verdrag Handicap. Daar is het CDA blij mee. Er mag ook gezegd worden dat het goed is dat daar een wetsvoorstel voor is gemaakt, want het wil nog niet zo vlotten met de uitvoering van dat verdrag.

Voorzitter. Ons verkiezingsproces is op vertrouwen gestoeld. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen om het voor iedereen mogelijk te maken bijstand van een stembureaulid in het stemhokje te vragen. Dit gaat uit van vertrouwen in de stembureauleden. Wat het CDA betreft mogen we dat ook hebben, maar mijn fractie ziet bij dit wetsvoorstel ook een dilemma. De bijstand in het stemhokje schuurt namelijk met het stemgeheim. In de toelichting bij dit wetsvoorstel heeft de regering deze spanning tussen het stemgeheim en de bijstand in het stemhokje goed beschreven, maar voor het CDA zijn daarmee de zorgen niet weggenomen. Wij denken dat het beter kan en daarom hebben wij twee amendementen ingediend.

Ik begin met de voornaamste bezwaren. Eerst het risico op oneigenlijke beïnvloeding. In de memorie van toelichting lezen we dat een kiezer ondubbelzinnig duidelijk moet maken wie zijn of haar stemvoorkeur heeft. Hoe dit in zijn werk zou moeten gaan, is mijn fractie niet helemaal duidelijk. We lezen dat "het essentieel is dat de kiezer ondubbelzinnig duidelijk kan maken hoe hij van zijn kiesrecht gebruik wil maken. Dit doet de kiezer door de naam van de partij en de kandidaat duidelijk tot uitdrukking te brengen of door duidelijk te maken dat hij een blanco stem wil uitbrengen; bijvoorbeeld mondeling, door dit op te schrijven, in gebarentaal of door de foto en de kandidaat aan te wijzen, zoals op het stembiljet, op een foto, een folder of in de krant."

Voorzitter. Dit wetsvoorstel maakt het dus mogelijk dat iedere kiezer, met of zonder beperking, met een briefje met daarop de stemvoorkeur het stembureau kan inlopen en aan een stembureaulid kan vragen om te helpen daar een stem op uit te brengen. Dat vinden we spannend. Is het stemgeheim daarmee wel genoeg beschermd? Als je kwaad wil, kan je dus iemand een briefje meegeven en tegen hem of haar zeggen dat hij dat briefje moet overhandigen aan een stembureaulid. Dat lijkt ons niet de bedoeling. Stel dat er iemand staat te kijken of de persoon met een briefje met een naam erop dat wel echt overhandigt aan dat stembureaulid. Dat lijkt ons een vorm van stemdrang die we niet moeten willen.

Tot nu toe bestaat in het stemhokje altijd het echte stemgeheim. Niemand ziet daar hoe jij je stembiljet invult. Die waarborg valt weg als kiezers een briefje zouden overhandigen met daarop de naam van de persoon waarop wordt gestemd. Wij maken ons hier zorgen over; vandaar dat wij een amendement hebben ingediend om dit onmogelijk te maken. Wat we met het amendement regelen, is dat een kiezer die gebruikmaakt van de mogelijkheid tot bijstand in het stemhokje op drie manieren kan aangeven hoe hij of zij wil stemmen: door het in het stemhokje mondeling aan het stembureaulid te zeggen, door het in het stemhokje op te schrijven of door het in het stemhokje aan te wijzen op het stembiljet. Op deze manier valt buiten het stemhokje niet meer te controleren of de stem wordt uitgebracht zoals was afgesproken. Ik ben benieuwd naar de appreciatie van de minister.

Voorzitter. Ik heb nog een andere vraag. Deze wet maakt het dus mogelijk dat een kiezer die gebruikmaakt van bijstand in het stemhokje ter plekke opschrijft wat zijn of haar stemvoorkeur is. Met het oog op het stemgeheim is het belangrijk dat er duidelijkheid is over wat er met dat briefje gebeurt. In ons amendement stellen we daarover nadere regels voor, namelijk dat wordt aangesloten bij het bestaande proces van een teruggegeven stembiljet. Mijn vraag aan de minister hierover is wat er met het briefje dient te gebeuren zodra de kiezer het stembureau verlaat. Hoe is dat in de voorgestelde wet geregeld? Deze vraag stel ik wederom met het oog op het stemgeheim. Graag een reactie van de minister.

Een ander element in het wetsvoorstel bepaalt dat een kiezer zelf een lid van het stembureau mag uitkiezen dat hem of haar helpt. Ook dat vinden we spannend. Het opent de mogelijkheid om op zondag na de kerkdienst of op vrijdag na de bijeenkomst in de moskee tegen de bezoekers van die diensten of op zaterdagmiddag na afloop van de voetbal te zeggen: in het stembureau zit Wim of Achmed of Janneke, vraag maar of hij of zij je wil helpen bij het stemmen. Ook dat moeten we niet willen, naar onze mening. Daarom hebben we een amendement gemaakt om de mogelijkheid te schrappen om zelf een stembureaulid te vragen om te helpen. We zijn benieuwd wat de minister daarvan vindt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb met interesse naar de amendementen van collega Van den Brink gekeken. Ik wil een paar verhelderende vragen stellen voor de afweging van mijn fractie maar ook voor de wetsuitleg als de amendementen worden aangenomen. Allereerst over het eerste amendement dat collega Van den Brink besprak en de drie mogelijkheden tot het uitbrengen van de stem, en hoe je dan omgaat met het briefje waarop de naam staat geschreven. Ook als je hardop uitspreekt op wie je wil stemmen, is natuurlijk in het stembureau bekend op wie je stemt, dus het is ergens ook wel inherent dat je het bekendmaakt.

Ik ben zelf ooit stembureaulid geweest, voorzitter. Het moet u deugd doen. Ik weet nog dat er iemand binnenkwam voor de Europese verkiezingen en zei: ik wil op Wouter Bos stemmen. Het is ook al heel lang geleden; kunt u nagaan hoe oud ik ben. Maar diegene zei: ik wil op Wouter Bos stemmen. Dat kon natuurlijk helemaal niet bij Europese verkiezingen. Wat doe je dan als stembureaulid? Ik wil maar zeggen dat je dus ook momenten houdt dat je als stembureaulid aan de ene kant ziet dat de kiezer iets wil en waarbij je het stemgeheim niet wilt doorbreken, maar dat je ook gewoon op dat moment een handelingsperspectief moet vinden. Mijn zorg bij het amendement van de collega is dat we het steeds verder gaan dichtregelen, terwijl je ook onverwachte situaties hebt, waarbij ik vooral wil dat stembureauleden zich aan de basisprincipes houden. Hoe heeft collega Van den Brink dat gewogen, zodat we het aan de andere kant ook niet te zeer dichtregelen?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

We zijn begonnen met het wetsvoorstel zoals dat er lag. Dat vonden we echt te ruim geformuleerd, dus dat moet je smaller maken. Daarna hebben we nagedacht hoe je dat op een goede manier doet. Dat is door de mogelijkheden te omschrijven zoals het in een stemhokje zou kunnen. Van mij mag je ook fluisteren als dat veiliger voelt. Dat vind ik prima. Dat is nog steeds mondeling en dan past het nog steeds binnen het voorstel zoals wij het hebben geformuleerd. Mij lijkt dat stembureauleden wel altijd naar bevind van zaken moeten handelen. Tegelijkertijd moet het wel zo zijn dat degene die wil kiezen, volgens de wet echt tot uitdrukking brengt op wie hij of zij wil stemmen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Mijn vraag is of je het zo dicht moet regelen, op het niveau van de wet, want daarmee ligt het wel heel vast. Ik ben dus benieuwd hoe collega Van den Brink dat gewogen heeft. Kijk, er worden ook altijd voorbeeldreglementen gemaakt. Er worden afspraken gemaakt over hoe we de commissie voor zo'n stembureau begeleiden. We weten ook dat er in de ene wijk bijvoorbeeld veel analfabetisme is en je al mag hopen dat kiezers komen. Daar heb je dus ook wel verschil in. Ik heb de zorg dat we de Kieswet nu te veel dichtregelen, terwijl het zou moeten gaan om hoe we ervoor zorgen dat de stembureauleden zich volledig van hun taak kwijten op een manier waarvan wij zeggen: wauw, dit is goed voor ons democratische proces.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Volgens mij gaat het om een balans. Wij vinden dat in het wetsvoorstel zoals dat er ligt, die balans te veel doorslaat naar alleen maar helpen, zonder dat dat goed is omschreven. Daarom hebben we een poging gewaagd om het wel goed te omschrijven. Wij denken dat je met deze voorwaarden, dus mondeling, opschrijven in het stemhokje of aanwijzen op het stembiljet, wel heel veel kan ondervangen.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank voor de toelichting. Ik ga dat rustig wegen. Het is meer dat ik nog even aan het denken ben bij deze wet. We kunnen uit allerlei zorgen 'm helemaal dicht gaan regelen, maar hebben we aan het einde dan het goede gedaan? Dat is dus afweging.

Het tweede waar ik ook echt over na aan het denken ben, is de beïnvloeding door stembureauleden. Dat is het tweede amendement waarbij collega Van den Brink zegt: daar wil ik wat risico's inperken. Ikzelf heb gedacht: volgens mij is het grootste risico dat we hebben juist omtrent de volmachten, ook als we gewoon kijken naar de misstanden van de afgelopen jaren in ons land. Is collega Van den Brink het met mij eens dat dit eigenlijk ook wel een moment zou kunnen zijn om ook daarin toch eens even een stap vooruit te zetten en te zeggen: we behouden die volmachten wel als mogelijkheid, maar we perken het juist in? In al die situaties die de heer Van den Brink noemde, van voetbalvereniging tot kerk tot moskee tot klaverjasclub, moet die volmacht helemaal geen issue zijn, want die moet er zijn voor mensen die gewoon slecht ter been zijn en niet naar het stemlokaal kunnen komen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik deel die zorgen ook wel. Ik heb Kamervragen gesteld aan de minister naar aanleiding van de gebeurtenissen in Gorinchem. Dat vond ik op zich een adequate beantwoording. Tegelijkertijd moeten we de verkiezingen van — wat was het? — dit voorjaar nog evalueren. Dat gaan we in september doen. Dat leek mij dus eigenlijk het geëigende moment om het daar goed over te hebben. Ik heb daar nu geen afgewogen oordeel over.

De voorzitter:

Dan gaan we naar de heer Mohandis.

De heer Mohandis (PRO):

Ik dank het CDA voor de inbreng. Op het punt van het amendement aangaande de onafhankelijkheid van stembureauleden — of geef het een andere titel — vroeg ik mij af of dit niet juist de positie die bijvoorbeeld de voorzitter van het stembureau heeft om echt te bepalen wie het beste kan helpen, te veel dichtregelt. Ik was dus benieuwd wat uw tweede amendement daadwerkelijk doet.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb net gezegd dat wij de stembureauleden in principe vertrouwen. Daar moeten we van uitgaan, want daar moeten we het mee doen in het stemlokaal. Dat geldt zeker voor de voorzitter, die daar nog een extra verantwoordelijkheid in heeft. Wij vertrouwen erop dat hij op dat moment in wijsheid beslist wie dat moet doen, om te voorkomen dat je daar onwenselijke situaties in krijgt. Ik gaf de voorbeelden al.

De heer Mohandis (PRO):

Maar dat kan toch ook gewoon met het wetsvoorstel zoals dat er nu ligt? Het is toch zo dat als iemand binnenkomt en om hulp vraagt, er wordt gewogen wie die het beste kan verlenen? Ik begrijp niet helemaal wat dit amendement verandert aan de ruimte die er nu al is.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Volgens mij staat het nu zo in het wetsvoorstel dat als je binnenkomt, zelf zou mogen kiezen welk lid van het stembureau jij zou willen dat jou helpt. Daarvan denken wij dat dat kwetsbaar is. Door het bij de voorzitter neer te leggen, proberen we die kwetsbaarheid dicht te regelen.

De voorzitter:

Dank. Was u klaar?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Nee, nog niet.

De voorzitter:

Nee, dat dacht ik al. Dan geef ik u het woord om uw inbreng te voltooien.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel. Ik ga verder met het onderwerp van de stemvoorkeur kenbaar maken. Uit het wetsvoorstel maken wij op dat wanneer een kiezer alleen duidelijk kan maken of hij of zij op een partij wil stemmen, dat niet voldoende is. In Nederland stemmen we immers op een kandidaat. Dat moet een stembureaulid in een dergelijk geval dus uitleggen. Wanneer een kiezer toch alleen een partij kan noemen, moet het stembureaulid de hulpverlening stopzetten. Het is maar de vraag of ze dat gaan doen als een kiezer duidelijk weet op welke partij hij of zij wil stemmen. Is dit niet een recept voor discussie met de kiezer, vraag ik aan de minister. Herkent de minister deze inschatting en heeft hij daar een oplossing voor?

Ik heb nog een praktische vraag over het beëindigen van bijstand als een kiezer zijn of haar wil niet ondubbelzinnig duidelijk kan maken. Op het moment dat bijstand wordt stopgezet, kan de kiezer desgewenst de stempas terugkrijgen, zodat de kiezer op een later moment een nieuwe poging kan wagen of iemand anders kan machtigen. Voor iemand die al moeite heeft met het stemproces, kan het beëindigen van bijstand een grote drempel zijn om later terug te komen. Ik zou daarom aan de minister willen vragen of hij zou kunnen reflecteren op wat het voor een persoon met bijvoorbeeld een licht verstandelijke beperking betekent om onverrichterzake naar huis te gaan.

Dan nog een aantal vragen over de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Wij lezen dat de regering geen problemen in de uitvoering verwacht. Ik heb er vertrouwen in dat dat uiteindelijk gaat werken, maar gaat dat al werken richting de waterschaps- en Statenverkiezingen van volgend jaar? Wat verwacht de minister dat er nog moet gebeuren om het teruggeven van de stempas mogelijk te maken? Er zijn gemeenten die werken met apps waarmee stempassen gescand worden. Kunnen die op tijd zijn aangepast voor de Statenverkiezingen van volgend jaar?

Stembureauleden zullen ook getraind moeten worden om bijstand te verlenen. Dat is geen sinecure. Verwacht de regering dat daar genoeg tijd voor is?

Dan nog een paar vragen over de bekendheid met de mogelijkheid tot bijstand. Hoe verwacht de regering dat kiezers kennis krijgen van het bestaan van deze mogelijkheid? Wordt hierover gecommuniceerd bij het opsturen van de stempas? Welke plannen heeft de regering hiervoor? Het proces wordt immers niet toegankelijker als kiezers niet van de mogelijkheid afweten.

Daarnaast zou de CDA-fractie willen weten of het de bedoeling is dat stembureauleden in het geval dat ze vermoeden dat een kiezer bijstand zou willen hebben, die actief mogen aanbieden. Of mag dat niet? Dat is ons nog onduidelijk. Ook hier de vraag: kan het allemaal voor volgend jaar geregeld zijn?

Voorzitter. Tot slot heb ik nog een vraag over de evaluatie van het wetsvoorstel. De regering voert na elke verkiezing een evaluatie uit. Dat is staand beleid. Onze vraag hierbij is of de regering al weet welke gegevens zij in deze evaluatie bij zou willen houden over de effecten van dit wetsvoorstel.

Afrondend. Het CDA steunt het streven om het verkiezingsproces toegankelijker en inclusiever te maken. We hebben tegelijkertijd wel zorgen over met name de waarborgen rond het stemgeheim. Daarover hebben we twee amendementen ingediend. We hopen dat die op steun kunnen rekenen van een meerderheid van de collega's.

Voorzitter. Het is een groot goed dat we in Nederland vrije verkiezingen hebben. Het zou fantastisch zijn wanneer als gevolg van deze wet meer mensen hun democratisch recht kunnen uitoefenen. Tegelijkertijd moeten we de verkiezingen beschermen We denken dat beide kunnen.

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dan gaan we door naar mevrouw Huizenga. Had u nog een interruptie, mevrouw Schilder? Ja. Dan wachten we nog een ogenblik. Ik geef het woord aan mevrouw Schilder voor een interruptie.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik hoorde meneer Van den Brink erover dat het stemgeheim hartstikke belangrijk is. U heeft ook amendementen ingediend. Maar denkt u niet dat we met deze wet en met alle regels die extra worden gesteld, de mensen vergeten voor wie deze wet bedoeld is? Hoe is het voor iemand met een verstandelijke beperking als hij met een onbekend stembureaulid mee moet in het stemhokje en niet uit zijn woorden komt?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik snap uw zorg daarover. Ik denk dat een goed toegerust stembureaulid dat in principe zou moeten kunnen. Het voorstel in deze wet is wel om het helemaal open te gooien en dus moet je het strak regelen, denk ik. In uw voorstel loop je het risico dat straks iedereen hulp kan krijgen van iemand die hij of zij kent of aardig vindt. Dat vind ik spannender dan dit, eerlijk gezegd.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Hoe denkt u er dan over om de groep af te bakenen, zoals ik in mijn verhaal voorstel?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dat heb ik gehoord. Ik heb de redenering van het kabinet daarover gelezen. Die vond ik vrij overtuigend. Maar ik heb uw vragen gehoord, dus we gaan afwachten hoe het kabinet daarop reageert.

De voorzitter:

Nogmaals dank, ook voor uw inbreng. Dan gaan we door met mevrouw Huizenga. Zij voert het woord namens de D66-fractie. Gaat uw gang.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dank u wel, voorzitter. 1896: de eerste moderne Olympische Spelen worden georganiseerd. Utah wordt de 45ste Amerikaanse staat. Amsterdam wordt telefonisch verbonden met Bremen. Joan Röell is de premier van Nederland, de eerste premier met een minderheidskabinet. U ziet het al: er ligt een link. Het recht om te stemmen is er op dat moment alleen voor wie slim genoeg is om de politiek te begrijpen. Dat wil zeggen: niet voor vrouwen, maar alleen voor welgestelde mannen, en zelfs die niet allemaal.

Voorzitter. We zijn ver gekomen sindsdien. Toch organiseren we de hulp bij het stemmen nog steeds op basis van die 1896-mentaliteit. Waarom wel hulp voor mensen met een fysieke, maar niet voor mensen met een mentale of niet zichtbare beperking? Waarom wel voor een blinde kiezer, maar niet voor een laaggeletterde kiezer? In 1896 heerste misschien de gedachte dat een laaggeletterde toch niet hoeft te stemmen, maar in 2026 weten we wel beter.

Voorzitter. Een democratie vraagt om onderhoud en vernieuwing. Als we anno 2026 zien dat het uitbrengen van een stem voor sommige mensen niet mogelijk is zonder bijstand, dan moeten we actie ondernemen. Ik ben blij dat de minister voorbij de wetgeving van 1896 durft te denken; daarom ligt deze wet nu voor. De centrale vraag is hoe we de bijstand in het stemhokje zo inrichten dat iedereen toegankelijk en vrij kan stemmen. Deze wet geeft daar een antwoord op waar mijn fractie zich grotendeels in kan vinden. Voor mensen die nu nog moeten kiezen tussen óf een volmacht afgeven óf thuisblijven, komt er verandering. Wel wil D66 meer duidelijkheid over twee aspecten: het streven naar een gelijke behandeling van alle kiezers en een gedegen uitvoering.

Voorzitter. Ik heb enigszins geworsteld met de uitwerking van dit wetsvoorstel. Hoe je het ook wendt of keert, er zit een spanning in op het gebied van gelijke behandeling. Kiezers met een fysieke beperking houden het recht op bijstand door een persoon naar keuze, terwijl andere kiezers alleen geholpen mogen worden door een stembureaulid. Daarmee wordt een onderscheid in stand gehouden tussen mensen met een fysieke en mensen met een mentale beperking. Dat vind ik lastig. Tegelijkertijd zijn ook de twee alternatieven complex: ofwel iedereen bijstand laten geven door een persoon naar keuze, ofwel iedereen enkel laten bijstaan door een stembureaulid.

Van het eerste zijn wij als D66 geen voorstander. De risico's zijn daar simpelweg te groot voor, zoals de Kiesraad ons waarschuwt. Het stemgeheim is een individueel recht, dat zwaar weegt. Het risico dat de persoon naar keuze invloed kan uitoefenen op de stemkeuze is reëel; dat erkent de regering ook. Bovendien is het onverstandig om kwetsbaarheden toe te voegen die het vertrouwen in het verkiezingsproces kunnen schaden.

De andere optie, iedereen laten bijstaan door een stembureaulid, is door de regering afgewezen met een verwijzing naar het VN-verdrag Handicap. Dat stelt volgens de Nederlandse interpretatie dat kiezers met een fysieke beperking recht hebben op bijstand naar keuze. Laat er geen misverstand over bestaan: D66 is groot voorstander van de uitvoering van het VN-verdrag. Het uitgangspunt van het verdrag is echter ook gelijke behandeling van verschillende beperkingen. Hoe weegt de minister dat en heeft hij expliciet overwogen om tot een andere interpretatie van het verdrag te komen, waarbij gelijke behandeling beter gewaarborgd zou zijn?

De regering geeft aan dat zij het recht op bijstand naar keuze niet wil ontnemen aan kiezers met een fysieke beperking. Daar zijn veel kiezers uit deze groep blij mee. Het is echter ook goed denkbaar dat er kiezers zijn voor wie het juist een vooruitgang zou zijn als bijstand door een stembureaulid de standaard is. Denk aan een familielid dat druk uitoefent op je stemkeuze. Het liefste zou je zo'n familielid niet meenemen het stemhokje in, zodat je in alle vrijheid je stemrecht kunt uitoefenen. Maar nee verkopen is lastig als het de norm is dat je een persoon naar keuze meeneemt of je simpelweg niet weet dat het optie is om een stembureaulid te vragen. Ik denk dat een tussenweg mogelijk is: wel het recht in stand houden maar ook stimuleren dat de hulp in eerste instantie van een stembureaulid komt. Daarmee maken we de verkiezingen toegankelijker en vrijer.

De heer Flach (SGP):

Ik had moeten blijven zitten, want toen ik zat was ik het eigenlijk helemaal eens met dit deel van het betoog, maar toen ik naar voren liep werd het wat diffuus, namelijk wel in stand houden maar meer op de mogelijkheden gaan wijzen. Ik wilde vragen of de collega positief staat ten opzichte van het amendement van de heer Clemminck, dat zegt dat de stembureauleden bij uitstek toegerust zijn en misschien ook wel geselecteerd — misschien moeten we daar meer gewicht aan toekennen — om die bijstand te verlenen. Ik dacht dat het die kant op ging. Hoe kijkt mevrouw Huizinga daarnaar?

Mevrouw Huizenga (D66):

Die kant ging het inderdaad niet helemaal op. Ik was nog niet helemaal klaar met mijn betoog. Ik ben heel benieuwd naar de reactie van de minister hierop. Ik heb net aangegeven dat het best een worsteling is: hoe kunnen wij dit verbeteren? Ik wacht de reactie van de minister even af.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dan ga ik verder. Is de minister het met mij eens dat dit een wenselijk uitgangspunt is, dus dat de hulp in eerste instantie van een stembureaulid komt? Welke mogelijkheden ziet hij om dit te stimuleren, bijvoorbeeld door het recht op bijstand door een stembureaulid actiever naar voren te brengen?

Voorzitter. Dat raakt ook aan mijn tweede uitgangspunt, waar ik mijn collega ook over heb gehoord: de uitvoering. Ik zal altijd kritische vragen stellen over de uitvoering. Als we de verkiezingen werkelijk toegankelijker willen maken, zal er ook werk gemaakt moeten worden van de bekendheid van de regeling. Ik vind dat daar in de stukken wel erg snel aan voorbij is gegaan. Hoe gaat de minister er straks voor zorgen dat kiezers deze regeling echt weten te vinden? Hoe ziet hij de samenwerking met de gemeenten voor zich? Voor de kiezers die nu mee zitten te kijken naar dit debat: verwacht de minister dit wetstraject af te ronden voor de Provinciale Statenverkiezingen en de waterschapsverkiezingen?

Straks staan er weer duizenden stembureauleden klaar om hun kiezers te helpen. Van die leden vragen we met deze wet ook wat. De regering laat trainingen ontwikkelen over hoe de bijstand verleend moet worden, maar de stap daarvoor is denk ik minstens zo belangrijk. Het zijn de stembureauleden die moeten toetsen of iemand recht heeft op bijstand naar keuze of bijstand van een van hen. Dat kunnen ingewikkelde gesprekken zijn. Kan de minister toezeggen dat stembureauleden ook hierin de nodige ondersteuning en voorlichting kunnen verwachten?

De regering wil de wet evalueren na vijf jaar, omdat er dan minstens twee verkiezingen hebben plaatsgevonden. Het lijkt mij relevant om na de eerstvolgende verkiezingen al de eerste effecten van de wet te kunnen inzien. Kan de minister de Kamer hier te zijner tijd over informeren, bijvoorbeeld door het te betrekken bij de reguliere evaluatie van de verkiezingen?

Ik ben ook benieuwd naar de appreciatie van de andere amendementen, waaronder die van de heer Flach. Daar komt-ie nog een keer naar voren.

Voorzitter, tot slot. Iedere stap richting een moderne, toegankelijke en vrije democratie voor alle kiezers is er een die we moeten zetten. Ondanks de vragen die nog leven bij mijn fractie, wil ik wel graag mijn steun voor het grootste deel van het voorstel benadrukken. Onder aan de streep zitten we met deze wet in een betere situatie dan de situatie waarin we zaten. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb een verduidelijkende vraag. U zegt: in principe willen wij dat ook mensen die een lichamelijke beperking hebben zich in eerste instantie richten tot iemand van het stembureau. Begrijp ik dat goed? Moeten zij zich als dat dan niet lukt alsnog laten helpen door iemand die ze kennen?

Mevrouw Huizenga (D66):

Veel mensen met een fysieke beperking hebben mensen die ze vertrouwen, met wie ze prettig in contact staan en dingen kunnen doen in het leven. Ik denk dat je een combinatie moet hebben. Ik ben ook heel benieuwd naar de reactie van de minister hierop. Maar ik denk dat het vooral van belang is dat mensen met een fysieke of niet-fysieke beperking in ieder geval hun stemrecht kunnen uitoefenen. Dat moeten we niet beperken in dit geval.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Mijn vraag is of u het wetsvoorstel zou willen aanpassen op dat punt. Zou u willen vastleggen dat in principe eerst iemand van het stembureau moet helpen en pas als dat niet lukt iemand die men kent?

Mevrouw Huizenga (D66):

Daar hebben we geen amendement op ingediend.

De voorzitter:

Nogmaals dank voor uw inbreng. We gaan luisteren naar de heer Mohandis, die het woord voert namens de fractie van PRO. PRO staat voor Progressief Nederland, voor wie dat nog niet weet. Meneer Mohandis, gaat uw gang.

De heer Mohandis (PRO):

Hoe kan iemand dat niet weten? U had het niet kunnen missen de afgelopen tijd, denk ik. Maar dat terzijde.

Voorzitter, dank u wel. Het is fijn om hier te mogen staan. Het is ook fijn om in deze commissie te mogen zitten. U gaat mij vaker treffen op BZK-onderwerpen, dus ik kijk uit naar deelname aan deze commissie.

Wij spreken vandaag over de wijziging van de Kieswet die het mogelijk maakt voor kiezers om ondersteuning te krijgen in het stemhokje. Dat is fantastisch, zou je zeggen. Dat moet een verbeterslag zijn vergeleken met hoe het nu is geregeld. Door die bril hebben we ook gekeken naar dit wetsvoorstel. Voor PRO is het van groot belang dat alle kiesgerechtigden in ons land op een vrije en toegankelijke manier kunnen stemmen. Als Kamer hebben we al vaker met het kabinet gesproken over het feit dat mensen met een beperking het soms als heel lastig ervaren om zelfstandig hun stem uit te brengen.

Laat ik beginnen met het recente kiezersonderzoek. Er was een laag vertrouwen in de politiek. Ik kijk uit naar de debatten die we hierover nog met elkaar gaan voeren. Wat me gerelateerd aan het wetsvoorstel opviel in het kiezersonderzoek — dat wil ik wel even uitvergroten — is dat een overgrote meerderheid van bijna 80% van de kiezers in Nederland veel vertrouwen heeft in de stembusgang. Dat is iets wat we moeten koesteren met elkaar, denk ik. Het is niet perfect, maar volgens mij is het in de basis wel zo dat er veel vertrouwen is en dat er veel betrokkenheid is om daaraan bij te dragen op verkiezingsdag zelf.

Kiezers lopen tegen allerlei belemmeringen aan, zoals ik in mijn inleiding zei. Niet alle stembureaus zijn altijd goed toegankelijk voor mensen met een beperking. Het vervoer is niet altijd goed geregeld. Volgens mij kunnen we nog heel veel doen om dat vertrouwen naar een hoger percentage te tillen. Mijn fractie vindt het daarom juist goed dat we vandaag een wetswijziging met elkaar bespreken die dit stemproces nog toegankelijker gaat maken.

Uiteraard hebben we wel serieuze zorgen en vragen. Laat ik beginnen met de hoeveelheid amendementen. Ik heb deze allemaal best wel positief gelezen. We hebben de neiging om het nog preciezer in te richten, met het risico dat het bijna een werkinstructie wordt. Dat is iets waar wij, denk ik, waakzaam op moeten zijn. Desalniettemin is de grondhouding positief. Mijn eerste vraag aan het kabinet is dan ook of het wetsvoorstel, als het kracht van wet krijgt, voldoet aan het VN-verdrag voor mensen met een beperking. Graag een reactie. Verschillende belangenorganisaties, of het nou het College voor de Rechten van de Mens is of andere belangenbehartigers aangaande het VN-verdrag, hebben ook hun zorgen geuit. Met dit wetsvoorstel mogen alleen kiezers met een fysieke beperking zelf iemand aanwijzen. Kiezers met een licht verstandelijke beperking mogen dat bijvoorbeeld alleen via een stembureaulid; zij mogen straks in het stemhokje alleen ondersteund worden door een lid van een stembureau. Dat is voor hen dus niet hetzelfde als voor mensen met een lichamelijke beperking. Ik ben dus wel benieuwd. Ik zag het dilemma ook in de memorie van toelichting. Graag een reactie van de minister. Hoe is hij tot deze afweging gekomen?

Dan kom ik nog op de positie van stembureauleden. Dat heeft er alles mee te maken dat wij die positie ook met dit wetsvoorstel zouden moeten versterken. Sterker nog, in onze optiek krijgen zij meer invloed. Als wij dit wetsvoorstel aannemen, mag een stembureaulid namelijk in theorie "mee het stemhokje in", zeg ik maar even. Dat is hoe het straks gaat. In dat licht zijn wij nog eens goed gaan kijken naar een eerder voornemen van mijn fractie, en dat was: hoe regelen wij nou heel goed dicht dat politieke beïnvloeding is uitgesloten? Het is nu namelijk zo dat zittende politici, volksvertegenwoordigers, lid kunnen zijn van een stembureau.

Laat ik mijzelf als voorbeeld nemen. Een kleine anekdote. Niet zo lang geleden — in 2007; best wel lang geleden dus — zat ik als kersvers raadslid in een stembureau voor de Provinciale Statenverkiezingen. Het is best wel ongemakkelijk om voorzitter te zijn van een stembureau én een prominent gezicht te zijn in mijn stad Gouda. Dat was ook de laatste keer.

In de wet is dit niet goed geregeld en daarom ligt er een amendement. Ik ga dat niet helemaal voorlezen, want u heeft het vast gelezen. Laat ik wel een paar dingen zeggen. We hebben er echt wel vertrouwen in dat ook stembureauleden die een volksvertegenwoordigende functie vervullen, bijvoorbeeld een raadslid bij een Kamerverkiezingen of bij een Statenverkiezing, integer handelen. Maar: we moeten alle schijn van belangenverstrengeling en beïnvloeding voorkomen. Daarom hebben wij ook met het oog op het wetsvoorstel, met dit amendement dit punt gemaakt.

Stel dat iedereen gaat zeggen: en de vrijwilligers dan? Er zijn heel veel steden die steeds meer vrijwilligers hebben. Dat is een hartstikke mooi proces. In Amersfoort en in andere gemeenten zijn er zelfs wachtlijsten. Dat komt ook omdat ze steeds beter worden getraind. Er is dus heel veel animo. Laten wij volksvertegenwoordigers die dag dus vooral andere dingen laten doen — er is genoeg werk — en laten we juist meer inwoners betrekken bij het stemproces.

Dan kom ik bij het punt van collega Flach over het amendement over de evaluatie. Daar zijn we ook helemaal voor. Verder willen wij dat de regering daarbij ook specifiek kijkt naar de afbakening waarvoor nu is gekozen. Is het niet toch mogelijk om te kijken of niet de groep met een fysieke beperking, maar de andere groep met een beperking in de toekomst misschien wel hulp zou kunnen vragen? Ik zie de dilemma's, maar het nadenken en het ervaren stoppen niet na dit wetsvoorstel.

Voorzitter. Daarnaast zien wij een ander punt, namelijk dat kandidaten met een beperking heel veel moeite ervaren als zij onderdeel willen worden van het democratisch proces. Mijn collega Westerveld heeft dat punt eerder gemaakt. Ik heb het dan over degenen die een beperking hebben en graag gemeenteraadslid willen zijn. Ik ben heel benieuwd hoe u daarnaar kijkt.

Dan nog over de communicatie. Ik dacht dat de heer Van den Brink deze vragen al had gesteld. Als dit van kracht is, wanneer treedt het dan in werking? Bij welke verkiezing? Hoe gaan we dan over de mogelijkheden communiceren richting de groep die we meer willen bereiken?

Daar wil ik het in mijn eerste termijn even bij laten, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Prima. Hartelijk dank. We gaan naar mevrouw Bikker. Zij voert het woord namens de ChristenUniefractie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Een dag na de verkiezingen, de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart, kreeg ik een mail van een mevrouw uit Bruinisse. Ze wilde met haar man, die de ziekte van Alzheimer heeft, gaan stemmen, en zij zou hem helpen. Al jarenlang brengen zij hun stem uit, en deze keer was het nodig dat zij mee zou gaan. Maar ze werd geweigerd door de stembureauleden. Uiteindelijk hebben deze mevrouw en meneer geen stem uitgebracht. Dat vind ik geen goede zaak. Dit is al uitvoerig in de pers geweest. De burgemeester heeft zich hierover op een goede manier geuit.

Ik denk dat het goed is dat we vandaag naar dit wetsvoorstel kijken, want dit wetsvoorstel om het stemmen voor mensen met een beperking te vergemakkelijken, komt zeker niet te vroeg. Stemmen is een heel groot goed. In onze democratie is de stem van alle Nederlanders, ook Nederlanders met een beperking, het volledig waard om uitgebracht te worden.

Bij de voorbereiding van dit debat moest ik denken aan vorige week donderdag. Het was Prokkeldag. Ook in mijn fractie liepen enkele mensen met een beperking een dagje mee als gast. Ze liepen stage en zagen iets van het werk in de Kamer. Ik heb vernomen dat uw Griffie dat volgend jaar ook weer mogelijk maakt. Wat goed! Zij gaven enkele tips mee. Ze willen heel erg graag zelf hun stem uitbrengen, maar zonder hulp lukt dat soms niet goed. Dus zijn ze nu nog aangewezen op een volmachtsstem, terwijl ze dolgraag zelf het vakje van hun keuze rood kleuren. En daar gaat het om.

Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk gemaakt voor kiezers om bijstand te krijgen bij het stemmen. In de memorie van toelichting is de regering uitgebreid ingegaan op de vraag wie de persoon moet zijn die die hulp levert. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ontstaan er twee regimes voor hulp in het stemhokje: mensen met een fysieke beperking mogen iemand naar keuze meenemen om hem te ondersteunen en mensen die om een andere reden hulp nodig hebben, mogen uitsluitend worden geholpen door een speciaal getraind stembureaulid. Dat roept bij mijn fractie vragen op over de uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. De twee regimes kunnen tot discussie in het stembureau leiden en stembureauleden in lastige situaties brengen. De Kiesraad en de VNG wijzen hier ook nadrukkelijk op: is het voldoende uitvoerbaar? Bovendien vraag ik me af of het onderscheid voor kiezers goed uitlegbaar is. Kan de minister aan iemand met een verstandelijke beperking uitleggen waarom de persoon in een rolstoel vóór hem in de rij wel zijn partner mee mag nemen, maar deze jongen zelf zijn moeder niet? Hoe zou de minister dat uitleggen? Zou de minister zeggen dat hij eigenlijk ook wil dat mensen met een fysieke beperking alleen een stembureaulid zouden mogen meenemen het stemhokje in, maar dat hij daar volgens een internationaal verdrag niet voor kan kiezen? Of zou hij zeggen dat hij de risico's op beïnvloeding bij die mensen zonder een fysieke beperking te groot acht, en dat de jongen daarom zijn moeder niet mee mag nemen?

Voorzitter. U kunt al opmaken uit mijn woorden dat ik de logica van het wetsvoorstel ... Ik begrijp de positie van de minister wel, ook gezien die internationale verdragen. Ik kan er begrip voor opbrengen, maar ik kan het niet uitleggen. Dat is de ingewikkeldheid van het wetsvoorstel dat hier vandaag voorligt. Dat vind ik problematisch. De regels voor hoe het er in het stembureau aan toegaat, moeten eenvoudig, duidelijk en voor iedereen te begrijpen zijn. Dat is voor mij de kern. Hoe kijkt de minister daarnaar? Zou hij het onderscheid helder en duidelijk kunnen uitleggen, zodat iedere kiezer het zou begrijpen? En erkent de minister dat één regime eenvoudiger, duidelijker en beter uitlegbaar zou zijn voor zowel kiezers als stembureauleden? Ook de Kiesraad pleit nadrukkelijk voor een gelijke behandeling van alle kiezers die hulp nodig hebben. Ik vraag me dan ook af of het onderscheid dat de minister met dit wetsvoorstel maakt, wel gerechtvaardigd is. Graag ook een reactie van de minister op dat punt.

Voorzitter. Er liggen nu amendementen voor die een keuze vragen van de Kamer. Welke van deze zou de voorkeur van de minister hebben: ondersteuning voor iedereen door een stembureaulid of ondersteuning voor iedereen door een persoon naar keuze? De minister kiest niet voor hulp voor iedereen door een stembureaulid, kort gezegd omdat internationale verdragen dat tegenhouden. Maar is hier niet gewoon een weging te maken tussen de verplichtingen die we hebben? Want internationale verdragen zeggen enerzijds dat we goede, ordentelijke verkiezingen moeten organiseren, waarbij we de risico's op beïnvloeding moeten beperken en het stemgeheim moeten respecteren. Het internationaal verdrag dat de rechten van mensen met een beperking beschermt, stelt dat ook zij een stem moeten kunnen uitbrengen en hierbij hulp moeten krijgen. De algemene bepaling uit het verdrag stelt dat eenmaal verworven rechten niet ingeperkt mogen worden. U ziet hier dat dit met elkaar kan botsen. De minister zegt nu dat het VN-verdrag Handicap hem geen ruimte laat, maar ik zie juist verschillende internationale verdragen die tegelijkertijd om aandacht vragen. Het beschermen van het stemgeheim, het voorkomen van beïnvloeding en het waarborgen van de toegankelijkheid voor mensen met een beperking zijn allemaal legitieme belangen. De vraag is daarom niet welke verplichtingen er bestaan, maar hoe we deze verschillende verplichtingen wegen. Daar zou ik de minister graag nader over horen.

Het borgen van het stemgeheim botst per definitie — daar had ik al even een uitwisseling over met collega Van den Brink — met het kunnen bieden van hulp bij het uitbrengen van een stem. Vraagt dit wetsvoorstel nu niet een nieuwe weging van al deze verplichtingen, vraag ik de minister. Hoe gaan andere landen om met deze verplichtingen? Wat is daar het gebruik om mensen met een beperking zelfstandig te kunnen laten stemmen?

Voorzitter. De kern van dit debat is dus hoe we mensen met een beperking kunnen ondersteunen zodat ze zelfstandig hun stem kunnen uitbrengen. Wat doet zo veel mogelijk recht aan het stemgeheim en voorkomt beïnvloeding zo veel mogelijk? In de memorie wordt uitgebreid ingegaan op de risico's van beïnvloeding en misbruik, en dat is terecht. Maar als het gaat om beïnvloeding en misbruik maak ik mij eerlijk gezegd grotere zorgen om het gebruik van het aantal volmachten bij de Nederlandse verkiezingen dan om misbruik door de hulp in het stemhokje bij mensen met een beperking. Recent zijn er zelfs voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis nieuwe verkiezingen uitgeroepen na vermoedens van fraude. Om die reden heb ik dan ook een amendement ingediend om het aantal volmachten te verminderen van twee naar één.

In internationaal verband, bijvoorbeeld de OVSE en GRECO, zijn we als Nederland al meermalen op de vingers getikt omdat er in Nederland buitensporig veel gebruik wordt gemaakt van volmachtsstemmen. Tot nu toe hebben we die adviezen altijd een beetje in de wind geslagen. De reden waarom ik het amendement heb ingediend, is dat ik het een beetje zie als een soort evenwicht. Aan de ene kant maken we het juist voor mensen met een beperking gewoon makkelijker om zelfstandig hun stem uit te brengen, zodat zij minder zijn aangewezen op het gebruik van een volmacht. Aan de andere kant beperken we de mogelijkheden van het gebruik van volmachten om de kans op misbruik te verkleinen. Ik ben heel benieuwd naar de reactie van de minister.

De voorzitter:

De heer Flach op dit punt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Precies, ik zag iemand aankomen.

De heer Flach (SGP):

Inderdaad. Even over het beperken van die volmacht. Ik kan mij voorstellen dat je het zou moeten inperken als het er tien waren, want dan zou je echt met een hele bos volmachten uit de hele wijk kunnen gaan stemmen. Dit gaat om twee volmachten, bijvoorbeeld van je vader en je moeder. Je zult maar enig kind zijn en ze zijn op vakantie of zelf niet meer in staat om te gaan. Dan ben je niet eens meer in staat om voor je eigen ouders te stemmen. Zijn twee volmachten nou echt het grootste probleem? Ik ontken niet dat het op sommige plekken wel heel veel voorkomt, maar twee per individu is op zichzelf niet het probleem. Misschien is het probleem meer dat er dan op grote schaal gebruik wordt gemaakt van die mogelijkheid.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb met ontzettend veel interesse de dissertatie van doctor Brüheim gelezen. Hij is gepromoveerd op het stemmen bij volmacht. Ik moet eerlijk toegeven dat ik niet alle 339 bladzijden heb gelezen, maar ik heb wel mijn best gedaan om ook even de geschiedenis tot me te nemen. Dat begint eigenlijk al heel mooi met Urker vissers die aangeven dat zij op woensdag aan het varen zijn. Zij vragen de regering — ik geloof dat het in 1900 was — ervoor te zorgen dat zij op zaterdag mogen stemmen. Ik denk dat dat ooit het begin is geweest van het nadenken over stemmen bij volmacht. Als het over Urker vissers gaat, dan gaan meneer Flach en ik allebei stralen, want daar houden we van. Maar dat is precies het voorbeeld waarbij je het met één volmacht voor je thuisfront ook goed afkan.

Als ik naar de huidige problemen kijk, dan zie ik een heel aantal stembureaus waar het stemmen bij volmacht zelfs één op drie is. Ik vind dat ongezond. Laten wij hier met elkaar uitstralen hoe kostbaar het is om je stem uit te mogen brengen en dat het een groot goed is. Als ik dan naar die dissertatie kijk, zie ik daarin staan dat Nederland een van de weinige landen is waar zo ruimschoots gebruik wordt gemaakt van het stemmen bij volmacht en waar de regels dat ook zo erg mogelijk maken. Andere landen zijn niet asociaal in dit opzicht; daar geloof ik niks van. Dus ik denk dat het stemmen met maximaal één volmacht prima kan. Misschien zul je, als je één kind hebt, toch even bij je broer, je zus of vrienden moeten aankloppen. Ik denk dat het juist bedoeld is om in situaties waarin je echt niet kan stemmen het mogelijk te maken om om een volmacht te vragen. Maar als je gewoon vóór je werk denkt "ik heb geen zin om om te fietsen naar het stembureau", zeg ik: het is wel een kostbaar goed om te stemmen. Ik vind ook dat we daar wel een beetje in mogen investeren met elkaar.

De heer Flach (SGP):

Dat laatste is waar, maar we zien de opkomst ook dalen, dus we moeten ook zuinig zijn op die mogelijkheid van per volmacht stemmen. Volgens mij zijn dit twee verschillende dingen. Het is een feit dat een individu de mogelijkheid heeft om namens twee andere mensen te stemmen. Het is ook een feit dat daar op sommige plekken bovenmatig veel gebruik van wordt gemaakt. De vraag is of je dat probleem moet oplossen door het individuele recht om voor twee andere mensen te stemmen in te perken. Of moet je op een heel andere manier omgaan met voorlichting in de wijken waar het zo veel plaatsvindt? Misschien moet je kijken of een bepaalde afstand tot het stemproces een rol speelt. Kunnen mensen niet goed lezen of schrijven? Wat is de achtergrond van het feit dat er zo veel gebruik van wordt gemaakt? Maar om dan direct voor iedereen, in het hele land, het recht op per volmacht stemmen te halveren, vind ik wel een rigoureuze stap.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik vind dat helemaal niet zo rigoureus. De internationale aanbevelingen gaan veel verder dan dat. Dat zie ik ook in de landen om ons heen. Als ik terugkijk in de geschiedenis, zie ik dat het tot, geloof ik, 1957 ook zo was. De SGP bestaat langer dan de ChristenUnie, dus ook in die tijd, toen er één volmacht mogelijk was, heeft de SGP kiezers verkregen. Volgens mij is op een gegeven moment de uitzondering ontstaan dat je, als je in hetzelfde huishouden woonde, twee volmachten kon inbrengen. Maar als het kind van meneer Flach op zichzelf woont en twee ouders heeft die op vakantie gaan, dan zullen zij een andere oplossing moeten vinden. Ik vind dat het waard, omdat ik wil voorkomen dat er discussies ontstaan over het stemmen bij volmacht. Met name bij de gemeenteraadsverkiezingen zien we dat toch keer op keer gebeuren. Dat is een weging; dat geef ik meteen toe. Dat kan de heer Flach ook anders wegen. Maar als je één volmacht uit kan brengen, kan je nog steeds, mocht je onverhoopt de griep krijgen, iemand anders vragen om jouw stem uit te brengen. Mocht je op vakantie gaan, zie je dat over het algemeen lang van tevoren aankomen. Als je midden in maart op vakantie gaat, zie je dat wel aankomen en dan kan je daar gewoon lang van tevoren maatregelen voor nemen, omdat het democratisch proces kostbaar is. Maar ondertussen heb ik nog even gekeken naar de 30 stembureaus waar de meeste volmachten worden gebruikt. Ik vind dat daar echt wel sprake is van zo'n aanzienlijk aantal dat ik denk: dit moeten we veranderen en we moeten als overheid normeren dat je in principe gewoon zelf je stem uitbrengt.

De voorzitter:

Afrondend, meneer Flach.

De heer Flach (SGP):

Ja, afrondend. Als mevrouw Bikker met een motie zou komen waarin ze verzoekt om te komen met een plan van aanpak om ervoor te zorgen dat het aantal volmachten bij die 30 stembureaus vermindert, zou ik die van harte steunen. We hebben echter wel een paar duizend van die stembureaus. Ik vind het toch wel een recht. We hebben namelijk in Gorinchem gezien dat de verkiezingen midden in de vakantie plaatsvonden. Daar hadden mensen hun vakantie allang gepland en veel mensen moesten dus gebruikmaken van die volmacht om überhaupt te kunnen stemmen. Je ziet dus dat het ook kan leiden tot het verlies van stemmen voor mensen of dat de opkomst erdoor daalt. Ik zou mevrouw Bikker dus willen vragen om nog eens goed te kijken of we hier niet met een kanon op de verkeerde mug aan het schieten zijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Daar moet ik collega Flach toch weerspreken. Die extra verkiezingen in de vakantietijd waren niet nodig geweest als we het aantal volmachten hadden beperkt. Dan had iedereen daar dus heel genoeglijk op vakantie kunnen gaan. Twee: met een kanon op een mug schieten zou het stemmen bij volmacht overbodig maken. Dat zou zeggen dat we dat niet meer gaan doen. Dat zie je ook in sommige landen. Ik ben daar niet voor. Als je door de eeuwen heen kijkt, zie je dat we in Nederland verschillende manieren hebben beproefd. Ik denk, gezien de bevindingen, dat dit een moment is dat we twee dingen doen. Aan de ene kant maken we het makkelijker voor mensen met een beperking om zelf naar het stemlokaal te komen — dat vind ik een groot goed. Aan de andere kant zetten we een rem op het misbruik bij volmachtstemmen en maken we het nog steeds mogelijk voor iemand die de griep heeft om aan de buurvrouw te vragen: zou je voor mij de stem uit willen brengen op deze of die fantastische partij?

Mevrouw Huizenga (D66):

Mevrouw Bikker begint over de volmachten, dus dan moet ik natuurlijk ingaan op de initiatiefwet die er ligt vanuit D66 en PRO met betrekking tot volmachten. Maar ik zou het vandaag vooral willen hebben over die bijstand in het stemhokje. Als we het hebben over volmachten, moet je de discussie namelijk breder trekken. Waarom betrekt u nu het aantal volmachten bij de bijstand in het stemhokje? Dat is namelijk waar het vandaag over gaat.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat komt omdat ik een beetje aan het kijken was hoe we de balans houden tussen aan de ene kant dat stemgeheim meer waarderen … Dat doen we door met bijstand in het stemhokje mogelijk te maken dat mensen zelf kunnen gaan stemmen in plaats van bij volmacht en door mogelijk te maken dat mensen met een beperking … Ik heb verschillende mensen gesproken die nu niet konden stemmen. Ik vind het heel goed dat de minister het initiatief neemt dat zij wel hun stem kunnen uitbrengen. Uit ervaring weet ik dat we in dit parlement niet megavaak over de Kieswet praten. Voordat je dus weer een volgende keer hierover spreekt en de kans hebt om die andere kant, namelijk het misbruik van de volmachten, aan te pakken, ben je zomaar weer ten minste een jaar verder. In het huidige getij heb je dan alweer heel wat verkiezingen gehad. Dat is inderdaad ook een probleem, meneer Mohandis! Daar kunnen we het een andere keer over hebben; we zullen niet alles aan elkaar verknopen.

Ik vond dit dus een logisch moment om dit amendement naar voren te brengen. Natuurlijk sta ik open voor de gedachtewisseling. Als de minister zegt dat hij over een halfjaar een uitstekende kans ziet om het voorstel nog beter beargumenteerd verder te brengen, ben ik daar ook benieuwd naar. Ik sta hier echt niet om vandaag dit punt te scoren; ik sta hier omdat ik het democratisch proces wil verbeteren. Ik zie een structureel probleem in het stemmen bij volmacht. Dat is al jarenlang zo. Internationale organisaties geven dit al jarenlang aan. Wij hebben lange tijd gezegd: wij Nederland zijn als een Gallisch dorpje; wij doen het anders. Maar ik vind langzamerhand dat die internationale waarnemers helaas wel een beetje gelijk hebben.

Mevrouw Huizenga (D66):

Is de ChristenUnie het dan met mij eens dat we op een later moment de discussie moeten voeren over die volmachten, in combinatie met vervroegd stemmen? Het gaat namelijk om die brede discussie over dat stemmen. Is zij het met mij eens dat we ons vandaag vooral moeten focussen op de bijstand in het stemhokje?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dan had ik dit amendement niet ingediend. Dat zie ik dus toch net anders. Ik denk: we hebben nú de Kieswet voorliggen. We hebben recent problemen gezien in Gorinchem. Ik noem ook het onderzoek van de NOS waarin je ziet dat er verschillende stemlokalen zijn waarin zelfs een op de drie stemmen bij volmacht wordt uitgebracht. Dat is echt veel, ook als je verder kijkt. Een op de tien stemmen wordt in Nederland bij volmacht uitgebracht. Elders in Europa wordt dit aantal niet gehaald. Ik denk echt dat we dat beter kunnen doen. Ik wil dus pleiten voor een helder systeem. Daar zit ook mijn zorg bij dit wetsvoorstel, waarin weer twee regimes gaan ontstaan in het aanbieden van de hulp in het stemhokje. Ik wil een helder systeem, waarbij je nog steeds stemmen bij volmacht mogelijk maakt, maar waarmee we ook laten zien dat we dat misbruik niet willen hebben. Ik vind het belangrijk om dat helder te houden. Dat was ook mijn discussie met de collega Van den Brink. We moeten het ook weer niet helemaal dichtregelen. Ik heb gepoogd daaraan een bijdrage te leveren, maar altijd in de volle ontspanning, omdat deze Kamer gezamenlijk tot de beste wetsvoorstellen komt.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Huizenga.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dan wil ik toch de hand reiken aan de ChristenUnie. Als we het behalve over de volmacht ook gaan hebben over vervroegd stemmen, dan kunnen we daar samen mee aan de slag gaan. De combinatie in die initiatiefwet met PRO draait erom dat als je het aantal volmachten terugbrengt, je ook aan de slag moet gaan met vervroegd stemmen. Wat ons betreft is het dus te vroeg om alleen te sleutelen aan de volmachten. Misschien kan ik daar dus nog een reactie op krijgen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb zelf inderdaad ook wel voornemens aangekondigd wat betreft vervroegd stemmen, met name als het om de Tweede Kamerverkiezingen gaat. Daar moeten we naar kijken. Ik vind dat niet verstandig. Ik vind dat wij gewoon vier jaar ons werk moeten doen. Waar ik de problemen met de volmachtstemmen het meest zie, is bij de gemeenteraadsverziezingen. Die keren keer op keer terug. Dit keer was het Gorinchem, maar ik kan me ook nog andere situaties herinneren. Soms krijg je de vinger er niet achter. Niet voor niks noem ik de verhoudingen in de stembureaus. Ook uit de wetenschappelijke literatuur krijg ik het beeld dat we met name bij de gemeenteraadsverkiezingen dit probleem hebben. Dat is ook niet zo gek. De heer Van den Brink gaf al allerlei sprekende voorbeelden. Je kent elkaar en vraagt je af wat voor impact dit heeft. De heer Mohandis gaf al aan dat iemand die lokaal verkozen is ook in het stembureau kan zitten. Ik steun dat amendement dus. Dat scheelt weer in de inbreng.

De heer Meulenkamp (VVD):

Mevrouw Bikker komt met het voorbeeld van Gorinchem. Er zijn 342 gemeentes in Nederland. Bij een is het dan misgegaan bij de gemeenteraadsverkiezingen. Zou dat niet juist een argument zijn om het gewoon te laten zoals het nu is?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat is precies waarom ik naar OVSE en GRECO verwees. Internationaal wordt al lange tijd aangegeven dat Nederland het broertje is dat totaal uit de pas loopt vergeleken met andere Europese landen wat betreft het stemmen bij volmacht en de risico's die dat oplevert voor een eerlijk en duidelijk stemproces. Ik heb ook lange tijd, net als veel collega's, gezegd dat het een unieke traditie is in Nederland dat wij wat ruimer zijn in de volmachten. Als ik het nog een keer goed weeg, overweeg hoe belangrijk het is dat we verkiezingen hebben en de bezwaren tot me door laat dringen van OVSE en GRECO, dan kan ik m'n vingers niet in de oren stoppen. Ze hebben wel een punt. Ik wil dat stemmen bij volmacht bewaren, omdat ik houd van een samenleving waarin we naar elkaar omzien. Als de buurvrouw gevallen is, dan kan haar stem wel worden uitgebracht. Daarom zeg ik: terug naar één en dit niet verbieden. Maar ik zeg ook: laten we misstanden voorkomen. Gorinchem is het meest recente voorbeeld, maar die 30 stembureaus die de NOS analyseerde laten ook zien dat er een breder probleem is.

De heer Mohandis (PRO):

Ik wil nog even doorgaan op het punt van de collega van D66. Ik snap het voorstel over de volmachten heel goed. Er ligt een initiatiefwetsvoorstel van collega's Sneller en Bushoff. Daar zit juist een samenhang in met dat vervroegd stemmen. De heer Flach gaf het voorbeeld van de twee volmachten. Je zou die — heel technisch — kunnen spreiden over twee dagen. Het is heel jammer als het nu heel smal benaderd wordt en niet breder bekeken wordt. We kunnen het terugdringen van volmachten koppelen aan vervroegd stemmen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik hoor de minister daar ook graag over. Ik heb richting collega Huizenga aangegeven dat mijn zorg zit in de vraag wanneer we weer over de Kieswet komen te spreken. Dan hadden we het probleem al kunnen oplossen. Goede initiatiefwetten van collega's wil ik altijd steunen. Ik gun deze collega's van harte de eer voor het doen van goede voorstellen — no problem. Als ik dit wetsvoorstel analyseer, zie ik dat we het aan de ene kant makkelijker maken om mensen naar de stembus te laten gaan, maar is er nog steeds de kans op misbruik. Laat ik het gedachteproces van de fractie meegeven. Wij waren er bang voor dat je voor je het weet aan het dichtregelen bent wat daar mis kan gaan. Toen ging ik toch even uitzoomen om te zien wat nou echt het probleem is wat betreft misbruik. Dat zit niet in die mate bij deze groep kiezers. Die gedachtegang leidde naar het amendement. De volgorde waarin we bij het resultaat komen, maakt me niet zo veel uit. Ik wil dat we een sterker democratisch proces krijgen. Daar daag ik de minister vandaag graag toe uit.

Goed, voorzitter. Ik kom tot een slot, hoor; geen zorgen. Dat gaat over de toegankelijkheid. Wanneer je denkt aan toegankelijkheid, denk je al snel — terecht ook — aan toegankelijkheid voor mensen met een fysieke beperking, maar toegankelijkheid gaat verder. Zo kan de inrichting van een stembureau veel verschil maken. Er zijn gelukkig al dementievriendelijke stembureaus op initiatief van Alzheimer Nederland. Daarnaast zijn er bij veel verzorgingstehuizen stembureaus. Daar ben ik blij mee. Ik ben benieuwd welke goede voorbeelden de minister nu ziet en hoe goede voorbeelden ook bij andere gemeenten toegepast kunnen worden, want het maakt heel veel uit voor de opkomst als je dit soort zaken goed op orde hebt. Hoe ziet het ministerie van Binnenlandse Zaken het in samenwerking met de VNG voor zich dat we dit beter kunnen stimuleren?

Voorzitter. Uiteindelijk gaat dit wetsvoorstel dus niet alleen over hulp in het stemhokje. Het gaat over de vraag of mensen met een beperking hun stem daadwerkelijk zelfstandig kunnen uitbrengen. De vraag die vandaag voorligt, is hoe we dat doen op een manier die zowel toegankelijk is als recht doet aan het stemgeheim. Ik heb een aantal bezwaren en zorgen gedeeld met de minister. Ik ga heel goed luisteren naar zijn beantwoording. Voor mij zijn uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid de sleutels waarop ik het wetsvoorstel zal wegen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. We gaan nu naar de heer Clemminck, die spreekt namens de fractie van JA21.

De heer Clemminck (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Ik zal maar direct helder zijn: de fractie van JA21 heeft moeite met dit wetsvoorstel. Dat heeft alles te maken met de kwetsbaarheid van het stemgeheim, met de borging van de stemvrijheid en met de vraag of wij bij onze begrijpelijke wens om verkiezingen toegankelijker te maken, niet te lichtvaardig omgaan met de waarborgen die verkiezingen vrij en eerlijk maken. De Raad van State heeft een advies over de samenhang tussen het stemgeheim, de stemvrijheid en de stemtoegankelijkheid uitgebracht. Te veel nadruk op toegankelijkheid brengt het stemgeheim en de stemvrijheid in gevaar. Daar zit voor mijn fractie ook de zorg. En dat allemaal met de blamage van de verkiezingen in Gorinchem nog vers in ons geheugen.

In deze Kamer is veel aandacht voor de invloed van de techindustrie op onze democratie: buitenlandse trollen en beïnvloeding. Op zich is dat terecht, maar de echte aanval op onze democratische waarden komt van binnen, om precies te zijn van de Turkse gemeenschap in Gorinchem. Dat was voor veel betrokkenen die al jaren bij het lokaal bestuur werken, op zich geen verrassing. Het is een publiek geheim dat er binnen de Turkse gemeenschap veel aan stemmen ronselen gebeurt.

De stempas is een manier om verkiezingen toegankelijk te maken, maar dat gaat ten koste van de stemvrijheid en het stemgeheim. Dat is precies de les die we uit dit soort incidenten moeten trekken. Toegankelijkheid zonder voldoende waarborgen kan misbruikt worden door mensen die niet het belang van de individuele kiezer maar hun eigen politieke belang vooropstellen.

Dit alles maakt mijn fractie dan ook beducht voor dit wetsvoorstel. Stembureauleden worden opgezadeld met een lastige taak. Iedereen mag in een stemhokje hulp vragen van een stembureaulid, behalve iemand die een fysieke beperking heeft. Die kan een persoon naar keuze meenemen. Daarmee ontstaan er twee regimes: een regime voor de kiezers die om andere redenen ondersteuning nodig hebben en een regime voor de kiezers die vanwege lichamelijke gesteldheid ondersteuning nodig hebben. Dat is onduidelijk voor stembureauleden en voor de kiezer zelf. Het is moeilijk uitlegbaar vanuit het perspectief van gelijke bescherming van het stemgeheim. Daarom heb ik namens JA21 een amendement ingediend om dit wetsvoorstel aan te passen.

Er komt wat ons betreft één regime. Iedereen die behoefte heeft aan ondersteuning in het stemhokje kan die krijgen van een stembureaulid. Dat maakt de uitvoering voor stembureauleden en kiezers duidelijker. Er zijn geen twee regimes meer en er is geen beoordeling aan de deur van het stemhokje over welke ondersteuning iemand nodig heeft. Er zijn geen verschillende waarborgen voor verschillende soorten kiezers en er is één duidelijke norm voor iedereen. Dat borgt de toegankelijkheid van de stemming. Ook kiezers met een fysieke beperking kunnen daar gebruik van maken. Het zorgt ervoor dat een kiezer met een fysieke beperking bij elk stemlokaal op elk moment kan stemmen. Vooraf georganiseerde ondersteuning is dan niet meer nodig voor deze kiezer.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

De heer Clemminck schrijft in de toelichting bij zijn amendement dat de bijstand door alleen een stembureaulid volgens hem geen achteruitgang is voor de rechtspositie van mensen met een lichamelijke beperking. Maar is het niet zo dat als iemand vandaag iemand naar keuze kan meenemen en als dat volgens dit amendement niet meer kan, hij dan een recht verliest?

De heer Clemminck (JA21):

Nee, zeer zeker niet. Ik denk dat het zelfs een versterking is van de toegankelijkheid voor deze kiezers. Dat was mijn laatste zin voor de interruptie. Het betekent dat deze kiezer niet zelf iemand hoeft te organiseren met wie hij naar een bepaalde plek op een bepaald moment kan. De kiezer kan ervan uitgaan dat hij of zij op elk moment van de dag en op elk stemlokaal kan stemmen met ondersteuning. Ik denk dat dat een versterking is, een praktische versterking. De Raad van State heeft het ook over de balans tussen enerzijds het toegankelijk maken van het stemproces voor iedereen — daar ben ik hartstikke voor — en anderzijds het stemgeheim en de stemvrijheid. De keuze voor een stembureaulid versterkt de waarborging van de stemvrijheid en het stemgeheim van deze kiezer. Ik denk dat dat een vooruitgang is.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik vraag me een beetje af of de heer Clemminck heeft gesproken met die mensen die een lichamelijke beperking hebben. Denkt hij dat zij dit ervaren als een vooruitgang?

De heer Clemminck (JA21):

Ik heb zeker met hen gesproken. Dat is wisselend; laat ik daar eerlijk over zijn. Het gaat om een afweging van verschillende belangen, die we allemaal even belangrijk vinden, maar we moeten een afweging maken. Uiteindelijk kom ik tot het oordeel dat het belang van het stemgeheim zwaarder weegt, plus het feit dat er voor de kiezer ondersteuning beschikbaar is. Het is eigenlijk zelfs een verbetering, zoals ik net aangaf, omdat deze kiezer namelijk in elk stemlokaal op elk moment van de dag zijn of haar stem kan uitbrengen. Uiteindelijk is mijn oordeel over de balans tussen die drie waarden dat dit ook voor deze kiezer een betere balans is.

Mevrouw Huizenga (D66):

Het is inderdaad een aanvullende vraag. De heer Clemminck geeft aan dat mensen met een fysieke beperking de mogelijkheid hebben ondersteuning te krijgen van een stembureaulid. Maar als je een fysieke beperking hebt, begint dat al onderweg naar het stembureau. Denkt u dat die stembureauleden in staat zijn mensen met een fysieke beperking voldoende te ondersteunen om hun stemrecht uit te oefenen?

De heer Clemminck (JA21):

Jazeker, dat denk ik wel, omdat het alleen gaat over dat deel dat in het stemlokaal plaatsvindt, dus het laatste stapje in het proces om je stem uit te brengen. Voor deze stembureauleden wordt ook voorzien in begeleiding en training. Ik denk dat dat voldoende is voor deze kiezers.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dan heb ik een aanvullende vraag. U gaf aan dat u het stemgeheim belangrijker vindt dan de voorwaarden voor mensen met een handicap om goed te kunnen stemmen. Waarom kiest u daarvoor?

De heer Clemminck (JA21):

Dat zei ik niet. Ik zei dat alle drie de waarden belangrijk zijn: de toegankelijkheid, het stemgeheim en de stemvrijheid. Dat zijn drie waarden die belangrijk zijn en waarin we een balans zoeken. Dat is volgens mij ook de worsteling die de minister zelf heeft gemaakt en die wij vandaag in het debat horen. In die belangenafweging zijn alle drie belangrijk. Ik neem ze alle drie mee. Maar in die belangenafweging kom ik uiteindelijk tot de slotsom dat de waarborg van de stemvrijheid en het stemgeheim zwaar wegen, terwijl tegelijkertijd de toegankelijkheid voldoende gewaarborgd blijft. Dat is mijn amendement.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Huizenga.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dan kom ik tot de conclusie dat u het stemgeheim belangrijker vindt dan de rechten van mensen met een beperking.

De heer Clemminck (JA21):

Het is altijd gevaarlijk als collega's een samenvatting of conclusie geven van je eigen bijdrage. Volgens mij klopt deze niet, met alle respect voor mevrouw Huizenga. Ik heb net aangegeven dat alle drie de waarden van belang zijn. Die delen wij volgens mij in de Kamer; dat geldt van links tot rechts in deze Kamer. Het is een worsteling om te kijken hoe je daarin de balans zoekt. Ik heb geprobeerd die balans te zoeken in het waarborgen van alle drie de waarden. Mijn conclusie is dat dit in het amendement voldoende gewaarborgd is. Dat betekent inderdaad dat mensen met een lichamelijke beperking wel degelijk ondersteuning kunnen krijgen, maar dan wel van een lid van het stembureau.

De voorzitter:

U gaat uw betoog vervolgen.

De heer Clemminck (JA21):

Ik had aangegeven dat het amendement het kiesgeheim en de stemvrijheid steviger borgt dan in de huidige praktijk. De minister onderkent in de nota naar aanleiding van het verslag dat het stemgeheim beter wordt geborgd bij ondersteuning door stembureauleden dan door een persoon naar keuze. Dat lees ik letterlijk in de nota naar aanleiding van het verslag. Waarom vindt de minister het risico voor kiezers met een fysieke beperking dan wel acceptabel? Heeft de minister geen verantwoordelijkheid naar hen toe? Daarnaast wil ik graag een nadere toelichting van de minister op het VN-verdrag en de vraag of dat voldoende ruimte laat om deze keuze te maken. Ik denk van wel.

Voorzitter. We lezen dat een deel van de kiezers zonder beperking ondersteuning kan gebruiken. Het gaat dan om niet-westerse allochtonen met vaak een taalachterstand, zo lees ik in de memorie van toelichting. Voor mijn fractie is die taalbeheersing geen reden om ondersteuning te vragen. Men stemt voor een Nederlandse volksvertegenwoordiging in de gemeenteraad, Provinciale Staten, het waterschap of de Tweede Kamer. Dan mag voldoende taalbeheersing van de kiezer worden verwacht. Voor mijn fractie is ondersteuning in het stemhokje in een andere taal dan het Nederlands of Fries onacceptabel. Het antwoord van de minister dat wij eerder hebben gekregen, vind ik te gemakkelijk. Vindt de minister het werkelijk acceptabel dat er straks in een andere taal dan het Nederlands of Fries wordt gesproken in het stemhokje bij de ondersteuning die een kiezer vraagt bij het maken van een keuze voor Nederlandse volksvertegenwoordigers? Daar heb ik echt moeite mee, voorzitter. De fractie van JA21 wacht het antwoord van de minister af, maar overweegt een amendement of een motie in te dienen als het antwoord ons onvoldoende tegemoetkomt.

Tot slot, voorzitter, kort over de overige amendementen van mijn collega's. Het moge duidelijk zijn dat de fractie van JA21 het amendement van collega Schilder niet kan ondersteunen. Ik voel veel sympathie voor het amendement van mevrouw Bikker. Ik wacht het antwoord van de minister af. Tegelijkertijd voelt het ook wat onzorgvuldig om dit amendement te betrekken bij een wetsvoorstel waar het eigenlijk niet over gaat. Ik ben ook benieuwd of wij, afhankelijk van het antwoord van de minister, op een later moment misschien zorgvuldiger kunnen spreken over een amendement waarin ik mij inhoudelijk op zichzelf wel kan vinden.

Voorzitter, tot zover.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan wij door met de heer Bosma, die namens de fractie van de PVV, dat staat voor Partij voor de Vrijheid, zal spreken.

De heer Martin Bosma (PVV):

Dank voor deze commercial. We zullen het filmpje daarvan verspreiden.

De voorzitter:

Heel goed. Gaat uw gang.

De heer Martin Bosma (PVV):

We weten nog steeds niet wat mevrouw Bikker heeft geantwoord toen zij in dat stembureau zat en die kiezer op Wouter Bos wilde stemmen. Dat was bij de Europese verkiezingen en Wouter Bos stond niet op het stembiljet. Maar misschien horen we dat nog in tweede termijn. We horen dan ook graag of die kiezer geloofde dat hij gewoon op de ChristenUnie moest stemmen. Maar dat is allemaal voor de tweede termijn.

Dit lijkt een onschuldig wetsontwerp. Het is anderhalve pagina; als je niest, is het verdwenen. We hebben hier weleens over grotere wetten gedebatteerd. Maar het heeft wel degelijk z'n gevaarlijke kanten. Met uw welnemen, voorzitter, wil ik daar vandaag even op wijzen.

De mensen in het stembureau werken voor de gemeente omdat ze ambtenaar zijn of omdat ze zijn gevraagd om daar te zitten. Vaak zijn het raadsleden of mensen die anderszins bij de lokale politiek betrokken zijn. Zij doen dat op verzoek van de burgemeester en het college van B en W, die tenslotte de regering vormen van de gemeente.

Waar zijn die burgemeesters van afkomstig? Zij komen niet van alle politieke kanten; het is een heel beperkt gezelschap. De Tweede Kamer ziet er als volgt uit: links, midden en rechts. De partijen rechts leveren geen burgemeesters. Dat is heel gek. De mensen daar zien hun politieke voorkeur dus niet vertaald in de richting van iemand met een ambtsketen. De mensen hier spreken veel over verbinding, geen uitsluiting en inclusie, maar vervolgens mogen de mensen hier geen burgemeester worden.

Dat geldt eigenlijk ook voor de colleges van burgemeester en wethouders, zeg maar de lokale regeringen. Je ziet bijna altijd dat de partijen rechts van de VVD worden uitgesloten. Dat geldt ook voor de regeringen van de provincies. Ik stel vast dat dit ook geldt voor de commissarissen van de Koning. De SP, die zo klein is dat ze niet eens bij dit soort debatten is, heeft wel een commissaris van de Koning. De ChristenUnie, die kleiner en kleiner wordt, heeft de tweede stad van Nederland, Rotterdam, in handen. De mensen die die functies vervullen zijn heel aardig en ik gun het ze van harte, maar het is scheef, schever, scheefst. En het is in strijd met de opvatting van democratie. Een enkele keer glipt een partij rechts van de VVD erdoorheen, bijvoorbeeld in het mooie Rucphen, wat niet bepaald de grootste gemeente van Nederland is. De heer Bontenbal van het CDA, dat daar samen met de PVV gaat regeren, zegt daarover dat dat totaal verkeerd is. Die cultuur van uitsluiting leeft in het lagere openbaar bestuur.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Na deze uitweiding van de heer Bosma hoor ik graag wat het verband is met dit wetsvoorstel. Ik wil toch opgemerkt hebben dat, of het nu gaat om de gouverneur in Limburg of de burgemeester van Rotterdam, het kennelijk niet de grootte van de partijen is die bepaalt wie deze persoon is. Je zou in alle grootmoedigheid ook kunnen zeggen dat het kennelijk de kwaliteit van de bestuurder is. Dat is ook een aanmoediging voor partijen om kwalitatief goede bestuurders naar sollicitaties te brengen. Ik geloof dat er vast en zeker voor elke partij kansen zijn. Ik had tien jaar geleden ook niet gedacht dat de ChristenUnie een burgemeester zou leveren op deze plek. Maar wat is het mooi dat in ons land kwaliteit is gaan gelden in plaats van briefjes van de commissaris waarin staat welke partij aan de beurt is om een burgermeester te leveren. Gelukkig is die tijd voorbij.

De heer Martin Bosma (PVV):

Kwaliteit is niet doorslaggevend. Met alle respect voor mevrouw Schouten, die ik al heel lang ken en enorm waardeer en het feit dat de burgemeester het in Rotterdam ongetwijfeld goed doet — dat weet ik niet, want ik ben daar niet van op de hoogte — maar er is wel degelijk een politiek van uitsluiting gaande. Dat betekent dat partijen rechts van de VVD geen burgemeester leveren. Veel mensen uit mijn partij kunnen boeken schrijven over de afwijzingen die steeds plaatsvinden. Dan gaat het niet over kwaliteit, maar over van welke partij je bent. En als dat rechts van de VVD is, dan is de kans nul dat je een commissaris van de Koning of een burgemeester levert. Dat staat haaks op de Nederlandse democratie en dat is heel slecht.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

We hebben het in Nederland zo geregeld dat we dat niet per referendum doen. Dan zouden we misschien een andere uitkomst hebben. We hebben het zo geregeld dat we het per volksvertegenwoordiging doen. Ook de PVV heeft volksvertegenwoordigers in de gemeenteraad zitten die deel uitmaken van de vertrouwenscommissie, die gezamenlijk tot een voordracht komt. Er kan nu wel huiliehuilie worden gedaan over het feit dat er geen PVV'ers worden toegelaten, maar de lokale gemeenteraden gezamenlijk kiezen iemand. Heel geregeld is dat niet iemand van de grootste partij. Zitten daar mensen tussen over wie de heer Bosma "ik kan het nog beter" denkt, dan zou ik zeggen: pak uw kans en ga aan de slag. Maar ga nu niet mensen verdacht maken die op basis van hun kwaliteit gekozen zijn. Kom dan gewoon bij uw principiële punt, want volgens mij is dat waarom de PVV zegt: wij willen het per referendum. Dan hebben we een ander debat, maar we gaan niet bestuurders verdacht maken die op basis van hun kwaliteit door de vertrouwenscommissie namens de hele gemeenteraad zijn voorgedragen.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik doe geen huiliehuilie over de PVV; ik doe huiliehuilie over de Nederlandse democratie. Het burgemeesterskorps is scheef opgebouwd. We zien hoe scheef dat is verdeeld. Ik geloof dat 30% van de Nederlanders een CDA-burgemeester heeft. Ik doe dit even uit mijn hoofd. Het CDA had in de vorige periode vijf zetels. Die konden gewoon in een lelijk eendje rondrijden en toch heeft 30% van de Nederlanders een CDA-burgemeester. Dat is volledig scheef. Het zou mevrouw Bikker sieren als ze aan mijn kant zou staan en zou zeggen: dat is verkeerd, zo moet het niet zijn en zo kan de democratie niet voortbestaan. Steeds minder Nederlanders herkennen zich in de democratie. Die weten zich niet vertegenwoordigd. Dat zien we gewoon elke dag. Dat zien we nu bijvoorbeeld ook bij de Spreidingswet.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Bikker. En we gaan het nu niet over de Spreidingswet hebben, meneer Bosma, want dan weiden we wel heel erg uit.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik dacht: ik leg de bal even op de stip.

De voorzitter:

Ja, dat snap ik.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Eigen doelpunten mag de heer Bosma zelf maken, dus deze bal laten we lekker liggen.

Het gaat mij erom dat dit wetsvoorstel het voor meer mensen mogelijk maakt om hun stem uit te brengen, ook als je een beperking hebt. Ik zou zeggen: dat is dus nog meer kans voor elke partij om stemmen binnen te halen. De burgemeester is over het algemeen juist de kroonbenoemde functionaris die boven de partijen staat en die zichtbaar maakt hoe het lokaal bestuur en de handhaving van de openbare orde vorm moeten krijgen. Gezien die rol en dat ambt is het ergens ook te begrijpen dat mensen die enorm grote uitspraken doen waar een heel groot deel van Nederland zich minder in herkent, door een vertrouwenscommissie minder snel worden voorgedragen als burgemeester.

Als mensen kwalitatief laten zien dat zij dat heel goed zouden kunnen, dan maken zij een grote kans bij vertrouwenscommissies. Dat blijkt juist uit het feit dat ook kleinere partijen op dit moment burgemeesters leveren in Nederland. Dat was tien à twintig jaar geleden ongebruikelijk. We zagen toen dat bepaalde bestuurderspartijen altijd aan het langste eind trokken. Dat kan ik collega Bosma helemaal nageven. Het moet gaan om kwaliteit. De heer Bosma zegt eigenlijk: ik wil, democratisch, dat de grootste partij meer bestuurders gaat leveren. Ik vraag me af of de kwaliteit van ons land er daardoor op vooruitgaat. Gezien het kabinet-Schoof is dat beeld in ieder geval in de afgelopen jaren bij mij nog niet versterkt, maar dat kan nog groeien.

De heer Martin Bosma (PVV):

Voorzitter, zal ik verdergaan met mijn tekst? Mevrouw Bikker zegt iets geweldigs en dan ga ik meteen mee. Maar goed, u laat de tijd lopen. Mevrouw Bikker zegt namelijk: burgemeesters moeten boven de partijen staan. Inderdaad, zo is het vastgelegd. Dat is ook onze cultuur. Die burgemeester is aan de ene kant ongekozen en dat veronderstelt dat die vervolgens boven de partijen staat. De burgemeester moet neutraal zijn. Dat verwachten wij van burgemeesters. Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters geeft zelfs cursussen in hoe je neutraal moet zijn als voorzitter. Dat is part of the deal. Dat is onderdeel van het sociale contract dat we hebben.

Maar hoe werkt dat in de praktijk? Hoe pakt dat uit? Niet zo best, want burgemeesters radicaliseren, burgemeesters polariseren en burgemeesters die geacht worden boven de partijen te staan, blijken gewoon heel vaak de linkse activisten te zijn die ze altijd al waren. Recentelijk spraken drie burgemeesters zich uit voor de Nakba. Ze nemen een complete waanzinpositie in over wat er in 1948 is gebeurd.

In Utrecht, nota bene bij de voorzitter van de VNG, de lobbyorganisatie van al die ongekozen burgemeesters, wordt eerst de gemeenteraad verstoord. Het democratische proces wordt dus verstoord. De mensen die die verstoring hebben gepleegd, worden niet vervolgd. Ik was bij het proces van de blokkeerfriezen. Die werden wel vervolgd. Die mensen in Utrecht verstoren dus de gemeenteraad vanwege Gaza. Ze schreeuwen en blèren. Wat gebeurt er vervolgens? De burgemeester van Utrecht gaat een krans leggen bij een Gazaherdenking, georganiseerd door dezelfde mensen die de gemeenteraadsbijeenkomst hebben verstoord. Die burgemeester legt een krans bij een Hamasvlag, bij de tekst "Free Palestine", oftewel: Israël moet vernietigd worden. Dat is ook nog eens bij een oorlogsmonument dat volgeplakt wordt met allerlei Gazateksten. Dat is polariseren. Dat is niet boven de partijen staan.

In Arnhem zien we de burgemeester rondom het concertbezoek van meneer Ye, een gekke antisemiet. In Doetinchem roept de burgemeester, die ondervoorzitter van de VNG is, op om het leger in te zetten tegen demonstranten. Dat zijn uiteraard geen demonstranten van Extinction Rebellion en geen mensen rondom Gaza. We zien in Amsterdam dat de burgemeester er openlijk voor uitkomt dat ze sympathisant is van George Floyd, van meneer Mamdani, recentelijk uitspraken doet over de Maccabirellen, een aanhanger is van Black Lives Matter en vorige week mij nog heeft uitgemaakt voor fascist. Dat zijn de burgemeesters anno 2026; ik noem er slechts een paar. Ik wil niet generaliseren, maar het gaat wel de verkeerde kant op.

Dan is er nog iets aan de hand wat ons zorgen dient te baren, namelijk dat burgemeesters steeds minder de burgervader c.q. de burgermoeder willen zijn van hun gemeente, maar dat ze heel vaak de vertegenwoordiger blijken te zijn van het kabinet. De burgemeester van Rotterdam verschijnt op de televisie om kabinetsbeleid uit te leggen. In Maassluis wil men geen azc en de coalitiepartijen komen dat overeen, maar de burgemeester zegt: dat moeten we wél doen. Zo verandert de rol van de burgemeester.

De voorzitter:

Ja. Ik hoop wel dat we zo weer terugkomen bij het wetsvoorstel.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ja, maar we moeten even naar de interruptie luisteren.

De heer Clemminck (JA21):

De scheidslijn tussen Kamerlid en communist is heel dun, volgens mij. Ik was gewoon even benieuwd of de heer Bosma nog iets gaat zeggen over het wetsvoorstel en de amendementen.

De heer Martin Bosma (PVV):

Zeker.

De voorzitter:

Dan gaat de heer Bosma door met zijn betoog.

De heer Martin Bosma (PVV):

Goed, dan zitten die mensen dus in het stembureau. Zoals ik aan het begin al zei: die mensen zijn geselecteerd of die doen het op verzoek van het college van burgemeester en wethouders.

De voorzitter:

Ogenblik, nu wil toch de heer Flach nog.

De heer Martin Bosma (PVV):

Hè, ik kwam net bij mijn peroratie, meneer Flach.

De heer Flach (SGP):

De heer Bosma slaagt er altijd in om de aandacht te trekken met de creativiteit van zijn bijdrage, dus daar wel de complimenten voor. Ik heb wel wat bedenkingen bij de inhoud. Ik was op zoek naar de link met dit wetsvoorstel en daar kwam hij: de stembureauleden zouden dat doen op verzoek van de burgemeester. Nou, ik weet niet of de heer Bosma zelf weleens betrokken is geweest bij een stembureau, maar dat is absoluut niet het geval. Hoe worden stembureauleden geworven? Er staat een advertentie in de krant, je geeft je op, je komt op het gemeentehuis en wordt na een training of cursus toegelaten als lid van een stembureau. Een aantal van mijn zoons heeft dat weleens gedaan. Je zit met de complete dwarsdoorsnede van de samenleving in zo'n stembureau. Is het niet gevaarlijk wat de heer Bosma hier doet? Door op deze manier te suggereren alsof stembureauleden een soort marionetten zijn van de door hem verfoeide burgemeesters, plaatst hij twijfels bij de objectiviteit van het stemproces. Is dat niet gevaarlijk?

De heer Martin Bosma (PVV):

Dat zou gevaarlijk zijn als ik theoretisch zou praten en louter hypothetisch zou redeneren, maar dat is niet het geval. In het vervolg van mijn verhaal zal ik daar een aantal voorbeelden van geven.

De heer Flach (SGP):

Dan doe ik even geen vervolginterruptie; dan wacht ik even af wat er nog meer aan tekst komt en dan kom ik wellicht terug.

De voorzitter:

Ja. De heer Bosma vervolgt zijn betoog.

De heer Martin Bosma (PVV):

Er heeft zich een aantal incidenten voorgedaan, waarvan ik denk: hoe groot is de kans dat het in de toekomst z'n vervolg gaat krijgen? Ik stel net vast dat een aantal burgemeesters polariserend bezig is en niet boven de partijen wil staan en helemaal geen zin meer heeft in neutraliteit, maar keiharde politieke uitspraken doet. Wat gebeurt er dan vervolgens? Dan kunnen mensen die in zo'n stembureau zitten zich gelegitimeerd voelen door burgemeesters en denken: dit is blijkbaar normaal taalgebruik. Nogmaals, ik ben van de week uitgemaakt voor fascist door de burgemeester van Amsterdam.

Ik heb hier een aantal voorbeelden. "Voorzitter stembureau Maastricht legt functie neer na uitlating over voormalig PVV-minister." Deze mevrouw had allerlei dingen gezegd over Marjolein Faber. Daar ontstond deining over en gelukkig werd deze persoon vervolgens verwijderd als lid van het stembureau. Ik zeg niet dat ze marionetten zijn, maar ik zeg dat mensen zich gelegitimeerd zouden kunnen vinden, gezien de polariserende opmerkingen van burgemeesters, om dit soort rare dingen te doen. "Gemeente stuurt medewerker stembureau weg na grap over Forum voor Democratie en PVV." Het gaat over Rotterdam. Daar had de voorzitter van een stembureau gezegd dat ze alle stemmen op Geert Wilders en Thierry Baudet zou gaan verscheuren. Dat is toch niet zoals het hoort, lijkt mij. In Groningen is de voorzitter van het stembureau ook in de problemen gekomen, want die noemde de PVV op Facebook een semifascistische en racistische partij. Die persoon moest dus ook uit de vaart worden genomen.

Gezien het feit dat het vandaag gaat over beïnvloeding, over bijstand in de stemhokjes … Ik kan de redenatie van de minister eigenlijk heel goed volgen en natuurlijk moeten we opkomen voor die mensen die gehandicapt zijn, fysiek of anderszins. Ik kan de redenatie van deze minister dus uitstekend volgen, maar ik stel wel vast dat het schuurt. Om te beginnen met het stemgeheim; het herbergt allerlei gevaren in zich, zeker gezien het feit dat burgemeesters polariseren en radicaliseren. Ik hoor graag van de minister wat hij daarvan vindt.

De heer Flach (SGP):

De relatie met dit wetsvoorstel komt langzaam maar zeker in beeld. Ik vind het nog steeds heel vergezocht, juist omdat de heer Bosma vier voorbeelden noemt waarin adequaat is opgetreden, waarin mensen verwijderd zijn uit die functie. Dat is terecht, want je hoort je zo niet uit te laten. Je bent op dat moment een dienaar van het democratische proces en je hoort je verre te houden van politieke of persoonlijke opvattingen. Dit is wel de consequentie ervan dat we de doorsnede van de samenleving vragen dit te doen. Dat betekent dat er ook mensen achter dat stembureau zullen zitten die een hekel hebben aan de PVV of aan de SGP of aan PRO. Dat mag allemaal, want dat is nu eenmaal de dwarsdoorsnede van de samenleving. Mogen stembureauleden ook gewoon een hekel hebben aan de partij van de heer Bosma of aan mijn partij? Mag dat in uw opinie?

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik kan me niet voorstellen dat mensen een hekel hebben aan mijn partij, maar die enkeling die er dan toch is, mag wat mij betreft best actief zijn in dat stembureau. Mensen die een hekel hebben aan de SGP ook, maar die zijn er eigenlijk helemaal niet.

De heer Flach (SGP):

Laat helder zijn: ik moedig dat helemaal niet aan. Ik probeer aan te geven dat we proberen iedereen een kans te geven om in dat stembureau te zitten. Mensen worden daar ook op getraind. Misschien moeten we dat wat upgraden, dat we juist op dit soort dingen wijzen, zo van: u dient zich verre te houden van politieke uitingen en politieke opvattingen in het publieke domein. Daar kan ik nog wel in meegaan, maar als we toch beperkingen gaan opleggen aan wie er wel en niet in dat stembureau mogen gaan zitten, krijgen we toch juist waar de heer Bosma zo voor vreest?

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik wil helemaal geen beperkingen opleggen. Dat heb ik toch niet gezegd?

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Flach (SGP):

Excuus. Dan ben ik de draad van het betoog van de heer Bosma kwijt, want het begon bij ...

De heer Martin Bosma (PVV):

Zal ik dan overnieuw beginnen?

De heer Flach (SGP):

Ik wil u graag de kans geven om nog een keer dat verhaal af te steken. Hij begon met vertellen dat er een bepaalde oververtegenwoordiging is van burgemeesters van bepaalde partijen, die zich steeds extremer opstellen. Daarna was er de link naar het stembureau. Ik sta hier voor die taak van al die mensen, want het is een betrekkelijk pittige baan: je zit daar de hele dag, je mag daarna nog eens tellen en dat doe je een soort van vrijwillig, tegen een vrijwilligersvergoeding. Ik vind dat we wel zorgvuldig moet zijn, want a we doen die mensen die het naar eer en geweten doen geweld aan en b je zaait twijfels bij de objectiviteit van het proces, terwijl de heer Bosma zelf heeft laten zien dat we dat heel goed geregeld hebben. De mensen die zich laten gaan, worden uit het proces gehaald. Prima, zou ik zeggen.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ja, maar wel achteraf, dus die mensen hebben dan de hele dag in zo'n stembureau gezeten. De hemel zij geprezen, want achteraf worden ze uit de vaart genomen, maar ze hebben er wel de hele dag gezeten en dat is iets wat zich in de toekomst wellicht zou kunnen versterken.

De heer Mohandis (PRO):

Voorzitter, via u, richting de heer Bosma: verwijten richting burgemeesters en het wantrouwen dat de heer Bosma toch wel heeft richting heel veel burgemeesters in dit land kennen we eigenlijk van eerdere inbrengen. Ik dacht dat de heer Bosma aan het einde van zijn betoog zou komen tot een voorstel. In de huidige Kieswet is het zo dat burgemeesters hoofd zijn van het stembureau en dus uiteindelijk de uitslag vaststellen. Zij zitten niet in het stemhokje, maar zijn wel verantwoordelijk voor het vaststellen van die uitslag. Waar is het amendement om hen uit die functie te zetten, want dat zou recht doen aan uw betoog? Graag een reactie.

De heer Martin Bosma (PVV):

Zeker graag een reactie. Nee, dat zou natuurlijk raar zijn. Ik wil gewoon van de minister horen wat hij hiervan vindt. Ik neem aan dat de minister vindt dat burgemeesters neutraal moeten zijn, dat ze boven de partijen moeten staan. Hij mag ook vertellen — ik ben daar erg benieuwd naar — of hij vindt dat de burgemeesters voldoende neutraal zijn, gezien al die dingen rondom de Nakba, rondom kransen leggen bij Free Palestine en al die andere voorbeelden die ik noem. Dat is wat ik van de minister wil horen. Ik ga dus niet met een amendement komen en ik wil ook helemaal niemand uitsluiten. Uitsluiten is voor de partij van de heer Mohandis. Daarom zitten al die burgemeestersposten bij zijn ineenschrompelende partijtje en niet in het blok rechts van de VVD, dat groter en groter wordt.

De heer Mohandis (PRO):

Het blok op rechts wordt groter, maar dat gaat ten koste van uw partij. Ik zou dus iets harder gaan werken. De peilingen laten zien dat wij het veel beter doen dan de partij van de heer Bosma. U heeft heel veel concurrentie op rechts. Ik zou zeggen: kies een ander betoog, want op deze manier gaat uw partij niet groeien. Maar dat terzijde.

Ik stelde een serieuze vraag en kreeg een jij-bak terug. De serieuze vraag was als volgt. De heer Bosma is niet één dag Kamerlid maar al een tijdje, en ook al best een tijdje op deze portefeuille. Er komt een hele redenering over de verdachtmaking van burgemeesters. Zo kennen we de heer Bosma. Mijn simpele vraag is: gaat u daar ook vervolgen aan geven via een amendement? Ik ben heel erg tegen — laat dat helder zijn — maar dat zou kunnen zijn dat u zegt dat die voorzitters geen uitslagen meer moeten vaststellen na verkiezingsdag. Maar dan laat de heer Bosma het afweten. Dan denk ik: grote woorden, geen daden.

De heer Martin Bosma (PVV):

Deze interruptie duurde zo lang dat ik ook wel even naar de wc had kunnen gaan, maar de heer Mohandis stelt uiteindelijk de vraag die hij daarvoor ook al stelde, namelijk of ik met een amendement kom. Daar heb ik op geantwoord: nee. Ik wil van de minister weten wat hij vindt van mijn redenatie: burgemeesters uit alleen maar díé kant van het politieke spectrum, burgemeester die radicaliseren, die polariseren en die hoofd zijn van een stembureau, met wellicht de mogelijkheid dat mensen die in dat stembureau zitten zich gelegitimeerd voelen om dezelfde extreme taal te bezigen die die radicaliserende burgemeesters bezigen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik zie dat meneer Bosma aan het afronden is.

De voorzitter:

Nou, dat hoop ik, maar dat weet ik eigenlijk helemaal niet.

De heer Martin Bosma (PVV):

Zeg!

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik ben heel benieuwd of u inderdaad het voorstel van het kabinet steunt zoals het er nu ligt.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nou, dat vind ik een onjuiste vraag in de eerste termijn. Ik heb vragen gesteld aan de minister. Dat heeft menig collega gedaan. Aan de hand daarvan zal ik mijn fractie adviseren om voor of tegen te stemmen. Maar ik liet net al even horen dat ik me in grote lijnen kan vinden in het voorstel, dat het logisch is en dat, zeker gezien de adviezen van GRECO en het feit dat we moeten opkomen voor gehandicapte mensen, ik dit in principe best een sympathiek voorstel vind.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik merk dat ik met toenemende ergernis zit te luisteren naar het verdacht maken van stembureauleden. Er zijn duizenden vrijwilligers bij verkiezingen, die gezamenlijk mogelijk maken dat onze verkiezingen goed verlopen. Collega Bosma heeft hele betogen over burgemeesters en stembureauleden die daarnaar zouden luisteren. Meerdere collega's hebben aangegeven dat dat nergens op slaat. Is hij het met collega's eens dat al die stembureauleden, al die vrijwilligers, voor een vrijwilligersvergoeding — maar we weten allebei: dat is een beperkte vergoeding — heel veel goeds doen voor onze democratie? Zou hij dat ook kunnen uitspreken?

De heer Martin Bosma (PVV):

Mevrouw Bikker vraagt me nu om te generaliseren, om een uitspraak te doen over één grote groep. Dat lijkt me heel gevaarlijk. Ik ben met een aantal voorbeelden gekomen waarin het goed mis is gegaan. De voorzitter van het stembureau van Maastricht moest zelfs worden afgezet, omdat hij allerlei politieke uitspraken deed. In Rotterdam werd gezegd: we gaan de stembiljetten van de PVV verscheuren. In Groningen zei het hoofd van het stembureau: de PVV is een semifascistische en racistische partij. Afgezien van dit soort argumenten vind ik de mensen die in het stembureau zitten geweldige Nederlandse staatsburgers, die geweldig werk doen, die nuttig werk doen en die het ook vaak gezellig maken in een stembureau, en zonder wier inzet de democratie niet zou werken. Behalve dit soort excessen ben ik die mensen enorm erkentelijk en ben ik heel blij dat ze er zijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Maar als hij aan de ene kant uitgebreid de excessen in het zonnetje zet en aan de andere kant in een bijzin deze uitspraak doet, dan zou ik collega Bosma willen uitdagen: kom dan met oplossingen. Ik zie ook problemen — neem de volmacht — en ik kom met een voorstel. Daar kunnen we het dan over hebben: is dit het goede moment of op welk moment gaan we dat doen? Als collega Bosma zegt "hé, ik heb een aantal incidenten gezien waarvan ik vind dat de opvolging niet goed was", kom dan met een voorstel in plaats van alles en iedereen verdacht te maken, want dat is toch de geur die ervanaf komt. Dat kan hij niet bedoelen, maar dat is wel hoe het ontvangen wordt.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nee, wat een onzin is dat. "Alles en iedereen verdacht maken"? Ik maak helemaal niemand verdacht. Ik spreek mijn dankbaarheid uit aan de mensen die in een stembureau werken. Dat heb ik al drie keer gedaan. Maar er zijn ongelofelijke excessen geweest. Ja, en het werkt nu eenmaal zo in Nederland dat wij in de politiek acteren op excessen. Alles gaat goed, maar ergens wordt iets gestolen. Dan gaan wij praten over: moeten we diefstal misschien strafbaar maken? Ja, dan kun je zeggen "er wordt maar heel weinig gestolen", maar toch willen we met z'n allen dat diefstal wordt tegengegaan en dus acteren we op excessen. Volgens mij doen we dat aan de lopende band hier in de Tweede Kamer.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

En dus doe ik een voorstel rond de volmachten en vraag ik aan collega Bosma, als hij dit zo erg vindt — wat ik me kan voorstellen, hè — wat zijn voorstel is. Dat mis ik. Het is een lang betoog, dat we geregeld van collega Bosma horen. Af en toe kan ik er ook om lachen, want hij heeft de gave om het humorvol te brengen. Maar hij doet er ook iets mee. Hij zaait een soort van twijfel over het verkiezingsproces, zonder oplossingen te brengen. Als je al zo lang Kamerlid bent, vind ik het dan gewoon interessant om te weten: welke voorstellen leg je neer? Daar wordt het land beter van, in plaats van dat we alleen gaan staan klagen. Dat geldt ook voor mij, dus ik doe mijn best. Dan hoop ik ook dat collega Bosma zegt: ik ga dit of dat amendement indienen. Dan kan ik wegen of dat nou een oplossing is voor het probleem.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nee, want dit kun je niet in regelgeving vatten die er al niet is. Je geeft mensen vertrouwen. Je zegt tegen ze: ga jij woensdag in dat stembureau zitten. Je geeft ze thee en koffie en zegt: "Denk erom: dit moet je wel en niet doen." Misschien geef je ze een opleiding om te kunnen antwoorden als iemand zegt dat hij op Wouter Bos wil stemmen, terwijl die niet op het stembiljet staat. Je geeft ze vertrouwen en dan moet je maar hopen dat die trainingen voldoende zijn, zodat dit soort dingen niet voorkomen. Maar ze komen wel voor, en gezien het umfeld dat ik net geschetst heb, weet ik niet of die excessen in de toekomst volledig achterwege zullen blijven.

De voorzitter:

Was u ook aan het einde van uw betoog?

De heer Martin Bosma (PVV):

Ja, allang.

De voorzitter:

Kijk, dat had ik minder goed door dan de leden. Mijn excuses daarvoor. Dank voor uw inbreng. Dan gaan we door naar de heer Flach, die het woord voert namens de fractie van de SGP.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter. De Staten-Generaal stelden op de valreep van 1795 het reglement vast voor de eerste Nationale Vergadering, die in 1796 werd gekozen. Die Nationale Vergadering kwam overigens bijeen in de oude zaal van de Tweede Kamer aan het Binnenhof. Artikel 25 van het reglement bevatte destijds een bijzondere bepaling: "Die niet schrijven kan, zal de door hem bedoelde persoon die hij stemmen wil, aan de stemopnemers mondeling opgeven, die denzelve in zijn bijzijn zullen opschrijven." Bijstand in het stemhokje dus, maar niet bij lichamelijke beperkingen. Analfabetisme was toen namelijk wijdverbreid in de samenleving. De moderne samenleving is wat dat betreft minder modern dan we graag willen geloven en de regelgeving was op dit gebied kennelijk meer bij de tijd dan nu het geval is. Het is daarom mooi om te zien dat de regering na 230 jaar ook wakker is geworden en dit wetsvoorstel aan ons voorlegt. De regering verwijst in de onderbouwing naar het jaar 1896, waarin de bijstand bij fysieke beperkingen werd geregeld, maar de regelgeving blijkt dus nog iets verder terug te gaan in de tijd.

Voorzitter. Het wetsvoorstel van vandaag is een schoolvoorbeeld van hoe iets simpels toch heel complex kan zijn. De behoefte om hulp in het stemhokje niet alleen bij lichamelijke beperkingen mogelijk te maken, is begrijpelijk en wordt breed gevoeld. Maar wanneer we dat praktisch moeten uitwerken, blijken er echter allerlei moeilijkheden te zijn. De wetgever moet een lastige afweging maken tussen uitvoerbaarheid, gelijkheid van kiezers en bestaande rechten van een specifieke groep kiezers. De SGP is op dit moment van één ding eigenlijk al overtuigd, en dat is dat de keuze van de regering in de praktijk de minst voor de hand liggende en de meest ingewikkelde is.

De SGP vraagt allereerst aandacht voor de uitvoerbaarheid. Het is veelzeggend dat zowel de gemeenten als de Kiesraad een hard hoofd hebben in de keuze van de regering om groepen kiezers verschillend te behandelen. De regering gaat daar redelijk laconiek aan voorbij. Ze lijkt haar oren meer te laten hangen naar een recent verdrag dan naar de roep vanuit de uitvoering. Hoe zat dat ook alweer met dat luisteren naar de uitvoering? Daarom vraagt de SGP de regering toch wat dieper in te gaan op de bezwaren, bijvoorbeeld dat het onderscheid moeilijk uit te leggen valt en in de praktijk tot irritaties kan leiden. Met het argument dat veel mensen erop vooruitgaan doordat ze nu ook ondersteuning kunnen krijgen houd je kiezers misschien eenmalig zoet, maar vanaf de volgende keer valt vooral het onderscheid tussen de verschillende groepen op.

Voorzitter. De SGP hoort ook graag een meer inhoudelijke onderbouwing van het onderscheid tussen groepen. Die lijkt in het wetsvoorstel niet veel dieper te zijn dan een combinatie van een oude regeling uit 1896 en een verklaring bij een relatief recent verdrag. Nu heeft de SGP veel gevoel voor geschiedenis, maar zoals ik heb laten zien zouden we juist voor de doelgroep die we nu willen helpen nog wel wat dieper mogen spitten. Daarnaast is het onbevredigend dat de behoefte aan en noodzaak van bijstand juist veel sterker kan zijn bij kiezers die niet met lichamelijke beperkingen te maken hebben, bijvoorbeeld bij psychische aandoeningen, waarbij een vertrouwelijke band belangrijk kan zijn. Is het juridisch niet vreemd om die groep zelfgekozen bijstand te ontzeggen? Hoe weegt de regering het risico dat hierdoor vervelende taferelen en teleurstellingen in het stemlokaal kunnen ontstaan?

Voorzitter. Het voldoen aan internationale verdragen weegt volgens de regering in dit geval zwaarder dan het maken van onderscheid tussen personen op basis van een beperking. Die opmerking roept vragen op. De SGP krijgt namelijk de indruk dat dit niet de enige internationale verplichting is waaraan Nederland is gebonden. Zo hebben we bijvoorbeeld op grond van artikel 25 van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten de verplichting om betrouwbare periodieke verkiezingen te houden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemming. Het organiseren van die verkiezingen op een uitvoerbare manier vraagt om keuzes, waarbij we soms ook een afweging moeten maken tussen internationale verplichtingen die op gespannen voet staan met elkaar. Waarom zou dat in dit geval niet kunnen betekenen dat we iedereen verplichten om bijstand van het stembureau te ontvangen? De SGP deelt namelijk met de regering de vrees dat het toestaan van zelfgekozen bijstand aan alle kiezers de deur naar misstanden nog verder openzet. Anders dan de regering aarzelt de SGP echter nog of we dit wetsvoorstel zonder eenduidige lijn in de uitvoering moeten doorzetten.

Ongeacht de precieze inhoud van het wetsvoorstel is het belangrijk om meteen na de eerstvolgende verkiezingen te evalueren wat de ervaringen zijn. Hoeveel hulpverzoeken zijn er, bijvoorbeeld? Tegen welke problemen lopen stembureaus aan? Ik heb daarom het amendement op stuk nr. 11 ingediend om deze snelle evaluatie te regelen. Uiteraard evalueren we dan ook nog na vijf jaar.

Voorzitter. De discussie over ondersteuning van verschillende groepen kiezers mag niet het zicht benemen op het belang om kiezers zo veel mogelijk zelfstandig te laten stemmen. Soms wordt die zelfstandigheid gehinderd doordat eenvoudige hulpmiddelen ontbreken. Denk bijvoorbeeld aan een stemmal en stembox waarmee blinden eenvoudig zelfstandig hun keuze kunnen maken. De SGP was in de voorbereiding toch wat verrast om te merken dat zulke eenvoudige hulpmiddelen niet in elke gemeente beschikbaar zijn. Op de site www.stembox.nl zie je bijvoorbeeld een mooi lijstje met deelnemende gemeenten. Daarop staan nog niet de helft van alle gemeenten. De wet laat het stellen van de regels over de inrichting van het stemlokaal aan gemeenten zelf. Ook de richtlijnen van de Kiesraad zijn summier op zulke punten. Wil de regering in overleg treden met gemeenten, de Kiesraad en belangenorganisaties, zoals Kennis Over Zien, om te kijken welke eenvoudige voorzieningen met een beperkte inspanning overal verplicht zouden kunnen worden? De SGP vindt ook dat de wet duidelijk zou moeten aangeven dat er voor deze groepen regels kunnen worden gesteld. Daarom is er het amendement op stuk nr. 12.

Voorzitter. Het wetsvoorstel verankert ook met plechtige woorden de ongeschreven norm dat de leden van het stembureau het geheim van de stemming moeten bewaren. Kort gezegd noemen we dat doorgaans gewoon "het stemgeheim". Uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat inhoudelijk eigenlijk geen verschil beoogd lijkt te zijn tussen het geheim van de stemming en het stemgeheim, maar de regering creëert ook onduidelijkheid door te schrijven dat het geheim van de stemming dicht tegen het stemgeheim aan ligt. Dat roept de vraag op of leden van het stembureau toch nog iets meer zouden moeten doen dan het bewaren van het stemgeheim van alle kiezers. De SGP wil die onduidelijkheid graag voorkomen. Daarom zorgt het amendement op stuk nr. 16 ervoor dat het gangbare woord "stemgeheim" consequent wordt gebruikt.

Voorzitter. Tot slot nog een nieuwsgierige vraag. Volgens artikel 14 van het reglement uit 1795 moesten stemopnemers plechtig beloven de stiptste geheimhouding omtrent de stemming in acht te nemen. Mijn vraag aan de minister is: hoe gaat dat eigenlijk op dit moment en volgens het wetsvoorstel? Wordt een verklaring afgelegd en gebeurt dat dan mondeling of schriftelijk? Is het wettelijk vastleggen van de geheimhoudingsplicht aanleiding om de aanstelling van leden van het stembureau iets meer cachet te geven?

De bijdrage aan vrije en geheime verkiezingen is hoe dan ook iets om een dikke streep onder te zetten.

Tot zover.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Tot slot gaan we luisteren naar de heer Meulenkamp. Hij voert het woord namens de fractie van de VVD.

De heer Meulenkamp (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Als VVD zijn we er een voorstander van dat mensen letterlijk en figuurlijk laagdrempelig kunnen meedoen aan verkiezingen, waarbij deze laagdrempeligheid gecombineerd moet worden met een eerlijk verloop van de verkiezingen en een goede uitvoerbaarheid. Het moet voor de vrijwilligers op het stembureau ook goed te hanteren zijn. Met dit gegeven in het achterhoofd kijken we naar deze wetswijziging.

Sinds 1896 — mijn collega's refereerden er al aan — staat de Kieswet alleen hulp in het stemhokje toe aan kiezers met een lichamelijke beperking. Deze hulp kan door iedereen worden geboden. Nu wordt voorgesteld om de Kieswet te wijzigen en het mogelijk te maken dat alle kiezers recht krijgen op bijstand in het stemhokje. Om misbruik en beïnvloeding te voorkomen mag deze bijstand alleen worden verleend door een getraind stembureaulid. Zo blijft volgens de minister de stemvrijheid beter geborgd, terwijl mensen met een fysieke beperking wel het recht behouden om iemand naar hun keuze mee te nemen in het stemhokje.

Als VVD hebben we in de voorgaande periode een aantal kritische vragen gesteld over deze wetswijziging. Waarom is er niet voor gekozen om een lid van het stembureau aan iedereen die hulp nodig heeft en daarom vraagt bijstand te laten verlenen? Hoe beoordelen mensen in het stembureau of iemand daadwerkelijk hulp nodig heeft? Vragen we niet te veel van de vrijwilligers in het stembureau? Voor de VVD is de overkoepelende vraag aan de minister welk probleem we oplossen met deze wetswijziging. Zou met een betere voorlichting aan mensen met een beperking niet een groot deel van de problemen op te lossen zijn? Mensen kunnen in hun eigen vertrouwde omgeving en met vertrouwde mensen om zich heen gebruikmaken van een volmacht. Wegen de voordelen van het wetsvoorstel dan wel op tegen de nadelen, bijvoorbeeld gelet op het eerlijk laten verlopen van de verkiezingen en de uitvoerbaarheid van deze wet?

Daarnaast hebben we als VVD kennisgenomen van alle amendementen van onze collega's. We zijn benieuwd naar de reactie van de minister en zullen deze meenemen in onze uiteindelijke afweging.

De voorzitter:

U krijgt nog een interruptie van de heer Bosma.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nou, het is niet zozeer een interruptie in de richting van de heer Meulenkamp. Ik stel vast dat we om 15.15 uur een commissiedebat Financiën hebben waar deze minister en deze commissieleden bij aanwezig moeten zijn. U heeft daar ook geen antwoord op neem ik aan, meneer de voorzitter, maar ik vraag mij even af hoe dat georganiseerd moet worden. Op dat commissiedebat komen allerlei wethouders en andere mensen af. Als we nu een halfuur gaan pauzeren voor de lunch en daarna de tweede termijn gaan houden, dan moet dat wel ergens botsen.

De voorzitter:

Ja, dat klopt. We gaan sowieso een halfuur schorsen, want we gaan lunchen. Ik denk dat het goed is om wel de eerste termijn van dit wetsvoorstel te doen. En dan moeten we in overleg met de Griffie plenair en de griffie van de commissie even kijken of we de hele behandeling van deze wet afmaken of dat we — gelet op het feit dat er gasten komen voor het commissiedebat — de tweede termijn bijvoorbeeld op een ander moment moeten doen. Dat moeten we dus doen, ja. Ik denk dat we het zo even moeten doen. Dat overleggen we even tijdens de lunch en dan kijken we daarna hoe we dat precies aanpakken. Ja?

Mevrouw Schilder wil nog een interruptie plegen. Gaat uw gang.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Dat klopt, voorzitter. Ik wil even terugkomen op de interruptie van de heer Meulenkamp op mevrouw Bikker van straks. Mevrouw Bikker had het over de verkiezingsfraude in Gorinchem. Meneer Meulenkamp refereerde daaraan met "joh, dat is maar in één gemeente". Nou is dat niet "maar in één gemeente". In deze gemeente was nota bene een herverkiezing noodzakelijk. Bagatelliseert de VVD hiermee verkiezingsfraude? Is dat dan de D in "VVD" waar de VVD tegenwoordig voor staat?

De heer Meulenkamp (VVD):

Ik denk dat wij alle soorten van fraude ten zeerste veroordelen; volgens mij is de VVD daar juist heel erg sterk in. Maar wij zijn ook niet van de incidentenpolitiek. Als iets even heel erg actueel is, moeten we in Nederland niet in een keer alles en alle wetten om gaan gooien. We moeten zaken heel serieus nemen, zeker als het om verkiezingsfraude gaat, waar we het in dit debat over hebben. Wij nemen dit mee in ons achterhoofd, maar er zijn meerdere invalshoeken en dan kijken we hoe we dat gaan meenemen in dit debat.

De heer Clemminck (JA21):

Ik ben toch een beetje verrast door de inbreng van de collega van de VVD, want volgens mij is het een publiek geheim dat, zeker in Turkse gemeenschappen, veelvuldig stempassen geronseld worden. Ik heb dat in mijn bijdrage ook gezegd. Deze oproep vind ik dan toch wel heel riskant. Ik ben ook wel benieuwd of de heer Meulenkamp daar wel van op de hoogte is.

Ik wil even terug naar de stelling. In de memorie van toelichting van de minister wordt gezegd dat ondersteuning door stembureauleden een betere waarborg is voor het stemgeheim dan ondersteuning door een eigen gekozen persoon. Is de heer Meulenkamp het daar met de minister over eens?

De heer Meulenkamp (VVD):

Straks krijgen we van de minister de antwoorden op de amendementen. Er zijn negen amendementen ingediend. In mijn ogen lopen die allemaal door elkaar heen. Ik had dezelfde worsteling als D66 rondom de inbreng in dit debat. We kunnen wat betreft deze Kieswet namelijk heel vaak linksom of rechtsom. Daarom heb ik vooral vragen gesteld aan de minister. Ik ben gewoon echt benieuwd hoe de minister naar deze amendementen kijkt en hoe hij daar in samenhang met de verandering van deze wet naar kijkt. Ik wil dus over het geheel een oordeel vormen, en dus niet alleen over hetgeen u in uw individuele vraag aan de orde stelt.

De heer Mohandis (PRO):

In het verlengde van het betoog van de VVD over de brede afweging: ik ben op zoek naar hoe u dit wetsvoorstel weegt. Via u, voorzitter. Natuurlijk liggen er allerlei amendementen. Sommige kunnen het op de ene manier verbeteren en sommige kunnen het in mijn optiek weer beperken. Waar staat u precies? Toen ik uw betoog hoorde, dacht ik: u kunt ook nog tegen alles stemmen. Via u, voorzitter. Zo kwam het op mij over.

De heer Meulenkamp (VVD):

Wij staan daar nog geheel open in; dat heeft u heel goed gehoord. Alleen, er liggen heel interessante amendementen voor en wij zijn dus heel erg benieuwd naar het antwoord van de minister op onze vragen en de amendementen.

De heer Mohandis (PRO):

Oké, maar dan is mijn gevoel toch waarheid: dat de VVD ook tegen dit wetsvoorstel kan stemmen. Dat was voor mij nog even een zoektocht in uw betoog, maar u bevestigt dat nu.

De heer Meulenkamp (VVD):

Wij staan er nog open in.

De voorzitter:

We zijn nu echt aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

We gaan schorsen, en dat doen we tot 14.25 uur. Nee, tot 13.25 uur. Sorry, het is tot 13.55 uur. Ik rekende gelijk een uur; dat was niet zo handig. Om 13.55 uur gaan we verder..

De vergadering wordt van 13.22 uur tot 13.59 uur geschorst.

Beëdiging van de heer Bolhuis

Beëdiging van de heer Bolhuis

Aan de orde is de beëdiging van de heer Bolhuis (PRO).

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de beëdiging van een nieuwe collega. Ik verzoek de leden om hun plaats in te nemen.

Ik geef het woord aan de heer Ellian voor het uitbrengen van verslag namens de commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven.

De heer Ellian (voorzitter van de commissie):

Dat ga ik met alle plezier doen, voorzitter.

De commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven heeft de stukken onderzocht die betrekking hebben op de heer W.D. Bolhuis te 's-Gravenhage. De commissie is tot de conclusie gekomen dat de heer W.D. Bolhuis te 's-Gravenhage terecht benoemd is verklaard tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De commissie stelt u daarom voor om hem toe te laten als lid van de Kamer. Daartoe dient hij wel eerst de verklaringen en beloften zoals die zijn voorgeschreven bij de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal van 27 februari 1992, Staatsblad nr. 120, af te leggen.

De commissie verzoekt u tot slot om de Kamer voor te stellen het volledige rapport in de Handelingen op te nemen.

De voorzitter:

Ik dank de commissie voor haar verslag en stel voor dienovereenkomstig te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

(Het rapport is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De voorzitter:

Ik verzoek de leden en overige aanwezigen in de zaal en op de publieke tribune, voor zover dat mogelijk is, te gaan staan.

De heer Bolhuis is in het gebouw der Kamer aanwezig om de voorgeschreven verklaringen en beloften af te leggen.

Ik zie dat de Griffier al op weg is om hem binnen te leiden.

(De heer Bolhuis wordt binnengeleid door de Griffier.)

De voorzitter:

De door u af te leggen verklaringen en beloften luiden als volgt:

"Ik verklaar en beloof dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik verklaar en beloof dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik beloof trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet.

Ik verklaar en beloof dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen."

De heer Bolhuis (PRO):

Dat verklaar en beloof ik.

De voorzitter:

Ik wens u van harte geluk met het lidmaatschap van de Kamer.

Ik heb het genoegen om u als eerste te feliciteren. Ik schors heel kort, zodat de collega's u ook kunnen feliciteren Van harte welkom! De vergadering is kort geschorst..

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.