Tweede Kamer, 80e vergadering

  • Begin10:15
  • Sluiting20:16
  • StatusOngecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Van der Lee

Aanwezig zijn 142 leden der Kamer, te weten:

El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, De Beer, Belhirch, Van den Berg, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bolhuis, Bontenbal, Boomsma, Boon, Martin Bosma, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Dassen, Dekker, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Ergin, Faber, Flach, Goudzwaard, Graus, Grinwis, Van Groningen, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Jagtenberg, Chris Jansen, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maeijer, Maes, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Müller, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Ouwehand, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Podt, Poortman, Prickaertz, Raijer, Rooderkerk, Russcher, Schenk, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Verkuijlen, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,

en mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de heer Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en mevrouw Tielen, staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie.

De voorzitter:

Ik open de vergadering van woensdag 10 juni 2026.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Discriminatie, racisme en mensenrechten

Discriminatie, racisme en mensenrechten

Aan de orde is het tweeminutendebat Discriminatie, racisme en mensenrechten (CD d.d. 21/05).

De voorzitter:

Aan de orde is het tweeminutendebat Discriminatie, racisme en mensenrechten. Daarvoor heet ik de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van harte welkom, evenals de leden, de mensen op de publieke tribune en iedereen die dit debat op afstand volgt. Het is een tweeminutendebat met één termijn van de zijde van de Kamer. Daarvoor hebben zich elf leden ingeschreven.

Als eerste ga ik het woord geven aan het lid Bamenga. Hij voert het woord namens de fractie van D66. Gaat uw gang.

De heer Bamenga (D66):

Dank u wel, voorzitter. In Wijdenes is vorige week een restaurant in vlammen opgegaan. Op de muren stonden discriminerende teksten geschreven, die ik hier niet zal herhalen. Een walgelijke actie, waar de politie gelukkig bovenop zit, maar helaas ook een actie die in een patroon past van discriminerende incidenten. Juist nu is het belangrijk om als overheid het goede voorbeeld te geven. Ik hoop dat we snel een uitgebreid debat kunnen voeren over de stevige aanbevelingen van de staatscommissie.

Over één aanbeveling heb ik alvast een motie. Juist omdat de discriminatietoets voorlopig niet verplicht is, wil ik de minister extra aansporen om serieus werk te maken van dit instrument.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering heeft besloten het gebruik van de discriminatietoets vrijwillig te laten en een projectteam aanstelt om het gebruik hiervan te stimuleren;

overwegende dat de aangenomen motie-Van Nispen c.s. (30950, nr. 439) de regering reeds heeft verzocht ervoor te zorgen dat de toets door publieke dienstverleners zal worden gebruikt;

van mening dat de discriminatietoets een waardevol instrument is tegen institutionele discriminatie en daarom zo breed mogelijk dient te worden toegepast;

verzoekt de regering om bij het onder de aandacht brengen van de discriminatietoets bij overheidsorganisaties die deze nog niet gebruiken, met uitzondering van organisaties die een eigen, kwalitatief vergelijkbaar instrument hanteren, te streven naar toepassing door zo veel mogelijk tot alle organisaties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Verkuijlen, Tseggai, Ceder en Van Baarle.

Zij krijgt nr. 548 (30950).

De heer Bamenga (D66):

Dan de volgende motie over Ketikoti.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de provincies Zeeland, Drenthe, Groningen, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht hebben besloten jaarlijks ter gelegenheid van Ketikoti de vlag te hijsen;

overwegende dat de herdenking van het slavernijverleden en de viering van Ketikoti voor veel Nederlanders een belangrijk moment is;

verzoekt de regering de mogelijkheden te onderzoeken voor een aanpassing van de vlaginstructie uit 2013 voor rijksgebouwen om daar de Herdenking Slavernijverleden / Ketikoti in op te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Ceder en Van Baarle.

Zij krijgt nr. 549 (30950).

De heer Bamenga (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Baarle. Hij voert het woord namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.

De heer Van Baarle (DENK):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding, ook wel bekend als het boerkaverbod, in te trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 550 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de meest recente discriminatiecijfers blijkt dat het aantal meldingen van discriminatie bij zowel de politie als de antidiscriminatievoorzieningen aanzienlijk is toegenomen;

overwegende dat de aanpak van discriminatie en racisme vraagt om structurele inzet, continuïteit en voldoende middelen;

verzoekt de regering zich ervoor in te zetten om het antidiscriminatiebeleid, waaronder het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme, de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en de ondersteuning van antidiscriminatievoorzieningen, uit te zonderen van eventuele rijksbrede bezuinigingen, taakstellingen of ombuigingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 551 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Nationale Herdenking Slavernijverleden tijdens Ketikoti op 1 juli van groot belang is voor veel mensen in Suriname, de Caribische delen van het Koninkrijk en Europees Nederland;

overwegende dat 1 juli wel wordt erkend als nationale herdenkingsdag, maar nog geen nationale feestdag is;

verzoekt de regering om in overleg met sociale partners en nazaten van tot slaaf gemaakten tot een concreet voorstel te komen om van 1 juli, Ketikoti, een nationale feestdag te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 552 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om een gericht nationaal plan tegen moslimhaat op te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 553 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de VNG waarschuwt dat het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie onvoldoende recht doet aan de rol van gemeenten;

verzoekt de regering de rol van gemeenten in de aanpak van discriminatie wettelijk te verankeren door lokaal antidiscriminatiebeleid verplicht te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 554 (30950).

De heer Van Baarle (DENK):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme adviseert om de Discriminatietoets Beleidsprocessen en de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening in te voeren voor de gehele publieke sector;

verzoekt de regering om het periodiek doorlopen van de Discriminatietoets Beleidsprocessen en de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening verplicht te stellen voor de publieke sector,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 555 (30950).

De heer Van Baarle (DENK):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u. Ik weet niet of het een record is, zeven moties in twee minuten, maar het zal in de buurt komen. Dan geef ik het woord aan mevrouw Beckerman. Zij voert het woord namens de fractie van de Socialistische Partij.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter. Dat was een knappe prestatie, maar ik heb niet helemaal goed kunnen luisteren. Ik hoop dat ik niet een motie heb die dubbel is, maar we gaan het zien, en anders lossen we dat op.

Voorzitter. Overheden gebruiken steeds vaker algoritmes en data om burgers en risicogroepen in te delen, bijvoorbeeld bij toeslagen, DUO-controles of politieonderzoeken. Dit kan verregaande consequentie hebben voor mensen die onterecht als risico of zelfs als fraudeur uit het systeem rollen. We hebben ook voorbeelden genoemd in het debat. Meer dan 50 algoritmes van de Belastingdienst bleken discriminerend en in strijd met de wet, bijvoorbeeld. Maar we hebben er meer gezien, ook bij DUO. De overheid presenteert profilering heel vaak als een soort technische keuze, maar de commissie zegt dat het eigenlijk een politieke en normatieve keuze is, die raakt aan grondrechten en democratie. Daarom zegt de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme nu dat we moeten stoppen met lopende toepassingen van datagedreven profilering en de verdere inzet moeten beperken, zolang de overheid niet kan garanderen dat deze systemen eerlijk zijn en geen mensenrechten schenden. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat datagedreven profilering schade kan veroorzaken, met name waar het gaat om de gelijkheid en gelijkwaardigheid van (groepen) burgers;

overwegende dat profilering weliswaar aan kaders en beperkingen is gebonden, maar dat deze in de praktijk vaak onvoldoende tegenwicht bieden;

verzoekt de regering uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme in het rapport Principes voor profilering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 556 (30950).

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we door naar het lid Ceder. Hij voert het woord namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. We staan er dit jaar bij stil dat het 75 jaar geleden is sinds de eerste Molukse KNIL-militairen naar Nederland zijn gekomen. Dat is, denk ik, ook een goed moment — dat vindt een groot deel van de Kamer ook — om met elkaar te verkennen wat dat betekent, niet alleen in het verleden, maar ook vandaag de dag nog. We weten dat er een eerste generatie is van mensen die toentertijd zijn overgekomen, maar dat het er elk jaar steeds minder worden. Het is daarom goed om daar een stap in te zetten als overheid. De afgelopen weken heb ik, maar ook vele anderen, gesprekken gevoerd met de Molukse gemeenschappen om te kijken wat een eerste stap daarin zou kunnen zijn. Vandaar de volgende motie, waarvan ik ook hoop dat we kunnen bouwen aan die gedeelde toekomst met elkaar.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het in 2026 75 jaar geleden is dat de eerste Molukse KNIL-militairen onder erbarmelijke omstandigheden in Nederland kwamen;

overwegende dat er van de eerste generatie Molukkers in Nederland steeds minder mensen in leven zijn, maar dat de Molukse gemeenschap met meer dan 75.000 burgers een belangrijk onderdeel is van de Nederlandse samenleving;

overwegende dat er herhaalde oproepen zijn geweest uit de maatschappij om recht te doen aan deze groep, zoals de breed ondertekende brief van burgemeesters uit 2021, de brief van oud-premier Van Agt aan de koning en brieven van de Molukse gemeenschap zelf;

overwegende dat er meerdere initiatieven in de Kamer lopen (zoals het aangekondigde rondetafelgesprek van de commissie voor VWS) om de situatie rond de Molukse gemeenschap bespreekbaar te maken;

overwegende dat historisch en cultuurwetenschappelijk onderzoek inzichtelijk kan maken wat zich sinds de koloniale betrokkenheid en het dekolonisatieproces heeft afgespeeld, welke doorwerking dit voor de Molukse gemeenschap tot op de dag van vandaag heeft en welke rol de Nederlandse Staat hierin heeft gespeeld;

verzoekt de regering:

een onafhankelijk onderzoek te doen naar het verleden, de komst en het 75-jarig verblijf van de Molukkers in Nederland en de doorwerking van deze geschiedenis naar het heden, en de uitkomsten daarvan uiterlijk in het eerste kwartaal van 2027 te presenteren met als uiteindelijk doel te komen tot een proces van erkenning en een passend gebaar dat recht doet aan de gemeenschap en de gemeenschap versterkt;

een consultatietraject in te gaan en in gesprek te gaan met de Molukse gemeenschap in al haar diversiteit, en hierbij lopende initiatieven van de Kamer te betrekken;

een verkenning te initiëren voor een nationale agenda over hoe op gepaste wijze recht kan worden gedaan aan de Molukse gemeenschap, en de resultaten hiervan in het tweede kwartaal van 2027 aan de Kamer te presenteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Vliegenthart, Bamenga, Tijs van den Brink, Dassen, Markuszower, Van der Plas, Nanninga, Struijs, Van Baarle, Jimmy Dijk, Teunissen, Diederik van Dijk en Verkuijlen.

Zij krijgt nr. 557 (30950).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

De heer Verkuijlen heeft een interruptie, terwijl hij al heeft meegetekend, maar gaat uw gang.

De heer Verkuijlen (VVD):

Ik heb even behoefte aan enige verduidelijking van de heer Ceder. We hebben de motie gesteund omdat de manier waarop de KNIL-militairen na de Tweede Wereldoorlog in Nederland zijn opgevangen, echt diepe sporen in die gemeenschap heeft nagelaten. Er zit echter ook een donkere bladzijde in de Molukse geschiedenis hier in Nederland die diepe sporen heeft getrokken in de Nederlandse samenleving en waar ook getraumatiseerde slachtoffers van zijn. Ik ben benieuwd of de heer Ceder deze bladzijde ook wil meenemen in dat onafhankelijke onderzoek dat hij voorstelt.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat is een goede vraag. Wat mij betreft nemen we alle bladzijdes mee. Ik denk dat het belangrijk is om een zo neutraal mogelijk historisch verhaal neer te leggen. Voor sommigen zal dat betekenen dat je ook kijkt naar de situatie voordat de eerste KNIL-militairen aankwamen, om de situatie daarna te begrijpen. Maar u heeft gelijk; wat mij betreft bestaan er geen taboes. Dit is voor mij een eerste stap naar het met elkaar bespreekbaar maken hiervan. Ik hoop dat het in ieder geval leidt tot verkennende gesprekken met elkaar. Uiteindelijk hoop ik dat, daar waar we met elkaar vinden dat je ook recht moet doen aan het verleden, aan welke kant dan ook, we dat met elkaar ook doen. Wat mij betreft is dat er dus natuurlijk ook een onderdeel van.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik sta niet onder die motie, en dat is omdat ik mij zorgen maak over de uiteindelijke uitkomst hiervan, namelijk dat we moeten of willen overgaan tot individuele financiële compensatie. We weten vanuit allerlei andere compensatietrajecten hoe ongelofelijk ingewikkeld dat is, omdat de overheid zich altijd heeft te houden aan het gelijkheidsbeginsel en andere juridische voorwaarden, en je dan uiteindelijk terecht kunt komen in grote teleurstelling van mensen in de overheid. Is het de bedoeling van de heer Ceder om uiteindelijk uit te komen in een individueel financieel compensatietraject?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mevrouw Keijzer heeft gelijk dat we teleurstelling moeten voorkomen. Wat ik vraag — dat kunt u in de motie zien — is om een eerste stap te maken, wetende dat er wel degelijk losse eindjes zijn. Dat speelt op verschillende vlakken. Je hebt vandaag de dag nog steeds de Molukse wijken waar best nog wel wat uitdagingen zijn. Wat betreft het eerherstel voor de KNIL-militairen: dat zijn nog lopende zaken, daar zitten losse eindjes. Hoe we ook naar de situatie kijken, dat moeten we gewoon met elkaar constateren. Ik wil niet vooruitlopen op de situatie, omdat ik niet denk dat dat aan ons is en ik ook niet denk dat je dat als Kamer alleen moet doen; je moet het gesprek met elkaar aangaan. Ik heb het ook gekoppeld aan een historisch onderzoek, waardoor we ook echt wel zullen weten waar we het over hebben met elkaar. Dit is niet bedoeld om ergens op vooruit te lopen, maar wel om een beginstap te maken in het voeren van dat gesprek met elkaar. Ik denk dat dat heel waardevol is. Ik heb in mijn motie ook aangegeven dat het kabinet uiterlijk volgend jaar moet komen met wat ze hebben opgehaald. Het is uiteraard zo dat wij daar als Kamer bij betrokken zullen zijn, ook over wat dat dan betekent. Ik ben het echter met u eens dat wij geen georganiseerde teleurstelling met elkaar moeten creëren. Dat is geenszins mijn bedoeling. Ik hoop juist vanaf deze plek een beweging te maken die we de afgelopen decennia nog niet hebben kunnen maken. Ik proef dat daar nu wel momentum voor is en ik voel me hierin gesteund door een meerderheid van de Kamer. Ik hoop ook op steun van mevrouw Keijzer bij de stemmingen.

De voorzitter:

Nogmaals dank voor uw bijdrage. We gaan nu door naar de heer Schenk, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie.

De heer Schenk (FVD):

Dank, voorzitter. Een week of twee, drie geleden spraken wij in het commissiedebat over dit onderwerp. Ik heb toen stilgestaan bij de meest gebagatelliseerde en minst erkende vorm van racisme in Nederland, namelijk antiblank racisme. Het ging over kleurenquota die gewild zijn door ambtenaren op ministeries, over de waardering voor de inzet van Kick Out Zwarte Piet en Black Lives Matter, over het vieren van Diversity Day en, nog ernstiger, het werving-en-selectiebeleid van de overheid, waarbij actief ingezet wordt op de vertegenwoordiging van minderheden. In feite komt het erop neer dat je, wanneer je een blanke Hollander bent, niet wordt aangenomen terwijl je wel perfecte startkwalificaties hebt.

Gisteren hebben we het eindrapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme gezien. Ik vind het bizar wat daarin staat. In feite wordt meer racisme richting blanke Nederlanders voorgesteld. Al het beleid dat ik net noemde, moet worden geïntensiveerd. Het gaat alle schaamte voorbij dat met Nederlands belastinggeld wordt gewerkt aan zulk links broddelwerk. Blanke Nederlanders betalen in dit land voor hun eigen vernedering. Dat maakt deze motie enorm nodig.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat binnen de Rijksoverheid beleid wordt gevoerd gericht op het vergroten van de vertegenwoordiging van specifieke groepen op basis van afkomst, huidskleur, geslacht of andere identiteitskenmerken;

overwegende dat functies binnen de overheid uitsluitend op basis van kwaliteit, geschiktheid en vakbekwaamheid behoren te worden vervuld;

overwegende dat de overheid het goede voorbeeld dient te geven door iedere sollicitant gelijk te behandelen;

verzoekt de regering bij werving en selectie binnen de Rijksoverheid afkomst, huidskleur, geslacht en andere identiteitskenmerken geen rol te laten spelen en uitsluitend te selecteren op kwaliteit, geschiktheid en vakbekwaamheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Schenk.

Zij krijgt nr. 558 (30950).

De heer Schenk (FVD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng. Een ogenblik. U heeft nog een interruptie van de heer Clemminck.

De heer Clemminck (JA21):

Ik denk dat ik met de heer Schenk deel dat wij ook tegen positieve discriminatie zijn. Degene die het beste gekwalificeerd is, moet bijvoorbeeld bij een sollicitatie de baan krijgen. Is de heer Schenk het met mij eens dat dat in theorie ook kan betekenen dat er misschien tien mensen van kleur in een bepaald team terechtkomen, omdat dat dat uiteindelijk de tien beste mensen waren?

De heer Schenk (FVD):

Vanzelfsprekend. Dat is volgens mij ook precies waar mijn motie toe oproept, namelijk om te selecteren op vakbekwaamheid en geschiktheid. Wij willen juist niet kijken naar welke kleur iemand heeft, maar iedereen gelijk behandelen. Dat is wat er nu juist niet gebeurt in het werving- en selectiebeleid van de Rijksoverheid. Ik probeer dat hier dus recht te zetten.

De voorzitter:

Nogmaals dank voor uw inbreng. Meneer Clemminck, u bent aan de beurt. U gaat spreken namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.

De heer Clemminck (JA21):

Voorzitter, dank u wel. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland al beschikt over wetgeving, meldpunten, toezichthouders en bewindspersonen om discriminatie tegen te gaan;

verzoekt de regering de functie en het bureau van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme op te heffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 559 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit verschillende onderzoeken, zoals de global antisemitism survey van de Anti-Defamation League en het Pew Global Attitudes Project van het Pew Research Center, blijkt dat antisemitisme in islamitische landen veel vaker voorkomt dan in onze eigen regio;

constaterende dat daderstudies en politiestatistieken uit binnen- en buitenland aantonen dat jongeren met een islamitische achtergrond oververtegenwoordigd zijn bij fysiek straatgeweld tegen lhbtiq+-personen;

overwegende dat het voor het bestrijden van Jodenhaat en intolerantie ten opzichte van lhbtiq+-personen van belang is om te weten wat precies de oorzaak is van deze problemen, zodat ze beter kunnen worden geadresseerd;

verzoekt de regering onderzoek te laten doen naar de opvattingen, houdingen en gedragingen van Nederlanders ten aanzien van Joden en lhbtiq+-personen, uitgesplitst naar religieuze en culturele achtergronden, zodat een vergelijking mogelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 560 (30950).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme een nationale aanpak moslimdiscriminatie heeft aangekondigd en daarvoor een programmaleider wil aanstellen;

overwegende dat discriminatie van moslims, waar die plaatsvindt, onaanvaardbaar is en binnen de bestaande rechtsstaat moet worden bestreden;

overwegende dat het optuigen van een afzonderlijke nationale aanpak voor één specifieke groep echter vraagt om een duidelijke probleemanalyse, een toets op proportionaliteit, een financiële onderbouwing en meetbare doelstellingen;

overwegende dat bestaande instrumenten, zoals antidiscriminatievoorzieningen, politie, Openbaar Ministerie, onderwijsinspectie en regulier antidiscriminatiebeleid, reeds mogelijkheden bieden om discriminatie te melden, te onderzoeken en aan te pakken;

verzoekt de regering de Kamer, voordat er verder uitvoering wordt gegeven aan de nationale aanpak moslimdiscriminatie, een onderbouwing te sturen waarin ten minste wordt ingegaan op:

1. de aard, omvang en ontwikkeling van moslimdiscriminatie in Nederland;

2. de mate waarin sprake is van een probleem dat niet via bestaande instrumenten kan worden aangepakt;

3. de verhouding tot bestaand antidiscriminatiebeleid;

4. de kosten, personele inzet en looptijd van de aanpak;

5. de concrete doelstellingen en meetbare indicatoren;

6. de wijze waarop de aanpak wordt geëvalueerd;

verzoekt de regering de verdere uitvoering van de nationale aanpak moslimdiscriminatie aan te houden, de Kamer over deze onderbouwing te informeren en hierover te debatteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Clemminck en Keijzer.

Zij krijgt nr. 561 (30950).

De heer Clemminck (JA21):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Keijzer wil nog een interruptie plaatsen.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik heb als eenpitter maar 1 minuut en 20 seconden spreektijd. Mag ik onder deze motie? Ik vind 'm fantastisch.

De heer Clemminck (JA21):

Zeer welkom.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Die wil ik medeondertekenen. Dank u.

De voorzitter:

Dan zullen we uw naam toevoegen. Op mijn lijstje heeft u anderhalve minuut, mevrouw Keijzer. We gaan nu luisteren naar mevrouw Tseggai. Zij heeft het genoegen om als eerste formeel in de Tweede Kamer te spreken namens de fractie PRO. Dat staat voor Progressief Nederland. Gaat uw gang.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Wat een eer, voorzitter. Nu moet ik er wel op oefenen dat ik na dertien jaar PvdA gezegd te hebben, waarvan de laatste tweeënhalf jaar GroenLinks-PvdA, namens de fractie van Progressief Nederland spreek.

Voorzitter. Ik heb een paar weken geleden, toen we het debat over discriminatie hadden, al mijn ongenoegen geuit over het feit dat er maar liefst vijf bewindspersonen betrokken zijn bij de aanpak van discriminatie en racisme en dat wij ook een tweede bewindspersoon hadden uitgenodigd voor het debat, namelijk de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor arbeidsmarktdiscriminatie, maar dat die er niet bij was. Dit is een terugkerend probleem. De staatscommissie heeft eergisteren in haar rapport ook te kennen gegeven dat het goed zou zijn als er een centrale coördinatie en aanpak is van discriminatie en racisme. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat volgens de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme in Nederland sprake is van diepgewortelde en structurele discriminatie en racisme;

van mening dat de aanpak van discriminatie en racisme snel fundamentele verbetering behoeft en dat de door de staatscommissie voorgestelde actieagenda daarbij goede diensten kan bewijzen;

constaterende dat de verantwoordelijkheid voor de aanpak van discriminatie en racisme over vijf ministeries is verdeeld en dat daardoor de slagkracht versnippert;

verzoekt de regering om het advies van de staatscommissie te volgen en te voorzien in de borging van een duurzame aanpak van discriminatie door de centrale regie, coördinatie en actie te versterken, bijvoorbeeld door dit bij de minister-president, de minister van Algemene Zaken, te beleggen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.

Zij krijgt nr. 562 (30950).

Mevrouw Tseggai (PRO):

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar de heer Van den Brink. Hij voert het woord namens de CDA-fractie. Gaat uw gang.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik ben tevreden met de beantwoording van de minister in het commissiedebat. Ik heb daarom geen motie, maar wel een korte inbreng.

Als christendemocraten geloven wij dat alle mensen uniek, relationeel en gelijkwaardig zijn, en ook als gelijkwaardig moeten worden behandeld. De overheid dient in te grijpen als er gediscrimineerd wordt, maar het bestrijden van discriminatie is niet een taak van de overheid alleen. Minstens zo belangrijk is hoe wij als samenleving daarmee en met elkaar omgaan. Wij moeten elkaar aanspreken en bevragen.

Voorzitter. We moeten ook eerlijk zijn: niet alles wat discriminatie lijkt, is ook discriminatie. Kritiek op ideeën en religiekritiek is toegestaan in ons land. Dat moet zo blijven. Dat is niet altijd leuk, maar dat hoort bij een vrije en open samenleving. De rechtsstaat beschermt mensen tegen discriminatie, maar die beschermt ideeën en religies niet tegen kritiek. Ik roep het kabinet op om dat scherp in het oog te houden bij het ontwikkelen van beleid tegen discriminatie.

Tot slot. Collega Ceder heeft in zijn bijdrage gesproken over de Molukse gemeenschap. Die gemeenschap verdient een proces dat leidt tot erkenning en een passend gebaar dat recht doet aan de gemeenschap en de gemeenschap versterkt. Daarom heeft de CDA-fractie de motie van meneer Ceder medeondertekend.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Ik had toch gehoopt — dat hoopte ik de vorige keer bij het commissiedebat al — op iets meer reflectie van het CDA op het probleem van discriminatie en racisme, bijvoorbeeld ook op hoe het is beschreven door de staatscommissie. Ik vraag me daarom af hoe het CDA reflecteert op dat rapport van de staatscommissie.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Volgens mij hebben we gisteren besloten dat daar een apart debat over komt. Dan gaan we het daar grondig over hebben.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Dat snap ik, maar ik sla er even op aan omdat de heer Van den Brink stelt dat niet alles door de overheid opgelost hoeft te worden en dat dat ook door de samenleving kan gebeuren. Daar ben ik het mee eens. Wij bespreken hier hoe hard je mag rijden in Nederland, maar we moeten ons met z'n allen aan de maximumsnelheid houden. Maar dat betekent dan toch niet dat het CDA geen ideeën heeft over de verkeersveiligheid? Daarom had ik gehoopt dat het CDA zelf ook ideeën zou hebben bij de aanpak van discriminatie en racisme.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Daar hebben we het in het debat inderdaad over gehad. Toen heb ik verwezen naar het regeerakkoord, waarin we afspraken gemaakt hebben over de bestrijding van discriminatie, en toen heb ik aangegeven dat wij die afspraken van harte ondersteunen.

De voorzitter:

U heeft twee interrupties gehad, mevrouw Tseggai. Er komt een apart debat. Dank voor uw inbreng, meneer Van den Brink. We gaan door met de heer Verkuijlen. Hij voert het woord namens de VVD-fractie. Gaat uw gang.

De heer Verkuijlen (VVD):

Voorzitter, aangezien u net mevrouw Tseggai feliciteerde, moet ik u ook feliciteren, want u zit als eerste voor namens PRO hier in de plenaire zaal. Felicitaties daarmee.

De voorzitter:

De voorzitter is neutraal. Die hoort niet bij een fractie.

De heer Verkuijlen (VVD):

Ik weet het, maar toch. Gisteren heeft de staatscommissie — dat is hier al aan de orde geweest — geconstateerd dat discriminatie door de overheid actief aangepakt moet worden. Dat is ook de reden geweest waarom wij de motie van de heer Bamenga mede ingediend hebben. Maar ik vraag hier ook vandaag even aandacht voor een ander perspectief. Dat heb ik ook in het debat gedaan. Het Openbaar Ministerie constateert dat in 2025 645 discriminatiefeiten zich afspeelden tijdens werk of gezagsuitoefening. Daarvan waren er 568 gericht op personen met een publieke functie. Het gaat hierbij om ambtenaren. Zij zijn onderdeel van de overheid. Ik wil graag van de minister weten hoe hij daarop reflecteert en welke acties hij voornemens is daarop te nemen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we naar de heer Flach, die het woord voert namens de fractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij, ook wel bekend als de SGP, een partij die inmiddels meer dan 108 jaar bestaat. Gaat uw gang.

De heer Flach (SGP):

We kijken terug op een debat dat stevig was en waarin we behoorlijk botsten met verschillende opvattingen. Daar zijn die debatten ook voor. Ik heb in dat debat aandacht gevraagd voor het doorslaan van het begrip "discriminatie" en het waarnemen van discriminatie achter iedere struik. Dat kan ook leiden tot inflatie van dat begrip. Ook heb ik aandacht gevraagd voor de verwarring tussen begrippen en heb ik opgeroepen om het woord "islamofobie" niet meer te gebruiken, omdat dat samenhangt met kritiek op een religie en dat zou gewoon moeten kunnen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Verenigde Naties in 2022 door middel van een resolutie een internationale dag voor de bestrijding van islamofobie hebben uitgeroepen;

overwegende dat deze resolutie onderkent dat er ook sprake is van discriminatie en geweld tegen Joden en christenen en dat de EU bezwaar heeft gemaakt tegen de exclusieve aandacht voor de islam;

voorts overwegende dat het woord "islamofobie" ten onrechte kritiek op de islam en discriminatie van moslims verwart en islamkritiek op voorhand in een kwaad daglicht stelt;

verzoekt de regering zich in het overheidsbeleid en in de praktijk van overheidsdiensten en -instanties bewust afzijdig te houden van vermelding en erkenning van de internationale dag voor de bestrijding van islamofobie en tevens het gebruik van het woord "islamofobie" te vermijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.

Zij krijgt nr. 563 (30950).

Dank voor uw inbreng. Tot slot is in de termijn van de Kamer het woord aan mevrouw Keijzer, die spreekt namens mevrouw Keijzer. Gaat uw gang.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dank, voorzitter. Stel, iemand wil een vereniging oprichten voor jonge homo's. Mag ik daar als 57-jarige heteroseksuele vrouw bij? Volgens het laatste rapport van de staatscommissie niet. Als ik me gekrenkt voel, is dat straks de maatstaf voor discriminatie. Niet de intentie, maar het gevoel wordt leidend. Daarmee draai je de rechtsstaat om. Het vermoeden van onschuld verdwijnt en de beschuldigde moet bewijzen dat het niet zo is. Te gek om los te lopen. En het rapport zelf: fouten. Het hof heeft in de casus die over mij ging, gezegd dat er geen sprake is van groepsbelediging; het rapport zegt van wel. Helaas, wederom een gekleurd rapport, en nog wel van een staatscommissie. Dat doet mij zeer.

Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat identiteitspolitiek mensen reduceert tot kenmerken als huidskleur, afkomst of seksuele voorkeur;

overwegende dat een mens altijd meer is dan één aspect van zijn identiteit en dat beleid juist uit moet gaan van de gelijkwaardigheid van iedere burger;

overwegende dat beleid zoals diversity, equity and inclusion (DEI) de nadruk legt op verschillen tussen mensen en daarmee polarisatie in de hand werkt;

verzoekt de regering te stoppen met beleid gericht op DEI en te kiezen voor beleid dat uitgaat van gedeelde normen, waarden en taal,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Keijzer.

Zij krijgt nr. 564 (30950).

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Waar dat DEI-beleid toe kan leiden, hebben we recent gezien in het Verenigd Koninkrijk met de dood van Henry Nowak. Ik hoop dan ook op een "oordeel Kamer" van deze minister, want die weg moeten we niet op met elkaar.

Dank u.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng. Dit was de termijn van de zijde van de Kamer. We gaan tien minuten schorsen en dan krijgen we een appreciatie van de zeventien ingediende moties. We zijn even geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het tweeminutendebat Discriminatie, racisme en mensenrechten. We zijn toe aan de termijn van de zijde van de regering. Ik geef het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Minister Heerma:

Dank u, voorzitter. Er zijn flink veel moties en ik heb nog een vraag van de VVD-fractie. Ik ga de moties in de volgorde waarop ze zijn ingediend, van een beoordeling voorzien.

Ik begin bij de eerste motie van D66, de motie-Bamenga c.s. op stuk nr. 548, over de discriminatietoets. Daarin wordt verzocht te streven naar een zo breed mogelijke toepassing. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven, ook indachtig het commissiedebat dat we twee weken geleden met elkaar gehouden hebben.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Interessant. Hoe verhoudt zich dit tot de nieuwe definitie van "discriminatie" in het rapport van de staatscommissie? Daarin staat wat ik heb gezegd, namelijk dat het discriminatie is als je je gekrenkt voelt. Is dat dit? Ziet dat dan ook op de discriminatie van de blanke of witte man?

Minister Heerma:

Mevrouw Keijzer, we hebben hier in het debat uitgebreid met elkaar over gesproken. Dit betreft de discriminatietoets die we gaan uitvoeren, zoals ik al heb aangegeven. Dat doen we dus niet conform een eerder advies van de staatscommissie om die direct verplicht te stellen. Op het rapport dat deze week is verschenen komen we nog met een uitgebreide kabinetsreactie. Dat heb ik ook aangegeven. In de Kamer is ook besloten dat daar een apart debat over wordt gehouden. Deze discriminatietoets is geen reactie op het rapport van afgelopen maandag, maar iets wat al loopt. De link die mevrouw Keijzer hier legt, zie ik dus niet.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Nou, dan gaan we maar dat debat doen. Maar dan zal ik tegen deze motie stemmen, omdat ik geen idee heb welke definitie van discriminatie hier van toepassing is.

Minister Heerma:

Het staat elke fractie vrij om te stemmen, maar de discussie over de discriminatietoets loopt al langer en deze motie verwijst volgens mij ook naar vragen die in dat debat gesteld zijn. Ik kan haar dus oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Nu de motie op stuk nr. 549.

Minister Heerma:

Dan de motie op stuk nr. 549 van de heren Bamenga, Ceder en Van Baarle. Die verzoekt naar de vlaginstructie te kijken. Voor veel Nederlanders is de herdenking van het slavernijverleden en de viering van Ketikoti een belangrijk moment. Met de excuses uitgesproken in 2022 en in 2023 op 1 juli door de koning tijdens zijn speech is dit moment gemarkeerd. Het staat iedere rijksorganisatie vrij om de vlag te hijsen. Voor rijksgebouwen geldt een vlaginstructie uit 2013. Daar refereerde de heer Bamenga aan. Het kabinet zal onderzoeken of een herziening van de vlaginstructie wenselijk is en de Kamer hierover informeren. In dat kader kan ik deze motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

In dit tempo gaan we wel een probleem krijgen. We hebben inderdaad nog een wetsbehandeling met daarin veel amendementen en ook andere agendapunten.

Minister Heerma:

En nog een commissiedebat ...

De voorzitter:

Ik vind het dus niet zo handig dat leden op ieder oordeel gaan interrumperen. Ik geef de heer Schenk nu nog wel de gelegenheid, maar ik roep u op terughoudend te zijn. De heer Schenk.

De heer Schenk (FVD):

Ik zal proberen het kort te houden. Ik vraag me af wat dit in de praktijk betekent voor de uitvoering. Welke vlag wordt er dan bijvoorbeeld gehesen als hieraan uitvoering gegeven wordt?

Minister Heerma:

Daar kan ik vrij makkelijk over zijn. Wat ik heb aangegeven, is dat de vlaginstructie wordt herzien. En de vlag die wij doorgaans hijsen, is de Nederlandse vlag. Maar de vlaginstructie wordt nu dus herzien. Daar zullen we de Kamer over informeren en daarom laat ik deze motie aan het oordeel van de Kamer.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Minister Heerma:

Dan de moties, volgens mij zes, van de heer Van Baarle. Dit was toch een Guinness-Book-of-Recordspoging in twee minuten! Altijd respect voor de snelheid waarmee dat kan. Dat betekent niet dat ik alle moties oordeel Kamer kan geven; eerder het omgekeerde.

De eerste motie van de heer Van Baarle, die op stuk nr. 550, heeft betrekking op het intrekken van de wet op gezichtsbedekkende kleding. Deze motie moet ik ontraden. Het regeerakkoord gaat uit van een versterkte handhaving op dit punt.

Dan de motie rondom het antidiscriminatiebeleid en dit uitzonderen van eventuele bezuinigingen, de motie op stuk nr. 551. Daar heeft de heer Van Baarle mij volgens mij in het commissiedebat ook naar gevraagd. U zult begrijpen dat ik in dit debat geen beleidsterreinen kan gaan uitzonderen van een rijksbrede taakstelling. Als ik dat wel zou gaan doen, en andere bewindslieden ook, zouden we bij elk beleidsterrein dit soort moties krijgen. Dus ik moet deze motie ontraden.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik had natuurlijk het liefst een motie ingediend waarin ik had gezegd: "uitzonderen". Maar ik heb de minister in het commissiedebat gehoord en in de motie staat daarom "om zich ervoor in te zetten". Er is een aantal van die beleidsterreinen, bijvoorbeeld het bestrijden van kinderarmoede, waarvan we met elkaar zeggen: ook al hebben we een uitdaging als Rijksoverheid, je wilt gewoon voorkomen dat daar een taakstelling bij neerslaat. De minister kan toch wel zeggen dat hij met die inspanning aan de slag gaat?

Minister Heerma:

Ook in verwijzing naar het debat: ik snap dat de heer Van Baarle een bepaalde formulering heeft, maar ik moet deze motie ontraden, ook indachtig wat ik in het debat gezegd heb.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Heerma:

Ik sloeg mijn blaadje net om, voorzitter.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 552.

Minister Heerma:

De heer Van Baarle dient ook een motie in over Ketikoti, met het verzoek om in overleg met sociale partners een concreet voorstel te doen om daarvan een nationale feestdag te maken. Deze motie moet ik het oordeel "ontijdig" geven. Tijdens het commissiedebat Slavernijverleden op 11 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd dit vraagstuk te onderzoeken. Het Herdenkingscomité Slavernijverleden is met deze opdracht aan de slag gegaan. Richting het einde van het jaar, in Q4 van 2026, levert het herdenkingscomité haar advies op. Ik zal de Kamer daarover begin 2027 informeren, maar ik moet deze motie op stuk nr. 552 nu als ontijdig beoordelen.

De volgende motie van de heer Van Baarle verzoekt de regering om een gericht nationaal programma tegen …

De voorzitter:

Ik moet u even onderbreken, want eigenlijk moet ik dan vragen aan de indiener of hij bereid is de motie aan te houden. Nee. Dan gaan we door. Dan blijft het oordeel "ontijdig". Gaat u door met de motie op stuk nr. 553.

Minister Heerma:

De heer Van Baarle heeft een motie waarin hij verzoekt om een gericht nationaal plan tegen moslimdiscriminatie. Ook deze moet ik het oordeel "ontijdig" geven. In december vorig jaar is de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie verzonden. Hierin worden maatregelen aangekondigd die moslimdiscriminatie bestrijden. Dit kabinet blijft deze maatregelen ook uitvoeren. Ook heeft de NCDR begin dit jaar aangekondigd met een plan te komen voor een aanpak van moslimdiscriminatie in samenwerking met gemeenschappen. Ik verwacht dat dit advies ons bouwstenen zal bieden die de aanpak van moslimdiscriminatie ten goede komen.

De voorzitter:

De heer Van Baarle wil deze motie ook niet aanhouden, geloof ik. Nee. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 554.

Minister Heerma:

Die motie van de heer Van Baarle verzoekt om de aanpak van discriminatie wettelijk te verankeren en lokaal antidiscriminatiebeleid verplicht te stellen. Deze motie moet ik ontraden. Ik begrijp de wens van de heer Van Baarle, maar ik heb tijdens het commissiedebat ook aangegeven dat er op dit moment geen financiële middelen zijn om een nieuwe taak effectief uit te kunnen voeren. Daarnaast wil ik nogmaals benadrukken dat gemeentes in het licht van artikel 1 van de Grondwet een eigen verantwoordelijkheid hebben in het voorkomen en aanpakken van discriminatie en racisme in de gemeentes en dat veel gemeentes dit ook al doen. Ik moet deze motie dus ontraden.

De heer Van Baarle (DENK):

De minister geeft aan dat hij het verzoek begrijpt, maar dat er geen middelen voor zijn. Betekent dat dat de minister zegt dat hij het ermee eens is, maar dat hij het niet doet, omdat er geen financiën zijn?

Minister Heerma:

Nee, dat is niet wat ik zeg. Wat ik aangeef, is het eerlijke antwoord. Er zijn hier op dit moment geen middelen voor. In het licht van artikel 1 van de Grondwet hebben gemeentes al een verantwoordelijkheid en heel veel gemeentes vullen die ook al in. Deze motie komt ook op naar aanleiding van de herziening van de antidiscriminatievoorzieningen. In algemene zin geldt ook dat we met gemeentes een discussie hebben over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Ook in dat kader moet ik deze motie ontraden.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Heerma:

De motie op stuk nr. 555 is ook van de heer Van Baarle. Die verzoekt om de discriminatietoets verplicht te stellen. Ik heb de motie van de heer Bamenga oordeel Kamer gegeven. Ik moet deze motie ontraden. Ik heb in het commissiedebat drie redenen gegeven waarom ik de toets nu niet verplicht wil stellen en, verwijzend naar dat debat en de redenen die ik gegeven heb, moet ik deze motie ontraden.

Dan de motie van mevrouw Beckerman op stuk nr. 556. Die verzoekt, onder verwijzing naar de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, uitvoering te geven aan de principes van het rapport Principes voor profilering. Deze motie moet ik het oordeel "ontijdig" geven. Het kabinet neemt de waarschuwingen over de risico's van risicoprofilering die de staatscommissie in het rapport schetst uiterst serieus. We ondernemen al acties om deze risico's tegen te gaan en werken continu aan het verbeteren van transparantie en de verantwoording van de werkwijze. Het kabinet hecht groot belang aan het rapport van de staatscommissie en zal in een kabinetsreactie op het eindrapport uitgebreid ingaan op de aanbevelingen, maar het is nu te vroeg om te zeggen dat we die allemaal gaan overnemen. Er komt een kabinetsreactie. Er is ook al steun in uw Kamer om er een apart debat over te hebben, dus deze motie moet ik nu als "ontijdig" bestempelen.

De voorzitter:

Wil mevrouw Beckerman de motie ook aanhouden?

Mevrouw Beckerman (SP):

Volgens mij praten we over twee verschillende dingen. De minister heeft het volgens mij — corrigeer me als ik het verkeerd heb — over het rapport dat maandag is uitgekomen. Wij hebben het hier specifiek over een aanbeveling die we ook al genoemd hebben in het commissiedebat en die van een eerder moment is. Ik snap het oordeel "ontijdig" als je het hebt over het rapport van maandag. Deze motie refereert aan een oudere aanbeveling, die ook uitgebreid bevraagd en besproken is in het commissiedebat. Daarom begrijp ik het "ontijdig" even niet. Dit gaat echt over datagedreven risicoprofilering.

Minister Heerma:

Op een aantal rapporten die de staatscommissie heeft gemaakt, is nog geen kabinetsreactie gegeven, waaronder dit rapport. Daarom hebben we aangegeven dat we bij de reactie op het eindrapport de brede kabinetsreactie meenemen. Dat geldt hier ook voor, dus ik zal toch mijn oordeel "ontijdig" moeten handhaven.

De voorzitter:

Wil mevrouw Beckerman 'm aanhouden?

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik laat 'm heel even staan en denk er even over na.

De voorzitter:

Dan is het oordeel: ontijdig. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 557.

Minister Heerma:

De motie op stuk nr. 557 is de lange motie van de heer Ceder. Ik kan niet anders zeggen dan dat die ook zeer breed ondertekend is in de Kamer. Het was het hoofdonderwerp van de inbreng van de heer Ceder tijdens het commissiedebat. Ik wil deze motie oordeel Kamer geven. Het kabinet vindt het van belang om op een waardige manier stil te staan bij 75 jaar Molukkers in Nederland. Dit is een geschiedenis die erkenning verdient. Hiervoor dient een zorgvuldig proces te worden ingericht om te bezien hoe, in aanvulling op wat er al gebeurt, tegemoetgekomen kan worden aan de Molukse gemeenschap. Ik laat deze motie dus oordeel Kamer, indien ik de motie zo mag interpreteren dat de nationale agenda volgt uit de uitkomsten van het onafhankelijk onderzoek en het consultatietraject, en dat hierbij de primaire focus ligt op de periode rond de Tweede Wereldoorlog tot nu, mede gelet op de uitkomsten van een onderzoek, die binnen een jaar dienen te worden gepresenteerd.

Dan de motie op stuk nr. 558 van de heer Schenk van Forum voor Democratie. Ik ga zeggen dat het oordeel op deze motie "overbodig" is. Binnen het Rijk wordt geen voorkeursbeleid bij aanname toegepast. Het beleid binnen het Rijk is toegespitst op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie op basis van functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie. Deze motie is dus "overbodig".

Dan de eerste motie van de heer Clemminck, op stuk nr. 559, met betrekking tot het opheffen van het bureau van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. Deze motie moet ik ontraden. Uit de evaluatie van de NCDR, die uw Kamer in het najaar van 2024 heeft gekregen, volgt dat de NCDR een waardevolle aanvulling is op het stelsel voor de aanpak van discriminatie. Ik zie geen reden om dat instituut op te heffen. Het regeerakkoord zegt ook dat we de nationaal coördinator wettelijk gaan verankeren. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden".

Dan de motie op stuk nr. 560 van de heer Clemminck, over onderzoek laten doen naar religieuze en culturele achtergronden ten aanzien van haat richting Joden en lhbtiq+-personen. We hebben het hier in het commissiedebat ook over gehad. Ik wil deze motie ontraden. Discriminatie moet aangepakt worden, ongeacht de culturele achtergrond van mensen die zich hier schuldig aan maken. Ik ben dus geen voorstander van een apart onderzoek hiernaar. Dat was ook mijn antwoord in het commissiedebat. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden". Dat zal de heer Clemminck niet verrassen.

Dan de lange motie van de heer Clemminck, en inmiddels ook van het lid Keijzer, op stuk nr. 561, over het aanhouden van de aanpak. Ook deze motie moet ik ontraden. Het bestaan van moslimdiscriminatie is voldoende aangetoond in allerlei onderzoeken. In de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie is al vermeld dat er waar nodig zowel generieke als specifieke inzet wordt gedaan. De NCDR heeft op grond van signalen en onderzoeken aangegeven aan de slag te gaan. Daarnaast is er grond om specifiek met een plan te komen. Het plan wordt aangeboden aan het kabinet. Daarna zal het kabinet gaan kiezen wat we gaan doen. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden".

Dan de motie op stuk nr. 562 van het lid Tseggai van de fractie van PRO. Ik geloof dat ik nu de eerste ben die de fractie officieel zo mag noemen; ik heb het stiekem al een paar keer smokkelend gedaan, gisteren tijdens het vorige tweeminutendebat. Deze motie verzoekt om — het is een onderwerp waar mevrouw Tseggai zich volgens mij al meerdere malen over geuit heeft — in lijn met de staatscommissie de coördinatie neer te leggen bij, in dit geval, de minister-president. Dat is niet wat de staatscommissie zegt. De coördinerende rol ligt bij het ministerie van BZK. Ik zal me onverminderd blijven inzetten op deze rol. Bij de invulling van deze rol neem ik de adviezen van de staatscommissie ter harte. Daar komt dus ook nog een uitgebreide kabinetsreactie op. Daarnaast geldt dat elk departement ook verantwoordelijk is voor de eigen portefeuille, zoals ook staat in artikel 44 van de Grondwet. Het verandert niets als je de coördinerende rol bij de minister-president neerlegt. Ik wil deze motie dus ontraden.

Dan de motie …

De voorzitter:

Een ogenblik.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Het gaat mij er vooral om dat het bij één departement komt te liggen. Ik weet niet of de minister nu vooral valt over het feit dat ik in de motie het ministerie van Algemene Zaken als voorbeeld heb genoemd. Ik zou het fijn vinden om hier een uitgebreidere appreciatie op te krijgen, misschien ook van het ministerie van Algemene Zaken.

Minister Heerma:

Ik had de motie ook het oordeel "ontijdig" kunnen geven. Die gaat net als sommige andere moties in op de adviezen van de staatscommissie, waar een uitgebreide kabinetsreactie op en een apart debat over zal komen. Ik kan me voorstellen dat mevrouw Tseggai wil dat we er in dat debat uitgebreid op terugkomen. Maar indachtig het commissiedebat, waarin ik ook al duidelijk heb aangegeven dat hier enerzijds coördinatie is en dat er anderzijds simpelweg sprake is van de werking van onze Grondwet en de ministeriële verantwoordelijkheid, wil ik toch handhaven dat ik de motie ontraad. Tegelijkertijd heb ik er alle begrip voor dat mevrouw Tseggai dit debat opnieuw en uitgebreider wil voeren na de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie. Dan zullen we ook uitgebreid ingaan op dit punt, wat volgens mij haar aanvullende vraag was.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (PRO):

De minister houdt de appreciatie nu op "ontraden". Dan houd ik 'm even aan.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Tseggai stel ik voor haar motie (30950, nr. 562) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 563 van de heer Flach.

Minister Heerma:

Ja. De motie van de heer Flach gaat deels over een gesprek dat wij in het commissiedebat hadden. Ik wil deze motie ontraden. De motie kent twee elementen. Ik heb over het tweede element al aangegeven dat, los van het feit dat ik niet kan garanderen dat de term nooit gebruikt wordt, het kabinet in beginsel de term "moslimdiscriminatie" hanteert en niet de term "islamofobie". Tegelijkertijd is het zo dat de VN deze dag heeft uitgeroepen. Dat is een feitelijkheid die we niet kunnen ontwijken of stilzwijgen. Ik ben ook niet bij machte om hier te zeggen dat overheidsinstanties of departementen daar nooit naar zouden mogen verwijzen. Dat zou ik dus ook niet verstandig vinden. Er kan aan gerefereerd worden, net zoals dat ook kan gebeuren met andere dagen die de VN heeft uitgeroepen.

De heer Flach (SGP):

Het gaat hier niet om overgevoeligheid van mijzelf of van mijn partij. Ik heb bewust genoemd dat ook de EU bezwaar gemaakt heeft, omdat dit raakt aan de vrijheid van meningsuiting. Satirische programma's draaien helaas voor een groot gedeelte op allerlei spottende opmerkingen over het christendom. Dat mag al decennialang. Dat doet mij pijn, maar het is wel toegestaan. Datzelfde geldt voor de islam. Door die dag zo in te stellen, verbijzonder je die godsdienst ten opzichte van andere, terwijl we het hebben over een heel ander begrip. Het ontraden door de minister heeft dus ook een bepaalde betekenis. Daarmee zegt de regering namelijk: wat ons betreft mag die ene unieke term voor die ene specifieke godsdienst ook bestaan en daar distantiëren wij ons niet van. Ik zie dat toch als een inperking van de vrijheid van meningsuiting.

Minister Heerma:

Ik zie dat toch echt niet zo. Wij hebben dit debat ook in commissieverband gevoerd. Ik heb daarin ook uitgelegd welke positie Nederland daarin heeft en welke positie de EU daarin heeft, maar ik heb ook uitgelegd dat wanneer de VN dan toch een dag uitroept, we daar niet opnieuw specifiek bezwaar tegen gaan maken. Het is een feit dat het is gebeurd. Het verzoek is om ons afzijdig te houden van vermelding van die internationale dag. Dat is wat de motie vraagt. De dag is er feitelijk en dat kan vermeld worden. Wat betreft het tweede heb ik ook uitgelegd dat wij uitgaan van de term "moslimdiscriminatie" en dat de term "islamofobie" vanuit het kabinet dus niet gebruikt wordt.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Flach (SGP):

Ja, afrondend. Met alle respect voor wat de minister zegt, vind ik dit toch een wat slappe reactie. Het is namelijk vrij dubieus tot stand gekomen. Doordat het kabinet hier dan eigenlijk een beetje mak in volgt, gaan we ook mee in die verbijzondering van één godsdienst ten opzichte van andere godsdiensten. Dat je de ene groep, die een bepaalde godsdienst aanhangt, vrijwaart van kritiek op die religie, terwijl dat bij andere godsdiensten niet zo is, is in z'n aard al discriminatie. Ik kan nu volgens mij niks veranderen aan het oordeel van de minister, maar ik verzoek hem toch wel om zich hier nader op te bezinnen, want volgens mij past dit pad dat we ingaan echt niet bij hoe wij omgaan met de vrijheid van meningsuiting.

Minister Heerma:

Het staat de heer Flach vrij om deze oordelen te hebben. Dit is onderwerp geweest van het debat dat wij in commissieverband al hadden. Door het uitroepen van een "dag van" door de VN verandert niet een heel juridisch kader. Deze dag wijzigt niet de interpretatie van de Grondwet of van het EVRM. Ik kan dus niet delen wat de heer Flach hierover zegt. Ik ontraad de motie.

De voorzitter:

Kort, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik heb toch een vraag. Een fobie is een psychische aandoening met een irrationele overmatige angst. Vindt de minister dat islamofobie als fenomeen bestaat in Nederland? Is dat een probleem? Ik ben wel benieuwd wat de minister daarvan vindt.

Minister Heerma:

Mevrouw Keijzer verwijst nu naar een debat dat ik al met de heer Flach heb gevoerd in het commissiedebat. Ik heb uitgelegd dat wij de term "islamofobie" in beginsel niet gebruiken, omdat die over angst gaat. Wij gaan uit van de term "moslimdiscriminatie". Als wij als overheid communiceren, spreken wij over moslimdiscriminatie.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dan concludeer ik maar dat de minister op mijn vraag of dat iets is wat bestaat en of dat een probleem in Nederland is, zegt dat dat niet zo is omdat men spreekt van moslimdiscriminatie. Klopt dat?

Minister Heerma:

Over de term "islamofobie" is al discussie geweest sinds die vijftien à twintig jaar geleden opkwam. Die discussie kan ook afleiden van het feit dat het fenomeen "moslimdiscriminatie" echt bestaat en echt een probleem is. Ik geef dus aan dat wij als kabinet uitgaan van de term "moslimdiscriminatie" en de term "moslimfobie" niet gebruiken, omdat die tot verwarring leidt in het debat.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik denk dat het belangrijk is om moslimdiscriminatie aan te pakken. Ik herken wel iets van het ongemak. Als je het reduceert of juist vergroot tot het niveau "fobie" kom je in een ongemakkelijk werkveld. Ik ben ook woordvoerder Buitenlandse Zaken. Als je kritiek hebt op landen waar shariawetgeving geldt, ontstaat de vraag waar het discriminatie is, waar het fobie is en waar het gewoon een terechte uitwisseling is van argumenten bij een verschil van mening. Mijn vraag is of het klopt dat de minister vindt dat de termen "moslimdiscriminatie" en "islamofobie" niet hetzelfde betekenen en er wel degelijk een verschil is.

Minister Heerma:

Ik heb in het commissiedebat bij herhaling uitgelegd dat dit de reden is waarom wij de term "moslimdiscriminatie" hanteren en niet "islamofobie". Die leidt tot verwarring over wat het betekent. De heer Flach koppelt het in zijn motie aan de dag die de VN heeft uitgeroepen. Daar hebben wij als EU en als Nederland een andere positie in gehad, maar in de motie wordt ook gevraagd om er niet naar te verwijzen en dat moet ik echt ontraden.

De voorzitter:

Afrondend, de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat van de dag snap ik. Ik snap dat de minister zegt dat dat buiten zijn macht is vastgesteld. Ik begrijp de argumentatie. Ik heb wel behoefte — dat kan ook per brief — aan een kabinetsstandpunt over de vraag of islamofobie gelijkstaat aan moslimdiscriminatie en of er een verschil zit in interpretatie en reikwijdte. Daar wordt in de samenleving en in partijen verschillend over gedacht. Zou het kabinet daar een brief over kunnen sturen? Ik vraag dit omdat er in de samenleving en in het parlement heel verschillende interpretaties over bestaan. Dan krijg je heel ingewikkelde discussies met elkaar. Ik heb daar dus wel behoefte aan.

Minister Heerma:

Ik heb eigenlijk geen behoefte om een brief toe te zeggen over een term die we niet gebruiken. Ik was hier tijdens het commissiedebat heel helder over: wij gebruiken deze term niet; wij gebruiken de term "moslimdiscriminatie". Ik heb er geen behoefte aan om een aparte brief te sturen om uit te leggen dat we een term niet gebruiken en waarom we hem niet gebruiken.

De voorzitter:

Heeft u echt een andere vraag, meneer Clemminck? Ik merk dat er een zekere herhaling is. Er is een duidelijk oordeel gegeven over de motie. De heer Clemminck.

De heer Clemminck (JA21):

Ik ben toch wat in verwarring en teleurgesteld in het antwoord en de appreciatie van de motie door de minister. De minister zegt dat het kabinet de term niet gebruikt, zonder eigenlijk aan te geven waarom dan precies niet. Hij wil daar ook geen brief over sturen. Hij vindt het blijkbaar wel acceptabel dat overheidsdiensten de term zouden kunnen gebruiken in hun communicatie naar burgers. Wat voor beeld geeft dat aan burgers van Nederland wanneer zij overheidscommunicatie krijgen waarin die term wel wordt gebruikt, terwijl hij zegt dat het kabinet de term niet wil gebruiken?

Minister Heerma:

Wat ik aangeef, is dat wij in onze communicatie deze term niet gebruiken. Dat doen we niet, omdat de term juist tot verwarring en dat debat leidt. Daarom heb ik in het commissiedebat gezegd dat wij uitgaan van de term "moslimdiscriminatie". Dat was in het commissiedebat een duidelijk antwoord. Dat is het nu nog steeds. Ik wil nu ook geen brief sturen waarin we een soort omgekeerde taalgids maken. Er worden nu dingen gezegd, maar het is het beste om het via de microfoon te doen. De motie vraagt meerdere dingen. De motie vraagt om iets dat ik al heb aangegeven in het debat: wij gebruiken die term niet. Er wordt ook iets gezegd over die dag van de VN en dat daar niet naar verwezen mag worden. Die dag is er feitelijk. Daar kan naar verwezen worden. Ik ontraad deze motie.

De heer Van Baarle (DENK):

De definitie die aan het woord "islamofobie" wordt gegeven door het College voor de Rechten van de Mens is: een manier van denken die de angst voor de islam of moslims uitdrukt en voedt en moslims als groep problematiseert en als een bedreiging ziet op basis van hun religie. Volgens mij willen we in geen enkel geval, of het nou gaat om de lhbti-gemeenschap, de dag tegen homofobie of een dag tegen islamofobie, of, you name it, christenfobie of andere vormen van angsten, een religie of een groep in de samenleving met angst bejegenen en als dreiging zien. Dat willen we in geen enkel geval, ook niet als het gaat om de islam en moslims. Ik hoop dat de minister dát kan onderschrijven. Het gaat mij ook niet zozeer om een definitiekwestie. Volgens mij is het feit dat er sprake is van een fobie in de richting van een religie of een groep in de samenleving op zichzelf al problematisch, om wie het ook gaat. Dat zullen we moeten bestrijden.

Minister Heerma:

Discriminatie is strafbaar en moet worden bestreden. De vraag van de heer Van Baarle raakt precies aan de reden waarom deze term ook tot verwarring leidt. Je mag ergens angst voor hebben. Als we angst en discriminatie te veel met elkaar vermengen, krijgen we ook deels het debat dat we hier nu voeren. Wij gebruiken de term moslimdiscriminatie en dat willen wij bestrijden. Dat wil de heer Van Baarle ook, want daar heeft hij veel moties over ingediend. Ik ontraad deze motie vanwege de overwegingen die samenhangen met het eerste deel ervan.

De voorzitter:

Tot slot de motie op stuk nr. 564 van mevrouw Keijzer.

Minister Heerma:

Niet helemaal tot slot, voorzitter.

De voorzitter:

U heeft ook nog een vraag; dat klopt.

Minister Heerma:

De heer Verkuijlen heeft geen motie ingediend, maar heeft natuurlijk wel recht op een antwoord. Dit is niet de eerste keer dat een motie wordt ingediend om te stoppen met beleid gericht op diversiteit en inclusie, het zogenoemde DEI-beleid. Volgens mij heeft mevrouw Keijzer deze motie, toen zij nog tot de BBB-fractie behoorde, eerder ook ingediend. Ik moet deze motie ontraden. Het beleid binnen het Rijk dat is toegespitst op het creëren en waarborgen van gelijke kansen en het voorkomen van racisme en discriminatie is in lijn met artikel 1 van de Grondwet. De overheid moet in verbinding staan met de samenleving en deze zo goed mogelijk vertegenwoordigen en bedienen. Hiervoor is een representatief medewerkersbestand, dat aansluit bij de samenleving in haar verscheidenheid, noodzakelijk. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft dit ook aanbevolen in het rapport Deskundige overheid uit 2025. Ook de staatscommissie beveelt dit aan in haar eindrapport, waarop wij nog met een aparte kabinetsreactie zullen komen. Dit betekent dat de overheid een goede mix van perspectieven, achtergronden, oriëntaties en kennis in huis moet hebben. Op dit moment is dat nog niet het geval. Medewerkers en potentiële medewerkers geven dat ook aan. Het is en blijft daarom nodig om effectief diversiteits- en inclusiebeleid te voeren.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Korte vraag, voorzitter. Het DEI-beleid ziet op niveaus van slachtofferschap en onderdrukking, waarbij de blanke man altijd de dader is. Daar moet je van af willen, want dat leidt bijvoorbeeld tot situaties zoals we die nu in het Verenigd Koninkrijk zien. Iets doen aan discriminatie? Helemaal mee eens. Maar dit is iets anders. Deelt de minister dat?

Minister Heerma:

Ik deel niet alles wat mevrouw Keijzer hier zegt. Dat is ook de reden waarom ik de motie ontraad. Ik denk wel degelijk dat het van belang is om het beleid voort te zetten dat, onder meer door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, wordt aanbevolen en dat gericht is op diversiteit. Daarom moet ik deze motie ontraden.

De voorzitter:

Dan nog de beantwoording van de vraag van de heer Verkuijlen.

Minister Heerma:

De heer Verkuijlen stelt een vraag die raakt aan verschillende beleidsterreinen en aan best veel inzet. Ik deel de zorg over de stijging van het aantal discriminatiefeiten tegen personen met een publieke taak. Dat geldt overigens ook voor intimidatie, bedreiging en geweld. Dat is een onderwerp waar wij veel vaker over spreken. Het is echt onacceptabel. Als het toch gebeurt, of als sprake is van een andere vorm van intimidatie of verbale agressie, is het essentieel dat medewerkers goed worden opgevangen, dat de nazorg goed is ingericht en dat de dader een passende en duidelijke reactie krijgt op het gedrag. Voor ambtenaren is dit belegd in het programma Veilige Publieke Dienstverlening. Dat werkt volgens een drietrapsraket: preventie, handelen bij incidenten en nazorg. In de zogenoemde Eenduidige Landelijke Afspraken staat dat aangiften van strafbare feiten die betrekking hebben op agressie en geweld tegen medewerkers met een publieke taak altijd worden opgenomen en met prioriteit worden opgepakt. Op dit moment worden deze Eenduidige Landelijke Afspraken herzien, zodat zij beter aansluiten bij de praktijk. Daarbij zal hier ook naar worden gekeken. Voor politieke ambtsdragers geldt het programma Weerbaar Bestuur. Het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur verzorgt bewustwordings- en trainingssessies, evenals bijbehorende hulpmiddelen en stappenplannen voor gemeenteraden en colleges. Daarnaast biedt het ondersteuningsteam advies en ondersteuning na incidenten. Daarbij wordt gebruikgemaakt van ervaringsdeskundigen en experts. Wat ik de heer Verkuijlen wil toezeggen, is dat wij in de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie, hoewel de staatscommissie hierover geen specifiek advies over geeft, ook aandacht zullen besteden aan dit onderdeel en zijn vraag zullen meenemen.

De voorzitter:

Hartelijk dank aan de minister. Dit is het einde van het tweeminutendebat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

We gaan dinsdag 16 juni aanstaande stemmen over de ingediende moties. Ik schors voor een enkel ogenblik, om even de gelegenheid te geven aan de sprekers in het volgende debat, met dezelfde minister, over de Kieswet.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Nadere regels voor bijstand in het stemhokje

Nadere regels voor bijstand in het stemhokje

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje (36863).

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje. Negen leden hebben zich daarvoor ingeschreven. Mijn streven is om de eerste termijn af te ronden voor de lunchpauze. Hoe meer u elkaar interrumpeert, hoe later die lunchpauze wordt. Of we moeten de agenda aanpassen. We gaan dat zien.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Als eerste geef ik het woord aan mevrouw Schilder, die het woord voert namens de Groep Markuszower. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties had ik bij het vorige onderwerp al welkom geheten. Hij volgt namens de regering dit debat en hij zal daar na de eerste termijn op reageren. Maar nu is het woord aan mevrouw Schilder. Gaat uw gang.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank u wel. Een democratie werkt pas goed wanneer mensen niet alleen formeel stemrecht hebben, maar dit ook daadwerkelijk kunnen uitoefenen. De aanleiding voor dit wetsvoorstel is daarom begrijpelijk. Er zijn mensen die moeite hebben om zelfstandig hun stem uit te brengen. Het kabinet wil deze mensen tegemoetkomen door ondersteuning niet alleen buiten, maar ook in het stemhokje mogelijk te maken. Dat vindt DNA op zichzelf een goede ontwikkeling. Maar vervolgens kiest het kabinet voor de verkeerde oplossing.

Ten eerste kiest het kabinet ervoor geen afbakening in te voeren van de groep die aanspraak maakt op hulp. Dit omdat, volgens het kabinet, het praktisch onmogelijk is dat stembureauleden moeten beoordelen of iemand daadwerkelijk tot die doelgroep behoort. In andere landen blijkt dit echter wel mogelijk. Zo is bijvoorbeeld in België, Duitsland, Finland en Zweden wel een afbakening ingesteld. In die landen wordt niet van stembureauleden verwacht dat zij in staat zijn een medische keuring te doen. Waarom kiest het kabinet niet voor een vorm die in onze buurlanden prima werkt? Waarom gelijk deze alles-of-niets-regelinzet? Voor DNA is dit een onbegrijpelijke keuze.

Naast afbakening kiest het kabinet er ook voor om de hulpregeling anders toe te passen dan de hulpregeling die we al kennen. De huidige Kieswet kent namelijk al een regeling voor mensen met een lichamelijke beperking. Zij mogen zelf iemand aanwijzen om hen te ondersteunen in het stemhokje. Dit kan een stembureaulid zijn, maar het kan ook een familielid of een vertrouwd persoon zijn. Dit wetsvoorstel verandert niks aan de regeling voor deze groep mensen. Zij behouden hun keuzevrijheid. Voor mensen met een andere beperking geldt die vrijheid echter niet. Zij krijgen straks wel hulp, maar uitsluitend van een stembureaulid. Daar wringt het bij onze fractie. Als het kabinet erkent dat ook mensen met een andere dan een lichamelijke beperking ondersteuning nodig hebben in het stemhokje, waarom dan niet dezelfde keuzevrijheid als de eerste groep? Kan de minister uitleggen welk principieel verschil hij ziet tussen deze groepen mensen dat dit onderscheid rechtvaardigt? Zijn deze mensen volgens het kabinet dan niet allemaal gelijk? DNA vindt van wel. Wij pleiten er dan ook voor om, net als onder andere de VNG en de NVVB, beide groepen gelijk te trekken.

Dan over de stemvrijheid en het stemgeheim. Volgens onze fractie zijn dat fundamentele uitgangspunten in onze democratie. Het kabinet stelt dat een stembureaulid een neutrale positie inneemt, waardoor beïnvloeding en dwang worden voorkomen en de stemvrijheid zo goed mogelijk gewaarborgd blijft. De kans op beïnvloeding zou veel groter zijn als een bekende meegaat het stemhokje in. Waar baseert de minister deze aanname precies op? Weet de minister dat we inmiddels leven in het jaar 2026? Beïnvloeding is niet per se nodig in het stemhokje. Mensen die dwang willen uitoefenen, kunnen simpelweg een foto eisen van het ingevulde stembiljet of eisen dat ze live mee kunnen kijken via videobellen.

Vergeet ook de grootste beïnvloeding van stemmen niet, die al jaren legaal plaatsvindt: de volmacht. Bij een volmacht geeft iemand zijn stem volledig uit handen aan een ander, zonder dat er controle is op dwang of beïnvloeding, zonder dat de volmachtgever überhaupt weet of de volmachtnemer stemt volgens zijn of haar wil. De recente gebeurtenissen in Gorinchem hebben laten zien dat de risico's op fraude met volmachten bepaald niet theoretisch zijn. Dat roept bij DNA principiële vragen op. Waarom vindt de minister het wel acceptabel dat een kiezer zijn stem volledig overdraagt aan een volmachtnemer zonder daar nog zicht op te hebben, maar niet dat diezelfde kiezer, wanneer die nota bene persoonlijk aanwezig is in het stemlokaal, zelf mag bepalen wie hem ondersteunt in het stemhokje? Als het kabinet echt van mening is dat er een grote kans bestaat op beïnvloeding, waarom blijft de regeling voor de lichamelijk beperkte kiezer dan wel bestaan?

Voorzitter. Als het kabinet aan de ene kant zonder afbakening iedereen recht geeft op hulp in het stemhokje en daarna alleen hulp van een stembureaulid toestaat om beïnvloeding tegen te gaan, dan gaat het volgens onze fractie voorbij aan de groep die het eigenlijk tegemoet wil komen. Dat zijn de kwetsbare mensen die iemand nodig hebben die ze vertrouwen. De dementerende mevrouw die nog graag wil stemmen. De laaggeletterde man die niet te koop wil lopen met zijn beperking. Kortom, de mensen achter dit wetsvoorstel. Een stembureaulid kent die mensen en hun beperking niet. We vragen ook wel heel veel van de stembureauleden. Minister, hoe kunnen we verwachten dat zij alle verschillende vormen van hulp herkennen en begrijpen? Een partner, familielid of begeleider weet hoe iemand communiceert en kan iemand geruststellen en helpen op een manier die bij hen aansluit. Juist voor de mensen voor wie deze wet is bedoeld, gaat de ondersteuning niet alleen over praktische hulp; het gaat over vertrouwen, veiligheid en het gevoel dat iemand je begrijpt.

Daarom hebben wij een amendement ingediend dat keuzevrijheid centraal stelt en dat het voor de mensen voor wie deze wet is bedoeld mogelijk maakt bij de verkiezingen zelf te bepalen wie ondersteuning verleent in het stemhokje. Natuurlijk is dat met waarborgen. Ik vraag de minister: heeft het kabinet eigenlijk onderzocht wat de mensen die ondersteuning nodig hebben zelf willen? Is hun gevraagd of zij niet liever een vertrouwd persoon bij zich hebben dan een onbekend stembureaulid? Zo ja, wat waren daar de uitkomsten van?

Voorzitter, ik rond af. We erkennen uiteraard dat de stemvrijheid en het stemgeheim beschermd moeten worden. Dat zijn fundamentele uitgangspunten van onze democratie. Wij willen die ook zo goed mogelijk beschermen, maar wij zijn ervan overtuigd dat mensen met kwade bedoelingen niet per se mee hoeven het stemhokje in. Die vinden hun manier wel. De mensen voor wie deze wet is gemaakt hebben vaak juist behoefte aan hulp van mensen die hen begrijpen. Wij hopen daarom op steun voor ons amendement.

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we door met de heer Van den Brink. Hij voert het woord namens de CDA-fractie. Gaat uw gang.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel, voorzitter. De CDA-fractie onderschrijft het doel van dit wetsvoorstel: het stemproces toegankelijker maken, ook voor mensen met een beperking. Iedereen moet in staat zijn zijn of haar stem uit te brengen. Dit wetsvoorstel sluit aan bij de uitvoering van het VN-verdrag Handicap. Daar is het CDA blij mee. Er mag ook gezegd worden dat het goed is dat daar een wetsvoorstel voor is gemaakt, want het wil nog niet zo vlotten met de uitvoering van dat verdrag.

Voorzitter. Ons verkiezingsproces is op vertrouwen gestoeld. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen om het voor iedereen mogelijk te maken bijstand van een stembureaulid in het stemhokje te vragen. Dit gaat uit van vertrouwen in de stembureauleden. Wat het CDA betreft mogen we dat ook hebben, maar mijn fractie ziet bij dit wetsvoorstel ook een dilemma. De bijstand in het stemhokje schuurt namelijk met het stemgeheim. In de toelichting bij dit wetsvoorstel heeft de regering deze spanning tussen het stemgeheim en de bijstand in het stemhokje goed beschreven, maar voor het CDA zijn daarmee de zorgen niet weggenomen. Wij denken dat het beter kan en daarom hebben wij twee amendementen ingediend.

Ik begin met de voornaamste bezwaren. Eerst het risico op oneigenlijke beïnvloeding. In de memorie van toelichting lezen we dat een kiezer ondubbelzinnig duidelijk moet maken wie zijn of haar stemvoorkeur heeft. Hoe dit in zijn werk zou moeten gaan, is mijn fractie niet helemaal duidelijk. We lezen dat "het essentieel is dat de kiezer ondubbelzinnig duidelijk kan maken hoe hij van zijn kiesrecht gebruik wil maken. Dit doet de kiezer door de naam van de partij en de kandidaat duidelijk tot uitdrukking te brengen of door duidelijk te maken dat hij een blanco stem wil uitbrengen; bijvoorbeeld mondeling, door dit op te schrijven, in gebarentaal of door de foto en de kandidaat aan te wijzen, zoals op het stembiljet, op een foto, een folder of in de krant."

Voorzitter. Dit wetsvoorstel maakt het dus mogelijk dat iedere kiezer, met of zonder beperking, met een briefje met daarop de stemvoorkeur het stembureau kan inlopen en aan een stembureaulid kan vragen om te helpen daar een stem op uit te brengen. Dat vinden we spannend. Is het stemgeheim daarmee wel genoeg beschermd? Als je kwaad wil, kan je dus iemand een briefje meegeven en tegen hem of haar zeggen dat hij dat briefje moet overhandigen aan een stembureaulid. Dat lijkt ons niet de bedoeling. Stel dat er iemand staat te kijken of de persoon met een briefje met een naam erop dat wel echt overhandigt aan dat stembureaulid. Dat lijkt ons een vorm van stemdrang die we niet moeten willen.

Tot nu toe bestaat in het stemhokje altijd het echte stemgeheim. Niemand ziet daar hoe jij je stembiljet invult. Die waarborg valt weg als kiezers een briefje zouden overhandigen met daarop de naam van de persoon waarop wordt gestemd. Wij maken ons hier zorgen over; vandaar dat wij een amendement hebben ingediend om dit onmogelijk te maken. Wat we met het amendement regelen, is dat een kiezer die gebruikmaakt van de mogelijkheid tot bijstand in het stemhokje op drie manieren kan aangeven hoe hij of zij wil stemmen: door het in het stemhokje mondeling aan het stembureaulid te zeggen, door het in het stemhokje op te schrijven of door het in het stemhokje aan te wijzen op het stembiljet. Op deze manier valt buiten het stemhokje niet meer te controleren of de stem wordt uitgebracht zoals was afgesproken. Ik ben benieuwd naar de appreciatie van de minister.

Voorzitter. Ik heb nog een andere vraag. Deze wet maakt het dus mogelijk dat een kiezer die gebruikmaakt van bijstand in het stemhokje ter plekke opschrijft wat zijn of haar stemvoorkeur is. Met het oog op het stemgeheim is het belangrijk dat er duidelijkheid is over wat er met dat briefje gebeurt. In ons amendement stellen we daarover nadere regels voor, namelijk dat wordt aangesloten bij het bestaande proces van een teruggegeven stembiljet. Mijn vraag aan de minister hierover is wat er met het briefje dient te gebeuren zodra de kiezer het stembureau verlaat. Hoe is dat in de voorgestelde wet geregeld? Deze vraag stel ik wederom met het oog op het stemgeheim. Graag een reactie van de minister.

Een ander element in het wetsvoorstel bepaalt dat een kiezer zelf een lid van het stembureau mag uitkiezen dat hem of haar helpt. Ook dat vinden we spannend. Het opent de mogelijkheid om op zondag na de kerkdienst of op vrijdag na de bijeenkomst in de moskee tegen de bezoekers van die diensten of op zaterdagmiddag na afloop van de voetbal te zeggen: in het stembureau zit Wim of Achmed of Janneke, vraag maar of hij of zij je wil helpen bij het stemmen. Ook dat moeten we niet willen, naar onze mening. Daarom hebben we een amendement gemaakt om de mogelijkheid te schrappen om zelf een stembureaulid te vragen om te helpen. We zijn benieuwd wat de minister daarvan vindt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb met interesse naar de amendementen van collega Van den Brink gekeken. Ik wil een paar verhelderende vragen stellen voor de afweging van mijn fractie maar ook voor de wetsuitleg als de amendementen worden aangenomen. Allereerst over het eerste amendement dat collega Van den Brink besprak en de drie mogelijkheden tot het uitbrengen van de stem, en hoe je dan omgaat met het briefje waarop de naam staat geschreven. Ook als je hardop uitspreekt op wie je wil stemmen, is natuurlijk in het stembureau bekend op wie je stemt, dus het is ergens ook wel inherent dat je het bekendmaakt.

Ik ben zelf ooit stembureaulid geweest, voorzitter. Het moet u deugd doen. Ik weet nog dat er iemand binnenkwam voor de Europese verkiezingen en zei: ik wil op Wouter Bos stemmen. Het is ook al heel lang geleden; kunt u nagaan hoe oud ik ben. Maar diegene zei: ik wil op Wouter Bos stemmen. Dat kon natuurlijk helemaal niet bij Europese verkiezingen. Wat doe je dan als stembureaulid? Ik wil maar zeggen dat je dus ook momenten houdt dat je als stembureaulid aan de ene kant ziet dat de kiezer iets wil en waarbij je het stemgeheim niet wilt doorbreken, maar dat je ook gewoon op dat moment een handelingsperspectief moet vinden. Mijn zorg bij het amendement van de collega is dat we het steeds verder gaan dichtregelen, terwijl je ook onverwachte situaties hebt, waarbij ik vooral wil dat stembureauleden zich aan de basisprincipes houden. Hoe heeft collega Van den Brink dat gewogen, zodat we het aan de andere kant ook niet te zeer dichtregelen?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

We zijn begonnen met het wetsvoorstel zoals dat er lag. Dat vonden we echt te ruim geformuleerd, dus dat moet je smaller maken. Daarna hebben we nagedacht hoe je dat op een goede manier doet. Dat is door de mogelijkheden te omschrijven zoals het in een stemhokje zou kunnen. Van mij mag je ook fluisteren als dat veiliger voelt. Dat vind ik prima. Dat is nog steeds mondeling en dan past het nog steeds binnen het voorstel zoals wij het hebben geformuleerd. Mij lijkt dat stembureauleden wel altijd naar bevind van zaken moeten handelen. Tegelijkertijd moet het wel zo zijn dat degene die wil kiezen, volgens de wet echt tot uitdrukking brengt op wie hij of zij wil stemmen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Mijn vraag is of je het zo dicht moet regelen, op het niveau van de wet, want daarmee ligt het wel heel vast. Ik ben dus benieuwd hoe collega Van den Brink dat gewogen heeft. Kijk, er worden ook altijd voorbeeldreglementen gemaakt. Er worden afspraken gemaakt over hoe we de commissie voor zo'n stembureau begeleiden. We weten ook dat er in de ene wijk bijvoorbeeld veel analfabetisme is en je al mag hopen dat kiezers komen. Daar heb je dus ook wel verschil in. Ik heb de zorg dat we de Kieswet nu te veel dichtregelen, terwijl het zou moeten gaan om hoe we ervoor zorgen dat de stembureauleden zich volledig van hun taak kwijten op een manier waarvan wij zeggen: wauw, dit is goed voor ons democratische proces.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Volgens mij gaat het om een balans. Wij vinden dat in het wetsvoorstel zoals dat er ligt, die balans te veel doorslaat naar alleen maar helpen, zonder dat dat goed is omschreven. Daarom hebben we een poging gewaagd om het wel goed te omschrijven. Wij denken dat je met deze voorwaarden, dus mondeling, opschrijven in het stemhokje of aanwijzen op het stembiljet, wel heel veel kan ondervangen.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank voor de toelichting. Ik ga dat rustig wegen. Het is meer dat ik nog even aan het denken ben bij deze wet. We kunnen uit allerlei zorgen 'm helemaal dicht gaan regelen, maar hebben we aan het einde dan het goede gedaan? Dat is dus afweging.

Het tweede waar ik ook echt over na aan het denken ben, is de beïnvloeding door stembureauleden. Dat is het tweede amendement waarbij collega Van den Brink zegt: daar wil ik wat risico's inperken. Ikzelf heb gedacht: volgens mij is het grootste risico dat we hebben juist omtrent de volmachten, ook als we gewoon kijken naar de misstanden van de afgelopen jaren in ons land. Is collega Van den Brink het met mij eens dat dit eigenlijk ook wel een moment zou kunnen zijn om ook daarin toch eens even een stap vooruit te zetten en te zeggen: we behouden die volmachten wel als mogelijkheid, maar we perken het juist in? In al die situaties die de heer Van den Brink noemde, van voetbalvereniging tot kerk tot moskee tot klaverjasclub, moet die volmacht helemaal geen issue zijn, want die moet er zijn voor mensen die gewoon slecht ter been zijn en niet naar het stemlokaal kunnen komen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik deel die zorgen ook wel. Ik heb Kamervragen gesteld aan de minister naar aanleiding van de gebeurtenissen in Gorinchem. Dat vond ik op zich een adequate beantwoording. Tegelijkertijd moeten we de verkiezingen van — wat was het? — dit voorjaar nog evalueren. Dat gaan we in september doen. Dat leek mij dus eigenlijk het geëigende moment om het daar goed over te hebben. Ik heb daar nu geen afgewogen oordeel over.

De voorzitter:

Dan gaan we naar de heer Mohandis.

De heer Mohandis (PRO):

Ik dank het CDA voor de inbreng. Op het punt van het amendement aangaande de onafhankelijkheid van stembureauleden — of geef het een andere titel — vroeg ik mij af of dit niet juist de positie die bijvoorbeeld de voorzitter van het stembureau heeft om echt te bepalen wie het beste kan helpen, te veel dichtregelt. Ik was dus benieuwd wat uw tweede amendement daadwerkelijk doet.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb net gezegd dat wij de stembureauleden in principe vertrouwen. Daar moeten we van uitgaan, want daar moeten we het mee doen in het stemlokaal. Dat geldt zeker voor de voorzitter, die daar nog een extra verantwoordelijkheid in heeft. Wij vertrouwen erop dat hij op dat moment in wijsheid beslist wie dat moet doen, om te voorkomen dat je daar onwenselijke situaties in krijgt. Ik gaf de voorbeelden al.

De heer Mohandis (PRO):

Maar dat kan toch ook gewoon met het wetsvoorstel zoals dat er nu ligt? Het is toch zo dat als iemand binnenkomt en om hulp vraagt, er wordt gewogen wie die het beste kan verlenen? Ik begrijp niet helemaal wat dit amendement verandert aan de ruimte die er nu al is.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Volgens mij staat het nu zo in het wetsvoorstel dat als je binnenkomt, zelf zou mogen kiezen welk lid van het stembureau jij zou willen dat jou helpt. Daarvan denken wij dat dat kwetsbaar is. Door het bij de voorzitter neer te leggen, proberen we die kwetsbaarheid dicht te regelen.

De voorzitter:

Dank. Was u klaar?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Nee, nog niet.

De voorzitter:

Nee, dat dacht ik al. Dan geef ik u het woord om uw inbreng te voltooien.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel. Ik ga verder met het onderwerp van de stemvoorkeur kenbaar maken. Uit het wetsvoorstel maken wij op dat wanneer een kiezer alleen duidelijk kan maken of hij of zij op een partij wil stemmen, dat niet voldoende is. In Nederland stemmen we immers op een kandidaat. Dat moet een stembureaulid in een dergelijk geval dus uitleggen. Wanneer een kiezer toch alleen een partij kan noemen, moet het stembureaulid de hulpverlening stopzetten. Het is maar de vraag of ze dat gaan doen als een kiezer duidelijk weet op welke partij hij of zij wil stemmen. Is dit niet een recept voor discussie met de kiezer, vraag ik aan de minister. Herkent de minister deze inschatting en heeft hij daar een oplossing voor?

Ik heb nog een praktische vraag over het beëindigen van bijstand als een kiezer zijn of haar wil niet ondubbelzinnig duidelijk kan maken. Op het moment dat bijstand wordt stopgezet, kan de kiezer desgewenst de stempas terugkrijgen, zodat de kiezer op een later moment een nieuwe poging kan wagen of iemand anders kan machtigen. Voor iemand die al moeite heeft met het stemproces, kan het beëindigen van bijstand een grote drempel zijn om later terug te komen. Ik zou daarom aan de minister willen vragen of hij zou kunnen reflecteren op wat het voor een persoon met bijvoorbeeld een licht verstandelijke beperking betekent om onverrichterzake naar huis te gaan.

Dan nog een aantal vragen over de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Wij lezen dat de regering geen problemen in de uitvoering verwacht. Ik heb er vertrouwen in dat dat uiteindelijk gaat werken, maar gaat dat al werken richting de waterschaps- en Statenverkiezingen van volgend jaar? Wat verwacht de minister dat er nog moet gebeuren om het teruggeven van de stempas mogelijk te maken? Er zijn gemeenten die werken met apps waarmee stempassen gescand worden. Kunnen die op tijd zijn aangepast voor de Statenverkiezingen van volgend jaar?

Stembureauleden zullen ook getraind moeten worden om bijstand te verlenen. Dat is geen sinecure. Verwacht de regering dat daar genoeg tijd voor is?

Dan nog een paar vragen over de bekendheid met de mogelijkheid tot bijstand. Hoe verwacht de regering dat kiezers kennis krijgen van het bestaan van deze mogelijkheid? Wordt hierover gecommuniceerd bij het opsturen van de stempas? Welke plannen heeft de regering hiervoor? Het proces wordt immers niet toegankelijker als kiezers niet van de mogelijkheid afweten.

Daarnaast zou de CDA-fractie willen weten of het de bedoeling is dat stembureauleden in het geval dat ze vermoeden dat een kiezer bijstand zou willen hebben, die actief mogen aanbieden. Of mag dat niet? Dat is ons nog onduidelijk. Ook hier de vraag: kan het allemaal voor volgend jaar geregeld zijn?

Voorzitter. Tot slot heb ik nog een vraag over de evaluatie van het wetsvoorstel. De regering voert na elke verkiezing een evaluatie uit. Dat is staand beleid. Onze vraag hierbij is of de regering al weet welke gegevens zij in deze evaluatie bij zou willen houden over de effecten van dit wetsvoorstel.

Afrondend. Het CDA steunt het streven om het verkiezingsproces toegankelijker en inclusiever te maken. We hebben tegelijkertijd wel zorgen over met name de waarborgen rond het stemgeheim. Daarover hebben we twee amendementen ingediend. We hopen dat die op steun kunnen rekenen van een meerderheid van de collega's.

Voorzitter. Het is een groot goed dat we in Nederland vrije verkiezingen hebben. Het zou fantastisch zijn wanneer als gevolg van deze wet meer mensen hun democratisch recht kunnen uitoefenen. Tegelijkertijd moeten we de verkiezingen beschermen We denken dat beide kunnen.

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dan gaan we door naar mevrouw Huizenga. Had u nog een interruptie, mevrouw Schilder? Ja. Dan wachten we nog een ogenblik. Ik geef het woord aan mevrouw Schilder voor een interruptie.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik hoorde meneer Van den Brink erover dat het stemgeheim hartstikke belangrijk is. U heeft ook amendementen ingediend. Maar denkt u niet dat we met deze wet en met alle regels die extra worden gesteld, de mensen vergeten voor wie deze wet bedoeld is? Hoe is het voor iemand met een verstandelijke beperking als hij met een onbekend stembureaulid mee moet in het stemhokje en niet uit zijn woorden komt?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik snap uw zorg daarover. Ik denk dat een goed toegerust stembureaulid dat in principe zou moeten kunnen. Het voorstel in deze wet is wel om het helemaal open te gooien en dus moet je het strak regelen, denk ik. In uw voorstel loop je het risico dat straks iedereen hulp kan krijgen van iemand die hij of zij kent of aardig vindt. Dat vind ik spannender dan dit, eerlijk gezegd.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Hoe denkt u er dan over om de groep af te bakenen, zoals ik in mijn verhaal voorstel?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dat heb ik gehoord. Ik heb de redenering van het kabinet daarover gelezen. Die vond ik vrij overtuigend. Maar ik heb uw vragen gehoord, dus we gaan afwachten hoe het kabinet daarop reageert.

De voorzitter:

Nogmaals dank, ook voor uw inbreng. Dan gaan we door met mevrouw Huizenga. Zij voert het woord namens de D66-fractie. Gaat uw gang.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dank u wel, voorzitter. 1896: de eerste moderne Olympische Spelen worden georganiseerd. Utah wordt de 45ste Amerikaanse staat. Amsterdam wordt telefonisch verbonden met Bremen. Joan Röell is de premier van Nederland, de eerste premier met een minderheidskabinet. U ziet het al: er ligt een link. Het recht om te stemmen is er op dat moment alleen voor wie slim genoeg is om de politiek te begrijpen. Dat wil zeggen: niet voor vrouwen, maar alleen voor welgestelde mannen, en zelfs die niet allemaal.

Voorzitter. We zijn ver gekomen sindsdien. Toch organiseren we de hulp bij het stemmen nog steeds op basis van die 1896-mentaliteit. Waarom wel hulp voor mensen met een fysieke, maar niet voor mensen met een mentale of niet zichtbare beperking? Waarom wel voor een blinde kiezer, maar niet voor een laaggeletterde kiezer? In 1896 heerste misschien de gedachte dat een laaggeletterde toch niet hoeft te stemmen, maar in 2026 weten we wel beter.

Voorzitter. Een democratie vraagt om onderhoud en vernieuwing. Als we anno 2026 zien dat het uitbrengen van een stem voor sommige mensen niet mogelijk is zonder bijstand, dan moeten we actie ondernemen. Ik ben blij dat de minister voorbij de wetgeving van 1896 durft te denken; daarom ligt deze wet nu voor. De centrale vraag is hoe we de bijstand in het stemhokje zo inrichten dat iedereen toegankelijk en vrij kan stemmen. Deze wet geeft daar een antwoord op waar mijn fractie zich grotendeels in kan vinden. Voor mensen die nu nog moeten kiezen tussen óf een volmacht afgeven óf thuisblijven, komt er verandering. Wel wil D66 meer duidelijkheid over twee aspecten: het streven naar een gelijke behandeling van alle kiezers en een gedegen uitvoering.

Voorzitter. Ik heb enigszins geworsteld met de uitwerking van dit wetsvoorstel. Hoe je het ook wendt of keert, er zit een spanning in op het gebied van gelijke behandeling. Kiezers met een fysieke beperking houden het recht op bijstand door een persoon naar keuze, terwijl andere kiezers alleen geholpen mogen worden door een stembureaulid. Daarmee wordt een onderscheid in stand gehouden tussen mensen met een fysieke en mensen met een mentale beperking. Dat vind ik lastig. Tegelijkertijd zijn ook de twee alternatieven complex: ofwel iedereen bijstand laten geven door een persoon naar keuze, ofwel iedereen enkel laten bijstaan door een stembureaulid.

Van het eerste zijn wij als D66 geen voorstander. De risico's zijn daar simpelweg te groot voor, zoals de Kiesraad ons waarschuwt. Het stemgeheim is een individueel recht, dat zwaar weegt. Het risico dat de persoon naar keuze invloed kan uitoefenen op de stemkeuze is reëel; dat erkent de regering ook. Bovendien is het onverstandig om kwetsbaarheden toe te voegen die het vertrouwen in het verkiezingsproces kunnen schaden.

De andere optie, iedereen laten bijstaan door een stembureaulid, is door de regering afgewezen met een verwijzing naar het VN-verdrag Handicap. Dat stelt volgens de Nederlandse interpretatie dat kiezers met een fysieke beperking recht hebben op bijstand naar keuze. Laat er geen misverstand over bestaan: D66 is groot voorstander van de uitvoering van het VN-verdrag. Het uitgangspunt van het verdrag is echter ook gelijke behandeling van verschillende beperkingen. Hoe weegt de minister dat en heeft hij expliciet overwogen om tot een andere interpretatie van het verdrag te komen, waarbij gelijke behandeling beter gewaarborgd zou zijn?

De regering geeft aan dat zij het recht op bijstand naar keuze niet wil ontnemen aan kiezers met een fysieke beperking. Daar zijn veel kiezers uit deze groep blij mee. Het is echter ook goed denkbaar dat er kiezers zijn voor wie het juist een vooruitgang zou zijn als bijstand door een stembureaulid de standaard is. Denk aan een familielid dat druk uitoefent op je stemkeuze. Het liefste zou je zo'n familielid niet meenemen het stemhokje in, zodat je in alle vrijheid je stemrecht kunt uitoefenen. Maar nee verkopen is lastig als het de norm is dat je een persoon naar keuze meeneemt of je simpelweg niet weet dat het optie is om een stembureaulid te vragen. Ik denk dat een tussenweg mogelijk is: wel het recht in stand houden maar ook stimuleren dat de hulp in eerste instantie van een stembureaulid komt. Daarmee maken we de verkiezingen toegankelijker en vrijer.

De heer Flach (SGP):

Ik had moeten blijven zitten, want toen ik zat was ik het eigenlijk helemaal eens met dit deel van het betoog, maar toen ik naar voren liep werd het wat diffuus, namelijk wel in stand houden maar meer op de mogelijkheden gaan wijzen. Ik wilde vragen of de collega positief staat ten opzichte van het amendement van de heer Clemminck, dat zegt dat de stembureauleden bij uitstek toegerust zijn en misschien ook wel geselecteerd — misschien moeten we daar meer gewicht aan toekennen — om die bijstand te verlenen. Ik dacht dat het die kant op ging. Hoe kijkt mevrouw Huizinga daarnaar?

Mevrouw Huizenga (D66):

Die kant ging het inderdaad niet helemaal op. Ik was nog niet helemaal klaar met mijn betoog. Ik ben heel benieuwd naar de reactie van de minister hierop. Ik heb net aangegeven dat het best een worsteling is: hoe kunnen wij dit verbeteren? Ik wacht de reactie van de minister even af.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dan ga ik verder. Is de minister het met mij eens dat dit een wenselijk uitgangspunt is, dus dat de hulp in eerste instantie van een stembureaulid komt? Welke mogelijkheden ziet hij om dit te stimuleren, bijvoorbeeld door het recht op bijstand door een stembureaulid actiever naar voren te brengen?

Voorzitter. Dat raakt ook aan mijn tweede uitgangspunt, waar ik mijn collega ook over heb gehoord: de uitvoering. Ik zal altijd kritische vragen stellen over de uitvoering. Als we de verkiezingen werkelijk toegankelijker willen maken, zal er ook werk gemaakt moeten worden van de bekendheid van de regeling. Ik vind dat daar in de stukken wel erg snel aan voorbij is gegaan. Hoe gaat de minister er straks voor zorgen dat kiezers deze regeling echt weten te vinden? Hoe ziet hij de samenwerking met de gemeenten voor zich? Voor de kiezers die nu mee zitten te kijken naar dit debat: verwacht de minister dit wetstraject af te ronden voor de Provinciale Statenverkiezingen en de waterschapsverkiezingen?

Straks staan er weer duizenden stembureauleden klaar om hun kiezers te helpen. Van die leden vragen we met deze wet ook wat. De regering laat trainingen ontwikkelen over hoe de bijstand verleend moet worden, maar de stap daarvoor is denk ik minstens zo belangrijk. Het zijn de stembureauleden die moeten toetsen of iemand recht heeft op bijstand naar keuze of bijstand van een van hen. Dat kunnen ingewikkelde gesprekken zijn. Kan de minister toezeggen dat stembureauleden ook hierin de nodige ondersteuning en voorlichting kunnen verwachten?

De regering wil de wet evalueren na vijf jaar, omdat er dan minstens twee verkiezingen hebben plaatsgevonden. Het lijkt mij relevant om na de eerstvolgende verkiezingen al de eerste effecten van de wet te kunnen inzien. Kan de minister de Kamer hier te zijner tijd over informeren, bijvoorbeeld door het te betrekken bij de reguliere evaluatie van de verkiezingen?

Ik ben ook benieuwd naar de appreciatie van de andere amendementen, waaronder die van de heer Flach. Daar komt-ie nog een keer naar voren.

Voorzitter, tot slot. Iedere stap richting een moderne, toegankelijke en vrije democratie voor alle kiezers is er een die we moeten zetten. Ondanks de vragen die nog leven bij mijn fractie, wil ik wel graag mijn steun voor het grootste deel van het voorstel benadrukken. Onder aan de streep zitten we met deze wet in een betere situatie dan de situatie waarin we zaten. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb een verduidelijkende vraag. U zegt: in principe willen wij dat ook mensen die een lichamelijke beperking hebben zich in eerste instantie richten tot iemand van het stembureau. Begrijp ik dat goed? Moeten zij zich als dat dan niet lukt alsnog laten helpen door iemand die ze kennen?

Mevrouw Huizenga (D66):

Veel mensen met een fysieke beperking hebben mensen die ze vertrouwen, met wie ze prettig in contact staan en dingen kunnen doen in het leven. Ik denk dat je een combinatie moet hebben. Ik ben ook heel benieuwd naar de reactie van de minister hierop. Maar ik denk dat het vooral van belang is dat mensen met een fysieke of niet-fysieke beperking in ieder geval hun stemrecht kunnen uitoefenen. Dat moeten we niet beperken in dit geval.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Mijn vraag is of u het wetsvoorstel zou willen aanpassen op dat punt. Zou u willen vastleggen dat in principe eerst iemand van het stembureau moet helpen en pas als dat niet lukt iemand die men kent?

Mevrouw Huizenga (D66):

Daar hebben we geen amendement op ingediend.

De voorzitter:

Nogmaals dank voor uw inbreng. We gaan luisteren naar de heer Mohandis, die het woord voert namens de fractie van PRO. PRO staat voor Progressief Nederland, voor wie dat nog niet weet. Meneer Mohandis, gaat uw gang.

De heer Mohandis (PRO):

Hoe kan iemand dat niet weten? U had het niet kunnen missen de afgelopen tijd, denk ik. Maar dat terzijde.

Voorzitter, dank u wel. Het is fijn om hier te mogen staan. Het is ook fijn om in deze commissie te mogen zitten. U gaat mij vaker treffen op BZK-onderwerpen, dus ik kijk uit naar deelname aan deze commissie.

Wij spreken vandaag over de wijziging van de Kieswet die het mogelijk maakt voor kiezers om ondersteuning te krijgen in het stemhokje. Dat is fantastisch, zou je zeggen. Dat moet een verbeterslag zijn vergeleken met hoe het nu is geregeld. Door die bril hebben we ook gekeken naar dit wetsvoorstel. Voor PRO is het van groot belang dat alle kiesgerechtigden in ons land op een vrije en toegankelijke manier kunnen stemmen. Als Kamer hebben we al vaker met het kabinet gesproken over het feit dat mensen met een beperking het soms als heel lastig ervaren om zelfstandig hun stem uit te brengen.

Laat ik beginnen met het recente kiezersonderzoek. Er was een laag vertrouwen in de politiek. Ik kijk uit naar de debatten die we hierover nog met elkaar gaan voeren. Wat me gerelateerd aan het wetsvoorstel opviel in het kiezersonderzoek — dat wil ik wel even uitvergroten — is dat een overgrote meerderheid van bijna 80% van de kiezers in Nederland veel vertrouwen heeft in de stembusgang. Dat is iets wat we moeten koesteren met elkaar, denk ik. Het is niet perfect, maar volgens mij is het in de basis wel zo dat er veel vertrouwen is en dat er veel betrokkenheid is om daaraan bij te dragen op verkiezingsdag zelf.

Kiezers lopen tegen allerlei belemmeringen aan, zoals ik in mijn inleiding zei. Niet alle stembureaus zijn altijd goed toegankelijk voor mensen met een beperking. Het vervoer is niet altijd goed geregeld. Volgens mij kunnen we nog heel veel doen om dat vertrouwen naar een hoger percentage te tillen. Mijn fractie vindt het daarom juist goed dat we vandaag een wetswijziging met elkaar bespreken die dit stemproces nog toegankelijker gaat maken.

Uiteraard hebben we wel serieuze zorgen en vragen. Laat ik beginnen met de hoeveelheid amendementen. Ik heb deze allemaal best wel positief gelezen. We hebben de neiging om het nog preciezer in te richten, met het risico dat het bijna een werkinstructie wordt. Dat is iets waar wij, denk ik, waakzaam op moeten zijn. Desalniettemin is de grondhouding positief. Mijn eerste vraag aan het kabinet is dan ook of het wetsvoorstel, als het kracht van wet krijgt, voldoet aan het VN-verdrag voor mensen met een beperking. Graag een reactie. Verschillende belangenorganisaties, of het nou het College voor de Rechten van de Mens is of andere belangenbehartigers aangaande het VN-verdrag, hebben ook hun zorgen geuit. Met dit wetsvoorstel mogen alleen kiezers met een fysieke beperking zelf iemand aanwijzen. Kiezers met een licht verstandelijke beperking mogen dat bijvoorbeeld alleen via een stembureaulid; zij mogen straks in het stemhokje alleen ondersteund worden door een lid van een stembureau. Dat is voor hen dus niet hetzelfde als voor mensen met een lichamelijke beperking. Ik ben dus wel benieuwd. Ik zag het dilemma ook in de memorie van toelichting. Graag een reactie van de minister. Hoe is hij tot deze afweging gekomen?

Dan kom ik nog op de positie van stembureauleden. Dat heeft er alles mee te maken dat wij die positie ook met dit wetsvoorstel zouden moeten versterken. Sterker nog, in onze optiek krijgen zij meer invloed. Als wij dit wetsvoorstel aannemen, mag een stembureaulid namelijk in theorie "mee het stemhokje in", zeg ik maar even. Dat is hoe het straks gaat. In dat licht zijn wij nog eens goed gaan kijken naar een eerder voornemen van mijn fractie, en dat was: hoe regelen wij nou heel goed dicht dat politieke beïnvloeding is uitgesloten? Het is nu namelijk zo dat zittende politici, volksvertegenwoordigers, lid kunnen zijn van een stembureau.

Laat ik mijzelf als voorbeeld nemen. Een kleine anekdote. Niet zo lang geleden — in 2007; best wel lang geleden dus — zat ik als kersvers raadslid in een stembureau voor de Provinciale Statenverkiezingen. Het is best wel ongemakkelijk om voorzitter te zijn van een stembureau én een prominent gezicht te zijn in mijn stad Gouda. Dat was ook de laatste keer.

In de wet is dit niet goed geregeld en daarom ligt er een amendement. Ik ga dat niet helemaal voorlezen, want u heeft het vast gelezen. Laat ik wel een paar dingen zeggen. We hebben er echt wel vertrouwen in dat ook stembureauleden die een volksvertegenwoordigende functie vervullen, bijvoorbeeld een raadslid bij een Kamerverkiezingen of bij een Statenverkiezing, integer handelen. Maar: we moeten alle schijn van belangenverstrengeling en beïnvloeding voorkomen. Daarom hebben wij ook met het oog op het wetsvoorstel, met dit amendement dit punt gemaakt.

Stel dat iedereen gaat zeggen: en de vrijwilligers dan? Er zijn heel veel steden die steeds meer vrijwilligers hebben. Dat is een hartstikke mooi proces. In Amersfoort en in andere gemeenten zijn er zelfs wachtlijsten. Dat komt ook omdat ze steeds beter worden getraind. Er is dus heel veel animo. Laten wij volksvertegenwoordigers die dag dus vooral andere dingen laten doen — er is genoeg werk — en laten we juist meer inwoners betrekken bij het stemproces.

Dan kom ik bij het punt van collega Flach over het amendement over de evaluatie. Daar zijn we ook helemaal voor. Verder willen wij dat de regering daarbij ook specifiek kijkt naar de afbakening waarvoor nu is gekozen. Is het niet toch mogelijk om te kijken of niet de groep met een fysieke beperking, maar de andere groep met een beperking in de toekomst misschien wel hulp zou kunnen vragen? Ik zie de dilemma's, maar het nadenken en het ervaren stoppen niet na dit wetsvoorstel.

Voorzitter. Daarnaast zien wij een ander punt, namelijk dat kandidaten met een beperking heel veel moeite ervaren als zij onderdeel willen worden van het democratisch proces. Mijn collega Westerveld heeft dat punt eerder gemaakt. Ik heb het dan over degenen die een beperking hebben en graag gemeenteraadslid willen zijn. Ik ben heel benieuwd hoe u daarnaar kijkt.

Dan nog over de communicatie. Ik dacht dat de heer Van den Brink deze vragen al had gesteld. Als dit van kracht is, wanneer treedt het dan in werking? Bij welke verkiezing? Hoe gaan we dan over de mogelijkheden communiceren richting de groep die we meer willen bereiken?

Daar wil ik het in mijn eerste termijn even bij laten, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Prima. Hartelijk dank. We gaan naar mevrouw Bikker. Zij voert het woord namens de ChristenUniefractie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Een dag na de verkiezingen, de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart, kreeg ik een mail van een mevrouw uit Bruinisse. Ze wilde met haar man, die de ziekte van Alzheimer heeft, gaan stemmen, en zij zou hem helpen. Al jarenlang brengen zij hun stem uit, en deze keer was het nodig dat zij mee zou gaan. Maar ze werd geweigerd door de stembureauleden. Uiteindelijk hebben deze mevrouw en meneer geen stem uitgebracht. Dat vind ik geen goede zaak. Dit is al uitvoerig in de pers geweest. De burgemeester heeft zich hierover op een goede manier geuit.

Ik denk dat het goed is dat we vandaag naar dit wetsvoorstel kijken, want dit wetsvoorstel om het stemmen voor mensen met een beperking te vergemakkelijken, komt zeker niet te vroeg. Stemmen is een heel groot goed. In onze democratie is de stem van alle Nederlanders, ook Nederlanders met een beperking, het volledig waard om uitgebracht te worden.

Bij de voorbereiding van dit debat moest ik denken aan vorige week donderdag. Het was Prokkeldag. Ook in mijn fractie liepen enkele mensen met een beperking een dagje mee als gast. Ze liepen stage en zagen iets van het werk in de Kamer. Ik heb vernomen dat uw Griffie dat volgend jaar ook weer mogelijk maakt. Wat goed! Zij gaven enkele tips mee. Ze willen heel erg graag zelf hun stem uitbrengen, maar zonder hulp lukt dat soms niet goed. Dus zijn ze nu nog aangewezen op een volmachtsstem, terwijl ze dolgraag zelf het vakje van hun keuze rood kleuren. En daar gaat het om.

Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk gemaakt voor kiezers om bijstand te krijgen bij het stemmen. In de memorie van toelichting is de regering uitgebreid ingegaan op de vraag wie de persoon moet zijn die die hulp levert. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ontstaan er twee regimes voor hulp in het stemhokje: mensen met een fysieke beperking mogen iemand naar keuze meenemen om hem te ondersteunen en mensen die om een andere reden hulp nodig hebben, mogen uitsluitend worden geholpen door een speciaal getraind stembureaulid. Dat roept bij mijn fractie vragen op over de uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. De twee regimes kunnen tot discussie in het stembureau leiden en stembureauleden in lastige situaties brengen. De Kiesraad en de VNG wijzen hier ook nadrukkelijk op: is het voldoende uitvoerbaar? Bovendien vraag ik me af of het onderscheid voor kiezers goed uitlegbaar is. Kan de minister aan iemand met een verstandelijke beperking uitleggen waarom de persoon in een rolstoel vóór hem in de rij wel zijn partner mee mag nemen, maar deze jongen zelf zijn moeder niet? Hoe zou de minister dat uitleggen? Zou de minister zeggen dat hij eigenlijk ook wil dat mensen met een fysieke beperking alleen een stembureaulid zouden mogen meenemen het stemhokje in, maar dat hij daar volgens een internationaal verdrag niet voor kan kiezen? Of zou hij zeggen dat hij de risico's op beïnvloeding bij die mensen zonder een fysieke beperking te groot acht, en dat de jongen daarom zijn moeder niet mee mag nemen?

Voorzitter. U kunt al opmaken uit mijn woorden dat ik de logica van het wetsvoorstel ... Ik begrijp de positie van de minister wel, ook gezien die internationale verdragen. Ik kan er begrip voor opbrengen, maar ik kan het niet uitleggen. Dat is de ingewikkeldheid van het wetsvoorstel dat hier vandaag voorligt. Dat vind ik problematisch. De regels voor hoe het er in het stembureau aan toegaat, moeten eenvoudig, duidelijk en voor iedereen te begrijpen zijn. Dat is voor mij de kern. Hoe kijkt de minister daarnaar? Zou hij het onderscheid helder en duidelijk kunnen uitleggen, zodat iedere kiezer het zou begrijpen? En erkent de minister dat één regime eenvoudiger, duidelijker en beter uitlegbaar zou zijn voor zowel kiezers als stembureauleden? Ook de Kiesraad pleit nadrukkelijk voor een gelijke behandeling van alle kiezers die hulp nodig hebben. Ik vraag me dan ook af of het onderscheid dat de minister met dit wetsvoorstel maakt, wel gerechtvaardigd is. Graag ook een reactie van de minister op dat punt.

Voorzitter. Er liggen nu amendementen voor die een keuze vragen van de Kamer. Welke van deze zou de voorkeur van de minister hebben: ondersteuning voor iedereen door een stembureaulid of ondersteuning voor iedereen door een persoon naar keuze? De minister kiest niet voor hulp voor iedereen door een stembureaulid, kort gezegd omdat internationale verdragen dat tegenhouden. Maar is hier niet gewoon een weging te maken tussen de verplichtingen die we hebben? Want internationale verdragen zeggen enerzijds dat we goede, ordentelijke verkiezingen moeten organiseren, waarbij we de risico's op beïnvloeding moeten beperken en het stemgeheim moeten respecteren. Het internationaal verdrag dat de rechten van mensen met een beperking beschermt, stelt dat ook zij een stem moeten kunnen uitbrengen en hierbij hulp moeten krijgen. De algemene bepaling uit het verdrag stelt dat eenmaal verworven rechten niet ingeperkt mogen worden. U ziet hier dat dit met elkaar kan botsen. De minister zegt nu dat het VN-verdrag Handicap hem geen ruimte laat, maar ik zie juist verschillende internationale verdragen die tegelijkertijd om aandacht vragen. Het beschermen van het stemgeheim, het voorkomen van beïnvloeding en het waarborgen van de toegankelijkheid voor mensen met een beperking zijn allemaal legitieme belangen. De vraag is daarom niet welke verplichtingen er bestaan, maar hoe we deze verschillende verplichtingen wegen. Daar zou ik de minister graag nader over horen.

Het borgen van het stemgeheim botst per definitie — daar had ik al even een uitwisseling over met collega Van den Brink — met het kunnen bieden van hulp bij het uitbrengen van een stem. Vraagt dit wetsvoorstel nu niet een nieuwe weging van al deze verplichtingen, vraag ik de minister. Hoe gaan andere landen om met deze verplichtingen? Wat is daar het gebruik om mensen met een beperking zelfstandig te kunnen laten stemmen?

Voorzitter. De kern van dit debat is dus hoe we mensen met een beperking kunnen ondersteunen zodat ze zelfstandig hun stem kunnen uitbrengen. Wat doet zo veel mogelijk recht aan het stemgeheim en voorkomt beïnvloeding zo veel mogelijk? In de memorie wordt uitgebreid ingegaan op de risico's van beïnvloeding en misbruik, en dat is terecht. Maar als het gaat om beïnvloeding en misbruik maak ik mij eerlijk gezegd grotere zorgen om het gebruik van het aantal volmachten bij de Nederlandse verkiezingen dan om misbruik door de hulp in het stemhokje bij mensen met een beperking. Recent zijn er zelfs voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis nieuwe verkiezingen uitgeroepen na vermoedens van fraude. Om die reden heb ik dan ook een amendement ingediend om het aantal volmachten te verminderen van twee naar één.

In internationaal verband, bijvoorbeeld de OVSE en GRECO, zijn we als Nederland al meermalen op de vingers getikt omdat er in Nederland buitensporig veel gebruik wordt gemaakt van volmachtsstemmen. Tot nu toe hebben we die adviezen altijd een beetje in de wind geslagen. De reden waarom ik het amendement heb ingediend, is dat ik het een beetje zie als een soort evenwicht. Aan de ene kant maken we het juist voor mensen met een beperking gewoon makkelijker om zelfstandig hun stem uit te brengen, zodat zij minder zijn aangewezen op het gebruik van een volmacht. Aan de andere kant beperken we de mogelijkheden van het gebruik van volmachten om de kans op misbruik te verkleinen. Ik ben heel benieuwd naar de reactie van de minister.

De voorzitter:

De heer Flach op dit punt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Precies, ik zag iemand aankomen.

De heer Flach (SGP):

Inderdaad. Even over het beperken van die volmacht. Ik kan mij voorstellen dat je het zou moeten inperken als het er tien waren, want dan zou je echt met een hele bos volmachten uit de hele wijk kunnen gaan stemmen. Dit gaat om twee volmachten, bijvoorbeeld van je vader en je moeder. Je zult maar enig kind zijn en ze zijn op vakantie of zelf niet meer in staat om te gaan. Dan ben je niet eens meer in staat om voor je eigen ouders te stemmen. Zijn twee volmachten nou echt het grootste probleem? Ik ontken niet dat het op sommige plekken wel heel veel voorkomt, maar twee per individu is op zichzelf niet het probleem. Misschien is het probleem meer dat er dan op grote schaal gebruik wordt gemaakt van die mogelijkheid.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb met ontzettend veel interesse de dissertatie van doctor Brüheim gelezen. Hij is gepromoveerd op het stemmen bij volmacht. Ik moet eerlijk toegeven dat ik niet alle 339 bladzijden heb gelezen, maar ik heb wel mijn best gedaan om ook even de geschiedenis tot me te nemen. Dat begint eigenlijk al heel mooi met Urker vissers die aangeven dat zij op woensdag aan het varen zijn. Zij vragen de regering — ik geloof dat het in 1900 was — ervoor te zorgen dat zij op zaterdag mogen stemmen. Ik denk dat dat ooit het begin is geweest van het nadenken over stemmen bij volmacht. Als het over Urker vissers gaat, dan gaan meneer Flach en ik allebei stralen, want daar houden we van. Maar dat is precies het voorbeeld waarbij je het met één volmacht voor je thuisfront ook goed afkan.

Als ik naar de huidige problemen kijk, dan zie ik een heel aantal stembureaus waar het stemmen bij volmacht zelfs één op drie is. Ik vind dat ongezond. Laten wij hier met elkaar uitstralen hoe kostbaar het is om je stem uit te mogen brengen en dat het een groot goed is. Als ik dan naar die dissertatie kijk, zie ik daarin staan dat Nederland een van de weinige landen is waar zo ruimschoots gebruik wordt gemaakt van het stemmen bij volmacht en waar de regels dat ook zo erg mogelijk maken. Andere landen zijn niet asociaal in dit opzicht; daar geloof ik niks van. Dus ik denk dat het stemmen met maximaal één volmacht prima kan. Misschien zul je, als je één kind hebt, toch even bij je broer, je zus of vrienden moeten aankloppen. Ik denk dat het juist bedoeld is om in situaties waarin je echt niet kan stemmen het mogelijk te maken om om een volmacht te vragen. Maar als je gewoon vóór je werk denkt "ik heb geen zin om om te fietsen naar het stembureau", zeg ik: het is wel een kostbaar goed om te stemmen. Ik vind ook dat we daar wel een beetje in mogen investeren met elkaar.

De heer Flach (SGP):

Dat laatste is waar, maar we zien de opkomst ook dalen, dus we moeten ook zuinig zijn op die mogelijkheid van per volmacht stemmen. Volgens mij zijn dit twee verschillende dingen. Het is een feit dat een individu de mogelijkheid heeft om namens twee andere mensen te stemmen. Het is ook een feit dat daar op sommige plekken bovenmatig veel gebruik van wordt gemaakt. De vraag is of je dat probleem moet oplossen door het individuele recht om voor twee andere mensen te stemmen in te perken. Of moet je op een heel andere manier omgaan met voorlichting in de wijken waar het zo veel plaatsvindt? Misschien moet je kijken of een bepaalde afstand tot het stemproces een rol speelt. Kunnen mensen niet goed lezen of schrijven? Wat is de achtergrond van het feit dat er zo veel gebruik van wordt gemaakt? Maar om dan direct voor iedereen, in het hele land, het recht op per volmacht stemmen te halveren, vind ik wel een rigoureuze stap.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik vind dat helemaal niet zo rigoureus. De internationale aanbevelingen gaan veel verder dan dat. Dat zie ik ook in de landen om ons heen. Als ik terugkijk in de geschiedenis, zie ik dat het tot, geloof ik, 1957 ook zo was. De SGP bestaat langer dan de ChristenUnie, dus ook in die tijd, toen er één volmacht mogelijk was, heeft de SGP kiezers verkregen. Volgens mij is op een gegeven moment de uitzondering ontstaan dat je, als je in hetzelfde huishouden woonde, twee volmachten kon inbrengen. Maar als het kind van meneer Flach op zichzelf woont en twee ouders heeft die op vakantie gaan, dan zullen zij een andere oplossing moeten vinden. Ik vind dat het waard, omdat ik wil voorkomen dat er discussies ontstaan over het stemmen bij volmacht. Met name bij de gemeenteraadsverkiezingen zien we dat toch keer op keer gebeuren. Dat is een weging; dat geef ik meteen toe. Dat kan de heer Flach ook anders wegen. Maar als je één volmacht uit kan brengen, kan je nog steeds, mocht je onverhoopt de griep krijgen, iemand anders vragen om jouw stem uit te brengen. Mocht je op vakantie gaan, zie je dat over het algemeen lang van tevoren aankomen. Als je midden in maart op vakantie gaat, zie je dat wel aankomen en dan kan je daar gewoon lang van tevoren maatregelen voor nemen, omdat het democratisch proces kostbaar is. Maar ondertussen heb ik nog even gekeken naar de 30 stembureaus waar de meeste volmachten worden gebruikt. Ik vind dat daar echt wel sprake is van zo'n aanzienlijk aantal dat ik denk: dit moeten we veranderen en we moeten als overheid normeren dat je in principe gewoon zelf je stem uitbrengt.

De voorzitter:

Afrondend, meneer Flach.

De heer Flach (SGP):

Ja, afrondend. Als mevrouw Bikker met een motie zou komen waarin ze verzoekt om te komen met een plan van aanpak om ervoor te zorgen dat het aantal volmachten bij die 30 stembureaus vermindert, zou ik die van harte steunen. We hebben echter wel een paar duizend van die stembureaus. Ik vind het toch wel een recht. We hebben namelijk in Gorinchem gezien dat de verkiezingen midden in de vakantie plaatsvonden. Daar hadden mensen hun vakantie allang gepland en veel mensen moesten dus gebruikmaken van die volmacht om überhaupt te kunnen stemmen. Je ziet dus dat het ook kan leiden tot het verlies van stemmen voor mensen of dat de opkomst erdoor daalt. Ik zou mevrouw Bikker dus willen vragen om nog eens goed te kijken of we hier niet met een kanon op de verkeerde mug aan het schieten zijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Daar moet ik collega Flach toch weerspreken. Die extra verkiezingen in de vakantietijd waren niet nodig geweest als we het aantal volmachten hadden beperkt. Dan had iedereen daar dus heel genoeglijk op vakantie kunnen gaan. Twee: met een kanon op een mug schieten zou het stemmen bij volmacht overbodig maken. Dat zou zeggen dat we dat niet meer gaan doen. Dat zie je ook in sommige landen. Ik ben daar niet voor. Als je door de eeuwen heen kijkt, zie je dat we in Nederland verschillende manieren hebben beproefd. Ik denk, gezien de bevindingen, dat dit een moment is dat we twee dingen doen. Aan de ene kant maken we het makkelijker voor mensen met een beperking om zelf naar het stemlokaal te komen — dat vind ik een groot goed. Aan de andere kant zetten we een rem op het misbruik bij volmachtstemmen en maken we het nog steeds mogelijk voor iemand die de griep heeft om aan de buurvrouw te vragen: zou je voor mij de stem uit willen brengen op deze of die fantastische partij?

Mevrouw Huizenga (D66):

Mevrouw Bikker begint over de volmachten, dus dan moet ik natuurlijk ingaan op de initiatiefwet die er ligt vanuit D66 en PRO met betrekking tot volmachten. Maar ik zou het vandaag vooral willen hebben over die bijstand in het stemhokje. Als we het hebben over volmachten, moet je de discussie namelijk breder trekken. Waarom betrekt u nu het aantal volmachten bij de bijstand in het stemhokje? Dat is namelijk waar het vandaag over gaat.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat komt omdat ik een beetje aan het kijken was hoe we de balans houden tussen aan de ene kant dat stemgeheim meer waarderen … Dat doen we door met bijstand in het stemhokje mogelijk te maken dat mensen zelf kunnen gaan stemmen in plaats van bij volmacht en door mogelijk te maken dat mensen met een beperking … Ik heb verschillende mensen gesproken die nu niet konden stemmen. Ik vind het heel goed dat de minister het initiatief neemt dat zij wel hun stem kunnen uitbrengen. Uit ervaring weet ik dat we in dit parlement niet megavaak over de Kieswet praten. Voordat je dus weer een volgende keer hierover spreekt en de kans hebt om die andere kant, namelijk het misbruik van de volmachten, aan te pakken, ben je zomaar weer ten minste een jaar verder. In het huidige getij heb je dan alweer heel wat verkiezingen gehad. Dat is inderdaad ook een probleem, meneer Mohandis! Daar kunnen we het een andere keer over hebben; we zullen niet alles aan elkaar verknopen.

Ik vond dit dus een logisch moment om dit amendement naar voren te brengen. Natuurlijk sta ik open voor de gedachtewisseling. Als de minister zegt dat hij over een halfjaar een uitstekende kans ziet om het voorstel nog beter beargumenteerd verder te brengen, ben ik daar ook benieuwd naar. Ik sta hier echt niet om vandaag dit punt te scoren; ik sta hier omdat ik het democratisch proces wil verbeteren. Ik zie een structureel probleem in het stemmen bij volmacht. Dat is al jarenlang zo. Internationale organisaties geven dit al jarenlang aan. Wij hebben lange tijd gezegd: wij Nederland zijn als een Gallisch dorpje; wij doen het anders. Maar ik vind langzamerhand dat die internationale waarnemers helaas wel een beetje gelijk hebben.

Mevrouw Huizenga (D66):

Is de ChristenUnie het dan met mij eens dat we op een later moment de discussie moeten voeren over die volmachten, in combinatie met vervroegd stemmen? Het gaat namelijk om die brede discussie over dat stemmen. Is zij het met mij eens dat we ons vandaag vooral moeten focussen op de bijstand in het stemhokje?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dan had ik dit amendement niet ingediend. Dat zie ik dus toch net anders. Ik denk: we hebben nú de Kieswet voorliggen. We hebben recent problemen gezien in Gorinchem. Ik noem ook het onderzoek van de NOS waarin je ziet dat er verschillende stemlokalen zijn waarin zelfs een op de drie stemmen bij volmacht wordt uitgebracht. Dat is echt veel, ook als je verder kijkt. Een op de tien stemmen wordt in Nederland bij volmacht uitgebracht. Elders in Europa wordt dit aantal niet gehaald. Ik denk echt dat we dat beter kunnen doen. Ik wil dus pleiten voor een helder systeem. Daar zit ook mijn zorg bij dit wetsvoorstel, waarin weer twee regimes gaan ontstaan in het aanbieden van de hulp in het stemhokje. Ik wil een helder systeem, waarbij je nog steeds stemmen bij volmacht mogelijk maakt, maar waarmee we ook laten zien dat we dat misbruik niet willen hebben. Ik vind het belangrijk om dat helder te houden. Dat was ook mijn discussie met de collega Van den Brink. We moeten het ook weer niet helemaal dichtregelen. Ik heb gepoogd daaraan een bijdrage te leveren, maar altijd in de volle ontspanning, omdat deze Kamer gezamenlijk tot de beste wetsvoorstellen komt.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Huizenga.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dan wil ik toch de hand reiken aan de ChristenUnie. Als we het behalve over de volmacht ook gaan hebben over vervroegd stemmen, dan kunnen we daar samen mee aan de slag gaan. De combinatie in die initiatiefwet met PRO draait erom dat als je het aantal volmachten terugbrengt, je ook aan de slag moet gaan met vervroegd stemmen. Wat ons betreft is het dus te vroeg om alleen te sleutelen aan de volmachten. Misschien kan ik daar dus nog een reactie op krijgen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb zelf inderdaad ook wel voornemens aangekondigd wat betreft vervroegd stemmen, met name als het om de Tweede Kamerverkiezingen gaat. Daar moeten we naar kijken. Ik vind dat niet verstandig. Ik vind dat wij gewoon vier jaar ons werk moeten doen. Waar ik de problemen met de volmachtstemmen het meest zie, is bij de gemeenteraadsverziezingen. Die keren keer op keer terug. Dit keer was het Gorinchem, maar ik kan me ook nog andere situaties herinneren. Soms krijg je de vinger er niet achter. Niet voor niks noem ik de verhoudingen in de stembureaus. Ook uit de wetenschappelijke literatuur krijg ik het beeld dat we met name bij de gemeenteraadsverkiezingen dit probleem hebben. Dat is ook niet zo gek. De heer Van den Brink gaf al allerlei sprekende voorbeelden. Je kent elkaar en vraagt je af wat voor impact dit heeft. De heer Mohandis gaf al aan dat iemand die lokaal verkozen is ook in het stembureau kan zitten. Ik steun dat amendement dus. Dat scheelt weer in de inbreng.

De heer Meulenkamp (VVD):

Mevrouw Bikker komt met het voorbeeld van Gorinchem. Er zijn 342 gemeentes in Nederland. Bij een is het dan misgegaan bij de gemeenteraadsverkiezingen. Zou dat niet juist een argument zijn om het gewoon te laten zoals het nu is?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat is precies waarom ik naar OVSE en GRECO verwees. Internationaal wordt al lange tijd aangegeven dat Nederland het broertje is dat totaal uit de pas loopt vergeleken met andere Europese landen wat betreft het stemmen bij volmacht en de risico's die dat oplevert voor een eerlijk en duidelijk stemproces. Ik heb ook lange tijd, net als veel collega's, gezegd dat het een unieke traditie is in Nederland dat wij wat ruimer zijn in de volmachten. Als ik het nog een keer goed weeg, overweeg hoe belangrijk het is dat we verkiezingen hebben en de bezwaren tot me door laat dringen van OVSE en GRECO, dan kan ik m'n vingers niet in de oren stoppen. Ze hebben wel een punt. Ik wil dat stemmen bij volmacht bewaren, omdat ik houd van een samenleving waarin we naar elkaar omzien. Als de buurvrouw gevallen is, dan kan haar stem wel worden uitgebracht. Daarom zeg ik: terug naar één en dit niet verbieden. Maar ik zeg ook: laten we misstanden voorkomen. Gorinchem is het meest recente voorbeeld, maar die 30 stembureaus die de NOS analyseerde laten ook zien dat er een breder probleem is.

De heer Mohandis (PRO):

Ik wil nog even doorgaan op het punt van de collega van D66. Ik snap het voorstel over de volmachten heel goed. Er ligt een initiatiefwetsvoorstel van collega's Sneller en Bushoff. Daar zit juist een samenhang in met dat vervroegd stemmen. De heer Flach gaf het voorbeeld van de twee volmachten. Je zou die — heel technisch — kunnen spreiden over twee dagen. Het is heel jammer als het nu heel smal benaderd wordt en niet breder bekeken wordt. We kunnen het terugdringen van volmachten koppelen aan vervroegd stemmen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik hoor de minister daar ook graag over. Ik heb richting collega Huizenga aangegeven dat mijn zorg zit in de vraag wanneer we weer over de Kieswet komen te spreken. Dan hadden we het probleem al kunnen oplossen. Goede initiatiefwetten van collega's wil ik altijd steunen. Ik gun deze collega's van harte de eer voor het doen van goede voorstellen — no problem. Als ik dit wetsvoorstel analyseer, zie ik dat we het aan de ene kant makkelijker maken om mensen naar de stembus te laten gaan, maar is er nog steeds de kans op misbruik. Laat ik het gedachteproces van de fractie meegeven. Wij waren er bang voor dat je voor je het weet aan het dichtregelen bent wat daar mis kan gaan. Toen ging ik toch even uitzoomen om te zien wat nou echt het probleem is wat betreft misbruik. Dat zit niet in die mate bij deze groep kiezers. Die gedachtegang leidde naar het amendement. De volgorde waarin we bij het resultaat komen, maakt me niet zo veel uit. Ik wil dat we een sterker democratisch proces krijgen. Daar daag ik de minister vandaag graag toe uit.

Goed, voorzitter. Ik kom tot een slot, hoor; geen zorgen. Dat gaat over de toegankelijkheid. Wanneer je denkt aan toegankelijkheid, denk je al snel — terecht ook — aan toegankelijkheid voor mensen met een fysieke beperking, maar toegankelijkheid gaat verder. Zo kan de inrichting van een stembureau veel verschil maken. Er zijn gelukkig al dementievriendelijke stembureaus op initiatief van Alzheimer Nederland. Daarnaast zijn er bij veel verzorgingstehuizen stembureaus. Daar ben ik blij mee. Ik ben benieuwd welke goede voorbeelden de minister nu ziet en hoe goede voorbeelden ook bij andere gemeenten toegepast kunnen worden, want het maakt heel veel uit voor de opkomst als je dit soort zaken goed op orde hebt. Hoe ziet het ministerie van Binnenlandse Zaken het in samenwerking met de VNG voor zich dat we dit beter kunnen stimuleren?

Voorzitter. Uiteindelijk gaat dit wetsvoorstel dus niet alleen over hulp in het stemhokje. Het gaat over de vraag of mensen met een beperking hun stem daadwerkelijk zelfstandig kunnen uitbrengen. De vraag die vandaag voorligt, is hoe we dat doen op een manier die zowel toegankelijk is als recht doet aan het stemgeheim. Ik heb een aantal bezwaren en zorgen gedeeld met de minister. Ik ga heel goed luisteren naar zijn beantwoording. Voor mij zijn uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid de sleutels waarop ik het wetsvoorstel zal wegen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. We gaan nu naar de heer Clemminck, die spreekt namens de fractie van JA21.

De heer Clemminck (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Ik zal maar direct helder zijn: de fractie van JA21 heeft moeite met dit wetsvoorstel. Dat heeft alles te maken met de kwetsbaarheid van het stemgeheim, met de borging van de stemvrijheid en met de vraag of wij bij onze begrijpelijke wens om verkiezingen toegankelijker te maken, niet te lichtvaardig omgaan met de waarborgen die verkiezingen vrij en eerlijk maken. De Raad van State heeft een advies over de samenhang tussen het stemgeheim, de stemvrijheid en de stemtoegankelijkheid uitgebracht. Te veel nadruk op toegankelijkheid brengt het stemgeheim en de stemvrijheid in gevaar. Daar zit voor mijn fractie ook de zorg. En dat allemaal met de blamage van de verkiezingen in Gorinchem nog vers in ons geheugen.

In deze Kamer is veel aandacht voor de invloed van de techindustrie op onze democratie: buitenlandse trollen en beïnvloeding. Op zich is dat terecht, maar de echte aanval op onze democratische waarden komt van binnen, om precies te zijn van de Turkse gemeenschap in Gorinchem. Dat was voor veel betrokkenen die al jaren bij het lokaal bestuur werken, op zich geen verrassing. Het is een publiek geheim dat er binnen de Turkse gemeenschap veel aan stemmen ronselen gebeurt.

De stempas is een manier om verkiezingen toegankelijk te maken, maar dat gaat ten koste van de stemvrijheid en het stemgeheim. Dat is precies de les die we uit dit soort incidenten moeten trekken. Toegankelijkheid zonder voldoende waarborgen kan misbruikt worden door mensen die niet het belang van de individuele kiezer maar hun eigen politieke belang vooropstellen.

Dit alles maakt mijn fractie dan ook beducht voor dit wetsvoorstel. Stembureauleden worden opgezadeld met een lastige taak. Iedereen mag in een stemhokje hulp vragen van een stembureaulid, behalve iemand die een fysieke beperking heeft. Die kan een persoon naar keuze meenemen. Daarmee ontstaan er twee regimes: een regime voor de kiezers die om andere redenen ondersteuning nodig hebben en een regime voor de kiezers die vanwege lichamelijke gesteldheid ondersteuning nodig hebben. Dat is onduidelijk voor stembureauleden en voor de kiezer zelf. Het is moeilijk uitlegbaar vanuit het perspectief van gelijke bescherming van het stemgeheim. Daarom heb ik namens JA21 een amendement ingediend om dit wetsvoorstel aan te passen.

Er komt wat ons betreft één regime. Iedereen die behoefte heeft aan ondersteuning in het stemhokje kan die krijgen van een stembureaulid. Dat maakt de uitvoering voor stembureauleden en kiezers duidelijker. Er zijn geen twee regimes meer en er is geen beoordeling aan de deur van het stemhokje over welke ondersteuning iemand nodig heeft. Er zijn geen verschillende waarborgen voor verschillende soorten kiezers en er is één duidelijke norm voor iedereen. Dat borgt de toegankelijkheid van de stemming. Ook kiezers met een fysieke beperking kunnen daar gebruik van maken. Het zorgt ervoor dat een kiezer met een fysieke beperking bij elk stemlokaal op elk moment kan stemmen. Vooraf georganiseerde ondersteuning is dan niet meer nodig voor deze kiezer.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

De heer Clemminck schrijft in de toelichting bij zijn amendement dat de bijstand door alleen een stembureaulid volgens hem geen achteruitgang is voor de rechtspositie van mensen met een lichamelijke beperking. Maar is het niet zo dat als iemand vandaag iemand naar keuze kan meenemen en als dat volgens dit amendement niet meer kan, hij dan een recht verliest?

De heer Clemminck (JA21):

Nee, zeer zeker niet. Ik denk dat het zelfs een versterking is van de toegankelijkheid voor deze kiezers. Dat was mijn laatste zin voor de interruptie. Het betekent dat deze kiezer niet zelf iemand hoeft te organiseren met wie hij naar een bepaalde plek op een bepaald moment kan. De kiezer kan ervan uitgaan dat hij of zij op elk moment van de dag en op elk stemlokaal kan stemmen met ondersteuning. Ik denk dat dat een versterking is, een praktische versterking. De Raad van State heeft het ook over de balans tussen enerzijds het toegankelijk maken van het stemproces voor iedereen — daar ben ik hartstikke voor — en anderzijds het stemgeheim en de stemvrijheid. De keuze voor een stembureaulid versterkt de waarborging van de stemvrijheid en het stemgeheim van deze kiezer. Ik denk dat dat een vooruitgang is.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik vraag me een beetje af of de heer Clemminck heeft gesproken met die mensen die een lichamelijke beperking hebben. Denkt hij dat zij dit ervaren als een vooruitgang?

De heer Clemminck (JA21):

Ik heb zeker met hen gesproken. Dat is wisselend; laat ik daar eerlijk over zijn. Het gaat om een afweging van verschillende belangen, die we allemaal even belangrijk vinden, maar we moeten een afweging maken. Uiteindelijk kom ik tot het oordeel dat het belang van het stemgeheim zwaarder weegt, plus het feit dat er voor de kiezer ondersteuning beschikbaar is. Het is eigenlijk zelfs een verbetering, zoals ik net aangaf, omdat deze kiezer namelijk in elk stemlokaal op elk moment van de dag zijn of haar stem kan uitbrengen. Uiteindelijk is mijn oordeel over de balans tussen die drie waarden dat dit ook voor deze kiezer een betere balans is.

Mevrouw Huizenga (D66):

Het is inderdaad een aanvullende vraag. De heer Clemminck geeft aan dat mensen met een fysieke beperking de mogelijkheid hebben ondersteuning te krijgen van een stembureaulid. Maar als je een fysieke beperking hebt, begint dat al onderweg naar het stembureau. Denkt u dat die stembureauleden in staat zijn mensen met een fysieke beperking voldoende te ondersteunen om hun stemrecht uit te oefenen?

De heer Clemminck (JA21):

Jazeker, dat denk ik wel, omdat het alleen gaat over dat deel dat in het stemlokaal plaatsvindt, dus het laatste stapje in het proces om je stem uit te brengen. Voor deze stembureauleden wordt ook voorzien in begeleiding en training. Ik denk dat dat voldoende is voor deze kiezers.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dan heb ik een aanvullende vraag. U gaf aan dat u het stemgeheim belangrijker vindt dan de voorwaarden voor mensen met een handicap om goed te kunnen stemmen. Waarom kiest u daarvoor?

De heer Clemminck (JA21):

Dat zei ik niet. Ik zei dat alle drie de waarden belangrijk zijn: de toegankelijkheid, het stemgeheim en de stemvrijheid. Dat zijn drie waarden die belangrijk zijn en waarin we een balans zoeken. Dat is volgens mij ook de worsteling die de minister zelf heeft gemaakt en die wij vandaag in het debat horen. In die belangenafweging zijn alle drie belangrijk. Ik neem ze alle drie mee. Maar in die belangenafweging kom ik uiteindelijk tot de slotsom dat de waarborg van de stemvrijheid en het stemgeheim zwaar wegen, terwijl tegelijkertijd de toegankelijkheid voldoende gewaarborgd blijft. Dat is mijn amendement.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Huizenga.

Mevrouw Huizenga (D66):

Dan kom ik tot de conclusie dat u het stemgeheim belangrijker vindt dan de rechten van mensen met een beperking.

De heer Clemminck (JA21):

Het is altijd gevaarlijk als collega's een samenvatting of conclusie geven van je eigen bijdrage. Volgens mij klopt deze niet, met alle respect voor mevrouw Huizenga. Ik heb net aangegeven dat alle drie de waarden van belang zijn. Die delen wij volgens mij in de Kamer; dat geldt van links tot rechts in deze Kamer. Het is een worsteling om te kijken hoe je daarin de balans zoekt. Ik heb geprobeerd die balans te zoeken in het waarborgen van alle drie de waarden. Mijn conclusie is dat dit in het amendement voldoende gewaarborgd is. Dat betekent inderdaad dat mensen met een lichamelijke beperking wel degelijk ondersteuning kunnen krijgen, maar dan wel van een lid van het stembureau.

De voorzitter:

U gaat uw betoog vervolgen.

De heer Clemminck (JA21):

Ik had aangegeven dat het amendement het kiesgeheim en de stemvrijheid steviger borgt dan in de huidige praktijk. De minister onderkent in de nota naar aanleiding van het verslag dat het stemgeheim beter wordt geborgd bij ondersteuning door stembureauleden dan door een persoon naar keuze. Dat lees ik letterlijk in de nota naar aanleiding van het verslag. Waarom vindt de minister het risico voor kiezers met een fysieke beperking dan wel acceptabel? Heeft de minister geen verantwoordelijkheid naar hen toe? Daarnaast wil ik graag een nadere toelichting van de minister op het VN-verdrag en de vraag of dat voldoende ruimte laat om deze keuze te maken. Ik denk van wel.

Voorzitter. We lezen dat een deel van de kiezers zonder beperking ondersteuning kan gebruiken. Het gaat dan om niet-westerse allochtonen met vaak een taalachterstand, zo lees ik in de memorie van toelichting. Voor mijn fractie is die taalbeheersing geen reden om ondersteuning te vragen. Men stemt voor een Nederlandse volksvertegenwoordiging in de gemeenteraad, Provinciale Staten, het waterschap of de Tweede Kamer. Dan mag voldoende taalbeheersing van de kiezer worden verwacht. Voor mijn fractie is ondersteuning in het stemhokje in een andere taal dan het Nederlands of Fries onacceptabel. Het antwoord van de minister dat wij eerder hebben gekregen, vind ik te gemakkelijk. Vindt de minister het werkelijk acceptabel dat er straks in een andere taal dan het Nederlands of Fries wordt gesproken in het stemhokje bij de ondersteuning die een kiezer vraagt bij het maken van een keuze voor Nederlandse volksvertegenwoordigers? Daar heb ik echt moeite mee, voorzitter. De fractie van JA21 wacht het antwoord van de minister af, maar overweegt een amendement of een motie in te dienen als het antwoord ons onvoldoende tegemoetkomt.

Tot slot, voorzitter, kort over de overige amendementen van mijn collega's. Het moge duidelijk zijn dat de fractie van JA21 het amendement van collega Schilder niet kan ondersteunen. Ik voel veel sympathie voor het amendement van mevrouw Bikker. Ik wacht het antwoord van de minister af. Tegelijkertijd voelt het ook wat onzorgvuldig om dit amendement te betrekken bij een wetsvoorstel waar het eigenlijk niet over gaat. Ik ben ook benieuwd of wij, afhankelijk van het antwoord van de minister, op een later moment misschien zorgvuldiger kunnen spreken over een amendement waarin ik mij inhoudelijk op zichzelf wel kan vinden.

Voorzitter, tot zover.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan wij door met de heer Bosma, die namens de fractie van de PVV, dat staat voor Partij voor de Vrijheid, zal spreken.

De heer Martin Bosma (PVV):

Dank voor deze commercial. We zullen het filmpje daarvan verspreiden.

De voorzitter:

Heel goed. Gaat uw gang.

De heer Martin Bosma (PVV):

We weten nog steeds niet wat mevrouw Bikker heeft geantwoord toen zij in dat stembureau zat en die kiezer op Wouter Bos wilde stemmen. Dat was bij de Europese verkiezingen en Wouter Bos stond niet op het stembiljet. Maar misschien horen we dat nog in tweede termijn. We horen dan ook graag of die kiezer geloofde dat hij gewoon op de ChristenUnie moest stemmen. Maar dat is allemaal voor de tweede termijn.

Dit lijkt een onschuldig wetsontwerp. Het is anderhalve pagina; als je niest, is het verdwenen. We hebben hier weleens over grotere wetten gedebatteerd. Maar het heeft wel degelijk z'n gevaarlijke kanten. Met uw welnemen, voorzitter, wil ik daar vandaag even op wijzen.

De mensen in het stembureau werken voor de gemeente omdat ze ambtenaar zijn of omdat ze zijn gevraagd om daar te zitten. Vaak zijn het raadsleden of mensen die anderszins bij de lokale politiek betrokken zijn. Zij doen dat op verzoek van de burgemeester en het college van B en W, die tenslotte de regering vormen van de gemeente.

Waar zijn die burgemeesters van afkomstig? Zij komen niet van alle politieke kanten; het is een heel beperkt gezelschap. De Tweede Kamer ziet er als volgt uit: links, midden en rechts. De partijen rechts leveren geen burgemeesters. Dat is heel gek. De mensen daar zien hun politieke voorkeur dus niet vertaald in de richting van iemand met een ambtsketen. De mensen hier spreken veel over verbinding, geen uitsluiting en inclusie, maar vervolgens mogen de mensen hier geen burgemeester worden.

Dat geldt eigenlijk ook voor de colleges van burgemeester en wethouders, zeg maar de lokale regeringen. Je ziet bijna altijd dat de partijen rechts van de VVD worden uitgesloten. Dat geldt ook voor de regeringen van de provincies. Ik stel vast dat dit ook geldt voor de commissarissen van de Koning. De SP, die zo klein is dat ze niet eens bij dit soort debatten is, heeft wel een commissaris van de Koning. De ChristenUnie, die kleiner en kleiner wordt, heeft de tweede stad van Nederland, Rotterdam, in handen. De mensen die die functies vervullen zijn heel aardig en ik gun het ze van harte, maar het is scheef, schever, scheefst. En het is in strijd met de opvatting van democratie. Een enkele keer glipt een partij rechts van de VVD erdoorheen, bijvoorbeeld in het mooie Rucphen, wat niet bepaald de grootste gemeente van Nederland is. De heer Bontenbal van het CDA, dat daar samen met de PVV gaat regeren, zegt daarover dat dat totaal verkeerd is. Die cultuur van uitsluiting leeft in het lagere openbaar bestuur.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Na deze uitweiding van de heer Bosma hoor ik graag wat het verband is met dit wetsvoorstel. Ik wil toch opgemerkt hebben dat, of het nu gaat om de gouverneur in Limburg of de burgemeester van Rotterdam, het kennelijk niet de grootte van de partijen is die bepaalt wie deze persoon is. Je zou in alle grootmoedigheid ook kunnen zeggen dat het kennelijk de kwaliteit van de bestuurder is. Dat is ook een aanmoediging voor partijen om kwalitatief goede bestuurders naar sollicitaties te brengen. Ik geloof dat er vast en zeker voor elke partij kansen zijn. Ik had tien jaar geleden ook niet gedacht dat de ChristenUnie een burgemeester zou leveren op deze plek. Maar wat is het mooi dat in ons land kwaliteit is gaan gelden in plaats van briefjes van de commissaris waarin staat welke partij aan de beurt is om een burgermeester te leveren. Gelukkig is die tijd voorbij.

De heer Martin Bosma (PVV):

Kwaliteit is niet doorslaggevend. Met alle respect voor mevrouw Schouten, die ik al heel lang ken en enorm waardeer en het feit dat de burgemeester het in Rotterdam ongetwijfeld goed doet — dat weet ik niet, want ik ben daar niet van op de hoogte — maar er is wel degelijk een politiek van uitsluiting gaande. Dat betekent dat partijen rechts van de VVD geen burgemeester leveren. Veel mensen uit mijn partij kunnen boeken schrijven over de afwijzingen die steeds plaatsvinden. Dan gaat het niet over kwaliteit, maar over van welke partij je bent. En als dat rechts van de VVD is, dan is de kans nul dat je een commissaris van de Koning of een burgemeester levert. Dat staat haaks op de Nederlandse democratie en dat is heel slecht.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

We hebben het in Nederland zo geregeld dat we dat niet per referendum doen. Dan zouden we misschien een andere uitkomst hebben. We hebben het zo geregeld dat we het per volksvertegenwoordiging doen. Ook de PVV heeft volksvertegenwoordigers in de gemeenteraad zitten die deel uitmaken van de vertrouwenscommissie, die gezamenlijk tot een voordracht komt. Er kan nu wel huiliehuilie worden gedaan over het feit dat er geen PVV'ers worden toegelaten, maar de lokale gemeenteraden gezamenlijk kiezen iemand. Heel geregeld is dat niet iemand van de grootste partij. Zitten daar mensen tussen over wie de heer Bosma "ik kan het nog beter" denkt, dan zou ik zeggen: pak uw kans en ga aan de slag. Maar ga nu niet mensen verdacht maken die op basis van hun kwaliteit gekozen zijn. Kom dan gewoon bij uw principiële punt, want volgens mij is dat waarom de PVV zegt: wij willen het per referendum. Dan hebben we een ander debat, maar we gaan niet bestuurders verdacht maken die op basis van hun kwaliteit door de vertrouwenscommissie namens de hele gemeenteraad zijn voorgedragen.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik doe geen huiliehuilie over de PVV; ik doe huiliehuilie over de Nederlandse democratie. Het burgemeesterskorps is scheef opgebouwd. We zien hoe scheef dat is verdeeld. Ik geloof dat 30% van de Nederlanders een CDA-burgemeester heeft. Ik doe dit even uit mijn hoofd. Het CDA had in de vorige periode vijf zetels. Die konden gewoon in een lelijk eendje rondrijden en toch heeft 30% van de Nederlanders een CDA-burgemeester. Dat is volledig scheef. Het zou mevrouw Bikker sieren als ze aan mijn kant zou staan en zou zeggen: dat is verkeerd, zo moet het niet zijn en zo kan de democratie niet voortbestaan. Steeds minder Nederlanders herkennen zich in de democratie. Die weten zich niet vertegenwoordigd. Dat zien we gewoon elke dag. Dat zien we nu bijvoorbeeld ook bij de Spreidingswet.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Bikker. En we gaan het nu niet over de Spreidingswet hebben, meneer Bosma, want dan weiden we wel heel erg uit.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik dacht: ik leg de bal even op de stip.

De voorzitter:

Ja, dat snap ik.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Eigen doelpunten mag de heer Bosma zelf maken, dus deze bal laten we lekker liggen.

Het gaat mij erom dat dit wetsvoorstel het voor meer mensen mogelijk maakt om hun stem uit te brengen, ook als je een beperking hebt. Ik zou zeggen: dat is dus nog meer kans voor elke partij om stemmen binnen te halen. De burgemeester is over het algemeen juist de kroonbenoemde functionaris die boven de partijen staat en die zichtbaar maakt hoe het lokaal bestuur en de handhaving van de openbare orde vorm moeten krijgen. Gezien die rol en dat ambt is het ergens ook te begrijpen dat mensen die enorm grote uitspraken doen waar een heel groot deel van Nederland zich minder in herkent, door een vertrouwenscommissie minder snel worden voorgedragen als burgemeester.

Als mensen kwalitatief laten zien dat zij dat heel goed zouden kunnen, dan maken zij een grote kans bij vertrouwenscommissies. Dat blijkt juist uit het feit dat ook kleinere partijen op dit moment burgemeesters leveren in Nederland. Dat was tien à twintig jaar geleden ongebruikelijk. We zagen toen dat bepaalde bestuurderspartijen altijd aan het langste eind trokken. Dat kan ik collega Bosma helemaal nageven. Het moet gaan om kwaliteit. De heer Bosma zegt eigenlijk: ik wil, democratisch, dat de grootste partij meer bestuurders gaat leveren. Ik vraag me af of de kwaliteit van ons land er daardoor op vooruitgaat. Gezien het kabinet-Schoof is dat beeld in ieder geval in de afgelopen jaren bij mij nog niet versterkt, maar dat kan nog groeien.

De heer Martin Bosma (PVV):

Voorzitter, zal ik verdergaan met mijn tekst? Mevrouw Bikker zegt iets geweldigs en dan ga ik meteen mee. Maar goed, u laat de tijd lopen. Mevrouw Bikker zegt namelijk: burgemeesters moeten boven de partijen staan. Inderdaad, zo is het vastgelegd. Dat is ook onze cultuur. Die burgemeester is aan de ene kant ongekozen en dat veronderstelt dat die vervolgens boven de partijen staat. De burgemeester moet neutraal zijn. Dat verwachten wij van burgemeesters. Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters geeft zelfs cursussen in hoe je neutraal moet zijn als voorzitter. Dat is part of the deal. Dat is onderdeel van het sociale contract dat we hebben.

Maar hoe werkt dat in de praktijk? Hoe pakt dat uit? Niet zo best, want burgemeesters radicaliseren, burgemeesters polariseren en burgemeesters die geacht worden boven de partijen te staan, blijken gewoon heel vaak de linkse activisten te zijn die ze altijd al waren. Recentelijk spraken drie burgemeesters zich uit voor de Nakba. Ze nemen een complete waanzinpositie in over wat er in 1948 is gebeurd.

In Utrecht, nota bene bij de voorzitter van de VNG, de lobbyorganisatie van al die ongekozen burgemeesters, wordt eerst de gemeenteraad verstoord. Het democratische proces wordt dus verstoord. De mensen die die verstoring hebben gepleegd, worden niet vervolgd. Ik was bij het proces van de blokkeerfriezen. Die werden wel vervolgd. Die mensen in Utrecht verstoren dus de gemeenteraad vanwege Gaza. Ze schreeuwen en blèren. Wat gebeurt er vervolgens? De burgemeester van Utrecht gaat een krans leggen bij een Gazaherdenking, georganiseerd door dezelfde mensen die de gemeenteraadsbijeenkomst hebben verstoord. Die burgemeester legt een krans bij een Hamasvlag, bij de tekst "Free Palestine", oftewel: Israël moet vernietigd worden. Dat is ook nog eens bij een oorlogsmonument dat volgeplakt wordt met allerlei Gazateksten. Dat is polariseren. Dat is niet boven de partijen staan.

In Arnhem zien we de burgemeester rondom het concertbezoek van meneer Ye, een gekke antisemiet. In Doetinchem roept de burgemeester, die ondervoorzitter van de VNG is, op om het leger in te zetten tegen demonstranten. Dat zijn uiteraard geen demonstranten van Extinction Rebellion en geen mensen rondom Gaza. We zien in Amsterdam dat de burgemeester er openlijk voor uitkomt dat ze sympathisant is van George Floyd, van meneer Mamdani, recentelijk uitspraken doet over de Maccabirellen, een aanhanger is van Black Lives Matter en vorige week mij nog heeft uitgemaakt voor fascist. Dat zijn de burgemeesters anno 2026; ik noem er slechts een paar. Ik wil niet generaliseren, maar het gaat wel de verkeerde kant op.

Dan is er nog iets aan de hand wat ons zorgen dient te baren, namelijk dat burgemeesters steeds minder de burgervader c.q. de burgermoeder willen zijn van hun gemeente, maar dat ze heel vaak de vertegenwoordiger blijken te zijn van het kabinet. De burgemeester van Rotterdam verschijnt op de televisie om kabinetsbeleid uit te leggen. In Maassluis wil men geen azc en de coalitiepartijen komen dat overeen, maar de burgemeester zegt: dat moeten we wél doen. Zo verandert de rol van de burgemeester.

De voorzitter:

Ja. Ik hoop wel dat we zo weer terugkomen bij het wetsvoorstel.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ja, maar we moeten even naar de interruptie luisteren.

De heer Clemminck (JA21):

De scheidslijn tussen Kamerlid en communist is heel dun, volgens mij. Ik was gewoon even benieuwd of de heer Bosma nog iets gaat zeggen over het wetsvoorstel en de amendementen.

De heer Martin Bosma (PVV):

Zeker.

De voorzitter:

Dan gaat de heer Bosma door met zijn betoog.

De heer Martin Bosma (PVV):

Goed, dan zitten die mensen dus in het stembureau. Zoals ik aan het begin al zei: die mensen zijn geselecteerd of die doen het op verzoek van het college van burgemeester en wethouders.

De voorzitter:

Ogenblik, nu wil toch de heer Flach nog.

De heer Martin Bosma (PVV):

Hè, ik kwam net bij mijn peroratie, meneer Flach.

De heer Flach (SGP):

De heer Bosma slaagt er altijd in om de aandacht te trekken met de creativiteit van zijn bijdrage, dus daar wel de complimenten voor. Ik heb wel wat bedenkingen bij de inhoud. Ik was op zoek naar de link met dit wetsvoorstel en daar kwam hij: de stembureauleden zouden dat doen op verzoek van de burgemeester. Nou, ik weet niet of de heer Bosma zelf weleens betrokken is geweest bij een stembureau, maar dat is absoluut niet het geval. Hoe worden stembureauleden geworven? Er staat een advertentie in de krant, je geeft je op, je komt op het gemeentehuis en wordt na een training of cursus toegelaten als lid van een stembureau. Een aantal van mijn zoons heeft dat weleens gedaan. Je zit met de complete dwarsdoorsnede van de samenleving in zo'n stembureau. Is het niet gevaarlijk wat de heer Bosma hier doet? Door op deze manier te suggereren alsof stembureauleden een soort marionetten zijn van de door hem verfoeide burgemeesters, plaatst hij twijfels bij de objectiviteit van het stemproces. Is dat niet gevaarlijk?

De heer Martin Bosma (PVV):

Dat zou gevaarlijk zijn als ik theoretisch zou praten en louter hypothetisch zou redeneren, maar dat is niet het geval. In het vervolg van mijn verhaal zal ik daar een aantal voorbeelden van geven.

De heer Flach (SGP):

Dan doe ik even geen vervolginterruptie; dan wacht ik even af wat er nog meer aan tekst komt en dan kom ik wellicht terug.

De voorzitter:

Ja. De heer Bosma vervolgt zijn betoog.

De heer Martin Bosma (PVV):

Er heeft zich een aantal incidenten voorgedaan, waarvan ik denk: hoe groot is de kans dat het in de toekomst z'n vervolg gaat krijgen? Ik stel net vast dat een aantal burgemeesters polariserend bezig is en niet boven de partijen wil staan en helemaal geen zin meer heeft in neutraliteit, maar keiharde politieke uitspraken doet. Wat gebeurt er dan vervolgens? Dan kunnen mensen die in zo'n stembureau zitten zich gelegitimeerd voelen door burgemeesters en denken: dit is blijkbaar normaal taalgebruik. Nogmaals, ik ben van de week uitgemaakt voor fascist door de burgemeester van Amsterdam.

Ik heb hier een aantal voorbeelden. "Voorzitter stembureau Maastricht legt functie neer na uitlating over voormalig PVV-minister." Deze mevrouw had allerlei dingen gezegd over Marjolein Faber. Daar ontstond deining over en gelukkig werd deze persoon vervolgens verwijderd als lid van het stembureau. Ik zeg niet dat ze marionetten zijn, maar ik zeg dat mensen zich gelegitimeerd zouden kunnen vinden, gezien de polariserende opmerkingen van burgemeesters, om dit soort rare dingen te doen. "Gemeente stuurt medewerker stembureau weg na grap over Forum voor Democratie en PVV." Het gaat over Rotterdam. Daar had de voorzitter van een stembureau gezegd dat ze alle stemmen op Geert Wilders en Thierry Baudet zou gaan verscheuren. Dat is toch niet zoals het hoort, lijkt mij. In Groningen is de voorzitter van het stembureau ook in de problemen gekomen, want die noemde de PVV op Facebook een semifascistische en racistische partij. Die persoon moest dus ook uit de vaart worden genomen.

Gezien het feit dat het vandaag gaat over beïnvloeding, over bijstand in de stemhokjes … Ik kan de redenatie van de minister eigenlijk heel goed volgen en natuurlijk moeten we opkomen voor die mensen die gehandicapt zijn, fysiek of anderszins. Ik kan de redenatie van deze minister dus uitstekend volgen, maar ik stel wel vast dat het schuurt. Om te beginnen met het stemgeheim; het herbergt allerlei gevaren in zich, zeker gezien het feit dat burgemeesters polariseren en radicaliseren. Ik hoor graag van de minister wat hij daarvan vindt.

De heer Flach (SGP):

De relatie met dit wetsvoorstel komt langzaam maar zeker in beeld. Ik vind het nog steeds heel vergezocht, juist omdat de heer Bosma vier voorbeelden noemt waarin adequaat is opgetreden, waarin mensen verwijderd zijn uit die functie. Dat is terecht, want je hoort je zo niet uit te laten. Je bent op dat moment een dienaar van het democratische proces en je hoort je verre te houden van politieke of persoonlijke opvattingen. Dit is wel de consequentie ervan dat we de doorsnede van de samenleving vragen dit te doen. Dat betekent dat er ook mensen achter dat stembureau zullen zitten die een hekel hebben aan de PVV of aan de SGP of aan PRO. Dat mag allemaal, want dat is nu eenmaal de dwarsdoorsnede van de samenleving. Mogen stembureauleden ook gewoon een hekel hebben aan de partij van de heer Bosma of aan mijn partij? Mag dat in uw opinie?

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik kan me niet voorstellen dat mensen een hekel hebben aan mijn partij, maar die enkeling die er dan toch is, mag wat mij betreft best actief zijn in dat stembureau. Mensen die een hekel hebben aan de SGP ook, maar die zijn er eigenlijk helemaal niet.

De heer Flach (SGP):

Laat helder zijn: ik moedig dat helemaal niet aan. Ik probeer aan te geven dat we proberen iedereen een kans te geven om in dat stembureau te zitten. Mensen worden daar ook op getraind. Misschien moeten we dat wat upgraden, dat we juist op dit soort dingen wijzen, zo van: u dient zich verre te houden van politieke uitingen en politieke opvattingen in het publieke domein. Daar kan ik nog wel in meegaan, maar als we toch beperkingen gaan opleggen aan wie er wel en niet in dat stembureau mogen gaan zitten, krijgen we toch juist waar de heer Bosma zo voor vreest?

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik wil helemaal geen beperkingen opleggen. Dat heb ik toch niet gezegd?

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Flach (SGP):

Excuus. Dan ben ik de draad van het betoog van de heer Bosma kwijt, want het begon bij ...

De heer Martin Bosma (PVV):

Zal ik dan opnieuw beginnen?

De heer Flach (SGP):

Ik wil u graag de kans geven om nog een keer dat verhaal af te steken. Hij begon met vertellen dat er een bepaalde oververtegenwoordiging is van burgemeesters van bepaalde partijen, die zich steeds extremer opstellen. Daarna was er de link naar het stembureau. Ik sta hier voor die taak van al die mensen, want het is een betrekkelijk pittige baan: je zit daar de hele dag, je mag daarna nog eens tellen en dat doe je een soort van vrijwillig, tegen een vrijwilligersvergoeding. Ik vind dat we wel zorgvuldig moet zijn, want a we doen die mensen die het naar eer en geweten doen geweld aan en b je zaait twijfels bij de objectiviteit van het proces, terwijl de heer Bosma zelf heeft laten zien dat we dat heel goed geregeld hebben. De mensen die zich laten gaan, worden uit het proces gehaald. Prima, zou ik zeggen.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ja, maar wel achteraf, dus die mensen hebben dan de hele dag in zo'n stembureau gezeten. De hemel zij geprezen, want achteraf worden ze uit de vaart genomen, maar ze hebben er wel de hele dag gezeten en dat is iets wat zich in de toekomst wellicht zou kunnen versterken.

De heer Mohandis (PRO):

Voorzitter, via u, richting de heer Bosma: verwijten richting burgemeesters en het wantrouwen dat de heer Bosma toch wel heeft richting heel veel burgemeesters in dit land kennen we eigenlijk van eerdere inbrengen. Ik dacht dat de heer Bosma aan het einde van zijn betoog zou komen tot een voorstel. In de huidige Kieswet is het zo dat burgemeesters hoofd zijn van het stembureau en dus uiteindelijk de uitslag vaststellen. Zij zitten niet in het stemhokje, maar zijn wel verantwoordelijk voor het vaststellen van die uitslag. Waar is het amendement om hen uit die functie te zetten, want dat zou recht doen aan uw betoog? Graag een reactie.

De heer Martin Bosma (PVV):

Zeker graag een reactie. Nee, dat zou natuurlijk raar zijn. Ik wil gewoon van de minister horen wat hij hiervan vindt. Ik neem aan dat de minister vindt dat burgemeesters neutraal moeten zijn, dat ze boven de partijen moeten staan. Hij mag ook vertellen — ik ben daar erg benieuwd naar — of hij vindt dat de burgemeesters voldoende neutraal zijn, gezien al die dingen rondom de Nakba, rondom kransen leggen bij Free Palestine en al die andere voorbeelden die ik noem. Dat is wat ik van de minister wil horen. Ik ga dus niet met een amendement komen en ik wil ook helemaal niemand uitsluiten. Uitsluiten is voor de partij van de heer Mohandis. Daarom zitten al die burgemeestersposten bij zijn ineenschrompelende partijtje en niet in het blok rechts van de VVD, dat groter en groter wordt.

De heer Mohandis (PRO):

Het blok op rechts wordt groter, maar dat gaat ten koste van uw partij. Ik zou dus iets harder gaan werken. De peilingen laten zien dat wij het veel beter doen dan de partij van de heer Bosma. U heeft heel veel concurrentie op rechts. Ik zou zeggen: kies een ander betoog, want op deze manier gaat uw partij niet groeien. Maar dat terzijde.

Ik stelde een serieuze vraag en kreeg een jij-bak terug. De serieuze vraag was als volgt. De heer Bosma is niet één dag Kamerlid maar al een tijdje, en ook al best een tijdje op deze portefeuille. Er komt een hele redenering over de verdachtmaking van burgemeesters. Zo kennen we de heer Bosma. Mijn simpele vraag is: gaat u daar ook vervolgen aan geven via een amendement? Ik ben heel erg tegen — laat dat helder zijn — maar dat zou kunnen zijn dat u zegt dat die voorzitters geen uitslagen meer moeten vaststellen na verkiezingsdag. Maar dan laat de heer Bosma het afweten. Dan denk ik: grote woorden, geen daden.

De heer Martin Bosma (PVV):

Deze interruptie duurde zo lang dat ik ook wel even naar de wc had kunnen gaan, maar de heer Mohandis stelt uiteindelijk de vraag die hij daarvoor ook al stelde, namelijk of ik met een amendement kom. Daar heb ik op geantwoord: nee. Ik wil van de minister weten wat hij vindt van mijn redenatie: burgemeesters uit alleen maar díé kant van het politieke spectrum, burgemeester die radicaliseren, die polariseren en die hoofd zijn van een stembureau, met wellicht de mogelijkheid dat mensen die in dat stembureau zitten zich gelegitimeerd voelen om dezelfde extreme taal te bezigen die die radicaliserende burgemeesters bezigen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik zie dat meneer Bosma aan het afronden is.

De voorzitter:

Nou, dat hoop ik, maar dat weet ik eigenlijk helemaal niet.

De heer Martin Bosma (PVV):

Zeg!

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik ben heel benieuwd of u inderdaad het voorstel van het kabinet steunt zoals het er nu ligt.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nou, dat vind ik een onjuiste vraag in de eerste termijn. Ik heb vragen gesteld aan de minister. Dat heeft menig collega gedaan. Aan de hand daarvan zal ik mijn fractie adviseren om voor of tegen te stemmen. Maar ik liet net al even horen dat ik me in grote lijnen kan vinden in het voorstel, dat het logisch is en dat, zeker gezien de adviezen van GRECO en het feit dat we moeten opkomen voor gehandicapte mensen, ik dit in principe best een sympathiek voorstel vind.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik merk dat ik met toenemende ergernis zit te luisteren naar het verdacht maken van stembureauleden. Er zijn duizenden vrijwilligers bij verkiezingen, die gezamenlijk mogelijk maken dat onze verkiezingen goed verlopen. Collega Bosma heeft hele betogen over burgemeesters en stembureauleden die daarnaar zouden luisteren. Meerdere collega's hebben aangegeven dat dat nergens op slaat. Is hij het met collega's eens dat al die stembureauleden, al die vrijwilligers, voor een vrijwilligersvergoeding — maar we weten allebei: dat is een beperkte vergoeding — heel veel goeds doen voor onze democratie? Zou hij dat ook kunnen uitspreken?

De heer Martin Bosma (PVV):

Mevrouw Bikker vraagt me nu om te generaliseren, om een uitspraak te doen over één grote groep. Dat lijkt me heel gevaarlijk. Ik ben met een aantal voorbeelden gekomen waarin het goed mis is gegaan. De voorzitter van het stembureau van Maastricht moest zelfs worden afgezet, omdat hij allerlei politieke uitspraken deed. In Rotterdam werd gezegd: we gaan de stembiljetten van de PVV verscheuren. In Groningen zei het hoofd van het stembureau: de PVV is een semifascistische en racistische partij. Afgezien van dit soort argumenten vind ik de mensen die in het stembureau zitten geweldige Nederlandse staatsburgers, die geweldig werk doen, die nuttig werk doen en die het ook vaak gezellig maken in een stembureau, en zonder wier inzet de democratie niet zou werken. Behalve dit soort excessen ben ik die mensen enorm erkentelijk en ben ik heel blij dat ze er zijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Maar als hij aan de ene kant uitgebreid de excessen in het zonnetje zet en aan de andere kant in een bijzin deze uitspraak doet, dan zou ik collega Bosma willen uitdagen: kom dan met oplossingen. Ik zie ook problemen — neem de volmacht — en ik kom met een voorstel. Daar kunnen we het dan over hebben: is dit het goede moment of op welk moment gaan we dat doen? Als collega Bosma zegt "hé, ik heb een aantal incidenten gezien waarvan ik vind dat de opvolging niet goed was", kom dan met een voorstel in plaats van alles en iedereen verdacht te maken, want dat is toch de geur die ervanaf komt. Dat kan hij niet bedoelen, maar dat is wel hoe het ontvangen wordt.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nee, wat een onzin is dat. "Alles en iedereen verdacht maken"? Ik maak helemaal niemand verdacht. Ik spreek mijn dankbaarheid uit aan de mensen die in een stembureau werken. Dat heb ik al drie keer gedaan. Maar er zijn ongelofelijke excessen geweest. Ja, en het werkt nu eenmaal zo in Nederland dat wij in de politiek acteren op excessen. Alles gaat goed, maar ergens wordt iets gestolen. Dan gaan wij praten over: moeten we diefstal misschien strafbaar maken? Ja, dan kun je zeggen "er wordt maar heel weinig gestolen", maar toch willen we met z'n allen dat diefstal wordt tegengegaan en dus acteren we op excessen. Volgens mij doen we dat aan de lopende band hier in de Tweede Kamer.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

En dus doe ik een voorstel rond de volmachten en vraag ik aan collega Bosma, als hij dit zo erg vindt — wat ik me kan voorstellen, hè — wat zijn voorstel is. Dat mis ik. Het is een lang betoog, dat we geregeld van collega Bosma horen. Af en toe kan ik er ook om lachen, want hij heeft de gave om het humorvol te brengen. Maar hij doet er ook iets mee. Hij zaait een soort van twijfel over het verkiezingsproces, zonder oplossingen te brengen. Als je al zo lang Kamerlid bent, vind ik het dan gewoon interessant om te weten: welke voorstellen leg je neer? Daar wordt het land beter van, in plaats van dat we alleen gaan staan klagen. Dat geldt ook voor mij, dus ik doe mijn best. Dan hoop ik ook dat collega Bosma zegt: ik ga dit of dat amendement indienen. Dan kan ik wegen of dat nou een oplossing is voor het probleem.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nee, want dit kun je niet in regelgeving vatten die er al niet is. Je geeft mensen vertrouwen. Je zegt tegen ze: ga jij woensdag in dat stembureau zitten. Je geeft ze thee en koffie en zegt: "Denk erom: dit moet je wel en niet doen." Misschien geef je ze een opleiding om te kunnen antwoorden als iemand zegt dat hij op Wouter Bos wil stemmen, terwijl die niet op het stembiljet staat. Je geeft ze vertrouwen en dan moet je maar hopen dat die trainingen voldoende zijn, zodat dit soort dingen niet voorkomen. Maar ze komen wel voor, en gezien het umfeld dat ik net geschetst heb, weet ik niet of die excessen in de toekomst volledig achterwege zullen blijven.

De voorzitter:

Was u ook aan het einde van uw betoog?

De heer Martin Bosma (PVV):

Ja, allang.

De voorzitter:

Kijk, dat had ik minder goed door dan de leden. Mijn excuses daarvoor. Dank voor uw inbreng. Dan gaan we door naar de heer Flach, die het woord voert namens de fractie van de SGP.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter. De Staten-Generaal stelden op de valreep van 1795 het reglement vast voor de eerste Nationale Vergadering, die in 1796 werd gekozen. Die Nationale Vergadering kwam overigens bijeen in de oude zaal van de Tweede Kamer aan het Binnenhof. Artikel 25 van het reglement bevatte destijds een bijzondere bepaling: "Die niet schrijven kan, zal de door hem bedoelde persoon die hij stemmen wil, aan de stemopnemers mondeling opgeven, die denzelve in zijn bijzijn zullen opschrijven." Bijstand in het stemhokje dus, maar niet bij lichamelijke beperkingen. Analfabetisme was toen namelijk wijdverbreid in de samenleving. De moderne samenleving is wat dat betreft minder modern dan we graag willen geloven en de regelgeving was op dit gebied kennelijk meer bij de tijd dan nu het geval is. Het is daarom mooi om te zien dat de regering na 230 jaar ook wakker is geworden en dit wetsvoorstel aan ons voorlegt. De regering verwijst in de onderbouwing naar het jaar 1896, waarin de bijstand bij fysieke beperkingen werd geregeld, maar de regelgeving blijkt dus nog iets verder terug te gaan in de tijd.

Voorzitter. Het wetsvoorstel van vandaag is een schoolvoorbeeld van hoe iets simpels toch heel complex kan zijn. De behoefte om hulp in het stemhokje niet alleen bij lichamelijke beperkingen mogelijk te maken, is begrijpelijk en wordt breed gevoeld. Maar wanneer we dat praktisch moeten uitwerken, blijken er echter allerlei moeilijkheden te zijn. De wetgever moet een lastige afweging maken tussen uitvoerbaarheid, gelijkheid van kiezers en bestaande rechten van een specifieke groep kiezers. De SGP is op dit moment van één ding eigenlijk al overtuigd, en dat is dat de keuze van de regering in de praktijk de minst voor de hand liggende en de meest ingewikkelde is.

De SGP vraagt allereerst aandacht voor de uitvoerbaarheid. Het is veelzeggend dat zowel de gemeenten als de Kiesraad een hard hoofd hebben in de keuze van de regering om groepen kiezers verschillend te behandelen. De regering gaat daar redelijk laconiek aan voorbij. Ze lijkt haar oren meer te laten hangen naar een recent verdrag dan naar de roep vanuit de uitvoering. Hoe zat dat ook alweer met dat luisteren naar de uitvoering? Daarom vraagt de SGP de regering toch wat dieper in te gaan op de bezwaren, bijvoorbeeld dat het onderscheid moeilijk uit te leggen valt en in de praktijk tot irritaties kan leiden. Met het argument dat veel mensen erop vooruitgaan doordat ze nu ook ondersteuning kunnen krijgen houd je kiezers misschien eenmalig zoet, maar vanaf de volgende keer valt vooral het onderscheid tussen de verschillende groepen op.

Voorzitter. De SGP hoort ook graag een meer inhoudelijke onderbouwing van het onderscheid tussen groepen. Die lijkt in het wetsvoorstel niet veel dieper te zijn dan een combinatie van een oude regeling uit 1896 en een verklaring bij een relatief recent verdrag. Nu heeft de SGP veel gevoel voor geschiedenis, maar zoals ik heb laten zien zouden we juist voor de doelgroep die we nu willen helpen nog wel wat dieper mogen spitten. Daarnaast is het onbevredigend dat de behoefte aan en noodzaak van bijstand juist veel sterker kan zijn bij kiezers die niet met lichamelijke beperkingen te maken hebben, bijvoorbeeld bij psychische aandoeningen, waarbij een vertrouwelijke band belangrijk kan zijn. Is het juridisch niet vreemd om die groep zelfgekozen bijstand te ontzeggen? Hoe weegt de regering het risico dat hierdoor vervelende taferelen en teleurstellingen in het stemlokaal kunnen ontstaan?

Voorzitter. Het voldoen aan internationale verdragen weegt volgens de regering in dit geval zwaarder dan het maken van onderscheid tussen personen op basis van een beperking. Die opmerking roept vragen op. De SGP krijgt namelijk de indruk dat dit niet de enige internationale verplichting is waaraan Nederland is gebonden. Zo hebben we bijvoorbeeld op grond van artikel 25 van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten de verplichting om betrouwbare periodieke verkiezingen te houden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemming. Het organiseren van die verkiezingen op een uitvoerbare manier vraagt om keuzes, waarbij we soms ook een afweging moeten maken tussen internationale verplichtingen die op gespannen voet staan met elkaar. Waarom zou dat in dit geval niet kunnen betekenen dat we iedereen verplichten om bijstand van het stembureau te ontvangen? De SGP deelt namelijk met de regering de vrees dat het toestaan van zelfgekozen bijstand aan alle kiezers de deur naar misstanden nog verder openzet. Anders dan de regering aarzelt de SGP echter nog of we dit wetsvoorstel zonder eenduidige lijn in de uitvoering moeten doorzetten.

Ongeacht de precieze inhoud van het wetsvoorstel is het belangrijk om meteen na de eerstvolgende verkiezingen te evalueren wat de ervaringen zijn. Hoeveel hulpverzoeken zijn er, bijvoorbeeld? Tegen welke problemen lopen stembureaus aan? Ik heb daarom het amendement op stuk nr. 11 ingediend om deze snelle evaluatie te regelen. Uiteraard evalueren we dan ook nog na vijf jaar.

Voorzitter. De discussie over ondersteuning van verschillende groepen kiezers mag niet het zicht benemen op het belang om kiezers zo veel mogelijk zelfstandig te laten stemmen. Soms wordt die zelfstandigheid gehinderd doordat eenvoudige hulpmiddelen ontbreken. Denk bijvoorbeeld aan een stemmal en stembox waarmee blinden eenvoudig zelfstandig hun keuze kunnen maken. De SGP was in de voorbereiding toch wat verrast om te merken dat zulke eenvoudige hulpmiddelen niet in elke gemeente beschikbaar zijn. Op de site www.stembox.nl zie je bijvoorbeeld een mooi lijstje met deelnemende gemeenten. Daarop staan nog niet de helft van alle gemeenten. De wet laat het stellen van de regels over de inrichting van het stemlokaal aan gemeenten zelf. Ook de richtlijnen van de Kiesraad zijn summier op zulke punten. Wil de regering in overleg treden met gemeenten, de Kiesraad en belangenorganisaties, zoals Kennis Over Zien, om te kijken welke eenvoudige voorzieningen met een beperkte inspanning overal verplicht zouden kunnen worden? De SGP vindt ook dat de wet duidelijk zou moeten aangeven dat er voor deze groepen regels kunnen worden gesteld. Daarom is er het amendement op stuk nr. 12.

Voorzitter. Het wetsvoorstel verankert ook met plechtige woorden de ongeschreven norm dat de leden van het stembureau het geheim van de stemming moeten bewaren. Kort gezegd noemen we dat doorgaans gewoon "het stemgeheim". Uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat inhoudelijk eigenlijk geen verschil beoogd lijkt te zijn tussen het geheim van de stemming en het stemgeheim, maar de regering creëert ook onduidelijkheid door te schrijven dat het geheim van de stemming dicht tegen het stemgeheim aan ligt. Dat roept de vraag op of leden van het stembureau toch nog iets meer zouden moeten doen dan het bewaren van het stemgeheim van alle kiezers. De SGP wil die onduidelijkheid graag voorkomen. Daarom zorgt het amendement op stuk nr. 16 ervoor dat het gangbare woord "stemgeheim" consequent wordt gebruikt.

Voorzitter. Tot slot nog een nieuwsgierige vraag. Volgens artikel 14 van het reglement uit 1795 moesten stemopnemers plechtig beloven de stiptste geheimhouding omtrent de stemming in acht te nemen. Mijn vraag aan de minister is: hoe gaat dat eigenlijk op dit moment en volgens het wetsvoorstel? Wordt een verklaring afgelegd en gebeurt dat dan mondeling of schriftelijk? Is het wettelijk vastleggen van de geheimhoudingsplicht aanleiding om de aanstelling van leden van het stembureau iets meer cachet te geven?

De bijdrage aan vrije en geheime verkiezingen is hoe dan ook iets om een dikke streep onder te zetten.

Tot zover.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Tot slot gaan we luisteren naar de heer Meulenkamp. Hij voert het woord namens de fractie van de VVD.

De heer Meulenkamp (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Als VVD zijn we er een voorstander van dat mensen letterlijk en figuurlijk laagdrempelig kunnen meedoen aan verkiezingen, waarbij deze laagdrempeligheid gecombineerd moet worden met een eerlijk verloop van de verkiezingen en een goede uitvoerbaarheid. Het moet voor de vrijwilligers op het stembureau ook goed te hanteren zijn. Met dit gegeven in het achterhoofd kijken we naar deze wetswijziging.

Sinds 1896 — mijn collega's refereerden er al aan — staat de Kieswet alleen hulp in het stemhokje toe aan kiezers met een lichamelijke beperking. Deze hulp kan door iedereen worden geboden. Nu wordt voorgesteld om de Kieswet te wijzigen en het mogelijk te maken dat alle kiezers recht krijgen op bijstand in het stemhokje. Om misbruik en beïnvloeding te voorkomen mag deze bijstand alleen worden verleend door een getraind stembureaulid. Zo blijft volgens de minister de stemvrijheid beter geborgd, terwijl mensen met een fysieke beperking wel het recht behouden om iemand naar hun keuze mee te nemen in het stemhokje.

Als VVD hebben we in de voorgaande periode een aantal kritische vragen gesteld over deze wetswijziging. Waarom is er niet voor gekozen om een lid van het stembureau aan iedereen die hulp nodig heeft en daarom vraagt bijstand te laten verlenen? Hoe beoordelen mensen in het stembureau of iemand daadwerkelijk hulp nodig heeft? Vragen we niet te veel van de vrijwilligers in het stembureau? Voor de VVD is de overkoepelende vraag aan de minister welk probleem we oplossen met deze wetswijziging. Zou met een betere voorlichting aan mensen met een beperking niet een groot deel van de problemen op te lossen zijn? Mensen kunnen in hun eigen vertrouwde omgeving en met vertrouwde mensen om zich heen gebruikmaken van een volmacht. Wegen de voordelen van het wetsvoorstel dan wel op tegen de nadelen, bijvoorbeeld gelet op het eerlijk laten verlopen van de verkiezingen en de uitvoerbaarheid van deze wet?

Daarnaast hebben we als VVD kennisgenomen van alle amendementen van onze collega's. We zijn benieuwd naar de reactie van de minister en zullen deze meenemen in onze uiteindelijke afweging.

De voorzitter:

U krijgt nog een interruptie van de heer Bosma.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nou, het is niet zozeer een interruptie in de richting van de heer Meulenkamp. Ik stel vast dat we om 15.15 uur een commissiedebat Financiën hebben waar deze minister en deze commissieleden bij aanwezig moeten zijn. U heeft daar ook geen antwoord op neem ik aan, meneer de voorzitter, maar ik vraag mij even af hoe dat georganiseerd moet worden. Op dat commissiedebat komen allerlei wethouders en andere mensen af. Als we nu een halfuur gaan pauzeren voor de lunch en daarna de tweede termijn gaan houden, dan moet dat wel ergens botsen.

De voorzitter:

Ja, dat klopt. We gaan sowieso een halfuur schorsen, want we gaan lunchen. Ik denk dat het goed is om wel de eerste termijn van dit wetsvoorstel te doen. En dan moeten we in overleg met de Griffie plenair en de griffie van de commissie even kijken of we de hele behandeling van deze wet afmaken of dat we — gelet op het feit dat er gasten komen voor het commissiedebat — de tweede termijn bijvoorbeeld op een ander moment moeten doen. Dat moeten we dus doen, ja. Ik denk dat we het zo even moeten doen. Dat overleggen we even tijdens de lunch en dan kijken we daarna hoe we dat precies aanpakken. Ja?

Mevrouw Schilder wil nog een interruptie plegen. Gaat uw gang.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Dat klopt, voorzitter. Ik wil even terugkomen op de interruptie van de heer Meulenkamp op mevrouw Bikker van straks. Mevrouw Bikker had het over de verkiezingsfraude in Gorinchem. Meneer Meulenkamp refereerde daaraan met "joh, dat is maar in één gemeente". Nou is dat niet "maar in één gemeente". In deze gemeente was nota bene een herverkiezing noodzakelijk. Bagatelliseert de VVD hiermee verkiezingsfraude? Is dat dan de D in "VVD" waar de VVD tegenwoordig voor staat?

De heer Meulenkamp (VVD):

Ik denk dat wij alle soorten van fraude ten zeerste veroordelen; volgens mij is de VVD daar juist heel erg sterk in. Maar wij zijn ook niet van de incidentenpolitiek. Als iets even heel erg actueel is, moeten we in Nederland niet in een keer alles en alle wetten om gaan gooien. We moeten zaken heel serieus nemen, zeker als het om verkiezingsfraude gaat, waar we het in dit debat over hebben. Wij nemen dit mee in ons achterhoofd, maar er zijn meerdere invalshoeken en dan kijken we hoe we dat gaan meenemen in dit debat.

De heer Clemminck (JA21):

Ik ben toch een beetje verrast door de inbreng van de collega van de VVD, want volgens mij is het een publiek geheim dat, zeker in Turkse gemeenschappen, veelvuldig stempassen geronseld worden. Ik heb dat in mijn bijdrage ook gezegd. Deze oproep vind ik dan toch wel heel riskant. Ik ben ook wel benieuwd of de heer Meulenkamp daar wel van op de hoogte is.

Ik wil even terug naar de stelling. In de memorie van toelichting van de minister wordt gezegd dat ondersteuning door stembureauleden een betere waarborg is voor het stemgeheim dan ondersteuning door een eigen gekozen persoon. Is de heer Meulenkamp het daar met de minister over eens?

De heer Meulenkamp (VVD):

Straks krijgen we van de minister de antwoorden op de amendementen. Er zijn negen amendementen ingediend. In mijn ogen lopen die allemaal door elkaar heen. Ik had dezelfde worsteling als D66 rondom de inbreng in dit debat. We kunnen wat betreft deze Kieswet namelijk heel vaak linksom of rechtsom. Daarom heb ik vooral vragen gesteld aan de minister. Ik ben gewoon echt benieuwd hoe de minister naar deze amendementen kijkt en hoe hij daar in samenhang met de verandering van deze wet naar kijkt. Ik wil dus over het geheel een oordeel vormen, en dus niet alleen over hetgeen u in uw individuele vraag aan de orde stelt.

De heer Mohandis (PRO):

In het verlengde van het betoog van de VVD over de brede afweging: ik ben op zoek naar hoe u dit wetsvoorstel weegt. Via u, voorzitter. Natuurlijk liggen er allerlei amendementen. Sommige kunnen het op de ene manier verbeteren en sommige kunnen het in mijn optiek weer beperken. Waar staat u precies? Toen ik uw betoog hoorde, dacht ik: u kunt ook nog tegen alles stemmen. Via u, voorzitter. Zo kwam het op mij over.

De heer Meulenkamp (VVD):

Wij staan daar nog geheel open in; dat heeft u heel goed gehoord. Alleen, er liggen heel interessante amendementen voor en wij zijn dus heel erg benieuwd naar het antwoord van de minister op onze vragen en de amendementen.

De heer Mohandis (PRO):

Oké, maar dan is mijn gevoel toch waarheid: dat de VVD ook tegen dit wetsvoorstel kan stemmen. Dat was voor mij nog even een zoektocht in uw betoog, maar u bevestigt dat nu.

De heer Meulenkamp (VVD):

Wij staan er nog open in.

De voorzitter:

We zijn nu echt aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

We gaan schorsen, en dat doen we tot 14.25 uur. Nee, tot 13.25 uur. Sorry, het is tot 13.55 uur. Ik rekende gelijk een uur; dat was niet zo handig. Om 13.55 uur gaan we verder..

De vergadering wordt van 13.22 uur tot 13.59 uur geschorst.

Beëdiging van de heer Bolhuis

Voorzitter: Van Campen

Beëdiging van de heer Bolhuis

Aan de orde is de beëdiging van de heer Bolhuis (PRO).

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de beëdiging van een nieuwe collega. Ik verzoek de leden om hun plaats in te nemen.

Ik geef het woord aan de heer Ellian voor het uitbrengen van verslag namens de commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven.

De heer Ellian (voorzitter van de commissie):

Dat ga ik met alle plezier doen, voorzitter.

De commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven heeft de stukken onderzocht die betrekking hebben op de heer W.D. Bolhuis te 's-Gravenhage. De commissie is tot de conclusie gekomen dat de heer W.D. Bolhuis te 's-Gravenhage terecht benoemd is verklaard tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De commissie stelt u daarom voor om hem toe te laten als lid van de Kamer. Daartoe dient hij wel eerst de verklaringen en beloften zoals die zijn voorgeschreven bij de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal van 27 februari 1992, Staatsblad nr. 120, af te leggen.

De commissie verzoekt u tot slot om de Kamer voor te stellen het volledige rapport in de Handelingen op te nemen.

De voorzitter:

Ik dank de commissie voor haar verslag en stel voor dienovereenkomstig te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

(Het rapport is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De voorzitter:

Ik verzoek de leden en overige aanwezigen in de zaal en op de publieke tribune, voor zover dat mogelijk is, te gaan staan.

De heer Bolhuis is in het gebouw der Kamer aanwezig om de voorgeschreven verklaringen en beloften af te leggen.

Ik zie dat de Griffier al op weg is om hem binnen te leiden.

(De heer Bolhuis wordt binnengeleid door de Griffier.)

De voorzitter:

De door u af te leggen verklaringen en beloften luiden als volgt:

"Ik verklaar en beloof dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik verklaar en beloof dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik beloof trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet.

Ik verklaar en beloof dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen."

De heer Bolhuis (PRO):

Dat verklaar en beloof ik.

De voorzitter:

Ik wens u van harte geluk met het lidmaatschap van de Kamer.

Ik heb het genoegen om u als eerste te feliciteren. Ik schors heel kort, zodat de collega's u ook kunnen feliciteren Van harte welkom!

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Mededelingen

Voorzitter: Van der Lee

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Aan de orde is een korte regeling van werkzaamheden.

Ik stel voor dinsdag 16 juni aanstaande ook te stemmen over:

de ingediende moties bij het notaoverleg Arbeidsmarktbeleid in de zorg;

het wetsvoorstel Wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening (36864) en de daarbij ingediende moties;

een brief van het Presidium (36800-VIII, nr. 155).

Ik deel aan de Kamer mee dat het lid Keijzer bij de stemmingen op dinsdag 9 juni jongstleden geacht wenst te worden vóór de motie-Grinwis c.s. (29023, nr. 686) en vóór de motie-Kops (29023, nr. 689) te hebben gestemd.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer het wetsvoorstel Goedkeuring van het op 16 december 2025 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een internationale schadevergoedingscommissie voor Oekraïne (Trb. 2025, 101 en Trb. 2026, 24) (36921).

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer het tweeminutendebat Strafrechtelijke onderwerpen (CD d.d. 10/06), met als eerste spreker het lid Faber van de PVV.

Ik stel voor toestemming te verlenen voor het houden van wetgevingsoverleggen met stenografisch verslag:

aan de vaste commissie voor Defensie, op maandag 28 september van 14.00 uur tot 18.00 uur over het begrotingsonderdeel Personeel en op donderdag 1 oktober van 15.00 uur tot 19.00 uur over het begrotingsonderdeel Materieel;

aan de vaste commissie voor Financiën, op maandag 12 oktober van 11.00 uur tot 19.00 uur en op maandag 26 oktober van 11.00 uur tot 23.00 uur over het Pakket Belastingplan 2027.

Op verzoek van de leden Patijn en Ceder stel ik voor hun motie (26448, nr. 876) opnieuw aan te houden.

Ik deel aan de Kamer mee dat voor de volgende debatten de termijn voor toekenning is verlengd:

het debat over de daling van de acceptatie van lhbtiq+'ers;

het debat over de toekomst van het dorp Moerdijk;

het dertigledendebat over een groep van 50 jongeren die in Utrecht politieagenten heeft bekogeld met zwaar vuurwerk;

het dertigledendebat over het bericht dat de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme een programmaleider islamofobie wil aanstellen;

het dertigledendebat over de voortgang van het Nationaal Actieplan Dakloosheid;

het dertigledendebat over de bestrijding van moslimhaat.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Nadere regels voor bijstand in het stemhokje

Nadere regels voor bijstand in het stemhokje

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje (36863).

De voorzitter:

Een punt van orde. De heer Bosma.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ja, voorzitter. We zitten met een probleem, want om 15.15 uur is er ook een debat van deze commissie dat gaat over financiën. Heel veel hardwerkende wethouders, die we niet kunnen missen, zijn hiernaartoe gekomen. We willen ze niet later nog eens laten terugkomen. Dus mijn voorstel is eigenlijk om dit debat nu te staken en dan de eerste termijn een andere keer te doen. Hopelijk lukt dat nog voor de zomer. Dan zien we deze commissie gewoon om 15.15 uur, maar dan in de commissiezaal.

De voorzitter:

Ik ga iedereen vragen om zich daarover uit te spreken. De consequentie van schorsen is dat we de minister dan vragen om de antwoorden schriftelijk te geven en, voor zover mogelijk, de beoordeling van de amendementen ook al schriftelijk te beantwoorden. Als het debat op een later moment wordt ingepland, hoeft het dan niet zo lang te duren en is er ook meer kans dat het voor de zomer nog kan plaatsvinden. Dan zouden we nu schorsen tot aan het tijdstip waarop vandaag het volgende tweeminutendebat is ingepland. Maar ik loop misschien vooruit op een besluit. De heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Ik heb wel grote moeite met dit voorstel, omdat dit in korte tijd, twee of drie weken, de derde keer is dat er een wetsbehandeling niet afgerond kan worden. We hadden het bij de herindeling van Wijdemeren-Hilversum en bij de Kernenergiewet. Keer op keer sneuvelen wetsvoorstellen in een zorgvuldige behandeling als gevolg van een ophefdebat of andere debatten. Dit is overigens geen ophefdebat; dit is een heel belangrijk debat. Wat ik belangrijk vind, is dat het ten koste gaat van de kwaliteit van het debat. We hebben het gisteren ook gezien bij het Kernenergiedebat. We kregen een schriftelijke beantwoording en het debat sloeg toch een beetje dood, want de minister had nog drie opmerkingen en dat was zijn eerste termijn. Ik heb er grote moeite mee om dat nu te doen. Mocht er een meerderheid zijn om het wel te doen, dan wil ik er bij de Griffie echt dringend op aandringen dat ze dit voortaan ruimer inplannen, want wetgeving is waarvoor wij besteld zijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Woensdag wetgevingsdag. Volgens mij hebben we dat met elkaar bedacht, om er juist voor te zorgen dat dit land een beetje in beweging komt en dat we nieuwe dingen voor elkaar krijgen die ook echt iets veranderen. Dat geldt ook voor dit wetsvoorstel. Eerlijk gezegd sta ik hier met dezelfde frustratie als collega Flach. Dat hadden we ook bij het debat over Wijdemeren. Ik snap heel goed dat de Griffie haar uiterste best doet om de ramvolle Kameragenda zo efficiënt mogelijk in te plannen. Dus ik wil geen verwijten maken. Maar als het om wetgeving gaat, zou mijn oproep zijn: alsjeblieft, plan dat ruim in. Tweeminutendebatten komen dan maar op een andere dag, zodat we dit in ieder geval wel goed doen. Terugblikkend denk ik dat dat beter was geweest. Ik zie ook de vriendelijke wethouders Financiën hierboven zitten. We kunnen ook aan hen vragen of ze het niet de moeite waard vinden om dit wetgevingsdebat af te maken. Dat zou mijn lichte voorkeur hebben, maar ik voeg me. Ik heb geprobeerd te kijken naar de minister en ik zie wel dat het ingewikkeld wordt om de eerste termijn vanuit vak K af te ronden binnen het gestelde tijdstip. Daar gaat de minister natuurlijk zelf over, maar als dat zo is, kan ik instemmen met het voorstel. Maar laten we van woensdag echt weer wetgevingsdag maken.

De voorzitter:

Het is wat ongebruikelijk, maar is het zinnig als ik de minister vraag om daarop te reageren? Ja, is dat goed? De minister.

Minister Heerma:

Dit is een fascinerende procedure. Bij het schorsen van het debat over het wetsvoorstel over Wijdemeren mocht de minister niks zeggen. Toen was overigens het late tijdstip … Ik zeg wel in de richting van de heer Flach dat we dat wetsvoorstel volgens mij heel netjes met elkaar hebben afgerond. Ik ga niet over de planning van de Kamer. Ik ga ook niet over de orde. Als ik puur kijk naar de planning die er nu is, zie ik dat er 60 vragen zijn gesteld. Er zijn negen amendementen ingediend. Ik zie niet hoe we in amper een uur een ordentelijke eerste termijn kunnen hebben over iets waar … Het woord "balans" is door verschillende Kamerleden genoemd. Hoewel het geen groot wetsvoorstel is, zie ik niet hoe we dat gehaast kunnen doen. Ik vind het afkappen van de eerste termijn van de kant van het kabinet ook een heel lelijke stijlvariant. De Kamer gaat over de orde. De Kamer gaat over dit soort vraagstukken. Dit even in een uurtje afdoen zie ik niet gebeuren, al helemaal niet als we het hele wetsvoorstel afmaken. Maar ik denk zelfs dat de eerste termijn niet lukt.

De voorzitter:

Ja, dank.

De heer Mohandis (PRO):

We hadden het heel graag af willen maken, maar we willen het ook goed doen. Als ik de minister hoor, lijkt het me vanzelfsprekend dat we dit dan ook ordentelijk afronden, zijnde niet vandaag, al is dat maar omdat er over een klein uur een ander belangrijk debat staat gepland, waar ook veel belangstelling voor is. In die hoedanigheid zouden wij zeggen dat het wel fijn zou zijn — ik kijk ook naar de collega's — als het nog voor het zomerreces plenair kan worden afgerond. Dat geef ik wel even mee. Ik hoop dat daar steun voor is.

De heer Clemminck (JA21):

Steun voor het ordevoorstel.

De heer Meulenkamp (VVD):

Tevens steun.

Mevrouw Huizenga (D66):

Ook steun voor het ordevoorstel. Ik wil daarbij ook wel het volgende benoemen. Ik vind het belangrijk dat we een goed debat hebben en dat we zorgvuldig naar wetgeving kijken, maar dat vraagt ook wat van ons als Kamer, namelijk om niet te ver uit te weiden buiten wat er geagendeerd is. Daardoor lopen we namelijk uit. Het vraagt dus ook wat discipline van ons als Kamer om dit goed met elkaar te doen. Steun voor het voorstel, maar laten we het wel graag snel voor de zomer inplannen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Steun voor het voorstel, maar ik wil het wel echt heel graag voor de zomer afronden.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik sluit me aan bij de woorden van meneer Flach.

De voorzitter:

Ik constateer dat er een brede meerderheid is voor het besluit om het debat nu te schorsen. Dat betekent dat we met de Griffie ons best gaan doen om het voor de zomer in te plannen. Die wens is namelijk ook nadrukkelijk geuit. We zullen dat zo snel mogelijk bekendmaken.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter, ik leg me altijd neer bij de meerderheid van de Kamer. Ik heb wel even de vraag of we dan een uur moeten wachten op dat volgende debat. Daar is namelijk een groot deel van deze commissie bij betrokken en de minister ook. Kunnen we dat wellicht eerder doen? Ik denk dat de gasten namelijk op 14.00 uur hebben gerekend.

De voorzitter:

Ja. Er wordt onmiddellijk werk van gemaakt om te kijken of dat vervroegd kan worden, maar dat gaat buiten de plenaire vergadering om. We gaan de plenaire vergadering nu schorsen tot 15.15 uur. Daarna gaan we door met een tweeminutendebat. We zijn nu geschorst.

Strategie voor Gelijkheid van lhbtiq'ers 2026-2030

Voorzitter: Krul

Strategie voor Gelijkheid van lhbtiq'ers 2026-2030

Aan de orde is het tweeminutendebat Strategie voor Gelijkheid van lhbtiq'ers 2026-2030 (22112, nr. 4300).

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Strategie voor Gelijkheid van lhbtiq'ers 2026-2030. Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom. Voordat we beginnen, geef ik het woord aan mevrouw Müller.

Mevrouw Müller (VVD):

Mijn fractie heeft toentertijd niet meegedaan aan het schriftelijk overleg, maar ik zou aan de collega's willen vragen of ik toch mag meedoen.

De voorzitter:

Daar is geen bezwaar tegen. Daarmee kunnen we beginnen. We beginnen met de heer Clemminck. Hij mag even als eerste, want hij heeft straks een andere verplichting.

De heer Clemminck (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Er is straks inderdaad een ander debat waar ik bij moet zijn. Het is dus niet uit desinteresse dat ik dadelijk weg ben en ik zal zeker kennisnemen van het verdere debat hier.

Voorzitter, ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese lhbtiq+-strategie raakt aan onderwerpen als onderwijs, gezinsbeleid, sociale inclusie en nationale actieplannen;

overwegende dat gelijke behandeling en veiligheid moeten worden gewaarborgd, maar dat onderwijs, gezin en sociaal-cultureel beleid primair nationale bevoegdheden zijn;

overwegende dat Nederland zelf moet bepalen hoe deze onderwerpen binnen de eigen rechtsorde worden vormgegeven;

verzoekt de regering in Europees verband geen steun te geven aan bindende EU-verplichtingen, harmonisatie of monitoring op het terrein van onderwijs, gezinsbeleid, familierecht en nationale actieplannen die verder gaan dan de Europese verdragen toestaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 4368 (22112).

De heer Clemminck (JA21):

En mijn laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek signalen naar voren komen van dalende acceptatie van lhbtiq+-personen, met name in grote steden;

overwegende dat effectief beleid begint met een eerlijke probleemanalyse, ook wanneer culturele of religieuze factoren daarbij een rol spelen;

overwegende dat wegkijken van ongemakkelijke oorzaken lhbtiq+-personen niet beschermt;

verzoekt de regering bij de Europese Commissie te bepleiten dat in de uitvoering en monitoring van de EU-lhbtiq+-strategie expliciet aandacht wordt besteed aan de oorzaken van dalende acceptatie en toenemend geweld door culturele en religieuze factoren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 4369 (22112).

De heer Clemminck (JA21):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Moorman namens de fractie van — já! — PRO. Ik denk wel dat zij de allereerste is. Nee? Nee, vanochtend sprak er ook al iemand. Dan is zij de tweede. Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (PRO):

Voorzitter, wat een mooi moment! Iedereen in dit land heeft het recht om te zijn wie je bent. Maar gelijke rechten en gelijke kansen voor iedereen ontstaan niet vanzelf. We moeten er elke dag voor blijven strijden, zeker wanneer we zien dat bijvoorbeeld de acceptatie van lhbtiq+'ers onder jongeren afneemt. Het aantal meldingen van discriminatie van transpersonen neemt toe.

Voorzitter. Soms zit vooruitgang in het doorgaan met waarmee we zijn begonnen. Daarom heb ik twee vragen aan de staatssecretaris. De eerste gaat over de Transgenderwet. Afgelopen december heeft de Kamer een motie aangenomen om de Transgenderwet verder te behandelen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat zij de Transgenderwet voor Prinsjesdag naar de Kamer stuurt?

Hetzelfde geldt voor het wetsvoorstel om groepsbelediging voor meer groepen strafbaar te stellen, zoals de belediging van vrouwen of de belediging op basis van seksuele gerichtheid. Deze wet is ingediend, maar de Kamer wacht nog steeds op de antwoorden in de schriftelijke ronde. Kan de staatssecretaris toezeggen dat zij de nota naar aanleiding van het verslag voor het zomerreces naar de Kamer stuurt, zodat we deze wet plenair kunnen behandelen?

Voorzitter, dat was de bijdrage van PRO.

De voorzitter:

Het klinkt wel goed eigenlijk, hè.

Mevrouw Moorman (PRO):

Dank u wel.

De voorzitter:

Zeker. De heer Hamstra is de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Hij spreekt namens het CDA.

De heer Hamstra (CDA):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan het kabinet voor de beantwoording van onze vragen. Ik zou graag nog een aantal vervolgvragen stellen. De strategie van de Europese Commissie over lhbti-gelijkheid is belangrijk, maar het voelt ook dubbel, omdat we tegelijkertijd zien dat in lidstaten als Slowakije en Hongarije de positie van lhbti'ers steeds verder onder druk komt te staan. Mijn vraag is: hoe staat het nu met de inbreukprocedure tegen Slowakije? Gaat deze wat het kabinet betreft snel genoeg? Ook ben ik benieuwd hoe het kabinet kijkt naar Hongarije na het aantreden van de nieuwe regering. Er zijn echt wel signalen van een koerswijziging, maar blijft het bij woorden of zien we ook echt daden?

Voorzitter. Mijn tweede vraag is als volgt. We hebben een aantal vragen gesteld over het Actieplan Veiligheid lhbti. Voor veel mensen blijft Nederland een veilige haven, maar we zien ook dat de acceptatie onder druk staat en er steeds meer haat is richting lhbti'ers. Een actieplan is dan mooi, maar het gaat uiteindelijk om de praktijk en om merkbare resultaten. Er zijn heel veel stakeholders die bij de totstandkoming van het actieplan betrokken zijn. Dat is mooi, maar hoe worden zij ook bij de uitvoering betrokken? Kan de staatssecretaris aangeven hoe dit de komende jaren meer vorm krijgt?

Voorzitter, dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Podt is de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Zij spreekt namens de fractie van D66.

Mevrouw Podt (D66):

Dank, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onlineplatforms op grond van de Digital Services Act verplicht zijn om bij inhoudsmoderatie zorgvuldig, objectief en evenredig te handelen, met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van gebruikers;

constaterende dat platforms gebruikers duidelijk en specifiek moeten informeren wanneer content wordt verwijderd, beperkt of minder zichtbaar wordt gemaakt of wanneer accounts worden geschorst of beëindigd;

constaterende dat recente voorbeelden laten zien dat lhbtiq+-personen, organisaties en gemeenschappen online nog steeds te maken krijgen met discriminatie, haat en het blokkeren of beperken van accounts en content;

overwegende dat het zonder duidelijke motivering blokkeren of beperken van lhbtiq+-accounts en lhbtiq+-content de vrijheid van meningsuiting, zichtbaarheid, acceptatie en veiligheid van lhbtiq+-personen onder druk kan zetten;

overwegende dat de Europese Commissie bevoegd is om toezicht te houden op de naleving van de Digital Services Act door zeer grote onlineplatforms, waaronder Meta en Instagram;

verzoekt de regering om bij de Europese Commissie te bepleiten dat zij signalen van herhaalde, discriminerende of onvoldoende gemotiveerde beperkingen van lhbtiq+-accounts en lhbtiq+-content door zeer grote onlineplatforms nadrukkelijker betrekt bij haar toezicht op de naleving van de Digital Services Act, en waar sprake is van overtreding voortvarend handhavend optreedt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Podt, El Boujdaini en Müller.

Zij krijgt nr. 4370 (22112).

Mevrouw Podt (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Müller, die namens de VVD spreekt.

Mevrouw Müller (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Voor de VVD is de kern van vrijheid heel simpel: in Nederland en wat ons betreft in de hele wereld moet iedereen onvoorwaardelijk zichzelf kunnen zijn, wie je ook bent en van wie je ook houdt. Je individuele vrijheid is een recht dat nooit ter discussie mag staan. De VVD onderschrijft dan ook het belang van de lhbtiq+-strategie van de Europese Commissie.

Ik heb twee concrete punten voor de staatssecretaris. Ten eerste: conversietherapieën. Het zogenaamd genezen van iemands geaardheid of identiteit is een diepe inbreuk op menselijke waardigheid en wat ons betreft een Middeleeuwse praktijk. In Nederland zetten we nu een historische stap. Volgende week stemt de Eerste Kamer over de wet die dit definitief strafbaar stelt. De Europese Commissie onderzoekt momenteel of dit ook op Europees niveau geregeld zou moeten worden. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of zij bereid is om de Nederlandse wetgeving, zodra deze is aangenomen, actief als best practice aan te dragen in Brussel, zodat we de toon kunnen zetten voor een Europa brede aanpak.

Ten tweede: Hongarije. De VVD heeft zich altijd luid en duidelijk uitgesproken tegen de discriminerende anti-lhbtiq+-wetten in dat land. Nu er in Boedapest een nieuw kabinet is aangetreden — mijn collega refereerde er ook al aan — ontstaan er hopelijk nieuwe kansen voor de rechtsstaat en de rechten van minderheden. Europa moet de vinger scherp aan de pols houden. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: hoe verlopen de huidige contacten tussen het Nederlandse kabinet en de nieuwe Hongaarse regering op dit specifieke dossier en op welke manier trekken Nederland en de Europese Commissie samen op om te zorgen dat er in Hongarije echt constructieve verbeteringen plaatsvinden en dat deze wetten definitief naar de prullenbak worden verwezen?

De voorzitter:

Dank u wel. Meer vragen dan moties; dat is een goed teken. We gaan vijf minuten schorsen en dan gaan we luisteren naar de appreciatie en de beantwoording van de staatssecretaris. Ik schors de vergadering voor vijf minuten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de appreciatie van de moties en de beantwoording van de vragen.

Staatssecretaris Tielen:

Dank u wel, voorzitter. Ik noem mijzelf altijd staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie. Dat zeg ik maar weer extra, omdat het hier gaat om de lhbtqi+-veiligheid, -vrijheid en -gezondheid in ons land, en daarbuiten. Er zijn meer vragen gesteld dan moties. Dat vind ik ook weleens leuk voor een tweeminutendebat, maar dat past misschien ook wel bij de aard van dit tweeminutendebat, dat gehouden wordt naar aanleiding van een schriftelijk overleg. Daarbij krijg je eigenlijk niet echt gelegenheid om met elkaar in debat te gaan.

Ik doe eerst de vragen en dan de moties. De vragen van mevrouw Moorman betroffen onder andere de Transgenderwet. Zij verwees naar een motie die is aangenomen in december van het afgelopen jaar. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is hoofdondertekenaar van deze wet. Namens haar kan ik zeggen dat we voor het commissiedebat Emancipatie, dat gepland staat voor 25 juni aanstaande, met een tijdpad komen waarin staat wanneer we alle stappen die nog te nemen zijn, voorzien. Ik kan die brief nu inhoudelijk nog niet toelichten.

De voorzitter:

Eén vraag, mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (PRO):

Dat is mooi. Dat geeft meer helderheid en duidelijkheid. Ik had gevraagd of de wet voor Prinsjesdag opgestuurd kan worden. Staat dat dan in die brief?

Staatssecretaris Tielen:

Ik zei net al: ik kan die brief niet ontluiken hier. Die brief komt eraan en ik kan daar niet op vooruitlopen. Maar de vraag van mevrouw Moorman is gehoord …

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt haar beantwoording.

Staatssecretaris Tielen:

… en genotuleerd in de Handelingen, dus voor eeuwig vastgelegd.

De voorzitter:

Zeker.

Staatssecretaris Tielen:

Mevrouw Moorman vroeg ook naar de wijzigingen als het gaat om groepsbelediging. In de beleidsbrief van Binnenlandse Zaken heeft u kunnen lezen dat de Kamer zo spoedig mogelijk de nota naar aanleiding van het verslag krijgt. Mevrouw Moorman vroeg: kan de staatssecretaris toezeggen dat dat voor het zomerreces is? Het antwoord is: ja. Dan is het vervolgens aan uw Kamer om in te plannen wanneer het debat verder wordt gevoerd.

Zowel de fractie van het CDA als fractie van de VVD vroeg naar Hongarije en in hoeverre wij contact hebben met de huidige regering op het gebied van lhbtiq+-beleid. Wij hebben nog geen directe contacten gehad met de regering, maar en marge van een Europese bijeenkomst, ongeveer een maand geleden, heb ik onder anderen gesproken met de burgemeester van Boedapest en met een aantal betrokken organisaties. Ik begrijp dat men hoopvol en optimistisch is over de bewegingen die ook door de heer Hamstra zijn genoemd. Zodra wij weer in een Europese setting bijeenkomen, ga ik graag ook en marge in gesprek met vertegenwoordigers van de huidige Hongaarse regering. Dat is niet helemaal een antwoord op uw vraag, maar ik was zelf wel blij dat er optimisme klonk vanuit die hoek.

De heer Hamstra vroeg ook naar de contacten met Slowakije, met name als het gaat om de inbreukprocedure. Nederland is formeel geen onderdeel van die procedure, maar steunt wel de Europese Commissie in de stappen die zij zet. Wij blijven dit nauwgezet en kritisch volgen om te bezien of wij daar nog andere dingen in moeten doen.

De VVD-fractie vroeg, vooruitlopend op de waarschijnlijke aanname van de Wet strafbaarstelling conversiehandelingen door de Eerste Kamer, of ik kan toezeggen dit ook Europees onder de aandacht te brengen, mede omdat daar Europees behoefte aan lijkt te zijn. In het najaar van dit kalenderjaar staat een expertbijeenkomst over dit soort onderwerpen gepland. Als uw Kamer mij dat vraagt, neem ik dit graag mee en zet ik het daar op de agenda.

Vervolgens was er nog een vraag over het betrekken van stakeholders. Ik denk dat die van de heer Hamstra was, maar dat weet ik niet meer helemaal zeker. Bij de totstandkoming van de veiligheidsaanpak zijn stakeholders betrokken geweest en dat zullen wij blijven doen. Als u vraagt naar de precieze stappen, de acties en het tijdpad daarbij, moet ik enigszins vaag blijven, omdat die deels afhankelijk zijn van de goedkeuring van de suppletoire begroting voor 2026, die nog door de Eerste Kamer moet worden behandeld.

Dan kom ik bij de moties. De motie op stuk nr. 4368, van de fractie van JA21, gaat over onderwijs en gezin. Ik hecht eraan te zeggen dat Europese wetgeving nooit verder gaat dan de verdragen die we in de Europese Unie kennen. De vraag die in de motie wordt gesteld over gezinsbeleid valt daar niet onder. De Europese Unie heeft op dat terrein geen bevoegdheden. Daarmee is de vraag die in de motie wordt gesteld overbodig. Mijn appreciatie is daarom dat ik de motie ontraad. Ik denk wel dat het goed is om te zeggen dat het in sommige gevallen juist handig is om bepaalde zaken Europees te regelen. Dan moet je bijvoorbeeld denken aan echtscheidingen die in Nederland zijn uitgesproken en die ook in andere Europese landen worden erkend, of aan voogdijkwesties waarbij gezinnen in verschillende lidstaten wonen en werken. Volgens mij was dat niet de strekking van de motie. Maar de motie op stuk nr. 4368 is ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 4368 wordt ontraden. Dan de motie op stuk nr. 4369.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 4369 gaat over signalen met betrekking tot de lhbtiq+-strategie en de dalende acceptatie. Ik hecht eraan te zeggen dat — een aantal leden heeft die zorg uitgesproken en die zorg begrijp ik — uit de onderzoeken die zijn gedaan en gepresenteerd, blijkt dat de opvattingen over lhbtiq+-personen de afgelopen jaren redelijk stabiel zijn gebleven. Er zijn geen significante verschuivingen zichtbaar. Dat laat niet onverlet dat wij hier alert op blijven. Ik begrijp heel goed waarom leden dit benoemen, maar ik vind het ook goed om de wetenschappelijke werkelijkheid te benadrukken. Het betreft complexe data die daaronder ligt. Dus de motie op stuk nr. 4369 ontraad ik vanwege de strekking van de vraag.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 4369 wordt ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

Ik hoor u versnellen.

De motie op stuk nr. 4370 gaat over de Digital Services Act. De Europese Commissie is onafhankelijk in haar toezichthoudende rol. Het is niet aan ons om te zeggen wat de Europese Commissie wel of niet moet doen als het gaat over die toezichthoudende rol, maar we kunnen uiteraard wel signalen bespreken. Zo lees ik deze motie en zo staat het er ook in: dat we hierover met de Europese Commissie spreken en kijken of het nodig is om daar iets aan te doen. De motie krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 4370: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Daarmee ben ik aan het einde gekomen van de beantwoording van de vragen en de appreciatie van de moties.

De voorzitter:

Daarmee is de staatssecretaris aan het einde gekomen van de appreciatie van de moties en het beantwoorden van de vragen. En daarmee is er ook een einde gekomen aan het tweeminutendebat Strategie voor Gelijkheid van lhbtiq'ers 2026-2030.

De beraadslaging wordt gesloten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Digitalisering, leermiddelen en ondersteuningsstructuur in het funderend onderwijs

Digitalisering, leermiddelen en ondersteuningsstructuur in het funderend onderwijs

Aan de orde is het tweeminutendebat Digitalisering, leermiddelen en ondersteuningsstructuur in het funderend onderwijs (CD d.d. 09/04).

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Digitalisering, leermiddelen en ondersteuningsstructuur in het funderend onderwijs. Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ook wel de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, van harte welkom. De eerste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter, ik ga het heel kort houden. Ik ben de aanvrager van dit tweeminutendebat en ik heb ook een motie, maar zoals het bij een minderheidskabinet hoort, gaat mevrouw Moorman deze motie indienen. Daar laat ik het dus ook bij.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we dat nu waarschijnlijk horen van mevrouw Moorman, die spreekt namens PRO. U krijgt er alleen niet meer minuten bij. Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (PRO):

Voorzitter, hoe galant is dat van de heer Kisteman? Laat het een voorbeeld zijn voor de collega's.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de huidige Wet gratis schoolboeken stamt uit de tijd dat de smartphone nog maar net bestond en er sindsdien enorme technologische vooruitgang is geboekt, ook in het onderwijs;

constaterende dat digitalisering van het onderwijs uitdagingen op het gebied van cyberveiligheid, afhankelijkheid van big tech en ongelijke kansen in het onderwijs veroorzaakt;

constaterende dat het onderbrengen van digitale leermiddelen in de Wet gratis schoolboeken kan zorgen voor meer regie en sturing op die uitdagingen;

verzoekt de regering om in het regieplan digitalisering met de VO-raad en SIVON voorbeelden van scholen die leerlingen gratis devices verstrekken te inventariseren, te delen en op te schalen, en voor 2027 inzichtelijk te maken of de wet omgevormd kan worden tot een wet gratis leermiddelen waarin devices zijn opgenomen, scholen aan te sporen besparingen op lesmateriaal hiervoor in te zetten, en de uitkomsten hiervan aan de Kamer voor te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Rooderkerk en Kisteman.

Zij krijgt nr. 74 (32034).

Mevrouw Moorman (PRO):

Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet een hoge ambitie heeft om de digitale autonomie van Nederland te vergroten in alle strategische sectoren;

overwegende dat de totale dominantie van enkele niet-Europese techgiganten, zoals Microsoft en Google, in het funderend onderwijs een van de structurele oorzaken is van de huidige afhankelijkheid;

verzoekt de regering om samen met het veld als doel te stellen om de digitale autonomie van het funderend onderwijs structureel en aantoonbaar te vergroten en hier samen plannen voor uit te werken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman en Kathmann.

Zij krijgt nr. 75 (32034).

Mevrouw Moorman (PRO):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Boomsma is de volgende spreker aan de zijde van de Kamer. Hij spreekt namens de fractie van JA21.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik heb twee moties. Eén.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat AI geen gunstige ontwikkeling is voor leerlingen, die moeten leren om zelf na te denken en dingen te doen;

overwegende dat je van alles kunt downloaden en offloaden, maar niet karaktervorming of het denken zelf;

constaterende dat het bijzonder moeilijk is AI buiten de deur te houden wanneer leerlingen huiswerk maken of werken aan opdrachten op school;

verzoekt de regering haast te maken met een strenge mobieltjesrichtlijn die ervoor zorgt dat telefoons gedurende de gehele schooldag zo spoedig mogelijk "thuis of in de kluis" gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Rooderkerk en Van der Werf.

Zij krijgt nr. 76 (32034).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de groeiende beschikbaarheid van AI grote gevolgen heeft voor het gehele onderwijs en dan vooral voor de manier waarop huiswerk en schrijfopdrachten, zoals opstellen en werkstukken, worden uitgevoerd, beoordeeld en/of getoetst;

overwegende dat het cruciaal is dat kinderen en jongeren leren om zelf goed te schrijven en het risico van offloading bestaat waardoor vaardigheden niet worden aangeleerd;

verzoekt het kabinet in overleg met leraren en de sector een advies op te stellen over AI-vrije best practices voor bijvoorbeeld het leren schrijven van opstellen en de toetsing van schrijfopdrachten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Rooderkerk.

Zij krijgt nr. 77 (32034).

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker aan de zijde van de Kamer is mevrouw Armut. Zij spreekt namens de fractie van het CDA.

Mevrouw Armut (CDA):

Dank, voorzitter. Eén motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek blijkt dat leren vanaf papier, het maken van aantekeningen met de hand en het werken met boeken leiden tot een betere verwerking en een beter begrip dan leren via schermen;

constaterende dat onderzoek tevens laat zien dat het gebruik van laptops in de klas leidt tot meer afleiding en verminderde concentratie, met negatieve effecten op zowel de gebruiker als medeleerlingen;

overwegende dat juist in een tijd waarin basisvaardigheden zoals lezen, schrijven en rekenen onder druk staan, het van groot belang is om onderwijsvormen te kiezen die aantoonbaar bijdragen aan concentratie, diepgang en begrip;

overwegende dat het gebruik van laptops als standaard leermiddel niet gelijkstaat aan werken aan de kerndoelen voor digitale geletterdheid;

verzoekt de regering met richtlijnen te komen die ertoe leiden dat schermgebruik in het klaslokaal wordt teruggedrongen tot situaties waarin de didactische meerwaarde aantoonbaar is, en te bevorderen dat leren vanaf papier, lezen uit boeken en schrijven met de hand weer de standaard worden in het onderwijs, en de Kamer hierover, inclusief een tijdpad voor implementatie, uiterlijk voor het einde van het schooljaar 2026-2027 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Armut, Boomsma, Van Brenk, Beckerman, Claassen, Van der Plas en Ceder.

Zij krijgt nr. 78 (32034).

Dank u wel. De laatste spreker aan de zijde van de Kamer is mevrouw Rooderkerk. Zij spreekt namens de fractie van D66.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onderwijsinstellingen moeite hebben om grip te houden op de snelle ontwikkelingen van generatieve AI;

constaterende dat kinderen in het funderend onderwijs zich nog moeten ontwikkelen op het gebied van digitale vaardigheden, waardoor zij extra bescherming behoeven;

constaterende dat bestaande AI-systemen, zoals ChatGPT, veelal commercieel zijn en niet specifiek zijn ingericht op de pedagogische en didactische behoeften van het onderwijs;

overwegende dat een publieke AI-voorziening kan bijdragen aan het reguleren van AI-gebruik op basis van wet- en regelgeving en het borgen van publieke waarden zoals privacy, veiligheid en gelijke kansen;

overwegende dat slechts 5% van de scholen in het funderend onderwijs nu AI-beleid heeft en dat het hebben van zo'n voorziening ook hieraan kan bijdragen;

overwegende dat een dergelijke voorziening scholen in staat stelt om AI op een gecontroleerde en pedagogisch verantwoorde manier in te zetten en hen minder afhankelijk maakt van big tech;

verzoekt de regering samen met Kennisnet, SURF en SIVON een voorstel uit te werken voor een veilige publieke Nederlandse AI-voorziening, en de Kamer dit voor de begrotingsbehandeling te sturen, inclusief financiering, implementatiestrategie en professionalisering van leraren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rooderkerk en Moorman.

Zij krijgt nr. 79 (32034).

Dank u wel. Daarmee is er een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors voor zeven minuten, tot 15.50 uur.

De vergadering wordt van 15.43 uur tot 15.48 uur geschorst.

De voorzitter:

Met de complimenten aan de staatssecretaris heropen ik de vergadering. Zij had niet zeven maar zes minuten schorsing nodig. Daarmee gaan we over naar de appreciaties en de beantwoording van de vragen. Ik geef het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Tielen:

Voorzitter. In goed Nederlands: underpromise, overdeliver. Dat is altijd beter dan andersom.

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de leden voor de moties. We hebben hier wel echt een commissiedebat over gevoerd. Ik vond het een heel leuk commissiedebat. Ik zie een hoop moties waarover we het wel een beetje hebben gehad, maar die ik over het algemeen kan meenemen in het regieplan dat ik heb aangekondigd over digitalisering en AI in het funderend onderwijs. Daarmee licht ik al een tipje van de sluier op.

Ik begin met de eerste motie van mevrouw Moorman, mevrouw Rooderkerk en meneer Kisteman. Dat is de motie op stuk nr. 74. De motie vraagt om iets mee te nemen in het regieplan. Het gaat over gratis devices, welke plek dat zou moeten krijgen in het plan en misschien ook in een wet. Laat me daar eens goed naar kijken. Ik geef 'm oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 74 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 75 van mevrouw Moorman en mevrouw Kathmann … In reactie op wat er buiten de microfoon wordt gezegd: dat is goed. Het is goed dat we het doen omdat het belangrijk is, maar ook omdat het leuk is en als het samen is …

Goed. De motie op stuk nr. 75 van mevrouw Moorman en mevrouw Kathmann over digitaal autonoom onderwijs verzoekt om samen met het veld de plannen uit te werken. Samen met het veld is hier heel belangrijk, denk ik; daar kom ik nog een paar keer op terug. Ik neem dit graag mee naar het veld en dan kom ik in het regieplan deels terug op wat voor plannen we daarin kunnen bespreken. Ik geef de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 75 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 76 van meneer Boomsma, mevrouw Rooderkerk en mevrouw Van der Werf gaat over "thuis of in de kluis". Dat is leuk, want ik ben daar best al over in gesprek met de sectorraden. Ik zou deze motie daarom willen overnemen, als de indieners daarmee akkoord zijn.

De voorzitter:

De motie-Boomsma c.s. (32034, nr. 76) is overgenomen.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 77 van meneer Boomsma en mevrouw Rooderkerk gaat over advies en best practices rond schrijven. We hebben inderdaad gezien dat schrijfvaardigheid achteruit aan het gaan is. Dat zal deels komen door digitalisering en AI, deels ook door te weinig te doen. Het lijkt me dus heel goed om de best practices te gaan verzamelen. Ik geef de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 77 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 78 van mevrouw Armut, meneer Boomsma en nog veel meer mensen. Goed gedaan, denk ik dan altijd, als er veel namen onder de motie staan, want dan is er kennelijk ook wel behoefte aan vanuit de volksvertegenwoordiging. De motie gaat over het schermgebruik en papier, om het zo maar te zeggen. Wat ik mooi vind aan deze motie is dat het gaat over "evidence-informed". Daar gaan we het nog wel apart over hebben met elkaar. Het gaat erom dat we met schier bewezen methoden gaan lesgeven. Van daaruit weten we al veel dingen over het schrijven op papier. Ik zou 'm oordeel Kamer willen geven. Ik moet wel zeggen dat we hier in de Kamer niet precies voorschrijven wat er in de klassen precies wel en niet wordt gekozen en gebruikt aan methodes. Dat geldt eigenlijk voor alles. Dus als mevrouw Armut het met die context eens is, kan ik deze motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

En zij knikt. Daarmee heeft de motie op stuk nr. 78 oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Dan de motie op stuk nr. 79 van mevrouw Rooderkerk en mevrouw Moorman. Een compliment aan de Kamer dat er zoveel gezamenlijke moties zijn. De motie gaat over een veilige publieke Nederlandse AI-voorziening. Kennisnet is al bezig met een verkenning. Ik verwacht dat die in het najaar komt. Vanuit de verkenning zullen we moeten kijken welke aanbevelingen eruit komen en wat we daar dan mee kunnen doen. Als ik die dingen kan meenemen in een voorstel en daarmee voldoe aan het dictum van deze motie, dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik kijk even naar indiener, mevrouw Rooderkerk.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik heb er een korte vraag over. Ik vind het op zich goed, alleen vraagt de motie ook om voor de begroting voor te leggen wat daarvoor nodig is ten aanzien van de financiering. Dan kunnen er tijdig middelen voor worden geregeld. Als dat pas in het najaar is, terwijl we al weten dat er geld voor nodig is — en dat weet ik, want dat kan je bedenken — dan zou het fijn zijn als we daar dan wel voor de begrotingsbehandeling een voorstel voor krijgen.

Staatssecretaris Tielen:

Dat kan ik niet gaan toezeggen, want ik krijg die verkenning echt in het najaar. Mevrouw Rooderkerk weet net als ik dat de Miljoenennota voor 2027 al ver voor Prinsjesdag af moet zijn en besproken, dus dat gaat niet samen.

De voorzitter:

Dan is de keuze aan mevrouw Rooderkerk of zij akkoord gaat met de interpretatie. Nee dus. Oké, dan is haar motie op stuk nr. 79 voorlopig ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

Nee, want ik kom nog steeds met een voorstel. Alleen, mevrouw Rooderkerk wil ook een financieringsvoorstel voor de begroting, en dat deel ga ik niet doen.

De voorzitter:

Maar dat staat wel in de motie.

Staatssecretaris Tielen:

Er staat "financiering algemeen". Ik kan wel met een voorstel komen. Dat is dan alleen niet een onderdeel van de begroting voor 2027. Die kanttekening maak ik erbij.

De voorzitter:

Duidelijk. Dan heeft de motie op stuk nr. 79 oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Dat was wat ik aan moties had en wat ik dus geapprecieerd heb.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee is er een einde gekomen aan het tweeminutendebat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik schors voor een enkel ogenblik en dan gaan wij door met het tweeminutendebat Praktijkonderwijs en vmbo.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Praktijkonderwijs en vmbo

Voorzitter: Bromet

Praktijkonderwijs en vmbo

Aan de orde is het tweeminutendebat Praktijkonderwijs en vmbo (CD d.d. 22/04).

De voorzitter:

Welkom bij het tweeminutendebat Praktijkonderwijs en vmbo, met als eerste spreker mevrouw Moorman van PRO.

Mevrouw Moorman (PRO):

Voorzitter, dank u wel. Dank ook aan de collega's voor de coulance om mij even voor te laten, want ik moet dit debat zo meteen helaas ook weer verlaten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de financiering van leerlingen in het praktijkonderwijs momenteel via samenwerkingsverbanden verloopt en dat financiële afwegingen van invloed kunnen zijn op plaatsingsbesluiten;

overwegende dat het aantal leerlingen in het praktijkonderwijs toeneemt en dat hierdoor de druk op het huidige systeem verder kan toenemen;

overwegende dat het van belang is dat leerlingen tijdig toegang krijgen tot de onderwijsvorm die het beste aansluit bij hun ondersteunings- en onderwijsbehoefte;

verzoekt de regering het wetstraject voor rechtstreekse bekostiging van het praktijkonderwijs met prioriteit te behandelen, de Kamer te informeren over een concreet tijdpad voor de verdere uitwerking en invoering hiervan, en dit voor de begrotingsbehandeling aan de Kamer te doen toekomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Boomsma en Rooderkerk.

Zij krijgt nr. 127 (30079).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat twee derde van de vmbo-scholen slechts drie van de tien beroepsgerichte profielen aanbiedt;

overwegende dat dit kansengelijkheid in de weg staat, omdat de kansen die vmbo-leerlingen hebben afhangen van de regio waar zij wonen;

verzoekt de regering met een plan te komen om het aanbod van verschillende beroepsprofielen op het vmbo in verschillende regio's te verhogen, en de Kamer hier zo snel mogelijk over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman en Rooderkerk.

Zij krijgt nr. 128 (30079).

Mevrouw Moorman (PRO):

Dank u wel. Ik moet dus helaas het debat verlaten, maar ik kijk het terug voor de appreciaties.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Ergin van DENK.

De heer Ergin (DENK):

Voorzitter, dank u wel. Ik heb twee moties naar aanleiding van het commissiedebat.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer eerder heeft uitgesproken af te willen van de toelaatbaarheidsverklaring voor het praktijkonderwijs;

constaterende dat uit de verkenning blijkt dat slechts 1,6% van de aanvragen voor een toelaatbaarheidsverklaring wordt afgewezen;

overwegende dat scholen de tlv-systematiek ervaren als bureaucratisch en belastend;

overwegende dat leerlingen in het praktijkonderwijs niet geholpen zijn met papierwerk, maar met goed onderwijs, goede begeleiding en vertrouwen in het oordeel van scholen;

overwegende dat de staatssecretaris het risico op verdringing nog onvoldoende concreet heeft onderbouwd;

verzoekt de regering om in de toegezegde vervolgbrief vóór de zomer een concreet afbouwpad voor de toelaatbaarheidsverklaring praktijkonderwijs uit te werken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 129 (30079).

De heer Ergin (DENK):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de examenperiode voor havo en vwo jaarlijks in vergelijking met vmbo meer maatschappelijke, politieke en media-aandacht krijgt;

overwegende dat gelijkwaardigheid in het onderwijs ook gaat over zichtbaarheid en erkenning;

verzoekt de regering om samen met scholen, examenorganisaties en de vmbo-sector vóór de volgende examenperiode een plan van aanpak te maken om de vmbo-praktijkexamens zichtbaarder en gelijkwaardiger te waarderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 130 (30079).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Kisteman van de VVD.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter. Het is goed als mevrouw Moorman nog even gaat terugkijken, want we hebben én een motie aan haar gegeven én haar voorgelaten bij dit debat, dus we verwachten binnenkort natuurlijk wel wat van haar terug in deze commissie. Nee, voorzitter!

Eén motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet in de beleidsbrief OCW 2026-2030 zowel praktijkgericht onderwijs als techniekonderwijs als belangrijke prioriteiten benoemt en inzet op kennismaking van alle jongeren met techniek;

constaterende dat uit de evaluatie van Sterk Techniekonderwijs blijkt dat vroege kennismaking met techniek van belang is, zodat leerlingen hun belangstelling voor techniek kunnen ontwikkelen en dit kunnen meenemen in hun latere profiel- en studiekeuze;

constaterende dat het aanbod van de beroepsgerichte profielen in het vmbo, inclusief de drie harde technische profielen BWI, PIE, en M&T, verschraalt;

overwegende dat veel leerlingen in het vmbo hun profielkeuze nu maken zonder structureel met techniek te hebben kennisgemaakt, omdat veel vmbo-scholen geen technieklicentie hebben;

verzoekt de regering uit te werken hoe techniekonderwijs in de onder- en bovenbouw van alle vmbo-vestigingen aangeboden kan worden, en hierover te rapporteren in de eerstvolgende voortgangsrapportage,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kisteman.

Zij krijgt nr. 131 (30079).

Er wordt veel op de moties geschreven vandaag.

De heer Kisteman (VVD):

We moeten toch iets aan ons lezen, schrijven en rekenen doen, denk ik, voorzitter!

De voorzitter:

Dank u wel. Geen spelfouten in de moties vandaag! Dan is het woord aan mevrouw Beckerman van de SP.

Mevrouw Beckerman (SP):

Goedemiddag. De minister pakt de rode pen. De staatssecretaris, hoor ik. Het is toch de VVD die altijd kritisch op haar eigen bewindspersonen is, maar goed.

Voorzitter. Nog altijd maakt het uit waar je wieg staat in ons land, zegt de inspecteur-generaal van de onderwijsinspectie. In de Staat van het Onderwijs is er dit jaar ook extra aandacht voor kansenongelijkheid. Zo'n ongelijkheid bestaat al lange tijd tussen leerlingen op het praktijkonderwijs en leeftijdgenoten. Leerlingen op het praktijkonderwijs die stage lopen, moesten vaak zelf hun reiskosten betalen. In tegenstelling tot veel studerende leeftijdsgenoten krijgen ze namelijk geen ov-kaart of reiskostenvergoeding. Nu komt er, na jaren strijd en een tijdelijke regeling, een wettelijk verankerde regeling. Dat is mooi, maar die gaat voor maar een deel van de leerlingen gelden, namelijk alleen voor de groep die een entreeopleiding volgt, terwijl andere leerlingen net zo goed stage lopen. Doe het nu goed! Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat leerlingen in het praktijkonderwijs die een entreeopleiding volgen in de toekomst een tegemoetkoming voor hun reiskosten kunnen krijgen;

constaterende dat bovenbouwleerlingen in het praktijkonderwijs die geen entreeopleiding volgen, deze tegemoetkoming niet zullen kunnen krijgen;

overwegende dat deze leerlingen net zo veel stage lopen als leerlingen die een entreeopleiding volgen;

overwegende dat reiskosten geen belemmering mogen zijn voor het volgen van onderwijs;

verzoekt de regering de reiskostenvergoeding beschikbaar te stellen voor álle bovenbouwleerlingen in het praktijkonderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman en Westerveld.

Zij krijgt nr. 132 (30079).

Mevrouw Beckerman (SP):

Zonder spelfouten, hoop ik. Ik dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Raijer van de PVV.

Mevrouw Raijer (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Eén motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat jaarlijks meer dan 1.000 nieuwkomers via de internationale schakelklassen in het praktijkonderwijs belanden, vaak enkel door taalachterstand, terwijl velen beter in theoretische routes passen;

constaterende dat dit ervoor zorgt dat kwetsbare Nederlandse leerlingen op wachtlijsten belanden die kunnen oplopen tot meer dan een halfjaar;

verzoekt de regering te borgen dat leerlingen die als nieuwkomer vanuit het buitenland naar Nederland komen, eerst de Nederlandse taal voldoende leren beheersen voordat een definitief onderwijsadvies wordt gegeven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 133 (30079).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Armut van het CDA. Zij slaat over. Dan is nu de heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter. Twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat leerlingen niet een "kansrijk" maar een "realistisch" schooladvies zouden moeten krijgen;

constaterende dat bovendien op dit moment, ten onrechte, "kansrijk" vrijwel uitsluitend wordt gemeten en gedefinieerd in cognitieve termen;

verzoekt de regering te stoppen met onderwijsbeleid gericht op zogenaamd "kansrijk adviseren",

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 134 (30079).

De heer Van Houwelingen (FVD):

Het gaat ons natuurlijk om het beleid, niet om de benaming, die nu wellicht veranderd is bij het ministerie. De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zodra bijvoorbeeld een vmbo-leerling gedurende het schooljaar toestroomt naar het praktijkonderwijs, de bijbehorende onderwijsbekostiging voor die leerling voor het deel van het schooljaar waarin hij praktijkonderwijs krijgt niet meeverhuist, maar achterblijft in de vmbo-school;

overwegende dat dit niet logisch is;

verzoekt de minister er zorg voor te dragen dat bij een schoolwissel gedurende het schooljaar niet alleen de leerling maar ook de bijbehorende onderwijsbekostiging van school verhuist,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 135 (30079).

De heer Van Houwelingen (FVD):

We hebben begrepen dat dat lastig is in verband met de financieringssystematiek, maar die moet dan worden veranderd.

Het is natuurlijk heel vreemd dat dit gebeurt. Het praktijkonderwijs heeft daar natuurlijk extra last van, omdat daar — daar hebben we het in het debat over gehad — vaak gedurende het schooljaar leerlingen toestromen. Die krijgen dus niet hun financiering.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Stoffer van de SGP.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Eén motie, en die klinkt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het onderwijsbeleid moet uitgaan van de gelijkwaardigheid van de verschillende schoolsoorten en leerroutes in het onderwijsstelsel;

constaterende dat nog steeds sprake is van een sterke opwaartse druk naar theoretisch onderwijs, waardoor onvoldoende recht gedaan wordt aan de kwaliteiten van veel leerlingen en ook te weinig kan worden ingespeeld op de behoefte aan goed geschoold beroepsgericht personeel;

constaterende dat de druk op het beroepsgerichte onderwijs zowel te maken heeft met te sterke prikkels in het stelsel, zoals de schooladvisering, als met te weinig specifieke focus op de behoeften van het beroepsgerichte onderwijs, zoals het werven van personeel op scholen die extra ondersteuning behoeven;

verzoekt de regering een richtinggevende visie te ontwikkelen op het praktijk- en beroepsgericht funderend onderwijs die recht doet aan de veelzijdige kwaliteiten van leerlingen en die dienstbaar is aan het verbeteren van onder andere een goede doorstroom en aansluiting op de arbeidsmarkt en de benodigde pedagogisch-didactische kwaliteiten van docenten, ondersteunend personeel en potentiële zijinstromers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Stoffer.

Zij krijgt nr. 136 (30079).

Dank u wel. Tot slot bij dit tweeminutendebat mevrouw Rooderkerk van D66.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ruim de helft van de pr.o.-leerlingen doorstroomt naar het mbo, waarbij veel pr.o.-scholen de mogelijkheid bieden de entreeopleiding al in het laatste jaar van het pr.o. te volgen;

constaterende dat de mogelijkheid voor pr.o. en mbo om de entreeopleiding gezamenlijk aan te bieden al bijna twintig jaar wordt gedoogd, maar nog niet wettelijk is verankerd;

overwegende dat de huidige gedoogsituatie rechtsonzekerheid met zich meebrengt voor leerlingen, scholen en samenwerkingspartners, en dat een wettelijke basis noodzakelijk is om de kwaliteit en continuïteit van de pr.o.-entreeroute te waarborgen;

verzoekt de regering het wetstraject waarmee mogelijk wordt gemaakt dat leerlingen in het praktijkonderwijs binnen het pr.o. ook de entreeopleiding kunnen volgen en afronden, met prioriteit te behandelen, en de Kamer te informeren over een concreet tijdpad voor de verdere uitwerking en invoering hiervan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rooderkerk, Boomsma en Moorman.

Zij krijgt nr. 137 (30079).

Dank u wel. De minister heeft acht minuten nodig om de appreciaties voor te bereiden. We gaan dus schorsen tot 16.15 uur.

De vergadering wordt van 16.06 uur tot 16.15 uur geschorst.

De voorzitter:

We gaan weer verder met het tweeminutendebat. De staatssecretaris gaat de oordelen op de moties geven.

Staatssecretaris Tielen:

Dank u wel, voorzitter. Ik vond dat we hier een heel leuk en inspirerend commissiedebat over hadden, gericht op praktijkonderwijs en vmbo. Daar is veel te doen, denk ik. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat er zo veel moties liggen. Ik ga er een voor een doorheen.

De eerste motie, die op stuk nr. 127, is van mevrouw Moorman, meneer Boomsma en mevrouw Rooderkerk. Die gaat over prioriteit met betrekking tot de rechtstreekse bekostiging. Het nadeel is dat als alles met prioriteit moet, er niks met prioriteit kan. Maar het lijkt me toch goed om deze oordeel Kamer te geven. We proberen inderdaad voor de begrotingsbehandeling dat tijdpad te geven. Ik kan u nu al wel zeggen wat we daarbij ongeveer op de route hebben zitten, maar laat me dat even precies opschrijven. Ik denk dat dat beter is. De motie op stuk nr. 127 krijgt dus oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 127: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 128 van mevrouw Moorman en mevrouw Rooderkerk gaat over de verschillende beroepsprofielen in alle regio's. Ik schrok er zelf van om te zien wat vmbo's overal in Nederland wel en niet aanbieden, als je diep de cijfers induikt. Volgens mij is het superbelangrijk dat vmbo-leerlingen met veel verschillende beroepen in aanraking komen om hun talenten te ontdekken en te ontwikkelen. Ik geef de motie dus graag oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 128: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 129 van meneer Ergin gaat over de toelaatbaarheidsverklaring en een concreet afbouwpad daarvoor. Die motie moet ik ontraden, vanwege de tijdlijnen, de overwegingen en constateringen die meneer Ergin daarbij geeft. Dat laat onverlet dat we wel aan de slag gaan met de vraag hoe we omgaan met die toelaatbaarheidsverklaringen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 129: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 130 van Ergin zou ik eigenlijk best wel graag willen overnemen. Daar hadden we in het debat ook al eventjes over. Ik omarm deze route namelijk heel graag.

De voorzitter:

Ja, ik zie een duimpje van de heer Ergin. De motie op stuk nr. 130 wordt overgenomen.

De motie-Ergin (30079, nr. 130) is overgenomen.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 131 is van de heer Kisteman. Dit sluit een beetje aan bij die beroepsgerichte profielen, maar is gericht op techniek. Daar werd ik inderdaad nog wat verdrietiger van, zoals meneer Kisteman misschien ook al in de constateringen probeert mee te nemen. Ik geef deze motie dus heel graag oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 131: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 132 van mevrouw Beckerman, mede namens mevrouw Westerveld, gaat over de reiskostenvergoeding. Daar zitten twee dingen in waardoor ik deze motie moet ontraden. Het ene is dat wij daar nu geen geld voor hebben. Dat is het ene. Het is altijd een beetje flauw om te zeggen, maar het is wel waar. Het andere is dat het heel moeilijk is om te zien welke leerlingen nou wel en niet in de bovenbouw zitten. Het afbakenen van die doelgroep is dus eigenlijk ook onmogelijk. Ik ontraad daarom de motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 132: ontraden. Mevrouw Beckerman heeft een vraag.

Mevrouw Beckerman (SP):

De eerste reden die de staatssecretaris geeft, is: er is geen geld voor. Dan ga je dus bewust ongelijkheid tussen leerlingen van dezelfde leeftijd creëren, want de ene leerling krijgt het wel en de andere niet. Dat is natuurlijk heel wrang. Zij hebben net zulke hoge reiskosten. Ze zitten alleen op een ander schooltype, of zelfs op hetzelfde schooltype. Die eerste vind ik dus eigenlijk een hele pijnlijke voor dit kabinet.

Die tweede ging over de vraag om welke leerlingen het gaat. Deze reiskostenvergoeding gaat nu al via de scholen, dus die kunnen prima zien wie de kosten maakt en of die vergoed moeten worden. Ik zou het kabinet hier dus toch iets langer over willen laten nadenken. Ik ga 'm in ieder geval in stemming brengen.

Staatssecretaris Tielen:

Dat is mevrouw Beckermans goed recht. Dat is het mooie van moties van Kamerleden. Wat je decentraal ziet, kun je niet altijd centraal ook allemaal zien. Die uitvoering is echt anders. Als je het hele pad af gaat lopen van hoe we omgaan met alles binnen dezelfde leeftijd, dan zijn er natuurlijk heel veel dingen die anders zijn. Ik moet dit gewoon echt ontraden.

De voorzitter:

Heel kort, mevrouw Beckerman. Tot slot.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik vind dat de staatssecretaris het alleen maar erger maakt. Ze zegt dat als je alles bekijkt, er heel veel verschillen zijn tussen leerlingen. Ja, dat is precies het probleem. Het probleem is dat het onderwijs een ongelijkheidsmachine is in plaats van een grote gelijkmaker. Dat is juist waarom die motie wordt ingediend en waarom de Kamer hier al langere tijd voor strijdt, juist omdat die ongelijkheid er is en er minder waardering is voor deze groep leerlingen, die er wel moet komen. Ik word dus niet echt overtuigd; juist andersom.

Staatssecretaris Tielen:

Ik begrijp wat mevrouw Beckerman doet. Ze zegt nu iets en keert 'm om. We kunnen een heel debat voeren over hoe we omgaan met onderwijskansen. Daar hebben we vorige week nog een heel leuk debat over gevoerd. Maar dat hele grote debat ga ik hier nu niet voeren in dit tweeminutendebat over pr.o. en vmbo. Ik kan deze motie nu niet uitvoeren. Ik ga die dus ontraden.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Het punt is juist dat dit vaak de leerlingen zijn met de minste kansen. Dat zijn de leerlingen die soms uit gezinnen komen waarin het ontzettend moeilijk is. Deze leerlingen hebben niet hetzelfde recht als hun leeftijdsgenoten die toevallig op een ander schooltype zitten. Dan is het toch juist aan de overheid om, in het kader van gelijke kansen, die groepen, die gezinnen, deze leerlingen, een extra steuntje in de rug te geven in plaats van ze nu op achterstand te zetten?

Staatssecretaris Tielen:

Zoals ik al zei: hier valt een heel groot debat over te voeren. Dat hebben we onder andere vorige week en ook in dit debat gedaan. Volgens mij zijn we met elkaar — ik doel zowel op het ministerie als op de scholen, de docenten en de Tweede Kamer — heel druk bezig om te zorgen dat onderwijskansen dusdanig zijn dat iedereen het beste uit zichzelf kan halen. Daarom bestaat er ook zoiets als praktijkonderwijs. Maar ik kan niet aanraden om deze reiskostenvergoeding nu zo in te zetten. Dus ik moet de motie ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 132 is ontraden. Dan de motie op stuk nr. 133.

Staatssecretaris Tielen:

Dan de motie op stuk nr. 133 van mevrouw Raijer over de internationale schakelklas. Het is nu al zo geregeld dat een toelaatbaarheidsverklaring voor het praktijkonderwijs pas beschikbaar gemaakt kan worden als een betreffende scholier ten minste een jaar in Nederland is, zodat je ook kan zien of taalachterstanden en leerachterstanden niet met elkaar verward worden, om het maar zo te zeggen, door scholen. We vinden het belangrijk dat de Nederlandse taal voldoende wordt beheerst. De motie is daarmee eigenlijk overbodig, omdat het al kan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 133: overbodig.

Staatssecretaris Tielen:

Dan de motie op stuk nr. 134 van meneer Van Houwelingen, over kansrijk adviseren. Ik noem het nooit "kansrijk adviseren". Ik noem het altijd "passend adviseren". Ik wil ook het liefst dat het schooladvies past bij de leerling om wie het gaat. Daarom zijn zowel de docenten van groep 8, als de doorstroomtoets, alsook bijvoorbeeld ouders daarbij betrokken. Die motie ontraad ik, omdat meneer Van Houwelingen en ik langs elkaar heen lijken te praten op dit onderwerp.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 134 wordt ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 135 van meneer Van Houwelingen gaat over de bekostiging gedurende een schooljaar. Wat nu al gebeurt als leerlingen veranderen van school, van vmbo naar praktijkonderwijs of terug, is dat schoolbesturen dit met elkaar met gesloten beurzen afspreken. De systemen zijn gewoon niet in staat om dat gedurende het schooljaar te doen en ze daar wel toe in staat stellen, is een zodanig langdurig, kostbaar en tijdsintensief traject dat ik dat wil ontraden.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Het is in ieder geval goed om te horen dat er met gesloten beurzen gecompenseerd wordt, maar het probleem is natuurlijk — dat kwam ook in het debat naar voren — dat relatief veel studenten naar het praktijkonderwijs stromen. Je krijgt dus een onevenwichtigheid in de bekostiging. Het is echt heel vreemd wat hier gebeurt. Dan kan het misschien lastig zijn om de systemen aan te passen, maar nu wordt hierdoor het praktijkonderwijs benadeeld. Daar zou de staatssecretaris zich toch zorgen over moeten maken? Ze zou toch op zijn minst iets moeten willen bedenken om dat recht te trekken? Zoals het nu gaat, is het niet logisch en niet goed, denk ik.

Staatssecretaris Tielen:

Daarbij is bekostiging niet het grootste probleem. Wat meneer Van Houwelingen goed zegt, denk ik, is dat het wel een probleem is. Dat heeft ook te maken met de voorspelbaarheid van klassen en de manier waarop docenten ermee om kunnen gaan. Wij zien dat dus wel daadwerkelijk als iets waar we mee aan de slag moeten. Dat heeft te maken met het advies waar meneer Van Houwelingen in de vorige motie al naar verwees en waar ik op terugkom in een latere brief als het gaat over de doorstroomtoets en schooladviezen. Als meneer Van Houwelingen om urgentie voor dit probleem vraagt, omdat het om meer gaat dan alleen bekostiging, dan heeft hij gelijk, maar deze motie ontraad ik, omdat deze echt puur gericht is op het bekostigen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 135 wordt ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

Dan de motie op stuk nr. 136 van meneer Stoffer, over een visie op vmbo- en praktijkonderwijs. Ik ben dol op visies, vooral als ze uiteindelijk ook landen in concrete plannen. Ik vond het debat daarom ook goed, omdat we op die manier ook met elkaar in debat waren, zowel over waar we heen moeten en wat we belangrijk vinden, als over hoe we dat aan kunnen pakken. Maar laat me gewoon oordeel Kamer geven aan deze motie. Ik wil ook zeggen dat ik in een brief over praktijkgericht onderwijs in den brede — dat is dus niet per se praktijkonderwijs of vmbo, maar dat kan ook gaan over bijvoorbeeld de havo — een eerste aanzet zal geven voor die visie. Dan denk ik dat we daarover in gesprek kunnen blijven met elkaar.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 136 krijgt oordeel Kamer.

De heer Stoffer (SGP):

Ik wil nog heel kort een reactie geven. Ik ben heel blij met dit oordeel en ook met de interpretatie van de staatssecretaris. Voor mij hoeft het geen hele lange visie te worden. Ik heb veel liever dat het tot iets concreets komt. Ik doel dus op een zo kort mogelijke visie en zo veel mogelijk resultaat. Dan vinden we elkaar helemaal, denk ik.

Staatssecretaris Tielen:

We verstaan elkaar. Dat is altijd fijn.

De voorzitter:

Mooi zo. Dan de motie op stuk nr. 137.

Staatssecretaris Tielen:

Tot slot de motie op stuk nr. 137 van mevrouw Rooderkerk, meneer Boomsma en mevrouw Moorman, over de aansluiting tussen praktijkonderwijs en de entreeopleiding. De vraag is of ik ook daar prioriteit aan wil geven en een concreet tijdpad wil noemen. Volgens mij moet ik die motie ook gewoon oordeel Kamer geven, omdat dit ook een belangrijk onderdeel is van het totaalpakket aan dingen die we doen om ervoor te zorgen dat scholieren overal op een passende plek terechtkomen en goed onderwijs krijgen om hun toekomst vorm te gaan geven.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 137 krijgt oordeel Kamer.

Daarmee zijn wij aan het eind gekomen van dit tweeminutendebat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemmingen over de moties vinden plaats op 16 juni. We schorsen nu tot 18.30 uur. Daarna gaan we verder met het tweeminutendebat Voorhang van het Besluit aanpassing regelgeving verhuur.

De vergadering wordt van 16.23 uur tot 18.31 uur geschorst.

Voorhang van het Besluit aanpassing regelgeving verhuur

Voorzitter: Peter de Groot

Voorhang van het Besluit aanpassing regelgeving verhuur

Aan de orde is het tweeminutendebat Voorhang van het Besluit aanpassing regelgeving verhuur (CD d.d. 03/06).

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Voorhang van het Besluit aanpassing regelgeving verhuur. Hartelijk welkom aan de minister van Volkshuisvesting. Ik moet uiteraard zeggen Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Daar gaan we morgen over debatteren, over ruimtelijke ordening. Aan de orde is nu dit tweeminutendebat.

Ik zou als eerste de heer Dijk willen uitnodigen voor zijn inbreng namens de SP. Gaat uw gang.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank u wel, voorzitter. Zoals u ziet, ben ik niet mevrouw Beckerman. Die vervang ik even op dit moment. Ik heb natuurlijk het commissiedebat wel gevolgd en daar komen de volgende twee moties van mevrouw Beckerman en mij uit naar voren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet voorstelt huren te verhogen om de uitverkoop van huurwoningen tegen te gaan, maar dat hiervoor een alternatief bestaat;

van mening dat het opkopen van deze huurwoningen en het onderbrengen daarvan bij wooncoöperaties en woningcorporaties huurwoningen behoudt en huren relatief betaalbaar houdt;

verzoekt de regering een plan uit te werken waarmee uitgeponde huurwoningen kunnen worden opgekocht en ondergebracht bij wooncoöperaties of woningcorporaties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk en Beckerman.

Zij krijgt nr. 410 (27926).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wet doorstroming huurmarkt 2015 in 2021 door Companen is geëvalueerd en dat uit die evaluatie bleek dat tijdelijke contracten niet leiden tot meer aanbod of betere doorstroming, maar wel tot snellere huurstijging, afname van leefbaarheid en grote onzekerheid onder huurders;

verzoekt de regering tijdelijke huurcontracten niet opnieuw in te voeren of te verbreden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk en Beckerman.

Zij krijgt nr. 411 (27926).

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Ik nodig meneer De Hoop uit namens Progressief Nederland. Gaat uw gang.

De heer De Hoop (PRO):

Voorzitter. Mijn eerste motie lijkt redelijk op die van de heer Dijk. We moeten misschien nog even kijken hoe we dat doen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat met de Wet vaste huurcontracten is bepaald dat tijdelijke huurcontracten in veel gevallen niet meer zijn toegestaan;

overwegende dat tijdelijke huurcontracten tot woononzekerheid en stress leiden;

verzoekt de regering geen verdere plannen te introduceren die tijdelijke huurcontracten weer toe zouden staan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop en Grinwis.

Zij krijgt nr. 412 (27926).

De heer De Hoop (PRO):

Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is de WỌZ-cap aan te passen;

constaterende dat dit de middenhuurprijs van €1.228,07 van woningen in voornamelijk grote steden kan verhogen met een opslag van grofweg €100 tot maar liefst €300 per maand;

constaterende dat de vier grote steden daarom het kabinet oproepen dit niet te doen;

verzoekt de regering de WOZ-cap niet te versoepelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop en Grinwis.

Zij krijgt nr. 413 (27926).

Dank u wel voor uw inbreng. Dan is nu het woord aan mevrouw Steen namens de CDA-fractie. Gaat uw gang.

Mevrouw Steen (CDA):

Dank u wel, voorzitter. We hebben in het commissiedebat met elkaar van gedachten gewisseld. Het punt van het CDA was dat wij gaan voor de balans tussen het belang van huurders en het belang van verhuurders en ik heb ook gehamerd op het belang van de middenhuur.

Ik wil even terugkomen op de staatssteunruimte. We weten al een hele tijd dat met ingang van januari dit jaar de Europese regels zo zijn dat we die beter kunnen benutten om corporaties ruimte te geven om voor de middenhuur te bouwen. We hebben in 2024 bij motie al gevraagd om daar een plan van aanpak voor te maken. Ik heb eind vorig jaar nogmaals aan de minister gevraagd om daarmee aan de slag te gaan. Nu zag ik in de brief die we voor het weekend kregen dat we na de zomer een contourennota kunnen verwachten. Ik mis echt urgentie. Het is van belang dat de corporaties aan de slag kunnen met dit verhaal en dan vind ik een contourennota na de zomer terwijl we al zo lang weten dat we deze ruimte krijgen gewoon echt, echt, echt onvoldoende. Dus mijn vraag aan de minister is of zij ons na de zomer niet een contourennota kan sturen, maar gewoon een plan van aanpak voor hoe zij er zo snel mogelijk voor gaat zorgen dat corporaties in staat worden gesteld die middenhuurwoningen te gaan bouwen.

De minister heeft ook gevraagd om ruimte voor tijdelijke contracten bij wet te regelen. Mijn collega zal daar volgens mij twee moties over indienen, die het CDA van harte steunt en onderschrijft.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Van Leijen, namens D66. Gaat uw gang.

De heer Van Leijen (D66):

Dank u, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de voorgestelde optimalisatiemaatregelen van het kabinet bijdragen aan het tegengaan van het tekort aan middenhuurwoningen;

overwegende dat voor de maatregelen wat betreft de WOZ-prijsopslag, minpunten voor buitenruimte en betere waardering voor rijksmonumenten de voorhangprocedure bij de Tweede Kamer is doorlopen;

verzoekt de regering deze drie maatregelen zo spoedig mogelijk ter advisering naar de Raad van State te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Leijen, Steen en Nobel.

Zij krijgt nr. 414 (27926).

De heer Van Leijen (D66):

Motie twee.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat meer dan 30 leden wensen om het voorstel om tijdelijke huurcontracten voor alle studenten toe te staan als wet in formele zin aan de Kamer voor te leggen;

verzoekt de regering deze maatregel als wet in formele zin aan de Kamer voor te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Leijen, Steen en Nobel.

Zij krijgt nr. 415 (27926).

De heer De Hoop (PRO):

Ik wil toch even de intentie van de motie checken. Deze aanpassingen zijn natuurlijk eerder door de Kamer gestuit. Dat is ook aan de Kamer. Tenzij dat gewijzigd is, staat dat. Ik weet dus niet precies wat de heer Van Leijen aan het kabinet wil verzoeken, maar dit is iets wat wij als Kamer besluiten. Volgens mij is het, allereerst, niet eens mogelijk om dat per meerderheid met een motie te overrulen, maar het lijkt me ook niet helemaal de procedure zoals we die met elkaar altijd hanteren.

De heer Van Leijen (D66):

Doelt de heer De Hoop op de motie op stuk nr. 414 of op de motie op stuk nr. 415? Dat vraag ik omdat ik de vraag van de heer De Hoop even scherp wil krijgen.

De heer De Hoop (PRO):

Het gaat over de tweede motie, waarin u zegt: er zijn meer dan 30 leden die dit voorstel steunen. Dat doet u volgens mij niet zonder reden, omdat 30 leden dit eerder gestuit hebben. Dat is een proces dat wij als Kamer af en toe in kunnen zetten en daar kan je volgens mij niet zomaar met een motie overheen. Dáár vraag ik dus naar bij de heer Van Leijen.

De heer Van Leijen (D66):

Helder. Ik licht de motie even goed toe. Daar wíl ik dus ook niet overheen. Het voorstel is om het per wet te regelen. Dát staat in de motie.

De heer De Hoop (PRO):

Excuus. Dan heb ik het verkeerd begrepen. Dank.

De voorzitter:

Dan de heer Flach namens de SGP. Komt u naar voren, alstublieft. U schrok er bijna van, zag ik. Gaat uw gang.

De heer Flach (SGP):

Dank, voorzitter. Ik heb straks één motie, maar ik wil eerst nog even teruggaan naar een toezegging die de minister tijdens het debat vorige week deed. Die ging over tijdelijke contracten. De minister komt in september met een verkenning van de mogelijkheden om tijdelijke contracten breder toe te staan. Ik neem aan dat het zowel gaat om verschillende typen woningen alsook om verschillende doelgroepen. Wat de SGP betreft wordt de mogelijkheid om tijdelijke contracten in te voeren voor leegstaande pastorieën ook weer ingevoerd; daar heeft de minister ook in haar beantwoording aan gerefereerd. Goed dat ze dat ook meeneemt in de verkenning. De minister gaat die verkenning uiteraard uitvoeren, maar ik roep haar ook op om hier relevante organisaties bij te betrekken; die weten vaak precies wat wel en niet mogelijk is.

Voorzitter. Dan de motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de nieuwbouwopslag voor nieuwe middenhuurwoningen verlengd wordt, waardoor deze opslag gaat gelden voor woningen waarvan de bouw vóór 1 januari 2032 is gestart;

overwegende dat het bouwen van een woning gemiddeld tien jaar duurt, van plan tot sleuteloverdracht, en dat de verlengde termijn van de nieuwbouwopslag hier niet helemaal bij aansluit;

overwegende dat juist langjarige zekerheid over deze opslag investeringen stimuleert en de voorraad middenhuurwoningen kan verhogen;

verzoekt de regering de nieuwbouwopslag niet met vier maar met acht jaar te verlengen, waardoor deze geldt voor woningen waarvan de bouw voor 1 januari 2036 is gestart,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.

Zij krijgt nr. 416 (27926).

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Clemminck, namens JA21. Gaat uw gang.

De heer Clemminck (JA21):

Voorzitter, dank. Drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de WWS-puntentabel momenteel jaarlijks wordt geïndexeerd op basis van de inflatie;

overwegende dat het investeringsklimaat voor middenhuur onder druk staat en verhuurders steeds vaker woningen uitponden;

overwegende dat hogere indexering van de WWS-puntentabel kan bijdragen aan een beter rendement en daarmee aan het behoud van middenhuurwoningen;

verzoekt de regering de WWS-puntentabel voortaan jaarlijks te indexeren met de CPI plus 1%,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 417 (27926).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister erkent dat de WOZ-cap in het woningwaarderingsstelsel knelt, met name in gebieden met een hoge WOZ-waarden;

overwegende dat het middenhuuraanbod onder druk staat en verhuurders steeds vaker woningen verkopen in plaats van blijven verhuren;

overwegende dat de voorgestelde WOZ-prijsopslag een stap is, maar mogelijk onvoldoende is om het aanbod van middenhuur op peil te houden;

verzoekt de regering de werking van de WOZ-cap verder te beperken dan nu is voorgesteld, bijvoorbeeld door de WOZ-waarde ruimer te laten meewegen in het WWS,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 418 (27926).

De heer Clemminck (JA21):

En de laatste motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de wet-Nijboer de jaarlijkse huurverhoging in de vrije sector wettelijk maximeert;

overwegende dat deze wet boven op bestaande huurregulering, fiscale lasten en gestegen kosten komt;

overwegende dat deze stapeling het minder aantrekkelijk maakt om huurwoningen aan te bieden en daarmee uitponding in de hand werkt;

overwegende dat woningzoekenden niet geholpen zijn met regels die ertoe leiden dat huurwoningen van de markt verdwijnen;

verzoekt de regering met een voorstel te komen om de wet-Nijboer af te schaffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 419 (27926).

De heer Clemminck (JA21):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Nobel namens de VVD. Gaat uw gang.

De heer Nobel (VVD):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor middenhuurwoningen een minimale instandhoudingstermijn van tien jaar wordt voorgesteld, maar geen maximale termijn;

overwegende dat hierdoor verschillen kunnen ontstaan in de wijze waarop gemeenten instandhoudingstermijnen voor middenhuurwoningen toepassen;

overwegende dat een evenwichtige instandhoudingstermijn van belang is voor de financiële haalbaarheid van nieuwe middenhuurprojecten en daarmee voor de realisatie van voldoende middenhuurwoningen;

overwegende dat duidelijke en voorspelbare landelijke kaders bijdragen aan uitvoerbaarheid voor gemeenten en investeringszekerheid voor professionele verhuurders, zoals institutionele beleggers;

verzoekt de regering een landelijke maximumtermijn te onderzoeken voor de instandhouding van middenhuurwoningen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Nobel, Clemminck en Steen.

Zij krijgt nr. 420 (27926).

Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Mooiman namens de PVV-fractie. Gaat uw gang.

De heer Mooiman (PVV):

Dank, voorzitter. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit berichtgeving blijkt dat gemeenten kampen met tekorten aan inspecteurs, juristen en andere capaciteit die nodig is voor de handhaving van huurwetten;

overwegende dat een goed functionerende handhavingsketen noodzakelijk is om misstanden op de huurmarkt effectief tegen te gaan;

verzoekt de regering om samen met gemeenten in kaart te brengen wat zij nodig hebben om capaciteitsproblemen ten aanzien van handhaving van huurwetten te voorkomen en waar mogelijk ondersteuning te bieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.

Zij krijgt nr. 421 (27926).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de evaluatie van de Wet betaalbare huur gepland staat voor 2027;

overwegende dat het van belang is om tijdig inzicht te krijgen in zowel de beoogde als onbedoelde effecten van deze wet;

verzoekt de regering om nog dit jaar te komen met de evaluatie van de Wet betaalbare huur,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.

Zij krijgt nr. 422 (27926).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemeenten in sommige gevallen aanvullende eisen en bepalingen stellen boven op de landelijke kaders voor regulering van de middenhuursector;

overwegende dat het van belang is inzicht te hebben in de effecten van lokale bovenwettelijke eisen en bepalingen op de middenhuursector;

verzoekt de regering om te onderzoeken in hoeverre lokale bovenwettelijke eisen en bepalingen de beschikbaarheid en toegankelijkheid van woningen in de middenhuursector beïnvloeden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.

Zij krijgt nr. 423 (27926).

De heer Mooiman (PVV):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat tijdelijke huurcontracten voor studenten een maximale duur van twee jaar hebben en niet kunnen worden verlengd;

overwegende dat de duur van een opleiding vaak langer bedraagt dan het huidige maximum en dat andere contractvormen niet altijd de oplossing bieden;

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat de maximale duur van twee jaar voor een tijdelijk huurcontract voor studenten eenmalig kan worden verlengd met twee jaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.

Zij krijgt nr. 424 (27926).

Dank u wel voor uw bijdrage. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. We gaan vijf minuten schorsen. Dan volgt de beantwoording door de minister. Ik schors de vergadering.

De vergadering wordt van 18.44 uur tot 18.52 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen het tweeminutendebat Voorhang van het Besluit aanpassing regelgeving verhuur. Ik wil graag het woord geven aan de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor de beantwoording van de gestelde vragen en de appreciatie van de moties. Gaat uw gang.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met de motie op stuk nr. 410. Dan doe ik op het einde de vraag en de oproep.

Ik begin met de motie van de heer Dijk op stuk nr. 410. Die moet ik ontraden. Ik kan niet besluiten aan wie de uitgeponde woningen worden verkocht. Daarom moet ik deze motie ontraden. We zorgen er wel voor dat de woningcorporaties meer middenhuurwoningen gaan bouwen via de verruiming van de DAEB.

Dan de motie op stuk nr. 411 van de heer Dijk. Ik heb uw Kamer in het debat toegezegd dat ik het herintroduceren van tijdelijke contracten zal gaan verkennen. Ik wil deze verkenning afronden voordat ik met u in gesprek ga over het wel of niet herintroduceren van tijdelijke huurcontracten. Ik zou deze motie dus graag aangehouden willen zien. Anders moet ik 'm ontraden.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de indiener. De heer Dijk zegt: ik laat 'm gewoon staan.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

In dat geval moet ik 'm ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 412 van de heer De Hoop en de heer Grinwis. Hier heb ik hetzelfde antwoord op. Ik wil graag eerst die verkenning doen. Dan kom ik bij u terug. Ik zou u dus willen verzoeken 'm aan te houden. Als dat niet kan, zal ik 'm ontraden.

De voorzitter:

Hetzelfde verhaal, hoor ik.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ja, dan is die ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 413 van de heer De Hoop en de heer Grinwis. Die moet ik ontraden. Met de voorgestelde WOZ-prijsopslag mogen verhuurders van woningen waarop de WOZ-cap van toepassing is meer huur vragen, maar het blijft wel een gereguleerde middenwoning. Ik zie dat deze opslag wel nodig is, juist in grote steden waar veel woningen worden verkocht. Hier staan de woningen waarop de WOZ-cap effect heeft. Ik ben daarom niet bereid om de voorgestelde opslag te schrappen.

De motie op stuk nr. 414 van de heer Van Leijen krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 415, ook van de heer Van Leijen, krijgt oordeel Kamer.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 416 van de heer Flach. Er is gekozen voor het met vier jaar verlengen van de nieuwbouwopslag. Ik sta er niet onwelwillend tegenover om naar de duur van die periode te kijken, maar ik wil wel goed bezien wat daar de consequenties van zijn, of het zich doorrekent en of ik dat dan echt hard kan maken. Ik zou u dus willen verzoeken deze aan te houden tot voorhang van dit besluit.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Flach stel ik voor zijn motie (27926, nr. 416) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 417 van de heer Clemminck moet ik ontraden. Het verhoogd indexeren van de huurprijsgrenzen in het WWS heeft een negatief effect op de betaalbaarheid en is slecht te onderbouwen. Qua betaalbaarheid lijkt 1% extra op het eerste gezicht niet heel substantieel, maar na enkele jaren is het effect op de betaalbaarheid aanzienlijk. De voorgestelde verhoging van deze indexering maakt de maximale huurprijsgrenzen elk jaar relatief hoger. Huurders betalen dan meer huur, maar krijgen dezelfde kwaliteit woning. Zoals ik vorige week heb toegezegd, zal ik mijn argumentatie vóór de zomer met uw Kamer delen.

De motie op stuk nr. 418 moet ik ontraden. Als de WOZ-cap verder wordt beperkt, heeft de cap vrijwel geen zin meer, omdat die nog maar op weinig huurwoningen van toepassing zou zijn. Dat zal er bovendien voor zorgen dat tienduizenden middenhuurwoningen naar het vrije huursegment verschuiven. Dat maakt de opgave op middenhuurwoningen alleen maar groter.

De motie op stuk nr. 419 van de heer Clemminck ontraad ik. De wet-Nijboer loopt in principe tot 1 mei 2029. Uw Kamer ontvangt uiterlijk 1 mei 2027 een evaluatie van deze wet. Op basis hiervan kan een keuze gemaakt worden over hoe we verdergaan met deze wet. Maar dat is nu nog te vroeg.

Dan heb ik de motie op stuk nr. 420 van de heer Nobel, de heer Clemminck en mevrouw Steen. Die krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 421 van de heer Mooiman krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 422 van de heer Nobel moet ik ontraden. De evaluatie kan niet naar voren gehaald worden, omdat een zorgvuldige uitvoering hiervan essentieel is. Ik doe iets verkeerd, hè? Ik zie het. Dit is de motie van de heer Mooiman. Mijn excuses aan de heer Nobel. Deze is van de heer Mooiman. Ik moet 'm dan nog steeds ontraden; daar zit geen onderscheid in. Ik kan de evaluatie niet naar voren halen. Ik wil graag toelichten waarom ik die bereidheid niet heb. Dit gaat nogal ergens over. We hebben het er in het debat over gehad en we hebben het er nu over. Als we straks op basis van die evaluatie het serieuze gesprek gaan hebben over de Wet betaalbare huur, wil ik met u niet de discussie voeren over de kwaliteit van het onderzoek. Ik wil dus graag dat dat onderzoek zorgvuldig en transparant verloopt. We zijn al bezig met de opdrachtformulering. We moeten het netjes aanbesteden. We zijn dus al uit de startblokken gekomen. Maar ik vind echt dat we dit zorgvuldig moeten doen, zodat het gesprek straks over de inhoud gaat en niet over de kwaliteit van het onderzoek.

De motie op stuk nr. 423 van de heer Mooiman krijgt oordeel Kamer, mits ik 'm zo mag interpreteren dat ik 'm meeneem bij de aanpak van bovenwettelijke eisen, waarover ik u in het kader van de taskforce ook al zou informeren, en dat ook ga doen.

De motie op stuk nr. 424 van de heer Mooiman is wat mij betreft ontijdig. Ik zou graag hebben dat u die aanhoudt tot de verkenning heeft plaatsgevonden. Als dat niet akkoord is, moet ik 'm ontraden.

De voorzitter:

Wij kijken naar de heer Mooiman. U heeft een interruptie. Gaat uw gang.

De heer Mooiman (PVV):

Ik begrijp aan de ene kant waar de minister op doelt. Aan de andere kant zie ik de motie ook als een soort verlengstuk van het voorstel dat de minister zelf doet ten aanzien van de tijdelijke huurcontracten voor studenten. Het probleem zit 'm er ook in dat dit niet zozeer een tijdelijk huurcontract is dat niet bestaat; het bestaat al wel degelijk. In essentie probeert de motie een oplossing te vinden voor studenten die nu in het nauw zitten, omdat het toch een contractvorm is die graag gebruikt wordt door verhuurders. Ziet de minister misschien nog een mogelijkheid dat ik deze motie op een bepaalde manier aanpas, waardoor de motie toch een ander oordeel van de minister kan krijgen, juist vanwege die nuance? Het gaat immers niet om een nieuw soort contract.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ik heb echt wel begrip voor hetgeen de heer Mooiman zegt. Ik wil alleen voorkomen dat een discussie die eigenlijk over het wel of niet toestaan van tijdelijkheid van contacten gaat en waar in de Kamer verschillende zienswijzen over zijn … Ik wil hier heel graag heel zorgvuldig mee omgaan voor de hele doelgroep. Ik heb u een verkenning toegezegd. Dat neem ik heel serieus. Daar neem ik dit in mee. Vandaar mijn oordeel: ontijdig. Als u daar niet mee kan leven, moet ik 'm voor nu ontraden.

De voorzitter:

Meneer Mooiman, wat gaat u met de motie doen?

De heer Mooiman (PVV):

Ik wil 'm voor nu nog even laten staan. Ik ga er nog even over nadenken of ik 'm op een later moment nog aanhoud of niet.

De voorzitter:

Dan is het oordeel: ontraden.

De heer De Hoop (PRO):

Voorzitter, ik wil met uw goedvinden toch heel kort terug naar de appreciatie van de motie op stuk nr. 419. De minister ontraadde die motie van de heer Clemminck, maar ik miste iets bij die appreciatie. Het gaat immers om een initiatiefwet van een collega-Kamerlid, waar hard aan gewerkt is. In de motie wordt verzocht om die maar even af te schaffen. Ik had eigenlijk verwacht dat de minister in de appreciatie ook zou zeggen dat dat niet is hoe het kabinet met initiatiefwetten van Kamerleden omgaat. Ik was blij met de appreciatie "ontraden", maar ik miste eigenlijk die opmerking. Ik zou het waarderen als de minister daar nog iets over kan zeggen.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ik ben het met de heer De Hoop eens dat we, als hier wetgeving voorligt in de vorm van een initiatiefwet van een collega, daar met zorgvuldigheid mee om moeten gaan en dat we moeten de afgesproken evaluatietermijnen moeten afwachten. Ik ben het dus eens met de heer De Hoop.

Dan heb ik nog een oproep en een vraag. Althans, ik heb de vraag van de heer Flach geïnterpreteerd als een oproep om goed te kijken naar het betrekken van de relevante organisaties tijdens de verkenning. Dat ga ik zeker doen. Om te voorkomen dat ik denk wie u relevant vindt, stel ik voor dat we dat gewoon even met elkaar afstemmen, zodat u heel specifiek aangeeft wie dat zijn. Dan kan ik die meenemen en dan stel ik u aan het eind niet teleur.

Dan de vraag van mevrouw Steen over de contourennota. Ik heb inderdaad aangegeven dat ik voor de zomer met een contourennota kom, waarin ik schets hoe ik uitwerking wil geven aan de extra mogelijkheden die het vernieuwende staatssteunkader biedt voor de ondersteuning van de middenhuur. Daarvan zei mevrouw Steen: dat ligt er al even; kunt u niet meer doen dan alleen een contourennota? Maar de benodigde wetswijziging om borging voor corporaties mogelijk te maken, zal naar verwachting in juli 2028 gereed zijn. Ik deel het ongeduld om stappen te zetten op middenhuur. In de Kamerbrief zal ik ook stilstaan bij de opties die corporaties nu al kunnen inzetten, vooruitlopend op het moment dat die wet helemaal rond is, zodat zij daar gebruik van kunnen maken. Dus als ik het heb over contouren, dan heb ik het niet over een hele vage brede schets. Misschien is het dus goed om eenduidigheid te hebben over wat je bedoelt met "contouren". Ik wil daar echt ook in meenemen wat er al kan op weg naar juli 2028. Maar op die juli 2028 zelf heb ik weinig invloed.

De voorzitter:

Mevrouw Steen heeft daar nog een vraag over. Eén vraag.

Mevrouw Steen (CDA):

Zeker. Fijn dat er gekeken kan worden naar wat er eerder kan. Ik ben er wel echt van overtuigd dat ook dat punt eerder had gekund omdat we in 2024 al wisten dat dit in 2026 gereed zou zijn. Dus kan dat niet eerder? Volgens mij kunnen we gewoon zo snel mogelijk beginnen. Dezelfde vraag geldt ook hier. Waarom hebben we niet al in 2024 of 2025 die wetswijziging voorbereid, zodat we niet die enorme lange tijd door hoeven voor het 2028 is en we corporaties hier echt toe in staat kunnen stellen? Dus waarom bent u niet begonnen? Ik weet dat het om uw ambtsvoorganger gaat, maar waarom is het departement niet al in 2024 bij het aannemen van die motie begonnen met het voorbereiden van deze wetgeving?

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ik denk dat dit een heel terechte vraag is. Het is ook gewoon een heel belangrijk onderwerp. We gaan zo snel als we kunnen. Wat ik kan doen, is zorgen dat de contouren niet al te vaag zijn en aangegeven wat er al vooruitlopend op juli 2028 gedaan kan worden. Verder zie ik de wetten, moties en initiatiefwetten die hier allemaal worden aangenomen als een aanmoediging om dit voortvarend op te pakken.

De voorzitter:

Dank u wel. U bent daarmee aan het einde gekomen van de beantwoording in de termijn van het kabinet.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ja.

De voorzitter:

Dank daarvoor. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

We gaan aanstaande dinsdag stemmen over de moties. Houdt u daar dus alstublieft rekening mee. Ik schors heel kort de vergadering, waarna we doorgaan met het voorstel van wet van het lid Beckerman.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Wet bevordering wooncoöperaties

Wet bevordering wooncoöperaties

Aan de orde is de behandeling van:

het Voorstel van wet van het lid Beckerman tot wijziging van de Woningwet ter bevordering van wooncoöperaties (Wet bevordering wooncoöperaties) (36780).

De voorzitter:

Dames en heren. Ik heropen de vergadering. Dit is een bijzonder moment, want aan de orde is het voorstel van wet van het lid Beckerman tot wijziging van de Woningwet ter bevordering van wooncoöperaties (36780). Ik heet mevrouw Beckerman van harte welkom in vak K. Het is bijzonder om hier een collega te verwelkomen die een initiatiefwet heeft gemaakt. Ik wil u danken voor uw inspanningen tot zover. Het recht van initiatief is niet alleen een van onze machtigste parlementaire instrumenten, het kost ook heel veel tijd om wetgeving te maken. Daarvoor verdient u nu al alle lof.

U heeft in vak K vandaag ook een deel van uw ondersteuning meegenomen. Graag heet ik welkom de heer Mustapha Eaisaouiyen — ik hoop dat ik het goed uitspreek; dat is altijd een uitdaging — directeur van Cooplink, de heer Bernard Smits, bestuursvoorzitter van Cooplink, en de heer Clemens Mol, adviseur van wooncoöperatie !Woon. Hartelijk welkom. Ook is er ambtelijke bijstand. Die wordt verleend door mevrouw Renée Weekers, wetgevingsjuriste bij het ministerie van BZK. U ook hartelijk welkom. Tevens heet ik wederom in vak K welkom de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Zij zal vandaag bij de behandeling van het wetsvoorstel optreden als adviseur van de Kamer. Uiteraard zeg ik ook hartelijk welkom tegen allen die dit debat volgen, liefst hier of via de livestream. Vandaag is aan de orde de eerste termijn aan de zijde van de Kamer. De voortzetting van dit debat wordt verwacht op donderdag 18 juni.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Dan is het nu zover. Ik geef heel graag het woord aan de heer Jimmy Dijk van de SP-fractie voor zijn inbreng in de eerste termijn. Gaat uw gang.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan alle mensen op de publieke tribune. Leuk om jullie hier te zien: allemaal mensen die zich er hard voor inzetten om het zelf te doen, om via wooncoöperaties zelf aan de slag te gaan voor betaalbare en beschikbare woningen. Heel tof dat jullie vandaag hiernaartoe zijn gekomen.

De politiek heeft een diepe wooncrisis veroorzaakt. Het lukt haar niet om die weer op te lossen. Heel veel mensen in Nederland zijn klaar met wachten, klaar met loze beloftes over de aanpak van de wooncrisis. Ze willen het zelf doen: samen met anderen woningen bouwen of beheren. Dat kan gaan om ouderen die in hun eigen wijk willen blijven, maar niets betaalbaars kunnen vinden en daarom samen met anderen een coöperatie starten. Het kunnen jongeren zijn die niet tot hun dertigste bij papa of mama op zolder willen blijven wonen — ik snap dat wel — en samen met anderen een coöperatie starten. Het kan gaan om dorpsbewoners die zien dat alle woningen die gebouwd worden, voor hen onbetaalbaar zijn. Het kunnen Stadjers zijn — zo noemen we in Groningen mensen die in de stad wonen — die graag in een gemeenschap wonen in plaats van in een duur anoniem hok. Al die mensen bouwen zelf de volkshuisvesting weer op.

Maar dat is vaak ondanks in plaats van dankzij de politiek. Drie keer op rij stonden wooncoöperaties in het regeerakkoord. Drie keer op rij bleven echte doorbraken uit. Het was steeds deze Tweede Kamer die doorbraken forceerde, eerst door te komen met een fonds zodat wooncoöperaties vanaf dit jaar een lening kunnen krijgen voor het deel waar ze van de bank geen financiering voor kunnen krijgen. Het gebeurt nu doordat de Kamer er met deze initiatiefwet voor zorgt dat er ook wettelijke erkenning komt voor vastgoedcoöperaties, waardoor die niet vastlopen, en duidelijk maakt waar gemeenten die beleid maken, dat moeten vastleggen.

Uiteraard steunt de SP haar eigen wet. Toch willen we ook graag dit debat aangrijpen om te pleiten voor meer doorbraken. Onze belangrijkste vraag in dit debat is aan de minister: wat gaat zij doen om ervoor te zorgen dat wooncoöperaties makkelijker van de grond kunnen komen? Deze wet neemt barrières weg, maar daarmee blijven er nog steeds barrières over. Een cruciale barrière zit 'm in locaties, grond, betaalbare grond, grond om op te bouwen. Zonder locaties bouwen we luchtkastelen. Op sommige plekken gaat het goed. In Groningen is er het prachtige initiatief Ebbingehof, waar vijftigplussers samenwonen en -leven. Ik was daar eergister nog. Ik kreeg een mooie rondleiding tussen de tuintjes die ze zelf bijhouden, maar zag ook hoe ze naar elkaar omkijken.

Op twee plekken waar nieuwbouw komt, zijn locaties gereserveerd voor nieuwe initiatieven, maar zo gaat dat niet overal. Hoewel er steeds meer gemeenten zijn die hierin vooroplopen en de VNG ook heeft uitgesproken deze wet te steunen, is er meer actie nodig vanuit deze minister en dit kabinet. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat er meer ruimte komt voor coöperaties? Hoe zorgt zij ervoor dat grond ook te betalen is voor coöperaties? Concreet: het Rijk heeft heel veel grond in het Rijksvastgoedbedrijf. Hoeveel coöperatiewoningen gaat de minister de komende jaren realiseren? Ziet zij coöperaties echt als een derde sector naast huur en koop? Zo ja, neemt ze deze dan ook mee in alle plannen die zij maakt?

In de feitelijke vragenronde kwamen PRO en de PVV met terechte vragen. Er was de vraag: voor wie zijn deze coöperatiewoningen? Hoe voorkomen we dat alleen initiatieven het redden waarbij de leden flink eigen geld kunnen inleggen? Het is mooi dat mensen dit kunnen en willen doen, zoals bij het Ebbingehof in Groningen waarnaar ik al verwees. Maar voor de SP is het cruciaal dat geld niet je kans op een fijne woning mag bepalen. Wij begrijpen dat dit voor de initiatiefnemer ook een van de redenen was en is om deze wet te maken. De initiatieven zelf doen er alles aan om de huren gegarandeerd voor een levensduur betaalbaar te houden. Maar wat doet de minister hieraan? Welke extra stappen wil zij zetten om te zorgen dat initiatieven niet stranden omdat leden niet genoeg eigen kapitaal hebben om in te leggen? Hierin speelt de ondersteuning van coöperaties ook een belangrijke rol. Wil de minister Cooplink, de vereniging van coöperaties, langjarig ondersteunen? Maar ook, hoe wil zij minder kapitaalkrachtige bewoners die in een coöperatie wonen of willen wonen, steunen? Nu zijn er nog problemen met de kostendelersnorm of de huurtoeslag. Wil de minister deze problemen wegnemen?

Door actie vanuit de Tweede Kamer is er vanaf dit jaar een fonds voor wooncoöperaties gestart. Dit is een belangrijk succes. Hiermee kunnen in eerste instantie ongeveer 1.200 woningen worden gebouwd. Daarna wordt het fonds revolverend en kunnen met het terugbetaalde geld weer nieuwe initiatieven worden ondersteund. Dat is prachtig, maar er zijn veel meer initiatieven dan er nu geholpen kunnen worden. Is de minister bereid na te denken over hoe het fonds extra kan worden versterkt zodat meer coöperaties kunnen worden ondersteund? Wil de minister bestaande fiscale belemmeringen voor wooncoöperaties wegnemen? Waarom moeten zij bijvoorbeeld winstbelasting betalen? Wil de minister de overdrachtsbelasting voor coöperaties gelijktrekken met die voor eigenaar-bewoners? En is de minister bereid te zorgen dat voorzieningen die juist ook voor ouderen relevant zijn, zoals ontmoetingsruimtes en ruimtes voor de plaatsing van rollators en scootmobielen, in wooncoöperaties gesubsidieerd worden?

Voorzitter. Dan een wat persoonlijke noot. Het doet mij erg goed om Mustapha in vak K te zien. We hebben hem leren kennen, omdat hij actie voerde tegen de sloop van zijn woning in zijn geliefde Tweebosbuurt. Het was een ongelijke strijd. De gemeente Rotterdam wilde minder mensen uit de werkende klasse in hun stad. En met "hun stad" bedoel ik niet de gemeente Rotterdam, maar bedoel ik de werkende klasse. "Hun stad", de stad van mijn vader, de stad van Mustapha, de stad van de werkende klasse, wil de mensen uit hun stad wegjagen. Corporatie Vestia had het geld van de huurders vergokt. De bewoners voerden een inspirerende strijd, maar werden gesloopt. En nu zit Mustapha hier in vak K om deze woede als brandstof te gebruiken om anderen de hoop te bieden dat zij het recht hebben op "hun" stad, op "hun" dorp, op een betaalbare en goede woning. Het hebben van je eigen buurt, je eigen thuis zou doodnormaal moeten zijn. Dank je wel. Ook aan de andere ondersteuners in vak K, Clemens, Bernard en Renée, dank jullie wel.

En dit brengt mij op het volgende punt. Nog steeds heeft ook dit kabinet plannen om vele corporatiewoningen te slopen. Op sommige plekken lukt het bewoners om die sloop te stoppen en zelf woningen te gaan beheren als een coöperatie, zo ook hier in de Haagse Roggeveenstraat, waar bewoners de woningen niet alleen hebben weten te redden van de sloop, maar ze ook zelf hebben gerenoveerd. Ze hebben een bloeiende gemeenschap opgebouwd. Dat begon — ik was er een tijd geleden — in de tuin. Hoeveel ruimte wil deze minister geven aan huurders die hun corporatiewoningen willen overnemen als woningcoöperatie? Kan zij bewoners die sloopplannen willen stoppen ondersteunen door er een coöperatie van te maken?

Tot slot. Wonen zonder winstoogmerk, zeggenschap voor huurders, bouwen aan gemeenschappen, die zijn enkele kernwaarden van de SP die perfect samenvallen met wat wooncoöperaties zijn. Ik zeg het niet vaak, maar wij zijn niet uniek. Heel veel partijen hier hebben vanuit hele andere achtergronden heel veel op met coöperaties, omdat mensen het zelf doen. Laat vandaag dan de dag zijn waarop partijen het goede voorbeeld geven en dwars door politieke verschillen heen eendrachtig steun geven aan wooncoöperaties.

Tot slot. Misschien gek om vanaf hier te doen, maar ik ga het toch even doen. Daar moeten jullie maar even tegen kunnen. Sandra, mevrouw Beckerman, dank voor dit initiatief, maar ook dank voor het optrekken met de mensen die hier op de publieke tribune zitten en voor het organiseren van mensen om ervoor te zorgen dat we een stap verder kunnen komen in het oplossen van de wooncrisis. Daar kunnen wooncoöperaties een belangrijke rol in spelen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u voor uw bijdrage. Dan wil ik het woord geven aan de heer De Hoop namens PRO.

De heer De Hoop (PRO):

Voorzitter. Vandaag is om meerdere redenen een bijzondere dag. Allereerst is die bijzonder omdat ik voor het eerst namens PRO mag spreken, maar ik spreek vandaag ook namens een andere partij, namelijk 50PLUS. Als voormalig jongste Kamerlid vind ik dat toch wel bijzonder. Wij zien samen hetzelfde belang van deze mooie wet.

Wij spreken vandaag over wooncoöperaties. Dat komt natuurlijk in eerste instantie door het harde werk aan deze wet van mijn collega Sandra Beckerman, en natuurlijk haar ondersteuning. Dat zijn Maurits Hondman van de SP-fractie, Mustapha Eaisaouiyen, Clemens Mol, Bernard Smits en Renée Weekers van Cooplink. Ook dank voor jullie inzet. Mijn complimenten voor al jullie collectieve werk. Ook dank voor de ambtelijke ondersteuning daarbij.

Voorzitter. We zitten in een wooncrisis. Heel veel mensen kunnen geen huis meer vinden of betalen. Jarenlange liberale politiek heeft de samenleving geïndividualiseerd en het woonvraagstuk ook. Als het je niet lukt om een huis op de woningmarkt te vinden, lijkt het soms wel of dat je eigen schuld is. Eenzaamheid onder ouderen, maar ook onder jongeren, is een groot probleem. Door alles over te laten aan de markt zijn de huizenprijzen en de huren door het dak gegaan, onbetaalbaar geworden voor gewone mensen.

Maar gelukkig zijn er overal in het land mensen die samen opstaan tegen die wooncrisis, die samen een gemeenschap vormen en die samen proberen om voor betaalbaar wonen te zorgen. In Irnsum bijvoorbeeld, aan de rivier de Boorne. Een levendig dorp vlak bij mij in de buurt, met iets meer dan 1.000 inwoners, waar een rijk verenigingsleven is en waar mensen naar elkaar omkijken. In 2015 werd bekend dat 25 voormalige ouderenwoningen van de woningcorporatie gesloopt zouden worden. Zes betrokken dorpsbewoners kwamen in actie en vormden een vereniging. Na veel overleg en onderhandelingen met de woningcorporatie konden zij onder andere door steun van de bank en de gemeente een jaar later de 25 woningen aankopen. Daarmee werd sloop voorkomen en bleven deze betaalbare woningen beschikbaar voor mensen die in Irnsum willen wonen. Toevallig vieren zij vandaag hun tiende jubileum. Dit is een mooi voorbeeld van wat de gemeenschap, de Friese mienskip, samen kan bereiken.

Op veel plekken zien we dit soort initiatieven vanuit de samenleving om de wooncrisis aan te pakken. Wooncoöperaties, waarbij bewoners samen de woning beheren of bezitten, zijn zo'n initiatief. Ze zorgen voor de gemeenschap, ze gaan eenzaamheid tegen en zorgen voor ontmoeting in de buurt. Ze geven bewoners meer regie en zeggenschap over hun eigen directe woonomgeving. Voor veel groepen is dat fijn. Voor jonge starters die moeilijk een betaalbare woning kunnen vinden, maar ook voor ouderen die graag zelfstandig willen blijven wonen, maar dan wel in een gemeenschap waar ze naar elkaar omkijken.

Net zo belangrijk is dat deze woonvorm zorgt voor meer betaalbare woningen. De huizen zijn namelijk in eigendom van een vereniging van bewoners, zonder winstmotief, zonder speculatie, en vaak zelfs nog goedkoper dan bij een sociale woningbouwcorporatie, omdat de bewoners veel taken vrijwillig met elkaar doen. Ondanks deze duidelijke voordelen lopen bewoners die samen zo'n coöperatie willen opzetten, nog tegen veel problemen aan. Ze krijgen het niet altijd rond met de gemeente qua bestemmingsplannen. Ze moeten voor grond concurreren met commerciële partijen. Ze krijgen niet altijd financiering van de bank, of wel, maar dan tegen te hoge rentes, waardoor juist dat doel van betaalbare huren net niet meer mogelijk is.

Het is daarom goed dat de initiatiefnemer met dit voorstel juist die problemen aanpakt. Eigenlijk door twee dingen: een bredere en duidelijkere definitie en een opdracht voor gemeenten. Ik heb hierover enkele vragen voor de initiatiefnemer, maar ook voor de minister.

Eerst over de definitie. In de huidige wet is een wooncoöperatie een vereniging die bezit wil beheren of overnemen: de zogenaamde beheercoöperatie. Hier komt nu de vastgoedcoöperatie bij: een vereniging die woningen zelf bouwt of koopt. Deze nieuwe definitie vinden wij goed, maar we hebben daar wel een vraag over. Vooral in dorpen hebben heel veel coöperaties ook leden die er zelf niet wonen, maar wel zo'n initiatief zouden willen steunen. Dat is bijvoorbeeld in Kloosterburen, in Groningen. Zorgt deze definitie ervoor dat zij buiten de boot vallen, of kan dit nog steeds onderdeel van zo'n coöperatie blijven? Ik denk dat het zo'n coöperatie kracht geeft.

De nieuwe definitie moet ervoor zorgen dat wooncoöperaties betere toegang krijgen tot financiering. Ik begrijp dat de initiatiefnemer overleg heeft gehad met de Nederlandse Vereniging van Banken. Hebben ze door dat overleg het vertrouwen dat banken door deze betere definitie wooncoöperaties gaan financieren? In delen van Brabant bijvoorbeeld, geeft de Rabobank een startbedrag van € 5.000 aan groepen burgers die groepswoningen willen gaan ontwikkelen. Zou dat iets zijn wat andere banken ook kunnen doen? Dat vraag ik aan de initiatiefnemer.

Volgens mij delen de initiatiefnemer en ik de zorg dat wooncoöperaties nog vaak worden opgericht door zelfredzame burgers. De heer Jimmy Dijk had het er net ook al over namens de SP. Kwetsbare groepen zouden ook juist kunnen profiteren van deze woonvorm. Als de wet wordt aangenomen, hoe zorgt het kabinet dan in de uitvoering ervoor dat iedereen die het wil, in staat wordt gesteld en wordt geholpen om zo'n coöperatie te beginnen?

Tot slot heb ik een vraag over de gemeenten. Zij worden door het wetsvoorstel niet verplicht tot beleid voor wooncoöperaties, maar wel tot de opname van het beleid in de woonvisie. Ik steun dat de initiatiefnemer een balans zoekt tussen wooncoöperaties stimuleren en de lokale beleidsvrijheid. Die laatste moet er ook zijn. Daarom omarmen de gemeenten deze wet nu ook. Mijn vraag aan de indiener en het kabinet is hoe we zoveel mogelijk gemeenten aanmoedigen om dit beleid te gaan voeren. Welke rol kunnen gemeenten spelen om coöperaties aan grond te helpen? Op dit moment concurreren coöperaties die geen winstoogmerk hebben met commerciële partijen om grond. Dat is niet helemaal eerlijk. Hoe kunnen we hen daarin meer perspectief bieden?

Afrondend. Als mensen samen willen zorgen voor betaalbare woningen, dan moet dat gemakkelijker worden. Dat doet dit voorstel. Wij steunen dat van harte. Ik wil nog een laatste woord van waardering uitspreken tegen mevrouw Beckerman zelf. In 2019 noemde zij als eerste in deze Kamer de wooncrisis. Ze benoemde als eerste duidelijk de noden van mensen die een huis zoeken in deze tijd. Naast dat het een treffende analyse was, kan ik er ook veel waardering voor uitspreken als iemand als volksvertegenwoordiger kijkt wat voor oplossing ze ernaast kan leggen. Hoewel ik het eens ben met de politieke kleur van mevrouw Beckerman, is het mooie aan deze oplossing dat deze niet links is, niet rechts is, maar dat het iets is van de samenleving zelf. Iets van al die prachtige mienskippen door het hele land: laten we die vandaag met elkaar in hun kracht zetten.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw bijdrage. De heer Claassen namens de Groep Markuszower.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Voorzitter, ik had eerst uit respect 30 minuten spreektijd, maar dat leek me toch wat overdreven. Laat ik beginnen te zeggen dat De Nederlandse Alliantie waardering heeft voor ieder serieus voorstel waarmee wordt geprobeerd om onduidelijkheid in de woningmarkt weg te nemen. Nederland kampt namelijk met een grote woningnood. Sprekers voor mij hebben dat al geadresseerd. Mensen zoeken jarenlang naar een woning. Starters komen er niet tussen, gezinnen zitten vast en ouderen kunnen niet doorstromen. Van de week was in het nieuws dat we eigenlijk veel te veel eengezinswoningen hebben. Ik moet er nog even induiken hoe dat precies zit, maar het is best raar.

Gemeenten, corporaties, bouwers en bewonersinitiatieven lopen allemaal tegen regels, procedures en onzekerheden aan. In zo'n situatie moeten we steeds één hoofdvraag stellen: helpt dit voorstel om meer woningen mogelijk te maken, sneller, duidelijker en zonder onnodige belemmeringen? Het initiatiefvoorstel wil wooncoöperaties beter wettelijk definiëren. Dat is op zichzelf heel verstandig. De huidige regeling sluit vooral aan bij bewoners die woningen van een corporatie beheren of overnemen, maar niet op initiatieven die zelf woningen willen verwerven of realiseren. Terwijl ook deze vorm in de praktijk terugkomt. Het onderscheid tussen beheerwooncoöperaties en vastgoedwooncoöperaties sluit daarom beter aan bij die werkelijkheid. Daarom zegt DNA: waar definities onduidelijk zijn, is verduidelijking zinvol. Als wooncoöperaties in de praktijk bestaan in verschillende vormen, dan is het logisch dat dit in de wet ook wordt weerspiegeld. Een helder wettelijk kader kan helpen om partijen te laten weten waar ze aan toe zijn. Dat is goed voor gemeenten en financiers die moeten beoordelen wat er juridisch en financieel mogelijk is, en daarmee dus goed voor wooncoöperaties.

Ook begrijpen wij de gedachte dat gemeenten wooncoöperaties meenemen in hun woonbeleid. Ook dit kan namelijk bijdragen aan het verminderen van onzekerheid. Als wooncoöperaties in de gemeenten een rol kunnen spelen, moet dat zichtbaar zijn in woonvisies of volkshuisvestingsprogramma's. Maar daar ligt wat ons betreft ook een grens. Want waar we wooncoöperaties vooral moeten faciliteren, zouden we ze niet moeten bevoordelen. Dat onderscheid vinden wij wezenlijk. De woningnood vraagt om zo veel mogelijk woningen, niet om het naar voren schuiven van één specifieke organisatievorm, niet om een voorkeursroute voor één model, en niet om nieuwe verplichtingen waardoor gemeenten grond, geld of beleidsruimte apart moeten zetten voor wooncoöperaties, terwijl andere partijen ook woningen kunnen realiseren.

Voorzitter. Onze fractie wil voorkomen dat dit wetsvoorstel in de praktijk leidt tot een ongelijk speelveld. Wooncorporaties bouwen en beheren sociale huurwoningen. Private partijen kunnen woningen realiseren. Ook particuliere initiatieven kunnen hun steentje bijdragen, soms letterlijk. Gemeenten moeten op lokaal niveau kunnen afwegen welke vorm het beste past bij de woningbouwopgave, de beschikbare grond, de financiële ruimte en de behoefte, die wellicht in elke gemeente anders is. Die lokale afweging zou niet vanuit Den Haag moeten worden dichtgetimmerd. Dat is ook waarom wij nadrukkelijk hechten aan gemeentelijke beleidsvrijheid. De initiatiefnemer heeft na het advies van de Raad van State zelf ook benadrukt dat er ruimte moet blijven voor lokaal maatwerk. Dat is terecht. De situatie in Amsterdam is niet dezelfde als die in een kleinere gemeente. De ene gemeente heeft grondposities en de andere niet. De ene gemeente heeft actieve bewonersinitiatieven — ik kijk naar de tribune — en de andere vooral behoefte aan snelle, grootschalige woningbouw. Daar moet lokaal over kunnen worden besloten. Het wetsvoorstel beoordelen wij langs die lijn. Duidelijkheid? Ja. Juridische verheldering? Ja. Gemeenten bewust maken van deze woonvorm? Zeker! Maar een landelijke verplichting om wooncoöperaties voorrang te geven bij beleid, geld of grond? Dat niet.

Voorzitter. Wij willen van de initiatiefnemer graag weten waar volgens haar de grens ligt. Is het doel van dit wetsvoorstel uitsluitend om wooncoöperaties beter te definiëren en zichtbaar te maken in gemeentelijk beleid? Of is het de bedoeling dat gemeenten in de praktijk actief ruimte, middelen of grond moeten reserveren voor deze woonvorm? Dat is een wezenlijk verschil. Ook aan de minister vragen wij hoe zij dit ziet. De regering zegt gemeenten vooral te willen stimuleren en ondersteunen, maar geen onnodige nieuwe verplichtingen te willen opleggen. Kan de minister bevestigen dat gemeenten ook na dit wetsvoorstel zelf blijven bepalen of, waar en in welke mate wooncoöperaties passen binnen hun lokale woningbouwopgave?

Voorzitter, ik ga afronden. Onze fractie staat niet afwijzend tegenover wooncoöperaties. Waar bewoners gezamenlijk verantwoordelijkheid willen nemen voor beheer, verwerving of zelfs realisatie van woningen kan dat in bepaalde situaties een nuttige bijdrage leveren. Als onduidelijke regelgeving zulke initiatieven onnodig belemmert, dan is het natuurlijk verstandig om die te verduidelijken en te verbeteren. Maar we moeten ons niet laten afleiden van de kern van het probleem. Nederland heeft woningen nodig, heel veel woningen. Woningen die daadwerkelijk gebouwd worden. Dat vraagt om ruimte voor alle partijen die daaraan kunnen bijdragen: corporaties, private partijen, gemeenten en inderdaad ook bewonersinitiatieven zoals wooncoöperaties. De wet mag duidelijkheid geven. De wet mag wooncoöperaties beter herkenbaar maken. Maar deze wet mag niet gebruikt worden om een nieuwe voorkeursroute te creëren voor één specifieke woonvorm. Dat is voor ons de kern, voorzitter.

De voorzitter:

Ik dank de heer Claassen voor zijn inbreng namens de Groep Markuszower. Dan zijn we toe aan de inbreng van mevrouw Steen namens het CDA. Aan u het woord.

Mevrouw Steen (CDA):

Voorzitter. Onder andere in Den Bosch is het gelukt: negentien sociale huurwoningen, ontwikkeld door de bewoners zelf. Wat daarbij opvalt is niet alleen het buurtje zelf, dat er trouwens prachtig uitziet, maar vooral de manier waarop bewoners gezamenlijk verantwoordelijkheid hebben genomen voor hun woonomgeving, met aandacht voor elkaar en een voortdurende drive om er samen een succes van te maken.

Voorzitter. We zijn dit in Nederland "wooncoöperaties" gaan noemen, maar eigenlijk zijn er allerlei verschillende begrippen in omloop voor deze vorm van wonen: van bewonerscollectieven tot gezamenlijke wooninitiatieven, of simpelweg een woongemeenschap. Hoe je het ook noemt: het gaat om de mensen die samen verantwoordelijkheid nemen voor een woning of woonomgeving en dat is een prachtige vorm van gemeenschappelijk wonen en leven.

Voorzitter. Daarom bij voorbaat mijn complimenten aan mevrouw Beckerman en al haar ondersteuning voor dit initiatiefwetvoorstel. Het voorstel agendeert een mooie woonvorm die in de discussie over volkshuisvesting nogal eens over het hoofd wordt gezien. Wooncoöperaties zijn het sprekende bewijs dat wonen niet alleen maar gaat over stenen stapelen, maar ook over het bouwen van gemeenschappen. Wonen gaat niet alleen over een dak boven je hoofd, maar ook over de omgeving waarin mensen samenleven en samen léven. Het gaat over betrokkenheid bij de buurt, oog hebben voor elkaar en verantwoordelijk nemen voor de eigen leefomgeving.

Voorzitter. De CDA-fractie is dus positief over dit wetsvoorstel, waarmee de positie van de wooncoöperatie verduidelijkt en versterkt wordt. Het onderscheid tussen een beheerwooncoöperatie en een vastgoedwooncoöperatie werkt verhelderend. Dat de laatste vorm ook kan worden ingericht als coöperatie zonder winstoogmerk in het kader van de Woningwet, zou weleens meer houvast kunnen geven bij het verkrijgen van financiering.

Voorzitter. We zijn positief over deze initiatiefwet. Tegelijkertijd hebben we nog wel een aantal vragen aan zowel mevrouw Beckerman als aan de minister. Waar wooncoöperaties in de dagelijkse praktijk namelijk tegenaan lopen is niet in eerste en enige instantie de wettelijke erkenning, maar initiatieven voor wooncoöperaties lopen ook tegen hele andere problemen aan. Denk aan het vinden van een geschikte locatie, het verkrijgen van financiering, het organiseren van voldoende draagvlak, het opzetten van een solide organisatie en het doorlopen van procedures.

Voorzitter. Eerst even over de gemeentelijke kant hiervan. Want als dit wil slagen, wat deze wet natuurlijk beoogt, zal er van alles neerslaan bij de gemeenten. Gemeenten moeten uiteindelijk binnen hun woonbeleid wel ruimte maken voor dergelijke initiatieven, en dat is wat je wil. Je moet initiatiefnemers begeleiden en waar mogelijk ook locaties beschikbaar stellen. Hoe ziet mevrouw Beckerman de rol van de gemeenten voor zich? Het is geen verplichting, maar we willen het natuurlijk wel graag stimuleren. Hoe voorkomen we dan dat gemeenten extra taken en verantwoordelijkheden krijgen, zonder dat daar voldoende ondersteuning tegenover staat? Houden ze dan voldoende capaciteit over om die andere grote uitdagingen in de huidige woningnood het hoofd te bieden?

Voorzitter. Kan de minister daarnaast aangeven hoe zij gemeenten hierbij wil ondersteunen? Wat betekenen deze wijzigingen voor het gemeentelijke woonbeleid en voor de prestatieafspraken? Leidt dit in de praktijk tot nieuwe taken of verplichtingen?

Voorzitter. Het CDA ziet de waarde van een duidelijk wettelijk kader. Meer duidelijkheid kan helpen voor initiatiefnemers, gemeenten en financiers, maar de vraag blijft wel of hiermee de belangrijkste belemmeringen worden weggenomen. Kan de minister daarom aangeven hoe zij gaat beoordelen of deze wet daadwerkelijk effect heeft? Welke criteria gaat zij daarbij hanteren? Wanneer verwacht zij inzicht te hebben in de vraag of deze wet ook daadwerkelijk leidt tot meer en sterkere wooncoöperaties?

Voorzitter. Ten slotte wil ik ook graag aandacht vragen voor de toekomstbestendigheid van deze wooncoöperaties. Want vaak ontstaan deze initiatieven dankzij een groep zeer, zeer, zeer betrokken inwoners die bereid zijn heel erg veel tijd en energie te steken in het ontwikkelen van deze wooncoöperaties en deze huizen. In Den Bosch was het acht jaar duwen en trekken. Dat is bewonderenswaardig, maar het roept ook wel vragen op. Hoe zorgen we ervoor dat een wooncoöperatie niet alleen goed functioneert zolang de oorspronkelijke initiatiefnemers nog actief zijn, maar ook wanneer de bewoners verhuizen, bestuursleden wisselen en een nieuwe generatie bewoners haar intrede doet? Met andere woorden, hoe borgen we dat deze woonvorm niet alleen aantrekkelijk is bij de start, maar ook op langere termijn stabiel en toegankelijk blijft? Ik hoor graag hoe zowel de initiatiefnemer als de minister daarnaar kijken.

Voorzitter. Wooncoöperaties zijn niet dé oplossing voor het woningtekort. De omvang van de woningbouwopgave vraagt om een hele brede aanpak. Maar wooncoöperaties zijn wel een waardevol onderdeel binnen de aanpak en binnen onze volkshuisvesting, vooral omdat er bij woningcoöperaties niet alleen gebouwd wordt met stenen maar ook aan gezamenlijke betrokkenheid en gemeenschapszin. Ik kijk dan ook uit naar de ongetwijfeld gloedvolle verdediging van mevrouw Beckerman en wens haar daarbij heel erg veel succes.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng. Dan wil ik de heer Russcher uitnodigen namens Forum voor Democratie. Gaat uw gang.

De heer Russcher (FVD):

Voorzitter. Allereerst heel veel dank aan mevrouw Beckerman van de SP voor dit initiatiefwetsvoorstel. De woningcrisis is op dit moment samen met de massale immigratie het grootste probleem en ik waardeer de inzet. Maar Forum voor Democratie heeft wel een aantal vragen over wat hier nu voorligt.

Laat mij eerst kort schetsen wat dit voorstel concreet doet. De wet wijzigt de Woningwet op drie punten. Ten eerste wordt de beheerwoningcoöperatie wettelijk gedefinieerd, waarbij de huurders het beheer overnemen van woningen die eigendom blijven van een coöperatie of gemeente. Ten tweede volgt een definitie van de vastgoedwoningcoöperatie, waarbij een groep mensen samen eigenaar wordt via nieuwbouw of aankoop. Tot slot worden gemeenten aangespoord om beleid te voeren ter bevordering van woningcoöperaties. Dat is in essentie wat er op tafel ligt.

Dan onze bedenkingen. Laat ik beginnen met te zeggen dat Forum voor Democratie op zichzelf geen moeite heeft met woningcoöperaties als burgerinitiatief. Als mensen zich vrijwillig verenigen om samen te wonen en daar zelf de schouders onder zetten, is dat prima. Het past bij de eigen verantwoordelijkheid en de gemeenschapszin die ook Forum voor Democratie voorstaat. Maar dit voorstel lijkt iets anders te doen: een overheid die coöperatief wonen actief gaat bevorderen door gemeenten aan te sporen, met alle toekomstige subsidiestromen die eruit voort kunnen komen. Daarin zit voor Forum voor Democratie de kern van het bezwaar.

We lezen in de memorie van toelichting dat volgens de SP coöperaties aanspraak zouden moeten kunnen maken op het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. Dit fonds is nu uitsluitend beschikbaar voor corporaties en maakt het mogelijk om tegen lage rentes te lenen, aangezien de Staat garantstaat met belastinggeld. Daarnaast ligt er al een fonds met 40 miljoen belastinggeld klaar en zijn er al verduurzamingssubsidies. De wet voegt daar nu een juridisch kader aan toe dat de wet mogelijk vrijmaakt voor nog meer overheidsondersteuning. Mijn vraag aan mevrouw Beckerman is dan ook of dit wetsvoorstel niet gewoon de juridische opmaat is tot een nog grotere subsidiekraan richting woningcoöperaties. Zo ja, hoe verhoudt dit zich dan tot de claim in de memorie van toelichting dat dit wetsvoorstel geen financiële gevolgen zal hebben?

Dan nog iets wat ons opvalt. De initiatiefnemer erkent in de memorie van toelichting zelf dat de echte drempels onaangeroerd blijven. De fiscale belemmeringen blijven, de kostendelersnorm blijft een probleem, huurtoeslag sluit niet aan, locaties blijven lastig. De wet pakt dus alleen een definitieprobleem aan. Je zou je zelfs kunnen afvragen welk probleem dit wetsvoorstel dan wél oplost. Graag een reactie van de indiener.

Een ander belangrijk punt voor Forum voor Democratie is de beleidsvrijheid van gemeenten. De Raad van State was kritisch over de verplichting die gemeenten aanvankelijk opgelegd kregen. In dit voorstel is die afgezwakt, maar de vraag is hoelang dit vrijblijvend blijft. We kennen immers het patroon: vandaag een aansporing, morgen een verplichting, overmorgen een toezichthouder die handhaaft.

Voorzitter. Dan een breder punt. Dit voorstel verandert misschien wel de samenstelling van woningbezit, maar lost het tekort van 400.000 woningen niet op. Dat tekort heeft namelijk andere oorzaken. Bouwend Nederland heeft berekend dat het stikstofbeleid er tot 2030 voor zorgt dat er aan 244.000 woningen geen bouwvergunning wordt verleend; dit is goed voor 93,5 miljard euro aan gemiste investeringen. IPO geeft aan dat 30% van de bouwprojecten vanwege netcongestie te maken heeft met een onzekere stroomaansluiting. En van de miljoen woningen die ondanks dit alles toch worden opgeleverd, gaat volgens de minister van VRO de helft naar migranten. Met een migratiesaldo van 130.000 per jaar zal het tekort dus nooit structureel worden weggewerkt.

Voorzitter. Als mensen zelf het initiatief nemen om samen een woonvorm te organiseren, juicht Forum voor Democratie dat toe. Maar als datzelfde initiatief alleen van de grond komt dankzij subsidies en het beperken van de beleidsvrijheid van gemeenten, rijst de vraag of we hier nog over een burgerinitiatief spreken of over een verkapte socialehuurvorm. Dat is niet de richting die Forum voor Democratie op wil.

Wij horen graag de antwoorden van mevrouw Beckerman en zullen daarna ons oordeel vellen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Van Leijen namens D66. Gaat uw gang.

De heer Van Leijen (D66):

Dank, voorzitter. Graag begin ik vandaag met een compliment aan de indiener, mevrouw Beckerman. Haar inzet voor de wooncoöperaties is ongelofelijk mooi om te zien. Mijn complimenten aan Cooplink; fijn dat jullie er zijn, ook op de publieke tribune. Mooi! Het is ook een prachtige manier om samen te wonen, elkaar te ontmoeten en voor je buren te zorgen. Mijn fractie kijkt dan ook met interesse naar het initiatiefwetsvoorstel van mevrouw Beckerman. Wij hebben natuurlijk wel nog wat vragen. Elke wet verdient namelijk een gedegen behandeling, dus ook die van onze voormalige commissievoorzitter.

Voorzitter. In andere landen zien we al hoe de woningcoöperatie goed kan werken. De afgelopen jaren zag ik bijvoorbeeld dat die in Duitsland voor woningzoekenden een oplossing bood. In landen als Zweden en Denemarken is het een beproefd model.

Voorzitter. U weet dat mijn fractie gelooft dat het wel kan. Deze wet van collega Beckerman kan woningzoekenden echt helpen. Maar we kunnen nog meer doen. Er wordt dan ook terecht een oproep aan de Kamer gedaan. Daarover heb ik nog een vraag aan de initiatiefnemer. Zij noemt in de memorie van toelichting dat er meer moet gebeuren op het vlak van grondverwerving, het verkrijgen van huurtoeslag en mogelijke problemen met energie- en waterschapsbelasting. Wat zou de Kamer in haar ogen op korte termijn kunnen doen om ook die belemmeringen aan te pakken? Biedt de grondbank, die kortgeleden is aangekondigd, nog kansen voor wooncoöperaties in de ogen van de initiatiefnemer? Dit zijn niet alleen vragen voor collega Beckerman, maar ook een uitgestoken hand om die zaken gezamenlijk op te pakken.

Voorzitter. Voor heel veel woningzoekenden kan de wooncoöperatie een nieuwe oplossing bieden. Denk aan ouderen die langer bij elkaar in de buurt kunnen wonen en voor elkaar kunnen zorgen of starters die nu tussen wal en schip vallen en samen kunnen optrekken om een woning te vinden die bij hen past. Gezien de grote opgaven in de ouderenhuisvesting ziet mijn fractie daar dan ook kansen om een extra stap te zetten.

Een paar weken geleden was ik op werkbezoek bij jonge dorpsbewoners. Ook in kleine kernen kunnen wooncoöperaties zorgen voor huizen voor jongeren die graag in het dorp willen blijven wonen. Ziet de initiatiefnemer kansen om de inzet van deze wet te versterken met andere programma's, zoals de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting of regelingen van medeoverheden zoals de Subsidieregeling Vitale Kernen in de provincie Utrecht?

Voorzitter, tot slot. Ik kijk graag nog naar de toekomst. Over vijf jaar wordt deze wet geëvalueerd. Deze wet houdt nu veel ruimte voor medeoverheden om zelf hun beleid rondom wooncoöperaties in te vullen. Zoals eerder gezegd, zijn er nog veel andere belemmeringen voor wooncoöperaties. Zou de indiener over vijf jaar een nieuwe stap willen zetten, of kan dat wat haar betreft al eerder gebeuren?

Voorzitter. Graag bedank ik mevrouw Beckerman nogmaals voor haar vasthoudendheid op dit dossier. Een initiatiefwet ligt er niet zomaar. Dit is toch alweer de derde wet die op haar naam staat. Ik wens de initiatiefnemer dan ook succes met de verdediging van haar initiatiefwetsvoorstel.

Om met haar woorden af te sluiten: leve de wooncoöperatie!

De voorzitter:

Dank u wel voor uw inbreng. De heer Grinwis is aan de beurt. Hij spreekt namens de ChristenUnie. De heer Grinwis heeft vijftien hele minuten gereserveerd voor dit debat! Met zo'n tijd verwacht ik een flink amendement op deze wet. Gaat uw gang.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Nee, voorzitter, dat doe ik natuurlijk om mijn collega's te laten schrikken en ze vervolgens gerust te kunnen stellen: het worden geen vijftien minuten; het worden er veel minder.

Voorzitter. Complimenten aan collega Beckerman, die met haar initiatiefwetsvoorstel wooncoöperaties eindelijk de wettelijke verankering en daarmee waardering geeft die zij verdienen. Dank dus aan collega Beckerman, maar ook aan alle betrokkenen, ook die van Cooplink, van het ministerie en van de SP zelf. Succes ook bij de verdediging zo meteen! We gaan natuurlijk wel een aantal pittige vragen stellen.

Voorzitter. Een goed leven is een leven in verbondenheid. Dat is een leven waarin je onderdeel mag zijn van een gemeenschap. Maar dat staat in de huidige tijd, in onze huidige samenleving, onder druk. De keuzes die we hebben gemaakt op het gebied van wonen, hebben daar helaas mede toe geleid. We wonen steeds meer op eilandjes in onze buurt, wijk, dorp of stad. Ondertussen is er nog steeds een grote behoefte aan vormen van samenwonen, van samenleven. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat 17% tot 25% van de woningzoekenden liever iets gezamenlijks deelt. Al die mensen geloven dat je in gemeenschappen elkaar kunt versterken en dat afhankelijkheid geen zwakte is, maar een waardevolle toevoeging aan je leven. Maar terwijl in de samenleving de behoefte groeit, lijken onze woonvormen juist monotoner te worden, met studio's voor studenten als eenzaam dieptepunt.

Een groep waarvoor de behoefte aan gemeenschap en samenleven al helemaal groot is, zijn de ouderen. De wachtrijen voor gemeenschappelijke wooninitiatieven voor ouderen zijn enorm, terwijl onderzoek uitwijst dat passend aanbod met een vorm van gemeenschappelijkheid voor ouderen een van de belangrijkste redenen is om door te stromen vanuit een te grote woning. De kosten die daaraan verbonden zijn voor de overheid, vallen in het niet bij de opbrengsten van die betere doorstroming. Het zou de samenleving helemaal veel opleveren als er woonvormen komen waarbij ouderen en jongeren samen een gemeenschap kunnen vormen.

Voorzitter. We weten het. We weten dat mensen opbloeien in gemeenschap en verbondenheid en met woonbeleid kun je deze verbondenheid belemmeren of juist vooruithelpen. Dit kleine maar fijne wetsvoorstel is daarom een stap vooruit. Onze wetgeving is nu vooral gericht op individuen en op individuele huisvesting, niet op gemeenschappen. Met dit voorstel komt daar verandering in. Door wooncoöperaties duidelijk in de wet te definiëren, krijgen deze gemeenschappen eindelijk de erkenning die tot nu toe ontbrak. Wooncoöperaties als woonvorm zijn nu nog een niche, maar elke innovatie is begonnen als een niche.

Het is goed dat er met dit wetsvoorstel meer ruimte komt voor wooncoöperaties en prachtige initiatieven, zoals dat aan de Haagse Roggeveenstraat, waar bewoners 65 sociale huurwoningen hebben gered van de sloop en onderbrachten in een huurcoöperatie. En inderdaad, meneer Dijk, dat begon in een tuin. Ik ben er ook geweest, samen met de SP trouwens. Prachtig. Ik hoop dat dit initiatiefwetsvoorstel eraan bijdraagt om deze initiatieven te laten bloeien, maar ook om meer van dit soort initiatieven te krijgen. Denk ook aan de wooncoöperatie Overhoop in Utrecht, met een buurthuiskamer en een kringloopwinkel waar de buurt welkom is. Dat zijn initiatieven waar je blij van wordt. Daarom dank ik collega Beckerman nogmaals voor haar initiatief.

Het is een belangrijke eerste stap, maar we zijn er natuurlijk nog niet en dat erkent collega Beckerman ook. Daarom heb ik een paar vragen aan haar als indiener. Ik ben vooral benieuwd welke stappen we nog meer kunnen zetten om wooncoöperaties te stimuleren. Daarover dus wat vragen, maar ik ben ook wel benieuwd naar de inzet van de minister hierop.

De steun voor wooncoöperaties delen wij dus met de initiatiefnemer. Toen ik het wetsvoorstel las, speelde bij mij dan ook de vraag of we niet veel meer kunnen doen. Ik kan natuurlijk volgen dat de indiener dit graag eerst goed geregeld wil hebben voordat we volgende stappen zetten. Toch hoor ik graag waarom zij ervoor gekozen heeft om zich te beperken tot deze eigenlijk beperkte maatregelen, deze definiëring. Welke inzet acht de indiener nog meer noodzakelijk om wooncoöperaties verder te brengen? Ik hoor ook graag van haar welke inzet zij van de minister verwacht om wooncoöperaties te stimuleren.

Er zijn verschillende doelgroepen die open zouden staan voor gedeelde woonvormen. Ik denk bijvoorbeeld aan studenten en ouderen, die beiden baat hebben bij gezamenlijke woonvormen. Wat is de inzet van de indiener voor deze groepen? Hoe mooi zou het zijn als deze jonge en oude mensen elkaar kunnen vinden in hun behoefte aan een plek om samen te wonen? Welke mogelijkheden ziet zij daarvoor?

Dan heb ik ook nog wat vragen aan de minister, onze adviseur. Want hoewel het initiatief voor deze wet uit de Kamer komt, is er dus ook veel inzet nodig van de minister. Ik hoop dat zij de handschoen wil oppakken en het harde werk van collega Beckerman weet af te maken. Is de minister bereid om dat te doen? Wil zij zich hard maken voor deze vorm van wonen? Kan de minister reageren op de antwoorden van de indiener op de vraag wat zij van de minister verwacht? Dat wordt dus nog wel wachten op de eerste termijn van de indiener. Dat besef ik. Deelt de minister de mening dat wooncoöperaties niet mogen worden gezien als een vorm van een onderneming, ook niet met een vinkje, die misschien wel vpb, vennootschapsbelasting, zou moeten afdragen? Is dat eigenlijk wel goed geregeld? En als dat niet zo is, wat kan de minister eraan doen om te voorkomen dat er ooit vanuit een wooncoöperatie vennootschapsbelasting zou moeten worden betaald? Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich eigenlijk tot de plannen van de minister voor ouderenhuisvesting? Welke rol voor wooncoöperaties ziet zij in het bevorderen van het doorstromen van ouderen?

Het is goed dat binnen het SVn het Fonds Coöperatief Wonen is gestart. Er is daar nu 60 miljoen euro beschikbaar, ook met dank aan amendementen uit deze Kamer, van de indiener en ook van een aantal andere partijen in dit huis, waaronder de mijne. Daar is gelukkig veel belangstelling voor, dus de pot dreigt al snel leeg te raken. Nog voordat het revolverende karakter in de praktijk kan worden gebracht, is straks de spaarpot of dat fonds leeg. Daarnaast zij de voorwaarden voor snelle afbetaling zo streng dat wooncoöperaties geen financiering kunnen aanvragen. Hoe ziet de minister dat? Hoe wil de minister de werking van dit fonds voor wooncoöperaties in de praktijk verbeteren, zodat ze er echt wat aan hebben? Graag een concrete reactie.

De vraag hoe wooncoöperaties worden gemonitord, staat ook nog open. Nu vallen zij in de woningbouwcategorie van particulier opdrachtgeverschap. Handhaaft de minister die monitoring van wooncoöperaties in deze categorie, zoals experts adviseren, of is zij iets anders van plan? Wil zij deze categorie opnemen in de Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw, de LMVW? Uit onderzoeken, waaronder dat van Cooplink, worden nog veel belemmeringen genoemd waar de minister nog best een hoop werk voor te doen heeft. Een paar vragen daarover. Is de minister bereid om te komen tot landelijke uniforme toepassing van de kostendelersnorm voor bewoners van wooncoöperaties? Nu zijn er nog veel verschillen tussen gemeenten. Wat kan en wil zij daaraan doen? Een andere belemmering is het ontbreken van de mogelijkheid tot huurtoeslag. Is de minister bereid om mogelijkheden uit te werken om huurtoeslag toegankelijk te maken voor bewoners in wooncoöperaties of voor wooncoöperaties zelf? De regels rondom brandveiligheid zijn nu ook vaak nog een belemmering. Kan de minister uitwerken hoe die regels beter kunnen aansluiten bij de specifieke kenmerken van gedeelde ruimten in wooncoöperaties?

In het wetsvoorstel wordt aangegeven dat het vaak moeilijk is om grond te vinden voor het starten van een wooncoöperatie. Dat hebben wij ook uit de praktijk heel vaak te horen gekregen. Gemeenten geven vaak aan dat de regels rondom mededingingsruimte als een obstakel worden gezien om grond te kunnen gunnen aan wooncoöperaties. Tegelijkertijd heeft de ambtsvoorganger van deze minister geschreven dat dat in de praktijk helemaal niet hoeft, omdat je gewoon duidelijk als gunningscriterium kunt opnemen dat het wel aan een wooncoöperatie gegund kan worden. Hoe dat ook zij, is de minister bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om wooncoöperaties daadwerkelijk als een apart selectiecriterium op te nemen bij het toewijzen van gemeentegronden?

Voorzitter. Dat waren zo wat vragen. Deze wet is belangrijk en is ook nog maar een begin, want er kan nog veel worden gedaan om deze gemeenschappen te bevorderen. Daartoe heb ik natuurlijk verschillende moties voorbereid voor de tweede termijn, maar eerst kijk ik uit naar de antwoorden van collega Beckerman en de minister. Dan kijk ik daarna welke moties er nou daadwerkelijk zouden moeten worden ingediend.

Tot zover.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng. De heer Flach, namens de SGP. Gaat uw gang.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Hartelijk dank, zeg ik tegen de initiatiefnemer, voor het indienen van zo'n wetsvoorstel. Ik heb het zelf ook één keer gedaan en dan besef je eigenlijk hoeveel werk er achter zo'n wet zit, dus het is inderdaad goed om te vermelden dat we dat ook allemaal doen. Het is een intensief traject en ik wil de indiener veel succes wensen met het vervolg van dit wetstraject.

Voorzitter. De SGP deelt de wens van de initiatiefnemer om wooncoöperaties beter te faciliteren. Het is een bijzondere woonvorm en kan een mooie bijdrage leveren aan het oplossen van het woningtekort. Elke woning is er één, dus we moeten ook dit soort woonvormen stimuleren. Daarnaast voldoet het ook aan een vraag: sommige mensen zoeken een woonvorm waarin gemeenschapszin hoog in het vaandel staat. Dat moeten we koesteren in een tijd waarin de samenleving uiteen lijkt te slaan in individuele eenheden. In zo'n wooncoöperatie kan de sociale cohesie misschien wel bovengemiddeld hoog zijn. Sterker nog, dat moet die bijna wel zijn. Het kan ook bijdrage aan de leefbaarheid van wijken. De SGP is dan ook positief over de technische kant van het wetsvoorstel, namelijk het wettelijk verankeren van goede definities. Volgens mij kan dat inderdaad helpen bij het verkrijgen van de financiering en misschien kan het ook wel zorgen voor meer bekendheid. Als dit soort juridische belemmeringen in de weg staan, moeten we de regels inderdaad verbeteren.

Er zijn echter ook twee punten waar we wat twijfels bij hebben. Eén. Het wetsvoorstel vraagt ook iets van gemeenten. Het voorgestelde artikel 68 regelt dat. Daar staat dat het college van B en W het beleid over het bevorderen van wooncoöperaties vaststelt in het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma. De SGP heeft daar moeite mee. Niet in alle gemeenten is er vraag naar wooncoöperaties. Misschien is er juist wel vraag naar andere vormen, waarvoor eerst de aandacht van de gemeente nodig is. Er zijn sowieso veel meer soorten woningen te onderscheiden waarvoor gemeenten nu ook niet verplicht zijn om daar beleid over vast te stellen. Ik zie dan ook niet in waarom speciaal voor wooncoöperaties gemeenten dit wél moeten opstellen. Overigens lees ik in de tekst en de toelichting wisselende signalen over deze verplichting. De wettekst lijkt te impliceren dat het een verplichting is, terwijl de toelichting soms suggereert dat het vrijblijvend is. Daar wees de Raad van State ook op. Naar aanleiding daarvan zouden de tekst en de toelichting zijn aangepast, maar de oude versie verschilt in de uitwerking weinig tot niets van de nieuwe versie, is mijn waarneming. De zin in artikel 68 is wat verbouwd, maar de uitwerking is volgens mij dezelfde. Zo niet, dan hoor ik dat graag in de eerste termijn van de indiener. Kan zij dat toelichten? Wat is er in het nieuwe wetsartikel precies veranderd en welke taken krijgen gemeenten nu precies?

Het tweede punt waar wij wat twijfels bij hebben, is wat dit uiteindelijk gaat kosten. Dan denk ik inderdaad aan aangepaste grondprijzen of subsidie of wat er dan ook in de toekomst achter weg komt. Hoe voorkom je dat hierdoor een bepaald soort ongelijkheid ontstaat ten opzichte van mensen die niet de gelegenheid hebben om zich in zo'n wooncoöperatie te vestigen?

Dan nog even teruggrijpend op dat eerste punt. In het tweede lid van artikel 68 wordt er een grondslag voor een algemene maatregel van bestuur geboden. Hierin worden aspecten van beleid aangewezen waarvoor het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma in ieder geval beleid bevat. De SGP had in de schriftelijke ronde gevraagd naar de inhoud van die AMvB. Die vraag is nog niet beantwoord, maar wellicht kan de initiatiefnemer deze vraag alsnog beantwoorden. Kan zij een idee geven van de inhoud van de AMvB?

Ten slotte. Uiteindelijk moet deze wet in de praktijk gaan werken. Enkel de definities vaststellen betekent niet direct dat het opzetten van een wooncoöperatie ook gestimuleerd wordt. Ik hoor graag van de initiatiefnemer hoe zij dit voor zich ziet. Wat is er nog meer nodig om deze woonvormen toegankelijk te maken?

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw inbreng. Komt u naar voren, meneer Mooiman. De heer Nobel wilde deze kant al op komen, maar de heer Mooiman gaat toch eerst spreken namens de PVV. Gaat uw gang.

De heer Mooiman (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Voor ons ligt het initiatiefwetsvoorstel ter bevordering van wooncoöperaties. Allereerst wil ik natuurlijk mevrouw Beckerman en haar ondersteuning complimenteren en danken voor de inzet ten aanzien van deze wetgeving, maar ook voor de nota naar aanleiding van het verslag, waar wij veel vragen in kwijt konden, die ook goed beantwoord zijn.

Wat de PVV betreft kunnen wooncoöperaties een bijdrage leveren om de woningnood tegen te gaan. Gelet op het grote tekort van inmiddels meer dan 400.000 woningen is het van belang dat er ruimte wordt geboden aan verschillende initiatieven die de beschikbaarheid van woningen vergroten. We zien dit wetsvoorstel als een aanzet om meer erkenning en uniformiteit te creëren voor deze vorm van wonen. Zoals de indiener zelf al stelt in haar memorie van toelichting heeft deze woonvorm op het moment te maken met een aantal uitdagingen die ervoor zorgen dat wooncoöperaties lastig van de grond komen, waaronder een gebrek aan uniformiteit, professionaliteit, maar zeker ook financiering. Door wettelijke verankering en het inbouwen van waarborgen kunnen deze problemen mogelijkerwijs worden verholpen.

Alhoewel het in dit wetsvoorstel met name gaat om het verbeteren en het verbreden van de wettelijke definitie van wooncoöperaties om een oplossing te kunnen bieden voor deze problematiek, leven er bij ons nog wel een aantal vragen.

Er wordt gesteld dat gemeenten en woningcorporaties op het moment terughoudend zijn met het ondersteunen van coöperaties. Alhoewel er een opdracht aan gemeenten wordt gegeven om deze coöperaties te bevorderen, vragen wij de indiener wel hoe zij denkt dat met deze wet andere pijnpunten, zoals de behoefte aan, maar zeker ook de prijs van bouwgrond, kunnen worden opgelost. Ontbreken daarvoor geen elementen in deze wet? Dat is ook gelijk een vraag aan de minister. Hoe denkt de minister dat deze pijnpunten in de toekomst kunnen worden opgelost?

Daarnaast vragen we de initiatiefnemer wat zij noodzakelijk acht om enclavevorming tegen te gaan en de toegankelijkheid van wooncoöperaties daadwerkelijk te kunnen borgen; we hebben dat ook al gevraagd in het verslag. De initiatiefnemer schrijft in haar nota van beantwoording op onze vragen dat onze zorgen daaromtrent herkenbaar zijn. Ze antwoordt dat het makkelijker wordt om coöperaties te starten en dat het dus ook aantrekkelijker wordt voor anderen om deze te beginnen. Tegelijkertijd vragen we ons wel af hoe zich dit verhoudt tot reeds bestaande coöperaties of coöperaties nadat deze gevormd zijn. Zo kan er bepaald worden wie in een vrijgekomen woning trekt, maar hoe wordt geborgd dat dit daadwerkelijk toegankelijk blijft? In dat kader vragen we ons tevens af hoe de indiener denkt dat risico's kunnen worden weggenomen waar het gaat om het enkel toelaten van mensen met een specifieke overtuiging.

Voorzitter. Waar het gaat om de aansluiting op de verschillende fiscale maatregelen horen we graag van de minister hoe zij denkt dat dit op een betere manier vormgegeven kan worden. De huurtoeslag is net al langsgekomen. Ik denk dat op het moment dat we deze woonvorm willen bevorderen, mensen ook op een volwaardige manier mee moeten kunnen doen met de financiële en fiscale regels die daaromtrent zijn.

Voorzitter. Al met al staat de PVV positief tegenover voorliggend wetsvoorstel. We hopen dat de initiatiefneemster enkele van onze vragen weg kan nemen. We zullen eventueel met voorstellen komen om het een en ander te waarborgen en te verbeteren.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng. De heer Nobel namens de VVD. Gaat uw gang.

De heer Nobel (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Allereerst wil ik complimenten geven aan mevrouw Beckerman, maar ook aan alle mensen die haar ondersteund hebben, voor het harde werk dat zij heeft gestoken in dit initiatiefwetsvoorstel. De VVD heeft welwillend gekeken naar dit voorstel, maar er zijn toch een aantal punten waar ik namens mijn partij graag bij stil wil staan.

Wooncoöperaties zijn een aanvulling op de woningmarkt, maar onze focus moet vooral liggen op het realiseren van extra woningen en het vergroten van het aanbod. Alleen dan wordt wonen namelijk goedkoper en toegankelijker voor de woningzoekende. De initiatiefnemer zegt terecht dat er een aantal belemmeringen zijn bij wooncoöperaties, waaronder bijvoorbeeld de financiering. De VVD ziet hier ook een groot knelpunt. Dit wetsvoorstel legt namelijk de wettelijke definities voor wooncoöperaties vast. Tegelijkertijd draagt elk project financiële risico's met zich mee. Daarom vraag ik aan de initiatiefnemer wie naar aanleiding van dit wetsvoorstel straks die financiële risico's gaat dragen. Wat de VVD betreft kunnen die negatieve financiële gevolgen uiteindelijk namelijk niet bij de belastingbetaler terechtkomen. Hoe kijkt de initiatiefnemer hiernaar? Ook als de financiering wel goed verloopt en de woningen gebouwd worden, is er een kans dat de woningen die tot stand zijn gekomen, uiteindelijk door subsidie of andere regelingen meer geld kosten dan wanneer we dezelfde woningen zouden laten bouwen door bijvoorbeeld private partijen, zonder dat daar uiteindelijk belastinggeld naartoe hoeft te gaan. Er is op dit moment al een stimuleringsfonds van 60 miljoen euro. Wat de VVD betreft gaat daar niet meer geld naartoe, ook niet als dit wetsvoorstel wordt aangenomen. Ik ben ook benieuwd naar de reactie van de minister hierop.

Voor mensen die in de sociale sector een woning zoeken, hebben we professionele partijen zoals woningcoöperaties. Die genieten vele voordelen ten opzichte van marktpartijen. De vraag die ik aan de initiatiefnemer zou willen stellen, is dan ook waarom we niet-professionele partijen zouden willen subsidiëren en willen voorzien van extra begeleiding vanuit bijvoorbeeld de gemeente, als we weten dat bouwprojecten naar alle waarschijnlijkheid langer gaan duren. En hoe kijkt de initiatiefnemer aan tegen wooncoöperaties die de wettelijke definitie misschien gaan misbruiken?

Het wetsvoorstel schrijft voor dat gemeenten verplicht beleid moeten gaan maken voor wooncoöperaties. Veel gemeenten zijn op dit moment eigenlijk al niet in staat om alle taken die ze op hun bordje hebben te realiseren, omdat ze de capaciteit missen. Hoe kijkt de initiatiefnemer naar deze toename van administratieve lasten en van de beleidsdruk voor gemeenten? Is er bij gemeenten überhaupt wel voldoende kennis in huis om initiatiefnemers hierbij te helpen?

Omdat gemeenten ook vaak hun eigen beleid mogen bepalen, krijgen we bovendien een lappendeken met verschillende regelgeving. Daar is de VVD in ieder geval bang voor. De VVD wil juist dat er minder regels worden gestapeld, en meer stenen.

De ruimte voor woningbouw is schaars en de woningbouwopgave is groot. Om die reden moeten we er wat de VVD betreft voor zorgen dat professionele partijen zo snel mogelijk kunnen bouwen op plekken waar dat is toegestaan. De VVD vindt dat er op grote schaal woningen moeten worden gebouwd, en de verwachting is dat de bijdrage van wooncoöperaties minimaal is. Daarom moeten woningbouwcorporaties en ontwikkelaars wat de VVD betreft zo snel mogelijk aan de slag. Wooncoöperaties zijn daarbij op zich een welkome aanvulling.

Voor nu: dank, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Als laatste spreker van de zijde van de Kamer is het woord aan de heer Clemminck namens JA21. Gaat uw gang.

De heer Clemminck (JA21):

Voorzitter. Ik wil eerst mijn waardering uitspreken voor collega Beckerman. De Tweede Kamer is niet alleen controleur, maar ook medewetgever, met als ultiem instrument, misschien ook wel het mooiste, het recht van initiatief. Alleen daarom al geef ik mevrouw Beckerman de complimenten vanuit mijn fractie. Het is een initiatiefwet over een onderwerp waar de Socialistische Partij zeer begaan mee is. Het is een onderwerp waarover mevrouw Beckerman altijd met veel passie spreekt. Soms doet ze dat met oprechte verontwaardiging, maar altijd met veel kennis van zaken. Het onderwerp is de woningmarkt. Ik noem het met nadruk "woningmarkt". Dat doe ik niet om vervelend te doen of om een plaagstootje uit te delen, hoewel mevrouw Beckerman daar volgens mij prima tegen kan, maar om aan te geven dat de Socialistische Partij en een liberaal en marktgericht denkende partij als JA21 heel verschillend zijn en heel verschillend kijken naar dit vraagstuk. We hebben wel hetzelfde doel voor ogen: voor iedereen een fijne en betaalbare woning. Maar de probleemanalyse en oplossingsrichting lopen bij onze partijen vaak uiteen. Althans, op dit onderwerp is dat zo; er zijn ook onderwerpen waarover de SP en JA21 elkaar wel weten te vinden.

De fractie van JA21 heeft nog geen finaal oordeel over dit wetsvoorstel. Wel heeft zij een aantal vragen, oprechte nieuwsgierigheid naar de antwoorden en ook zorgen. Kan mevrouw Beckerman bijvoorbeeld ingaan op het verplicht opnemen van wooncoöperaties in de gemeentelijke woonvisie en straks in de volkshuisvestingsprogramma's? Is dat nu wel of niet verplicht? Op basis van de memorie van de toelichting, ook in de nieuwe versie, is ons dat nog niet duidelijk. Kan mevrouw Beckerman ook aangeven of er toch extra taken, inspanning en expertise nodig zijn bij gemeenten en hoe we ervoor zorgen dat dat kan en uitvoerbaar is? Ik zou op dit punt ook graag een reflectie willen van de adviseur, de minister.

Voorzitter. De wet lijkt inhoudelijk sympathiek, technisch van aard en beperkt in reikwijdte, maar er doemen toch een aantal vragen op. Sommige vragen worden geadresseerd door de indiener, maar wel wat summier, bijvoorbeeld over de kostendelersnorm. JA21 is daar een voorstander van. Huursubsidie is namelijk niet per persoon, maar is bedoeld om de woning voor een huishouden betaalbaar te krijgen. Dat geldt ook voor de huurtoeslag. In de stukken wordt aangegeven dat wooncoöperaties in de praktijk tegen problemen aan kunnen lopen bij het verkrijgen van huurtoeslag, maar er zijn wellicht meer onderwerpen die door deze wet worden geraakt. Zwemmen we hier dan niet een fuik in? Kan mevrouw Beckerman ingaan op deze zorgen van mijn fractie? Voorziet de indiener dat bij aanvaarding van dit wetsvoorstel tal van andere wet- en regelgeving in de toekomst toch aangepast moet worden?

Laat ik eerlijk zijn: we hebben in ons land juist gezien wat er gebeurt als regelingen te ingewikkeld worden. Dan ontstaan uitzonderingen op uitzonderingen, maatwerk op maatwerk en uiteindelijk een systeem dat voor burgers én uitvoerders niet meer te begrijpen en niet meer uit te voeren is. JA21 is daarom wat terughoudend bij dit voorstel. De kostendelersnorm, die ik zojuist noemde, bestaat niet voor niks; die is gebaseerd op een eenvoudig uitgangspunt: wie kosten kan delen, heeft minder individuele ondersteuning nodig dan iemand die alle lasten van een woning alleen moet dragen. Dat is een vorm van redelijkheid, ook richting de belastingbetaler. Als mensen bewust kiezen voor een collectieve woonvorm, waarbij gemeenschappelijkheid, gedeelde voorzieningen en onderlinge steun juist centraal staan, is het misschien niet logisch om vervolgens te zeggen dat het delen van deze kosten ook voor de sociale zekerheid buiten beschouwing moet blijven. Dan krijg je de merkwaardige situatie dat een collectief voordeel wel wordt benadrukt als argument vóór wooncoöperaties, maar dat deze woorden worden weggenomen zodra er gevolgen zijn voor een uitkering of een toeslag. Daar is JA21 geen voorstander van. Kan mevrouw Beckerman daarom helder aangeven of zij vindt dat bewoners van wooncoöperaties zouden moeten worden uitgezonderd van bijvoorbeeld de kostendelersnorm?

Voorzitter. Dan de huurtoeslag. Ook daar zien we hetzelfde patroon. In de stukken wordt genoemd dat wooncoöperaties in de praktijk kunnen aanlopen tegen problemen met het verkrijgen van huurtoeslag. Kan mevrouw Beckerman bevestigen dat dit wetsvoorstel op zichzelf geen recht op huurtoeslag wijzigt of uitbreidt? Dit is ook een vraag aan de minister. Kan de indiener ook bevestigen dat er geen aparte huurtoeslagregels nodig zijn voor bewoners van wooncoöperaties?

Voorzitter. Ik rond af. Als je alles bij elkaar veegt, doemt daar ineens toch het spook op waar de woningmarkt zo'n last van heeft, namelijk regulering en bureaucratie, en te weinig rendement voor investeerders. Ook zijn er zorgen bij mijn fractie over de betaalbaarheid van woningcoöperatieprojecten. Creëren we niet een nieuwe categorie van woningen die onrendabel zijn en die dus vragen om specifieke dekking? Ik ga ervan uit dat de initiatiefnemer verwacht, en ook hoopt, dat het aantal wooncoöperaties in de toekomst gaat toenemen. Zijn dan de middelen in het Fonds Coöperatief Wonen wel voldoende? Graag een reactie van de indiener maar ook van de minister.

Als je alles optelt, komt ook het vraagstuk van proportionaliteit ter tafel. Zijn de voordelen van deze wetgeving, die ik ook wel zie, wel voldoende voor de nadelen die ik heb genoemd? Immers, elke euro belastinggeld kan maar één keer worden uitgegeven en elk uur van ambtenaren Wonen kan ook maar één keer worden besteed. En hoe sympathiek ook, de echte problemen van de woningmarkt worden hier niet mee opgelost, daar is de indiener ook heel eerlijk over. De echte problemen zijn wat mij betreft overregulering, te weinig rendement voor investeerders en het feit dat vijf van de tien nieuwe steden van D66 nodig zijn om de massa-immigratie op te vangen.

Voorzitter. JA21 is dus nog kritisch op dit voorstel, maar we zijn ook oprecht benieuwd naar de beantwoording door mevrouw Beckerman. Ik weet dat de inbreng van JA21 op dit woondossier vaak tot teleurstelling leidt bij mevrouw Beckerman, maar mijn fractie wenst haar oprecht alle succes, wat de uitkomst ook moge zijn.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn bij het voorstel van wet van het lid Beckerman. Daarmee zijn we ook aan het einde gekomen van de vergadering van vandaag.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik wil in het bijzonder de mensen bedanken die hierheen gekomen zijn om dit debat te volgen en uiteraard ook de mensen die het op afstand hebben gevolgd. De voortzetting van het debat is voorzien op 18 juni. Daarmee zijn we aan het einde gekomen. Bedankt in ieder geval voor uw aanwezigheid. Dank aan de minister en dank aan de leden. We zijn aan het einde gekomen van de vergadering van woensdag 10 juni. Ik sluit de vergadering.

Sluiting

Sluiting 20.16 uur.