Tweede Kamer, 81e vergadering
- Begin10:15
- Sluiting22:44
- StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Paulusma
Aanwezig zijn 140 leden der Kamer, te weten:
El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, De Beer, Van den Berg, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, Martin Bosma, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Coenradie, Dassen, Dekker, Tony van Dijck, Heera Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Ergin, Faber, Flach, Goudzwaard, Grinwis, Van Groningen, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Jagtenberg, Chris Jansen, Jumelet, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maeijer, Maes, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Van Meijeren, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Müller, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Van Oosterhout, Oosterhuis, Ouwehand, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Podt, Poortman, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schenk, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Verkuijlen, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,
en de heer Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de heer Jetten, minister-president, minister van Algemene Zaken, en mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,
alsmede de heer Azmani, lid Europees Parlement, de heer Chahim, lid Europees Parlement, de heer Gerbrandy , lid Europees Parlement, de heer Gotink, lid Europees Parlement, de heer Van Lanschot, lid Europees Parlement, de heer Lenaers, lid Europees Parlement, de heer Ruissen, lid Europees Parlement en de heer Smit, lid Europees Parlement.
De voorzitter:
Ik open de vergadering van 11 juni 2026.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.
Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.
Hamerstukken
Hamerstukken
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Goedkeuring van de op 15 november 2023 te Apia, Samoa tot stand gekomen Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de leden van de Organisatie van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, anderzijds (Trb. 2024, 47) (36857);
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag (36911);
het wetsvoorstel Wijziging van de Bankwet 1998 in verband met de invoering van een periodieke rapportageverplichting betreffende hypothecaire leningen ten behoeve van de financiële stabiliteitstaak en statistische taak van DNB (Wet rapportage hypotheekmarkt DNB) (36846).
Deze wetsvoorstellen worden zonder beraadslaging en, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.
Gezondheidsraad d.d. 16 juni 2026
Gezondheidsraad d.d. 16 juni 2026
Aan de orde is het tweeminutendebat Gezondheidsraad d.d. 16 juni 2026 (21501-31, nr. 820).
De voorzitter:
Dan is aan de orde het tweeminutendebat Gezondheidsraad. Ik heet de leden van de Kamer van harte welkom. Ik heet de minister in vak K eveneens van harte welkom. Ik nodig graag de eerste spreker uit voor haar bijdrage. Dat is mevrouw Wendel, die spreekt namens de fractie van de VVD. Die niet spreekt namens de fractie van de VVD, excuus. Dan is mevrouw Van Meetelen als eerste. Zij spreekt namens de PVV-fractie.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat volksgezondheid, preventiebeleid, leefstijlbeleid, screening en de inrichting van het zorgstelsel nationale bevoegdheden zijn;
overwegende dat Europese samenwerking niet mag leiden tot Europese sturing of sluipende bevoegdheidsoverdracht;
verzoekt de regering zich in Europese gezondheidstrajecten te verzetten tegen iedere maatregel die nationale zeggenschap over zorg, preventie, screening, geneesmiddelenbeleid of de inrichting van het Nederlandse zorgstelsel direct of indirect aantast,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 822 (21501-31).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dan nog een aanvullende opmerking. De minister zegt dat zij de internationale ontwikkelingen volgt en Europees samenwerkt, maar Nederlandse patiënten hebben er niets aan als zij straks achteraan staan bij de apotheek of later toegang krijgen tot geneesmiddelen. Andere landen brengen de risico's van het Amerikaanse MFN-beleid, het "most favoured nation"-principe, wel actief in kaart. We hebben er al een keer om gevraagd. Waarom weigert deze minister nog steeds een concrete impactanalyse voor Nederland te maken? Graag alsnog een toezegging. Graag ook een toezegging dat de Kamer voortaan vooraf en tijdig wordt geïnformeerd wanneer Europese voorstellen gevolgen kunnen hebben voor nationale bevoegdheden.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Synhaeve, die spreekt namens de fractie van D66.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat momenteel de Europese tabakswetgeving herzien wordt;
constaterende dat een AI-tool van tabaksfabrikant Philip Morris bezwaarteksten schrijft tegen tabakswetgeving voor burgers die op de site van de Europese Commissie ingediend worden;
constaterende dat ook andere tabaksfabrikanten zoals British American Tobacco van een vergelijkbare AI-tool gebruikmaken;
overwegende dat burgers hiermee grootschalig tot doorgeefluik van het commerciële standpunt van de tabaksfabrikant worden gemaakt, wat de waarde van burgerparticipatie ondermijnt;
verzoekt de regering aan te dringen bij de Europese Commissie om de inbrengen van deze AI-lobby-tool kritisch te bekijken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Oosterhuis en Krul.
Zij krijgt nr. 823 (21501-31).
Dank u wel. Dan gaan wij nu luisteren naar de heer Claassen, die spreekt namens de Groep Markuszower.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Twee baanbrekende moties voor de Kamer. De eerste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Groeiplan MedTech Nederland in 2035 naar de Europese top moet brengen en 11.000 banen, jaarlijks 5 miljard euro extra export en toekomstbestendige zorg oplevert;
constaterende dat de sector dit plan zelf heeft aangeboden en publiek-private samenwerking centraal stelt;
overwegende dat innovatie geen kostenpost is maar een investering die zichzelf terugverdient;
verzoekt de regering in overleg te treden met de minister van Economische Zaken om te bewerkstelligen dat het Groeiplan MedTech als thema wordt omarmd en een haalbare publiek-private bekostiging wordt gevonden en nader uitgewerkt, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 824 (21501-31).
De heer Claassen (Groep Markuszower):
De tweede.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Europese start-ups sinds 2015 25 miljard euro aan durfkapitaal ophaalden, tegenover 219 miljard euro in de VS;
constaterende dat volgens de Europese Investeringsbank en de Commissie investeerders vestiging in de VS vaak als financieringsvoorwaarde stellen, en dat dit de belangrijkste directe reden is om te vertrekken;
overwegende dat Frankrijk en Italië strategische bedrijven beschermen tegen verplaatsing naar het buitenland;
verzoekt de regering alles op alles te zetten om Nederlandse start-ups te behouden, daartoe een gouden aandeel uit te werken voor potentiële disruptieve start-ups en de Kamer binnen zes maanden te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 825 (21501-31).
Dank u wel. De heer Krul staat er al klaar voor. Hij spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
De heer Krul (CDA):
Voorzitter. We zijn vorige week getuige geweest van een nieuw dieptepunt in de manier waarop de tabaksindustrie de samenleving probeert te beïnvloeden: met door AI gegenereerde reclames in de openbare ruimte die mensen oproepen zich te verzetten tegen strengere regels. Het kan niet zo zijn dat de overheid aan de ene kant mensen probeert te helpen om van roken af te komen, en dat de industrie aan de andere kant uit alle macht probeert dat te ondermijnen. We mogen dat niet laten gebeuren. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat tabaksfabrikant Philip Morris campagne voert tegen strengere Europese tabaksregels, via posters in winkelgebieden met een QR-code die voorbijgangers naar een website brengt waar ze AI-gegenereerde bezwaren tegen strengere regels bij de Europese Commissie kunnen indienen;
van mening dat dit een zeer onwenselijke en oneigenlijke vorm betreft van beïnvloeding van beleid door de tabaksindustrie;
overwegende dat door artsen en maatschappelijke organisaties reeds klachten zijn ingediend bij de Reclame Code Commissie, de NVWA en de Autoriteit Persoonsgegevens;
verzoekt de regering zich tegen deze campagne uit te spreken en er in overleg met de verantwoordelijke toezichthouders voor te zorgen dat deze campagne wordt gestopt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Krul, Bikker, Vliegenthart, Wendel, Dobbe en Synhaeve.
Zij krijgt nr. 826 (21501-31).
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven enkele minuten nodig te hebben voor de appreciatie van de ingediende moties. Ik schors dus voor enkele minuten. Blijf in de buurt.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Gezondheidsraad. Wij zijn toegekomen aan de appreciaties van de ingediende moties. Ik geef daartoe de minister van het harte het woord. Gaat uw gang.
Minister Hermans:
Dank, voorzitter. Ik begin met de motie op stuk nr. 822 van mevrouw Van Meetelen, die oproept om mij te verzetten tegen iedere maatregel die nationale zeggenschap zou verplaatsen. Ik werk in Europa op basis van artikel 168 van het Verdrag. In dat artikel is bepaald dat het optreden van de Unie de verantwoordelijkheid van de lidstaten eerbiedigt met betrekking tot de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en de geneeskundige zorg. Dat betekent dat besluiten over de inrichting van het Nederlandse zorgstelsel primair nationale aangelegenheden zijn. Vanuit dat vertrekpunt werk ik voor Nederlandse belangen. Daarom ontraad ik deze motie. Ik hoef mij niet ergens tegen te verzetten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 822 wordt ontraden.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 823 van mevrouw Synhaeve, de heer Oosterhuis en de heer Krul, over het gesprek met de Europese Commissie over de campagne van Philip Morris. Deze motie geef ik oordeel Kamer. Ik ben dinsdag in Luxemburg. Ik zal deze zorgen overbrengen en de Commissie vragen om een heel kritische grondhouding aan te nemen bij de input die is binnengekomen. Ik zal vragen op welke manier je hier nu mee kunt omgaan.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 823 krijgt oordeel Kamer. Daar heeft de heer Claassen één vraag over. Gaat uw gang.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb eigenlijk meer een technische vraag. Dinsdag gaat de minister daarnaartoe en gaat ze dat zeggen. De motie wordt dinsdag in stemming gebracht. Stel je voor dat de motie het niet haalt en de minister het toch heeft gezegd. Volgens mij is de motie dus eigenlijk ontijdig.
Minister Hermans:
Dit is een beetje hoe het werkt: voordat ministers op pad gaan naar Brussel, kan de Kamer boodschappen, verzoeken en andere opdrachten meegeven. Ik onderschrijf dit punt van harte. Als de motie niet wordt aangenomen, dan sluit ik niet uit dat ik hier toch een opmerking over maak. Misschien is dat een beetje gek, maar ik heb hier ook zelf een opvatting over. Deze motie onderschrijft alleen maar het gesprek dat ik zal voeren.
De voorzitter:
Voor de agenda van eenieder: er wordt vanmiddag gestemd over deze ingediende moties.
Minister Hermans:
Nou, meneer Claassen! Ik geef de motie op stuk nr. 823 oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 823 krijgt oordeel Kamer. Iedereen is op zijn wenken bediend.
Dan de motie op stuk nr. 824.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 824, van de heer Claassen, vraagt mij om in overleg te treden met de minister van Economische Zaken om MedTech als thema te omarmen en een haalbare publiek-private bekostiging te vinden en nader uit te werken, en de Kamer hierover te informeren. Ik ben altijd bereid om in overleg te treden. Sterker nog, ik ben op dit moment in overleg met het ministerie van Economische Zaken over onze MedTech-strategie. Dat gesprek wordt gevoerd en dat zal ik voortzetten. Ik moet daar wel bij zeggen dat ik hier niet de resultaatverplichting kan aangaan dat er een haalbare publiek-private bekostiging wordt gevonden. Dat zal ongetwijfeld onderdeel zijn van het gesprek, maar ik kan niet vooruitlopen op het resultaat. Het gesprek wordt dus gevoerd en daar ga ik mee door. Als ik de motie zo mag interpreteren dat ik die andere elementen onderdeel maak van het gesprek zonder dat ik weet waar het op uitkomt, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven. Anders moet ik de motie ontraden.
De voorzitter:
Met die interpretatie en toevoeging van de minister krijgt de motie op stuk nr. 824 oordeel Kamer. Ik ga vragen of de heer Claassen daarmee akkoord is.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dan haal ik "een haalbare publiek-private bekostiging wordt gevonden" er gewoon uit. Volgens mij zijn we er dan.
Minister Hermans:
Ja, dat denk ik ook.
De voorzitter:
De motie-Claassen (21501-31, nr. 824) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Groeiplan MedTech Nederland in 2035 naar de Europese top moet brengen en 11.000 banen, jaarlijks 5 miljard euro extra export en toekomstbestendige zorg oplevert;
constaterende dat de sector dit plan zelf heeft aangeboden en publiek-private samenwerking centraal stelt;
overwegende dat innovatie geen kostenpost is maar een investering die zichzelf terugverdient;
verzoekt de regering in overleg te treden met de minister van Economische Zaken om te bewerkstelligen dat het Groeiplan MedTech als thema wordt omarmd en nader wordt uitgewerkt, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. 827, was nr. 824 (21501-31).
Daarmee krijgt deze motie oordeel Kamer.
Dan de motie op stuk nr. 825.
Minister Hermans:
Deze motie, over de Nederlandse start-ups en het uitwerken van een gouden aandeel, is ontijdig. Ik deel met de heer Claassen de constatering uit de motie dat het van belang is dat we strategische bedrijven in Nederland behouden, ook voor de borging van onze economische veiligheid. De minister van Economische Zaken en Klimaat werkt op dit moment aan dit thema. Zij komt in het vierde kwartaal met een brief over economische veiligheid. Ik zou de heer Claassen graag willen vragen om daarop te wachten; vandaar dat de motie op stuk nr. 825 ontijdig is.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 825 krijgt de appreciatie ontijdig. Houdt de heer Claassen de motie op stuk nr. 825 aan?
Op verzoek van de heer Claassen stel ik voor zijn motie (21501-31, nr. 825) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Tot slot de motie op stuk nr. 826.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 826 is van de heer Krul, mevrouw Bikker, mevrouw Vliegenthart, mevrouw Wendel, mevrouw Dobbe en mevrouw Synhaeve. Die gaat over dezelfde campagne als de motie-Synhaeve. De motie op stuk nr. 826 krijgt oordeel Kamer. Daarbij moet ik wel zeggen dat de NVWA op de hoogte is van de campagne. Het is natuurlijk aan hen om te beoordelen of er sprake is van een overtreding van het reclameverbod. Als dat zo is, dan zal de NVWA optreden, maar zij rapporteren of communiceren natuurlijk niet over individuele gevallen. Het verzoek uit de motie kan ik steunen, dus deze motie krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 826 krijgt oordeel Kamer.
Minister Hermans:
Ik had nog een vraag van mevrouw Van Meetelen over het "most favoured nation"-beleid. In de vraag zat de suggestie dat dit kabinet zich daar niet op voor zou bereiden of daar niet mee bezig zou zijn. Dat is niet het geval. Ik voer daar gesprekken over. Dat hebben we al gedaan en dat gaat dinsdag ook weer gebeuren. In het verslag over de Gezondheidsraad zal ik daar natuurlijk ook uitgebreid over terugkoppelen.
De voorzitter:
Mevrouw van Meetelen, één vraag.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, ik heb één vraag. Het was eigenlijk geen suggestie, want het gaat erom dat wij om een impactanalyse hebben gevraagd. Dat is de exacte vraag die ik aan de minister heb: waarom wil zij die niet uitvoeren? Het liefste wil ik dat die wel wordt uitgevoerd. Daar vroeg ik een toezegging op.
Minister Hermans:
Je kan op verschillende manieren effecten in beeld brengen of daar een beeld bij krijgen, zoals over bepaalde besluiten en besluiten die andere landen nemen. De route die dit kabinet kiest is om hier veelvuldig over in gesprek te zijn. Ik heb er twee weken geleden online een gesprek over gevoerd met mijn Europese collega's. Dinsdagochtend heb ik daar een ontbijtbijeenkomst voor. Ook de lunch gaat hierover. Ik ben dus op allerlei manieren hiermee bezig. Ik vorm mezelf een beeld van de potentiële impact. Natuurlijk bedenken we dan ook wat we als Nederland moeten doen, alleen en in samenwerking met de landen in Europa, om ons hiertegen te beschermen.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Voorzitter, afrondend. Ik vind het toch teleurstellend. Het zijn echt grote risico's. Andere landen doen het wel. Ik zou de minister dus nogmaals willen vragen om het wel te gaan doen. Als dat niet het geval is en we lopen tegen dit probleem aan, dan gaan we het zien. Ik heb het in ieder geval nu voor de derde keer gevraagd.
Minister Hermans:
Voorzitter. Ik geef daar op mijn manier invulling aan, zoals ik dat net heb geschetst. Ik zal er in het verslag over de Gezondheidsraad ook op ingaan, dan kan mevrouw Van Meetelen de weging maken of ik haar daarmee voldoende informatie heb gegeven.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Zoals eerder gezegd, gaan wij vanmiddag stemmen over de ingediende moties. Ik schors voor enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en jeugdhulpverlening.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening. Ik heet alle leden van de Kamer van harte welkom. Ik heet de minister in vak K van harte welkom. Ik heet alle aanwezigen op de publieke tribune van harte welkom. Dan gaan wij starten met de eerste spreker, maar niet voordat ik mevrouw Moinat het woord heb gegeven. Gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Voorzitter. Ik wil graag een verzoek indienen om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid lopende dit debat alsnog naar de Kamer te halen, aangezien er in het verzoek van mevrouw Van Meetelen ook iets stond over Stadskanaal. Ik kan me dus voorstellen dat inbrengen Justitie zullen raken. Ik hoop dat we daar gewoon een goed debat over kunnen voeren, ook van de kant van Justitie.
De voorzitter:
Ik ga naar de Kamer kijken, uw collega's, om te horen wat ze hiervan vinden en of ze dit verzoek steunen.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Ik snap de inhoudelijke motivatie van mevrouw Moinat. Alleen om nu last-minute op stel en sprong de staatssecretaris deze kant op te halen die zich niet heeft kunnen voorbereiden op dit debat, lijkt me geen wenselijke situatie. Dus als we dat als Kamer voortaan vinden, dan is de regeling van werkzaamheden het moment om dat te doen. Wat ons betreft geen steun.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik kan me voorstellen dat de staatssecretaris moeilijk vragen over Stadskanaal kan beantwoorden, omdat we nog niet alle informatie hebben. Ik heb daar in mijn bijdrage ook geen vragen over. Als ze kan, is het prima om aan te schuiven, maar ik kan me voorstellen dat zo'n verzoek op het laatste moment niet goed uitkomt.
De voorzitter:
Dit interpreteer ik als "geen steun"? Dus geen steun.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Vanuit ons ook geen steun voor dit verzoek. In aanvulling op de argumenten die al zijn gedeeld: ik heb in mijn bijdrage juist gefocust op de kwaliteit van de zorg. Dat vond ik ook passend bij het onderwerp van dit debat.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb zelf geen vragen aan de staatssecretaris van JenV. Ik zou ervoor willen waken dat we het debat zouden uitstellen omdat we moeten wachten op een bewindspersoon. Ik heb er geen bezwaar tegen als de staatssecretaris dit nu hoort en denkt: ik schuif aan. Dan heb ik daar natuurlijk geen bezwaar tegen.
De voorzitter:
Ik moet wel iets kunnen interpreteren: geen steun of steun.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dan neig ik naar: geen steun.
De voorzitter:
Dus geen steun. Mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Voorzitter. Mijn naam werd net genoemd. Het klopt: ook Stadskanaal. Maar ik heb het in mijn inbreng juist over de zorg en de wijze waarop die is ingericht. Ik ga dit verzoek dus niet steunen. Ik had het ook liever van tevoren geweten. Dan hadden we erover kunnen nadenken en hadden wij het tijdens de regeling van werkzaamheden kunnen aanvragen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Voorzitter. Er zijn inderdaad al veel argumenten gegeven. Het had bij de regeling aangevraagd kunnen worden. Dat is niet gebeurd. Wat ons betreft dus geen steun.
De heer El Abassi (DENK):
Steun. Als de minister aanwezig kan zijn, dan graag.
De voorzitter:
Dan hebben wij ondertussen geteld. Er is geen meerderheid voor het verzoek dat gedaan is.
Dan gaan we nu wel beginnen met het debat. Ik nodig mevrouw Moinat uit voor haar bijdrage. Zij spreekt namens de Groep Markuszower.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank. Wij hebben dit debat aangevraagd naar aanleiding van de onthullingen over jongeren met zware problematiek die tegen enorme kosten worden ondergebracht op vakantieparken. Opnieuw worden we geconfronteerd met een situatie waarbij iedere Nederlander intuïtief aanvoelt dat dit niet normaal is. Kinderen met complexe problematiek horen niet thuis op vakantieparken. Zij horen thuis in een veilige, gespecialiseerde omgeving waar behandelingsstructuur en perspectief centraal staan. Ik wil graag van de minister weten wat de laatste stand van zaken is omtrent deze casus.
Voorzitter. Deze casus rond de vakantieparken vormt het zoveelste symptoom van een jeugdzorgsysteem dat al jaren ontspoort. Cynischer geformuleerd: het systeem functioneert misschien juist uitstekend voor zichzelf, maar de gevolgen zijn inmiddels zo buitensporig en de sector zit zo vol met perverse prikkels, dat men zich serieus moet afvragen of het huidige stelsel nog primair gericht is op het oplossen van problemen, of vooral op het in stand houden van zichzelf. De kosten stijgen ieder jaar verder. Rapporten stapelen zich op. Organisaties groeien. Bestuurders wisselen elkaar af. Maar het ergste is dat kinderen beschadigd achterblijven.
Na ieder drama volgt dezelfde reflex. Wij als Kamer zijn boos. Dan volgt een nieuw onderzoek, een nieuwe evaluatie, een nieuw rapport. Laat ik nu toch wat zout in de etterende wond strooien. Kinderen worden beschadigd doordat volwassenen hun verantwoordelijkheid niet nemen. Medewerkers, behandelaars, leidinggevenden en bestuurders beschikken soms over signalen van onveiligheid, maar handelen onvoldoende, niet, of te laat.
Wanneer kinderen daardoor ernstige schade oplopen, moet duidelijk zijn dat nalatigheid consequenties heeft. Daarom vinden wij dat actief bevorderd moet worden dat instellingen en verantwoordelijke professionals die kinderen door hun handelen of nalatigheid schade berokkenen, strafrechtelijk moeten worden vervolgd. Is de minister het met ons eens dat vrijblijvendheid niet langer een optie is?
Een ander groot probleem betreft de overgang van 18-min naar 18-plus. Vanuit het veld horen wij steeds dezelfde signalen: jongeren verliezen hun vaste begeleider, woonplekken ontbreken en ondersteuning stopt, terwijl de problemen gewoon doorgaan.
Nog schrijnender is dat veel van deze jongvolwassen uiteindelijk terugkeren naar de omgeving waar de problemen ooit zijn ontstaan. De overheid haalt kinderen eerst uit een onveilige situatie, om hen enkele jaren later vanwege woonplektekorten, gebrekkige nazorg en versnipperde regelgeving feitelijk weer terug te sturen naar dezelfde omstandigheden. Daarmee organiseren wij zelf de terugval die wij later tegen veel hogere kosten opnieuw proberen te bestrijden. Daarom vinden wij dat iedere jongere tijdig passend onderdak en een toekomst- en begeleidingsplan moet krijgen en dat noodzakelijke ondersteuning beschikbaar blijft zolang deze nodig is. Hoe kijkt de minister hiertegen aan?
Voorzitter. De gruwelijke zaken in Vlaardingen en onlangs in Stadskanaal hebben laten zien dat meerdere instanties signalen kunnen ontvangen terwijl uiteindelijk niemand daadwerkelijk verantwoordelijk blijkt te zijn. Dit is gewoon onmogelijk. Iedereen is betrokken, maar eigenlijk is niemand aanspreekbaar. Daarom moet bij ernstige signalen van kindermishandeling of acute onveiligheid altijd één eindverantwoordelijk professional worden aangewezen die verantwoordelijk is voor het veiligheidsplan, de opvolging van signalen en de coördinatie tussen alle betrokken instanties. Het vingertjewijzen moet maar eens afgelopen zijn. Ik hoor graag hoe de minister hiertegen aankijkt.
Tot slot. Er ontbreekt nog steeds fundamenteel inzicht in de besteding van miljarden euro's aan jeugdzorg. De samenleving heeft recht op duidelijkheid over welk deel van het geld daadwerkelijk terechtkomt bij kinderen en gezinnen en welk deel verdwijnt in overhead, management, externe inhuur en organisatiekosten. Het kan toch niet zo zijn dat één jeugdige 1,75 miljoen euro kost en nog steeds niet geholpen is?
Ik denk dat we onszelf één vraag moeten blijven stellen. Die vraag is heel eenvoudig: was of is het kind veilig? Als het antwoord daarop nee is — en dat is het eigenlijk — moet het systeem veranderen. Dan moeten we dat gaan doen, in plaats van steeds maar nieuwe dingen te verzinnen die het oude zeer nooit gaan repareren, want geen enkel kind mag tussen wal en schip vallen. Dat gebeurt nu nog steeds wel, en veel te vaak. Laten wij als Kamer daar nu eens eindelijk verandering in brengen.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Synhaeve, die spreekt namens de fractie van D66. Gaat uw gang.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Toen ik 15 was, kon ik een tijd niet thuis wonen en had ik intensieve zorg nodig. Gelukkig was die zorg er ook. Maar tijdens die opname zag ik ook wat het met mensen doet als je ze in een isoleercel stopt op het moment dat ze juist nabijheid nodig hebben. Ik voelde hoe frustrerend het is om geen onderwijs te krijgen, want je ziet leeftijdsgenoten vooruitgaan en het voelt alsof je zelf stilstaat. Ik zag wat het met een groep doet op het moment dat een groepsgenoot zelfmoord pleegt.
Voorzitter. Twintig jaar later sta ik hier, vanuit de overtuiging dat het anders kan. Ik ben niet naïef. Daarvoor ken ik de jeugdzorg ook uit mijn werkzame leven te goed. Maar ik weet wel dat het anders en beter kan. Dat begint met erkennen dat het vaak misgaat, dat het té vaak misgaat. Dat hoor ik van de jongeren die ik spreek. Dat zagen we in Vlaardingen, we zagen het in Stadskanaal en we zagen het afgelopen dinsdag weer bij de presentatie van het tweede rapport van Jason. Dat het de jongeren zelf zijn die de misstanden elke keer weer aan de kaak moeten stellen, is niet uit te leggen. Het laat zien hoe wij als sector, als samenleving en als politiek elke keer weer wegkijken. Dit kabinet heeft 12 miljoen vrijgemaakt voor excuses en voor het hersteltraject voor die jongeren die beschadigd zijn in de gesloten jeugdzorg. Wanneer worden deze excuses gemaakt en hoe ziet herstel eruit?
Voorzitter. Ik ben bang dat we een nieuwe generatie kinderen aan het beschadigen zijn op de plek waar we hen juist zouden moeten beschermen. Ik wil stilstaan bij de kinderen die we wegstoppen op vakantieparken en op een aftands Hoenderlooterrein. We weten dat dit schadelijk is. Kinderen hebben contact nodig met leeftijdsgenoten. We weten dat hier mensen werken die niet over de juiste papieren beschikken. In de jeugdzorg blijken namelijk honderden mensen te werken met een vals diploma. We weten dat een deel van hen bewust kinderen aan het ronselen is voor de criminaliteit. D66 heeft daarom een amendement ingediend om deze mensen op te sporen. Dat amendement is ook aangenomen. Hoever is de minister met de uitvoering daarvan? Stel je voor dat er in ziekenhuizen op ic-afdelingen honderden mensen met een vals diploma zouden werken. De wereld zou te klein zijn. Maar als het gaat om onze meest kwetsbare kinderen, lijken we dat prima te vinden.
Voorzitter. We moeten wezenlijke keuzes maken, want als je doet wat je altijd deed, krijg je wat je altijd kreeg. Wat dan wel? Ik wil twee punten uitlichten. Ten eerste. Deze week hebben we aangekondigd dat we vanuit D66 met een wetsvoorstel komen om ervoor te zorgen dat als een kind aangeeft dat hij thuis door een ouder wordt mishandeld, het dan ook zo is dat dat kind heel snel gehoord wordt, zonder dat daar eerst toestemming van die ouder voor nodig is. Zo hebben we dat nu namelijk geregeld! We hebben het nu zo geregeld dat als een kind aangeeft thuis mishandeld te worden door een ouder, diezelfde ouder bij Veilig Thuis toestemming moet geven om dat kind te spreken — en vervolgens mag diezelfde ouder ook bij het gesprek aanwezig zijn. Dat moet anders en daarom komen wij met een wetsvoorstel. Ik hoor graag van de minister hoe zij tegenover zo'n wetsvoorstel staat.
Ten tweede. We willen nieuwe jeugdzorgaanbieders op voorhand toetsen en jeugdzorgbestuurders op voorhand screenen. Waarom lukt het ons wel om in de kinderopvang elke nieuwe aanbieder te toetsen voordat hij begint, maar lukt ons dat in de jeugdzorg niet? Iedereen kan zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel en heeft vandaag nog een eigen jeugdzorgorganisatie opgericht. We grijpen pas in op het moment dat er signalen zijn dat het fout gaat. Dat moet anders. En waarom lukt het ons bij woningcorporaties wel om elke bestuurder op voorhand te toetsen en te screenen, maar in de jeugdzorg niet? Graag een reflectie van de minister hierop.
Voorzitter. Ik sta hier omdat ik ervan overtuigd ben dat het anders kan en dat het beter kan. Ik heb mijzelf als 15-jarige beloofd om er alles aan te doen om dat voor elkaar te krijgen. Maar dan moeten deze Kamer en dit kabinet wel durven kiezen, en moeten we met elkaar veel grotere stappen durven zetten dan we de afgelopen jaren hebben gedaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat levert nog een aantal vragen op. Mevrouw Westerveld, gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Mevrouw Synhaeve vroeg naar excuses en een hersteltraject. Daar wachten jongeren die slachtoffer zijn geworden van misstanden in de gesloten jeugdzorg ook al twee jaar op. Ik zou haar willen vragen hoe zij voor ogen heeft dat we recht doen aan het echte herstel van deze jongeren.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik denk dat het 'm in twee onderdelen zit. Allereerst: ik onderschrijf volledig het belang van deze excuses en het hersteltraject. Het is niet uit te leggen dat deze jongeren daar twee jaar op hebben moeten wachten. Ik ben ook blij dat we daar nu wel mee aan de slag gaan. Hoe ziet herstel eruit? Ik denk dat dat uit twee delen bestaat. Het bestaat deels uit wat deze jongeren die beschadigd zijn, nodig hebben om verder te kunnen met hun leven of in ieder geval deels te kunnen herstellen. Dat kan ik niet bepalen; dat moet echt samen met de jongeren zelf bepaald worden. Daarnaast merk ik uit alle gesprekken die ik met jongeren gevoerd heb, dat ze eigenlijk maar één ding willen, namelijk dat het beter gaat en dat de kinderen van nú beschermd worden. Daar moeten we stappen in zetten.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dat ben ik natuurlijk eens met mevrouw Synhaeve. We waren dinsdag allebei bij de presentatie, waarbij een aantal aanbieders excuses aanboden voor wat er in het verleden was gebeurd. Dat is een mooi gebaar. Tegelijkertijd sprak ik naderhand met jongeren — dat heeft mevrouw Synhaeve ook gedaan — en hoorde ik de één zeggen "ik wil weer een opleiding volgen", en de ander "ik heb schulden". De derde zegt "ik heb een hulphond nodig". De vierde zegt "ik heb hulp nodig bij psychosociaal herstel; ik heb psychosociale hulp nodig". Valt dat volgens mevrouw Synhaeve — dat zouden we ook aan de minister kunnen vragen — ook onder recht doen aan die jongeren, aan echte excuses en aan echt herstel?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Absoluut, want dát is herstel. Alleen als we luisteren naar wat deze jongeren echt nodig hebben — dat zal bij de één iets anders zijn dan bij de ander — en daar ook ruimte voor hebben en ernaar handelen, dan doen we recht aan het leed dat hun is aangedaan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor dit antwoord, want ik denk dat dat helemaal waar is. Ik wil mevrouw Synhaeve bedanken voor haar betrokken betoog. Daar spreekt echt enorme betrokkenheid uit om de jeugdzorg en de jeugdbescherming beter te maken. We weten allebei dat het heel hard nodig is. Er zijn hervormingen nodig, omdat het stelsel kapot is. Daar hebben we het hier al vaker over gehad. Die hervormingen staan deels op de rol. Daar is hard aan gewerkt. Die hervormingen komen eraan. We kunnen erover van mening verschillen of dat genoeg is. Mijn zorg, die ik eerder heb uitgesproken, is de volgende. Aan de hervormingen is een besparing gekoppeld, en die besparing is gekoppeld aan een bezuiniging. Ik heb eerder een zorg uitgesproken die de commissie-Van Ark ook heeft uitgesproken: als die bezuinigingen doorgaan, zadelen we dan de jeugdzorg en de jeugdbescherming niet juist op met grotere problemen?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank voor deze vraag. Tien jaar geleden gaven we 3,6 miljard uit aan jeugdzorg. Nu geven we meer dan 8 miljard uit aan jeugdzorg en moeten we concluderen dat onze meest kwetsbare kinderen nog minder goed geholpen zijn. Ik geloof niet dat meer geld de oplossing is. Het is een beetje alsof je lucht blijft pompen in een lekke fietsband en verwacht dat je dan ineens wel goed kan fietsen. Dat gaat niet gebeuren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat ben ik ook helemaal met mevrouw Synhaeve eens. We zien dus ook dat het een heel duur stelsel is en dat het een superduur systeem is geworden waarin er van alles gebeurt, maar de jongere wordt vergeten. Ik ben het dus helemaal met mevrouw Synhaeve eens dat geld niet de oplossing is — echt helemaal, hartgrondig. Maar er moet hervormd worden. Er moet wel éérst hervormd worden voordat je geld weghaalt. Op het moment dat je geld weghaalt voordat die hervorming plaatsvindt, heb je de kans dat je net het geld weghaalt bij de plekken die nog wel belangrijk zijn voor de jongeren.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat moet ergens landen. Daarom is mijn pleidooi niet "meer geld". Maar deelt mevrouw Synhaeve wel de zorg dat, als we het in de verkeerde volgorde doen, we dan problemen kunnen krijgen?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik denk dat we nu precies de goede volgorde aan het hanteren zijn, want deze minister is juist met die grote hervormingen bezig. Mevrouw Dobbe geeft in haar eigen bijdrage ook aan dat we grote stappen aan het zetten zijn. Wat ons betreft kan dat parallel lopen met het financiële plaatje dat we daarbij geschetst hebben.
De voorzitter:
Kort afrondend.
Mevrouw Dobbe (SP):
En als blijkt dat het te snel gaat en de bezuinigingen voor de hervormingen uitlopen? Is mevrouw Synhaeve dan bereid om te zeggen: oké, dan moeten we vertragen en dan moeten we even kijken of we de besparing halen die we hadden gepland en die we allemaal willen? Als we die niet halen, is dan in ieder geval uitstel van het doorvoeren van de bezuinigingen een optie?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Wat ons betreft zal het criterium altijd zijn of de kinderen die het het hardst nodig hebben ook het best worden geholpen. Dat zal leidend zijn. Als blijkt dat dat ten koste gaat van deze groep, dan zullen we opnieuw kijken welke keuzes we maken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ook ik wil zeggen dat uit het betoog van mevrouw Synhaeve betrokkenheid op dit onderwerp spreekt; zo ken ik haar ook. Ik vermoed dat als mevrouw Synhaeve in de oppositie zou hebben gezeten, de conclusies van het rapport-Van Ark misschien wat logischer zouden zijn. Daarmee bedoel ik niet dat er per se meer geld bij zou moeten. Ook wij vinden dat meer geld de jongeren niet helpt. Maar wij vinden wel, wat mevrouw Dobbe ook aangaf, dat dat nu wel nodig is terwijl je die hervormingen aan het doen bent.
De voorzitter:
En wat is uw vraag, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag daarbij is of mevrouw Synhaeve het met mij eens is dat we de komende maanden wel duidelijkheid over die hervormingen moeten hebben en dat voor de augustusbesluitvorming voor D66 wel een toetssteen is of de begroting zoals die in de plaat is gezet afdoende is. Ik vermoed dat we anders gewoon grote ongelukken krijgen. Deelt u die zorg?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik deel de conclusie dat we zo snel mogelijk scherp moeten hebben wat die grote hervormingen zijn. Dat hebben we als Kamer nodig om daar ook wezenlijke stappen in te zetten en daar keuzes in te maken, juist ook voor de kinderen die dat het hardst nodig hebben.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben er namelijk een beetje bang voor — dat is mijn vrees — dat we niet op tijd klaar zijn met die duidelijke keuzes, ondanks alle goede bedoelingen. In augustus moet de coalitie wel gewoon klaarstaan met de financiële plaat. Ik vrees dat alsnog gaat gebeuren wat, denk ik, al heel lang gebeurt, namelijk dat de financiële plaat wel degelijk leidend is, ondanks wat mevrouw Synhaeve nu ook aangeeft. Kan mevrouw Synhaeve aangeven dat dat scenario voorkomen gaat worden, juist ook vanuit het belang om voor de kinderen te kiezen, zoals mevrouw Synhaeve uitvoerig in haar betoog heeft aangegeven?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik heb er alle vertrouwen in dat deze minister en dit kabinet ontzettend grote stappen aan het zetten zijn. Ze zijn ook nog maar 100 dagen bezig, hè. Ik denk dus dat in die 100 dagen hele grote stappen gezet worden, die ook tot wezenlijke veranderingen leiden. Ik heb er dus alle vertrouwen in dat die grote kaders wel duidelijk zijn of worden in de komende maanden.
De voorzitter:
Heel kort en afrondend.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot, voorzitter. Ik zou mevrouw Synhaeve dan ook willen uitdagen om de komende maanden — ik weet hoe het is om in een coalitie te zitten — daar echt wel voor te knokken, omdat we anders rond de begrotingsbehandelingen een debat met elkaar hebben waarin mevrouw Synhaeve de plaat moet gaan verdedigen en we misschien wel een scenario hebben waarin er onvoldoende duidelijke keuzes zijn gemaakt, terwijl we hier allemaal aanvoelen dat dat debat de kinderen echt niet gaat helpen. Die aanmoediging en die steun voor de komende zomer wil ik hier dus openlijk uitspreken.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik zal zeker knokken. Dat geldt niet alleen voor de komende maanden, maar voor de komende jaren. Ik vermoed dat we dat ook heel vaak samen zullen doen.
De voorzitter:
Het is niet persoonlijk, maar ik ga de Kamerleden vragen of ze hun interrupties iets korter en bondiger willen houden. Ik ga niet streng zijn op de hoeveelheid, want het is een onderwerp dat leeft en waar velen van u heel betrokken bij zijn, maar ik ga ze wel vaststellen op 30 seconden. Dus mevrouw Moinat, geef het goede voorbeeld. Gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik ga mijn best doen, voorzitter. Even voortbordurend op het geld. De bezuinigingen liggen voor. Ik denk ook niet dat meer geld alleen gaat helpen voor deze jeugdzorgkwesties. Maar ik zie wel dat op het moment dat we de reikwijdteagenda gaan uitstrijken, gemeenten meer risico's gaan lopen en dat we dus meer discussies over budgetten gaan hebben en minder focus op het kind. Die zijn uiteindelijk wel verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Ik hoor graag hoe mevrouw Synhaeve dat ziet.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Als we kijken naar de Wet reikwijdte Jeugdwet, zien we dat die juist is bedoeld om aan te geven tot hoever de wet reikt, dus wat wel of geen jeugdzorg is. We zien nu immers dat de groei van de uitgaven van 3,6 miljard naar meer dan 8 miljard vooral is veroorzaakt door de lichte zorg. Dat gaat ten koste van de jongeren met de meest intensieve zorgvragen. Dat is dus wat we moeten doen. Het kabinet is juist aan de slag om ervoor te zorgen dat dit niet ten koste gaat van deze meest kwetsbare groep.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik ben het daar toch niet helemaal mee eens, want de rode draad van de wet is het wijzigen van de toegang tot hulp, maar het fundamentele probleem wordt niet opgelost. Dat zeg ik niet; dat komt uit de internetconsultatie, waarin forse kritiek wordt geuit op het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet. Het is opvallend dat die kritiek afkomstig is van gemeenten, aanbieders, psychologen, jeugdartsen, ggz, cliëntenorganisaties en kinderrechtenorganisaties. Hoe rijmt mevrouw Synhaeve dat?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik ben het eens met de boodschap dat alleen kijken naar de toegang dit probleem niet gaat oplossen. Dat is ook de reden waarom ik in mijn bijdrage aangeef dat we voor zo'n "kind eerst"-wetgeving moeten gaan en dat we ervoor moeten zorgen dat we jeugdhulpaanbieders op voorhand toetsen. Hetzelfde geldt voor hun bestuurders. Ik heb mevrouw Moinat in haar bijdrage horen zeggen dat zwaarder straffen van medewerkers de wezenlijke oplossing is. Ik denk niet dat daar nou het grote verschil gemaakt zou worden voor onze meest kwetsbare inwoners.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Even op dat punt: dat is wat ik in mijn betoog heb gezegd over een situatie waarin mensen daadwerkelijk fouten maken en kinderen bijna halfdood in een ziekenhuis liggen. Dat wil ik u even meegeven. Waar het mij om gaat, is dat er prima minder geld naar jeugdzorg zou kunnen, maar niet op deze manier en niet met de voorstellen die hier liggen. Ik denk dus dat we dit uit moeten discussiëren in een ander debat, want volgens mij gaan we het op deze manier niet redden.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik zie dat wij in ieder geval bekijken hoe we de wezenlijke keuzes kunnen maken om onze meest kwetsbare kinderen goed te kunnen beschermen en ik zie een kabinet dat daar hele grote stappen in zet om daar op korte termijn zichtbare resultaten in te bereiken.
De heer Hamstra (CDA):
Ik complimenteer mevrouw Synhaeve niet alleen met haar bijdrage, maar ook met het initiatief dat zij maandag naar buiten heeft gebracht en met wat zij daarmee wil gaan doen. Het is natuurlijk onbegrijpelijk dat de wet nu voorschrijft dat er direct naar de ouder gekeken moet worden wanneer een kind zichzelf meldt als er iets is voorgevallen. Mijn vraag aan mevrouw Synhaeve is: moet dat alleen met een wijziging van de wet of zouden we ook naar de meldcode kunnen kijken? Ik stel die vraag straks ook aan de minister, maar heeft u daar ook naar gekeken?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ja, daar hebben we zeker naar gekeken. We zien namelijk dat dit raakt aan verschillende wet- en regelgevingen, dus zowel op het punt van jeugd als op het punt van de Wmo. Het raakt ook aan een aantal aanpalende wetgevingen. Wij denken dus dat wel degelijk ook een ander wettelijk kader nodig is.
De heer Hamstra (CDA):
Oké. We werken daar ook graag in samen, maar ik hoor straks ook graag de reactie van de minister hierop. Daar kom ik in mijn termijn op terug.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Tot slot daarover: wij denken dat dit echt een wezenlijke stap is om te zorgen dat we kinderen beter beschermen. Het lijkt ons alleen maar mooi als we daarin vanuit de Kamer breed met elkaar kunnen optrekken.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Dobbe, die spreekt namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Honderden jongeren voor wie geen plek is in de jeugdzorg, worden neergezet op bijvoorbeeld campings, waar ze dag en nacht in de gaten worden gehouden. Dit werd in maart bekend en laat wéér zien hoe het systeem faalt. Daarom vraag ik deze minister waar deze kinderen nu zijn en of er al een oplossing is. Ruim twee jaar geleden was ik bij de presentatie van het rapport Eenzaam gesloten van Jason. Dinsdag presenteerde hij een nieuw rapport: Eenzaam gestorven. Ik wil mijn respect uitspreken voor hoe hij en al die anderen die hebben meegewerkt, blijven opkomen voor jongeren en slachtoffers van gesloten jeugdzorg. De presentatie van dinsdag was indrukwekkend, verdrietig en beschamend; beschamend, omdat twee jaar geleden iedereen boos was en verbetering, herstel, erkenning en excuses eiste voor de jongeren die slachtoffer zijn geworden van het systeem. Twee jaar later blijken de aanbevelingen van het rapport niet opgevolgd te zijn. Dat moeten we onszelf aanrekenen. Kan de minister op korte termijn met een reactie komen op alle acht aanbevelingen van dit nieuwe rapport, met daarin wat zij concreet gaat doen en ook wanneer?
Van de 51 jongeren die deelnamen aan het vorige rapport, zijn er al 5 overleden. Van de 51 huidige deelnemers hebben 38 een suïcidepoging gedaan. We zijn het deze jongeren verplicht om hen te zien, hen serieus te nemen en te luisteren en te erkennen wat hun is aangedaan. Twee jaar geleden werd onze motie aangenomen met daarin het verzoek om excuses te maken aan deze jongeren. Dat is zo ontzettend belangrijk. Het uitblijven van deze excuses heeft jongeren opnieuw beschadigd en dat beschreven zij ook in die bijeenkomst. Er zijn net excuses geweest van aanbieders, maar waarom heeft het kabinet nog geen excuses gemaakt? Er moet herstel zijn: traumatherapie als de jongere dat wil, vergoeding van zorgkosten en echte persoonlijke hulp om de Big Five op orde te krijgen. Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat deze jongeren de steun krijgen die zij nodig hebben en waar zij daadwerkelijk wat aan hebben? Wat doet zij voor die nabestaanden van de jongeren die al overleden zijn? Is hier wel genoeg geld voor uitgetrokken? Is de 12 miljoen euro die er nu voor is begroot genoeg om alle jongeren uit de gesloten jeugdzorg een fatsoenlijke schadevergoeding te geven en te zorgen voor herstel? Graag van de minister een antwoord waarin ze duidelijk maakt waar dit getal dan op gebaseerd is. Het moet namelijk wel genoeg zijn.
Wil de minister ook reageren op het nieuwe rapport van de IGJ over de gesloten jeugdzorg? Daaruit blijkt namelijk dat er nog steeds te veel vrijheidsbeperkende maatregelen worden ingezet en jongeren zich onvoldoende geholpen voelen. Als een kind echt niet meer thuis kan wonen, is bijvoorbeeld een kleinschalige woning met aandachtvolle zorg, zoals het Heppie (t)Huis van Het Vergeten Kind, waar ik ook geweest ben, een mooi voorbeeld van hoe dit wel goed georganiseerd kan worden. Daar is beschikbaarheidsfinanciering voor nodig. Daar hebben we samen met mevrouw Westerveld eerder een motie voor ingediend; die is ook aangenomen. Wanneer gaat deze minister deze dan uitvoeren? Er moet heel veel beter in de jeugdzorg; ik zei het net ook al. Het stelsel is kapot en is alleen maar duurder geworden en het kind wordt uiteindelijk vergeten. Rapport na rapport na rapport laat dit ook zien. Dit kabinet voert ondertussen wel bezuinigingen door, maar de verbeteringen zijn er nog niet. Is de minister bereid om pas op de plaats te maken, door eerst te verbeteren en dan te kijken of er geld over is in plaats van andersom? Het doorvoeren van ongerichte bezuinigingen nu, in het kapotte stelsel, kan namelijk schade toebrengen aan de kinderen die nu al schade oplopen door een systeem dat niet werkt. Dat moeten we volgens mij niet willen.
Voorzitter. Tot slot wil ik ook nog aandacht vragen voor ExpertCare, omdat het niet kan wachten. We hebben daar net een brief over ontvangen. Het is onderdeel van de buitenlandse commerciële multinational B. Braun. Er zou geen locatie sluiten tenzij alle kinderen een nieuwe geschikte plek zouden hebben. Nu sluiten twee locaties toch. Wat nu gebeurt, was letterlijk in het vorige debat hierover voorspeld en er was voor gewaarschuwd, maar de minister zei niet in te kunnen grijpen. De inspectie zag geen aanleiding tot ingrijpen en de minister zei dat het continuïteitsbeleid, dus de continuïteit van zorg, naar behoren functioneert. Nu hebben een aantal zeer ernstig meervoudig gehandicapte kinderen geen plek. En nu? Hoe kijkt u terug op deze uitspraken? De continuïteit van zorg is hier nu toch niet op orde? De minister stelt nu een intermediair aan, maar gaan deze locaties daardoor dan niet meer dicht terwijl er voor kinderen nog geen plek is? Wat als er geen andere plekken zijn en wat als er geen overnamekandidaat komt? Dan gaat de intermediair hier toch ook niks aan veranderen en komt de continuïteit van zorg toch nog steeds in gevaar? Als de continuïteit van zorg gevaar loopt, kan de inspectie dan bestuursdwang opleggen? Waarom gebeurt dat niet? Als de inspectie de bevoegdheden niet heeft, moeten we dan niet zorgen dat de inspectie die krijgt? Waarom neemt de minister het bestuur niet over als er geen overnamekandidaat is en nog niet alle kinderen een geschikte plek hebben? Waarom wordt de minister niet zelf, tijdelijk, een overnamekandidaat? Dat zou een kwestie zijn van een bestuur aanstellen en het regelen. Wat gaat de minister eraan doen om te veranderen dat ze niet kan ingrijpen, wat blijkbaar het geval is? Dat de minister niks kan doen, kan toch niet de eindconclusie zijn?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij nu luisteren naar mevrouw Westerveld, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Op 2 juni 2019 overleed Noa Pothoven. Ze blijft voor altijd 17. Ik weet nog goed hoe ze me enkele uren voordat ze insliep, smeekte om me te blijven inzetten, samen met de collega's, voor al die andere jongeren. Die jongeren verdienen de allerbeste hulp, in gespecialiseerde centra met mensen die kennis van zaken hebben en die alle begrip en liefde voor hen hebben, maar ze worden nu te vaak opgesloten en ze krijgen met dwang en repressie te maken. Te velen van hen komen nu ook op vakantieparken terecht. Noa's dood was geen incident. Ze staat symbool voor zo veel jongeren en ouders die al jaren alarm slaan, samen met deskundigen.
Ik herinner me nog goed het debat over de rapporten van de commissie-De Winter over geweld in de jeugdzorg. Ook in die rapporten staan stevige aanbevelingen aan zorginstellingen, maar ook aan de overheid. Het kabinet beloofde toen om die aanbevelingen uit te voeren, maar in de praktijk bleken dat holle beloften. Ik heb ze maar weer eens meegenomen, al die rapporten die de afgelopen jaren hebben beschreven hoe het anders kan en hoe het beter kan. Dat gebeurde door deskundigen en door jongeren zelf, door hulpverleners en door ouders. Ze slaan allemaal alarm. Net als de inspectie vanaf 2019 zeggen zij: jongeren blijven in gevaarlijke posities en onveilige situaties zitten. Ze sturen ons ook al vanaf 2019 signaalbrieven waarin ze zeggen hoe het anders kan. Toch zie ik te vaak alleen maar die boosheid als er veel media-aandacht is voor een situatie die zo gruwelijk is dat we het ons allemaal niet kunnen voorstellen. Neem het debat dat we hier vorig jaar hadden over het pleegmeisje in Vlaardingen of, recent nog, de afschuwelijke mishandeling van de kinderen in Stadskanaal.
Verder vind ik dat de Kamer kabinetten veel te vaak, en ook de afgelopen jaren, heeft laten wegkomen met allerlei beloften die vervolgens niet worden nagekomen. Zo zijn een heel aantal wetten die al door Hugo de Jonge zijn beloofd, nog niet eens naar de Kamer gestuurd.
Dit werd allemaal nog pijnlijker toen Jason Bhugwandass in 2024 zijn rapport Eenzaam gesloten presenteerde. Het ligt hier ook bij mij op die stapel. Het was wederom hetzelfde patroon: ophef in de Kamer en in de media en een spoeddebat waarin Kamerleden op hoge toon eisten dat het anders moest en het kabinet beloften deed, maar ook de zoveelste keer dat het daarna stil bleef. Dat blijkt alleen al uit het feit dat jongeren al meer dan twee jaar moeten wachten op excuses en herstel. Iedereen die boos is na het zoveelste schandaal wil ik ook vragen hoe oprecht die bezorgdheid is als het gaat over jongeren die in eenzaamheid lijden en soms sterven.
Dat is ook de titel van het tweede rapport van Jason: Eenzaam gestorven. Hij presenteerde dat eergisteren. Het was een heel pijnlijke bijeenkomst, ook omdat in de zaal een aantal jongeren zaten die vrienden en vriendinnen zijn kwijtgeraakt en omdat er ook ouders waren. Ik heb een aantal vragen aan de minister. Die gaan deels over het afgelopen jaar, maar ook deels over het rapport dat recent is gepresenteerd. Ik wil haar allereerst vragen of zij kan ingaan op de aanbevelingen die Jason doet. Dat zijn geen nieuwe aanbevelingen. Die staan ook al deels in het rapport van de commissie-De Winter. Die worden door andere deskundigen gedaan. Kan zij daarop ingaan? Wat gaat ze doen om het vertrouwen terug te winnen? Helaas is dat heel hard nodig. Het vertrouwen van de sector, van jongeren, van ouders en ook van hulpverleners moet worden teruggewonnen. Dat kan alleen op het moment dat kabinetten doen wat ze hebben beloofd en ook het excuses- en hersteltraject van de grond komt. Ik vraag haar hoe dat traject eruit gaat zien. Gaat ze ook kijken wat jongeren individueel nodig hebben? Ik had het er net al over met mevrouw Synhaeve.
Hoe staat het met al die beloften die de afgelopen jaren zijn gedaan? Ik heb het afgelopen weekend nog eens verschillende Kamerbrieven teruggelezen. Ik heb een aantal van de rapporten teruggelezen. Je ziet dat heel veel zaken telkens terugkomen, worden uitgesteld en nog een keer terugkomen. Heel veel onderwerpen die wij vandaag bespreken, zijn ook al besproken met minister De Jonge, staatssecretaris Blokhuis, staatssecretaris Van Ooijen, en ik kan nog wel even doorgaan. Hoe gaat deze minister er dus voor zorgen dat alle beloften die ook haar voorgangers hebben gemaakt, wel worden nagekomen? Ook dat heeft te maken met het vertrouwen terugwinnen.
Wat gaat het kabinet doen om echt te zorgen voor gespecialiseerde hulp voor jongeren die dat nodig hebben? Dat is ook een thema dat blijft terugkomen. Voortdurend lees ik dat er allerlei beloften worden gedaan over het beter scholen van medewerkers en over gespecialiseerde plekken. Ik noemde net de wens van Noa, die zo graag voor andere jongeren wilde dat ze op een plek terechtkwamen met de allerbeste specialisten, met onderwijs en alle randvoorwaarden, en de beste zorg, want dát is nodig voor deze groep, in plaats van vakantieparken. Wat gaat het kabinet doen aan andere beloften die zijn gedaan, bijvoorbeeld over de rechtsbescherming van jongeren? Wat is het plan rondom het toekomstscenario?
Voorzitter, ik rond af. Twee jaar geleden heb ik hier met mevrouw Bruyning een voorstel gedaan voor een beknopte parlementaire enquête, omdat ik vind dat wij ook moeten kijken naar de rol die de Kamer zelf speelt. Ik vind dat de Kamer de afgelopen jaren ook te vaak heeft weggekeken. Dat haalde geen meerderheid. Ik ga dat voorstel niet herhalen, maar ik wil wel graag met de collega's kijken of we dit bijvoorbeeld kunnen aanmelden voor de Regeling Grote Projecten, om ook te kijken naar de rol van de Kamer.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een aantal vragen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi betoog. Wij delen de zorgen van mevrouw Westerveld, vooral over kinderen die uit huis zijn geplaatst in dat gedwongen kader. Het onderzoek dat mevrouw Westerveld voorstelt, lijkt mij ook een goed idee. Nou hebben wij een paar maanden geleden een motie ingediend om te onderzoeken wat de ervaringen zijn geweest van ouders met dat gedwongen kader, en ook van de kinderen die erin hebben gezeten, hoe ze tot die uithuisplaatsing zijn gekomen en waarom ze niet zijn teruggeplaatst. Sorry dat het wat langer duurt, voorzitter, maar mijn vraag is de volgende. De PvdA — of PRO, moet ik nu zeggen — heeft daar dus tegen gestemd. Waarom? Waarom stemde PRO tegen?
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik stem standaard tegen onderzoeksmoties in deze debatten, omdat we heel veel zaken al weten. We weten wat er moet gebeuren. Ik heb een paar keer verwezen naar die enorme stapel met rapporten die daar ligt. Dit is echt niet alles. Ook de inspectie doet voortdurend onderzoek. Dus laten we stoppen met onderzoeken en echt werken aan wetsvoorstellen die bijvoorbeeld de rechtsbescherming van ouders en jongeren verbeteren en die zorgen dat er meer gespecialiseerd plekken komen voor jongeren. Bij dit soort debatten ben ik dus standaard gestopt met het steunen van onderzoeksmoties.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het lijkt mij heel verstandig. Ik zie de stapel daar liggen. Ik ben het er ook mee eens. Het punt is alleen — daarom bracht ik die motie ook in — dat wij, net als mevrouw Westerveld, heel veel signalen krijgen dat er dingen mis zijn. We spreken met ouders. Als we het er dan met de minister over hebben — mevrouw Westerveld was ook bij dat debat — wordt er gezegd: ja, dat zijn incidenten. Die neemt dat eigenlijk niet serieus. Daar waren we ook heel verbolgen over. Het enige wat helpt om de ernst van het probleem duidelijk te maken, denk ik, is als het kabinet hier onderzoek naar doet. Anders nemen ze het probleem blijkbaar niet serieus. Daarom kom ik met die motie. Ik denk dat dat toch wel kan helpen. Dus nogmaals mijn vraag: zou zo'n motie gesteund kunnen worden door PRO? We kunnen 'm natuurlijk aanpassen.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik zie gewoon veel meer in hameren op wetgeving, bijvoorbeeld over de rechtspositie van jongeren en ouders. Daarvoor is wetgeving beloofd, ook al heel lang geleden. Ook die wetgeving hebben wij nog niet gekregen. We hebben een tijd geleden een motie ingediend, die ook is aangenomen, waarin we stelden dat ouders en jongeren kosteloze rechtsbijstand verdienen. Als ik teruglees wat daarmee is gedaan, kan ik niet zeggen dat die motie is uitgevoerd. Ik heb hier nu niet naar gevraagd, omdat we hier zitten met de minister die over de zorg gaat en niet met de staatssecretaris, maar hier ga ik nog op terugkomen. Als we het hebben over rechtsbescherming en over jongeren en ouders die te weinig worden gehoord, ben ik het eens met de heer Van Houwelingen. Maar ik geloof niet zozeer in nog meer zaken onderzoeken en inventariseren, omdat ik bang ben dat dat weer vertraging oplevert.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Kort en afrondend, tot slot. Overigens ben ik het daarmee eens. Er wordt veel te veel onderzocht en veel te weinig gedaan. Wij denken ook aan een wetswijziging, als ik dat gelijk via u, voorzitter, aan mevrouw Westerveld mag vragen, om het wettelijk kader voor gedwongen uithuisplaatsingen kleiner te maken. Dit is mijn laatste vraag. Ik ben benieuwd hoe PRO daartegen aankijkt.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind het ingewikkeld om daar nu een antwoord op te geven, omdat we die wetgeving nog niet hebben. Ik ben voor wetten die het goede doen en ik ben voor wetten die ouders en jongeren een betere rechtspositie geven. Tegelijkertijd weten we dat er soms redenen kunnen zijn voor de uithuisplaatsing van een kind. Ik heb ook kinderen gesproken die zeiden: het was goed dat ik uit huis werd geplaatst, want ik werd mishandeld of seksueel misbruikt door mijn ouders. We kunnen het er ook met elkaar over eens zijn dat het in dit geval soms het allerbeste is, hoe tragisch dat ook is, dat een kind niet meer bij de ouders woont. Ik zou willen dat alles met gezinsgerichte hulp kan worden opgelost, maar soms is die band al zo verstoord dat het niet meer kan. Dat begrijp ik ook. Ik vind ook dat we moeten uitkijken met hulpverleners die de taak hebben om deze moeilijke keuze te maken, bij voorbaat in het verdachtenbankje te zetten. Ik zeg niet dat de heer Van Houwelingen dat doet, maar ik zeg wel dat we goede wetgeving moeten hebben die zowel de positie van deze medewerkers als die van ouders en jongeren beschermt. Ik voel daarbij heel veel voor wat mevrouw Synhaeve nu aan het doen is met die "kind voorop"-wetgeving, want de rechten van het kind zouden van het allergrootste belang moeten zijn.
De heer Hamstra (CDA):
Ik heb de stapel ook zien liggen op het bureau van mevrouw Westerveld. U loopt al een aantal jaar mee en u geeft aan dat er geen opvolging wordt gegeven aan verschillende rapporten en aanbevelingen. Wat is vanuit uw analyse de reden dat daar geen opvolging aan wordt gegeven?
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind dat een goede vraag. Wat mij betreft is die vraag ook de essentie van ons Kamerwerk. Wij hebben de taak om bewindspersonen te controleren. Dat doen we allemaal op onze eigen manier, maar als het gaat over jeugdhulp en jeugdbescherming, zijn we het vaak helemaal met elkaar eens. In de afgelopen jaren heb ik gemerkt dat er heel vaak beloften werden gedaan. Neem bijvoorbeeld de tijd van minister De Jonge. Hij wilde ook echt aan de slag en schreef allemaal actieplannen met hele goede voornemens waar niemand tegen was, maar als ik daar jaren later naar terugkijk, denk ik: we voeren nog steeds hetzelfde debat; heel veel van die voornemens zijn niet uitgevoerd.
Datzelfde zien we als we kijken naar de hervormingsagenda, die al vertraging heeft opgelopen. Daaruit zouden een aantal wetten moeten komen. Een van die wetten gaan we hopelijk over een tijdje behandelen, terwijl er al wel een bezuiniging staat ingeboekt. Wij als Kamer moeten er ook voor zorgen dat bewindspersonen zich aan hun beloften houden. Wij moeten hier voortdurend staan om te zeggen: vorig jaar beloofde u dit; een jaar later is er nog steeds niets gebeurd. Ik zag hetzelfde gebeuren bij het debat dat we vorig jaar hadden over het Vlaardingse pleegmeisje. Ook daarbij zijn toen verschillende beloften gedaan. Ook daarover was er helemaal geen onenigheid in de Kamer, want wij vonden allemaal dat het moest worden aangepakt. Waarom gebeurt het dan niet? Mijn idee is dat dit onderwerp helaas gewoon te weinig prioriteit heeft. Als ik zie hoeveel debatten er over sommige andere onderwerpen worden ingepland en als ik zie hoe weinig we het hier hebben over fundamentele kwesties in de jeugdzorg en de jeugdbescherming, vind ik echt dat wij ook onszelf een spiegel moeten voorhouden en moeten zoeken naar manieren om met elkaar het kabinet beter te kunnen houden aan beloften.
De heer Hamstra (CDA):
Daar ben ik ook een beetje naar op zoek. Dat is volgens mij de kern van het debat dat we vandaag zouden moeten voeren. In uw slot …
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld.
De heer Hamstra (CDA):
Mevrouw Westerveld. Excuses. Ik praat natuurlijk via de voorzitter. In het slot van haar betoog gaf mevrouw Westerveld aan dat zij misschien wel heil ziet in een beknopte parlementaire enquête. Zou mevrouw Westerveld wat meer kunnen uitweiden over wat de meerwaarde daarvan zou zijn en wat dat überhaupt zou behelzen?
De voorzitter:
Dat mag ook kort en bondig, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
We hebben twee jaar geleden het voorstel gedaan voor een beknopte parlementaire enquête, omdat we zeiden: er hoeft geen uitgebreid bronnenonderzoek te worden gedaan — we hebben alle informatie al — maar we moeten weleens kijken waarom al die goede voornemens niet worden uitgevoerd en wat de rol van de Kamer hierin is. Dat voorstel haalde helaas geen meerderheid. We zijn nu twee jaar verder, met nog een extra stapeltje aan rapporten hoe het beter kan. Ik zit nog steeds met meneer Hamstra en anderen te kijken hoe we als Kamer nou beter onze rol kunnen pakken. We hebben een Regeling Grote Projecten. Dat staat in artikel 7.37 van het Reglement van Orde. Daarmee kunnen we als Kamer een voorstel doen voor een groot project. Ik weet nog niet goed of dit hierbinnen valt, maar ik zou wel heel graag met de heer Hamstra en anderen gewoon eens willen kijken of we analoog aan die regeling of op een andere manier ervoor kunnen zorgen dat we met de Kamer veel beter de teugels in handen hebben en op veel regelmatiger basis controleren wat er gebeurt als het gaat over het stelsel van jeugdzorg, jeugdbescherming, financiën … Volgens mij kunnen we heel veel onderwerpen bedenken. Op zo'n manier ben ik dus op zoek naar betere controle vanuit de Kamer.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
De heer Hamstra (CDA):
Afrondend. Ik kende deze optie niet; ik ben graag bereid dit verder te verkennen, dus dank voor het initiatief.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Daar wil ik even op verdergaan, maar niet voordat ik mevrouw Westerveld bedank voor weer een bevlogen betoog. Mij bekruipt ook een beetje het gevoel dat mevrouw Westerveld bijna het geweten van deze Kamer is. We voelen met elkaar de gedeelde verantwoordelijkheid. Dan richting de vraag. Ik wil even stilstaan bij dat groot project. Dat gaan we natuurlijk later nog uitgebreider bespreken, maar zou het misschien een optie kunnen zijn om binnen dat groot project vooral te kijken hoe we de jongeren die de zorg het hardst nodig hebben nou het meest helpen? Dus niet breed, maar specifiek deze groep.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind dat een hele interessante suggestie, want ik denk dat wij allemaal de verhalen kennen van de jongeren die juist de allerbeste specialisten nodig hebben. We zien ook wat een verschil er is in de medische wereld. Als een kind bijvoorbeeld een complexe vorm van kanker heeft, dan is er een heel goed kinderziekenhuis met heel veel voorzieningen, maar een kind dat complexe mentale problemen heeft, komt in de gesloten jeugdzorg terecht. Dat zijn vaak gewoon letterlijk oude gevangenissen. Volgens mij kennen we dat en zien we ook dat verschil. We vragen al heel lang met de hele Kamer naar deze groep, waarvan we al heel lang de verhalen horen van jongeren en van ouders en waarvan we al heel lang weten dat het aanbod niet toereikend is. Dat wordt ook door niemand ontkend; dat weten we gewoon. En toch komt het niet van de grond. Ik zou heel interessant vinden om bijvoorbeeld de hulp aan deze groep eruit te halen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Van Meetelen, die spreekt namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Genoeg is genoeg. Een meisje van 6 en een jongetje van 7: geslagen, geschopt, opgesloten in een kelder, eten onthouden, koude douches, fysieke straffen, een bezemsteel en nog veel erger. Een kind dat zo ernstig mishandeld is dat het in het ziekenhuis belandde en uiteindelijk in een kunstmatige coma terechtkwam. En dan de bestuurlijke taal ernaast: signalen, zorgen, werkwijze, partners, proces.
Nee, voorzitter. Dit was geen "proces". Dit was kindermarteling. We moeten dat woord hier hardop durven uitspreken, want wanneer een kind langdurig wordt opgesloten, uitgehongerd, vernederd, mishandeld en geterroriseerd, spreken we niet meer over een vorm van kindermishandeling. Dan hebben we het over doelbewust, stelselmatig en extreem geweld waarmee een kind lichamelijk en geestelijk wordt gebroken. Toch kent Nederland hiervoor geen afzonderlijke definitie, geen aparte onderzoeksaanpak, geen specifieke protocollen. Alles verdwijnt uiteindelijk onder dezelfde verzamelterm: kindermishandeling. Daarom vraag ik de minister of zij het met de PVV eens is dat de term "kindermishandeling" onvoldoende recht doet aan de situatie waarin een kind wordt opgesloten, uitgehongerd en bijna dood wordt mishandeld en dat niet alles onder deze zelfde noemer zou moeten vallen. Zo ja, waarom kennen wij dan nog steeds geen afzonderlijke categorie voor de zwaarste vormen van geweld tegen kinderen?
Voorzitter. We doen niet alleen slachtoffers tekort, maar ook de professionals die deze signalen moeten herkennen, want als alles onder dezelfde noemer valt, ontbreekt ook de urgentie om de zwaarste gevallen als zodanig te behandelen. Daarom moeten we durven onderzoeken of Nederland onderscheid moet gaan maken tussen kindermishandeling en kindermarteling, niet als een semantische discussie, maar omdat een afzonderlijke categorie leidt tot andere beleidsmatige keuzes. Een duidelijke definitie maakt gerichter onderzoek mogelijk. Een aparte registratie maakt zichtbaar hoe vaak dit voorkomt. Specifieke signaleringscriteria zorgen ervoor dat professionals eerder herkennen wanneer een kind acuut gevaar loopt. Een landelijk protocol zorgt ervoor dat er bij signalen van opsluiting, uithongering, ernstig letsel, uitputting, extreme verwaarlozing of langdurige terreur niet eerst wekenlang wordt overlegd, maar dat er direct wordt opgeschaald en ingegrepen. Is de minister bereid te laten onderzoeken hoe vaak dergelijke extreme vormen van geweld voorkomen? Is zij bereid te onderzoeken of hiervoor een afzonderlijke definitie en een landelijk handelingskader kan worden ontwikkeld?
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot een vraag van de heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Ik kon ook nog wel even wachten, hoor. Ik hoor mevrouw Van Meetelen vragen om een afzonderlijke categorie, handelingsprotocollen en landelijke regelgeving. Hoe zorgen we ervoor dat dit niet leidt tot extra bureaucratie door de risicoregelreflex die we vaak bij de Kamer zien, waardoor we het stelsel nog meer op slot zetten?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nee, dat is absoluut niet de bedoeling. Ik ben het helemaal eens met de heer Hamstra dat we daar niet heen willen. Het gaat erom dat er nu versnippering is. Overal komen signalen binnen, maar mensen maken niet één koppeling van wat die nou eigenlijk zouden kunnen inhouden. In Engeland doen ze dit al. Daar hebben ze echt een verschil tussen child abuse en child torture. Daarvoor hebben ze een ander beleidskader gemaakt. Op het moment dat bepaalde signalen binnenkomen, dus signalen van extreem geweld of uithongering, of bijvoorbeeld van kinderen die meerdere keren heel slecht op school binnenkomen, dan gaan ze op deze manier te werk. Dan hebben ze daar dus een andere vorm voor om meteen op te schalen en acuut te reageren.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Voorzitter. Dit raakt aan een groter probleem, want deze zaak laat opnieuw zien dat het huidige stelsel van jeugdzorg en jeugdbescherming onvoldoende in staat is om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Er zijn te veel organisaties, schakels en momenten waarop verantwoordelijkheid kan worden doorgeschoven. Terwijl volwassenen discussiëren over bevoegdheden, contracten en verantwoordelijkheden, blijft een kind achter in een onveilige situatie. Daarom pleit ik niet alleen voor een betere aanpak van kindermarteling, maar ook voor een fundamentele herziening van de organisatie van de jeugdbescherming. De bescherming van kinderen moet landelijk en eenduidig worden georganiseerd, met heldere bevoegdheden, landelijke kwaliteitseisen, uniforme protocollen en één eindverantwoordelijke instantie, die niet kan wegduiken achter ketenpartners of bestuurlijke constructies. Ik stel opnieuw de vraag aan de minister wie uiteindelijk eindverantwoordelijk was voor de veiligheid van deze kinderen. Welke instantie had de bevoegdheid om in te grijpen? Als die vragen vandaag niet eenduidig kunnen worden beantwoord, is dat dan niet precies het bewijs dat het stelsel zelf tekortschiet?
Wat de PVV betreft moet er een landelijke spoedroute komen voor deze ernstigste signalen. Wanneer er sprake is van ondervoeding, ernstige verwondingen, opsluiting, uitputting, ziekenhuisopnames of andere aanwijzingen van extreem geweld — ik heb het echt over de meest extreme gevallen — mag een kind niet afhankelijk zijn van overlegstructuren die dagen, weken of maanden in beslag nemen. Dan moet er onmiddellijk multidisciplinair worden opgeschaald en moet er binnen zeer korte tijd een besluit worden genomen over de veiligheid van het kind. Kan de minister uitleggen waarom bij signalen van mogelijk levensbedreigend geweld tegen een kind, nog steeds kostbare tijd verloren gaat aan overleg, procedures en afstemming tussen organisaties? Is zij bereid ervoor te zorgen dat bij dit soort signalen binnen 24 uur een veiligheidsbesluit wordt genomen?
Voorzitter. Als wij erkennen dat sommige kinderen niet worden mishandeld, maar worden gemarteld, dan kunnen we niet volstaan met dezelfde systemen, procedures en bestuurlijke reflexen die ons al jaren teleurstellen. Dan moeten we bereid zijn onderzoek te doen naar deze vorm van geweld, een afzonderlijke definitie en aanpak te ontwikkelen, en de jeugdbescherming zo in te richten dat bescherming van het kind altijd zwaarder weegt dan bescherming van het systeem. Mijn laatste vraag aan de minister is misschien wel de belangrijkste: durft zij vandaag te erkennen dat deze kinderen niet in de steek gelaten zijn door één persoon of één fout, maar door een stelsel dat er ondanks alle signalen niet in slaagde hen op tijd te beschermen?
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een aantal vragen.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik ben even op zoek naar de juiste context om dit in te plaatsen. Het woord "kindermarteling" bestaat inderdaad niet in het strafrecht, maar er zijn wel vier artikelen waar het onder valt. Ik hoor u niet over psychische mishandeling van kinderen. Dat is namelijk ook strafbaar, maar heeft ook geen aparte definitie. Ik ben dus een beetje zoekende. Wilt u meer regelgeving en langere dingen? Wat wilt u eigenlijk?
De voorzitter:
"Wat wil mevrouw Van Meetelen?"
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Excuus, voorzitter.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik heb het niet over strafrecht gehad. Dat is een aparte weg die bewandeld zou kunnen worden. Dit gaat meer over het moment waarop er signalen binnenkomen bij Veilig Thuis, bij jeugdzorg, bij jeugdbescherming — waar ze ook maar binnenkomen. Dan moet er sneller worden opgeschaald en met spoed multidisciplinair worden ingegrepen. Dat is de weg die ze in Engeland bewandelen. Daar zijn de politie, het OM et cetera allemaal bij betrokken. Strafrecht is een ander onderdeel. Daarom heb ik vandaag niet ingestemd met het toevoegen van de staatssecretaris van JenV. Ik wil het hebben over de hele weg daarvoor.
Als we dit vaststellen en als we hierover gaan spreken, zouden we wel kunnen vragen dat, als dit in zo'n dossier staat, de rechter bepaalt dat te allen tijde op het allerhoogste niveau wordt ingezet en gestraft. Dat is een mogelijkheid.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik ben bang dat dit weer tot veel meer regels en aanpassingen gaat leiden, terwijl we het in principe perfect kunnen herleiden als een kind mishandeld wordt, zwaar mishandeld wordt, gemarteld wordt. Volgens mij komt dat in dossiers te staan en gebruiken we deze termen al. Ik snap niet waarom er overal een aparte definitie voor moet komen. Maakt dit het niet juist lastiger?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nee. Deze definitie wordt dus niet gebruikt. Deze woordkeuze wordt in de maatschappij misschien af en toe door u en ik gebezigd, omdat wij er wat langer en meer in zitten, maar dat is niet het geval. Het gaat erom dat het veel duidelijker wordt hoe ernstig dit is.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi betoog. Helemaal eens: het kind moet beschermd worden, niet het systeem. Een geval waar dat helemaal verkeerd is gegaan, is het Vlaardingse pleegmeisje. Zij is echt gemarteld. Bij het werkbezoek kwamen we erachter dat iedereen meldingen kan doen bij Veilig Thuis, maar dat je bij Veilig Thuis geen meldingen kunt doen over pleeghuizen en pleeggezinnen. Stel dat een buur dat gemeld had, dan had Veilig Thuis daar niets mee gedaan. Zou dat niet aangepast moeten worden?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat ben ik volledig eens met de heer Van Houwelingen. Dat verbaasde mij ook zeer. Ik wist eerlijk gezegd niet wat ik hoorde. Bij de derde keer zeiden ze: ja, het kan wel en dan wijzen we door. Maar in eerste aanleg hebben ze inderdaad — wij zaten beiden bij het gesprek — twee keer gezegd dat ze dat niet doen. Dat vind ik heel verbazingwekkend. Inderdaad zouden we daar beter naar moeten kijken. Als dat niet gebeurt, moet dat wel gaan gebeuren. Zeker weten.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Misschien kunnen we daar samen een motie over indienen. Nog een andere vraag. Wij willen graag het wettelijk kader heel erg versmallen. Dat is het kabinet ook van plan. Ons idee is om dan als eis op te nemen dat de strafrechter een van de ouders of allebei de ouders aan het behandelen is of misschien wel veroordeeld heeft voor kindermishandeling. Dat staat goed omschreven in de wet. Dan houd je denk ik heel weinig zaken over in dat gedwongen kader. Hoe kijkt de PVV daar tegenaan?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Daar moet ik toch nog heel even over nadenken. Ik wil me niet te veel op het gebied van strafrecht gaan begeven op dit moment. Ik wil het echt aan de voorkant houden. Ik ga erover nadenken, meneer Van Houwelingen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik hoor de PVV zeggen dat de bescherming van het kind zwaarder moet wegen dan de bescherming van het systeem. Dat is precies waarom we met deze éénkindwetgeving willen komen, zodat de ouder, en niet alleen als het gaat om melden, daar niet bij is. Er moet ook een gesprek zonder de ouder kunnen plaatsvinden. Maar we zeggen ook: je wilt dat hulpverlening, politie en justitie, samen kijken wat nodig is. Ik denk dat deze wetgeving daar juist aan gaat bijdragen.
Mijn vraag is de volgende. Als de conclusie is dat het kind nu niet boven het systeem wordt geplaatst en dat het systeem boven het kind gaat, wat heeft de PVV, met het grootste aantal zetels in deze Kamer, dan de afgelopen jaren gedaan om dat nou toch eens te veranderen?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dit is natuurlijk heel venijnig. U weet zelf ook wel dat wij kort in het kabinet hebben gezeten. Wij zijn hier altijd heel kritisch op geweest. Wat hebben wij gedaan? Wij hebben vanaf dag één altijd gezegd dat we niet wilden dat er een decentralisatie kwam. We wilden dat dit bij de overheid bleef en dat er een landelijke regie zou blijven. Dat hebben we altijd gezegd, ik denk inmiddels twintig jaar lang. Dat is ook niet veranderd. Helaas hebben we dat niet kunnen aanpassen. Zoals u weet, is dit systeem al heel lang kapot. Ik kijk even naar mevrouw Westerveld. Zij heeft daar niet voor niks die stapel neergelegd. Dat is niet door de PVV gekomen. In de paar maanden dat wij in het kabinet hebben gezeten hebben we daar niks aan kunnen doen.
Ik kijk even naar mevrouw Synhaeve. U heeft al vaker in het kabinet gezeten en zit er nu in. Ik zou zeggen: doe uw best.
De voorzitter:
Het is "mevrouw Synhaeve", via de voorzitter.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Via de voorzitter dan.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik denk dat dat geen venijnige vraag is, maar juist de meest wezenlijke vraag die we ons moeten stellen. Die geeft aan dat, of je als partij veel zetels hebt of niet en of je nou in het kabinet zit of niet, het gaat om de meerderheden die in deze Kamer gevormd worden. Die zorgen ervoor dat we met elkaar keuzes maken. Het zou heel mooi zijn als we ook de PVV een keer aan onze zijde vinden op het moment dat we wel degelijk heel grote, wezenlijke veranderingen gaan doorvoeren. Want dat is wat we de komende tijd gaan doen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, als die veranderingen zijn zoals de PVV vindt dat ze goed zijn. Dat is niet het geval.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind het ook een wezenlijke vraag van mevrouw Synhaeve. Het antwoord was: ja, als de plannen zijn zoals wij willen dat ze zijn. Kan mevrouw Van Meetelen één plan opnoemen uit het PVV-verkiezingsprogramma over de jeugdzorg waar zij dan naartoe zou willen?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nee, dat hebben wij niet in ons verkiezingsprogramma staan. Dat hoeft ook niet, want iets hoeft niet in je programma te staan om er iets van te vinden.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dit is precies het probleem. Er staat niks over de jeugdzorg in het PVV-verkiezingsprogramma. Dat is niet iets kleins. In een programma schrijf je op wat je belangrijk vindt en waarom je iets wil. Wat mevrouw Van Meetelen nu zegt, gaat over stelsels. In de afgelopen periode was de PVV de grootste fractie in deze Kamer. Ze leverde twee van de drie bewindspersonen op het ministerie van VWS. Deze signalen waren niet nieuw. De mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingen gebeurde bijvoorbeeld vlak daarvoor. De afgelopen jaren hadden bewindspersonen van de PVV de beloften die in dat debat zijn gedaan kunnen nakomen. Daar is niks van gebeurd. Daarom zit deze minister nu met eigenlijk alles wat wij haar vragen. Dat is omdat het de afgelopen twee jaar heeft stilgestaan. Je mag jezelf dan best in de spiegel aankijken. Ik vind dat dat voor ons allemaal geldt, maar zeker als je in een kabinet hebt gezeten.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik voel me totaal niet aangesproken. Ik weet dat mijn collega's hier wel mee bezig zijn geweest. We hebben daar helaas te weinig tijd voor gekregen. De puinhoop die is gecreëerd, is er al heel lang. Daar zijn uw partijen ook debet aan. Dus kijk zelf in de spiegel.
De voorzitter:
Het is nog altijd "mevrouw Westerveld kijkt zelf in de spiegel".
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, mevrouw Westerveld.
De voorzitter:
Ik ga haar nu ook het woord geven. Mevrouw Westerveld, gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Mijn bedoeling is niet om hier te jij-bakken. Ik zou wel heel graag willen dat we allemaal kijken naar ons eigen aandeel. Ik zou willen dat partijen die in de oppositie zitten bewindspersonen niet heel hard aanpakken, terwijl ze niets opschrijven of dit geen prioriteit geven als ze in de coalitie zitten. Laten we dat ons allemaal aantrekken. Mijn bedoeling is zeker niet om te jij-bakken. Ik vind gewoon dat we allemaal moeten kijken naar onze eigen taak. Dat was ook de oproep van de jongeren dinsdag: niet naar elkaar wijzen, maar kijken wat je zelf kunt bijdragen. Volgens mij zouden we dat allemaal moeten doen, dus ik ook.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nou, dat is mooi. Ik hoor verder geen vraag. Volgens mij staan er in mijn betoog wel degelijk een paar vragen om daadwerkelijk iets te veranderen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer El Abassi. Hij spreekt namens de fractie van DENK. Ik hoor u hoesten. Neem een slokje water. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. We staan hier voor de 80.000 kinderen die op dit moment op een wachtlijst staan voor hulp. Kinderen van vlees en bloed, die vermorzeld worden door een falend, kil en bureaucratisch systeem.
Voorzitter. Het is nog geen twee jaar geleden dat Nederland schrok van het rapport Eenzaam gesloten. Jongeren vertelden hoe zij op ZIKOS-afdelingen soms 23 uur per dag werden opgesloten, geïsoleerd van de buitenwereld, terwijl zij juist zorg en bescherming nodig hadden. Het waren geen verhalen uit een ver verleden, maar uit onze eigen jeugdzorg. Jongeren die al kwetsbaar waren, verlieten deze instellingen met diepere trauma's dan die waarmee ze binnenkwamen. Het rapport leidde tot verontwaardiging, Kamerdebatten en de sluiting van de afdelingen, maar voor veel slachtoffers bleek de aandacht van korte duur. De deuren gingen dicht, maar voor de jongeren zelf begon de strijd pas echt.
Vandaag ligt er een nieuw rapport: Eenzaam gestorven. Dit rapport is nog pijnlijker is dan het eerste. Dat is niet omdat het nieuwe misstanden onthult, maar omdat het laat zien wat er gebeurde nadat de camera's verdwenen en de verontwaardiging verstomde. Jongeren bleven achter met trauma's, zelfmoordgedachten en een diepe behoefte aan erkenning. Vijf van de jonge deelnemers aan het onderzoek met zelfmoordgedachten zijn inmiddels overleden. Kan de minister uitleggen waarom de beloofde excuses en nazorg zijn uitgebleven? Is zij bereid om dit jaar nog te komen met een specifiek herstel- en ondersteuningsplan voor de voormalige ZIKOS-jongeren en hun nabestaanden?
Voorzitter. Het fundament van dit stelsel is rot. Dat heb ik vaker aangegeven. De decentralisatie is een mislukking. De Rijksoverheid heeft de loodzware pedagogische taken over de schutting van de gemeente gegooid en weigert de structurele portemonnee te trekken. Het rapport Groeipijn van de deskundigencommissie laat er geen misverstand over bestaan: de geplande bezuinigingen van honderden miljoenen zijn volstrekt onrealistisch en moeten onmiddellijk worden opgeschort. Ook de Raad voor het Openbaar Bestuur concludeert in het advies Afrekenen met disbalans dat er een diepe, structurele kloof gaapt tussen de wettelijke zorgplicht van gemeenten en de financiële middelen die zij krijgen. Wethouders worden door het Rijk gedwongen om te sturen op budgetplafonds in plaats van op de veiligheid van een kind. Dit is geen jeugdzorg, maar een kille bezuinigingsoperatie over de ruggen van onze kwetsbare jeugd. Is de minister bereid de conclusies van haar deskundigencommissie dit keer volledig over te nemen en deze onrealistische bezuinigingen onmiddellijk te stoppen?
Voorzitter. Dit systeem faalt niet alleen. Als dit systeem faalt, dan zijn de gevolgen werkelijk huiveringwekkend. Kijk ook naar de afschuwelijke zaak in Stadskanaal. Die werd eerder vandaag al genoemd. Die kwam deze week ook naar buiten. Een 6-jarig meisje werd stelselmatig gemarteld en uitgehongerd door haar eigen moeder. De details tarten elk voorstellingsvermogen. Dit kleine kind werd in de kelder vastgebonden aan leidingen. Ze werd als straf urenlang onder een ijskoude douche gezet. Ze werd gedwongen haar eigen braaksel van de vloer op te eten. Haar eigen kots. Er werd zelfs gesproken over het breken van haar vingers en het afknippen van haar oren, omdat ze flaporen heeft. Je maag draait hiervan om. Pure horror.
Het meest onverteerbare is dat dit weer gebeurde onder de radar van een falend systeem. De signalen waren er gewoon. Al in het jaar 2025 smeekte de basisschool Veilig Thuis om hulp, omdat het kind wonden op haar hoofd had en in de klas letterlijk omviel van de honger. In februari belandde ze zwaar ondervoed in coma op de intensive care. Wat gebeurde er na de ziekenhuisopname? Ze werd onder toezicht geplaatst van de William Schrikker Stichting. Het woord "schrikker" is hier niet voor niks in verwerkt. Dit is nota bene dezelfde stichting die onder andere faalde bij de zaak van het Vlaardings pleegmeisje en die vorig jaar nog onvoldoende scoorde bij de inspectie IGJ en de Inspectie Justitie en Veiligheid. Twee maanden later lag dit meisje weer in het ziekenhuis met wonden. De waarheid kwam nu pas aan licht. Die kwam gelukkig aan het licht, maar dat was niet vanwege doortastend ingrijpen van instanties maar doordat de daders onderling ruzie kregen. Ik vraag de minister hoe zij reflecteert op het feit dat de William Schrikker Stichting de verantwoordelijkheid behield na eerder falen in Vlaardingen en na een onvoldoende van de inspectie?
Tot slot, voorzitter. De inspectie sloeg vorig jaar al groot alarm over de jeugdzorg, maar door versnipperingen, personeelstekorten en instanties die langs elkaar heen werken, raken de meest kwetsbare kinderen uit het zicht en worden alarmsignalen genegeerd. Hoe vaak moeten we nog waarschuwen? Hoeveel kinderen moeten nog slachtoffer worden? Het wordt tijd dat iemand de verantwoordelijkheid neemt en dat er eindelijk regie komt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een vraag. Meneer Ceder, gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik deel dat die verschrikkingen nooit hadden mogen plaatsvinden en dat we te maken hebben met een falend systeem. Sterker nog, ik denk dat de Staat gewoon niet kan garanderen dat iemand er beter van wordt als die uit huis wordt geplaatst. Dat is een ernstige situatie. Ik heb wel moeite met het debat dat we hier vaak voeren als we het hebben over organisaties waar mensen werken die juist voor dit vak hebben gekozen omdat ze kinderen willen helpen. Ik verwerp de misstanden, ik verwerp ook de pleegouders en alle betrokkenen. Die moeten ook aangepakt worden, strafrechtelijk en op alle mogelijke wijzen.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag is of de heer El Abassi wel, met mij, van mening is dat door het zo benoemen van een hele organisatie, we ook medewerkers — van wie er sommigen zitten te kijken — die met passie voor dit vak hebben gekozen, delegitimeren en we het werk misschien zelfs minder aantrekkelijk maken in een sector waar we al schrijnende tekorten hebben.
De heer El Abassi (DENK):
Zoals in elk debat geldt het volgende. Als we kritiek hebben op apparaten of instituties zoals bijvoorbeeld de politie, dan waardeer ik nog steeds het werk van onze politie. Maar als dit soort gruwelijke misstanden plaatsvinden, moeten we dat in dit huis benoemen. Het komt over alsof mijn vingers met name zijn gericht op de William Schrikker Stichting, maar dat is niet mijn bedoeling van vandaag en niet mijn bedoeling in eerdere debatten. Los van het feit dat ze een onvoldoende hebben gescoord en dat het daar vaker fout gaat, vind ik dat wij hier in dit huis … Ik wijs dus niet naar stichtingen, ik wijs om te beginnen naar onszelf en zeker naar dit kabinet om met oplossingen te komen. We zien keer op keer waar het fout gaat. We kunnen maatregelen nemen, er zijn tal van onderzoeken, aanbevelingen en conclusies die we kunnen overnemen. We doen dat keer op keer niet. Dan komen er weer gevallen en dan schrikken we weer — Schrikker we weer — keer op keer, zou ik willen zeggen via de voorzitter.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank aan mijn collega voor het plaatsen van een nuancering. Ik krijg uit werkbezoeken of in gesprekken vaak terug dat mensen voor het werken in de jeugdzorg hebben gekozen, met passie voor het vak. Zij vinden het ingewikkeld dat bij een incident — of incidenten, het zijn er veel te veel — vervolgens de hele sector of een hele organisatie aangesproken lijkt te worden. Dat maakt het ook minder aantrekkelijk om daar überhaupt langer aan de slag te gaan. Los van het stelsel en het geld, weten we dat een van de problemen het tekort aan mensen is. Dat is een factor. Ik wil meegeven dat het dan niet helpt als we in het debat over organisaties spreken alsof eenieder die daar met liefde voor kinderen staat te werken in het verdachtenbankje wordt geplaatst. Dat wilde ik nog even meegeven.
De voorzitter:
Ook het meegeven van zaken mag binnen 30 seconden, meneer Ceder.
De heer El Abassi (DENK):
Zeer zeker. Ik was al door mijn tijd heen, maar de heer Ceder geeft mij nu ook de gelegenheid om buiten de tijd om nog een keer aan de mensen die dit werk met veel liefde en passie doen, mee te geven dat ik ze alleen maar wil complimenteren. Ik waardeer enorm wat ze doen. Tegelijkertijd denk ik wel dat wij verschillen als het gaat om aansprakelijkheid. Ik denk dat stichtingen aansprakelijk gesteld moeten kunnen worden. De manier waarop we nu omgaan met verschillende casussen waarbij niemand regie neemt, waarbij niemand aansprakelijk is, maakt dat ik niet in dat systeem geloof. Ik geloof dat een stichting aansprakelijk moet kunnen zijn. Ik geloof dat iemand de regie moet nemen. Anders krijg je iedere keer weer dat stichtingen naar elkaar verwijzen, dat niemand de regie neemt en dat we achteraf hier weer schrikken maar dat niemand verantwoordelijkheid neemt. Ik denk dat we dat niet moeten hebben in dit land.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Helemaal mee eens. Niemand neemt de verantwoordelijkheid en ook het bestuur van de William Schrikker Stichting is naar aanleiding van de vreselijke incidenten niet opgestapt. Wat vindt de heer El Abassi daarvan?
De heer El Abassi (DENK):
Volgens mij was de heer Van Houwelingen al hierheen gelopen toen hij het laatste stuk van mijn betoog hoorde, namelijk dat ik inderdaad pleit voor aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid. Ik vind dat stichtingen, dus ook de William Schrikker Stichting, hier niet zomaar vanaf kunnen komen. Ik vind wel dat dit primair hier in dit huis begint. Wij moeten regels opstellen. Wij moeten ervoor zorgen dat er een regiehouder komt en dat we helder duiden wie er in welke gevallen aansprakelijk is. Dit betekent dat als dit soort misstanden gebeuren bij stichtingen — ook bij de William Schrikker Stichting, die ook heel veel dingen goed doet — zij daar echt aansprakelijk voor gesteld moeten worden. Dat geldt niet alleen voor de William Schrikker Stichting.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Daar ben ik het helemaal mee eens. Maar de raad van toezicht heeft het bestuur laten zitten. Ik concludeer dan maar dat er binnen het bestuur — ik heb het niet over de medewerkers — blijkbaar weinig zelfreinigend vermogen aanwezig is. Zou dan bijvoorbeeld, om een suggestie te doen, de inspectie in dat geval de directie ook niet moeten kunnen ontslaan, als er blijkbaar geen zelfreinigend vermogen is? Die bevoegdheid heeft de inspectie nu niet.
De heer El Abassi (DENK):
Als de heer Van Houwelingen in een motie pleit voor een onderzoek naar de misstanden binnen de William Schrikker Stichting en dat, als geconstateerd wordt dat daar verwijtbare misstanden hebben plaatsgevonden, dit moet leiden tot bijvoorbeeld het ontslag van het bestuur, dan steun ik die motie van harte. Dat durf ik hier vanachter de katheder te zeggen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
We zijn het volgens mij helemaal eens, maar het punt is alleen dat er vervolgens niks gebeurt. Dat is in dat rapport ook geconcludeerd. Ik heb dezelfde irritatie die u heeft. Mijn vraag is: moeten we dan iets optuigen waardoor bijvoorbeeld de inspectie kan zeggen "sorry jongens, jullie hebben er zo'n bende van gemaakt, nu moeten jullie wegwezen"? Kan er dan ergens van buitenaf — waar ik normaal tegen ben — worden ingegrepen?
De heer El Abassi (DENK):
Eens. Tegelijkertijd moeten we ook nadenken over wie het dan overneemt en hoe we voorkomen dat het de volgende keer weer gebeurt. Ik ben het dus helemaal eens met de heer Van Houwelingen. Tegelijkertijd ligt het genuanceerder dan de heer Van Houwelingen hier vertelt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we nu aangekomen bij een bijzonder moment, want onze collega mevrouw Van Groningen, die spreekt namens de VVD, houdt haar maidenspeech. Zij heeft aangegeven aan het eind van haar betoog interrupties te verwelkomen. Ik heet ook de familie in de loge hartelijk welkom. Graag geef ik mevrouw Van Groningen het woord. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Het is een voorrecht om hier vandaag te mogen staan. Terwijl ik hier voor het eerst sta, besef ik dat eenieder van u hier ooit voor het eerst heeft gestaan. Wellicht was u toen, net zoals ik nu, zoals u kunt horen, een beetje gespannen. Ondanks dat elk verhaal van u destijds anders was, delen we allemaal dezelfde wens om ons Nederland een stukje mooier te maken. Ik wens ons dan ook toe dat we vandaag vanuit die passie dit debat met elkaar voeren.
Voorzitter. Dan neem ik u graag mee in waarom ik hier vandaag sta. Als klein meisje groeide ik op in een VVD-nest met twee werkende ouders, waar zelfredzaamheid en ook een goede discussie vanzelfsprekend waren. Aan onze keukentafel werd vaak gesproken over de samenleving en over politiek. Dat vond ik erg interessant, al wist ik toen nog niet dat ik hier ooit zou staan.
Destijds wilde ik drie dingen worden. Ik wilde dokter worden, net zoals mijn geliefde opa, rechter of politicus. Drie verschillende beroepen met één overeenkomst: mensen helpen om hun wereld een stukje mooier te maken. Voorzitter, ik hoef u niet uit te leggen welke van de drie het is geworden.
De drang om de wereld wat mooier te maken kwam niet zomaar. Als jong meisje raakte het mij als iemand niet werd gezien of werd gehoord. En waarom? Omdat ik dat gevoel heel goed zelf kende. Als kind werd ik jaren gepest, op de lagere school, op de middelbare school en ook nog even daarna. Dus ik weet hoe het voelt om buitengesloten te worden, hoe het voelt om niet gezien te worden en het gevoel te hebben dat jouw stem er niet toe doet. Dat gevoel, die machteloosheid, doet iets met een mens.
Voorzitter. Deze ervaringen hebben mij ook geleerd om dicht bij mezelf te blijven, ook al was dat niet altijd makkelijk. Maar vanuit mijn positieve levensinstelling ontstond de drive om te verbinden, om echt te luisteren naar mensen en om op te staan tegen onrecht, om echt eerlijk te zijn en verantwoordelijkheid te nemen in plaats van langs de zijlijn te staan en te kijken. Want iedereen verdient het om gezien en gehoord te worden. Met een steuntje in mijn rug van mijn lieve man Martijn, die hier vandaag ook aanwezig is, zette ik in 2018 de stap naar de lokale politiek in Rotterdam. Hier heb ik de afgelopen acht jaar vanuit die positieve overtuiging mijn werk ingezet. Ik heb daarmee ondernemers en Rotterdammers ook een stem gegeven. Wat mij betreft is dat echt een belangrijk uitgangspunt voor een debat zoals we dat vandaag voeren over de jeugdzorg, aangezien het er voor zo veel kinderen en gezinnen om draait dat ze gezien worden, gehoord worden en geholpen worden.
Voorzitter. Dit onderwerp raakt veel mensen. Het raakt ook mij als mens, als moeder van twee prachtige kinderen, Pico en Amee, die vandaag overigens op school zitten, en als Kamerlid. Achter iedere wachtlijst schuilt namelijk een kind dat zich niet gezien voelt of een ouder die zich machteloos voelt. Neem Jaimy. Toen hij 18 jaar werd viel hij tussen wal en schip, zonder passende begeleiding. Of neem Sam, die tijdens de petitie twee weken geleden vertelde dat hij zich na een uithuisplaatsing zo ongehoord voelde dat hij zichzelf iets aandeed. Of neem Micky, die met ernstige anorexia niet de hulp kreeg die zij nodig had, maar het geluk had dat zij ouders had met tijd en geld om hun zorg zelf te organiseren. Dat mogen wij nooit normaal vinden.
Voorzitter. Soms denk ik: pak een blanco vel papier en maak een nieuw jeugdzorgstelsel, met het kind centraal en het gezin daaromheen. Die tijd hebben we echter niet. Het systeem staat onder druk en kinderen hebben nu hulp en zorg nodig. Ik zie dat de minister stappen zet en ook wil doorpakken. Dat willen wij ook. Wat de VVD betreft gaan we aan de slag met het uitvoeren van de Hervormingsagenda Jeugd en maken we ook vaart met de reikwijdtewet, die de sector echt verder moet gaan helpen. Daarom wil ik van de minister weten wanneer deze wet naar de Kamer wordt gestuurd en op welke manier we de vaart erin houden.
Voorzitter. Als we passende zorg willen blijven bieden, moeten we duidelijke keuzes maken. Elke vraag verdient een passend antwoord, maar niet elke hulpvraag is een zorgvraag. Hulpvragen in het kader van huiswerkbegeleiding, faalangst of lichte dyslexie horen wat de VVD betreft thuis in het sociaalpedagogische domein, zodat specialistische jeugdzorg beschikbaar blijft voor kinderen die de hulp echt nodig hebben. Hoe gaat de minister deze afbakening verankeren in de AMvB en welk afwegingskader gaat ze daarbij hanteren?
Voorzitter. Complexe hulpvragen blijven wat ons betreft te lang liggen. Het voelt als een oneindige estafette, waarbij we het stokje steeds doorgeven, met als resultaat dat kinderen met een zware depressie, anorexia of suïcidaliteit vaak langer moeten wachten op passende hulp. Ons systeem werkt niet voor hen, terwijl we er moeten zijn voor die kinderen in nood. Dat mogen we niet langer accepteren. Wat gaat de minister doen om jongeren met complexe problematiek sneller passende zorg te bieden? Wat gaat ze doen om wachtlijsten terug te dringen? Ziet ze daarbij kansen voor innovatie en digitalisering van intake en diagnostiek?
Voorzitter. De VVD vindt dat we echt eerlijk moeten zijn: niet iedere tegenslag vraagt om professionele zorg, niet alles is maakbaar en een beetje weerstand is gezond. En laten we niet vergeten dat niet de overheid, maar ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun kinderen. Tegelijkertijd zien we dat ouders bij jeugdhulp juist te vaak aan de zijlijn staan, terwijl problemen niet alleen het kind, maar het hele gezin raken. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat gezinnen meer centraal komen te staan en hoe voorkomt zij dat specialistische jeugdzorg wordt ingezet terwijl het inzetten van opvoedingsondersteuning of het sociale netwerk veel beter helpt?
Voorzitter. De vreselijke gebeurtenissen in Oost-Groningen laten zien wat er gebeurt wanneer signalen wel worden gezien, maar niemand verantwoordelijkheid neemt. Wat de VVD betreft begint het bij het wegnemen van belemmeringen om informatie te delen. Dat is cruciaal en dat is wat het veld ook vraagt. Hoe heeft de minister dit nu gewaarborgd? Daarnaast moet glashelder zijn wie de regie voert wanneer het kind zich in een onveilige situatie bevindt. De VVD ziet daarbij een belangrijke rol voor Veilig Thuis, samen met stevige lokale teams, zoals we dat ook zien bij de aanpak van huiselijk geweld en femicide. Tegelijkertijd zien we regionaal grote verschillen. Daarom vraag ik de minister hoe zij ervoor zorgt dat overal in Nederland duidelijk is wie verantwoordelijk is en hoe zij voorkomt dat kinderen tussen organisaties, regels en systemen blijven hangen.
Voorzitter, tot slot. Kinderen verdienen het om gezien en gehoord te worden, en niet pas wanneer het misgaat. Zij verdienen passende hulp, een veilige omgeving en volwassenen die verantwoordelijkheid nemen wanneer het erop aankomt, zodat ieder kind de kans krijgt om veilig op te groeien, zich te ontwikkelen en gezien te worden. Daar zullen wij als politiek iedere dag voor moeten blijven vechten.
Dank u wel.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot een vraag. Mevrouw Coenradie, gaat uw gang.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dank voor de mooie, persoonlijke maidenspeech. Het is leuk om elkaar hier in de Tweede Kamer opnieuw te treffen; we komen allebei uit het Rotterdamse. Wat ik heel mooi en treffend vind, is dat mevrouw Van Groningen aangeeft dat zij hier wil staan voor kinderen, die zich gezien moeten voelen en gehoord moeten voelen, zeker kinderen die in nood zijn. Ik ben daarom ook benieuwd of mevrouw Van Groningen het met mij eens is dat er op dit moment heel veel kinderen in nood zijn die zich niet gehoord of gezien voelen, waar wij nog geen zicht op hebben.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Dank voor deze vraag. Ik ben blij dat wij beiden het belang van het kind vooropstellen. Ik denk inderdaad dat er veel kinderen zijn die niet gezien worden. Dat zijn bijvoorbeeld thuiszitters. Dat is een groot probleem. We zien dat dat uiteindelijk ook leidt tot uitval en tot grotere zorgvragen. Daarom denk ik dat het goed is dat we met elkaar keuzes maken over wat wel en geen jeugdzorg moet zijn. Mijn collega Van den Hil, die waarschijnlijk vandaag meekijkt, noemde het al het "hekje" rondom de jeugdzorg, waarbij we heel duidelijk afkaderen wat die zorg moet zijn en wat niet, zodat we die kinderen in nood echt kunnen helpen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Als we dan kijken naar bijvoorbeeld het Vlaardingse pleegmeisje of de kinderen van Stadskanaal, dan heb ik een heel sterk vermoeden dat er nog veel meer van dit soort kinderen zijn die door een hel gaan, die nu op school zitten in angst dat ze straks weer naar huis toe moeten. Toch gaan ze naar huis, waar het helemaal niet zo pais en vree is. Is mevrouw Van Groningen het met mij eens dat wij zicht moeten hebben op deze kinderen?
Mevrouw Van Groningen (VVD):
In een ideale situatie hebben we zicht op al die kinderen, maar we weten ook dat dit hartstikke lastig is. Daarom is het, denk ik, goed dat we systemen gaan hervormen. Er liggen een hele hoop plannen. Volgens mij moeten we juist zij aan zij staan om te zorgen dat we die hervormingen snel doorvoeren, zodat we die kinderen beter in beeld krijgen.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Het is mevrouw Van Groningen ook bekend dat ik straks met een motie zal komen, waarin ik zal aangeven dat wij, met de wetenschap dat er heel veel van dit soort kinderen zijn die in een noodsituatie, die nú, vandaag, hier, morgen en de komende dagen moeten zien en horen. We moeten daarmee niet wachten tot er een hervormingsagenda is. Ik ben vooral benieuwd hoe mevrouw Van Groningen daarnaar kijkt.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Zoals u weet, doet de VVD nooit uitspraken over moties tijdens het debat. Daar zullen wij rustig naar kijken en dan maken we een afweging over wat we daarmee gaan doen. Ik deel wel uw zorg dat we die kinderen zo goed mogelijk in beeld moeten krijgen. Vandaar ook mijn vragen vandaag aan de minister over die informatiedeling, die ook heel cruciaal is om ervoor te zorgen dat als er signalen zijn, die snel en tijdig worden opgepakt.
De voorzitter:
Dan wil ik u danken en vooral van harte feliciteren met uw maidenspeech. Dat is altijd een heel bijzonder moment in deze zaal. Ik wil u ook van harte danken voor uw persoonlijke betrokkenheid. Het werd heel stil in de zaal, en ik denk dat dat de politiek altijd ten goede komt. Ik wil u vanaf deze plaats als eerste feliciteren. Ik ga enkele ogenblikken schorsen, zodat u ook door al uw collega's gefeliciteerd kan worden.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening. Wij zijn toegekomen aan de inbreng van mevrouw Coenradie, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Als wij spreken over jeugdzorg, spreken wij over kinderen die vaak volledig afhankelijk zijn van volwassenen en van de overheid. Juist daarom moeten wij vandaag niet beginnen met structuren, stelsels en processen, maar moeten we beginnen met de kinderen die door datzelfde systeem in de steek worden gelaten. Helaas is er een eindeloze reeks aan misstanden bekend: signalen die niet werden opgepakt, meldcodes en protocollen die niet werden gevolgd, dossiers die niet op orde waren, overdrachten die niet plaatsvonden, gebrek aan regie en informatie-uitwisseling tussen instanties, en recent opnieuw jongeren die terechtkomen op vakantieparken of andere noodlocaties omdat passende zorg ontbreekt.
Voorzitter. Dit zijn geen incidenten meer. Als dezelfde fouten zich jaar na jaar blijven herhalen, hebben we een probleem van een falend systeem, falende uitvoering, falende cultuur en falend toezicht. Te vaak wordt gewezen op personeelstekorten of werkdruk, maar deze misstanden zijn niet uitsluitend gevolgen van een tekort aan geld, maar ook van fundamentele problemen binnen organisaties. Daarom wil JA21 een onafhankelijke doorlichting van de jeugdbeschermingsketen.
Voorzitter. Wij zien nu vooral de excessen, de zaken die het nieuws halen en de zaken waarvan inspecties achteraf constateren dat het ernstig mis is gegaan. We willen echter juist weten hoeveel vergelijkbare situaties er vandaag de dag nog aan de gang zijn die nog niet zijn geëscaleerd. Juist daarom moet het doel van een onafhankelijk onderzoek niet alleen zijn om terug te kijken naar incidenten, maar vooral om risico's vroegtijdig te herkennen en toekomstige zaken zoals in Vlaardingen en Stadskanaal te voorkomen. We beschikken immers over meerdere inspectierapporten waarin steeds dezelfde patronen terugkomen. Het gaat vaak niet om één fout moment, maar om een opeenstapeling van voorspelbare signalen en fouten van verschillende instanties die onvoldoende werden opgepakt. Daarom is vooral de vraag: waar zien we vandaag dezelfde risicopatronen terug?
JA21 wil daarom een extern onderzoek waarbij niet alleen naar beleid wordt gekeken, maar ook naar dossiers, overdrachten, opvolging van signalen, naleving van meldcodes en protocollen, en de kwaliteit van besluitvorming binnen organisaties zoals Veilig Thuis, de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en andere uitvoeringsorganisaties en GI's. Is de minister bereid een dergelijke onafhankelijke risicoanalyse van de gehele jeugdbeschermingsketen uit te laten voeren?
Voorzitter. Dan de gesloten jeugdzorg. JA21 begrijpt de wens om gesloten plaatsingen af te bouwen. Gesloten jeugdzorg moet altijd een uiterst middel zijn. Maar goed beleid begint bij de werkelijkheid en niet bij een wensbeeld. De werkelijkheid is dat de capaciteit sneller wordt afgebouwd dan alternatieven worden opgebouwd. Reguliere instellingen geven aan dat zij jongeren met de zwaarste problematiek vaak niet kunnen of willen plaatsen. Gemeenten worden daardoor gedwongen tot noodconstructies met een-op-een- of zelfs twee-op-eenbegeleiding, terwijl dit vaak geen effectieve hulp is voor deze kinderen. De kosten daarvan lopen geregeld op tot tonnen en soms zelf miljoenen per jongere per jaar. Dat is niet alleen financieel onverantwoord en onhoudbaar voor gemeentes, maar het laat vooral zien dat het systeem onvoldoende passende plekken beschikbaar heeft voor de groep die deze zorg het hardst nodig heeft. Mijn vragen aan de minister zijn daarom helder. Erkent zij dat er regio's zijn waar de afbouw van gesloten capaciteit sneller verloopt dan de ontwikkeling van alternatieven? Hoeveel jongeren verblijven momenteel in tijdelijke noodvoorzieningen omdat een passende plek ontbreekt? Heeft de minister in beeld hoe vaak deze kinderen gemiddeld al zijn doorgeplaatst?
Voorzitter. Inmiddels ontvangen bijna een half miljoen jongeren jeugdhulp. Dat is meer dan een op de tien jongeren in Nederland. Tegelijkertijd zien gemeenten oplopende tekorten en staan specialistische voorzieningen onder druk. Steeds meer kinderen komen in het systeem terecht met een lichte hulpvraag terwijl de zwaarste gevallen steeds moeilijker passende hulp krijgen. JA21 vindt dat we eindelijk moeten durven kijken naar de financiële prikkels binnen het stelsel. Waarom groeit de lichte jeugdhulp zo hard? Hoeveel aanbieders zijn actief in dit segment? Hoeveel publiek geld gaat verloren aan versnippering, overhead en onvoldoende bewezen interventies?
Want achter iedere statistiek zit een kind, een kind dat recht heeft op meer dan goede bedoelingen. Een kind heeft recht op een overheid die doet wat zij belooft, die fouten durft te erkennen en die de veiligheid altijd vooropstelt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren ... Nee, dat gaan we nog niet. Ik dacht dat we gingen luisteren naar de heer Hamstra. Dat gaan we ook doen, maar dan middels een interruptie.
De heer Hamstra (CDA):
Ja, voorzitter, ik doe het eerst nog even vanaf deze kant. Het laatste deel van het betoog van mevrouw Coenradie ging over jeugdhulp. Perverse prikkels uit het systeem halen is een onderdeel van het beteugelen daarvan, in mijn bewoording. Ik denk dat we elkaar daarin kunnen vinden. Later dit jaar of begin volgend jaar gaan we ook nog praten over de Wet reikwijdte. Hoe ziet mevrouw Coenradie de afbakening van die lichte jeugdhulp in relatie tot de wat zwaardere gevallen in de jeugdzorg?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Een terechte vraag. Daar waar het echt nodig is, moeten we jeugdhulp kunnen bieden, maar het is de vraag in hoeverre dat in de toekomst houdbaar is. Als ik vanuit de praktijk voorbeelden zie en hoor waarin kinderen al heel snel — we kunnen zelfs zeggen dat ze eigenlijk nog niet echt problemen hebben, bijvoorbeeld bij een vorm van dyslexie — gebruik kunnen maken van de Wmo en daarmee in de jeugdzorg belanden, vraag ik mij heel erg af of die pot geld wel daarvoor bedoeld is, kijkend naar de lange termijn en ervan uitgaand dat we de jeugdhulp houdbaar willen houden voor de kinderen die de jeugdhulp echt heel hard nodig hebben. De vraag stellen is een beetje de vraag beantwoorden. Ik denk dat we daarvoor met elkaar ook de gesprekken over de ethische kwestie moeten gaan voeren.
De heer Hamstra (CDA):
Een vervolgvraag: hoor ik mevrouw Coenradie zeggen dat als wij straks bij de behandeling van de Wet reikwijdte over de afbakening gaan praten, de lichte opvoedondersteuning, dyslexie et cetera wat haar betreft geen onderdeel meer zijn van de jeugdzorg en ergens anders opgelost kunnen worden en dat we de jeugdzorg beschikbaar houden voor degenen die de jeugdzorg echt nodig hebben? Heb ik mevrouw Coenradie dan goed begrepen?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, dat is kort gezegd inderdaad het antwoord.
De heer Stoffer (SGP):
Als ik goed luister, hoor ik mevrouw Coenradie pleiten voor een onafhankelijke doorlichting van de jeugdbeschermingsketen. Dat zou ik me op zich best voor kunnen stellen, maar er liggen ook al heel wat rapporten van de inspectie. Zou mevrouw Coenradie misschien wat meer kunnen zeggen over wat dat volgens haar extra zou kunnen opleveren ten opzichte van alles wat we al hebben?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dank aan de heer Stoffer voor deze vraag. Ik vind het belangrijk dat we … Laat ik even vooropstellen dat ik als staatssecretaris dat uitgebreide inspectierapport over het Vlaardingse pleegmeisje heb gelezen. Wat ik daarin las, vond ik verschrikkelijk. Toen dacht ik: dat moeten we nooit meer willen. Ik weet dat de Kamer eensgezind is op dit onderwerp: natuurlijk willen we dit allemaal nooit meer. Maar ik weet ook dat op dit moment nog veel meer kinderen door een hel gaan, die nu een basisschoolklas zitten en die denken: ik moet straks naar huis, maar ik durf niet, want ik weet wat mij te wachten staat. Ik zou graag willen dat we met dit onderzoek, met alles wat we geleerd hebben uit de inspectierapporten, vooral op casusniveau gaan kijken waar deze risico's weer zitten en waar die risicokinderen en die risicogezinnen zitten. Het is echt een enorme klus om die eruit te halen. Dat realiseer ik me, maar ik zou graag willen dat echt op casusniveau die casussen eruit worden gehaald en dat daar actie op wordt gezet. Het bestaat voor mij gewoon niet dat ik hier als volksvertegenwoordiger sta in de wetenschap dat er op dit moment ontzettend veel kinderen in nood zitten en dat we daar gewoon niet adequaat op kunnen reageren. Dat vraagt niet alleen systeemveranderingen en inderdaad talloze onderzoeken. Als we dit op een heel andere manier, casusgericht, kunnen aanpakken, zouden we kinderen as we speak kunnen redden. Die overtuiging heb ik.
De heer Stoffer (SGP):
Als ik het goed begrijp, zegt mevrouw Coenradie niet dat we nieuwe onderzoeken en dergelijke moeten doen, maar dat we op casusniveau dingen moeten bekijken en dan gelijk moeten handelen. Dat is dus eigenlijk gewoon handelingsgericht doorlichten. Dan zijn we dus niet eerst nog een jaar bezig met onderzoeken, maar komt er direct actie om te voorkomen dat er nog meer van deze hele moeilijke situaties komen waarvan we volgens mij allemaal vinden dat die niet kunnen maar die helaas wel bestaan. Ik heb toch goed begrepen dat mevrouw Coenradie daarvoor pleit?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dat is inderdaad waar ik voor pleit. In mijn ideale wereld gaat er morgen gewoon iemand achter de computer zitten die zegt: "Oké, we kennen de alarmsignalen en we kennen al die patronen. Bij welke casussen is dit nu aan de hand? Welke kinderen hadden nooit uit huis geplaatst moeten worden en welke kinderen lopen risico omdat ze al een paar keer zelf een melding hebben gedaan? Daar gaan we ons nu adequaat op richten." Die doorlichting zou ik heel graag door die hele keten willen, omdat ik zeker weet dat er nog veel meer aan de hand is en omdat we nu gewoon wachten tot de volgende excessen, want we zijn in deze Kamer steeds maar alleen die excessen aan het behandelen, terwijl we weten dat er veel meer onder ligt en dat er nog veel meer aanwezig is.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Volgens mij zouden we precies daarom in de Kamer juist moeten hameren op wetgeving, want ik ben het met mevrouw Coenradie eens dat je dat zou willen doorlichten, maar volgens mij heeft de inspectie dat ook gedaan, vanaf 2019, met die rapporten over Signalen Jeugdbeschermingsketen. Daarin geeft de inspectie aan, ook aan de hand van concrete, geanonimiseerde situaties, dat kinderen in onveilige situaties verkeren en blijven. Op een gegeven moment heeft de inspectie gezegd: wij sturen jullie dat de hele tijd toe, Tweede Kamer, maar er gebeurt maar niks en onze handhavingsinstrumenten zijn uitgeput. Mijn vraag is dus of dit onderzoek waar mevrouw Coenradie om vraagt niet precies is wat de inspectie eigenlijk al jaren doet.
Mevrouw Coenradie (JA21):
In mijn motie beoog ik ook dat het niet de inspectie is, maar echt een andere partij die er met een frisse blik naar kijkt en hier echt op casusniveau doorheen gaat. Of dat hetzelfde is? Nou, nee, want er zullen andere uitkomsten bij komen kijken. Dan was de casus van het Vlaardingse pleegmeisje misschien naar boven gekomen. Dan was de casus van Stadskanaal eerder naar boven gekomen. Dan was de casus in Groningen ook eerder naar boven gekomen. Dan waren er veel meer casussen naar boven gekomen. Ik weet zeker dat we niet alles hebben doorgelicht op een manier zoals het wel zou moeten. Dan is ook de vraag of echt alles boven tafel is. Ik weet gewoon honderd procent zeker — ik durf dat bijna te zweren — dat we het hier als Kamer met elkaar eens zijn dat we op dit moment echt niet alle kinderen compleet in beeld hebben en dat we daarmee dus ook niet alle kinderen helpen.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dat weet ik ook zeker. Dat weten we, denk ik, allemaal zeker. Sterker nog, in het debat over het Vlaardingse pleegmeisje hebben we gezegd dat dit weer gaat gebeuren op het moment dat het stelsel niet wordt aangepakt. Alleen zit dáár het probleem, dus dat we allemaal weten dat het misgaat en mis blijft gaan en dat we, vrees ik, ergens komende maand nog weer zo'n afschuwelijk bericht zullen krijgen, hopelijk niet zo ernstig als in Stadskanaal. En het probleem is dat de inspectie zegt dat hun handhavingsinstrumenten zijn uitgeput en het kabinet het stelsel moet gaan herzien en dat dat na al die jaren niet gebeurt. Mijn pleidooi is niet dat we hiermee moeten stoppen, maar dat we als Kamer door moeten pakken en eindelijk dat stelsel moeten herzien, zodat die professionals en de inspectie toezicht kunnen houden en we niet elke keer dingen opnieuw hoeven te constateren die we allang met elkaar weten en waar we dus te weinig aan doen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
In mijn ideale blik, in deze motie, blijkt uit zo'n onderzoek — laten we het zo noemen — bij welk gezin, bij welk kind, het problematisch is en er dus direct actie op moet komen. Dat verwacht ik op het moment dat er zo'n onderzoek plaatsvindt. En nee, dat kost geen jaar. Dat kost geen paar jaren. Dat is gewoon een kwestie van direct kijken waar we dezelfde signalen zien als bij het Vlaardingse pleegmeisje, waarvan we met de wetenschap van nu weten dat de Raad voor de Kinderbescherming nooit had moeten bepalen dat het in dít pleeggezin geplaatst had moeten worden. Er waren drie signalen gemist. Dat is heel kwalijk. Ik weet gewoon zeker dat er op dit moment nog veel meer kinderen in deze situatie zitten die allemaal niet gehoord en niet gezien worden. Dus nee, het handhavingsstelsel is niet uitgeput. We moeten gewoon eens heel erg op de manier van "aap eet banaan" naar dit soort dossiers kijken.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Mijn punt is dat dit allemaal bekend is, maar dat het alleen niet kan worden opgevolgd door alle problemen. Dát is volgens mij het probleem. Het is dus niet een kwestie van opnieuw zoeken waar die problemen zitten, want dat weten we. We weten dat kinderen in onveilige situaties zitten. Dat wéten we. Alleen wordt het vervolgens niet opgevolgd en ik denk dat daar het probleem zit. Ik heb dus de indruk dat we het met elkaar eens zijn over het probleem, maar misschien hier niet over de oplossing.
Mevrouw Coenradie (JA21):
We weten inderdaad dat er kinderen in onveilige situaties zitten, maar we weten niet waar ze zitten en welke kinderen het zijn. Dat weten we niet. En als we dat weten is het, vind ik, aan de instanties die erbij betrokken zijn om zo snel mogelijk te gaan schakelen en bijvoorbeeld een onaangekondigd huisbezoek af te leggen. Dat gebeurt nu allemaal niet. Maar als die casussen naar boven komen en er gezegd wordt "daar en daar gaat het niet goed", moet het toch niet moeilijk zijn om op dat moment ook te zeggen: oké, dan ga je daar als de wiedeweerga naartoe?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik denk dat ik met mevrouw Coenradie de urgentie deel dat elk onveilig kind onderzocht moet worden. Ik probeer uw motie te begrijpen, omdat ik die ook goed wil appreciëren. Mevrouw Coenradie geeft aan dat er een doorlichting met komen van pleegouders, maar dat dit niet door de inspectie zou moeten gebeuren, die deze taak in principe heeft, maar door een andere instantie. Wie zou dat dan moeten zijn en welke mensen worden daar dan op gezet? We hebben namelijk overal een tekort. Ik ben dus even benieuwd hoe dit volgens u praktisch zou moeten werken en wie het zou moeten doen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dat is een hele goeie vraag. Ik zou willen dat dit een partij is die onafhankelijk, maar natuurlijk wel met expertise en kennis, naar dit soort zaken gaat kijken en die gewoon kan zeggen: oké, we gaan achter de computer zitten en we gaan gewoon eens door al jullie casussen heen, waarbij we niet alleen kijken naar processen, protocollen en meldcodes en of medewerkers zich daaraan houden, maar we ook simpelweg kijken waar op dit moment de alarmsignalen zitten. Dat gaat dan van: o, wacht eens eventjes, dat is bij Pietje Puk en die woont dáár, dus dan moeten we daar actie op richten. Zo ga je door een systeem heen. Misschien denk ik veel te simpel, maar deze manier van simpel denken is misschien wel de manier waarop we nu, in het hier en nu, kinderen uit noodsituaties kunnen halen. Dan heb ik het dus niet alleen over de toekomst en de lange termijn. Die behoefte heb ik hier enorm, want ik sta hier als volksvertegenwoordiger.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit insinueert dat dit momenteel eigenlijk niet of onvoldoende gedaan wordt door de bevoegde instanties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en andere organisaties. Ik denk dat er inderdaad meer boven water zou moeten komen. Maar alles en iedereen doorlichten zou misschien wel een verkapte motie van wantrouwen zijn tegen alle protocollen en mensen die hun best proberen te doen in een stelsel dat niet goed gaat. Er is ook een schrijnend tekort aan pleegouders. Laten we dat ook vooropstellen.
De voorzitter:
En uw vraag, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Waarom vindt mevrouw Coenradie het niet veel beter om de instanties die nu al bevoegd en verantwoordelijk zijn, te vragen om opnieuw die check te doen, in plaats van een andere partij, waarvan we niet weten welke dat is? We weten niet of die de expertise heeft om daarbovenop te zitten.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik ben wel bereid om daarover na te denken als dat de ChristenUnie over de streep trekt om in deze motie mee te gaan. Voor mij is het: het doel heiligt de middelen. Daar ben ik vrij simpel in. Het maakt me niet uit wie wat doet — nou, wel wát men doet — als het maar gisteren gebeurt. Het gaat erom dat we zicht hebben op die kinderen en dat we vanuit zicht actie kunnen ondernemen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga de motie lezen.
De voorzitter:
We gaan straks ook schorsen voor de lunch. Dat is misschien ook een heel goed moment.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Volgens mij delen wij allemaal de wens om de kwetsbaarste kinderen beter te beschermen. Nog even los van het voorstel dat mevrouw Coenradie net deed: ik denk dat het ook heel erg kan helpen als we de signalen van kinderen op voorhand veel serieuzer nemen. Dat zagen we bij Vlaardingen. Dat zagen we bij Stadskanaal. Daar komen we ook met initiatiefwetgeving voor. Vinden we JA21 aan onze zijde als we daarmee aan de slag gaan?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Een volmondig "ja". Een volmondig "ja". Ik heb in een recente bijdrage in een debat ook aangegeven dat we het kind vooral meer moeten aanhoren, en niet alleen aanhoren maar ook eerder moeten spreken. We moeten het kind serieus nemen en we moeten het apart kunnen spreken, et cetera. We zien terug in inspectierapporten dat het daar veelvuldig misgaat, waaronder bij het Vlaardingse pleegmeisje, dat dus niet gehoord en gezien werd, wat ze ook deed. Dus van harte steun. We kijken enorm uit naar dit initiatief.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu wel luisteren naar de heer Hamstra. Hij spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Mijn vaderhart huilt bij het lezen van de hartverscheurende tragedies die de afgelopen decennia in de jeugdzorg hebben plaatsgevonden: kwetsbare jongeren die waren vastgelopen en die om hulp vroegen, maar voor wie de hulp te laat kwam of waarvoor de hulp niet passend was. Ze vroegen om veiligheid, maar kregen nog meer onveiligheid.
Het is terecht dat de samenleving zich afvraagt: wanneer is het genoeg? De problemen in de jeugdzorg stapelen zich op. Het stelsel is volledig vastgelopen. Er is te weinig personeel om de huidige vraag aan te kunnen. Wachtlijsten lopen op. Gemeenten geven aan dat ze te weinig geld hebben. Inspecties trekken aan de bel dat het zo echt niet langer kan. Dat moet anders.
Voorzitter. In 2025 maakten meer dan 470.000 jongeren gebruik van een vorm van jeugdzorg, dus dat is 1 op de 7, terwijl dat in het begin van deze eeuw nog 1 op de 27 was. Dat is niet alleen onhoudbaar, dat is ook onacceptabel. Het CDA gelooft namelijk niet dat 1 op de 7 jongeren, in elke klas dus 4, een probleem heeft dat thuishoort in de jeugdzorg. De bandbreedte van wat wij problematisch vinden is breder dan de gehanteerde norm. De samenleving is namelijk pluriform, veelzijdig en veelkleurig. Pas als we dat omarmen, komen we tot het besef dat niet ieder kind dat afwijkt van de te smal genormeerde en gehanteerde norm een probleem heeft.
Voorzitter. Niet alle jeugdzorg is hetzelfde. Het gaat van lichte opvoedondersteuning tot jeugdbescherming, jeugdreclassering en alles wat daartussen zit. Maar op dit moment zien we daar een grote disbalans in. De relatief lichte vorm van hulpvragen vraagt en krijgt veel aandacht en middelen, terwijl de zwaarste vormen van jeugdzorg en jeugdbescherming onder druk komen te staan. Daarom moeten we kritisch kijken naar wat er daadwerkelijk onder jeugdzorg valt. Niet elke tegenslag in het opgroeien vraagt om professionele jeugdzorg. Sommige vragen horen eerder thuis in de opvoeding, bij een vereniging of gewoon in het sociale netwerk. Daarom heeft het CDA al eerder gepleit voor het versterken van en het investeren in de pedagogische civil society. In dat kader vragen we aan de minister wanneer de Wet reikwijdte Jeugdwet naar de Kamer wordt gestuurd; dat is al eerder gevraagd. Kan de minister aangeven hoe zij kijkt naar de reacties naar aanleiding van de internetconsultatie in relatie tot de wet die zij uiteindelijk naar de Kamer wil sturen?
Voorzitter. De jeugdzorg van de toekomst is voor de meest kwetsbare kinderen. Zij moeten kunnen rekenen op de zorg en onze bescherming. In eerste instantie hebben we het dan over de 42.000 kinderen die momenteel in de jeugdbescherming en jeugdreclassering zitten. Juist voor deze kinderen moet helder zijn welke koers we kiezen en welke bescherming we willen bieden. Toekomstscenario's en proeftuinen liggen er al, maar er wordt al lange tijd over gesproken zonder dat duidelijk is wat we concreet gaan doen en waartoe dit concreet moet gaan leiden. Daarom vraag ik aan de minister wat het perspectief voor de jeugdbescherming is. Waar werken we naartoe? Hoe wordt dit zichtbaar in beleid en uitvoering, en vooral: hoe wordt dit merkbaar voor de jongeren zelf? Kan de minister aangeven welke concrete stappen zij wil gaan nemen?
Voorzitter. De afgelopen drie jaar zijn jongeren met zware problematiek door capaciteitsgebrek ondergebracht op vakantieparken en andere tijdelijke locaties. Dat is natuurlijk een zeer onwenselijke situatie. Inspectierapporten waarschuwen al jaren dat de situatie onhoudbaar is. De conclusie is helder: signalen en noodoproepen worden nog altijd niet snel genoeg opgepakt. Welke van de in de inspectierapporten genoemde stappen zijn sindsdien gezet, vraag ik aan de minister. Partners in de keten werken nog te weinig samen en gegevensdeling blijft moeizaam. Wat kan de minister concreet doen om die samenwerking en gegevensdeling te verbeteren?
De afschuwelijke gebeurtenis in Stadskanaal laat zien hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn als signalen te laat worden opgepakt. Verdere conclusies trekt het CDA pas na de onderzoeken van de inspectie, want pas dan is de Kamer aan zet. Mijn vraag aan de minister is wanneer we deze kunnen verwachten.
Het is duidelijk dat de jeugdzorg en jeugdbescherming kampen met personeelstekorten. Die gevolgen zijn ook zichtbaar in de rechtszaal. Rechters luiden al langer de noodklok, omdat het gebrek aan hulp steeds vaker wordt meegewogen in hun beslissingen. Soms wordt zelfs geen gedwongen maatregel opgelegd door een tekort aan jeugdbeschermers en beschikbare plaatsen. Wat is de reactie van de minister op het feit dat rechters hun oordeel moeten aanpassen aan de schaarste in de uitvoering?
Voorzitter. We mogen nooit vergeten dat het om jongeren gaat. Hun welzijn moet altijd centraal staan. Toch zien we dat jongeren die zelf mishandeling melden bij Veilig Thuis niet altijd serieus worden genomen en dat er soms eerst met ouders moet worden overlegd voordat er met de jongere wordt gesproken. Daarom heb ik enkele vragen aan de minister. Is het nu al mogelijk dat Veilig Thuis zonder toestemming van de ouders alleen met het kind spreekt? Vindt de minister dat van die mogelijkheid voldoende gebruik wordt gemaakt? Zou een aanpassing van de meldcode op dit punt sneller kunnen zijn dan een wetstraject? De kernvraag is of wat we nu doen voldoende is om de meest kwetsbaren echt te beschermen.
Voorzitter. We moeten echt een beetje bijtrekken, dus we kunnen aan de slag.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een aantal zeer bondige vragen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
De minister gaat natuurlijk over haar eigen antwoorden, maar ik vermoed dat de minister zal zeggen dat het nu al kan. Bij acuut en dreigend gevaar mag Veilig Thuis het kind namelijk spreken zonder toestemming van de ouders. Alleen, de vraag is: wanneer is iets acuut en dreigend? Met de kennis van nu hadden we in Stadskanaal zeker kunnen zeggen dat als een kind aangeeft dat het door zijn moeder is geslagen met een bezemsteel en zichtbare verwondingen heeft, de situatie acuut en dreigend was. Moeten we niet met elkaar concluderen dat de wetgeving sowieso anders moet, zodat we kinderen beter beschermen en zodat we ervoor zorgen dat zij niet elke keer opnieuw hetzelfde verhaal hoeven te vertellen?
De heer Hamstra (CDA):
Dat is een terecht vraag van mevrouw Synhaeve. Ik ben ook benieuwd naar de reactie van de minister daarop. Ik ben zelf zoekende of het dan ligt aan de beperking die de wet ons biedt of aan de manier waarop de wet wordt ingevuld. Dat is de reden dat ik die vraag net stelde.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor de inbreng. Het is natuurlijk zot dat er bij een stelsel dat zoveel geld kost nog steeds wordt gestuurd op schaarste omdat er gewoon niet genoeg middelen en niet genoeg mensen zijn om daadwerkelijk de zorg te bieden. Daar gaat mijn vraag ook over. Ik pleit niet voor meer geld. Er moet hervormd worden. Maar op het moment dat de hervormingen sneller gaan dan de besparingen — u heeft net ook het debatje gevolgd dat ik daarover heb gevoerd met mevrouw Synhaeve — zorgen we eigenlijk voor meer problemen voor de jeugdzorg en de jeugdbescherming dan zij nu al hebben. Hoe kijkt het CDA daarnaar?
De heer Hamstra (CDA):
Ik had die vraag verwacht. We hebben het er in januari, uit mijn hoofd, tijdens het WGO ook over gehad. Zelf zie ik dat de vaart die nu achter de hervormingen zit te langzaam is. Ik hoor van deze minister en dit kabinet dat zij daar de komende periode echt stappen in willen gaan zetten. Dat is voor ons ontzettend belangrijk. Ik ben blij dat ik de SP ook hoor zeggen dat meer geld niet per definitie de oplossing is. Wat ons betreft is dat wel de eerste stap die we graag willen zien. Dat is ook wat ik van de minister wil horen. Welke stappen worden er nou daadwerkelijk in de hervorming gezet? Het is voor mij prematuur om nu te zeggen: "wat als …, dan moet die bezuiniging teruggedraaid worden". Zover ben ik zelf nog niet.
Mevrouw Dobbe (SP):
Toch zullen we daar binnenkort een besluit over moeten nemen, want de begroting voor volgend jaar komt er natuurlijk ook aan. Daar staan een aantal bezuinigingen in, terwijl die hervormingen misschien nog niet zijn gerealiseerd. Als nou bijvoorbeeld in augustus blijkt dat de hervormingen dermate achterlopen dat ook de kortingen die daaraan gekoppeld zijn gewoon te vroeg komen, is het CDA dan wel bereid om er met ons naar te kijken of we ze in ieder geval kunnen uitstellen, zodat de hervormingen ook een kans krijgen?
De heer Hamstra (CDA):
Als dat in augustus blijkt, dan is het CDA natuurlijk altijd bereid om daarnaar te kijken, maar dan heb ik wel de volledige informatie nodig. Vooralsnog zie ik er geen aanleiding toe, maar als die informatie er is, dan ga ik daar graag met u over in gesprek.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dan gaan we die informatie zeker vragen. Dan gaan we hierom vragen. En dan zou ik graag met het CDA willen kijken wat we in augustus kunnen doen zodat we volgend jaar de goede besluiten nemen, op basis van echt die informatie en de praktijk, dus de situatie in de praktijk en niet wat we allemaal zouden willen zien.
De heer Hamstra (CDA):
Dat is ook in het debat al verder ter sprake gekomen. Het jeugdzorgstelsel is natuurlijk heel breed. Daar heb ik het zelf in mijn termijn ook over gehad, van lichte opvoedondersteuning tot jeugdbescherming en jeugdreclassering, en alles wat daartussen zit. Het zou ook kunnen gaan om een verschuiving in waar je de middelen aan uitgeeft. Het is dus niet alleen maar zo dat het tijdelijk opgeplust moet worden. Je zou daar ook naar kunnen kijken. De reden waarom ik dat zeg, is dat ik zelf hiervoor wethouder ben geweest en wij dat lokaal op exact dezelfde manier hebben gedaan. Ik ben dus ook wel benieuwd of de minister daar ook mogelijkheden in ziet. Maar nogmaals, ik ben bereid om daar in augustus met u over van gedachten te wisselen, zoals mevrouw Dobbe van de SP aangeeft.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Stoffer, die spreekt namens de fractie van de SGP. Gaat uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Het weefsel van de samenleving, zo zou je gezinnen kunnen noemen. Als kinderen opgroeien in een stabiele en liefdevolle omgeving, biedt dat een stevige basis om hun weg in de maatschappij te vinden. Het omgekeerde is helaas ook waar. Een conflict, scheiding of andere verdrietige gebeurtenis kan een gezin verscheuren, met allerlei schade tot gevolg: vaders en moeders die elkaar niet kunnen luchten of zien, kinderen die gebukt gaan onder hooggespannen verwachten, jongeren die met zichzelf in de knoop raken, onveiligheid, geweld, trauma's. De maatschappelijke gevolgen en kosten van gezinsproblemen zijn gigantisch. Om het beeld van het weefsel vast te houden: als gezinnen uiteenrafelen, schaadt dat ook de samenleving als geheel. De deskundigencommissie verwoordde het glashelder. In vrijwel elk gesprek dat de commissie heeft gevoerd, wezen gesprekspartners erop dat de oorzaken van problemen die jongeren ervaren in het merendeel van de gevallen te herleiden zijn tot problemen in het gezin of in de nabije omgeving. Mijn vraag is: hoe reageert de minister hierop?
Kinderen en jongeren worden nog te vaak gezien als individu met een individuele hulpvraag. Een kind meldt zich bij de hulpverlener, die er een stickertje op plakt of er een rugzakje aan hangt. Zelfs als ze niet weten wat het stickertje moet zijn, is er nog wel een stickertje. "Onbegrepen gedrag" heet dat dan. De overheid betaalt vervolgens de behandeling of het medicijn: probleem opgelost, zou je denken. Niet dus. Maar wat dan wel? De sleutel voor de oplossing van problemen van jongeren bevindt zich op precies dezelfde plek als waar die problemen zijn begonnen: in het gezin of in de directe omgeving, de gemeenschap. Door vroegtijdig erbij te zijn, kun je voorkomen dat een gezinssituatie op een later moment vreselijk ontspoort.
De vraag is: hoe doen we dat concreet? De SGP heeft in de afgelopen maanden zelf de handschoen opgepakt en voerde vele gesprekken met gemeenten, belangenbehartigers, zorgverleners en maatschappelijke initiatieven. In de Week van het Gezin organiseerden we een rondetafelgesprek met experts. Vandaag presenteer ik dan ook een initiatiefnota met een serie concrete voorstellen om gezinnen en gemeenschappen te versterken. Voorzitter, die nota wil ik via de bode graag overhandigen aan de minister.
Voorzitter. Dank aan de bode en aan de minister dat deze nota in ontvangst genomen werd. Die was er niet gekomen zonder het werk van onze stagiair Coert Baelde, die hierachter in de zaal zit als mijn medewerker vandaag. Coert, ontzettend bedankt voor jouw inzet, ook vanaf deze plaats.
Voorzitter. We moeten dus het weefsel van gezinnen en gemeenschappen sterker maken. Ik denk dat we later in een uitgebreider debat over deze initiatiefnota daar nog wel op terugkomen. Ik wil er vandaag drie voorstellen uitlichten.
In de consultatieversie van het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt het belang aangestipt van infrastructuur voor informele steun aan gezinnen. Denk aan initiatieven zoals Samen Oplopen, Buurtgezinnen en de Eigen Kracht Centrale. Wat de SGP betreft kan niet worden volstaan met slechts het vermelden van die infrastructuur in de wet. We willen dat informele ondersteuning stevig wordt, gepositioneerd als onderdeel van de sociale basis. De norm moet zijn: eerst mogelijkheden van informele steun in kaart brengen voordat überhaupt professionele hulp overwogen wordt. Wijzig de Jeugdwet zodanig dat het familiegroepsplan expliciet wordt vormgegeven als een plan van het gezin en diens sociale netwerk, waarbij de regie in beginsel bij de familie ligt. Mijn vraag is of de minister bereid is om deze vragen mee te nemen in het wetsvoorstel.
Een belangrijk knelpunt is dat bewezen effectieve informele ondersteuning afhankelijk is van tijdelijke subsidiepotten of incidentele lokale middelen. Goede projecten moeten na een paar jaar vaak weer stoppen. De SGP zou daarom graag zien dat het kabinet samen met gemeenten een meerjarige financieringsstrategie ontwikkelt voor preventieve gezins- en relatieondersteuning. Mijn vraag is hoe de minister daarnaar kijkt.
Ten derde is het cruciaal om vroegtijdige gezinsondersteuning vorm te geven op basis van het uitgangspunt van het gewone leven. Voorkom dat gewone opvoed- en gezinsvragen onnodig binnen specialistische zorgtrajecten terechtkomen. Mijn vraag is of ook dit onderdeel zou kunnen worden van het wetstraject Reikwijdte Jeugdwet. Concreet stelt de SGP voor dat er in elke gemeente een laagdrempelig groepsaanbod komt dat de relatie van jonge ouders en kinderen ondersteunt. Mijn vraag aan de minister is — dit is mijn laatste vraag aan haar — of ze het daarmee eens is en of ze dat zou willen bevorderen.
Voorzitter. Ik zou mijn bijdrage willen afsluiten met een uitspraak van iemand die de minister heel goed heeft gekend, wijlen mijn voorganger Bas van der Vlies. Hij zei geregeld: "We gaan het gezin pas waarderen als het te laat is." Nou, dat is een les die ik mijzelf persoonlijk vaak voor ogen houd, als ik afwegingen maak over wat ik ga doen versus de tijd die ik aan mijn gezin besteed. Gelukkig slaat dat af en toe naar de goede kant door, al vinden ze dat thuis weleens anders. Maar ik denk dat dit een uitspraak is die we ons ook als samenleving ter harte mogen nemen. Laten we het gezin niet pas waarderen als het te laat is.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ceder, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Het gaat niet goed in de jeugdzorg, echt niet. Sterker nog, inmiddels kan de Nederlandse Staat na een uithuisplaatsing niet garanderen dat een kind er beter van wordt. Het rapport over de ZIKOS-afdelingen bevestigt dit helaas. Het rapport laat zien hoe jongeren die al kwetsbaar waren in een systeem terechtkwamen dat hen had moeten beschermen, maar dat hen soms juist verder beschadigde. De cijfers zijn onthutsend. In de twee jaar sinds de onderzoeken naar de misstanden in de gesloten jeugdzorg hebben 38 van de 51 deelnemers een poging gedaan om uit het leven te stappen. Vijf van hen zijn inmiddels overleden.
Voorzitter. Laten we dat even tot ons laten doordringen. Dit zijn geen statistieken. Dit zijn kinderen, kinderen die ons ooit zijn toevertrouwd, die zijn toevertrouwd aan de zorg van de overheid. Zo zijn er nog veel meer verhalen van kinderen die helemaal niet verder geholpen worden, maar klem zijn komen te zitten in een stelsel dat niet meer functioneert.
Voorzitter. Juist daarom heeft de ChristenUnie vorig jaar gepleit voor een staatscommissie jeugdzorg. Ik ben ook blij dat de staatscommissie overheidsingrijpen in gezinnen op 1 april jongstleden is gestart. Ik hoop dat deze commissie ons niet alleen een analyse geeft van wat er misgaat, want daar hebben we al genoeg rapporten over, maar vooral ook bouwstenen aanreikt voor een stelsel dat gezinnen en kinderen daadwerkelijk helpt. Ik ben blij met de nota van de heer Stoffer, want ook wij vinden dat gezinszorg daarin voorop zou moeten staan.
Voorzitter. De problemen zijn niet incidenteel, maar structureel. Uithuisplaatsingen duren namelijk langer dan nodig omdat dossiers te laat worden opgepakt, er zijn ernstige personeelstekorten en er is een ernstig tekort aan pleegouders. Commissie-De Winter concludeerde al in 2019 dat een op de tien kinderen in de jeugdzorg vaak tot zeer vaak geweld meemaakte. Het Vergeten Kind constateerde dat kinderen gemiddeld zes keer worden doorgeplaatst. Daarom wil ik de minister iets nadrukkelijk vragen. Ik weet dat er hard wordt gewerkt aan hervormingen. Ten aanzien van de discussie over de reikwijdte van de jeugdzorg die we binnenkort gaan voeren hier in de Kamer, adviseerde de adviescommissie voor de Hervormingsagenda Jeugd om nadrukkelijk eerst vanuit de inhoud te redeneren, en niet vanuit het budget. Kan de minister dus toezeggen dat deze hervormingen niet primair gestuurd zullen worden door financiële overwegingen, en dat de discussie binnen het kabinet op die wijze en in die volgorde gevoerd zal worden?
Voorzitter. We moeten ook eerlijker zijn over wat jeugdzorg wel en niet is. Voor de ChristenUnie is jeugdzorg gezinszorg en is gezinszorg jeugdzorg, want de meeste problemen van kinderen staan simpelweg niet los van hun omgeving. We weten dat 64% van de ouders met psychische problematiek deze in meer of mindere mate overdraagt aan hun kinderen, dat 73% van de ouders van uit huis geplaatste kinderen zelf kampt met problemen zoals verslaving, psychische klachten of armoede, en dat in ongeveer een derde van de gevallen kinderen weer naar huis kunnen wanneer niet de kinderen, maar de ouders de juiste ondersteuning krijgen.
Voorzitter. Dit zijn geen randzaken. Dit is de kern van het probleem, maar ook de sleutel tot verbetering. Daarom pleit de ChristenUnie al jaren voor een gezinsgerichte aanpak. Maak daarom vaart met passende, hoogwaardige gezinshulp, zodat problemen binnen het gezin worden aangepakt in plaats van dat we een kind uit huis en uit zijn omgeving plaatsen. Pak de regie en harmoniseer wet- en regelgeving die deze hulp mogelijk maakt. Voorkom dat discussies over schotten in regelgeving tussen ministeries, privacyregels, financiering en discussies over verantwoordelijkheden uiteindelijk effectieve hulp de nek omdraaien voor een gezin dat gewoon hulp nodig heeft. Dat is nu de facto helaas elke dag te vaak het geval. Kan de minister toezeggen dat deze benadering leidend wordt in de verdere uitwerking van de hervormingen, en dat ze voor de begroting met een plan van aanpak komt om deze gezinszorg primair te stellen? Ziet de minister momenteel voldoende ruimte voor gemeenten om over domeinen heen te kunnen werken? Is ze bereid toe te zeggen dat lokale experimenten die deze ontschotting bij gemeenten mogelijk maken maximaal ondersteund worden, als die dat wensen?
Voorzitter, tot slot. Gezinszorg betekent ook aandacht voor vaderschap. De gevolgen van afwezig vaderschap zien we terug in de jeugdzorg, het onderwijs en soms ook in veiligheidsvraagstukken. Dat is ook de reden dat ik een paar maanden geleden een manifest heb geschreven: Betrokken vaders, bloeiende samenleving. Internationaal gezien is er steeds meer onderzoek dat bevestigt dat je effectieve beleidsinterventies niet los kunt zien van investeren in positief vaderschap. Toch is er in Nederland nog relatief weinig kennis of onderzoek en beleid ontwikkeld rondom de rol van vaders in de opvoeding. Daarom is mijn laatste vraag of de minister bereid is om meer structureel onderzoek naar een interventie rond vaderschap toe te zeggen en te investeren in positieve mannelijke rolmodellen, ook bijvoorbeeld in de jeugdzorghulpverlening.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een heel bondige vraag van de heer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
U legt de lat wel hoog, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, maar u stelt mij nooit teleur.
De heer Stoffer (SGP):
Ik hoop dat ik dat dit keer ook niet doe. Het pleidooi van de heer Ceder over vaderschap ondersteun ik helemaal. Ik heb ooit een interview met de heer Ceder in het Reformatorisch Dagblad gelezen dat mij raakte, waarin hij vertelde uit welke omgeving hij komt. Ik heb zojuist ook iets gezegd over gezinnen en gemeenschappen. In de gemeenschap waar de heer Ceder uit kwam, was dat niet allemaal even sterk. Dat is een moeilijke weg geweest. Wat moeten we als overheid doen op plekken waar de gemeenschap misschien niet direct heel sterk is en in gezinnen waar de vader afwezig is? Wie kan dat oppakken?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat is een belangrijke vraag. Ik heb inderdaad een paar maanden geleden een interview gegeven. Dat kan ik iedereen aanbevelen. Dat ging over opgroeien in de Amsterdamse Bijlmer. Positieve mannelijke of vaderlijke rolmodellen waren gewoon spaarzaam. Die waren moeilijk te vinden. De dynamiek die ik zag en bevestigd zag worden door heel veel mensen en hulpverleners die ik spreek is dat kinderen op zoek zijn naar rolmodellen. Als je die niet thuis vindt, dan vind je die op andere plekken, bijvoorbeeld op straat. Daarin zit een dynamiek. Ik pleit voor positieve mannelijke rolmodellen, vooral voor jongens. Ik heb al eerder een voorschot gedaan. In het onderwijs zie je dat het aantal mannelijke leraren aan het dalen is. Je ziet dat dat impact heeft. Ik pleit ervoor om daar ook in de jeugdzorg wat aan te doen.
Ik sprak laatst in een podcast een jeugdzorghulpverlener die werkt met jongens. Hij zei, ook met het oog op die hele discussie over de manosfeer, dat het wel degelijk uitmaakt als iemand die nooit een positief rolmodel heeft gehad er wel een ontmoet. Ik kan daar zelf over meepraten. Dat kunt u in het interview lezen. Daar waar het niet thuis kan — er zijn situaties waarin het thuis gewoon niet mogelijk is — is het goed als er in de omgeving steunfiguren of in de professionele zorg mensen zijn. Er ontstaan heel veel vaderschapsgroepen in het land, omdat mensen vaak niet weten hoe je een positieve vader kunt zijn. Zij hebben dat zelf ook niet geleerd. Je merkt dat er steeds meer gesprekken plaatsvinden. Mannen gaan praten. Ik juich dat van harte toe. Ik zou de minister willen aanmoedigen om daar een gesprek mee te voeren. Dat heb ik gedaan. Van Rotterdam tot Amsterdam zijn er allemaal lokale initiatieven. Het is prachtig wat daaruit voortkomt. Ik denk dat we daarmee op een creatieve manier iets kunnen bijdragen voor jongeren die dreigen te ontsporen.
De heer El Abassi (DENK):
Ik hoor in de bijdrage van de heer Ceder terug dat er rekening gehouden moet worden met het vaderschap, maar ook met het gezin. Vindt de heer Ceder dat er ook rekening gehouden moet worden met bijvoorbeeld het feit dat iemand religieus is? Moet daar rekening mee gehouden worden bij de plaatsing in een ander gezin?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Volgens mij hebben we deze discussie een paar maanden geleden gehad en waren er ook een paar moties. Ik denk dat het naïef is om te veronderstellen dat het, wanneer je bij een uithuisplaatsing geen rekening houdt met waar iemand vandaan komt en iemand in een andere omgeving plaatst, geen effect zal hebben. Dat geloof ik niet. We zijn mensen. We zijn ook deels product van onze omgeving. Religie is een belangrijke component van het zijn. Voor ik Kamerlid was, was ik advocaat. Ik heb veel familiezaken gedaan. Het is ingewikkeld. Soms wordt iemand die bijvoorbeeld uit een christelijk gezin komt uit huis geplaatst en geplaatst in een gezin waarin dat helemaal geen rol speelt. Voor de ouders die nog wel aan de zijlijn betrokken zijn en ook voor het kind is het soms zoeken hoe je dat dan doet. Ik ben het ermee eens dat het een factor is. Ik denk niet dat het de doorslaggevende factor is, maar je zou er in ieder geval wel met elkaar het gesprek over moeten voeren.
De heer El Abassi (DENK):
Ik ben het helemaal met de heer Ceder eens. Onderzoeken bevestigen dat ook. De heer Ceder en wij hoeven ons daar niet voor te schamen. Het feit dat iemand religieus is en ineens bij een niet-religieus gezin terechtkomt, kan complicaties geven voor zowel het pleeggezin als de biologische ouders en het kind zelf. Dat blijkt ook uit onderzoek.
De voorzitter:
En uw vraag, meneer El Abassi?
De heer El Abassi (DENK):
Wat ik dan niet begrijp, is dat de partij van de heer Ceder tegen mijn motie heeft gestemd — de SGP heeft dat niet gedaan — om bij het plaatsen van pleegkinderen expliciet rekening te houden met cultuur, religie en afkomst.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zei net al dat wij een paar maanden geleden deze discussie hebben gevoerd. U had daar inderdaad een motie over ingediend. U hoort dat ik zeg dat dat volgens mij een factor is die al meegenomen wordt. Wat mij betreft kan dat wat strakker. Ik moet opnieuw naar de motie en de overwegingen kijken om na te gaan waarom we in dit geval tegen de motie hebben gestemd. Maar u hoort wat ik zeg. Ik vind al jaren, al voordat ik in de Kamer zat, dat een religieuze component onderdeel is van alle relevante factoren. Ook met de geografische ligging moet rekening worden gehouden. Soms worden kinderen aan de andere kant van het land geplaatst. Ik zeg ook net dat het niet doorslaggevend is. Ik moet even naar de tekst kijken. Misschien heeft u dat doorslaggevend willen laten zijn, maar u heeft mij gehoord. Dat is wat ik vind.
De voorzitter:
De heer El Abassi heeft u gehoord. Kort en afrondend.
De heer El Abassi (DENK):
Fijn, want ik heb letterlijk opgenoemd wat in de motie staat. Zo moeilijk is die niet. De heer Ceder kan er in zijn tweede termijn op terugkomen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij tot slot luisteren naar de heer Van Houwelingen, die spreekt namens de fractie van FVD. Gaat uw gang.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Wij hebben het afgelopen jaar met een behoorlijk aantal ouders gesproken die tegen hun zin hun eigen kinderen hebben moeten afstaan aan een pleeggezin of een gezinshuis. Dit is vanzelfsprekend enorm ingrijpend en tragisch. We weten bovendien dat een gedwongen uithuisplaatsing het kind sowieso altijd veel schade berokkent. Daarnaast komt het soms zelfs voor dat een kind in een pleeggezin mishandeld of misbruikt wordt. Het vreselijke lot van het Vlaardingse pleegmeisje is al een paar keer ter sprake gekomen. Dat is een afgrijselijk voorbeeld van hoe de Staat, de Jeugdbescherming en de Jeugdzorg kunnen falen.
Je zou dus verwachten dat met de grootst mogelijke terughoudendheid tot een gedwongen uithuisplaatsing wordt overgegaan, bijvoorbeeld alleen als er sprake is van bewezen kindermishandeling. Niets is minder waar. Zelden of nooit zijn bij een gedwongen uithuisplaatsing de ouders door een strafrechter veroordeeld voor kindermishandeling. Psychische problematiek bij de moeder — het zijn gevallen waarvan we gehoord hebben — kan bijvoorbeeld al een reden zijn voor een gedwongen uithuisplaatsing. Mijn eerste vraag aan de minister is: wat vindt zij hiervan? Gaat dit niet veel te ver? Geeft het Veilig Thuis, de jeugdzorg en de jeugdbescherming bovendien niet veel te veel macht?
We horen keer op keer van ouders dat, zodra de experts van mening zijn dat een kind thuis het risico loopt om in zijn ontwikkeling geremd te worden, een heel vaag criterium, daar, aldus deze ouders, op een in hun ogen onterechte grond naartoe wordt geredeneerd zonder goed naar de ouders te luisteren. De kinderrechter gaat er vervolgens in mee, want de experts zijn het er immers over eens. Aan waarheidsvinding wordt niet of nauwelijks gedaan. Zou het daarom niet veel beter zijn als alleen tot een gedwongen uithuisplaatsing over mag worden gegaan als een of beide ouders strafrechtelijk vervolgd worden of veroordeeld zijn voor kindermishandeling? Dan scherp je dat kader dus enorm aan. Graag een reactie van de minister. Dat is waar wij aan denken. Dit zou het aantal gedwongen uithuisplaatsingen drastisch reduceren, wat ons betreft een goede zaak. Daarmee dalen de kosten. Een ondertoezichtstelling kost ongeveer €14.000 per jaar, pleegzorg het dubbele, gezinshuizen het viervoudige en gesloten jeugdzorg tot €400.000 per jaar per kind.
Als het wettelijk kader voor een uithuisplaatsing aangescherpt wordt, heeft de jeugdbescherming bovendien veel meer tijd om goed toezicht te houden op het welzijn van de kinderen die nog wél uit huis geplaatst worden.
De voorzitter:
Ik hoor een punt.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, dat kan.
De voorzitter:
Dan geef ik mevrouw Westerveld …
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik kan ook doorgaan, wat u wilt. U bent de baas.
De voorzitter:
Nou, ik probeer de vergadering in goede banen te leiden. Mevrouw Westerveld, ga uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik begrijp de wens. Gelukkig daalt het aantal kinderen dat uit huis wordt geplaatst al een aantal jaren. Wat ik lastig vind aan het betoog van de heer Van Houwelingen, is dat hij eigenlijk zegt dat een kind pas uit huis zou mogen worden geplaatst als een van beide ouders of allebei veroordeeld zijn. Nu is het zo dat ernstig misbruik, misschien ook seksueel misbruik, van zeer jonge kinderen moeilijk te bewijzen is, terwijl er bij hulpverleners en experts wel degelijk grote vermoedens kunnen zijn. Zegt hij dan dat in zo'n geval een kind niet uit huis mag worden geplaatst?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, vervolgd zijn of vervolgd worden. Maar als dat moeilijk te bewijzen is, is dat een probleem. Dan is het heel vreemd dat een kind ook uit huis kan worden geplaatst, zoals dat nu gebeurt. In het strafrecht is kindermishandeling een hele duidelijke categorie. Het wordt omschreven en er zijn vier categorieën. Als de strafrechter op enig moment concludeert dat de ouders dat niet hebben gedaan, kan het kind natuurlijk niet uit huis worden geplaatst. Dat lijkt me nogal logisch.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Het dilemma is dat er bij hulpverleners, bij de school of bij andere familieleden soms een ernstig vermoeden kan zijn, omdat een kind bijvoorbeeld … Laat ik wegblijven van een concreet voorbeeld. Het zijn soms kinderen die niet goed kunnen praten en dan is bewijs heel moeilijk. De vorige sprekers hoorde ik zeggen: je zou dan eigenlijk meteen moeten kunnen ingrijpen. Meneer Van Houwelingen zegt: nee, dat moet je niet doen; je moet wachten totdat er vervolgd wordt of totdat iemand veroordeeld is. Dat vind ik een dilemma. Ik vind namelijk óók dat wij hier als taak hebben om juist kinderen te beschermen, ook kinderen die bijvoorbeeld nog niet kunnen praten.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat is inderdaad een dilemma. Het is ook een politieke afweging. Daarvoor zijn we hier samen in deze Kamer. Wat ons betreft geldt wat ik net noemde: gedwongen uithuisplaatsing is iets enorm heftigs. We zijn het er volgens mij allemaal over eens dat een gedwongen uithuisplaatsing sowieso schade aan het kind berokkent. Soms leidt die, zoals bij het Vlaardingse pleegmeisje, tot ernstige mishandelingen. Daar moet je met de grootst mogelijke terughoudendheid mee omgaan, zeker nu er in de jeugdzorg onvoldoende capaciteit is. Na al die gesprekken is onze afweging dat dit heel erg aangescherpt moet worden en dat je het alleen in een uiterst geval moet doen. Mevrouw Westerveld heeft er gelijk in dat dat er ook toe kan leiden dat je achteraf zegt: we hadden misschien wel wat moeten doen. Daar ben ik eerlijk in. Wij stellen dit voor als begrenzing van het kader. Er komt maar niks van het kabinet, dus dit is dan ons voorstel.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Voor de duidelijkheid: ik vind dat daar uiterst terughoudend mee moet worden omgegaan, want je grijpt in mensenrechten in. Dat vind ik. Er is ook een andere kant. Over de situatie in Stadskanaal zegt iedereen bijvoorbeeld: waarom zijn deze kinderen niet eerder uit huis geplaatst? Daar zit mijn dilemma. Daarom zou ik heel terughoudend willen zijn. We zien dat het aantal kinderen daalt. Gelukkig maar. Er wordt hard gewerkt om het nog verder te laten dalen. Maar daarom ben ik er terughoudend in om hier een politieke discussie van te maken.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik denk dat dit inherent een politieke discussie is. Daarom zijn we hier allemaal helemaal op de goede plek, zou ik zeggen. Je maakt hier namelijk afwegingen. Dat is volgens mij wat wij hier doen. Ik ben het helemaal met mevrouw Westerveld eens dat de situatie in Stadskanaal vreselijk is. Dat is natuurlijk kindermishandeling. Je kunt dan zeggen: we hadden misschien wel moeten opereren. In dat geval was dat misschien inderdaad beter geweest. Maar je moet die afweging maken. Op basis van wat wij lezen en uit gesprekken met ouders hebben wij de indruk, om alle redenen die ik net noemde, dat uithuisplaatsing nu te snel gebeurt. Wij willen dat weer rechttrekken. En ja, dat is inderdaad een afweging.
De heer Hamstra (CDA):
Ik refereerde eerder aan de risico-regelreflex. Daar ben ik een beetje bang voor bij het voorstel dat Forum nu doet. Aan de ene kant zeggen we dat we misschien te weinig terughoudend zijn en dat we hierin terughoudender moeten zijn. Volgens mij zijn we het daar Kamerbreed met elkaar over eens. Als je aan de andere kant doorslaat en juist té terughoudend wordt, zodat dat schade berokkent aan de jongeren — die voorbeelden heeft mevrouw Westerveld net aangehaald — dan slaan we volgens mij ook de plank mis. Hoe reflecteert Forum daarop?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik denk dat dit deels dezelfde vragen zijn. Wat ik hier doe, is volgens mij het omgekeerde van een risico-regelreflex. In onze ogen hanteren we hier juist niet een doorgeslagen voorzorgsprincipe. Wij zijn heel terughoudend met overgaan tot een gedwongen uithuisplaatsing. Dat moet alleen in het uiterste geval gebeuren. Dat is de hele tijd mijn betoog. Ik hoop dat ik de heer Hamstra goed begrijp. Wij zijn juist heel terughoudend met die risico-regelreflex, zoals dat heet. Ik verwijs dan weer naar mijn eerdere antwoord. Ik hoop dat de heer Hamstra daarmee tevreden is. Dit is een afweging. Wij zijn daar dus heel terughoudend in. Dat is onze afweging.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Van Houwelingen (FVD):
We zouden graag willen dat de minister reflecteert op wat we net met elkaar gewisseld hebben. Daarnaast zouden we graag willen weten hoe het staat met het voorstel, zoals ik net ook al zei, om de wettelijke basis voor een uithuisplaatsing te verkleinen. Dat juichen wij heel erg toe, maar hoe staat het daarmee?
Nog een aantal vragen voor de minister. Worden de normen van de inspectie voor betekenisvolle contacturen op dit moment gehaald? Daar hadden we het trouwens ook over bij ons werkbezoek aan de jeugdbescherming in Groningen.
We hadden hier net een interruptiedebat over: vindt de minister het wenselijk dat iedereen een melding mag doen bij Veilig Thuis, dus ook de vervelende buurman of een rancuneuze ex? Dat komt voor. Dat hebben we gehoord. Is de minister ermee bekend dat jaarlijks veel van dit soort valse meldingen bij Veilig Thuis binnenkomen en dat dus het risico bestaat — ook dat is een risico — op een onterechte uithuisplaatsing of een ingreep op basis van zo'n valse melding? Daar kan dat natuurlijk toe leiden.
Zou het niet wenselijk zijn als bij Veilig Thuis ook meldingen over pleeggezinnen en gezinshuizen kunnen worden gedaan? Dat is nu niet het geval. Dat kan ik echt maar niet begrijpen. Die meldingen worden in principe niet in behandeling genomen. Daar kun je geen melding van maken. Zoals we gezien hebben bij het Vlaardingse pleegmeisje, kunnen dingen ook daar heel erg misgaan. Waarom is die categorie uitgezonderd? Dat is heel onlogisch.
Concluderend, voorzitter. We maken ons grote zorgen, onder andere op basis van gesprekken met ouders, over de gedwongen uithuisplaatsingen van kinderen in Nederland. Wat ons betreft mag daar alleen sprake van zijn in het uiterste geval, als kinderen volgens de strafrechter mishandeld worden door hun ouders. Het kan ook dat dat proces op dat moment loopt. Geen enkel gezin is perfect. Kinderen horen echter te zijn bij en te worden verzorgd en opgevoed door hun eigen ouders, en niet de Staat. Dat is wat ons betreft het basisprincipe.
Tot slot, voorzitter. We proberen al enige maanden aanwezig te zijn bij een gesprek in het gedwongen kader tussen de jeugdbescherming en de ouders. Dat probeer ik al maandenlang te regelen. De betrokken ouders willen heel graag dat wij hierbij aanwezig zijn, bijvoorbeeld als ondersteuner, maar de jeugdbescherming wil dit om wisselende redenen maar niet toestaan. Ik citeer een brief hierover van Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, gericht aan een ouder die daarover in gesprek is: "Het Regiecentrum bespreekt geen individuele casuïstiek met Tweede Kamerleden." Ik heb twee vragen hierover aan de minister. Kan dit juridisch? Kan de jeugdbescherming Kamerleden als categorie expliciet verbieden bijvoorbeeld als ondersteuner bij een gesprek met de jeugdbescherming aanwezig te zijn? Dat is uiteraard met de toestemming van de ouders. Tot slot mijn tweede vraag. Vindt de minister het los hiervan wenselijk dat dit gebeurt?
Voorzitter. We kijken uit naar de beantwoording. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven inclusief de lunch 45 minuten nodig te hebben voor de beantwoording van de door de Kamerleden gestelde vragen. Ik schors voor 45 minuten.
De beraadslaging wordt geschorst.
De vergadering wordt van 12.57 uur tot 13.45 uur geschorst.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
De voorzitter:
Aan de orde is een regeling van werkzaamheden.
Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:
het tweeminutendebat Financiën decentrale overheden (CD d.d. 10/06), met als eerste spreker het lid Flach van de SGP;
het tweeminutendebat Zorgverzekeringsstelsel (inclusief Pakketbeheer) (CD d.d. 10/06), met als eerste spreker het lid Van Brenk van 50PLUS;
het tweeminutendebat Rapporten "Discriminatie in de zorg, welzijn en sport", "Is allemaal mooi, op papier", en "Professionaliteit te allen tijde" (36800-XVI, nr. 195), met als eerste spreker het lid Vliegenthart van PRO;
het tweeminutendebat Nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing (CD d.d. 10/06), met als eerste spreker het lid Mathlouti van D66;
het tweeminutendebat Externe veiligheid (CD d.d. 10/06), met als eerste spreker het lid Zalinyan van PRO.
Ik deel aan de Kamer mee dat de termijn voor toekenning is verlengd voor:
het debat over de groeiende schuldenproblematiek onder jongeren;
het debat over de Staat van de Gezinnen 2026;
het dertigledendebat over een langetermijnvisie inzake de WIA-instroom.
Ik deel aan de Kamer mee dat het dertigledendebat over het voornemen van de Nederlandse regering om een interventie te plegen in de zaak bij het ICJ tegen Israël inzake genocide is vervallen.
Ik deel mee dat de volgende moties zijn vervallen: 36800-XVI-163; 32824-484; 32824-481; 21501-20-2390.
Ik stel voor de volgende stukken van de stand van werkzaamheden af te voeren: 2026Z10768; 2026Z10775; 36945-1; 36915-J-3; 2026Z10198; 2026Z10346; 33529-1371; 32849-310; 32849-297; 29023-641; 33529-1373; 26407-164; 26407-163; 29675-237; 29684-299; 33576-475; 33576-474; 33576-472; 35334-425; 26407-162; 33576-471; 30196-851; 33576-467; 33576-465; 33576-463; 33576-464; 30821-306; 33450-134; 29664-214; 26407-161; 33576-460; 33576-459; 33576-461; 33576-454; 25424-776; 29389-164; 30169-77; 25424-782; 29509-99; 29509-98; 29389-162; 29389-163; 34104-463; 32793-876; 29689-1321; 29389-161; 29509-97; 29509-96; 29389-159; 25424-771; 25424-766; 29389-158; 29509-94; 29389-156; 29389-157; 29509-95; 29389-152; 29389-154; 36600-XVI-182; 29389-149; 36600-XVI-178; 29389-147; 29389-145; 29689-1274; 29509-93; 29689-1275; 36600-XVI-101; 27830-485; 36800-X-75; 36800-X-73; 2026Z10120; 29984-1278; 29984-1280; 29984-1279; 27926-406; 27926-409; 27926-404; 29023-639; 29023-627; 36870-3; 35119-(R2116)-6; 32802-141; 36915-A-3; 36915-XXII-4; 28325-304; 32847-1448; 22112-4317; 22112-4305; 33561-101; 28741-136; 36800-XII-33; 29521-513; 31532-305; 36915-XVI-3; 29282-622; 29282-623; 29282-619; 29515-499; 29282-621; 29282-615; 29282-616; 27529-354; 29282-614; 29282-612; 29515-497; 29282-611; 29282-606; 29282-609; 29282-607; 29282-608; 29282-603; 2026Z09036; 36915-XII-3; 36800-B-21; 36836-60; 26643-1505; 36800-VI-140; 31524-692; 31497-511; 29279-1013; 29279-1012; 36800-VI-134; 29911-500; 29270-162; 22343-439; 30010-63; 36800-VI-132; 29279-1009; 29279-1008; 36800-VI-19; 30420-437; 29911-491; 29279-986; 30010-62; 33628-111; 29279-985; 21501-03-201.
Aangezien voor de volgende stukken de termijnen zijn verstreken, stel ik voor deze stukken voor kennisgeving aan te nemen: 27926-402; 36800-IV-45; 29389-144; 36800-XVI-190.
Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.
Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
Aan de orde is de voortzetting van het debat over de jeugdzorg en jeugdhulpverlening.
De voorzitter:
Dan gaan wij nu verder met het debat over de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening. Ik heet wederom de leden van de Kamer van harte welkom, en de minister in vak K. Ik geef haar graag het woord voor de beantwoording van de gestelde vragen. Gaat uw gang.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Voordat ik begin met mijn verhaal, wil ik graag mevrouw Van Groningen feliciteren met haar maidenspeech. Het is heel bijzonder om te zien hoe een maidenspeech steeds meer kleur geeft aan de vraag waarom iemand in deze ruimte aanwezig is. Dat is overigens veel meer dan toen ik Kamerlid was. Ik denk dat u vandaag heel goed duidelijk maakte waarom u uitgerekend bij het onderwerp jeugd het woord mag voeren. Dat was heel mooi om te zien.
Het tweede punt heb ik met u afgestemd, voorzitter. Het kan zijn dat ik dadelijk word gebeld, want wij zijn thuis in afwachting van de examenuitslag. Ik vind dat altijd best een beetje spannend, dus als ik soms wat gespannen overkom, dan weet u waar dat aan ligt. Mocht er goed nieuws zijn, dan loop ik heel even de Kamer uit. Ik heb mijn zoon beloofd dat hij alleen mag bellen als er goed nieuws is.
De voorzitter:
Dan gaan we u daarna van harte feliciteren.
Minister Sterk:
Vooral mijn zoon, denk ik.
De voorzitter:
Ik ga ervan uit dat u de felicitaties namens de Kamer doorgeeft.
Minister Sterk:
Dat zal ik zeker doen.
Voorzitter. Ik wil de Kamer natuurlijk danken voor alle vragen die aan mij zijn gesteld, maar ik wil mij vandaag eerst richten tot de mensen op de publieke tribune, maar ook tot de mensen die thuis dit debat op een andere manier volgen. Dat geldt heel speciaal voor de jongeren, hun naasten en de nabestaanden die leed hebben ervaren in de ZIKOS en de gesloten jeugdzorg. Ik wil ook mijn waardering naar u uitspreken, want door uw betrokkenheid en uw moed hebben wij het onderwerp nu in ieder geval op tafel. Ik weet dat het veel impact heeft dat u vandaag naar dit debat kijkt en dat het betekent dat u wordt geconfronteerd met de ervaringen die u heeft meegemaakt. Ik besef ook dat de oplossingen soms heel ver weg voelen.
Voorzitter. De afgelopen jaren hebben we gezien dat de jeugdzorg onder druk staat. De toestroom naar de jeugdhulp stijgt, terwijl het aanbod beperkt is. Er wordt door medewerkers in de jeugdzorg keihard gewerkt om jongeren die het nodig hebben passende hulp te bieden. Tegelijkertijd zien we dat het voor de meest kwetsbare kinderen niet altijd lukt om de beste zorg te leveren, met gebeurtenissen waar we keer op keer van schrikken, die moeilijk te bevatten zijn en die ons ook boos maken. Gebeurtenissen waarbij het ook niet lukt om altijd snel genoeg in te grijpen, met levenslange gevolgen voor deze kinderen en hun gezinnen.
Ook het tweede rapport van Jason Bhugwandass, over de jongeren die in een ZIKOS-instelling hebben gezeten, dat afgelopen dinsdag werd gepresenteerd, brengt scherp in beeld wat de gevolgen kunnen zijn als jongeren met complexe problematiek geen passende hulp krijgen. Hoewel ik zelf niet aanwezig was bij de presentatie, heeft het rapport wel grote indruk gemaakt. Ik heb begrepen dat het dinsdag een indringende en emotionele bijeenkomst is geweest. Ik waardeer het dat de betrokken instellingen excuses hebben aangeboden. Ik kom zelf nog voor de zomer met informatie over wanneer en hoe de landelijke stelselpartijen ook excuses gaan maken, want dit heeft al te lang geduurd.
Ook de rapporten van de inspecties en verschillende commissies laten zien dat dit geen incidenten zijn, dat er grote knelpunten zijn in de uitvoering van de jeugdhulp en jeugdbescherming en dat we voor een grote uitdaging staan om dit te verbeteren. Maar ik wil ook eerlijk zijn: want ondanks alle inzet van professionele jeugdhulpaanbieders, gemeenten, inspectie en Rijk kunnen we nooit alle incidenten voorkomen. Problemen zijn soms zeer complex en het is niet altijd duidelijk wat helpend is om deze problemen te verminderen. Bovendien blijven er mensen met slechte bedoelingen die misbruik maken van kinderen in kwetsbare situaties. Het blijft belangrijk dat volwassenen goed naar kinderen en jongeren blijven luisteren, dat ze serieus worden genomen en dat ze invloed kunnen hebben op de besluiten die hen aangaan.
Voorzitter. Voor die kinderen die het hardste hulp nodig hebben, moet de zorg er zijn, moet deze veilig zijn en moet ze van goede kwaliteit zijn. Bovenal moet de zorg aansluiten bij de behoefte van kinderen zelf. Als er achterliggende problemen zijn in een gezin, moeten we met het hele gezin aan de slag en niet te snel grijpen naar maatregelen of zware hulpvormen. We zien helaas dat dit nog te weinig gebeurt en dat jeugdhulp de afgelopen jaren steeds meer wordt ingezet. Dit moeten we keren. Jeugdhulp is niet voor alle problemen het antwoord. Daarbij kan het stelsel deze enorme vraag ook simpelweg niet aan, niet in geld en al helemaal niet in mensen. Heel veel van u hebben hier vandaag ook gezegd: het piept en het kraakt.
Gelukkig zijn er ook eerste hoopvolle signalen. Het aantal kinderen en jongeren tot 23 jaar met jeugdzorg daalde in 2025 met 2,8%. Maar we zijn er nog lang niet, wat mij betreft.
Voorzitter. Samen met mijn collega staatssecretaris JenV, gemeenten, zorginstellingen en professionals, en ook met u als Kamer, neem ik de verantwoordelijkheid om dit beter te maken. Mijn voorgangers hebben belangrijke stappen gezet met alle acties in de Hervormingsagenda Jeugd en het uitvoeringsplan voor de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp. Dat betekent dat we onder andere gemeentes verplichten regionaal samen te werken bij de inkoop van deze specialistische zorg, waardoor er een beter dekkend zorglandschap komt. Het betekent dat we aan de NZa de taak hebben gegeven om meer inzicht te geven in de beschikbaarheid en dreigende tekorten van hulp. Dat er eisen zijn gesteld aan het intern toezicht en de bedrijfsvoering door jeugdhulpaanbieders om risico's te voorkomen, en dat we werken aan meer grip op jeugdhulp voor gemeenten via het wetsvoorstel Reikwijdte, dat in het voorjaar van 2026 in internetconsultatie is geweest.
Er is ook 176 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten voor de transformatie van de gesloten jeugdhulp. En er wordt gewerkt aan de totstandkoming van een gezamenlijk gedragen agenda, de leeragenda Kwaliteit en Blijvend Leren, met daarin de prioriteiten van het gehele KBL-netwerk voor de komende dagen. Maar ik zie ook dat de uitwerking en implementatie tijd kosten. Wetgevingstrajecten en cultuurveranderingen vragen helaas altijd een lange adem.
Ik zie een aantal grote opgaven. De instroom in de jeugdhulp moet verminderen. De beschikbaarheid van de meest specialistische vormen van jeugdhulp moet verbeteren, waaronder passende hulp voor jongeren die nu in de gesloten jeugdhulp zitten. Er moet gewerkt worden aan de erkenning en het herstel van misstanden in de gesloten jeugdhulp, het versterken van kind- en gezinsbescherming en de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld. En ten slotte, last but not least, moeten fraude en de misstanden in de zorg worden aangepakt.
Voorzitter. Dan kom ik nu bij de kopjes die ik heb bedacht voor de beantwoording. Die wil ik graag even benoemen. Ik wil eerst ingaan op ZIKOS. Dan wil ik ingaan op de gesloten jeugdhulp. Vervolgens wil ik ingaan op de casuïstiek, de jeugdbeschermingsketen en het toekomstscenario. Dan heb ik een blokje met de knelpunten rond de inkoop en de organisatie. Daar vallen dan onder: de een-op-eenplaatsing, de EVC's, de screening, de beschikbaarheid van financiering en VEC. Ten slotte de hervormingsagenda, de reikwijdte en overige vragen; die zitten allemaal in het laatste mapje.
Voorzitter. Dan begin ik met het eerste mapje, ZIKOS. Een aantal leden van u, waaronder mevrouw Synhaeve, mevrouw Westerveld, mevrouw Dobbe en de heer El Abassi, hebben gevraagd naar het excuus en herstel. Zij vragen wanneer we dat gaan doen en wat we gaan doen. Ik denk dat u uit mijn inleiding al hebt begrepen dat we voor de zomer een brief gaan sturen waarin ik zal aangeven hoe en wanneer wij excuses zullen gaan aanbieden. Ik spreek de komende week ook nog met de jongeren, ook met Jason.
Omdat ik wil dat die excuses geen lege excuses zijn, kom ik op dat moment ook met de invulling van de herstelmaatregelen. Maar die wil ik echt ook nadrukkelijk in samenspraak met de jongeren invullen, want zij zijn de ervaringsdeskundigen. Dat is ook de belofte die wij aan hen hebben gedaan. Dat zal ik meenemen in de brief die ik u voor de zomer doe toekomen.
Ik heb nog meer antwoorden op de vragen over ZIKOS, dus ik weet niet of het …
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Minister Sterk:
Om tegemoet te komen aan de beweging die mevrouw Westerveld maakte, kan ik misschien zeggen dat wij naar aanleiding van een amendement gestart zijn met pilots inzake herstel en nazorg. Wij hebben daar zes pilots voor in gang gezet om concreet te werken aan de erkenning en het herstel voor de jongeren. Die pilots zijn inmiddels afgerond. Die dienen als basis voor een bredere erkenning en voor het hersteltraject. De middelen die we daarvoor hebben, zijn die 12 miljoen. Ik wil daarmee onder andere een steunpunt inrichten dat met de jongeren meedenkt en dat, als het nodig is, ook voor hen bemiddelt bij zaken waar zij tegenaan lopen in de inrichting van hun dagelijks leven. Dat kan bijvoorbeeld ook zijn het organiseren van passende zorg. Het doel is om dit steunpunt na de zomer te starten. Ik bespreek de verdere uitwerking van het idee binnenkort ook met de jongeren.
Ik gaf net al aan dat wij ook met de jongeren in gesprek zijn over wat zij verder nodig hebben aan herstelactiviteiten, zoals lotgenotencontact of erkenningsdagen.
Dit is ook het antwoord op de vraag van mevrouw Dobbe waarom wij dat nog niet hebben gedaan. Nogmaals, ik vind zelf ook dat dit te lang heeft geduurd. Ik heb geprobeerd om dat in de korte tijd dat ik hier zit toch te versnellen, omdat ik vind dat dit echt heel belangrijk is. Maar ik wil het ook geen leeg gebaar laten zijn. Vandaar dat wij nog een tijd nodig om dat herstel goed in te vullen.
Mevrouw Westerveld en mevrouw Dobbe vroegen of ik kan ingaan op de aanbevelingen in het rapport-Jason. Ik neem die aanbevelingen in dat rapport heel serieus. Ik heb ze hier allemaal voor me. Ik kan twee dingen doen: ik kan de aanbevelingen nu allemaal voorlezen, maar ik kan ook toezeggen dat ik ze vermeld in de brief die wij u voor de zomer toesturen. Daarin ga ik ook in op de erkenning en het herstel. Ik kijk nu vooral even naar mevrouw Dobbe en mevrouw Westerveld om te horen wat zij willen. Met alle liefde lees ik de aanbevelingen voor. Maar we kunnen ook beide doen.
De voorzitter:
Dit is een soort indirecte uitlokking. Mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is heel spannend om nu ja of nee te zeggen, want ik weet natuurlijk niet wat de minister wil voorlezen. Wil ze gewoon voorlezen wat er in het rapport staat of weet ze nu al wat ze met die aanbevelingen gaat doen? Wil ze daarmee wachten om het in een brief op te kunnen schrijven? Als de minister het nu al weet, dan kan ze het beter nu met de Kamer delen. Maar als ze er nog over na moet denken, dan is het prima om het in een brief te doen. De aanbevelingen hoeft ze van mij niet voor te lezen, want ik heb het rapport ontvangen en gelezen.
Minister Sterk:
Mijn voorstel is niet dat ik de aanbevelingen ga voorlezen. Het is mijn voorstel om mijn reactie op de aanbevelingen voor te lezen en dat is volgens mij uw vraag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Wat zou dan het verschil met een brief zijn?
Minister Sterk:
Voorzitter, ik ga gewoon maar even de reactie op de aanbevelingen voorlezen. Dat is misschien wel het beste.
De eerste aanbeveling: maak excuses voor specifiek de ZIKOS-jongeren. Ik heb aangegeven dat ik voor de zomer duidelijkheid ga geven over wanneer en hoe excuses kunnen worden gemaakt. Hierbij zal er ook specifieke aandacht zijn voor de groep jongeren die verbleef op de ZIKOS-afdelingen.
De tweede aanbeveling: ondersteun de behoefte van jongeren. We hebben 12 miljoen beschikbaar gesteld voor herstelactiviteiten voor jongeren en hun naasten en nabestaanden. Nazorg is daarvan ook echt een belangrijk onderdeel. We zijn verder met jongeren en het ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd in gesprek om dat goed te kunnen laten aansluiten op hun behoefte. We willen daarmee zo spoedig mogelijk na de zomer starten.
Aanbeveling drie: aandacht en nazorg voor nabestaanden. Ik zei net al dat we bij de herstelactiviteiten niet alleen aandacht hebben voor de jongeren, maar ook voor de nabestaanden. Dit stemmen we ook af met de aanbieders die contacten hebben met de nabestaanden.
Vier. Onderzoek de oorzaken die hebben geleid tot het overlijden van jongeren. Het is denk ik belangrijk dat ik in ieder geval benoem hoe onbeschrijflijk verdrietig het is dat er jongeren overleden zijn. Ik begrijp ook de vraag die in het rapport wordt gesteld. Bij 113 bestaan mogelijkheden om psychosociale autopsies te laten uitvoeren als er een vraag ligt bij nabestaanden. Ik ga ook met 113 in gesprek hierover.
Aanbeveling vijf: reflecteer op de passiviteit na het ZIKOS-rapport. Ik denk dat het ten eerste natuurlijk belangrijk is om te erkennen dat er bij ZIKOS en in de gesloten jeugdzorg dingen zijn misgegaan. Als ik nu terugkijk, denk ik ook: waarom heeft het nou zo lang geduurd? De aandacht is eerst gegaan naar het zoeken van een plek, een passende plek voor de jongeren die in de ZIKOS-instellingen zaten. Daarna is de aandacht wat meer verschoven naar het vraagstuk van de erkenning, de excuses en de herstelactiviteiten. Ik denk dat dat met de kennis van nu gewoon sneller had gemoeten. Daar span ik me op dit moment dan ook voor in.
Aanbeveling zes: laat niet-adequaat handelen gepaard gaan met consequenties en stop eventueel het financieren van zorgverleners en aanbieders. Er zijn op dit moment mogelijkheden om in te grijpen als zorgaanbieders niet goed functioneren. We weten dat de inspectie daarvoor een breed instrumentarium heeft. Dat kan ze inzetten om de kwaliteit van de zorg te bevorderen. Verder zijn de gemeentes verantwoordelijk voor de kwaliteit van de jeugdhulp die zij inkopen. Zij kunnen vanuit deze inkopende rol ook eisen stellen aan de kwaliteit van zorg en daar eventueel consequenties aan verbinden. Dus ja, wij moeten inderdaad zorgen dat dat gebeurt als er misstanden zijn.
Aanbeveling zeven: onderzoek het functioneren van voormalig ZIKOS-medewerkers en -directieleden. Het blijft natuurlijk belangrijk om te erkennen dat er bij ZIKOS en in de gesloten jeugdzorg niet altijd goed is gehandeld. Maar ik zag dat u daar net in de Kamer ook een beetje een debat over had. Dat begrijp ik, want we weten natuurlijk ook dat er heel veel medewerkers in die zorg zitten die soms hele moeilijke afwegingen moeten maken en die naar eer en geweten keuzes maken. Gelukkig gaat dat heel vaak goed. Maar binnen ZIKOS was er sprake van handelingsverlegenheid en dat heeft bijgedragen aan de schadelijke gevolgen die die jongeren hebben ondervonden.
Wij oordelen nu ook anders over hoe er gehandeld had moeten worden. Maar als medewerkers en directieleden willens en wetens de veiligheid van jongeren in gevaar brengen of als er misstanden zijn, dan moet dit onderzocht worden. Hiervoor hebben we reguliere procedures en dat betekent dat mensen kunnen melden bij de IGJ of een tuchtklacht kunnen indienen bij de SKJ. Ik scherp verder op dit moment de wet- en regelgeving aan. Daarmee doel ik op de meld- en vergewisplicht voor jeugdhulpaanbieders en de vergunningsplicht voor alle aanbieders.
Voorzitter. Ten slotte de laatste aanbeveling: ontwerp een online gedragscode voor medewerkers in de jeugdzorg. Ik wil beginnen met onderstrepen dat het volgens mij altijd beter is om in gesprek te gaan dan om allerlei berichten achter te laten op social media. Het blijft gewoon belangrijk dat zowel medewerkers als jongeren respectvol met elkaar blijven omgaan, of dat nou offline of online is. Ik wil hier wel over in gesprek gaan met Jeugdzorg Nederland en ik wil daarbij ook kijken naar de medische sector, want in de medische sector hebben ze hier al ervaring mee.
Voorzitter. Dat is een hele korte reflectie op de aanbevelingen. Ik wil u toezeggen dat ik in de brief vóór de zomer nog een wat uitgebreidere reflectie zal opnemen op de aanbevelingen van het rapport.
De voorzitter:
Bent u hiermee ook aan het einde van dit blokje gekomen?
Minister Sterk:
Ja.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor deze toelichting. De minister zegt een heleboel gesprekken toe en er zijn een aantal proceszaken die ze nu start. Ik denk ook dat dat niet anders kan. Daar moet je een proces voor opstarten. Je moet met mensen in gesprek gaan. Dat is denk ik heel goed. Maar dan wil ik het nog even hebben over de brief die we krijgen. Eén ding dat ik heb opgestoken bij de bijeenkomst afgelopen dinsdag is dat wij er ook gewoon meer bovenop moeten zitten. Ik zou wel heel graag willen weten of in de brief die u vóór de zomer stuurt dan ook de voortgang komt te staan, dus niet zozeer een verdere uitleg, maar ook de voortgang. En stuurt u daarna weer een voortgangsbrief, zodat wij ook weten hoe het staat, hoe het gaat en of de jongeren tevreden zijn, zodat we niet in een soort zwart gat belanden en hier over twee jaar weer staan?
Minister Sterk:
Of ik over twee weken al voortgang kan rapporteren ten opzichte van wat ik nu voorlees, weet ik niet helemaal zeker. Maar ik denk dat het belangrijk is — volgens mij gaf mevrouw Westerveld dat in het debat ook aan — dat we met enige regelmaat zorgen dat we het hebben over deze grote problematiek. Het gaat niet alleen over ZIKOS, maar het speelt breder, en het gaat ook niet alleen over de gesloten jeugdzorg, maar het gaat natuurlijk over de problemen die we hebben rond jeugdzorg. Ik zeg u toe dat er een brief komt vóór de zomer. We hebben volgens mij een commissiedebat eind september staan, dus dan gaat er ook weer een brief uw kant uit. Volgens mij is het ook aan uw Kamer om aan te geven hoe vaak u hierover wil praten en hoe vaak u daarover geïnformeerd wil worden. Het lijkt me wel verstandig om u alleen te informeren als er ook echt iets te melden is, maar ik snap dat u graag een soort vinger aan de pols wil houden en wil zien dat er voldoende voortgang zit op dit dossier.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het zou voor mij heel fijn zijn, en ik vermoed voor andere Kamerleden ook, om de aanbevelingen die de minister nu opsomt consequent terug te laten komen in de brief. U zegt: alleen als er wat te melden is. Als er niks te melden is, is dat natuurlijk ook belangrijk voor ons om te weten.
Minister Sterk:
Ja, dat begrijp ik. Ja.
Mevrouw Dobbe (SP):
We weten dan dat er blijkbaar geen voortgang op is en dan kunnen we er ook naar vragen.
Minister Sterk:
Ik zou …
De voorzitter:
De minister.
Minister Sterk:
Ik zou Kamerlid Dobbe toe willen zeggen dat we in de brief vóór de zomer terugkomen op hoe wij dat dan voor ons zien.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
De minister had het over 12 miljoen die vrij wordt gemaakt. Ik heb daar wel vragen over. Het proces heeft lang geduurd. Ik vond het ook goed dat daar de tijd voor werd genomen, want het moet ook niet een lege huls zijn. Je moet iets hebben wat ook daadwerkelijk van waarde is. Nu heeft het te lang geduurd en dan gebeurt er weer het tegenovergestelde van wat we wilden bereiken. Maar die 12 miljoen is ook wel belangrijk, want naast excuses moet er herstel zijn. Dat wordt nog ingevuld door de minister. Is het helpen van jongeren, zoals ze ook vroegen in dat rapport, onderdeel van dat herstel? En is een schadevergoeding voor de schade die ze hebben geleden door wat hun is aangedaan daar ook onderdeel van?
Minister Sterk:
Dat is onderdeel van het gesprek dat wij met de jongeren voeren. Wat er in ieder geval wel in zit — dat was volgens mij ook een vraag uit het eerste rapport van Jason — is dat er een soort steunpunt zou moeten komen, juist om ook een-op-een met de jongere te kijken: wat heeft deze jongere nou echt nodig in dit specifieke geval en hoe kunnen we daaraan bijdragen of hoe kunnen we zorgen dat er partijen bij komen die daaraan bijdragen? Dat is dus onderdeel van het gesprek. Ik wil u daar heel graag in de brief meer over zeggen, als ik dat ook met de jongeren heb kunnen bespreken. Ik heb het zelf namelijk nog niet met de jongeren kunnen bespreken.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Destijds was er bij commissie-De Winter een tegemoetkoming van €5.000 voor iedereen, ook omdat er heel veel slachtoffers waren, verdeeld over een grote tijd. Maar als ik nu met jongeren spreek, dan zegt de een juist psychosociale zorg nodig te hebben en de ander zegt dat hij een opleiding wil beginnen, met werk wil beginnen of een opleiding voor een hulphond nodig heeft om zijn trauma te kunnen verwerken. Ziet de minister mogelijkheden om dat ook mee te nemen? Ik hoor namelijk ook van jongeren: echt herstel kan natuurlijk pas plaatsvinden als je echt kijkt wat er gericht voor elke individuele persoon nodig is.
Minister Sterk:
Dat is precies waarom dat steunpunt er gaat komen: om goed te kijken wat er voor deze jongere in deze specifieke situatie nodig is. Het is heel verschillend wat jongeren nodig hebben en wat de wensen zijn. Daar wil ik gewoon goed naar kunnen kijken met die jongeren en met mensen die daar verstand van hebben. Dat is juist het doel van het steunpunt binnen het kader dat we daarvoor hebben.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind dat steunpunt ook heel goed. Dat was inderdaad ook een van de aanbevelingen. Ik vind het ingewikkelde daaraan — daar kan deze minister niks aan doen — dat ik in de brief van 26 maart 2024, naar aanleiding van het eerste rapport van Jason, letterlijk als eerste punt lees: er komt een aanspreekpunt waar jongeren die op een ZIKOS-afdeling hebben verbleven en hun naasten terechtkunnen. Daar is niks mee gebeurd. Ik begrijp dat een deel van die 12 miljoen nu weer ingevuld gaat worden met iets wat eigenlijk al jaren geleden aan de Kamer en aan de jongeren beloofd is.
Minister Sterk:
Zo zou je het kunnen lezen, maar volgens mij voldoe ik in ieder geval aan de vraag en het verzoek om voor jongeren, naasten en misschien wel nabestaanden een aanspreekpunt te hebben waar we een-op-een kunnen kijken wat iemand nodig heeft. Daarnaast willen we ook in collectieve zin een aantal activiteiten organiseren voor jongeren, ook vanuit de wens van jongeren zelf.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Een van de lastigheden, en eigenlijk ook pijnlijkheden, waar mensen destijds ook tegen aanliepen bij de commissie-De Winter, was dat de regeling afgebakend en beperkt was. Je kon exact hetzelfde hebben meegemaakt als een ander, maar je zat toevallig net in een instelling waarvoor de regeling niet gold. Ik ben een beetje bang dat als de minister het alleen beperkt tot ZIKOS-jongeren, dit weer gaat gebeuren. Want er zijn meer jongeren die schade hebben opgelopen. Er zijn jongeren overleden voordat Jason met zijn eerste rapport kwam. Julia werd bijvoorbeeld genoemd, en ik had het over Noa. Ook daar is schade bij nabestaanden en bij jongeren zelf. Worden zij ook meegenomen in deze regeling?
Minister Sterk:
Ik stel voor dat ik op dit specifieke punt terugkom in de brief.
De voorzitter:
Ik wil heel graag dat de minister doorgaat met de beantwoording. Ik heb u net een blokje van drie interrupties gegeven, mevrouw Dobbe. Gaat u verder, minister.
Minister Sterk:
Ik kom bij het volgende blokje, over de gesloten jeugdhulp in wat bredere zin. Mevrouw Moinat vroeg of ik het ermee eens ben dat de vrijblijvendheid van strafrechtelijke vervolging niet langer een optie is. Ik heb dat net eigenlijk al aangegeven. Iedereen kan aangifte doen, ook de jongere, maar ook de jeugdhulpaanbieder. Die is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en kwaliteit van het personeel, ook als dit bijvoorbeeld uitzendkrachten zijn. Ook de aanbieders van jeugdhulp kunnen die aangifte zelf doen. Ook de IGJ kan aangifte doen. Er zijn dus allerlei manieren om aangifte te doen. Wat mij betreft zou dat voldoende moeten zijn om de rotte appels uit de mand te krijgen.
Mevrouw Dobbe vroeg naar mijn reactie op het recente IGJ-rapport over de gesloten jeugdhulp. Ik stel in ieder geval vast dat een van de lessen die de IGJ heeft geleerd, volgens mij ook uit wat er in 2024 is gepubliceerd, is dat de stem van de jongeren echt waardevol is en dat het belangrijk is om die mee te nemen als er sprake is van toezicht. Dat is wat ze hebben gedaan. Die signalen moeten we echt heel serieus nemen. Het baart me natuurlijk ook wel zorgen — dat laat het rapport ook zien, en ik vermoed dat u daaraan refereert — dat er ook jongeren zijn die zich op dit moment nog steeds onvoldoende gehoord voelen, dat zij te weinig betrokken worden bij de hulp die zij krijgen en dat het nee-tenzijprincipe, dat we nu hebben verankerd, niet overal wordt toegepast. Als vrijheidsbeperking nodig is, moet deze maatregel worden opgenomen in het hulpverleningsplan en besproken worden met de jongere zelf. Dat is sinds 2024 opgenomen in de wet, samen met andere strengere voorwaarden voor vrijheidsbeperking. De praktijk voor deze jongeren moet echt verbeteren. Op dit moment werk ik dan ook samen met de VNG en Jeugdzorg Nederland aan een herijking van de bestuurlijke afspraken die we eerder hebben gemaakt over de transformatie van de gesloten jeugdhulp. Daarin neem ik ook de aanbevelingen van de IGJ mee. Ik kom daar overigens dadelijk nog wat specifieker op terug.
De voorzitter:
Mevrouw Moinat heeft, denk ik, een vraag over het eerste deel van het betoog. Gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Klopt, voorzitter. Ik vind dat toch wat makkelijk afgedaan. De minister of staatssecretaris van Justitie is altijd bevoegd om met het OM te gaan praten. Dus om dan te zeggen dat iedereen aangifte kan doen … Daar ben ik het mee eens. Dat klopt. Maar ik probeer aan te stippen dat medewerkers en instellingen veel te makkelijk wegkomen met dit soort dingen. Ik denk dat we elkaar daar best wel in kunnen vinden en dat we dat allebei vinden. Daarom is mijn vraag waarom u als minister of waarom de staatssecretaris van Justitie, die helaas niet aanwezig is, hierover niet met het OM gaat praten.
Minister Sterk:
Mijn wedervraag zou zijn: wat wilt u dan precies dat wij met het OM bespreken? Volgens mij begint het immers juist met aangifte doen. Het mag natuurlijk nooit vrijblijvend zijn: als er aangifte wordt gedaan, moet die gewoon in behandeling genomen en onderzocht worden om te zien of er sprake is van strafrechtelijke overtredingen. Als dat zo is, moet daar natuurlijk ook gewoon naar gehandeld worden. Ik ben dus aan het zoeken naar wat u nu precies van mij verwacht.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Wat ik verwacht, is dat we niet weer zo'n situatie als in Vlaardingen krijgen, waarin een medewerker gewoon aantoonbaar niet doet wat hij moet doen maar waar eigenlijk geen consequentie aan vastzit. Ik weet het niet precies. Daarom is mijn vraag waarom u als minister of de staatssecretaris van Justitie niet gaat praten met het OM en daarna bij ons terugkomt met hoe we dit in het vervolg gaan regelen, want het kan toch niet zo zijn dat mensen en instellingen hier gewoon mee weg kunnen komen zonder dat daar iets aan vastzit?
Minister Sterk:
Dan kom ik toch weer terug op wat ik net heb gezegd: volgens mij zijn er allerlei manieren om aangifte te doen. Die aangiften moeten natuurlijk gewoon in behandeling worden genomen. Volgens mij hebben we daar wegen voor. Ik weet niet of het de zaak nu erg gaat helpen als wij daarover met het OM in gesprek gaan.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording.
Minister Sterk:
Door een heleboel mensen zijn vragen gesteld over de een-op-eenplaatsingen. De Kamerleden Dobbe, Moinat en Coenradie vroegen of ik de stand van zaken met betrekking tot de kinderen die op vakantieparken verblijven wil toelichten en of we zicht hebben op aantallen. Daar zijn een heleboel vragen over gesteld. Ik heb de gemeenten gevraagd om samen met de GI's en de regionale expertteams in beeld te brengen hoeveel jongeren zij in een een-op-eensetting en/of in buitencontractueel aanbod hebben geplaatst; dat gebeurt ook echt op dit moment. Er wordt op dit moment dus echt gekeken waar die jongeren op dit moment zitten. De eerste toets die we daarbij doen, is of het verblijf veilig is. Gemeenten moeten vervolgens ook binnen afzienbare tijd een veilig alternatief organiseren als de huidige plaatsing onveilig zou zijn, maar voor alle jongeren in een dergelijke niet-passende plaatsing moet gezocht worden naar passende zorg, onderwijs en/of dagbesteding. Ik volg de ontwikkelingen hieromtrent echt nauwlettend. Ik heb u dat ook al eerder toegezegd in de brief die u heeft gekregen, maar u weet ook dat dit een complexe opgave is, juist omdat het ontbreken van passende hulp vaak de reden was voor een-op-eenplaatsing.
Ik moet constateren dat de opbouw van alternatieven onvoldoende van de grond komt, zoals ook al door een aantal van u werd gezegd. Dat gebrek aan passende hulp wordt natuurlijk veroorzaakt door onderliggende knelpunten. Die vragen weer om een lange adem; dat is nou eenmaal niet anders. Ik ga hier wel meer regie op voeren en ik ga hier nadere afspraken over maken met de gemeenten en de sector. Het eerste wat ik ga doen, is het strakker implementeren van de verklarende analyse, zodat we beter zicht hebben op de onderliggende problematiek, de behoefte van de kinderen en de gezinnen en de meest passende vorm van ondersteuning. Ik wil ook een betere en integralere samenwerking met de ggz en de lvb-sector realiseren. De transformatie van de gesloten jeugdzorg moet beter gemonitord gaan worden. We onderzoeken ook hoe we de belemmeringen bij bovenregionale en landelijke samenwerking weg kunnen nemen. Daarnaast werk ik, uiteraard samen met mijn collega, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, onverminderd door aan de afspraken uit de Hervormingsagenda en aan het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming om het stelsel te verbeteren.
De voorzitter:
Dit geeft aanleiding tot een vraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Het is natuurlijk al heel lang bekend dat de gespecialiseerde hulp voor jongeren en kinderen ontoereikend is. Dat weten we; dat is een feit. In 2022 — dat zeg ik uit mijn hoofd — is de motie ingediend die uitsprak dat de gesloten jeugdzorg afgebouwd moest worden. Er is toen een budget van bijna 180 miljoen gekomen waarmee gemeenten alternatieven zouden moeten ontwikkelen. We zijn nu vier jaar verder. We zien met elkaar dat er onvoldoende alternatieven zijn en dat jeugdbeschermers en hulpverleners vaak met de handen in het haar zitten omdat die plekken voor de jongeren er niet zijn.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Westerveld (PRO):
Nu zitten we weer in een situatie waarin we met z'n allen niet willen zijn. Mijn vraag is: waar ligt dat dan aan? Is dat gebrek aan geld? Is dat gebrek aan regie? Hoe kan het dat dit zo in de soep loopt?
Minister Sterk:
Volgens mij zit dat in een heleboel knelpunten. Soms zit het in de samenwerking tussen de partijen. Daar werken we aan bij de toekomstscenario's. Soms zie je dat mensen als een soort pakketje worden doorgegeven aan de volgende organisatie, die dan weer een keer zelf gaat kijken wat zij kan doen. Daarom zeg ik ook dat die verklarende analyse aan het begin moet worden gemaakt en dat die met iedereen moet worden gemaakt, dus met alle partijen die daar een rol in hebben. We hebben, denk ik, heel erg de druk gevoeld dat we die gesloten jeugdzorg in dit land niet meer willen. We hebben namelijk allerlei manieren gezien waarop we niet willen dat kinderen die juist zorg nodig hebben, worden behandeld. Aan de andere kant denk ik dat wij hebben onderschat hoe ingewikkeld het is om dan toch een veilige plek voor deze jongeren te vinden; soms moeten ze daarbij ook tegen zichzelf beschermd worden. Dat is, denk ik, de fase waar we in zitten. Dat gaat ook niet snel genoeg; nogmaals, dat erken ik ook. Daarom gaan we opnieuw kijken naar de afspraken die we eerder, in 2024, over de gesloten jeugdzorg hebben gemaakt, om te kijken wat we daar nou nog meer en beter aan kunnen gaan doen. Wat betreft de analyse van waar het precies aan ligt: ik denk niet dat er één oorzaak is aan te wijzen, behalve dan dat het natuurlijk om jongeren gaat met een hele complexe zorgvraag.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind hieraan ingewikkeld — nogmaals, de schuld ligt niet bij deze minister — dat dit allemaal in die tijd voorspeld was en dat wij gewaarschuwd werden door deskundigen. Ik was bij die Kamerdebatten. We hebben er toen een discussie over gehad met de ambtsvoorganger van deze minister. We hebben de hele tijd gezegd dat er meer moet gebeuren en dat het sneller moet gaan. Anders moet je die afbouw niet zo versneld laten plaatsvinden, hoewel ik dat ook wilde. Maar hoe kan het dan dat we toch telkens in een stelsel zitten waarin deskundigen van alles kunnen zeggen en dat dat toch niet aankomt bij degenen die uiteindelijk politiek verantwoordelijk zijn?
Minister Sterk:
Ik deel die frustratie van mevrouw Westerveld. Volgens mij proberen we daar nu alles aan te doen, namelijk door enerzijds te kijken hoe we dat hele zorgstelsel beter kunnen gaan inrichten, maar ook specifiek — dat doe ik ook met mijn collega van Justitie — door deze groep via die toekomstscenario's beter te begeleiden, in plaats van dat door te schuiven, wat nu soms gebeurt, alsof het weer een nieuw probleem is bij een nieuwe organisatie.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ook het toekomstscenario wordt ontwikkeld, maar daarvoor is door de vorige staatssecretaris geld toegezegd en dat is er niet gekomen. We blijven dus in kringetjes ronddraaien van beloften die worden gedaan, waarbij deskundigen uit het veld aangeven dat je wat anders moet doen, dat je dit niet moet onderschatten of dat er soms meer geld bij moet als je iets nieuws gaat ontwikkelen. En het gebeurt maar niet. Heeft dat er dan mee te maken, vraag ik de minister, dat er vanuit hier toch te weinig regie is? Moeten we meer regie terugpakken? Heeft dat te maken met te weinig prioriteitstelling? Waar ligt dat dan aan?
Minister Sterk:
Dat laatste zou ik niet willen bevestigen, want volgens mij zijn we heel hard aan het werk, juist om die hele logge mammoettanker die de jeugdzorg is en alles wat daarbij komt, te keren. Dat vraagt soms om wetswijzigingen. Dat vraagt om cultuurverandering, want partijen moeten met elkaar gaan samenwerken. En dat vraagt soms ook om korte interventies. Wat ik nu doe, met die 400 jongeren waarvan ik wil weten of die veilig zijn, kan ik op de korte termijn doen. Dat toekomstscenario doen we juist ook met al die professionals in die keten, dus met de wijkteams, de Raad voor de Kinderbescherming, de GI's, Veilig Thuis, dus al die partijen die hier een rol in moeten spelen en — dat constateren we namelijk ook — dat soms dus niet voldoende doen. Dat proberen we juist nu met elkaar aan te scherpen. Op 8 juli zullen we dat met elkaar besluiten en ik zal zorgen dat u daar voor de zomer — althans, dat is voor mijn zomer, want u heeft dan volgens mij al reces — een brief over krijgt. Die toezegging heb ik al in een eerder debat gedaan.
De heer Hamstra (CDA):
Ik hoor een aantal zaken waar de minister mee aan de slag gaat. Ik denk dat dat goed is. Het structureel doorvoeren van een verklarende analyse is heel waardevol, zeker voor kinderen die nu instromen, maar voor de jongeren die nu op vakantieparken zitten, is dat, denk ik, nu nog niet de oplossing. Ik ben een beetje op zoek naar het volgende. Gemeenten zoeken deze uitweg, waar zij zelf ook niet gelukkig mee zijn, omdat zij ook geen andere mogelijkheden meer zien. U gaat nu in gesprek met die gemeenten.
De voorzitter:
De minister gaat in gesprek.
De heer Hamstra (CDA):
Sorry.
De voorzitter:
En wilt u tot uw vraag komen?
De heer Hamstra (CDA):
Ja, de minister gaat in gesprek met deze gemeenten. Kan de minister aangeven welke mogelijkheden zij dan nog voor die gemeenten ziet om op korte termijn misschien wel tot een passende oplossing te komen?
Minister Sterk:
De verantwoordelijkheid om een passende oplossing te bieden, ligt natuurlijk bij de gemeenten. Wat ik nu doe, samen met de jeugdzorgaanbieders, is het volgende. Ten eerste willen we op tafel krijgen om welke jongeren het precies gaat. Ik herinner me dat mevrouw Dobbe daar in een vorig debat ook naar vroeg. Het gaat om 400 jongeren. Zijn ze veilig? Dat is volgens mij de belangrijkste vraag. Als ze niet veilig zijn, moeten we zo snel mogelijk zorgen dat ze dat wel zijn en naar een oplossing zoeken. Maar wij kunnen natuurlijk niet zomaar plekken uit de grond trekken voor die kleinschalige voorzieningen waar we heel graag met elkaar naartoe willen werken. Voor een deel van de jongeren lukt dat al wel, maar voor een deel van de jongeren dus nog niet. Ik ben met die gemeentes en met die jeugdzorgaanbieders in gesprek om opnieuw te kijken naar de afspraken die we eerder hebben gemaakt. Welke aanscherping is er nodig? Wat kunnen we nog meer doen? Hoe kunnen we versnellen? En hoe kunnen we ook de gemeentes ondersteunen om te zorgen dat die plekken er wel komen?
De voorzitter:
Meneer Hamstra, verras mij met een bondige interruptie.
De heer Hamstra (CDA):
Het gaat mij erom dat de situatie van de jongeren niet moet verslechteren, en dat we nu niet een andere oplossing gaan vinden die misschien nog minder passend is. Daar ben ik dus een beetje naar op zoek. Hoe kunnen we dit het beste organiseren? Kan de minister, met haar verantwoordelijkheid als stelselverantwoordelijke, toezeggen dat we andere interventies gaan plegen wanneer gemeenten voor die 400 jongeren aangeven dat ze tegen een aantal zaken aanlopen, omdat die gemeenten gewoon ook geen oplossingen meer zien?
Minister Sterk:
Dat is precies de aard van het gesprek dat wij op dit moment voeren. We willen daarin kijken wat de gemeentes en de zorgaanbieders nodig hebben om te zorgen dat we deze groep jongeren gewoon een goeie en veilige voorziening kunnen bieden, maar vooral ook een meer structurele voorziening dan op dit moment op de vakantieparken.
De heer Hamstra (CDA):
Afrondend.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
De heer Hamstra (CDA):
Mocht er uit het gesprek iets komen waar gemeenten tegenaan lopen en waar de Kamer iets aan kan doen, kunt u de Kamer daarover dan informeren?
Minister Sterk:
Dat zal ik absoluut doen.
De voorzitter:
Ik stel voor dat ik mevrouw Synhaeve en mevrouw Dobbe nog het woord geef maar dat ik daarna de minister wel de gelegenheid geef om wat meer meters te maken met haar blokjes. Anders gaan we onze interrupties besteden aan antwoorden die de minister wellicht nog gaat geven.
Mevrouw Synhaeve (D66):
De minister concludeert dat de opbouw van alternatieven niet snel genoeg gaat. Ik denk dat het goed is om te beseffen dat dat betekent dat kinderen die we op een goede plek zouden moeten helpen, die plek nu dus niet hebben. Maar ik wil even naar dat transformatiefonds. We hebben die transformatiegelden van 176 miljoen voor de opbouw van alternatieven. Ik heb daar eerder ook vragen over gesteld. We weten dat een deel van dat geld ook gaat naar de oude instellingen, omdat zij gewoon minder bedden bezet hebben. Hoe zorgt deze minister er nu voor dat van die 176 miljoen ook echt het leeuwendeel benut wordt om alternatieven te realiseren?
Minister Sterk:
Dat is ook wat wij dus doen. Uiteindelijk moeten de gemeenten dat natuurlijk realiseren; daar is dat geld ook voor bedoeld en wij kijken daarbij mee. Dat moet vooral leiden tot de afspraken die we hebben gemaakt, namelijk kleinschalige voorzieningen voor deze jongeren. En dat is niet: terug in het oude systeem. Die afspraken volg ik. Dat geld is er gelukkig nog steeds. Maar misschien is dat ook wel jammer, want anders hadden we het misschien al kunnen oplossen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dat is precies waarover ik eerder vragen heb gesteld, want we zien dat een heel groot deel van dat budget toch naar die oude aanbieders gaat. Ik wil de minister vragen om bij de besteding van die gelden te zorgen dat die juist naar die nieuwe plekken gaan, dus naar de plekken waar daadwerkelijk kinderen worden geholpen. En niet naar grote organisaties die al meer dan voldoende geld hebben gekregen voor zorg waarvan we kunnen betwijfelen of dat de goede zorg was.
Minister Sterk:
Waar het vooral om gaat, is dit. Het kan volgens mij ook best bij een grote jeugdzorgaanbieder, maar dit gaat om kleinschalige plekken waar jongeren met vijf of zes personen bij elkaar zitten, waarbij ze de zorg krijgen die ze nodig hebben. Dan zou het volgens mij niet uit moeten maken of dat een grote of een kleine zorgaanbieder is; het gaat om het type opvang dat daarvoor wordt gefinancierd. Volgens mij is dat ook wat u zegt. Dat geld moet niet gaan naar andere zaken. Dat geld moet gaan naar de financiering van dit type opvang voor dit type jongeren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Volgens mij hadden we in maart een debat, ik geloof tijdens het mondelinge vragenuur, over die kinderen die op een camping zijn geplaatst, waar ze dag en nacht worden bewaakt terwijl ze zorg nodig hebben. De minister zei toen dat het om 400 kinderen ging. Was dat toen of is dat nu, die 400? ...
Minister Sterk:
Dat durf ik niet precies te zeggen. Dat was het getal dat u destijds ook gebruikte. Het was het getal dat we op dat moment kenden. Hoe het op dit moment is ... Die getallen weet ik niet precies.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik zou het toch wel heel fijn vinden als de minister dat voor ons wilde uitzoeken en dat zo snel mogelijk aan ons zou willen laten weten. Want als het nog steeds 400 kinderen zijn, er honderden kinderen in een onveilige situatie zitten terwijl we dit al maanden weten, dan vind ik dat we dat acuut moeten weten van deze minister. Is de minister bereid om dit aan ons te rapporteren?
Minister Sterk:
Wat ik volgens mij juist heb gezegd, is dat wij dat op dit moment in beeld aan het brengen zijn. Dat zijn we nu gestart, om te kijken hoeveel van deze jongeren inderdaad in een onveilige situatie zitten, om ze daar zo snel mogelijk uit te krijgen en hun een veilige omgeving te bieden. Dat loopt dus op dit moment ... Nu word ik gebeld, voorzitter.
De voorzitter:
Ik ga voor enkele ogenblikken schorsen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het Debat over de jeugdzorg en jeugdhulpverlening. Aan de reactie in de coulissen te horen ... Ik heb het vermoeden dat wij zomaar felicitaties aan de minister kunnen doorgeven.
Minister Sterk:
Ja, dat klopt helemaal, voorzitter.
De voorzitter:
Van harte!
Minister Sterk:
Hij heeft het zelf live op tv kunnen zien, overigens. Dat is dan wel weer het grappige van deze tijd.
De voorzitter:
Dan heeft uw zoon nu ook de felicitaties gehoord. Dus van harte gefeliciteerd!
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Volgens mij waren wij bij een vraag van mevrouw Dobbe. Ik ga nu wel iets voorstellen in verband met de tijd. Ik ga vragen of de minister zo meteen het blokje afrondt. Daarna laat ik interrupties toe. Er staan alweer collega's te wachten, onder andere uit Brussel, die straks ook een debat willen voeren. Ik wil dus een beetje op de tijd letten. Nu mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Prima, voorzitter. Het lijkt me heel goed om het gewoon per blokje te doen. Allereerst: gefeliciteerd aan uw hele gezin en aan uw zoon. Dat is in ieder geval goed nieuws.
Ik was net bezig met het stellen van een vraag. Drie maanden geleden hadden we de discussie over die ene groep kinderen. Er zijn meer kinderen die op een plek zitten die niet passend is; dat weten we. Maar het ging over die groep kinderen die nu bijvoorbeeld op vakantieparken zitten. Ik schrik toch een beetje van het feit dat die discussie in maart is gevoerd en we toen wisten dat het er ongeveer 400 waren, maar dat we nu niet meer precies weten hoeveel het er zijn. Misschien snapt de minister dat we dat zo snel mogelijk willen weten en daar ook graag heel regelmatig een rapportage over ontvangen.
Minister Sterk:
Ik snap dat u zegt: we hebben het over die 400 kinderen gehad en we willen graag weten of het goed gaat met deze kinderen of dat ze in ieder geval op een plek komen waar het goed met ze gaat. Dat willen we, denk ik, allemaal. Ik ben nu bezig met dit proces. Ik ben aan het uitzoeken waar die kinderen precies zitten en of ze veilig zijn. Zodra ik dat, weet zal ik uw Kamer daarover berichten. Dan kan ik ook iets meer vertellen over het proces dat we daaromheen met elkaar hebben afgesproken.
De voorzitter:
Rondt u het tweede blokje af.
Minister Sterk:
Ik had overigens nog maar één vraag in het tweede blokje. Dat is de vraag van mevrouw Coenradie of ik in beeld heb hoe vaak deze kinderen gemiddeld al zijn doorgeplaatst. Ja, dat heb ik. Dat is gemiddeld zes keer. Dat is gemiddeld echt zes keer. Soms is dat zelfs twintig keer. Dat is natuurlijk vreselijk. Nogmaals, dat is ook waarom ik dit traject ben gestart.
De voorzitter:
Gaat u verder met het derde blokje.
Minister Sterk:
Dit gaat over de toekomstscenario's, de jeugdbescherming en de casuïstiek. Daarin heb ik een vraag van mevrouw Moinat, mevrouw Van Groningen en mevrouw Van Meteren. Zeg ik het nou goed? Nee, "Van Meetelen"; mijn buurman heette "Van Meteren". U stelt dat er altijd een eindverantwoordelijke moet zijn voor het veiligheidsplan en de coördinatie, en u vraagt of ik daar een reactie op wil geven. Samenwerking, goede afstemming en duidelijkheid over de regie zijn inderdaad cruciaal bij ernstige signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Waar de regie moet liggen, is soms wel afhankelijk van de casus en de context. Daar moeten duidelijke afspraken over worden gemaakt. We hebben nu ook in de wet verankerd dat dat in de regio moet gaan gebeuren.
Voorbeelden uit de praktijk zijn de aanpak Veiligheid Voorop en de regierol van de Zorg- en Veiligheidshuizen. Ook ontwikkelen we samen met relevante organisaties een 24/7-crisisinterventieteam voor 0 tot 100 jaar. Daarbij gaat het erover dat men met elkaar afspreekt wie eigenaar wordt van een casus of van de casuïstiek. Met het toekomstscenario werken we aan een vereenvoudiging van het stelsel, waardoor gezinnen een vast contactpersoon krijgen van een lokaal team. Indien nodig wordt dit aangevuld met expertise en bevoegdheden van de regionale veiligheidsteams. In de Veranderstrategie toekomstscenario staan de stappen die wij zetten voor deze vereenvoudiging en staat hoe wij de heldere taakverdeling tussen lokale teams, veiligheidspartners, waaronder Veilig Thuis, voor ons zien. Daar bericht ik u nog voor de zomer over.
De heer El Abassi vroeg hoe ik reflecteer op het gegeven dat de William Schrikker Stichting opnieuw in de fout is gegaan. Ik zeg hier toch maar even heel duidelijk dat ik niet wil speculeren over wat er nou precies is gebeurd in deze afschuwelijke zaak. Ik weet dat daar al heel veel opvattingen over zijn, maar ik vind het het belangrijkste om het onderzoek van de inspectie af te wachten. Volgens mij is dat dan het moment om daar conclusies aan te verbinden en te kijken wie wat wel of niet heeft gedaan.
De heer Hamstra vroeg of we al iets weten over het onderzoek. Nee, dat weet ik nog niet. Ik ga wel aankomende maandag zelf in gesprek met de mensen in Stadskanaal, voor wie wat er allemaal is gebeurd natuurlijk ook een enorm harde dobber is.
Mevrouw Van Meetelen vraagt of ik kan uitleggen waarom er bij levensbedreigend geweld nog steeds kostbare tijd verloren gaat aan overleg. Zij vraagt ook of ik bereid ben binnen 24 uur een veiligheidsbesluit te laten nemen. Dat gebeurt in principe nu ook al. Als er bij Veilig Thuis een melding binnenkomt — iemand van u refereerde daar net al aan — en als ze zien dat het een acute veiligheidsvraag is of een levensbedreigende situatie betreft, moeten ze binnen 24 uur actie ondernemen. Dat is de eerste schifting die Veilig Thuis maakt. In principe moet dat gebeuren. Dat is een antwoord op uw vraag.
Meneer Hamstra en mevrouw Van Groningen vroegen naar de gegevensdeling en wat wij er nu precies aan doen om die te verbeteren. Ik denk dat het heel belangrijk is dat die gegevens natuurlijk goed worden gedeeld, want als je gegevens bij elkaar brengt, heb je ook sneller de ernst van de zaak in de gaten en kun je dus ook sneller gaan handelen. Sinds 2023 werken verschillende organisaties, waaronder de politie, Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming, vanuit Veiligheid Voorop aan een netwerkmodel waardoor er meer wordt samengewerkt en professionals eenvoudiger informatie kunnen delen, natuurlijk wel met de goede privacywaarborgen. Met digitale oplossingen kan vanaf 2026 elke Veilig Thuis-organisatie digitaal checken of netwerkpartners bekend zijn met een persoon. Verder wordt er naar aanleiding van moties van Becker, Van der Werf en Coenradie onderzoek gedaan naar belemmeringen voor informatie-uitwisseling vanuit juridische kaders en welke voorwaarden en vereisten nodig zijn om één integraal systeem te ontwikkelen. De Kamer wordt daarover eind 2026 geïnformeerd. En er wordt gewerkt aan de verbetering van een gezamenlijke risicotaxatie en een gezamenlijke analyse. Het versterken van de samenwerking en het wegnemen van belemmeringen is ook een van de acties binnen het toekomstscenario.
De heer Hamstra en mevrouw Synhaeve hadden ook een vraag gesteld over kindermishandeling en spreken met de kinderen. Laat ik vooropstellen dat ik altijd heel veel respect heb voor Kamerleden die een eigen wetsvoorstel maken, want ik weet hoeveel werk dat kost. Ik heb daar allemaal ambtenaren voor, maar u doet dat vaak zelf, met uw eigen medewerkers. Om te beginnen heb ik er dus heel veel respect voor dat u dat doet. Ik sta ook welwillend tegenover uw plan. Ik ben ook benieuwd hoe u het precies zult regelen. Ik denk dat we allemaal vinden dat we het echt op waarde moeten schatten als een kind een signaal afgeeft. Hoe dat er nou precies uit moet zien, daar ben ik heel benieuwd naar. Volgens mij is dat ook het debat dat wij moeten hebben.
De heer Hamstra vroeg ook nog of de meldcode daar nog een rol in kan spelen. Nee, de meldcode kan hier geen rol in spelen, want het Besluit verplichte meldcode is niet gericht op bevoegdheden van Veilig Thuis die in de Wmo zijn opgenomen.
Mevrouw Van Meetelen had het over de term "kindermarteling". Er zijn verschillende vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling. We leren natuurlijk ook steeds meer over de verschillende vormen en redenen voor kindermishandeling en nemen die nieuwe kennis ook mee in onze aanpak. "Kindermarteling", waar u aan refereert, is een relatief nieuw begrip. Het komt eigenlijk uit Amerika. We moeten nog kijken waar we het dan precies over hebben, hoe dat precies past binnen de bestaande kennis over de profielen van geweld en hoe we zorgen dat professionals deze vorm van kindermishandeling dan ook zo snel mogelijk herkennen. Ik ben uiteraard bereid om hier onderzoek naar te doen.
Mevrouw Coenradie had een vraag over de onafhankelijke doorlichting van de jeugdbeschermingsketen. Ze vroeg of ik bereid ben om een onafhankelijke risicoanalyse te laten uitvoeren. Ik vond het debatje dat u met mevrouw Westerveld had wel interessant om te zien, want ik voel eerlijk gezegd ook wel met mevrouw Westerveld mee. We willen eigenlijk natuurlijk dat ons systeem dat precies ook doet, namelijk zien waar de belangrijkste casussen liggen die we op korte termijn moeten oppakken, zonder dat we daar een soort onafhankelijk onderzoek voor nodig hebben. Volgens mij zijn we dus ook bezig om dat strakker in te regelen met elkaar. Dat is dat toekomstscenario, de hervormingsagenda in bredere zin, natuurlijk de Reikwijdtewet en alles wat we op dit moment doen om dat te keren. Ik denk dus dat zo'n onderzoek die structurele problemen uiteindelijk niet gaat oplossen, want daar zit waarom dit ontstaat; dat is waarom die casussen soms niet worden opgepakt. Dus hoewel ik heel goed begrijp wat u zegt, zou ik veel liever daar de energie op willen zetten dan dat we nu weer een onafhankelijk onderzoek gaan doen, want dan hebben we er straks misschien weer een boekje bij en misschien weer een heleboel casussen op tafel liggen, maar het systeem moet dat in zichzelf gaan doen. Dat moeten we nu vooral gaan organiseren met elkaar.
Mevrouw Westerveld vroeg wat nou precies het plan is met het toekomstscenario. Daar heb ik volgens mij net al iets over gezegd.
De heer Hamstra vraagt wat nu het perspectief is voor jeugdbescherming, hoe we daarnaartoe werken, hoe dat zichtbaar wordt in beleid en uitvoering en welke stappen we daarin zetten. Ook daar heb ik net iets over gezegd, denk ik, want dat doen we in dat toekomstscenario. Wat we daar precies mee gaan doen, zult u zien in de brief na 8 juli.
De heer Hamstra vroeg ook welke stappen er zijn gezet na kritiek in inspectierapporten. Er zijn een aantal belangrijke stappen gezet, denk ik. Zo is samen met gemeentes en de GI's 60 miljoen extra vrijgemaakt, waardoor werkdruk voor jeugdbeschermers met circa 25% is gedaald. Er is een succesvolle zij-instroomregeling om meer jeugdbeschermers op te leiden. Gemeenten zijn vanaf 1 januari aankomend jaar verplicht om regionaal samen te werken bij de inkoop van specialistische zorg. Dat moet uiteindelijk natuurlijk ook bijdragen aan een beter dekkend zorglandschap. De NZa heeft de taak gekregen om meer inzicht te geven in de beschikbaarheid van zorg. We hebben het ook al gehad over de 176 miljoen. Eigenlijk heb ik daar in mijn vorige blokje al het nodige over gezegd.
Mevrouw Westerveld en de heer Van Houwelingen — dat vond ik overigens een interessante combinatie — vroegen hoe het nou precies staat met de belofte om betere rechtsbescherming voor kinderen en ouders wettelijk te verankeren. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verwacht het wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming voor de zomer voor advies aan te bieden aan de Raad van State. Zodra het wetsvoorstel aan de Raad van State is aangeboden, wordt u daar ook over geïnformeerd.
De heer Hamstra vroeg wat ik ervan vind dat rechters soms besluiten om geen kinderbeschermingsmaatregel op te leggen omdat er geen jeugdbeschermer beschikbaar is. In zichzelf is het natuurlijk een heel pijnlijke constatering dat er soms geen jeugdbeschermer beschikbaar is, terwijl die bescherming wel nodig is. Tegelijkertijd is het ook aan de rechter om alle relevante informatie mee te wegen. Als de rechter concludeert dat het beter is om de hulp in een vrijwillig kader door te zetten in plaats van een jeugdbeschermingsmaatregel op te leggen die mogelijk niet direct kan worden uitgevoerd, is dat natuurlijk aan de rechter. Ik trek nauw op met mijn collega van Justitie, die samen met de gemeenten de capaciteitsproblemen bij de jeugdbescherming aanpakt. Dat ligt eigenlijk bij haar.
De heer Van Houwelingen vroeg naar gedwongen uithuisplaatsing. Volgens mij is het ook niet de eerste keer dat wij het daarover hebben, zelfs in de korte tijd dat ik hier nu zit. Niettemin erken ik echt ook wel de dilemma's die de heer Van Houwelingen schetst, want het inzetten van een kinderbeschermingsmaatregel is echt iets wat zorgvuldig moet plaatsvinden. Natuurlijk is de eerste plek van een kind bij zijn ouders. We willen uithuisplaatsingen dus ook zo veel mogelijk voorkomen. Gelukkig zien we ook dat die afnemen, dus dat is positief. Maar we moeten kinderen ook tijdig beschermen waar dat nodig is. Dat blijft altijd een dilemma, waarvoor wij vooral onze professionals aan de lat zetten. We hebben de op 1 april gestarte staatscommissie ook gevraagd om advies te geven over de vraag wanneer en onder welke voorwaarden de overheid mag en moet ingrijpen.
Nog twee vragen, voorzitter. De heer Van Houwelingen vroeg ook hoe we valse meldingen kunnen voorkomen. Volgens mij weet je pas dat een melding vals is als je dat door onderzoek ziet. Ik denk dus dat het heel moeilijk is om dit aan de voorkant te voorkomen. Ik vind het toch vooral heel belangrijk dat we elke melding serieus nemen en niet aan de voorkant al kijken of we denken dat die wel of niet vals is. Iedere melding moet in principe op waarde worden geschat.
Ten slotte gaf u aan dat u aanwezig wilt zijn bij een gesprek en dat u dat niet zou mogen. Dat is niet aan mij of de staatssecretaris. Het is aan een gecertificeerde instelling om te bepalen wie aanwezig mag zijn bij dit soort gesprekken. De GI weegt daarin altijd het belang van het kind.
De voorzitter:
Daarmee is de minister aan het einde van dit blokje gekomen. Ik dank de leden voor hun geduld. Mevrouw Van Meetelen, gaat uw gang.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het is natuurlijk wel lastig, want er zijn meerdere onderwerpen in één blokje, en dan heb ik er dadelijk maar drie. Dat vind ik wel weer ingewikkeld, maar goed.
Allereerst dank ik de minister voor de toezegging om kindermarteling te onderzoeken. Er is veel te vinden in kinderrechtenliteratuur. Er zijn verschillende kinderrechters en psychologen die zich, ook hier in Nederland, hierover hebben uitgesproken. In Engeland volgen ze al zoiets. Ter aanvulling, ook voor anderen, zeg ik nog even het volgende. Het is niet de bedoeling dat je juist weer meer bureaucratie of papierwerk gaat optuigen. Het is bewustzijn, bij al die organisaties, zodat ze sneller gaan reageren. Dat is één. Dank daarvoor.
Het tweede is de spoedroute, want die ligt eigenlijk in het verlengde daarvan. Ook die hebben ze in Engeland daaraan gekoppeld. Als je die signalen binnen hebt, wordt er sneller op ingezet. Het klopt natuurlijk wat u zegt: Veilig Thuis zou in 24 uur kunnen reageren. Maar we zien dat dit niet gebeurt. We zien dus ook dat het te lang gaat duren. Ik vraag dus nogmaals of u daar ook naar zou willen kijken. Ook hoor ik graag wat de consequenties zijn — we hebben dit in Stadskanaal gezien — als Veilig Thuis het laat afweten en het te lang duurt.
De voorzitter:
Ik complimenteer mevrouw Van Meetelen met haar creativiteit. Dit waren vier vragen in een, denk ik. De minister.
Minister Sterk:
Ik heb geen vier vragen gehoord. Volgens mij vroeg Van Meetelen om er vooral voor te zorgen dat de spoedroute snel wordt opgepakt. Daar werken we echt aan. Ik zie dat als een ondersteuning van wat wij proberen te doen. Zij zegt dat een casus als die in Stadskanaal consequenties moet hebben. Ik ben er nog niet aan toe om die conclusie te trekken. Nogmaals, er loopt onderzoek. Er is heel veel misgegaan, maar ik denk dat we eerst moeten kijken naar wat de feiten zijn en er pas dan een oordeel over moeten hebben. Niettemin, als u zegt dat er heel vaak niet binnen 24 uur wordt ingegrepen, moet ik dat met Veilig Thuis opnemen. Ik moet doorvragen om te horen of zij dat herkennen en wat daaraan gebeurt.
De voorzitter:
Bondig, mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Bondig. We hebben het hier in het vragenuurtje ook over gehad. Het blijkt dat Veilig Thuis in alle gevallen standaard te laat is. Ik zou dus heel graag aan de minister willen vragen of zij een terugkoppeling wil geven, via een brief of wat dan ook, over hoe het daarmee staat. Ik heb nog één andere vraag. Ik kijk heel aardig naar u, voorzitter, om te horen of dat nog kan. Ik heb een vraag over het toekomstscenario. Ik hoor iedereen er heel blij over zijn. Wij kijken daar als PVV toch anders naar. Er zijn lokale teams et cetera, maar wederom ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente. Dat houdt dus in dat de veiligheid van een kind weer per postcode bepaald is en afhankelijk van eventueel budget of beleid in zo'n gemeente. Ik kijk naar de minister. Wil ze daar niet toch gewoon landelijk de regie op nemen? Wij zijn voor decentralisatie, maar wil ze dan ten minste vaste landelijke normen bepalen en er harde regie vanuit de overheid op voeren?
Minister Sterk:
Ik wil toch een beetje terugduwen als u zegt dat Veilig Thuis in alle gevallen te laat is. Dat beeld deel ik niet. We hebben te maken met gevallen waarin het fout is gegaan. Daar moeten we absoluut van leren. Maar Veilig Thuis doet ook veel werk wel goed. Er zitten, nogmaals, medewerkers die een heel ingewikkelde opgave hebben en dat heel vaak gelukkig wel goed doen. Misschien bedoelde u dat ook niet te zeggen, maar ik zeg dit toch even voor de scherpte. Vervolgens zegt u dat het belangrijk is dat die lokale teams, die ook zo'n sterke positionering krijgen, duidelijke kaders krijgen voor wat er moet gebeuren en hoe die eruit moeten zien, zodat niet elke gemeente dat zelf mag gaan bedenken. Daar hebben we een convenant voor afgesloten, Stevige lokale teams. Daarin hebben we met elkaar afgesproken wat ze moeten gaan doen, juist omdat we, net als u, willen dat er een soort landelijke lijn ligt over wat die teams moeten gaan doen. Daar werken we dus inderdaad aan.
De voorzitter:
Superkort, mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Superkort. Nee, ik bedoelde dat inderdaad niet over Veilig Thuis, maar we hebben wel gezien dat ze structureel vaak te laat zijn, dus niet altijd, maar wel vaak. Dan vraag ik toch nog een keer aan de minister om met hen in gesprek te gaan en ons daar een terugkoppeling van te geven.
Minister Sterk:
Dat wil ik toezeggen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
De minister refereerde even hiervoor aan een debatje met onder anderen mevrouw Westerveld over een motie die ik ga indienen. Ik heb de motie enigszins aangepast. Die ligt nu bij iedereen hier in de Kamer en inmiddels ook bij de minister achter de schermen. Uit de toelichting die ik gaf naar aanleiding van de vragen is gebleken dat die vooral gericht is op het doorakkeren, doorlichten van individuele casussen om te zien waar de alarmsignalen zitten. We zagen net een minister die werd gebeld door een zoon die heel erg blij is. Ze gaat waarschijnlijk met heel veel blijdschap naar huis. Mijn vraag is wat de minister zegt tegen al die kinderen die nu in angst op school zitten en met heel veel angst naar huis toe gaan. Wat zegt de minister tegen deze kinderen?
Minister Sterk:
Laten we niet de indruk wekken dat wij het er niet over eens zijn dat ieder kind dat naar huis moet en zich daar zorgen over maakt, omdat het gewoon niet oké is thuis, gewoon onze hulp verdient. Maar het probleem is natuurlijk vaak dat dit soort dingen zich achter de voordeur afspelen en dat het voor kinderen vaak heel ingewikkeld is om daar naar buiten toe überhaupt iets over te durven zeggen. Vaak weten kinderen helemaal niet beter. Die denken dat het overal zo is. Daarom is het zo belangrijk dat ook mevrouw Synhaeve zegt dat we, als een kind iets meldt, dat serieus moeten nemen. Zij vroeg zich af of we dat wel voldoende doen. Dat is de achterliggende vraag van het wetsvoorstel. Volgens mij vindt u dat ook. Maar dat is nog iets anders. In dit land hebben we het nu eenmaal zo geregeld dat, als er meldingen zijn, die moeten worden opgepakt. We zien dat dat niet altijd goed gaat en daar werken we op een structurele manier aan.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik val misschien een beetje in herhaling, maar wat zeggen we nu tegen de kinderen die op dit moment denken: "ik heb een melding gemaakt, ik heb hulp gezocht"? Dat hebben we gezien bij het Vlaardingse pleegmeisje, Stadskanaal und so weiter. Wat zeggen we tegen die kinderen die wel melding hebben gemaakt en die in allerlei systemen en zaken voorkomen, maar waarbij niet gehandeld wordt? En dan kunnen we verwijzen naar brieven en toekomstscenario's en whatever hier bedacht wordt, maar wat zeggen we tegen die kinderen? Wat gaan wij dan concreet doen? Dat is precies de essentie van waar de pijn ligt: wat gaan wij doen? En dan wil ik geen brieven of onderzoeken. Dat is helemaal niet waar ik om vraag. Het doorakkeren van al die signalen en risico's: dat zou ik zo ontzettend graag willen. Wat zou de minister daarin kunnen doen?
Minister Sterk:
Dat is ook het dagelijks werk van heel veel medewerkers in dit land, bij Veilig Thuis, bij de stevige lokale teams, bij de Raad voor de Kinderbescherming. Dat gaat soms ook mis. Het is onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat dat niet meer zomaar mis kan gaan, dat die partijen beter met elkaar samenwerken, dat die meldingen inderdaad serieus worden genomen waar dat niet is gebeurd, en dat we ervan leren. Dat is wat ik net aangaf en wat we met het toekomstscenario willen doen. We willen in bredere zin in het hele jeugdstelsel veel beter kijken wat er precies echt aan de hand is. Zoals u zei, krijgen veel kinderen helemaal niet de jeugdzorg die ze nodig hebben en hebben veel kinderen een hulpvraag die niet op een goede manier wordt geadresseerd. Dat moeten we ook gaan oplossen, zodat er ruimte en tijd is om de gevallen goed te beoordelen en op waarde te kunnen schatten.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik probeer echt iets voor elkaar te krijgen. Zou deze minister dan bereid zijn om tegen die betrokken instanties, waar deze minister verantwoordelijk voor is, te zeggen: "ik wil dat jullie alles doorlichten, alle casussen en alle alarmsignalen die bij ons bekend zijn, dat jullie dat opnieuw doen en wel zo snel mogelijk"? Kan de minister daarin iets toezeggen?
Minister Sterk:
Ik wil in ieder geval toezeggen dat ik in gesprek ga met de partijen hierover. Uw vraag snap ik. U wilt dat, als er echt meldingen zijn van kinderen die in gevaar zijn of met wie het thuis heel erg fout gaan, we daarmee aan de slag gaan en dat we daar actie op zetten. Dat is volgens mij wat u zegt. Ik wil daarover op 8 juli 2026 in gesprek gaan met de partijen, want dan spreek ik al die partijen over het toekomstscenario, om te kijken wat ze daarin kunnen betekenen. Daar zal ik u in de brief die ik stuur over informeren.
De voorzitter:
Ik heb even niet goed gezien wie er … De heer Van Houwelingen is ontzettend galant. De heer Van Groningen. Excuus, mevrouw Van Groningen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Nu wordt het wel heel erg bont, voorzitter. Dank voor de beantwoording van de minister. Ik hoor haar zeggen dat ze echt inzet op samenwerking. Het is ook goed dat we het convenant over stevige lokale teams hebben. Ik gaf in mijn bijdrage al aan dat wij ons zorgen maken dat er heel veel verschillen in de regio zijn. Dat gaf u ook aan. Wat kunnen we doen om dat meer te harmoniseren, zeker ook als we naar een instelling als Veilig Thuis kijken, die ongelofelijk belangrijk werk doet en die ook op het gebied van huiselijk geweld en femicide een belangrijke signaalfunctie heeft? Is dat iets waar u meer regie op kunt pakken, waar we meer op kunnen harmoniseren?
Minister Sterk:
Dat harmoniseren doen we in het toekomstscenario. Dat gaat over seksueel geweld en kinder- en huiselijk geweld. Dat zit in dat scenario. Ik zal u daarover melden zodra we dat naar buiten brengen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Dat vind ik erg fijn. Ik mag ook hopen dat we daarbij die stevige lokale teams betrekken. Hoe meer partners aansluiten, hoe belangrijker het is dat we die signalen tijdig oppakken. Als vervolgens inderdaad blijkt dat gegevens niet gedeeld worden, zou ik graag willen dat er ergens een noodsignaal geluid wordt. Ik zie u knikken. Is dat iets wat u daarin kunt meenemen?
De voorzitter:
Ik zie de minister knikken. De minister.
Minister Sterk:
Daar heb ik net ook al op geantwoord op een vraag van de heer Hamstra. We zijn aan het kijken hoe we die gegevensuitwisseling kunnen verbeteren. Mevrouw Coenradie is daar ook voorvechter van. En twee: bij dat toekomstscenario zitten ook stevige lokale teams als een van de partijen in de associatiewijkteams om dat in de keten goed op orde te krijgen.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Wilt u dat in ieder geval meenemen als u aan ons terugkoppelt? Dan hebben we het hele plaatje compleet.
Minister Sterk:
Ja.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank voor de beantwoording. Er zijn in dit blokje jeugdbescherming drie vragen niet beantwoord. Die ga ik kort en bondig nog een keer stellen. Als het om de jeugdbescherming gaat, had ik ook gevraagd of, voor zover de minister weet, de normen van de inspectie voor betekenisvolle contacturen op dit moment worden gehaald.
Minister Sterk:
Dat weet ik zo niet uit mijn hoofd. Het kan zijn dat de vraag hier nog ergens in een mapje zit. Anders wil ik daar graag in tweede termijn op terugkomen.
De voorzitter:
Dan blijven wij in spanning zitten. En anders wordt het de tweede termijn.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Helemaal prima. Met betrekking tot Veilig Thuis heb ik de vraag gesteld of het niet vreemd is dat er geen meldingen kunnen worden gedaan over gezinshuizen of pleeggezinnen. Althans, die worden niet in behandeling genomen. Meerdere mensen vinden dat heel onlogisch. Wat vindt de minister daarvan?
Minister Sterk:
Ook daar wil ik graag in de tweede termijn op terugkomen, tenzij die vraag hier nog in zit. Ik twijfel eerlijk gezegd of wat u zegt, klopt. Dat wil ik graag even checken bij mijn ambtenaren.
De voorzitter:
Drie keer is scheepsrecht, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Prima, dank u wel. We hebben dat zelfs gehoord bij het werkbezoek. Dat is daar door Jeugdbescherming Noord aan ons bevestigd.
Minister Sterk:
Ik was daar helaas niet bij.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat begrijp ik. Dan mijn laatste vraag. Zoals ik al gezegd heb, probeer ik al een paar maanden bij zo'n gesprek in het gedwongen kader te zitten, tussen ouders die dat natuurlijk willen en de jeugdbescherming. Ik had twee vragen. Ik begrijp wat de minister zegt, namelijk dat de jeugdbescherming daarover gaat. Dat is zo. Maar is dat juridisch gezien zo? Ik snap dat u daar wellicht geen antwoord op kan geven. Dan is mijn vraag of kan worden nagezocht of het juridisch überhaupt mogelijk is dat Kamerleden worden uitgezonderd. Dat staat in de brieven die rondgaan. Je kunt dus als ondersteuner mee, maar dat geldt dan niet voor Kamerleden. Dat vind ik de wereld op z'n kop. Dit is dus eigenlijk een juridische vraag. Mijn hoofdvraag, tot slot, is als volgt. Vindt de minister dat wenselijk? Wij hebben namelijk een controlerende taak. Als Kamerlid mag je bijvoorbeeld ook gevangenissen bezoeken. We kunnen onze controlerende taak blijkbaar niet uitvoeren, omdat de jeugdbescherming zegt: we willen jullie er niet bij hebben zitten. Dat is toch heel, heel vreemd?
Minister Sterk:
U overvraagt nu ook een beetje mijn verantwoordelijkheden. Dit zijn echt vragen die bij mijn collega liggen, de staatssecretaris van JenV. Die is helaas niet bij dit debat. Ik beloof dat ik daar schriftelijk op terugkom.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vroeg naar het wetstraject voor de Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Nu hoorde ik de minister volgens mij zeggen dat het voorstel voor de zomer in consultatie gaat. Dat is fijn, maar ik heb een brief van januari dit jaar waarin staat dat het voorstel begin 2026 in consultatie zal gaan. Ik bedoel dat dit nog een keer laat zien dat alles wat wij in brieven krijgen toegestuurd dan toch weer vertraging oploopt. Dat wilde ik hier toch even genoemd hebben.
Minister Sterk:
Daar heb ik niet zo heel veel aan toe te voegen. Zo gaan dat soort dingen soms. Volgens mij wil het Kamerlid vooral haar punt maken.
De voorzitter:
Gaat u verder met het vierde blokje.
Minister Sterk:
Ja, ik ga naar het vierde blokje. Ik begin met een vraag van mevrouw Synhaeve over de uitvoering van het amendement rond de evc-fraude. Ik heb samen met mijn collega van Justitie en Veiligheid het amendement opgehoogd met 2 miljoen euro. Op dit moment wordt dat ook gebruikt om verder onderzoek te doen naar de dossiers van de professionals, en om te kijken of de certificaten die daarin zitten wel kloppen.
U vraagt ook naar de screening. Ik denk dat u daarover een zeer terecht punt maakt. Daarom ben ik bezig met een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders. Daar heb ik eerder deze week ook een brief over gestuurd. Een onderdeel daarvan is de integriteitstoets. Daarnaast gaan we een vog verplicht stellen bij aanvraag of relevante wijzigingen in bestuur of eigendom. Die gaat over eigenaren en bestuurders, maar ook over interne toezichthouders en leden van de dagelijkse leiding. Daarnaast kan de Wet Bibob worden toegepast bij de afhandeling van een vergunning. We proberen het dus aan de voorkant wat dicht te draaien voor mensen die verkeerde bedoelingen hebben.
Mevrouw Dobbe had een vraag over de kleinschalige woonvorm Heppie (t)Huis. Ik denk dat dat inderdaad een heel mooi voorbeeld is. Wat zij doen, sluit ook aan bij de doelstelling van de transformatie in de gesloten jeugdzorg. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het inkopen van die passende jeugdhulp, maar ik vind het ook belangrijk dat we de inkoop van specialistische jeugdhulp verbeteren. Dat doe ik onder meer met standaardisatie. Daarbij neem ik mee wat gevraagd wordt in de motie van de leden Dobbe en Westerveld. Ik zal onderzoeken of het nodig is om voor sommige zorgproducten beschikbaarheidsfinanciering in te stellen.
Dan de vraag van mevrouw Moinat: welk deel verdwijnt aan organisatiekosten en gaat niet naar de hulp aan het kind? Ik begrijp het verzoek van mevrouw Moinat. Dat sluit ook aan bij mijn wens en de toezegging aan de Kamer om het inzicht in het jeugdstelsel te verbeteren. Op dit moment loopt er een onderzoek naar de administratieve lasten bij jeugdhulpaanbieders. In het najaar zal ik de Kamer daarover informeren.
Dan komen we bij de vragen van mevrouw Dobbe rond Villa ExpertCare. U zegt: "Er zou geen locatie sluiten voordat alle kinderen een geschikte plek zouden hebben. Nu hebben kinderen geen plek. Hoe kijkt de minister daarnaar?" Gisteren heb ik volgens mij juist voorkomen dat de kinderen geen plek zouden krijgen. De belofte die het bestuur van VEC had gedaan en de afspraak die wij hadden gemaakt, is dat er geen huis zou sluiten als er geen passende voorziening was voor de kinderen die in dat huis zitten. Ik kreeg afgelopen vrijdag berichten, onder meer vanuit de cliëntenraad, dat dat niet het geval was terwijl er wel was gecommuniceerd dat ze dicht zouden gaan op 1 juli.
Naar aanleiding daarvan heb ik onmiddellijk een gesprek aangevraagd — ik heb ze gewoon op mijn kantoor gevraagd — om hen daarop aan te speken. Ik heb hen ook herinnerd aan de afspraak die wij hadden, namelijk dat er geen huis dichtgaat als er geen passende voorziening is gevonden. Ik heb ook gezegd dat ik zie dat het proces tot nu toe echt wel verbeterd is. Inmiddels is de helft van de kinderen bemiddeld. We hebben het Project Herberg, waarbij één team met de zorgaanbieders en de zorgverzekeraars kijkt naar de casuïstiek. Met elkaar is er hetzelfde beeld en wordt er hieraan gewerkt. Ik zag echter dat dat vertraging begon op te lopen. De groep kinderen waarmee we nu te maken hebben, is ook een complexere groep. Ik denk dat dat ook de reden is waarom ze nog geen plek hebben. Ik zag ook dat de communicatie en de verhouding tussen de cliëntenraad en het bestuur aan het verslechteren waren.
Daarom heb ik gezegd dat ik op de kortst mogelijke termijn een onafhankelijke intermediair wil hebben aangesteld. Ik hoop dat dat begin volgende week het geval is. Die zal kijken naar alle partijen en alle partijen aanspreken op hun rol. Dat geldt ook voor de NZa en de inspectie. Desnoods geldt dat ook voor VWS. In die zin moet de intermediair zo onafhankelijk zijn dat die ook de ruimte zou moeten voelen om mij als systeemverantwoordelijke daarop aan te spreken.
Voorzitter. Ik denk dat ik daarmee een heleboel vragen van mevrouw Dobbe over Villa ExpertCare heb beantwoord. Dat was het.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde van dit blokje gekomen?
Minister Sterk:
Wat mij betreft wel, voorzitter.
De voorzitter:
De leden Dobbe en Westerveld zijn eruit: ik ga als eerste het woord geven aan mevrouw Dobbe. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel voor de beantwoording, ook in dit blokje. Mag ik de minister eraan herinneren dat de motie over de beschikbaarheidsfinanciering er al twee jaar ligt? Als de minister nu nog moet beginnen met onderzoeken, dan is zij wel een beetje laat. Maak daar haast mee, zou ik dus zeggen.
Volgens mij is er bij ExpertCare iets aan de hand waardoor wij weten dat het zo meteen alsnog misgaat. Ook een intermediair kan dit punt niet oplossen. Die kan niet afdwingen dat die locaties openblijven, die kan niet afdwingen dat het personeel blijft en die kan niet afdwingen dat het bestuur andere keuzes maakt.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Hoe ziet de minister dat de intermediair hierdoorheen gaat breken, zodat niet gaat gebeuren waarvan we allemaal wel weten dat het gaat gebeuren? Dat is namelijk dat het leegloopt, dat er geen overnamekandidaat gaat komen en dat de kinderen in de knel komen.
Minister Sterk:
De intermediair zal de partijen die hier allemaal een rol in hebben te spelen, gaan aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Het is overigens iemand die kennis heeft van de echt complexe casuïstiek. Die weet waar het over gaat en die weet wat daarin moet gebeuren. Het is dus niet iemand die gewoon eventjes over de schouder mee gaat kijken. Die gaat meekijken naar hoe we de zaak kunnen versnellen, maar ook hoe we de communicatie beter kunnen krijgen. Enerzijds constateer ik dat de verhouding tussen de cliëntenraad en het bestuur echt niet goed is. Ik zie ook dat de ouders te weinig worden betrokken bij dit traject. De intermediair moet erop toezien dat dat goed verloopt.
Dat is natuurlijk niet het enige wat ik heb gedaan, want ik heb ook de NZa erop aangesproken dat zij goed moeten kijken naar de continuïteit van de zorg en de rol die de zorgkantoren daarin hebben te spelen. Ook de inspectie heeft hierin natuurlijk een rol te spelen. Op dit moment zijn de signalen van de inspectie dat de zorgcontinuïteit nog niet onder druk staat en dat de kwaliteit en de veiligheid nog op orde zijn. Daarom denk ik dat zo'n intermediair precies de rol kan spelen die nu nodig is in dit proces. Ik heb ook begrepen dat de partijen blij zijn met deze intermediair. In die zin hoop ik dat dat het proces gaat helpen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Hoe kan het zijn dat de zorgcontinuïteit niet onder druk staat op het moment dat de plekken verdwijnen voor de kinderen en er geen nieuwe plek is? Dan staat de continuïteit toch onder druk?
Minister Sterk:
Als dat gebeurt, staat de continuïteit inderdaad onder druk. Dat is juist waarom ik dit heb gedaan. Ik heb gezegd dat ik vind dat die huizen niet dicht mogen. Want dat is wat er stond te gebeuren: er was gecommuniceerd dat per 1 juli de twee huizen dicht zouden gaan. Dan is natuurlijk de vraag: hoe zit dat dan met de continuïteit van de zorg? Ik stel vast — en daar zal de onafhankelijk intermediair ook naar gaan kijken — dat wij de indruk hebben dat die zorgcontinuïteit in ieder geval nog niet goed is geregeld. Ik hoor namelijk van ouders dat zij niet het idee hebben dat het een passende voorziening is voor hun kind. Zolang dat dus nog niet op orde is, kunnen de huizen ook nog niet dicht. Dat is ook wat er nu is afgesproken. De onafhankelijk intermediair gaat er de komende tijd op toezien dat dat goed gaat lopen, zowel in communicatie als in versnelling, alsook in de contacten tussen de cliëntenraad en het bestuur.
De voorzitter:
Kort en afrondend, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik hoop dat de minister gelijk heeft. Ik wil wel graag regelmatig hierover worden geïnformeerd. Als de minister niet ingrijpt, zie ik eigenlijk geen scenario waarin dit goed komt voor deze kinderen en gezinnen. Volgens mij zit daar ook een kern van het probleem. Ik las namelijk in de brieven en zag in de zoektocht van deze minister dat de bevoegdheden ontbreken, dat een wettelijke grond ontbreekt om in te grijpen op het moment dat de continuïteit van zorg door besluiten van de zorgaanbieder — in dit geval een commerciële multinational — onder druk staat.
De voorzitter:
En uw vraag, mevrouw Dobbe?
Mevrouw Dobbe (SP):
Welke bevoegdheden moeten er komen om dit in de toekomst te voorkomen? Als de Inspectie die niet heeft, als de minister die niet heeft, dan moeten we de wet maar aanpassen. Dan moeten we zorgen dat die bevoegdheden er wel komen. Welke bevoegdheden moeten er komen om te zorgen dat we het in de toekomst niet meer gaan meemaken dat de minister niet kan ingrijpen?
Minister Sterk:
In reactie op wat Kamerlid Dobbe zegt, ligt mijn prioriteit nu vooraleerst in de eerste, de tweede en de derde plaats bij het zorgen dat er een goede plek komt voor deze kinderen. Dat is waarop ik nu acteer. Tegelijkertijd vind ik het inderdaad ook belangrijk om van iedere casuïstiek te leren. Ik heb u dit in een eerder debat ook toegezegd: ik vind dat we moeten gaan kijken wat we hiervan kunnen leren, wat er anders moet en of we instrumenten in handen hebben die maken dat we hier tot een oplossing kunnen komen. Ik ben stelselverantwoordelijke en vanuit die verantwoordelijkheid stuur ik hierin nu ook. Maar de vraag "wat gaan we nu anders doen zodat dit niet meer kan gebeuren" is wat mij betreft pas aan de orde als we dit tot een goed einde hebben gebracht. Dan moeten we inderdaad ook kijken wat we hiervan kunnen leren en of we hiervoor voldoende in handen hebben.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind het heel goed dat de minister de directie van ExpertCare bij zich heeft geroepen. Ik vind het ook jammer dat het nodig is, want de wensen van zowel de minister als de Tweede Kamer, als eigenlijk alle andere betrokkenen, zijn duidelijk. Door de beloften die zijn gedaan en de afspraken die zijn gemaakt, is het vertrouwen van de ouders weer gekrenkt, en van de minister misschien ook. Mijn vraag gaat over de intermediair. Hij sluit aan op mevrouw Dobbe, want voor zover ik begrijp heeft zo'n intermediair geen bestuursdwang. Dat zou misschien wel nodig kunnen zijn. Heeft de minister ook daaraan gedacht voor het moment dat het nodig is? Als ik kijk hoe er nu met afspraken wordt omgegaan, ben ik daar een beetje bang voor.
Minister Sterk:
Ik begrijp de zorg heel goed, namelijk of er niet meer nodig is en of we dan iets kunnen doen. Als het nodig is, kunnen we inderdaad meer doen. Dat kan ik niet doen, maar dat kan de IGJ wel doen. Die heeft de mogelijkheid om bestuursdwang op te leggen. De IGJ ziet alleen op dit moment nog geen reden om handhavend op te treden, maar we hebben in het stelsel dat we hebben dus wel de mogelijkheid om dat te doen. De calculatie van de Inspectie is dat het op dit moment nog niet het goede instrument is.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Als het dan wel nodig is, kan de IGJ dan ook direct handelen? Ik begrijp dat er natuurlijk ook termijnen zijn gekoppeld aan een verzoek bij de IGJ en de antwoorden die komen, maar het zou zomaar kunnen dat het wel … Ik kijk nu namelijk nergens meer van op in dit dossier. De minister heeft zich er al persoonlijk mee bemoeid, dat gaat al vrij ver, dat zou een minister eigenlijk niet moeten doen als het stelsel optimaal zou werken. Maar kan de IGJ dan ook direct handelen als dat nodig is?
Minister Sterk:
Als op een gegeven moment de continuïteit van de zorg echt in gevaar komt, dan moeten er noodscenario's gaan lopen en die liggen klaar. We willen dat alleen natuurlijk zo lang mogelijk uitstellen, want we willen vooral dat de zorgaanbieder voldoet aan de verplichtingen die hij is aangegaan toen hij is gestart met dit type zorg. Dat geldt overigens ook voor de zorgkantoren, want ook zij hebben daar een verantwoordelijkheid in. Daarom hebben we ze ook samen gezet. Daar gaat de intermediair op toezien. De Inspectie kijkt toe of het nog steeds veilig gaat en of de kwaliteit nog steeds voldoende is om de goede zorg te kunnen bieden. Als dat niet zo is, kunnen we inderdaad nog andere stappen gaan zetten.
De voorzitter:
Dan is de minister volgens mij toegekomen aan het laatste blokje. Ik verzoek haar de vragen in dat blokje bondig te beantwoorden.
Minister Sterk:
Ik ga mijn uiterste best doen, voorzitter, want het is best nog wel een pakketje. Sommige van de vragen hebben we echter al besproken, denk ik.
Ik begin met een vraag van mevrouw Dobbe. Zij zegt: "Het stelsel wordt alleen maar duurder, maar bent u het niet met mij eens dat er eerst verbeteringen moeten zijn voordat er bezuinigd kan worden?" Wat mij betreft gaat dat hand in hand. Het stelsel moet niet alleen kwalitatief beter worden, maar ook houdbaar. We zien dat de uitgavenstijging alsmaar doorgaat. Dat moeten we gaan ombuigen. Tegelijkertijd kost het ook tijd om de maatregelen die zijn afgesproken in de hervormingsagenda tot uitvoer te brengen.
Op dit moment, zeg ik tegen de Kamer, gaat er nog steeds meer geld naar de jeugdzorg dan in het verleden. Er is extra geld bij gekomen, 3,7 miljard, om naar aanleiding van het eerste beeld van de commissie-Van Ark met elkaar te werken aan de uitvoering van de hervormingsagenda en de tijdelijke extra inzet. Wij zijn nu bezig — daar ben ik echt heel hard mee aan het werk — met de VNG en de jeugdzorgaanbieders. Overigens heb ik daar dadelijk een overleg over, dus ik hoop dat wij hier op tijd klaar zijn. Wij willen ook stappen gaan zetten, zodat wij, als wij straks opnieuw voor de commissie moeten verschijnen, kunnen laten zien dat we echt ons huiswerk hebben gedaan.
Natuurlijk, dat hebben wij eerder ook gezegd, zal het oordeel van de commissie zwaarwegend en maatgevend zijn. Dat zou kunnen betekenen dat we weer een nieuwe afweging moeten maken voor middelen, maar wel in die volgordelijkheid. We hebben extra geld gegeven. Volgend voorjaar, ik meen in januari of februari, komt de commissie-Van Ark weer met een oordeel en dan hebben wij daar een gesprek over. Dit ook in reactie op wat de heer El Abassi en de heer Ceder aan mij vroegen.
Mevrouw Coenradie vroeg of wij ook kijken naar de financiële prikkels binnen het stelsel. Dat is inderdaad iets wat ik wil afbakenen in de reikwijdtewet.
Mevrouw Van Groningen had een vraag over de AMvB. Daar zit ik echt naar te kijken. Overigens denk ik — dat is toch een winstwaarschuwing — dat wij niet alles kunnen oplossen met alleen de reikwijdtewet. Die wet ligt er namelijk al en daar moeten we ook mee door, omdat we al een aantal dingen willen regelen. Er is, denk ik, een breder traject nodig. Dat is het gesprek dat ik nu voer met de VNG en de jeugdzorgaanbieders. Wij kijken wat we nog meer kunnen doen om op de langere termijn het stelsel houdbaar te krijgen en de goede financiële prikkels te hebben, maar ook om de goede selectie aan de poort te krijgen, zodat we alleen de jongeren in de zorg krijgen die daar ook echt horen. In de andere gevallen kunnen we dan vooral kijken naar de gezinssituatie, zoals de heer Stoffer zei. Eigenlijk begint het met het goed in beeld krijgen van de gezinssituatie.
Het wetsvoorstel Wet reikwijdte Jeugdwet komt na verwerking van het advies — het is ook afhankelijk van de advisering van de Raad van State — hopelijk begin 2027 naar de Kamer.
Ik heb eigenlijk al iets gezegd over de AMvB. Daarin ga ik niet aangeven wat wél jeugdhulp is, maar vooral wat geen jeugdhulp is. We draaien het dus eigenlijk om. Die AMvB is nu in ontwikkeling.
De heer Ceder, de heer Stoffer en ook mevrouw Van Groningen zeiden dat het gezin heel belangrijk is. Ik denk dat dit ook de beweging is die we juist in de jeugdzorg maken naar de voorkant. Als een kind problemen heeft, is er vaak veel meer aan de hand. Vaak heeft dat meer met de ouders te maken dan met het kind zelf. Het is dus heel belangrijk dat je in het begin eerst het gezin goed in beeld brengt, maar ook de omgeving rond het gezin. Wat kan de omgeving betekenen? Waar schotten in de weg zitten om dat te kunnen doen, moeten we daarmee aan de slag. Zo onderzoeken we bijvoorbeeld hoe de consultatiefunctie ggz ook voor de jeugdzorgsector kan worden verbeterd, zodat vanuit de jeugdzorg ook aan de ggz hulp kan worden gevraagd om de gezinsgerichte aanpak beter te borgen in de keten van mentale gezondheid. Een apart plan van aanpak hiervoor heeft volgens mij geen toegevoegde waarde, omdat dat eigenlijk al het plan van aanpak is waar we mee bezig zijn, om gezinnen veel meer aan het begin in beeld te brengen.
Meneer Stoffer vroeg of in het wetsvoorstel Wet reikwijdte Jeugdwet ook kan worden opgenomen dat gewone opvoedings- en gezinsvragen onnodig zijn binnen specialistische zorgtrajecten. Dat is exact een van de doelen van het wetsvoorstel: zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig.
De heer Stoffer vroeg ook of ik bereid ben om informele steun te positioneren in het wetsvoorstel Wet reikwijdte Jeugdwet. Dat is inderdaad wat ik beoog. In het convenant Stevige Lokale Teams is ook benadrukt dat lokale teams gebruikmaken van onder andere informele netwerken en steunfiguren.
De heer Stoffer had ook een vraag over preventieve gezins- en relatieondersteuning. Dit voorjaar heb ik samen met de staatssecretaris van JenV regionale sessies georganiseerd over de aanpak van scheidingsvraagstukken. Gemeenten doen ook al best wel heel veel om vanuit hun verantwoordelijkheid ouders met jonge kinderen te helpen. De jeugdgezondheidszorg vervult daarin een hele belangrijke rol. Ik blijf die effectieve ondersteuning ook stimuleren in de hervormingsagenda en in Kansrijke Start.
De heer Ceder vraagt naar het domeinoverstijgende werken en de gezinszorg. Ik werk met de VNG aan een aanpak voor gezinnen in een kwetsbare positie. Daarmee wordt gewerkt aan verbeteringen in preventief en integraal werken bij gemeenten vanuit het perspectief van het gezin. Daarbij gaan we middels praktijklabs, praktijklaboratoria, samen met circa zes tot acht gemeenten, gezamenlijk leren en lokaal aan de slag om belemmerende patronen te doorbreken en een verandering te realiseren. Ik informeer u hier verder over in de Voortgangsbrief Jeugd, die u nog voor de zomer ontvangt.
Mevrouw Van Groningen had een vraag over de wachttijden. Zie ik kansen voor innovatie en digitalisering van intake en diagnostiek? De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg pakt knelpunten bij de contractering van specialistische jeugdzorg aan om jongeren met complexe problematiek sneller passende zorg te bieden. Dit draagt ook bij aan de aanpak van wachttijden. En daarnaast moeten gemeenten in hun regiovisie ook ingaan op de aanpak van wachttijden. Daarnaast moeten de afspraken in de hervormingsagenda natuurlijk ook gaan bijdragen aan juist het wegwerken van de wachtlijsten en de wachttijden.
Mevrouw Moinat had nog een vraag over de overgang van jeugdzorg naar volwassenheid. Hoe wordt dat ondersteund? Ik denk dat het heel belangrijk is dat jongeren tijdig worden voorbereid. Je ziet dat dat nog weleens misgaat. Pas als een jongere 18 wordt, wordt er gekeken wat die jongere eigenlijk nodig heeft, terwijl is afgesproken dat jongeren van 16 tot 23 jaar aanspraak mogen blijven houden op die jeugdzorg. Dat is dus de mogelijkheid die we hebben.
In de hervormingsagenda en het convenant Stevige Lokale Teams hebben gemeenten en jeugdhulpaanbieders zich ook gecommitteerd om tijdig met jongeren aan de slag te gaan met een toekomstplan. Dat is dus wat er moet worden gemaakt. Ze moeten verder ook zorgen voor een warme overdracht. Ik weet ook dat dat niet overal goed gaat en het is dan ook wel iets wat ik bespreek met gemeentes.
De heer Ceder had een heel mooi verhaal over positief vaderschap. Ontzettend belangrijk! Maar we weten ook uit onderzoek dat de rol van vaders enorm belangrijk is. Ik vraag me daarom af of aanvullend onderzoek wel zo heel veel meerwaarde heeft. Volgens mij is het veel belangrijker dat we ermee gaan werken en dat die bestaande kennis dus in de praktijk wordt geïmplementeerd. Dat doen we via Kansrijke Start. Het is vooral zaak dat in de praktijk jeugdzorg en jeugdhulpverlening een diverse samenstelling hebben en dat positieve mannelijke rolmodellen hier ook een plek in krijgen. In het jongerenwerk is bijvoorbeeld juist veel aandacht voor mannelijke rolmodellen.
Voorzitter, dat was het laatste blokje.
De voorzitter:
Dan ga ik nu een veegronde doen. Ik herinner de leden er ook aan dat we een tweede termijn hebben. Mevrouw Moinat, gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik zal het kort houden. Ik hoor de minister iets zeggen over Stevige Lokale Teams. We hebben net de internetconsultatie van de reikwijdtewet doorgenomen. Daarin zien we dat veel organisaties echt vrezen dat de SLT's zullen leiden tot extra bureaucratie, lange wachttijden, meningsverschillen, discussies over budgetten et cetera, et cetera, et cetera. In mijn tijd dat ik in de gemeenteraad zat, heb ik brieven van het NIP gehad waarin wordt aangegeven dat psychologen aan de voorkant een plek moeten hebben. Het is namelijk essentieel dat zij aan de voorkant zitten om die kinderen zo snel mogelijk te kunnen zien en om te voorkomen dat die kinderen de zwaardere jeugdzorg in moeten.
De voorzitter:
En uw vraag.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Mijn vraag is: neemt u al die internetconsultaties mee in de gesprekken en uiteindelijk in het wetsvoorstel Wet reikwijdte Jeugdwet?
Minister Sterk:
Dat doe ik absoluut. Het ingewikkelde voor mij is wel dat die reacties elkaar ook tegenspreken. De partijen zijn het niet allemaal met elkaar eens en ik moet er dus uiteindelijk wel een keuze in maken. Daar kijk ik nu naar en als ik dat gedaan heb, zal ik 'm naar de Raad van State sturen. Ik zei verder net ook al dat de ggz goed gekoppeld moet zijn. Daarom is het belangrijk dat die consultatiefunctie van de ggz ook voor de jeugdzorg beschikbaar wordt gesteld.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het is inderdaad een veegronde, want ik heb een vraag die eigenlijk van een heel andere orde is. Daarstraks paste die vraag niet meer in het blokje en daarom fiets ik 'm er nu maar in. Mijn vraag ligt in het verlengde van het signaleren van kindermarteling, kindermishandeling, et cetera. Ik wilde de minister ook nog vragen — dat was ik daarstraks vergeten — of ze ook expliciet wil kijken naar situaties waarbij dierenmishandeling wordt vastgesteld. Geweld tegen dieren staat namelijk zelden op zichzelf en gaat echt heel vaak samen met huiselijk geweld of kindermishandeling. Dat wordt hier en daar al gedaan, maar niet landelijk. Ik wil dus aan de minister vragen of ze dat ook mee wil nemen. Ik doel er dan op dat landelijk uitgerold wordt dat dierenartsen, dierenpolitie of politie een melding sturen naar elkaar als ze dat soort dingen constateren: hoe gaat het eigenlijk met die kinderen of met dat gezin? Misschien kan ze mij toezeggen dat ze dat gaat doen.
Minister Sterk:
U heeft dit punt al eerder gemaakt. Ik vind het wel een interessant punt. Ik wil het in ieder geval meenemen. Ik zal aan u laten weten wat we daarmee kunnen.
De heer Stoffer (SGP):
Ik meende dat één vraag van mij nog niet beantwoord is. Ik vroeg aan de minister of het kabinet samen met gemeenten een meerjarige financieringsstrategie wil ontwikkelen voor preventieve relatieondersteuning. Ik denk dat ik het antwoord niet gehoord heb, maar misschien heb ik niet goed geluisterd. Dat laatste kan ook.
Minister Sterk:
Ik meen dat ik daar wel antwoord op heb gegeven. Ja. U had inderdaad een vraag over meerjarige financiering. Daarvan heb ik gezegd dat ik dit voorjaar regionale sessies heb georganiseerd, dus dat we dat volgens mij al doen en dat een meerjarige financieringsstrategie daar verder niet zo veel aan toevoegt, omdat dit al gebeurt. Maar ik heb het niet heel expliciet zo benoemd inderdaad.
De heer Stoffer (SGP):
Dan heb ik dat inderdaad wat anders opgevat. Wat wij van gemeenten en van organisaties daaromheen terugkrijgen, is dat er door kortlopende financiering vaak projecten zijn, waarna het weer stopt.
Minister Sterk:
Dan denk ik dat het aan gemeenten is om dat langjarig te regelen. Het is ook echt aan gemeenten om dit te organiseren.
De heer Stoffer (SGP):
Dat zijn we met elkaar eens, maar als het kabinet daar wat stimulerend in zou optreden, zou dat wellicht kunnen helpen. Ik vraag dus niet om het vanuit het kabinet te doen, maar om er aandacht aan te schenken.
Minister Sterk:
Dat laatste kan ik natuurlijk altijd doen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
De minister gaf in haar beantwoording aan dat zij in de AMvB gaat kijken wat géén jeugdhulp is. Is dit dan echt ook uw afwegingskader of heeft u een ander afwegingskader waardoor u bepaalt wat dan wel of geen jeugdhulp is?
Minister Sterk:
Een AMvB is best hoge regelgeving, dus ik denk dat het heel belangrijk is dat we het daar goed in opschrijven. Dat wordt inderdaad een belangrijk afwegingskader om in ieder geval duidelijker te maken wat licht is en wat zwaar is. Maar ik gaf net ook al aan dat er denk ik nog wel meer nodig is dan alleen zo'n AMvB en misschien zelfs ook wel meer dan alleen de reikwijdtewet. We moeten nu dus de reikwijdtewet zo goed mogelijk gaan inrichten, zodat we ook echt ondersteuning kunnen bieden aan gemeenten en andere partijen om te zorgen dat we die groei laten aflopen en dat het stelsel verandert, maar er is meer nodig. Dit is wel een van de manieren om dat te doen, maar het is niet de enige manier, denk ik.
De voorzitter:
Ik ga de leden een beetje opjagen. Heel kort en bondig. Dat geldt vooral voor de heer Ceder zo meteen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Ik zal het zeker kort houden. Waar het ons om gaat, is dat we echt die keuzes gaan maken. Jeugdzorg Nederland zegt ook: we moeten versterken en beperken. Dat ben ik met hen eens. Ik zou het, zeker omdat de wet helaas nog even op zich laat wachten, fijn vinden om die exercitie toch met elkaar te gaan doen, omdat we ook dit debat met elkaar moeten voeren: wat is nou jeugdzorg en wat niet? Dit staat los van dat het in de wet komt.
Minister Sterk:
Ik hoop toch al wel dit najaar, of in ieder geval uiterlijk volgend voorjaar, keuzes te gaan maken hierover. Ik moet dit najaar die keuzes al gaan maken. In die zin loopt dat gesprek ook, denk ik. Ik weet niet of ik daar nog zo veel op kan versnellen. Dit is precies waar het over gaat als het gaat over de jeugdzorg en het toekomstperspectief: hoe kunnen we nou zorgen dat wat hulp is ook echt hulp blijft en wie zorg nodig heeft ook echt die zorg krijgt?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Op mijn vraag over gezinshulp gaf de minister aan dat er vijf of zes gemeenten aan de slag zouden gaan en dat ze hierover met een terugkoppeling zou komen. Ik ben benieuwd wanneer die terugkoppeling er komt en of ik dat ook als toezegging kan noteren, omdat ik de uitkomsten heel belangrijk vind voor het verdere traject en voor mogelijk ook de landelijke uitrol.
Minister Sterk:
Volgens mij heb ik gezegd dat ik u daarover informeer in de Voortgangsbrief Jeugd, die u nog vóór de zomer krijgt. Dat is best snel, volgens mij.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, zeker. Dat zou ik graag als toezegging willen noteren, als dat kan. Mijn tweede vraag gaat over de andere gemeenten. Kunt u ten minste iets zeggen over de lokale experimenteerruimte die gemeenten hebben als het gaat bijvoorbeeld over ontschotten, onderwijsgelden, zorggelden en jeugdzorggelden, daar waar het aan de voorkant gewoon sneller geregeld kan worden? Ik merk dat gemeenten worstelen met wat ze wel of niet mogen doen. Eén aanpak met één voorkant en achteraf regelen waar het van betaald wordt, is voor het kind zelf veel makkelijker. Ik hoop dat de minister mij volgt en dat zij iets kan zeggen over de reikwijdte van die experimenteerruimte die gemeenten hebben.
Minister Sterk:
Die vraag heeft u in uw eerste termijn volgens mij niet op deze manier gesteld, dus daar ben ik niet helemaal op voorbereid. Ik weet dat we onlangs rondom passend onderwijs een gesprek hebben gehad over ZiO, omdat daar volgens mij heel erg speelt dat je kinderen hebt die ook zorg nodig hebben en dat dat eigenlijk verschillende domeinen zijn. We proberen dat met ZiO in ieder geval nu … In de reikwijdtewet zit inderdaad een aantal zaken, namelijk dat er verplicht overleg moet zijn en dat men geschillen met elkaar moet uitspreken als die er zijn. Volgens mij hebben we daarover in de reikwijdtewet een aantal zaken opgenomen, maar dat is nog iets anders dan zomaar alle middelen van de domeinen bij elkaar zetten. Dat is ons gewoon niet gelukt. Dat heb ik in dat debat ook gezegd.
De voorzitter:
Wij gaan door naar de tweede termijn. Daarvoor ga ik mevrouw Moinat uitnodigen. Ik dank de minister voor de beantwoording vanuit het kabinet in de eerste termijn. Ik vraag de leden met mij tempo te maken. Gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Wat moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderen nog steeds ernstig beschadigd worden doordat medewerkers, behandelaars, leidinggevenden en bestuurders binnen de jeugdzorg hun plichten verzaken terwijl signalen van onveiligheid bekend zijn;
overwegende dat onderzoeken en rapporten geen kinderen beschermen en dat na jaren van analyseren de tijd van handelen is aangebroken;
overwegende dat het opleggen van zware strafrechtelijke sancties een krachtig signaal afgeeft dat het beschadigen van kinderen nooit zonder gevolgen mag blijven en dat een dergelijk krachtig signaal thans ontbreekt;
verzoekt de regering actief te bevorderen dat zowel jeugdzorginstellingen als medewerkers, behandelaars, leidinggevenden en bestuurders die kinderen door handelen of nalaten te handelen schade berokkenen, strafrechtelijk worden vervolgd en waar mogelijk de zwaarst passende strafrechtelijke sancties tegemoet kunnen zien,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat, Schilder en Coenradie.
Zij krijgt nr. 1152 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ondersteuning voor jongeren na hun 18de verjaardag regelmatig wegvalt terwijl hulp nog nodig is;
overwegende dat continuïteit van ondersteuning van belang is voor een succesvolle overgang naar zelfstandigheid;
verzoekt de regering te bevorderen dat voor jongeren die uitstromen uit de jeugdhulp tijdig een toekomstplan wordt opgesteld, inclusief afspraken over passende huisvesting, onderwijs of werk en noodzakelijke begeleiding, en zich ervoor in te spannen dat benodigde ondersteuning niet wegvalt zolang deze aantoonbaar noodzakelijk is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat en Coenradie.
Zij krijgt nr. 1153 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in ernstige zaken van kindermishandeling meerdere instanties signalen van onveiligheid ontvingen;
overwegende dat daarbij niet altijd duidelijk is wie verantwoordelijk is voor de regie en opvolging;
verzoekt de regering te bevorderen dat bij ernstige signalen van kindermishandeling, huiselijk geweld of andere acute onveiligheid één eindverantwoordelijke professional wordt aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie van het veiligheidsplan, de opvolging van signalen en de afstemming tussen betrokken instanties,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat en Coenradie.
Zij krijgt nr. 1154 (31839).
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik wacht het onderzoek van de minister naar de kosten in dit najaar af. Ik dien hier geen motie over in, maar ik houd 'm wel aan.
De voorzitter:
U krijgt bijna een lintje voor snellezen, maar u krijgt ook nog een vraag. Eén vraag, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik heb een vraag over uw eerste motie. Begrijp ik nou goed uit de motie dat de regering moet bevorderen dat mensen strafrechtelijk worden vervolgd? Mijn vraag is dan de volgende, want ik wil natuurlijk ook dat mensen die misdrijven plegen, worden vervolgd. Is het aan de regering om mensen strafrechtelijk te vervolgen?
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dat is wat ik zojuist ook al heb gezegd aan de interruptiemicrofoon. Ik zou willen dat de bewindspersonen in gesprek gaat met het OM en daar de bevordering inzetten. Het OM kan ook vervolgen, dus niet alleen via een aangifte. Die bevordering zou ik graag willen hebben, omdat we nu zien dat het merendeel wegloopt. Dat wil ik voorkomen, samen met mijn collega Schilder. Vandaar de motie voor de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan luisteren naar mevrouw Synhaeve, die spreekt namens de fractie van D66. Gaat uw gang.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderopvangorganisaties pas mogen starten nadat zij zijn geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK), waarbij vooraf wordt getoetst of aan alle eisen wordt voldaan;
overwegende dat kwetsbare kinderen en jongeren in de jeugdzorg minstens dezelfde mate van bescherming verdienen als kinderen in de kinderopvang;
verzoekt de regering uit te werken hoe jeugdhulpaanbieders en hun medewerkers net zoals bij kinderopvanglocaties altijd vooraf gescreend kunnen worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Ceder, Westerveld en Coenradie.
Zij krijgt nr. 1155 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bestuurders en commissarissen van woningcorporaties vóór hun benoeming worden getoetst op onder andere betrouwbaarheid;
constaterende dat in de jeugdzorg geen vergelijkbare voorafgaande integriteitstoets geldt voor bestuurders van jeugdzorg- en jeugdhulpaanbieders;
overwegende dat bestuurders in de jeugdzorg verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit, veiligheid en continuïteit van zorg aan kwetsbare kinderen en jongeren;
verzoekt de regering om een wettelijke integriteitstoets voor bestuurders van jeugdzorg- en jeugdhulpaanbieders uit te werken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Ceder, Westerveld, Coenradie en Van Groningen.
Zij krijgt nr. 1156 (31839).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Dobbe, die spreekt namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er aan de Hervormingsagenda Jeugd bezuinigingen zijn gekoppeld die oplopen tot 570 miljoen in 2027 en zelfs 1,5 miljard vanaf 2028;
overwegende dat de commissie-Van Ark vorig jaar al aangaf er "er niet van overtuigd te zijn dat de Hervormingsagenda de beoogde besparingen op de jeugdhulp gaat realiseren";
verzoekt de regering om in kaart te brengen in hoeverre de Hervormingsagenda Jeugd tot nu toe de beoogde besparingen heeft opgeleverd en indien blijkt dat dit achterloopt op de planning, bij de augustusbesluitvorming de geplande bezuinigingsopgave op basis hiervan bij te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Westerveld.
Zij krijgt nr. 1157 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit het rapport Eenzaam gestorven bleek dat de jongeren die op ZIKOS-afdelingen zijn geplaatst onvoldoende worden gesteund;
overwegende dat uit dit rapport blijkt dat deze jongeren naast passende zorg en ondersteuning ook behoefte hebben aan een financiële tegemoetkoming of schadevergoeding, als vorm van erkenning;
verzoekt de regering om zo snel mogelijk, in samenspraak met de jongeren zelf, te zorgen voor financiële tegemoetkoming en/of een schadevergoeding voor jongeren die zijn geplaatst op de ZIKOS-afdelingen en de rest van de gesloten jeugdzorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Westerveld.
Zij krijgt nr. 1158 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat door de dreigende sluiting van de zorgvilla's van ExpertCare gezinnen de onmisbare zorg voor hun kinderen dreigen te verliezen, zonder alternatief;
overwegende dat deze situatie voornamelijk wordt veroorzaakt doordat een buitenlandse investeerder het commerciële belang consequent boven het belang van de zorg voor kinderen stelt;
verzoekt de regering om zo snel mogelijk in te grijpen bij ExpertCare, bijvoorbeeld via bestuursdwang, om zo te voorkomen dat een of meerdere van de zorgvilla's worden gesloten zolang er geen passend alternatief is, en hier niet mee te wachten tot de zorg daadwerkelijk in gevaar komt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Westerveld.
Zij krijgt nr. 1159 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het huidige handhavingskader voor zorgaanbieders voornamelijk gericht is op het tegengaan van zorg die op een verantwoorde manier wordt geleverd, maar niet op het tegengaan van het afbreken van onmisbare zorg;
verzoekt de regering om in kaart te brengen welke wetswijzigingen er nodig zijn om te kunnen ingrijpen bij zorgaanbieders wanneer zij essentiële zorg stopzetten zonder dat er een passend alternatief beschikbaar is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Westerveld.
Zij krijgt nr. 1160 (31839).
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Ook mevrouw Dobbe valt in de prijzen voor snellezen. We gaan luisteren naar mevrouw Westerveld, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dank aan de minister voor de antwoorden. Ik neem zelf op korte termijn contact op met de collega's die mee willen denken over hoe we als Kamer grip op het stelsel kunnen krijgen en beter kunnen sturen en of we kunnen aansluiten bij de Regeling Grote Projecten. Dat komt dus.
Ik heb ook twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat excuses, erkenning en herstel zijn toegezegd aan jongeren die schade hebben opgelopen binnen de gesloten jeugdzorg;
constaterende dat dit nog niet is gebeurd en twee jaar na uitkomst van het rapport Eenzaam gestorven het alleen maar slechter gaat met de meeste jongeren;
constaterende dat excuses enkel waarde hebben als in het hersteltraject de behoeften van jongeren centraal staan en dit kan variëren van psychosociale ondersteuning, toegang tot inkomensvoorzieningen zoals de Wajong, schuldhulpverlening, onderwijs, werk tot de inzet van een hulphond;
verzoekt de regering om bij de verdere uitwerking van het hersteltraject de wensen en behoeften van jongeren leidend te laten zijn, om zo recht te doen aan écht herstel voor zowel jongeren van ZIKOS-afdelingen als jongeren uit de bredere gesloten jeugdzorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Dobbe.
Zij krijgt nr. 1161 (31839).
Mevrouw Westerveld (PRO):
De tweede.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er al decennia te weinig gespecialiseerde hulp is voor kinderen en jongeren die complexe psychische problemen hebben of vastlopen op meerdere levensdomeinen;
constaterende dat met het amendement-Klaver/Westerveld in 2019 structureel 26 miljoen is vrijgemaakt voor dit doel, en het kabinet dit heeft geïnvesteerd in Bovenregionale Expertisenetwerken (BEN's);
overwegende dat deze BEN's voorzien in een relevante behoefte, maar het nog steeds ontbreekt aan adequate en passende hulp bij complexe psychische problemen en deze problemen alleen maar groter zijn geworden;
verzoekt de regering om samen met ervaringsdeskundige jongeren, relevante veldpartijen en deskundigen te werken aan concrete gespecialiseerde centra, waar ook kennis en expertise worden gebundeld en waar behandelopties zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Dobbe.
Zij krijgt nr. 1162 (31839).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Van Meetelen, die spreekt namens de fractie van de PVV.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij ernstige kindermishandeling vaak al eerder signalen bestaan van ondervoeding, verwondingen, opsluiting, schoolverzuim, uitputting of ziekenhuisopname;
overwegende dat bij zulke signalen geen weken of maanden verloren mogen gaan aan overleg, afwegingen en doorschuiven;
verzoekt de regering een landelijke spoedroute in te voeren waarbij er bij ernstige signalen van kindermishandeling onmiddellijk multidisciplinair wordt opgeschaald en er binnen 24 uur een veiligheidsbesluit wordt genomen over bescherming of uithuisplaatsing van het kind;
verzoekt de regering daarbij één eindverantwoordelijke instantie aan te wijzen die niet kan wegduiken achter ketenpartners,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 1163 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ernstige kindermishandeling opnieuw niet tijdig is voorkomen, gesignaleerd of gestopt;
constaterende dat het huidige stelsel van jeugdzorg en jeugdbescherming versnipperd, onoverzichtelijk en onvoldoende daadkrachtig is;
verzoekt de regering de jeugdbescherming uit het huidige versnipperde stelsel te halen en landelijk en eenduidig te organiseren, met heldere eindverantwoordelijkheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 1164 (31839).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik wil de minister nog even bedanken voor haar toezegging om te kijken naar de kindermarteling en kindermishandeling. Daar ben ik zeer blij mee.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer El Abassi, die spreekt namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit het rapport Eenzaam gestorven blijkt dat voormalige jongeren van de ZIKOS-afdelingen nog altijd kampen met ernstige psychische schade en dat nabestaanden aangeven onvoldoende erkenning, excuses en nazorg te hebben ontvangen;
overwegende dat de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor jongeren die onder haar verantwoordelijkheid in gesloten jeugdzorg verbleven;
verzoekt de regering om vóór het einde van 2026 te komen met een herstel- en ondersteuningsplan voor voormalige ZIKOS-jongeren en hun nabestaanden, inclusief passende nazorg, erkenning en onafhankelijke ondersteuning,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1165 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd onder voorzitterschap van Van Ark heeft geconcludeerd dat de ingeboekte besparingen op de jeugdzorg niet realistisch zijn;
overwegende dat wachtlijsten oplopen en de beschikbaarheid van passende hulp verder onder druk komt te staan;
verzoekt de regering de voorgenomen bezuinigingen op de jeugdzorg op te schorten totdat onafhankelijk is vastgesteld dat deze niet ten koste gaan van de beschikbaarheid en kwaliteit van zorg voor kinderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1166 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat inspecties, de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd en de Raad voor het Openbaar Bestuur wijzen op versnippering, gebrekkige samenwerking en onvoldoende regie binnen het jeugdzorgstelsel;
overwegende dat hierdoor kwetsbare kinderen uit beeld kunnen raken en signalen onvoldoende worden opgepakt;
verzoekt de regering te komen met voorstellen voor versterking van de landelijke regie en doorzettingsmacht binnen de jeugdbescherming, zodat in complexe situaties één partij eindverantwoordelijk is voor de veiligheid van het kind,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1167 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in meerdere ernstige zaken rondom kindermishandeling al vroeg signalen werden afgegeven door scholen, zorgverleners en andere professionals;
overwegende dat signalen van ernstige onveiligheid sneller, beter en eenduidiger moeten worden opgepakt om te voorkomen dat kinderen tussen wal en schip raken;
verzoekt de regering te onderzoeken waar de opvolging van signalen van scholen, zorgverleners en andere professionals tekortschiet en met concrete voorstellen te komen om de samenwerking, informatie-uitwisseling en opvolging van dergelijke signalen te verbeteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1168 (31839).
De heer El Abassi (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Coenradie, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat door veel misstanden in de jeugdbeschermingsketen de veiligheid van kinderen in het geding is;
overwegende dat signalen van onveiligheid in individuele zaken niet altijd tijdig worden herkend, opgevolgd of gedeeld;
overwegende dat juist in complexe en risicovolle dossiers inzicht nodig is in de wijze waarop signalen zijn beoordeeld, overgedragen en opgevolgd;
verzoekt de regering een daartoe geschikte partij aan te wijzen die risicovolle en complexe casussen binnen de jeugdbeschermingsketen dossiermatig doorlicht, met bijzondere aandacht voor gemiste signalen, informatie-uitwisseling, besluitvorming en opvolging van meldingen, en de Kamer te informeren over de bevindingen en verbetermaatregelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Moinat, Struijs en El Abassi.
Zij krijgt nr. 1169 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de afbouw van de gesloten jeugdzorg sneller gaat dan het opbouwen van alternatieven;
overwegende dat kinderen hierdoor geen passende hulp krijgen maar vaak ineffectieve en dure een-op-eenbegeleiding;
overwegende dat dit financieel onhoudbaar is en kinderen met complexe problematiek niet geholpen worden;
verzoekt de regering te stoppen met de verdere afbouw van geslotenjeugdhulpplekken zolang er niet voldoende effectieve alternatieven beschikbaar zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 1170 (31839).
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot één hele korte vraag.
Mevrouw Westerveld (PRO):
De tweede motie gaat over niet stoppen met gesloten jeugdzorg totdat er voldoende alternatieven zijn. Er is nu een traject ingezet om de gesloten jeugdzorg in 2030 afgebouwd te hebben. Vindt mevrouw Coenradie dat we daarvan zouden moeten afstappen?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik geloof heel erg in het stellen van doelen, maar in dit geval gaat het te snel, terwijl er geen alternatieven beschikbaar zijn. We zien dat gemeentes in de knel komen, waardoor er op een gegeven moment dus ook een-op-eensituaties ontstaan. Dat is gewoon echt onwenselijk. Het is financieel onwenselijk maar het is ook überhaupt onwenselijk, vandaar deze motie.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Hamstra, die spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank. Van ons geen moties, maar ik heb nog wel twee punten.
Eerst het punt dat we in de eerste termijn ook gemaakt hebben in het kader van gegevensdeling. We zijn blij dat er al stappen gezet worden vanuit het project Veiligheid Voorop 2023-2026 en dat er onderzoek wordt gedaan. We zien alleen wel dat dit in de praktijk nog onvoldoende uit de verf komt. We zijn dus heel erg benieuwd naar de brief van 8 juli en naar hoe het in de praktijk uitwerkt.
Ten tweede. In de kern gaat het om de vraag hoe houdbaar het stelsel is en hoe groot de druk is die op het stelsel ligt. Daar hebben we het vandaag ook over gehad. We kijken halsreikend uit naar de nieuwe Wet reikwijdte Jeugdwet. Door de vorige staatssecretaris is beloofd dat die voor de zomer naar de Kamer gestuurd zou worden. Dat werd najaar 2026 en nu wordt het voorjaar 2027. Ik wil de minister op het hart drukken dat de wet echt begin 2027 naar de Kamer moet komen. We kijken er namelijk met z'n allen naar uit, en deze wet zal ons en gemeenten ontzettend helpen om de druk op het stelsel te verminderen. Daar hopen wij dus op.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Stoffer komt al aangelopen. Dat waardeert deze voorzitter zeer. De heer Stoffer spreekt namens de fractie van de SGP. Ga uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Eén motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de consultatieversie van het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet het belang van een infrastructuur voor informele steun aan gezinnen wordt onderkend;
overwegende dat deze informele ondersteuning niet slechts een aanvulling op professionele hulp is, maar een belangrijke pijler vormt van een sterke sociale basis;
overwegende dat het familiegroepsplan bedoeld is om gezinnen en hun sociale netwerk in staat te stellen zelf regie te voeren over ondersteuning die nodig is;
verzoekt de regering om bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet te borgen dat informele ondersteuning een belangrijke pijler vormt van de sociale basis en dat gemeenten eerst de mogelijkheden van informele steun en het sociale netwerk in kaart brengen alvorens professionele hulp wordt ingezet;
verzoekt de regering tevens om de Jeugdwet zodanig vorm te geven dat het familiegroepsplan expliciet wordt gepositioneerd als een plan van het gezin en diens sociale netwerk en niet van de hulpverlening, zodat de regie in beginsel bij de familie zelf ligt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stoffer.
Zij krijgt nr. 1171 (31839).
De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ceder, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Ga uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Dit was, denk ik, een groot debat. Er zijn veel moties ingediend en een aantal heb ik medeondertekend. Ik sla even aan op het laatste punt, waar ik twee moties over heb. Dat is het punt over positieve mannelijke rolmodellen. Dit ook vanwege de urgentie, de actualiteit rondom het thema "manosfeer". Vandaar de twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jongeren via sociale media steeds vaker worden blootgesteld aan boodschappen vanuit de zogenoemde manosphere, waarin soms schadelijke opvattingen over mannelijkheid, relaties en maatschappelijke verhoudingen worden verspreid;
overwegende dat positieve mannelijke rolmodellen in hulpverlening kunnen bijdragen aan een gezonde identiteitsontwikkeling, weerbaarheid en het voorkomen van problematisch gedrag;
verzoekt de regering:
expliciet aandacht te besteden aan het versterken van positieve mannelijke rolmodellen voor jongeren;
samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties te bezien hoe bestaande initiatieven met buurtvaders, mentoren, coaches en andere positieve vaderrolmodellen kunnen worden ondersteund en opgeschaald;
te onderzoeken welke belemmeringen mannen ervaren om werkzaam te worden in pedagogische beroepen en de jeugdhulpverlening;
en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling 2027 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 1172 (31839).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat betrokken vaderschap een belangrijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van kinderen, de stabiliteit van gezinnen en het voorkomen van maatschappelijke problemen;
overwegende dat in Nederland nog relatief weinig structurele kennisontwikkeling en beleidsvorming plaatsvindt rondom de rol van vaders in de opvoeding en de gevolgen van vaderafwezigheid;
overwegende dat er verspreid over het land diverse waardevolle lokale initiatieven bestaan die zich richten op het versterken van betrokken vaderschap, maar dat kennis, ervaring en bewezen effectieve werkwijzen nog onvoldoende worden gedeeld en gebundeld;
verzoekt de regering:
te stimuleren dat meer structureel onderzoek wordt verricht naar de rol van positief vaderschap en de effecten van vaderafwezigheid op kinderen, gezinnen en de samenleving;
te bezien hoe de uitkomsten van dit onderzoek kunnen bijdragen aan effectiever preventief gezins- en jeugdbeleid;
in overleg te treden met lokale initiatieven rond vaderschap en relevante organisaties en kennisinstituten, en te verkennen hoe bestaande kennis, expertise en initiatieven rondom betrokken vaderschap landelijk toegankelijk gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van een landelijk platform,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 1173 (31839).
De voorzitter:
Dank u wel. Ook de heer Van Houwelingen staat al klaar en ook dat waardeer ik. De heer Van Houwelingen spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie. Ga uw gang.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat ook meldingen over pleeggezinnen en gezinshuizen in behandeling worden genomen door Veilig Thuis,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 1174 (31839).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik ben natuurlijk ook benieuwd naar de beantwoording, want we hebben daar nogal wat vragen over uitstaan.
De tweede motie, ten slotte.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat alle pleeggezinnen en gezinshuizen door de inspectie minstens één keer per jaar, bij voorkeur onaangekondigd, worden bezocht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 1175 (31839).
De heer Van Houwelingen (FVD):
En ik hoop dan niet dat we het antwoord krijgen "de inspectie is onafhankelijk", want we, de regering, kunnen wel degelijk aan inspecties iets opdragen. De minister heeft zojuist gezegd dat ze, wat de NZa betreft, ook een taak heeft om de beschikbaarheid van de jeugdzorg te inventariseren. Het zou dus moeten kunnen. Dat kost dan waarschijnlijk 15 fte. Nou, dat moet dan maar vrijgemaakt kunnen worden. Dat is het dik waard. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven tien minuten nodig te hebben voor de vaststelling van de appreciaties van de ingediende moties.
Ik schors voor tien minuten.
De vergadering wordt van 15.42 uur tot 15.52 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en jeugdhulpverlening. Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van het kabinet. Ik stel aan de leden voor dat ik één vraag per eigen ingediende motie toesta, met daarbij de kanttekening dat het niet hoeft. Daarmee geef ik nu het woord aan de minister. Gaat uw gang.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Ik ga de moties uiteraard per nummer langs.
De motie op stuk nr. 1152 ontraad ik, omdat dit aan het Openbaar Ministerie is en niet aan het Rijk.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1152 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1153: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1153 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1154 krijgt ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1154 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1155 krijgt ook oordeel Kamer. Ze hebben het inmiddels ook al zelf besloten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1155 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1156 krijgt ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1156 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1157 wordt ontraden. Zoals ik net al aangaf, wachten we op het tweede oordeel van de commissie-Van Ark. We zijn op dit moment met alle partijen ons huiswerk aan het doen en we hebben al extra middelen toegezegd naar aanleiding van het vorige oordeel van de commissie-Van Ark. Ik wil dus eigenlijk eerst afwachten wat nu het oordeel van de commissie-Van Ark is. Dan hebben we inderdaad een weging te maken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1157 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1158 wordt ook ontraden. Maar ik ga wel in overleg met jongeren om te bespreken wat nodig is in het kader van excuus en herstel.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1158 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1159 wordt ook ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1159 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1160 wordt ook ontraden. De gemeente kan namelijk al ingrijpen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1160 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1161: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1161 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1162 wordt ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1162 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1163: ook ontraden. Er zijn gewoon al routes voor de regio's om dit doen. Ik wil niet iets extra's gaan optuigen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1163 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1164: ook ontraden. We hebben namelijk het toekomstscenario. De weg is in ieder geval niet dat we gaan centraliseren, maar we gaan wel veel beter samenwerken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1164 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1165: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Eén moment. Eén korte vraag over de motie op stuk nr. 1164.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Eén korte vraag over de motie op stuk nr. 1163. Zo snel was ik niet, voorzitter.
De voorzitter:
Over de motie op stuk nr. 1163.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het klopt dat het hier en daar al zo is, maar niet overal. Dat is eigenlijk wat ik vraag. Ik vraag of het in heel Nederland gewoon uniform kan worden, met een spoedroute en snel handelen; hup, hup, hup!
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1163.
Minister Sterk:
Als dat is wat u bedoelt, kan ik zeggen dat we dat op dit moment wel uitwerken in het toekomstscenario. Maar u vraagt om iets extra's op te tuigen, en dat is niet wat ik wil. Wij werken daar in het toekomstscenario aan.
De voorzitter:
Hiermee blijft de appreciatie van de motie op stuk nr. 1163: ontraden. Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Bij de motie op stuk nr. 1162 zou ik de minister willen vragen om haar appreciatie toe te lichten. We weten dat er problemen zijn en we weten dat het aanbod aan hoogspecialistische hulp ontoereikend is, of je het nu hebt over jongeren met trauma's, psychoses, eetstoornissen of ga zo maar door. Dat horen we ook terug uit het veld. Waarom ontraadt de minister deze motie dan? Ik snap dat het even wat vraagt. Ik vraag ook niet om van vandaag op morgen meer behandelcentra te hebben, maar er is wel iets nodig.
Minister Sterk:
Dat is het risico als je moties heel snel behandelt. Dan kan de toelichting even ontbreken. Ik ontraad de motie om de volgende reden. Ik vind het wel belangrijk dat die passende ondersteuning in de directe leefomgeving van de jongeren wordt geboden. Juist bij de complexe doelgroep is er vaak niet één pasklare oplossing. Dit kan variëren van klinische hulp tot het zoeken naar een passende woonplek. Gespecialiseerde centra die zelf behandelen zijn hiervoor niet de oplossing. Daarnaast is bij de oprichting van de BEN's zorgvuldig met het veld overlegd. Het nadrukkelijke verzoek was om geen extra centra toe te voegen, maar juist te zorgen voor het organiseren van een netwerkstructuur, zodat er een betere verbinding ontstaat tussen de verschillende partijen. Tot slot wil ik ook nog meegeven dat hiermee het risico op afwenteling ontstaat, waardoor jongeren met een complexe of onbegrepen zorgvraag mogelijk sneller naar een dergelijke landelijke voorziening worden verwezen, zoals we ook bij het ZIKOS hebben gezien.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 1165.
Minister Sterk:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 1165 van de heer El Abassi geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1165 krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 1166.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1166 wil ik ontraden. Zoals ik net al heb aangegeven, willen we eerst wachten op het oordeel van de commissie-Van Ark.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1166 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1167: oordeel Kamer. Dat is wel afhankelijk van de interpretatie. Als ik de motie zo mag interpreteren dat er steun is voor het toekomstscenario en dat de ontwikkelrichting daarin naar regionale veiligheidsteams ook de ontwikkelrichting is die u wil, dan is het oordeel Kamer. Als mijn interpretatie niet klopt, dan ontraad ik de motie. Maar ik zie dat de heer El Abassi er niet is.
De voorzitter:
We gaan ervan uit dat de heer El Abassi, die er nu niet is, akkoord gaat met de interpretatie die de minister eraan geeft en de appreciatie.
De motie op stuk nr. 1168.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1168 is een motie die ik ontraad. Ik wil echt de actie hebben in het toekomstscenario en er niet weer een nieuw onderzoek bovenop hebben.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1168 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1169 ontraad ik ook. Het doorlichten van de dossiers kost gewoon heel veel tijd en geld — dat geld heb ik er overigens ook niet zomaar voor — en lost het structurele probleem niet op. Ik wil juist vooral inzetten op structurele verandering, maar ik zou wel in gesprek willen gaan met partijen die bij het toekomstscenario zijn betrokken om te kijken wat we hier eventueel nog op kunnen doen. Dat heb ik net ook toegezegd in het debat.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1169 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1170 ontraad ik ook, omdat het een gedeelde ambitie is om in 2030 zo dicht mogelijk bij nul gesloten plaatsingen te zijn. Maar de ambitie blijft staan omdat we weten dat geslotenheid voor jongeren gewoon geen passende zorg biedt. Maar ik ben het ook met het lid Coenradie eens dat het niet zo mag zijn dat jongeren als alternatief op een niet-passende plek terechtkomen. Dat is wat ik nu dus ook aan het doen ben met het herijken van de afspraken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1170 wordt ontraden en mevrouw Coenradie heeft één vraag.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Excuus hiervoor, maar de beredenering van de motie op stuk nr. 1169 is me even ontgaan. Die was ook ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1169.
Minister Sterk:
Het beoordelen en opvolgen van de signalen is de kerntaak van de organisaties in de jeugdbescherming, van Veilig Thuis en de GI's. Daar worden natuurlijk soms fouten gemaakt. Dat kan soms ook hele ernstige gevolgen hebben. Daar hebben we al heel veel rapporten over; daar is ook al op gewezen door andere Kamerleden. Ik vind het ook belangrijk om dit op te pakken door aan de slag te gaan met het structureel verbeteren van het stelsel en niet door nu weer een onderzoek te gaan doen naar alle individuele gevallen. Ik heb u wel toegezegd dat ik daarover natuurlijk wel met de partijen in gesprek wil, om te kijken of zij de casuïstiek die er nu is op dit moment wel voldoende in beeld hebben en of er op dit moment wel voldoende op wordt geacteerd. Dat was volgens mij de achtergrond van wat u zei, want u wil nu eigenlijk gewoon vooral dat er wordt gekeken of alle meldingen wel serieus worden genomen.
De voorzitter:
Als u slim bent, stelt u een vraag over de motie op stuk nr. 1170.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Die heb ik niet.
De voorzitter:
Dan gaan we door naar de motie op stuk nr. 1171.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1171: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1171 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1172: ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1172 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1173: ook oordeel Kamer, voorzitter.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1173 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1174 is overbodig, want wat de heer Van Houwelingen vraagt in deze motie kan al in de praktijk. Ik denk dat het wel belangrijk is om het goed onder de aandacht te brengen en het breder bekend te maken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1174 krijgt de appreciatie: overbodig. Eén vraag voor de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort. Kan dat al in de praktijk? Want wij hebben toch echt te horen gekregen dat dat dus niet gebeurt. Is het dan zo dat het een besluit is van de jeugdbeschermers om dat niet te doen? Er moet in ieder geval iets veranderen, want ze doen het niet. Het gebeurt nu niet.
Minister Sterk:
Daarom onderstreep ik ook dat het van belang is om het breder bekend te maken, maar het kan wel.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1175, tot slot.
Minister Sterk:
Die wil ik ontraden. De inspectie houdt onafhankelijk toezicht. Het is volgens mij ook aan de inspectie om zelf vorm te geven aan dat toezicht.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1175 wordt ontraden.
Minister Sterk:
Ten slotte nog een vraag van de heer Van Houwelingen, die ik in de tweede termijn zou beantwoorden. U had het over de normen van de inspectie voor betekenisvolle contacten. Ik ga ervan uit dat u het betekenisvol contact van jeugdbeschermers bedoelt. De inspecties constateerden vorig jaar dat jeugdbeschermers onvoldoende betekenisvol contact hebben met jeugdigen en ouders. De GI's hebben aangegeven zich daarin te herkennen. De organisaties die onder verscherpt toezicht stonden van de inspecties hebben een verbeterplan opgesteld, waar gevolg aan is gegeven. U heeft dus een terecht signaal, maar er is ook al opvolging aan gegeven.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van deze tweede termijn.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Wij stemmen aanstaande dinsdag over de ingediende moties. Ik wil alle leden hartelijk danken voor hun bijdrage en tevens de minister. We zijn aan het einde gekomen van dit debat. Ik schors voor enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Raad Buitenlandse Zaken 15 juni 2026
Voorzitter: Van Campen
Raad Buitenlandse Zaken 15 juni 2026
Aan de orde is het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken 15 juni 2026 (CD d.d. 10/06).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken 15 juni 2026. Ik heet van harte welkom in het parlement de minister van Buitenlandse Zaken en geef het woord aan mevrouw Piri voor haar inbreng namens de fractie PRO.
Rustig aan. Een glaasje water staat naast u.
Mevrouw Piri (PRO):
Ik moest even rennen naar de plenaire zaal.
Voorzitter. Voordat ik een motie indien, heb ik nog een aantal verduidelijkende vragen aan de minister. Gisteren zei de minister aan het eind van het debat dat doorvoer van goederen geen deel uitmaakt van het Tijdelijk sanctiebesluit. Dat verbaasde mijn fractie enigszins, omdat het Tijdelijk sanctiebesluit wel degelijk spreekt van zogenaamde tussenhandelsdiensten. Vandaar de volgende vraag.
De voorzitter:
Neem uw tijd. Geen probleem. We willen graag dat u op twee benen blijft staan.
Mevrouw Piri (PRO):
Ik moet niet rennen, jongens! Oké, genoeg in de plenaire zaal over mijn renvermogen.
Staat het kabinet nog achter het Tijdelijk sanctiebesluit zoals gedeeld met de Kamer en de Raad van State? Wat is het verschil tussen doorvoer- en tussenhandelsdiensten? En, praktisch: wordt het verboden om goederen in Rotterdam over te slaan en vanuit Rotterdam naar andere landen binnen dan wel buiten de EU te transporteren? Ik krijg graag een reactie op elk van deze drie vragen.
Dan de motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het aantal illegale nederzettingen in de door Israël bezette gebieden in recordtempo toeneemt en de tweestatenoplossing zo steeds verder uit zicht raakt;
overwegende dat deze illegale nederzettingen economisch levensvatbaar zijn door handel met de Europese Unie;
verzoekt het kabinet om in Europa actief leiderschap te tonen voor een EU-breed verbod op handel met de illegale nederzettingen in de door Israël bezette gebieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Piri, Van der Werf, Maes, Van Lanschot, Van Baarle, Teunissen, Dobbe en Dassen.
Zij krijgt nr. 3432 (21501-02).
Mevrouw Piri (PRO):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Werf namens D66. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne onverminderd voortduurt;
constaterende dat het behoud van Oekraïens momentum en innovatie afhankelijk is van betrouwbare Europese steun;
overwegende dat Rusland als agressor verantwoordelijk is voor de grote schade die het in Oekraïne aanricht;
verzoekt de regering binnen de EU actief te blijven pleiten voor de inzet van geïmmobiliseerde Russische tegoeden ter ondersteuning van Oekraïne,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Maes en Van Lanschot.
Zij krijgt nr. 3433 (21501-02).
Mevrouw Van der Werf (D66):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland samen met een groot aantal Europese partners grote zorgen heeft uitgesproken over de dreigende uitzetting van humanitaire hulporganisaties uit Gaza;
constaterende dat de ondertekenaars van deze verklaring gezamenlijk een gekwalificeerde meerderheid binnen de Europese Unie vertegenwoordigen;
overwegende dat het definitief uitzetten van cruciale humanitaire hulporganisaties niet zonder gevolgen kan blijven;
verzoekt de regering in Europees verband te pleiten voor de voorbereiding van maatregelen indien Israël definitief overgaat tot het verbieden of uitzetten van humanitaire hulporganisaties, waaronder opschorting van het handelshoofdstuk van het associatieakkoord, en hierover openlijk te communiceren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Piri en Dassen.
Zij krijgt nr. 3434 (21501-02).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Ceder namens de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Naar aanleiding van het debat van gisteren allereerst een vraag. De minister bevestigde dat Nederland zich over een tijdje moet bezinnen ten aanzien van de positie van ICC-aanklager de heer Khan en dat dit voorbereid wordt. Kan de minister toezeggen dat dit, voordat Nederland een standpunt inneemt, met de Kamer gedeeld wordt, zodat we daar als Kamer nog het gesprek over zouden kunnen voeren?
Voorzitter. Dan heb ik een aantal moties naar aanleiding van het debat van gisteren.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat verschillende religieuze minderheden in Egypte, waaronder bahais en koptische christenen, te maken hebben met discriminatie, beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en onvoldoende rechtsbescherming;
verzoekt de regering om zich in EU-verband actief in te zetten voor verbetering van de positie van religieuze minderheden in Egypte, waaronder christenen en bahais, de naleving van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging expliciet aan de orde te stellen bij de (economische) samenwerking tussen de Europese Unie en Egypte, en de Kamer over de inzet te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Stoffer.
Zij krijgt nr. 3435 (21501-02).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er in West-Papoea grootschalige ontbossing plaatsvindt, die gepaard gaat met schendingen van de mensenrechten van de lokale bevolking;
constaterende dat vertoningen van een documentaire hierover inmiddels worden verhinderd en verstoord door leger en politie;
verzoekt de regering om in EU-verband bij Indonesië aan te dringen op het waarborgen van de veiligheid en eerbiediging van de mensenrechten van de Papoea's, en activisten in het bijzonder, en op veilige vertoningen van de documentaire Pesta Babi wanneer gewenst,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 3436 (21501-02).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Spaanse regering-Sanchez steeds meer gas importeert uit Rusland en ondanks hierop aangesproken te zijn nog steeds niet inzet op afbouw;
overwegende dat hiermee het Europese ontmoedigingsbeleid richting Rusland wordt ondermijnd en de oorlogseconomie van Rusland wordt versterkt, terwijl er alternatieven zijn;
verzoekt de regering om bij de Spaanse regering blijvend de noodzaak te agenderen om niet nog meer afhankelijk te raken van Rusland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 3437 (21501-02).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Dassen namens Volt.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Israëlische nederzettingen een schending vormen van het internationaal recht;
constaterende dat kolonisten op de Westelijke Jordaanoever vrij kunnen reizen naar de Europese Unie, omdat zij in het bezit zijn van een Israëlisch paspoort en vallen onder de visumvrijstelling, terwijl Palestijnen dat niet kunnen;
overwegende dat de nederzettingenuitbreiding een tweestatenoplossing ondermijnt en daarmee het beleid van de regering;
verzoekt de regering zich in EU-verband in te zetten voor het opschorten van de visumvrijstelling voor Israëlische kolonisten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3438 (21501-02).
De heer Dassen (Volt):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Nederland bedrijven fiscaal blijft bevoordelen die economische activiteiten ontplooien in of ten behoeve van illegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever;
overwegende dat de nederzettingenuitbreiding een tweestatenoplossing ondermijnt en daarmee het beleid van de regering;
verzoekt de regering te stoppen met het fiscaal bevorderen van bedrijven die actief een tweestatenoplossing ondermijnen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 3439 (21501-02).
De heer Dassen (Volt):
Dank u wel.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Keijzer. Ik sta één interruptie toe, gelet op het avondprogramma.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Weer een aantal anti-Israëlmoties, die ik allemaal op hun merites ga beoordelen. De drie partijen die ze hebben ingediend, waaronder die van de heer Dassen, hebben voor de motie gestemd waarin gesteld wordt dat er niet meer samengewerkt mag worden met extremistische partijen. Als deze moties nou een meerderheid krijgen omdat Forum meestemt, wat vaak zo is, wilt u dan nog steeds dat de regering de motie uitvoert of geldt die meerderheid dan niet?
De heer Dassen (Volt):
Ik zou het liefste willen dat de regering dadelijk zegt dat ze de moties overneemt, omdat ze zo goed zijn. Dat zou mijn ideale resultaat zijn. Het resultaat van de stemming is uiteindelijk het resultaat van de stemming. Daar zal de regering op moeten handelen. Dat lijkt me logisch.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Van Baarle namens DENK.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter, dank. In Syrië zijn de eerste processen tegen leden van het regime van Assad begonnen. Assad, een van de grootste misdadigers uit de geschiedenis, die z'n eigen bevolking heeft vermoord, zit nog in Rusland naar verluidt. De regering geeft aan dat het aan Syrië is om Rusland op te roepen om Assad uit te leveren en te vervolgen. Nederland ontplooit zelf ook wel activiteiten met inspanningen tegen straffeloosheid, maar ik vind echt dat we Syrië kunnen bijstaan in die oproep. Vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in Syrië de eerste processen tegen leden van het Assad-regime zijn begonnen;
overwegende dat Assad en sommige handlangers van Assad buiten Syrië verblijven en berechting ontlopen;
verzoekt de regering in te zetten op een oproep met zo veel mogelijk landen tot uitlevering van Assad en zijn handlangers aan Syrië, zodat zij in Syrië berecht kunnen worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3440 (21501-02).
De heer Van Baarle (DENK):
Er zit één foutje in. Als ik die nog kan corrigeren, kijk ik u zeer vriendelijk aan.
De voorzitter:
Altijd.
De heer Van Baarle (DENK):
Nog een tweetal moties die gaan over sancties in de richting van kolonisten en het voorkomen van handel met illegale nederzettingen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de regering een vierde sanctiepakket tegen gewelddadige Israëlische kolonisten en hun organisaties voorbereidt;
overwegende dat de illegale nederzettingen in strijd zijn met het internationaal recht, het kolonistengeweld toeneemt ẹn er sprake is van straffeloosheid;
verzoekt de regering om in te zetten op sancties tegen Israëlische overheidsfunctionarissen die aantoonbaar activiteiten ontplooien ter vestiging van illegale nederzettingen of kolonistengeweld faciliteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3441 (21501-02).
De heer Van Baarle (DENK):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat op basis van onderzoek van Echo blijkt dat veel Israëlische producten ten onrechte verhandeld worden onder de handelsvoordelen onder de EU-Israël-associatieovereenkomst;
verzoekt de regering om, in aanloop naar mogelijke Europese en nationale handelsmaatregelen, zich ervoor in te zetten dat zo spoedig mogelijk de Europese handhaving op het voorkomen dat producten afkomstig uit illegale nederzettingen preferentiële handelsbehandeling ontvangen, wordt versterkt en ook de nationale handhaving hiervan te versterken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3442 (21501-02).
Dank u wel.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Dobbe namens de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Israëlische aanbestedingsprocedure voor het E1-nederzettingenplan op 6 juli afloopt, waarna de bouw kan beginnen;
constaterende dat nederzettingen in strijd met het internationaal recht zijn en een Palestijnse staat ondermijnen;
constaterende dat de E1-bouwplannen in het bijzonder problematisch zijn, omdat het de Westelijke Jordaanoever in tweeën splitst en het leven van Palestijnse burgers nog zwaarder maakt;
constaterende dat Nederland en andere EU-landen deze plannen van Israël reeds hebben veroordeeld, maar Israël zich hier niets van aantrekt;
verzoekt de regering tijdens de aanstaande RBZ aan te dringen op spoedige en stevige maatregelen van de EU tegen Israël als het E1-project wordt voortgezet;
verzoekt de regering, als maatregelen door de EU uitblijven, met gelijkgestemde andere landen maatregelen tegen Israël te nemen als het E1-project wordt voortgezet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Piri, Dassen en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3443 (21501-02).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de registratie-eisen van Israël voor hulporganisaties ervoor zorgen dat hulpverleners in gevaar komen of de toegang tot Gaza wordt geweigerd;
constaterende dat dit in strijd is met de vrije humanitaire toegang zoals vastgelegd in het internationaal recht;
verzoekt de regering tijdens de RBZ te pleiten voor het wegnemen van de Israëlische registratie-eisen voor hulporganisaties en over te gaan tot sancties tegen de Israëlische regering indien er niet wordt geluisterd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Piri, Dassen en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3444 (21501-02).
Mevrouw Dobbe (SP):
En de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het geweld van het IDF en de kolonisten toeneemt op de Westelijke Jordaanoever met doden tot gevolg;
constaterende dat daders nauwelijks worden vervolgd of bestraft;
verzoekt de regering tijdens de RBZ te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar de moord van de doodgeschoten baby op de Westelijke Jordaanoever,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Piri, Dassen en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3445 (21501-02).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Schenk namens Forum voor Democratie.
De heer Schenk (FVD):
Dank, voorzitter. We hebben gisteren een behoorlijk pittig debat gehad over dit onderwerp. Ik heb daar oprecht mijn best gedaan om uit te leggen hoe Forum voor Democratie kijkt naar de situatie in Oekraïne. Ik werd een halfuur lang geïnterrumpeerd. Er werden allerlei vragen soms op een wat schaamteloze wijze weggezet. Dat neemt niet weg dat ik er waarde aan hecht hier nogmaals te benadrukken dat wij maar aan één kant staan in dit verschrikkelijke conflict en dat is aan de kant van de vrede, en zo snel mogelijk vrede. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een duurzame vrede in Oekraïne uiteindelijk slechts bereikt kan worden door onderhandelingen tussen de strijdende partijen;
overwegende dat succesvolle diplomatie vereist dat beide partijen perspectief hebben op een uitkomst die zij kunnen aanvaarden;
verzoekt de regering zich binnen de Raad Buitenlandse Zaken actief in te zetten voor het bevorderen van diplomatieke initiatieven en vredesonderhandelingen tussen Oekraïne en Rusland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schenk, Dekker en Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 3446 (21501-02).
De heer Schenk (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot is het woord aan de heer Hoogeveen namens JA21.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank u, voorzitter. Ik wil de minister bedanken voor het goede debat van gisteravond. Het was inhoudelijk en daar houden we van. Ik heb verder geen moties vandaag, maar wel nog twee vragen. Als eerste. Ik had gisteren gevraagd of de minister duiding wilde geven over het bericht dat president Macron tijdens de komende G7-top al met China in gesprek wil. Ik denk dat deze vraag wat ondergesneeuwd was, gezien het recordaantal vragen dat op hem is afgevuurd. Zou hij daar nog iets over willen zeggen?
Voorzitter. We lezen vandaag in de Financial Times dat China zich als signaal heeft teruggetrokken uit een aantal overleggen met de EU. Nou voorspelde ik dat gisteren al. Maar goed, je hoeft geen Henry Kissinger te zijn om dat te zien aankomen. De afgelopen maanden heb ik ook veel gesproken met contacten uit Zuid-Korea, Japan en ook Taiwan. Die landen dealen al honderden jaren met de Chinezen. Zij zeggen juist: wees behoedzaam, maar zet ook in op dialoog en zorg ervoor dat je wederkerige afspraken maakt. Ik moedig de minister dus aan om met zijn collega's in die landen in nauw contact te blijven.
Over Taiwan gesproken: daarover gaat mijn laatste vraag. De Zr.Ms. De Ruyter is onlangs natuurlijk door de Straat van Taiwan gevaren, onder het mom van de vrije doorvaart. Bij ons op de fractie hangt een portret van Hugo de Groot, dus dat kunnen wij alleen maar aanmoedigen. Voor Nederland is dat een cruciaal principe. Kan de minister nog even reflecteren op de gebeurtenissen van vorige week, hoe het kabinet daarin staat en of er nog contact is geweest met de Chinese autoriteiten daaromtrent? Dat is gisteren in het debat niet aan de orde gekomen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors tot 16.30 uur voor de beantwoording van de minister.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister voor de appreciaties van de ingediende moties.
Minister Berendsen:
Dank u wel, voorzitter.
De motie op stuk nr. 3432. Zoals u weet, zet het kabinet zich in voor een EU-maatregel om producten uit illegale nederzettingen te weren. Daarvoor lijkt stapje voor stapje meer draagvlak te zijn, zoals ik gisteren ook in het debat heb aangegeven. Wij blijven ons daarvoor inzetten; daar ligt onze focus ook op. Ik wil deze motie dus oordeel Kamer geven. Ik beweeg graag met u mee, maar daarbij zeg ik wel: met dien verstande dat het kabinet nu inzet op het importverbod, omdat dat het meest kansrijk is.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag. Mevrouw Piri.
Mevrouw Piri (PRO):
Het is meer een reactie, voorzitter.
De voorzitter:
Mag ook.
Mevrouw Piri (PRO):
Ik zou de minister erop willen wijzen dat hier gewoon al een dikke Kamermeerderheid onder staat, dus ik zou hem vooral willen meegeven: wees ambitieus. We snappen het als de landingsbaan iets anders is, maar de Kamer roept vooral op om hier ambitieus in te zijn.
De voorzitter:
Meneer Ceder, heel kort dan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het op zich eens met de tekst, maar omdat er verschillende interpretaties leven en omdat het in lijn is met de eerdere aangenomen motie-Van Campen/Boswijk, waarvan de minister zegt dat we er al aantoonbaar inzet op tonen, is mijn vraag of dit verder gaat of een andere strekking heeft. Dat is namelijk de inzet die de minister gepleegd heeft. Hoe moet ik deze motie lezen?
Minister Berendsen:
Het is natuurlijk aan de indieners, maar zoals ik 'm lees roept dit op tot ambitie en is ook duidelijk dat de landingsbaan, zoals mevrouw Piri het noemt, op dit moment het importverbod uit de illegale nederzettingen is.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3433.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3433: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3434.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3434 ...
De voorzitter:
Dit is ook in uw belang.
Minister Berendsen:
Ja, ja. De motie op stuk nr. 3434: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3435 is overbodig. Vrijheid van religie en levensovertuiging ís een van de prioriteiten binnen het Nederlands mensenrechtenbeleid. Het kabinet bespreekt mensenrechten, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging, zowel in EU-verband als bilateraal met de Egyptische autoriteiten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3436.
Dit was de motie op stuk nummer 3435; die is overbodig.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3436: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3436: oordeel Kamer.
Mevrouw Piri wil graag een herhaling.
De motie op stuk nr. 3434: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 3435: overbodig. De motie op stuk nr. 3436: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3437.
Minister Berendsen:
Oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3438.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3438 moet ik ontraden, ook met verwijzing naar het debat van gisteren. Die is niet uitvoerbaar; visumvrij reizen is op basis van nationaliteit en niet op basis van verblijfplaats.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3439.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3439 is ontijdig; dit vergt overleg met het ministerie van Financiën en dat kon ik in deze tien minuten niet voeren.
De voorzitter:
Is de heer Dassen bereid om 'm aan te houden totdat de minister van Financiën een appreciatie heeft kunnen doen toekomen? Dat is het geval. Kan de minister dat toezeggen?
Minister Berendsen:
Ja.
De voorzitter:
Daarmee is de motie op stuk nr. 3439 tijdelijk aangehouden, tot de appreciatie. Meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Even de vraag wanneer we dan de appreciatie kunnen verwachten.
Minister Berendsen:
"Zo snel mogelijk" is waarschijnlijk een antwoord waar u niet mee akkoord gaat.
De voorzitter:
Vóór volgende week dinsdag? Dan kan de motie mee met de stemmingen van dinsdag.
Minister Berendsen:
Prima.
De voorzitter:
Bij dezen. Mevrouw Piri.
Mevrouw Piri (PRO):
Ik begrijp het als consultatie nodig is, maar dit is gewoon het eeuwenoude beleid, namelijk ontmoedigingsbeleid. Nog even los van alles wat de Kamer ambitieuzer vindt, lijkt me dit gewoon iets wat de minister kan toezeggen, toch?
Minister Berendsen:
Op basis van de informatie heb ik gemeend contact met het ministerie van Financiën op te moeten nemen om een goede appreciatie te geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3440.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3440 ontraden we. Nederland zet zich in op het voorkomen van straffeloosheid. U kent onze grote inzet op dit gebied, zoals gisteren ook toegelicht. Er lopen diverse trajecten, onder andere een traject met Canada. Daar blijven we op inzetten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3441.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3441 geven we oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3442.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3442: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3443 ...
De voorzitter:
Maakt u anders eerst de appreciaties af, dan geef ik daarna het woord aan de heer Van Baarle voor een interruptie.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3443 is ontijdig. Nederland heeft inderdaad een verklaring afgegeven. We maken ons ook ernstige zorgen over de situatie. U kent de Nederlandse positie: we zijn mordicus tegen. Maar de tenders zijn uitgesteld en daarom is de motie voor nu ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3444.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3444 ontraden we. We delen de zorgen. Die zijn in het debat ook uitgebreid besproken. Maar op dit moment zetten we in op een breder pakket aan maatregelen: een combinatie van druk en dialoog. We zetten op dit moment ook in op een importverbod. Dat betekent dat we de directe koppeling tussen deze situatie en weer nieuwe sancties op dit moment anders wegen bij de inzet van het kabinet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3445.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3445 geven we oordeel Kamer.
De voorzitter:
Tot slot.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 3446 ontraden we in het licht van de discussie die we hierover gisteren uitgebreid gehad hebben.
De voorzitter:
Meneer Van Baarle, één interruptie.
De heer Van Baarle (DENK):
Die gaat over mijn motie op stuk nr. 3440 over een oproep om met zo veel mogelijk landen te vragen om uitlevering van Assad. Ik prijs de inspanningen die Nederland verricht als het gaat om het voorkomen van straffeloosheid en de gezamenlijke procedure met Canada. Nu is het zo dat Syrië op dit moment oproepen doet om die mensen uit te leveren. Ik denk dat het goed is als zo veel mogelijk landen de druk opvoeren op Rusland, waar Assad nu is, en om andere landen te vragen die mensen uit te leveren. Wat weerhoudt de minister ervan om samen met andere landen te proberen om de druk op te voeren, zodat deze crimineel gewoon berecht wordt?
Minister Berendsen:
Zoals ik gisteren heb toegelicht, lopen er diverse trajecten. We zetten daar ook op in, onder andere op een traject met Canada. Het is uiteindelijk aan de Syrische interim-overheid om op te roepen tot de uitlevering van Assad. We zien daarom ook niet de toegevoegde waarde van deze motie in aanvulling op hetgeen we al doen.
De voorzitter:
Meneer Schenk, ik neem aan dat u een vraag heeft over de motie op stuk nr. 3446.
De heer Schenk (FVD):
Ja. Mijn motie verzoekt de regering om zich binnen de RBZ actief in te zetten voor het bevorderen van diplomatieke initiatieven en vredesonderhandelingen tussen Oekraïne en Rusland. Zo'n motie wordt ontraden. Het lijkt me toch alleszins een redelijke motie met een potentiële uitkomst die we allemaal ambiëren, hoe we ook kijken naar de aanloop en de oorzaken van dat conflict. Ik begrijp dus echt niet hoe zo'n motie ontraden kan worden. Wij hebben toch hetzelfde doel voor ogen, namelijk zo snel mogelijk vrede tussen Oekraïne en Rusland?
Minister Berendsen:
Zo snel mogelijk vrede is vanzelfsprekend het doel. De heer Schenk leest niet zijn volledige motie voor. Voor dit kabinet is het volstrekt helder dat deze oorlog morgen kan stoppen als Poetin zijn oorlog in Oekraïne stopt.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw beantwoording?
Minister Berendsen:
Ik ben wel aan het einde gekomen van de appreciatie van de moties, voorzitter, maar u hoort vanuit de Kamer, van mevrouw Piri, dat er nog meer …
De voorzitter:
Daar is mevrouw Piri nooit te beroerd voor.
Minister Berendsen:
Nee, zeker. Ik geef de Kamer wederom een compliment dat ze ondanks de meer dan 100 vragen van gisteren, toch ook nu weer een aantal vragen hebben weten af te vuren. Die beantwoord ik natuurlijk graag, zeker als het gaat om vragen die gisteren niet beantwoord zijn.
De heer Hoogeveen vroeg naar de G7-top en president Macron. Het is terecht dat Frankrijk de dialoog met China aangaat over de handelsrelaties, ook in G7-verband. Zoals ik gisteren in het debat ook al heb aangegeven, delen wij dezelfde zorgen over het Chinese industrie- en handelsbeleid, omdat het tot een groeiende disbalans leidt. De voorkeursroute, ook van het kabinet, is om deze zorgen via dialoog met China te adresseren, zowel bilateraal als via de EU. Het zal dan ook een onderwerp van gesprek zijn tijdens het bezoek van de minister van BHOS aan China. Dat bezoek is momenteel in voorbereiding. De afgelopen jaren hebben echter ook aangetoond dat dialoog alleen niet voldoende is om de Europese industrie te beschermen tegen Chinese overcapaciteit. Daarom steunen we ook de actieve inzet van het Europese handelsdefensieve instrumentarium.
Voorzitter. Mevrouw Piri vroeg in een aantal deelvragen naar het sanctiebesluit. Het kabinet staat achter het sanctiebesluit. We staan daar onverkort achter. Het ligt nu bij de Raad van State, waarna het naar de Tweede Kamer gaat. We hebben daar dan een oordeel over. Het gaat over het verschil tussen tussenhandel en doorvoer. Doorvoer valt niet onder het sanctiebesluit, omdat doorvoer niet officieel in Nederland aankomt. Dat betekent dat je doorvoer niet kan aanpakken met een nationale maatregel, met nationale wetgeving. Tussenhandel gaat over het in contact brengen van verschillende partijen om de handel te faciliteren. Dat valt wel onder het sanctiebesluit.
Dan kom ik op de vraag van de heer Ceder over openbaar aanklager Khan. Dat kan ik toezeggen.
Dan had ik gisteren beloofd om nog terug te komen op de vraag van de heer Van Baarle over de aanwezigheid van Israël op Syrisch grondgebied. Zoals ik gisteren al zei, erkennen Nederland en de EU Israëlische soevereiniteit over de door Israël geannexeerde Golanhoogte niet. Verschillende VN-veiligheidsresoluties bevestigen deze internationaalrechtelijke opvatting. Ik begreep echter dat de heer Van Baarle doelde op de aanwezigheid na de val van Assad. Op dat punt is er geen nieuw standpunt van het kabinet. We hebben daarover steeds gezegd dat Nederland begrip heeft voor de veiligheidszorgen die Israël op dat moment had. Tegelijkertijd heeft het kabinet van meet af aan benadrukt dat de tijdelijke maatregel niet in een permanente uitgebreide aanwezigheid mag uitmonden. Het kabinet roept Israël daarom dus op om zich terug te trekken van Syrisch grondgebied en zich aan het internationaal recht te houden.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde van uw beantwoording gekomen?
Minister Berendsen:
Nee, voorzitter.
De heer Hoogeveen vroeg nog naar de context van de reis van het fregat De Ruyter. Het fregat heeft tijdens zijn reis verschillende havens aangedaan voor het versterken van de diplomatieke- en veiligheidsbanden met landen in de regio. Het fregat begaf zich vorige week in de Zuid-Chinese Zee. China heeft gereageerd op de aanwezigheid van het fregat. Het stelt dat het Nederlandse schip zich te dicht bij de door China geclaimde Paraceleilanden bevond. Het fregat opereert gedurende de hele reis conform het internationaal recht, in het bijzonder het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. Ook op dit stuk van de route bevonden het fregat en de boordhelikopter zich steeds in internationale wateren en internationaal luchtruim, waar de vrijheid van navigatie en overvliegen geldt. Er is, zowel op militair als diplomatiek niveau, contact geweest met de Chinese autoriteiten naar aanleiding van de Chinese reactie.
Voorzitter, dat was wat ik hier had liggen.
De voorzitter:
Er is nog één vraag van mevrouw Piri.
Mevrouw Piri (PRO):
De minister is vergeten mijn vraag te beantwoorden over wat dat dan praktisch betekent. Wordt het dus verboden om goederen in Rotterdam over te slaan en vanuit daar naar andere landen binnen dan wel buiten de EU te transporteren? Dat is namelijk de cruciale vraag. We hebben gisteren in de rapporten gezien wat voor rol Rotterdam speelt bij de doorvoer van die goederen. Daar wacht ik dus nog op.
Minister Berendsen:
Zoals ik meldde, valt doorvoer niet onder het invoerverbod. Dat kun je namelijk niet doen op basis van nationale wetgeving, want doorvoer komt officieel niet in Nederland aan, maar tussenhandel en het faciliteren daarvan wel. Dat is het antwoord dat ik kan geven.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik heb een vraag over de beantwoording van de minister over de bezetting van Syrisch grondgebied door Israël, naast het gegeven dat ze al decennialang grondgebied hebben geannexeerd. Moet ik het zo begrijpen dat de Nederlandse regering nog steeds begrip heeft voor de Israëlische bezetting en dat ze het nog steeds onder de noemer "tijdelijk" schaart? Of is die deadline inmiddels wel bereikt volgens de regering?
Minister Berendsen:
Zoals ik heb aangegeven, roept het kabinet Israël ook op zich terug te trekken van Syrisch grondgebied en zich aan het internationaal recht te houden. Op dit moment kunnen we de Israëlische aanwezigheid nog niet kwalificeren als "permanent", maar onze oproep blijft staan.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het antwoord van de minister over de doorvoer van goederen verbaast mij toch een beetje. Doorvoer van gesanctioneerde Russische goederen via de Rotterdamse haven mag toch ook niet, dus waarom zouden we dat voor gesanctioneerde Israëlische producten niet kunnen regelen?
Minister Berendsen:
Mijn parate kennis van de definiëring van deze verschillende begrippen schiet tekort, dus ik stel voor dat we daar op een andere manier informatie over geven.
De voorzitter:
Ik dank de minister.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering tot 17.00 uur. Dan gaan we stemmen.
De vergadering wordt van 16.46 uur tot 16.59 uur geschorst.
Stemmingen
Stemmingen
Stemmingen moties Gezondheidsraad d.d. 16 juni 2026
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Gezondheidsraad d.d. 16 juni 2026,
te weten:
de motie-Van Meetelen over zich in Europese gezondheidstrajecten verzetten tegen iedere maatregel die nationale zeggenschap over zorg, preventie, screening, geneesmiddelenbeleid of de inrichting van het Nederlandse zorgstelsel direct of indirect aantast (21501-31, nr. 822);
de motie-Synhaeve c.s. over aandringen bij de Europese Commissie om inbrengen via een AI-lobbytool van tabaksfabrikanten kritisch te bekijken (21501-31, nr. 823);
de gewijzigde motie-Claassen over bewerkstelligen dat het Groeiplan MedTech als thema wordt omarmd (21501-31, nr. 827, was nr. 824);
de motie-Krul c.s. over zich uitspreken tegen de campagne van tabaksfabrikant Philip Morris en ertegen optreden (21501-31, nr. 826).
(Zie vergadering van heden.)
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering.
Ik wil de meer dan gewaardeerde Europarlementariërs die te gast zijn voor het volgende debat, verzoeken om toch nog even de plenaire zaal uit te wandelen, want we gaan eerst stemmen. Daarna bent u van harte welkom voor het debat dat we dan gaan voeren. Daar is de hele avond voor vrij geroosterd.
In stemming komt de motie-Van Meetelen (21501-31, nr. 822).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Synhaeve c.s. (21501-31, nr. 823).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Claassen (21501-31, nr. 827, was nr. 824).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en FVD voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Krul c.s. (21501-31, nr. 826).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Meneer Markuszower.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Goeiedag, voorzitter. Misschien heb ik niet goed opgelet, maar kan het zijn dat u de motie op stuk nr. 825 niet heeft omgeroepen?
De voorzitter:
Die is aangehouden.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
O. Nou, dat stond niet op mijn lijst.
De voorzitter:
Die komt dus wellicht een volgende keer terug.
Stemmingen moties tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken d.d. 15 juni 2026
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken d.d. 15 juni 2026,
te weten:
de motie-Piri over in Europa actief leiderschap tonen voor een EU-breed verbod op handel met de illegale nederzettingen in de door Israël bezette gebieden (21501-02, nr. 3432);
de motie-Van der Werf c.s. over blijven pleiten voor de inzet van geïmmobiliseerde Russische tegoeden ter ondersteuning van Oekraïne (21501-02, nr. 3433);
de motie-Van der Werf over pleiten voor de voorbereiding van maatregelen indien Israël definitief overgaat tot het verbieden of uitzetten van humanitaire hulporganisaties (21501-02, nr. 3434);
de motie-Ceder/Stoffer over zich actief inzetten voor verbetering van de positie van religieuze minderheden in Egypte (21501-02, nr. 3435);
de motie-Ceder over bij Indonesië aandringen op het waarborgen van de veiligheid en eerbiediging van de mensenrechten van de Papoea's en activisten in het bijzonder (21501-02, nr. 3436);
de motie-Ceder over bij de Spaanse regering blijvend de noodzaak agenderen om niet meer afhankelijk te raken van Rusland (21501-02, nr. 3437);
de motie-Dassen/Van Baarle over zich inzetten voor het opschorten van de visumvrijstelling voor Israëlische kolonisten (21501-02, nr. 3438);
de motie-Van Baarle over inzetten op een oproep met zo veel mogelijk landen tot uitlevering van Assad en zijn handlangers aan Syrië (21501-02, nr. 3440);
de motie-Van Baarle over inzetten op sancties tegen Israëlische overheidsfunctionarissen die aantoonbaar activiteiten ontplooien ter vestiging van illegale nederzettingen (21501-02, nr. 3441);
de motie-Van Baarle over zo spoedig mogelijk de Europese handhaving op het voorkomen dat producten afkomstig uit illegale nederzettingen preferentiële handelsbehandeling ontvangen te versterken (21501-02, nr. 3442);
de motie-Dobbe c.s. over aandringen op spoedige en stevige maatregelen van de EU tegen Israël als het E1-project wordt voortgezet (21501-02, nr. 3443);
de motie-Dobbe c.s. over pleiten voor het wegnemen van de Israëlische registratie eisen voor hulporganisaties (21501-02, nr. 3444);
de motie-Dobbe c.s. over pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar de moord van de doodgeschoten baby op de Westelijke Jordaanoever (21501-02, nr. 3445);
de motie-Schenk c.s. over zich actief inzetten voor het bevorderen van diplomatieke initiatieven en vredesonderhandelingen tussen Oekraïne en Rusland (21501-02, nr. 3446).
(Zie vergadering van heden.)
In stemming komt de motie-Piri c.s. (21501-02, nr. 3432).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van der Werf c.s. (21501-02, nr. 3433).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van der Werf c.s. (21501-02, nr. 3434).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Ceder/Stoffer (21501-02, nr. 3435).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Ceder (21501-02, nr. 3436).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Ceder (21501-02, nr. 3437).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21 en Lid Keijzer voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Dassen/Van Baarle (21501-02, nr. 3438).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, PRO, D66, Volt, de PvdD, DENK en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3440).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, PRO, D66, Volt, de PvdD, DENK, de SGP en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3441).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3442).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de ChristenUnie en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Dobbe c.s. (21501-02, nr. 3443).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, PRO, D66, Volt, de PvdD, DENK en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Dobbe c.s. (21501-02, nr. 3444).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, PRO, D66, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Dobbe c.s. (21501-02, nr. 3445).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Schenk c.s. (21501-02, nr. 3446).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, de VVD, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
Stemmingen moties Gewasbeschermingsmiddelen
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over Gewasbeschermingsmiddelen,
te weten:
de motie-Kostić over op dit moment niet met de Omnibus Food and Feed instemmen en optrekken met gelijkgestemde landen (27858, nr. 750);
de motie-Kostić over maatregelen die omwonenden op korte termijn meer bescherming bieden zonder het convenantproces te doorkruisen (27858, nr. 751);
de motie-Bromet over zich vocaal onthouden van stemming over de Omnibus Food and Feed en duidelijk maken dat de Tweede Kamer meer tijd nodig heeft voor een gedegen afweging (27858, nr. 752);
de motie-Bromet over de centrale digitale registratie van bestrijdingsmiddelen toegankelijk maken voor toezichthouders, overheden en wetenschappers (27858, nr. 753);
de motie-Bromet over schadelijke vluchtige stoffen niet meer toestaan en biologische boeren compenseren (27858, nr. 754);
de motie-Chris Jansen over gewasbeschermingsmiddelen pas uitfaseren wanneer er alternatieven beschikbaar zijn (27858, nr. 755);
de gewijzigde motie-Chris Jansen over de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico prioritair behandelen (27858, nr. 761, was nr. 756);
de motie-Podt/Goudzwaard over de hele biologische sierteeltketen betrekken bij het Actieplan Biologische Landbouw (27858, nr. 757);
de motie-Den Hollander c.s. over nationale en Europese belemmeringen inventariseren die toepassing van geïntegreerde gewasbescherming in de weg staan (27858, nr. 758);
de motie-Vermeer over rond Natura 2000-gebieden uitsluitend proportionele maatregelen treffen met een wetenschappelijke onderbouwing (27858, nr. 759);
de motie-Goudzwaard c.s. over per relevante teelt inzichtelijk maken welke toegelaten alternatieven beschikbaar zijn (27858, nr. 760).
(Zie notaoverleg van 11 juni 2026.)
De voorzitter:
De motie-Bromet (27858, nr. 753) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Algemene Rekenkamer concludeert dat veel regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nu niet handhaafbaar zijn;
verzoekt de regering de per 1 januari verplichte digitale registratie van bestrijdingsmiddelen centraal te organiseren en toegankelijk te maken voor toezichthouders, overheden en wetenschappers,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 753 (27858).
De motie-Bromet (27858, nr. 754) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat vluchtige stoffen in bestrijdingsmiddelen een vergroot risico hebben dat ze terechtkomen op natuurgebieden, in oppervlaktewater en op biologische teelten;
verzoekt de regering een lijst op te stellen met schadelijke vluchtige stoffen en deze niet meer toe te staan;
verzoekt de regering biologische boeren die schade worden berokkend door vluchtige stoffen te compenseren,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 754 (27858).
Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.
In stemming komt de motie-Kostić (27858, nr. 750).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Kostić (27858, nr. 751).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Bromet (27858, nr. 752).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Bromet (27858, nr. ??, was nr. 753).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Bromet (27858, nr. ??, was nr. 754).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, PRO, Volt, de PvdD en DENK voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Chris Jansen (27858, nr. 755).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Chris Jansen (27858, nr. 761, was nr. 756).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Podt/Goudzwaard (27858, nr. 757).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Den Hollander c.s. (27858, nr. 758).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Vermeer (27858, nr. 759).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Goudzwaard c.s. (27858, nr. 760).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Dat waren de stemmingen, maar ik zie de heer Hoogeveen nog.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik zit een beetje houtje-touwtje met de stemmingenlijst van het tweeminutendebat van net te werken, dus ik heb het nummer niet. Het gaat om de motie-Ceder/Stoffer over bahais en koptische christenen. Daar hadden wij voor willen stemmen.
De voorzitter:
Dat was bij de stemmingen onder agendapunt 2.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ja, en dan de vierde motie.
De voorzitter:
"Positie religieuze minderheden in Egypte."
De heer Hoogeveen (JA21):
Yes.
De voorzitter:
Bij de motie op stuk nr. 3435 wordt de fractie van JA21 geacht voor te hebben gestemd. Het is genoteerd in de Handelingen. Mevrouw Becker?
Mevrouw Becker (VVD):
Voorzitter. Geheel onoplettend mijnerzijds, want mijn fractie wil geacht worden tegen te hebben gestemd bij de motie op stuk nr. 3446, ook bij de stemmingen onder agendapunt 2.
De voorzitter:
Dank u wel. Het is genoteerd. Dat waren de stemmingen. Ik schors heel kort en dan gaan we beginnen met het debat over de Staat van de Europese Unie.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Staat van de Europese Unie
Staat van de Europese Unie
Aan de orde is het debat over de Staat van de Europese Unie.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik verzoek de leden alsook de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken plaats te nemen.
Aan de orde is het debat over de Staat van de Europese Unie. Ik heet de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken van harte welkom in het parlement. Ik heet ook de leden die zich hebben ingeschreven welkom. En in het bijzonder verwelkom ik de Nederlandse leden van het Europees Parlement die vandaag aanwezig zijn. Ook welkom aan de mensen op de publieke tribune en de mensen die het debat op een andere manier volgen.
Graag licht ik kort de spelregels toe van dit debat. Let u dus goed op. De leden van de Tweede Kamer — let op: de Tweede Kamer — hebben in eerste termijn vijf minuten spreektijd. De leden van het Europees Parlement hebben vier minuten spreektijd. De Nederlandse leden van het Europees Parlement zijn door de Tweede Kamer uitgenodigd om aan dit debat deel te nemen met het doel om inlichtingen te verstrekken. Dat doel is zo verwoord in artikel 13.2 van het Reglement van Orde. De leden van het Europees Parlement mogen niet meedoen aan het debat in de vorm van interrupties, die we hier in het parlement maar al te goed kennen. Ook mogen zij geen moties indienen, dan wel medeondertekenen. Wel zal ik de leden van het Europees Parlement de gelegenheid geven een verduidelijkende opmerking te maken over de eigen inbreng, bijvoorbeeld als er sprake is van een misvatting, én om bijvoorbeeld verduidelijkende, feitelijke vragen te stellen.
Ik stel voor vijf interrupties in eerste termijn toe te staan, aangezien de sprekerslijst twintig sprekers kent en de orde niet bewaakt en de tijd niet beperkt kan worden door alleen een strenge blik en wat handgebaren van de voorzitter. Het is mijn ambitie om de eerste termijn van de zijde van het parlement af te ronden voor de dinerpauze. Je moet ambities altijd hoog stellen. Nee, geen vijf interrupties in drieën, want dat zijn er vijftien. Vijf interrupties! Ik zie dat dit kan rekenen op instemming. U berust daarin.
Ik geef het woord aan de heer Klos voor zijn inbreng namens D66 in eerste termijn.
De heer Klos (D66):
Voorzitter. De Europese politiek heeft het idee van soevereiniteit herontdekt. Dat is goed nieuws, maar we bekijken soevereiniteit nog steeds veel te veel nationaal. De werkelijkheid is anders. Onze veiligheid, onze economische weerbaarheid en onze geopolitieke slagkracht stoppen niet bij de grens. De waarheid is simpel. Onze soevereiniteit zal Europees zijn of zij zal niet zijn.
Europa is geen thema naast andere thema's. Europa is een perspectief. Nederland zal alleen slagen als we in alles steeds meer samen opereren, de buitenwereld naar binnen trekken en de grenzen in ons denken wegnemen. Nergens wordt dat duidelijker dan bij twee van de grootste Europese opgaven van dit moment: uitbreiding en defensie. Daar wil ik het vandaag over hebben.
Een groter Europa is een meer soeverein Europa. De uitbreiding naar de Westelijke Balkan, Oekraïne en Moldavië verkleint de ruimte waarin Rusland en China invloed kunnen uitoefenen. Zij maakt onze markt machtig, wat ons minder kwetsbaar maakt voor misbruik van onze afhankelijkheden. Oekraïne biedt ook de grondstoffen en de goedkope energie die we nu onvoldoende hebben om zelfstandig te handelen, en het heeft het sterkste en modernste leger van Europa. Bovendien dwingt de uitbreiding Europa ook om zelf te hervormen. In 2030 kunnen er 30 leiders in de Europese Raad zitten. Dat zullen ook bestaande lidstaten alleen houdbaar achten als de instituties veranderen: minder veto's, een kleinere Commissie, een flexibele begroting. Al deze voordelen voor Nederland hebben het kabinet ertoe gebracht een stap naar voren te zetten. Het beleid beweegt weg van business as usual, stopt met automatisch nee zeggen en begint met het omarmen van de creativiteit die we nodig hebben nu de nood wetten gaat breken. Mijn fractie mist een visie in de voorstellen op de versnelling en verbetering van het stroperige proces dat sommige landen nu cynisch maakt. Samen met VVD, CDA en PRO hebben we daar om gevraagd. Wil het kabinet daadwerkelijk tussentijds rechten, niet alleen economisch maar ook politiek, verlenen aan kandidaat-lidstaten? Graag een reactie.
Voorzitter. We staan met Europa op een kruispunt. We hebben hier al eerder gestaan, 70 jaar geleden. Militaire dreiging uit Moskou, terugtrekkende bewegingen in Washington, internationale spanningen en interne vertwijfeling. De Europese eenmaking is niet alleen een vredesproject, maar ook een antwoord op een doorgedraaide buitenwereld, toen en nu. Toen leidde het tot de oerknal van de Europese integratie. Kort daarna werd er werk gemaakt van een ander revolutionair idee: de Europese Defensiegemeenschap. Het Pleven-plan moest de nationale soevereiniteit versterken door er een Europese aan toe te voegen. Het wilde de nationale legers samenbrengen in één Europees verband, met één commando, één structuur en één strategische logica. Nederland tekende dat verdrag in 1952 en onze voorgangers hier in de Tweede Kamer gingen over tot ratificatie in 1954. Toch faalde het. Waarom? Frankrijk trok zich terug na het overlijden van Stalin onder druk van de nationalisten, communisten en enkele socialisten. Het idee van een geïntegreerde Europese defensie verdween voor decennia in de la van de geschiedenis.
En nu? Wat doen we nu om Europa te verenigen en te verdedigen? We zien hoe kwetsbaar onze defensiecapaciteit is wanneer die nationaal georganiseerd blijft. Frankrijk kan slechts 80 tot 83 kilometer front verdedigen. Uit oefeningen blijkt dat het weken tot maanden kan duren voordat troepen vanuit heel Europa de buitengrens daadwerkelijk bereiken. Jaarlijks verliezen we als Europeanen tot 90 miljard aan duplicatie, inefficiëntie en gebrek aan gezamenlijke inkoop en planning. Zolang we in verdeelde slagorde blijven opereren, is meer doen niet noodzakelijk beter. Wij willen verder. Meer investeren, zeker, maar ook Europees integreren. Daar is grote publieke steun voor in Nederland en daar zullen wij ook het Europese succes van dit kabinet aan afmeten.
Voorzitter. De Amerikaanse veiligheidsparaplu wordt ingeklapt waar we bij staan. Dan volstaat het niet om de huidige lappendeken aan losse samenwerkingsverbanden boven ons hoofd te houden. Daar heeft de storm die ons teistert geen kind aan. De Schumanverklaring stelde het op 9 mei 1950 al heel erg helder: de vrede kan niet gewaarborgd worden zonder creatieve actie, proportioneel aan de gevaren die de vrede bedreigen. Het is nu, op dit moment van maximale dreiging, dan ook tijd voor de volgende stap: een Europese defensie-unie. Vandaag zijn onze Nederlandse Europarlementariërs te gast. Zij gingen ons van links tot rechts al voor in de oproep tot een Europese defensie-unie. Laten wij, nu zij hier vandaag aanwezig zijn, de brug slaan en die ook vanuit Den Haag als eerste oversteken. Daarom vraag ik het kabinet dit jaar nog het voortouw te nemen bij de bouw van een Europese defensie-unie, samen met zo veel mogelijk lidstaten die dat willen en kunnen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Een interruptie van de heer Dekker.
De heer Dekker (FVD):
Ik heb de indruk dat de heer Klos het begrip "soevereiniteit" wat aan het oprekken is. Het is mij niet helemaal duidelijk. Ik dacht dat soevereiniteit in een land als Nederland betekent dat de hoogste macht uiteindelijk in Nederland ligt. De Nederlandse Staat gaat over de soevereiniteit van de staat Nederland. Maar heb ik nu goed begrepen dat de heer Klos zegt dat er een hogere soevereiniteit is, namelijk die van Europa, en dat die eigenlijk bepalend is?
De heer Klos (D66):
Er is een werkelijke soevereiniteit. Die gaat niet over de wens die wij hebben over hoe de wereld eruit zou kunnen zien of dat je dat op hele kleine schaal zou kunnen organiseren. Die gaat over wat er werkelijk in de wereld gebeurt. Voor mij is dat een realistische blik op hoe de wereld er nu uitziet, dat er techgiganten zijn die gaan over onze data, dat er wereldmachten zijn die ons in de Europese Unie tegen elkaar uitspelen. De manier om grip te krijgen op ons leven en op de toekomst van ons land, dus om soevereiniteit te hebben, is om ons samen te verhullen in de Europese Unie.
De heer Dekker (FVD):
Betekent dat dat de heer Klos vindt dat de Nederlandse soevereiniteit ondergeschikt is aan die van de EU?
De heer Klos (D66):
Nee. Die twee dingen staan niet tegenover elkaar. Volgens mij zijn ze hetzelfde. De Europese soevereiniteit versterkt de Nederlandse en andersom. Het is een waarborg ervan.
De heer Dekker (FVD):
Onnavolgbaar, voorzitter.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Een beetje in het verlengde hiervan. Als je het veto in Europa afschaft, heb je zeker als klein land niet meer zo veel in de melk te brokkelen. Waar blijft dan die d van democratie?
De heer Klos (D66):
Voor mij is het ultieme democratie om samen tot een besluit te komen en dat in meerderheid te doen. Dat doen wij hier ook heel vaak in de Tweede Kamer. Dat kunnen we ook op het niveau van de Europese Unie doen. Ik denk dat wat er de afgelopen tijd in de Europese Unie is gebeurd, pijnlijk is geweest, namelijk dat het gebruik van dat vetorecht tot in den treure misbruikt is door lidstaten die daarmee alle voortgang in de Europese Unie willen blokkeren, Orbán voorop. Ik denk dat we, als wij het serieus nemen dat wij met de Europese Unie vooruit willen, met meerderheid moeten besluiten en niet allemaal uiteindelijk al die besluiten moeten kunnen blokkeren.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Krijg je dan niet een situatie waarbij het dan wel goed is als de meerderheid lijkt op een D66'er? En verlies je daarmee niet de herkenbaarheid, nabijheid en het spreken van een gezamenlijke taal? Deze punten zijn onlosmakelijk verbonden met democratie.
De heer Klos (D66):
Ik vind dit een goede vraag. Ik denk dat wij hier in de Tweede Kamer verantwoordelijk zijn voor de herkenbaarheid en de nabijheid van de politiek en ik denk dat ook onze collega's in de provincie en de gemeenten daarvoor verantwoordelijk zijn. Maar voor het slagvaardig opereren van de Europese Unie is nu een doorbraak nodig. Dan volstaan de oude instituties niet. Dan hebben we nieuwe nodig.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat klinkt lekker, maar feitelijk betekent dat dan dat je dus niet meer gaat over wat er in je eigen land gebeurt, want je wordt weggestemd op Europees niveau. Wat betekent dit trouwens voor de uitbreiding van de Europese Unie, waar D66 ook rücksichtslos voorstander van is? Waarom zou je lid worden van iets waardoor je vervolgens niets meer te zeggen hebt omdat je geen veto meer hebt en je je hebt aan te sluiten bij de meerderheid van dat moment?
De heer Klos (D66):
Volgens mij heb je dan nog wel heel veel te zeggen. De eerste prioriteit van de Kamer en het kabinet ligt bij het afschaffen van het veto op het buitenlandbeleid. Ik denk dat dat heel logisch is, want anders krijg je een Europa dat uiteindelijk niet kan reageren op crises om ons heen. Daar moet de prioriteit liggen en daar spoor ik het kabinet ook toe aan.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Toch even. Wat je volgens mij dan mist, is juist het geworteld zijn in de gemeenschap. Juist als het gaat over buitenlandbeleid, vrede en oorlog, is het ongelofelijk belangrijk dat degenen die daarover besluiten herkenbaar en nabij zijn voor de mensen die de consequenties daarvan voelen, in een taal die ze begrijpen. Het klinkt lekker progressief en het klinkt lekker internationaal, maar is D66 niet met mij bang dat je op een gegeven moment het draagvlak onder de Europese Unie ondermijnt?
De heer Klos (D66):
Nee, daar ben ik niet bang voor. Ik denk dat het draagvlak voor de Europese Unie ondermijnd wordt als mensen continu zien dat de Europese Unie niet in staat is om te handelen. Dat is de situatie waar we nu voor staan. Ik denk dus dat als we spreken over draagvlak, het daarover zou moeten gaan.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik denk dat legitimiteit van een democratie en van de vertegenwoordigers in een democratie bevorderd wordt door volksvertegenwoordigers die een beetje spaarzaam omgaan met de middelen die ze zichzelf toebedelen. Als je dan op internet ziet wat volksvertegenwoordigsters en ook functionarissen in Europa allemaal krijgen: zo'n €11.000 bruto per maand en een onkostenvergoeding van iets meer dan €360 per dag. Een Eurocommissaris krijgt zelfs meer dan €20.000 per maand. Dan zijn er nu ook nog gesprekken tussen Europarlementariërs gaande over het versoepelen van de regels, zodat het makkelijker wordt om die vergoeding van meer dan €360 per dag te kunnen krijgen. En dan hebben we ook nog het verhuiscircus tussen Brussel en Straatsburg dat tientallen miljoenen kost. Is D66 het met mij eens dat we de Nederlandse regering in ieder geval naar Europa moeten sturen met de boodschap onder de arm dat deze geldsmijterij moet stoppen?
De heer Klos (D66):
Ja. Er zit iemand achter u, Gerben-Jan Gerbrandy, van mijn partij, die hier al jaren voorstellen voor doet en die met scherpte, vanuit de budgetcommissie van het Europees Parlement, precies de punten maakt die u vandaag maakt. Ik denk dat het in dit debat belangrijk is om te zeggen dat partijen die pro-Europees zijn — dat zijn wij in de basis en ik denk ook dat u dat bent — niet voor alles van Europa staan. Ik ben niet een functionaris van Europa. Sterker nog, ik wil Europa veranderen.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik ben blij met het antwoord van meneer Klos. Inderdaad ben ik erg voor Europese samenwerking. Ik ben ook voor het versterken van de Europese samenwerking. Maar ik denk dat de legitimiteit van Europa echt lijdt onder dit soort exorbitante vergoedingen. Ik hoop in ieder geval dat ik de moties die ik zal indienen om de Nederlandse regering met deze boodschap op pad te sturen, door de heer Klos en D66 gesteund zullen worden. Het antwoord van de heer Klos is goed om te horen.
De voorzitter:
De heer Klos spreekt via de voorzitter.
De heer Klos (D66):
Voorzitter, dank u wel.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik wil even terug naar de ambities die werden geuit rond het gemeenschappelijke buitenlandse veiligheidsbeleid. Ik ken de heer Klos inmiddels als een heel idealistisch, maar ook realistisch Kamerlid. In dat licht de volgende vraag. We hebben te maken met een Slowaakse premier Fico, die onlangs nog een parade bijwoonde met Kim Jong-un en Poetin. We hebben te maken met een Pedro Sánchez, de premier van Spanje, die NAVO-afspraken aan zijn laars lapt. En het is niet helemaal ondenkbaar dat we volgend jaar misschien wel een Le Pen of een Bardella in het Élysée hebben. Hoe gaan we om met die verschillen? Hoe realistisch is het dan om werkelijk te komen tot zo'n eenheid van buitenlands beleid zoals de heer Klos die uitlegde?
De heer Klos (D66):
Dank voor deze vraag. Dit is ook het thema geweest van een aantal van de voorbereidende sessies die wij hebben gehad voor dit plenaire debat, namelijk een Europa van verschillende snelheden. Ook ik heb de zorg dat er binnen Europa geen eenduidig beeld is van de veiligheidsstrategie die we zouden moeten hebben. Daar bestaat gewoon verschil over. Voor een deel daarvan kunnen we zeggen dat we dat accepteren. Maar voor een ander deel daarvan denk ik dat het niet zal lukken om met alle lidstaten vooruit te gaan. Daarom vraag ik het kabinet vandaag om het voortouw te nemen bij zo'n Europese defensie-unie, die de lidstaten verzamelt die het kunnen en willen, en die het ook met ons eens zijn over het strategisch concept. Dus in zekere zin ben ik het met de heer Van Dijk eens dat wij daar wel voorzichtig mee om moeten gaan.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Helder. Dus als ik het goed begrijp, hoeft niet per se alles onder een EU-vlag, maar kun je ook met landen een coalition of the willing vormen en in dit soort flexibele structuren verder komen. Heb ik het zo goed begrepen?
De heer Klos (D66):
Ja, dat denk ik wel. Het is natuurlijk wel zo — in het verleden hebben we dat bijvoorbeeld ook met het Schengenverdrag gedaan — dat die uiteindelijk wel onder de Europese paraplu komen. Ik denk ook dat het wenselijk is dat je een groep lidstaten de kans geeft om vooruit te gaan. Die moeten zich dan wel weer voegen bij de andere lidstaten als die daar klaar voor zijn, want het mag niet permanent uit elkaar lopen wat mij betreft.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Gerbrandy, eveneens namens D66.
De heer Gerbrandy (EP/D66):
Dank u, voorzitter. Vanaf dit spreekgestoelte nogmaals dank voor de uitnodiging. Het is altijd een zeer groot genoegen en een eer om in uw Kamer te mogen spreken.
"De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was een confederatie met trekken van een defensieverbond en een douane-unie. De Republiek werd opgericht in 1588. Ze verwierf in de zeventiende eeuw grote politieke en economische macht en speelde gedurende ruime tijd een hoofdrol op het wereldtoneel." Dit komt van Wikipedia. Het is duidelijk dat de parallellen met de huidige tijd heel erg groot zijn. Wat toen de onafhankelijke Provinciën waren, zijn nu de Europese lidstaten. Eind zestiende eeuw stonden de Provinciën zwaar onder druk. Alleen door militair en economisch intensief te gaan samenwerken, konden ze de vijandigheden van Spanje, Frankrijk en Engeland weerstaan. Wat volgde waren een vergaande politieke eenwording en de creatie van het huidige Nederland, en vervolgens ook nog een gouden eeuw.
De geschiedenis herhaalt zich, maar wel op een veel grotere geografische schaal. Dat is niet zo vreemd, want in de zeventiende eeuw deed men er meer dan twee dagen over om van Den Haag naar Groningen te komen. Dat is veel langer dan het nu is van Den Haag naar Tallinn. In wezen staan we nu voor dezelfde politieke keuzes als toen.
Mario Draghi heeft het ons twee jaar geleden duidelijk voorgespiegeld: of we kiezen voor een echte Europese aanpak van economie en politiek, of we zijn gedoemd tot een langzame kwelling, een slow agony in het Engels. Voor degenen die Draghi te Europees vinden: de boodschap van de heer Wennink was exact dezelfde.
Wat zijn de keuzes die nu voorliggen? Dat is of we elkaar op de vierkante millimeter de tent blijven uitvechten of dat we Europa sterker en eensgezinder maken. Wachten we angstig op de volgende energiecrisis of gaan we Europa energieonafhankelijk maken met onze eigen schone energie? Blijven we ons focussen op 27 nationale economieën of gaan we eindelijk echt profiteren van de kracht van één Europese markt? Gaan we ieder voor zich enorme financiële offers brengen om de defensie-uitgaven te bekostigen of doen we het, bewezen efficiënter, in Europees verband? Laten we Rusland en China hun invloed in de Balkan en de Kaukasus uitbreiden of zorgen we door een slimme, strategische uitbreiding van de Europese Unie dat wij daar zelf sterker en weerbaarder van worden?
Deze keuzes komen allemaal op hetzelfde neer: een slow agony of slim Europees. Die keuzes liggen nu voor. Het gevoel dat deze keuzes nu gemaakt moeten worden, leeft ook heel sterk in de andere lidstaten. Macron, Merz, Tusk, Stubb: allemaal weten ze wat nodig is. Gelukkig heeft dit kabinet aangegeven ambitieus te zijn op de Europese agenda en wil het mede aan het stuur zitten. Ik zie weer een Nederlandse minister-president die in het centrum van de Europese macht opereert en die bereid is om initiatieven te nemen. Ik zie een minister van Buitenlandse Zaken die niet alleen de juiste personen in Brussel heel goed kent, maar die ook weet dat het ijzer nu heet is en dus nu gesmeed dient te worden. Bij een minderheidskabinet is het vooral cruciaal dat de Tweede Kamer in meerderheid de volgende stappen naar een sterker Europa wil zetten.
400 jaar geleden waren niet alleen de kracht en visie van Johan van Oldenbarnevelt nodig, maar net zozeer de overtuiging van een net opgerichte Staten-Generaal om door verdergaande vereniging de toekomst van de Nederlanden veilig te stellen. De Provinciën van toen lieten zich leiden door misschien wel de meest Nederlandse karaktereigenschap die er bestaat: nuchterheid. Nuchterheid in hoe veiligheid en welvaart het beste gewaarborgd kunnen worden. Nuchterheid in een tijd waarin men doorhad dat ideologieën over provinciale soevereiniteit achterhaald waren. Kortom, ik wens uw Kamer vooral heel veel nuchterheid toe.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Becker voor haar inbreng namens de VVD.
Mevrouw Becker (VVD):
Voorzitter. Wie in een ander land in Europa op vakantie is, ziet ze in de kleinste dorpjes tot de grootste steden: herdenkingsmonumenten voor gesneuvelde jonge jongens, voor families in twee wereldoorlogen. Mijn dochter van zes begon daar afgelopen zomervakantie naar te vragen. "Waarom wordt het oorlog?" en "Komt dat dan nu niet meer?" Wat we haar uitleggen is dat we in Europa ooit met elkaar in oorlog waren, maar dat we daarna afspraken dat het nooit meer mocht gebeuren.
Toen ik zelf op de basisschool zat, was het verhaal dat we het met de EU en "straks met de euro" allemaal steeds beter zouden hebben. Toen ik ging studeren was "globalisering" het toverwoord. Men wist ook toen al dat Europa de wedstrijd niet aan het winnen was met computertechnologie of met cruciale grondstoffen. Maar we dachten dat wij via vrienden als de VS en China, die deze zaken in hoog tempo ontwikkelden en produceerden, aan alles zouden kunnen komen om onze eigen welvaart op peil te houden. Ook zouden de Amerikanen ons veilig houden, zodat wij konden bezuinigen op defensie.
Wat zaten we ernaast. We hebben te maken met een oorlog op ons continent. Democratische waarden en multilateralisme: op een glijbaan. En naast een fysieke oorlog zitten we in een serieuze economische oorlog. Het is vijf voor twaalf. Het is bittere noodzaak dat de Europese Unie werkt aan strategische autonomie, investeert in defensie, een Chips Act, een CLOUD Act, een Industrial Accelerator Act, minder regels, Omnibussen. Al die ambities vindt de VVD belangrijk en ze ondersteunt die ook, met wat ons betreft drie prioriteiten: veiligheid, economische groei en grip op migratie.
Voor wat betreft veiligheid: hoe zorgt het kabinet voor betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij al die Europese defensieprojecten? Waar blijven de plannen voor een Nederlandse DARPA voor defensietechnologie? De plannen voor kennisveiligheid: hoe voorkomen we dat onze kennis, bijvoorbeeld op het terrein van biotech en zaadveredeling, wordt gekaapt door landen als China? Dat is een reëel scenario.
Voor wat betreft bedrijvigheid het volgende. Ingewikkelde kapitaalverstrekking en regelgeving doet bedrijven momenteel vluchten uit ons land en uit de EU. De vervolmaking van de savings and investment union moet topprioriteit zijn. Graag uw toezegging. En ook zijn de AI Act en CLOUD Act een voorbeeld van hoe een goed idee toch verzandt in Brusselse bureaucratie. Wil Nederland alstublieft vereenvoudiging bepleiten, met simpelere regels voor bedrijven over wat zij allemaal op papier moeten aanleveren voor deze wetgeving?
Voor meer grip op migratie vraag ik: is het kabinet bereid om met een groep landen te werken aan opvang buiten de Unie? Concreet: kan Nederland een non-paper op de agenda plaatsen, op basis van het recente Clingendaelrapport Grenzen verleggen?
Voorzitter. Met al deze ambitie is de vraag: gaat de Unie leveren? Eerlijk gezegd is de VVD bezorgd. De wereld is totaal veranderd, maar de Unie is net zo georganiseerd als twintig jaar geleden. Als we een handelsverdrag willen bekrachtigen, moet dat eerst in alle talen vertaald zijn. De EU moet van olietanker een wendbare zeilboot worden, koersvast inspelend op stormen die in onze omgeving waaien. Lichter ook, met meer ruimte voor ondernemerschap en initiatief.
Nu las ik het interview van de minister-president in de Financial Times en daarin zei hij: minder zeuren en meer aan de slag. Daar ben ik het mee eens. Maar hij zei ook dat hij voor zichzelf een rol ziet in de EU als bruggenbouwer en bemiddelaar tussen Frankrijk en Duitsland. En hoe nobel ook, de VVD wil dat de agenda van Nederland bovenaan staat. Dus: wees aanjager van urgentie en wendbaarheid in de EU. Roep vaker artikel 3.26 van het Verdrag betreffende de werking van de EU in, voor nauwere samenwerking met kopgroepen, waarbij vrienden zoals het VK en Noorwegen ook meegenomen worden. Zet in op het schrappen van het veto op het terrein van buitenlandse veiligheid, voor meer daadkracht in de wereld. Durf ook aan de rem te trekken als voorstellen dreigen de financiële gezondheid van de EU, en dus ook Nederland, te ondermijnen. Durf nee te zeggen tegen permanente schuldenoverdracht of een alsmaar uitdijend MFK, zoals we op dit moment zien. Durf zelfs ook nee te zeggen als landen als Duitsland en Frankrijk blijven vasthouden aan hoe we de dingen altijd deden, zoals de vertalingen van handelsakkoorden, maar ook als zij het belang van hun eigen industrie laten prevaleren boven ons belang. Zoek ook andere bondgenoten zoals de Nordics en de Baltics. Als we dit allemaal echt gaan doen, dan kunnen we hier sterker uitkomen. Dan kan ik mijn dochter komende zomer vertellen dat we niet alleen "ooit" afspraken dat we onszelf veilig en sterk zouden houden, maar dat we daar ook daadwerkelijk alles aan doen.
De heer Van der Lee (PRO):
Dat is een duidelijke erkenning van de geopolitieke noodzaak om te handelen. Mevrouw Becker roept "durf" en "daadkracht", maar hoe zit het dan met de duiten? De VVD zegt nee tegen een grotere Europese begroting, nee tegen eurobonds en nee tegen een hogere afdracht voor Nederland. Ik zag dat minister Heinen al heeft gereageerd op het aangepaste voorstel van Cyprus, de voorzitter. Het is zelfs naar beneden bijgesteld, maar ook dat is onacceptabel. Hoe kan die durf en daadkracht zonder voldoende duiten plaatsvinden in de Europese Unie?
Mevrouw Becker (VVD):
De Europese Commissie heeft een voorstel gedaan voor een veel hogere Europese begroting dan we nu hebben. Het Cypriotische voorstel is om dat met 2% te verlagen. Dat is eigenlijk al veel te weinig, want wij willen een veel lagere begroting, maar daarbinnen worden bovendien niet de gedurfde keuzes gemaakt die nodig zijn. Als je echt wil dat Europa de plek wordt waar de technologie van de toekomst wordt ontwikkeld, dan zul je daarin moeten investeren. Dat betekent niet dat je om dat te doen allerlei nieuwe belastingen in het leven gaat roepen, de eigen middelen gaat vergroten en met eurobonds gaat werken. Het betekent dat je keuzes gaat maken en zegt waar het minder kan, bijvoorbeeld bij de cohesiefondsen en bij de landbouw. Dat zien wij niet terug en daarom vind ik het heel verstandig dat minister Heinen zegt wat we ook in het coalitieakkoord hebben afgesproken. Dat is dat Nederland inzet op een robuust en modern MFK. Verder willen wij dat de eigen korting op de afdracht behouden blijft.
De heer Van der Lee (PRO):
Aan de ene kant put ik dan hoop uit het feit dat de VVD erkent dat er in toenemende mate sprake is van een geopolitieke logica en dat de oude institutionele logica, ook binnen de Unie, die al 75 jaar bestaat, daar niet meer tegen bestand is. Ik zie echter in de Nederlandse opstelling tegenover de financiering van de Europese Unie een oude institutionele logica, die al jaren, al decennia hetzelfde is. Altijd proberen om voor een centje op de eerste rang te zitten: daarmee komen we toch niet tot die durf en die daadkrachtige Unie?
Mevrouw Becker (VVD):
Ik zou de heer Van der Lee willen uitdagen om zelf te doen wat hij voorstelt, namelijk afscheid nemen van de oude institutionele logica van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
De voorzitter:
PRO!
Mevrouw Becker (VVD):
Sorry, van PRO. Maar in het verleden was het natuurlijk GroenLinks-Partij van de Arbeid, voorzitter.
Die oude logica is altijd maar meer geld uitgeven aan wat je belangrijk vindt en daar ook de belastingen voor verhogen. Dat is wat op dit moment door de Europese Commissie wordt voorgesteld en dat vinden wij onverstandig. Maar ik hoop dat de heer Van der Lee en ik elkaar kunnen vinden in de nieuwe doelen, doelen waar we gericht in moeten investeren, bijvoorbeeld defensie en technologie. Ik daag de heer Van der Lee tegelijkertijd uit om ook eens aan te geven waar het minder kan.
De heer Van der Lee (PRO):
Daar kunnen we het vast een keer over hebben, maar het is nu het moment dat de Europese Unie meer moet zijn dan een gezamenlijke markt. De Unie moet, gelet op de geopolitieke omgeving, ook een politieke en militaire unie zijn en groter worden dan de huidige 27 lidstaten. En dat kan niet zonder meer duiten. Daar kan de VVD niet omheen, lijkt mij.
Mevrouw Becker (VVD):
Daar ben ik het niet mee eens. We hadden de afgelopen week de gelegenheid om als Kamerleden een briefing bij te wonen van de Europese Rekenkamer, die zicht houdt op hoe het geld in Brussel besteed wordt. Als je goed luistert naar wat daar gezegd wordt, weet je dat er nog ontzettend veel winst is te behalen door veel meer te kijken waar geld echt nodig is en hoe we daarmee doelen kunnen bereiken. Ik denk dat dat een veel betere weg is dan om steeds maar meer geld te vragen van de burgers in de Unie. Dat gaat onze economie niet helpen en dat gaat ook onze veiligheid niet helpen.
De heer Dassen (Volt):
Ik kon het verhaal van mevrouw Becker voor een groot deel volgen, maar dat lukte niet meer toen zij erover begon dat het tijd is geworden dat de Europese Unie gaat leveren. Toen dacht ik: oké, nu gaat het komen. Het was tijd voor daadkracht en tijd voor durf. We moesten niet meer zo ongeorganiseerd zijn als twintig jaar geleden. Maar toen gaf ze opeens de minister-president een veeg uit de pan, want niet het Europese belang maar het Nederlandse belang moet volgens haar bovenaan staan. Ik vraag me dan wel af hoe zij die twee dingen met elkaar kan rijmen. Hoe kun je het met elkaar rijmen dat je aan de ene kant zegt dat we het niet meer zo moeten doen als twintig jaar geleden en aan de andere kant dat het Nederlandse belang bovenaan moet staan?
Mevrouw Becker (VVD):
Ik denk dat we het niet meer doen zoals twintig jaar geleden en dat is het Nederlandse belang. Ik heb de minister-president absoluut geen veeg uit de pan gegeven. Ik heb hem zelfs een compliment gegeven voor het feit dat hij ook vindt dat Brussel moet leveren. Maar tegelijkertijd geeft hij wel in een interview aan dat hij voor zichzelf een rol ziet weggelegd als bruggenbouwer tussen Frankrijk en Duitsland. Als je jezelf opstelt als bemiddelaar en vindt dat twee andere landen er goed uit moeten komen met hun agenda's, dan leg ik de vraag in ons midden neer: waar blijft dan je eigen agenda? Wat mij betreft is dat dus vooroplopen bij die agenda voor regelgeving voor de kapitaalmarktunie. Dat is kopgroepen zoeken, soms ook met het VK en Noorwegen. Soms moet je ook rücksichtslos nee durven zeggen als je het er als Nederland niet mee eens bent omdat het jezelf financieel raakt. Daarom heb ik de minister-president gevraagd om hierop een reactie te geven.
De heer Dassen (Volt):
Dit is voor mij precies de logica van twintig jaar geleden, maar de wereld is dusdanig veranderd dat deze logica niet meer gaat werken. Als elk land, als al die 27 landen steeds maar individueel blijven handelen vanuit hun eigen nationale belangen, dan gaan we natuurlijk nooit de koers van die olietanker veranderen. Dan gaan we de Europese Unie niet futureproof maken, klaar voor die 21ste eeuw. Mijn vraag aan mevrouw Becker is dan ook: ziet zij ook voor zich, naast het veto op buitenlandbeleid, dat er hervormingen nodig zijn om de Europese Unie sterk en slagvaardig te maken? En kan zij er enkele voorbeelden van geven wat voor de VVD de stip op de horizon is van hoe de Europese Unie in de toekomst moet functioneren?
Mevrouw Becker (VVD):
Dank voor deze vraag. Ik denk dat er zeker hervormingen mogelijk en nodig zijn. Ik heb hier zelf een motie ingediend, die ook met brede steun is aangenomen, om bijvoorbeeld naar uitbreiding te kijken. Ik denk dat de geopolitiek ons dwingt om landen, bijvoorbeeld de Westelijke Balkan, dichterbij in de invloedsfeer van de EU te houden, ook als zij nog niet voldoen aan alle criteria die we in Kopenhagen hebben vastgelegd. Die graduele toetreding, dat Europa van meerdere snelheden: ik denk dat dat een belangrijke hervorming is. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat je naast het afschaffen van het veto op buitenlandbeleid wel zelf blijft gaan over zaken die jou fundamenteel kunnen raken. Eurobonds: als Nederland uiteindelijk blijft opdraaien voor schulden die in andere landen gemaakt worden, verzwakt dat niet alleen Nederland, maar ook de Unie als totaal. Het is dus soms ook de Nederlandse agenda om de Unie niet te laten verzwakken vanuit kortetermijnbelangen van bepaalde lidstaten, maar ook in de gaten te houden dat we daadwerkelijk werken aan versterking. Zo'n slank en modern MFK bijvoorbeeld is daarvoor nodig.
De heer Dassen (Volt):
Ik blijf er toch een beetje bij hangen dat dit de Europese Unie van twintig jaar geleden is, waarin mevrouw Becker ons weinig meegeeft wat we nu nodig hebben. Als ik haar vraag wat er nu hervormd moet worden om slagvaardig en daadkrachtig te worden, dan geeft zij aan dat er uitbreiding plaats gaat vinden. Dat was niet mijn vraag. Ik denk dat we, zeker als er uitbreiding aan gaat komen, ook intern ervoor moeten zorgen dat de Europese Unie echt slagvaardiger wordt. Dat doe je niet op de manier waarop we dat nu doen. Dat doen we niet met 27 nationale belangen. Dat doen we niet als Nederland op de rem blijft staan als er meer geld beschikbaar moet worden gesteld, juist om die grote uitdaging aan te pakken. Dus nogmaals mijn vraag: wat is nou voor de VVD precies de Europese Unie van de toekomst? Is dat precies hetzelfde als hoe we het nu doen, of worden er daadwerkelijk hervormingen voorgesteld?
Mevrouw Becker (VVD):
Ik ga daar heel graag op antwoorden, maar ik zou de heer Dassen willen uitnodigen om dan ook goed te luisteren. Hij haalt namelijk één element uit mijn antwoord en zegt dan "het enige idee van de VVD is om iets te doen aan uitbreiding", terwijl ik net een heel betoog heb gehouden over hoe we een meer wendbare EU voor elkaar kunnen krijgen. Dat gaat ook over vaker werken met kopgroepen en vaker artikel 336 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inroepen. Dat gaat ook over het schrappen van het veto op het terrein van buitenland- en veiligheidsbeleid, waardoor we wel degelijk daadkrachtiger kunnen optreden.
Dat gaat er bijvoorbeeld om, te kijken of je met een kopgroep een stap kan zetten op het terrein van defensie, op het terrein van de kapitaalmarktunie of op het terrein van kernenergie. Ik noem ook een nieuwe manier van werken, waarbij je niet altijd hoeft te wachten op alle 27 lidstaten om vooruit te komen. Ik denk dat dat allemaal ideeën zijn die ik hier net heb neergelegd. Dat wil niet zeggen dat je, zoals Volt misschien zou willen, je soevereiniteit volledig overdraagt en zegt: er wordt een nieuw voorstel gedaan voor een MFK; laten we maar tekenen bij het kruisje. Dat raakt belangen van Nederlanders, dat verzwakt de Unie en dan moeten wij nee durven zeggen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik hoor het verhaal van mevrouw Becker aan. Ik denk dat het een interessant verhaal is voor de centrumrechtse kiezer. Maar dan moeten we ook even kijken naar de daden. Als we namelijk kijken naar de afgelopen jaren en de uitdagingen die collega Becker nu schetst, dan zien we dat de VVD de architect is geweest van heel veel van die problemen. Als we het hebben over de regeldruk voor onze ondernemers, als we het hebben over de CSRD, die groene rapportageverplichting, over de CSDDD, die verschrikkelijke "due diligence"-verplichtingen, dan is het toch de VVD die aan de wieg heeft gestaan van die problemen. Dus toch even een vraag om reflectie daarop.
Mevrouw Becker (VVD):
Ik welk debat je ook zit, je kan er altijd van verzekerd zijn dat er een moment komt dat alles de schuld is van de VVD. Ik was voorbereid op zo'n soort van interruptie. Als we het dan ook hebben over alles wat goed gegaan is, wat dankzij de VVD goed gegaan is, dan kunnen we elkaar misschien ergens in het midden vinden. Ik denk dat het altijd goed is om te reflecteren op vragen als: waarom heb je dingen in het verleden zo met elkaar georganiseerd? Ik weet dat als het bijvoorbeeld gaat over maatschappelijk verantwoord ondernemen, de VVD daarbij heel lang juist heeft ingezet op zelfregulering en heeft gezegd: je moet niet allerlei wetgeving hebben waardoor bedrijven in Nederland aan veel meer eisen zouden moeten voldoen dan bedrijven in de ons omringende landen. Als je dan al wetgeving wilt, doe dat dan Europees. Vervolgens zitten wij in Brussel en doen we daar weer ons best om die regelgeving zo eenvoudig en slank mogelijk te krijgen. Mijn fractie in Brussel kijkt nu bijvoorbeeld naar die CLOUD Act en die AI Act die er nu liggen. Goed idee, in theorie, maar wat betekent dit voor bedrijven? Een enorme papierwinkel. Dat moet dus beter. We moeten dus leren van hoe we de dingen in het verleden hebben gedaan en zorgen dat het werkbaar is voor bedrijven. We maken het namelijk soms zo complex, dat ze in China en Amerika lachen om hoe lang wij erover doen om iets te vereenvoudigen voor bedrijven. Die zitten dan inmiddels al lang daar.
De heer Hoogeveen (JA21):
Niet alles is de schuld van de VVD; dat kan ik wel bevestigen.
Mevrouw Becker (VVD):
Die heb ik dan binnen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Maar de lijst is best wel lang. Kijk naar de problemen waar we nu voor staan en naar de gevolgen van de Green Deal die over Europa zijn uitgestort. Daar stond de VVD voor in. Ik kan me nog herinneren dat toen ik in het Europarlement zat, een VVD-rapporteur met beide handen in de lucht stond omdat hij de brandstofmotor had verboden, als rapporteur, met de steun van links en radicaal-links. En nu zegt de VVD ineens: o nee, nee, dat was toch niet zo heel verstandig. Ja, u was de aanjager van dat beleid. Ik vind het toch iets te veel een verkeerde voorstelling van zaken dat u echt heel erg vaak op de rem heeft getrapt. Zeker in het geval van het verbieden van de brandstofmotor drukte u het gaspedaal nog even in.
De voorzitter:
U richt zich tot mevrouw Becker. Mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Daar ben ik het niet mee eens. Er zijn ook partijen die soms met oogkleppen op kijken naar toch wel grote problemen die er in de wereld zijn, waar we ook rekenschap van moeten geven. Je kan denken: laat verduurzaming allemaal maar zitten. Dat doen ze in bepaalde andere delen van de wereld. Wij streven echter een systeem na waarbij je bedrijven laat verduurzamen, maar ze het wel laat meemaken. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de auto-industrie, want er zijn inderdaad op een gegeven moment afspraken gemaakt over de brandstofmotor. Er is daarna echter ook met de industrie om tafel gezeten over wat die ervoor nodig had om dat ook mee te kunnen maken, zodat Europa die eigen auto-industrie houdt in plaats van dat die verdwijnt. U verwijst nu naar één moment, maar de inzet van mijn partij is altijd om realistisch te kijken naar wat er in de wereld gebeurt en wat dat betekent voor bedrijven die ermee te maken hebben, en om bedrijven hier te houden en hier naartoe te laten komen. Ik denk dat we daarin minder tegenover elkaar zouden moeten staan; ik denk dat JA21 en de VVD elkaar daar juist in zouden moeten kunnen vinden.
De heer Hoogeveen (JA21):
Daar ben ik het mee eens, hoor. Laten we niet te veel terugkijken; laten we ook vooruitkijken. De kern van de vragen die ik stel, is dat ik bang ben dat de VVD toch vaak net niet kritisch genoeg kijkt naar wat er uit Brussel op ons afkomt. Over groen en klimaat wordt dan nu niet meer gesproken, maar nu hebben we het over "de geopolitieke uitdagingen van de toekomst". Dan zie ik dat de VVD toch ook veel meebeweegt met voorstellen op Franse leest die nu in Europa op het bureau liggen: de Industrial Accelerator Act en extra handelstarieven op China. Kijk, dat is dus ook een kwestie van vooruitkijken. Uw partij, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Becker, is ook een voorstander van vrijhandel. Denk dan ook mee en blijf ook kritisch denken in Brussel en Straatsburg.
Mevrouw Becker (VVD):
Daar ben ik het eigenlijk helemaal mee eens en dat is ook wat wij doen. De Industrial Accelerator Act is een goed voorbeeld. Je kan meteen zeggen "nu bemoeit Brussel zich weer ergens mee, dus ben ik tegen", maar als je aan tafel zit om over zo'n Industrial Accelerator Act te praten ... In de voorstellen staat bijvoorbeeld: we willen meer toe naar made in Europe. Het is echter niet realistisch om van onze bedrijven die daar gebruik van willen maken te vragen dat alle onderdelen waar ze mee werken hier gemaakt moeten zijn. Dus streven wij naar "made with Europe". Als we dat voor elkaar kunnen krijgen in die act, doen we iets voor onze industrie op een manier die bedrijven echt helpt. Dat is waar wij iedere dag in dit parlement, en mijn collega Azmani in Brussel, mee bezig zijn.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Je kunt je ook afvragen: waar bemoeit Europa zich allemaal mee? Een vraag hierover. Als ik de VVD hoor praten over het Meerjarig Financieel Kader, moet ik denken aan 2019. Toen zou er ook geen euro extra naar Brussel gaan. Uiteindelijk ging er wel geld naar Brussel. Wat wil de VVD daarvoor terug hebben? Ik heb een tip: moeten we niet eens kijken naar hoe Nederland op slot gezet is door de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Nitraatrichtlijn en al dat soort zaken die in Nederland, dichtbevolkt als wij zijn, zo langzamerhand gewoon niet uitvoerbaar zijn? Laat ik maar niet beginnen over de ellende van de Natuurherstelverordening. Moet de VVD niet eens een keer wat terug gaan vragen voor dat geld dat naar Brussel gaat, waarbij ik denk dat ze uiteindelijk het pleit niet gaan winnen?
Mevrouw Becker (VVD):
Ik zou toch eerst willen ingaan op de eerste opmerking van mevrouw Keijzer, "je kunt ook denken: waar bemoeit Brussel zich allemaal mee?", in reactie op mijn verhaal over de Industrial Accelerator Act. Ik denk dat het zou helpen als wij hier allemaal inzien dat wat er op dit moment in de wereld gebeurt met staatssteun voor industrieën in China, in de VS en op andere plekken en met deregulering, echt oneerlijke concurrentie is voor onze bedrijven. Het is heel belangrijk dat de EU daar gezamenlijk een antwoord op heeft. Dat gaan wij als Nederland nooit in ons eentje redden. Dit gaat dus nogal ergens over; dit gaat over onze economische toekomst. Het is niet "wat wil de VVD daarvoor terug?", het is cruciaal om voor de Nederland op te komen. Dat is één.
Dan kom ik bij het tweede. Ik ga het kort proberen te houden, voorzitter. Ik ben het ermee eens dat Brussel soms een olietanker kan zijn. Ik heb dat net ook al aangegeven. Er zijn soms veel te veel bureaucratische regels gemaakt die niet werken voor ondernemers, voor mensen. Het is daarom goed dat er nu aan die omnibussen gewerkt wordt en dat we dereguleren. De VVD is daar voorstander van. Ik noem een voorbeeld. Als jij een fabriek maakt die er uiteindelijk voor kan zorgen dat er stikstofvermindering is maar het bouwen van die fabriek tijdelijk tot meer uitstoot leidt, dan kan je door de Brusselse regels die fabriek niet bouwen. Ik ben het meteen met mevrouw Keijzer eens dat we dat soort dingen moeten aanpakken. Tegelijkertijd hebben we wel regelgeving met elkaar. Die is er niet voor niets. Dat in een keer allemaal wegwuiven door te zeggen "waar bemoeit Brussel zich allemaal mee", doet tekort aan wat er daadwerkelijk gebeurt.
De heer Stöteler (PVV):
Het ging net even over de auto-industrie en de industrialisatie, of de-industrialisatie, van Europa als geheel. Gaf mevrouw Becker China nou de schuld van het verdwijnen van onze industrie?
Mevrouw Becker (VVD):
Nee.
De heer Stöteler (PVV):
Oké. Zij wijst naar China en zegt: daar wordt gedereguleerd en daar wordt overheidssteun gegeven. Dat zou een reden zijn voor het verdwijnen van onze industrie. Neem de auto-industrie. Denkt mevrouw Becker dat je het leven van de auto-industrie makkelijker of juist moeilijker maakt als je tegen de auto-industrie zegt dat 85% van een gebouwde auto na 72 maanden gerecycled moet kunnen worden?
Mevrouw Becker (VVD):
Het ging net over de Industrial Accelerator Act. Ik heb aangegeven wat daar de noodzaak van is, namelijk omdat we het aan het verliezen zijn. We zitten in een economische oorlog. Waar we vroeger met elkaar nog afspraken maakten binnen organisaties als de World Trade Organization en waar we vroeger nog het spel speelden volgens regels waar we … Ik zie dat de heer Stöteler heel graag een Fisherman's Friend wil uit vak K.
De voorzitter:
Ik weet nou niet helemaal wat er hier precies gebeurt.
Mevrouw Becker (VVD):
Ik ga ondertussen door met mijn antwoord.
De voorzitter:
Het verzoek van de heer Stöteler kan via de bodes worden doorgeleid naar het kabinet. U vervolgt uw antwoord, mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Het was meer in algemene zin. Vroeger hadden we nog een World Trade Organization. Vroeger hadden we nog handelsafspraken met elkaar. Vroeger was er nog een systeem waarvan je kon zeggen: daarin is sprake van fair play. Daar is nu geen sprake meer van. Als we dan zien dat onze industrie steeds meer met extra regels te maken heeft en de industrieën in landen als de VS en China met minder regels te maken hebben en ook nog staatssteun krijgen, dan is het heel wijs dat de Europese Unie daar beleid op maakt en ervoor zorgt dat ook onze industrie dat mee kan maken. Dat is wat ik zei. Daarmee wil ik niet zeggen dat alle regelgeving die we voor de auto-industrie hebben per definitie goede regelgeving is.
De heer Stöteler (PVV):
Mooi. Dan wil ik het tot slot over het MFK hebben. Mevrouw Becker is redelijk kritisch op de Europese begrotingen. Dat klinkt natuurlijk mooi. Zo horen we de VVD in het Europees Parlement eigenlijk zelden. Als de Europese Unie een groot nivelleringsproject is waarmee armere landen worden gespekt door de rijkere landen, hoe denkt mevrouw Becker dan een kleinere begroting en kleinere afdracht vanuit Nederland vol te houden, als zij ook nog pleit voor uitbreiding of geleidelijke integratie van derdewereldlanden et cetera? Hoe verwacht mevrouw Becker de Nederlandse afdracht ook een beetje op een acceptabel peil te houden?
Mevrouw Becker (VVD):
De vraag van de heer Stöteler gaat uit van twee stellingen die ik niet met hem deel. Ten eerste heeft mijn eigen fractie in Brussel, onder leiding van Anouk van Brug als schaduwrapporteur, voortdurend ingezet op een strenger standpunt vanuit het Europees Parlement als het gaat om het MFK. Uiteindelijk heeft dat niet geleid tot dat standpunt vanuit het Europees Parlement. We hebben daar vervolgens dus ook tegengestemd. Ten tweede zegt de heer Stöteler dat de Europese Unie een structureel project is waarin noordelijke lidstaten de zuidelijke lidstaten spekken. Wat mij betreft is dat dus niet zo. Daarom moeten we ook een slank MFK hebben. Het kabinet zet daar ook, terecht, op in. Daarom hebben we ook met elkaar afgesproken dat we geen eurobonds willen. Daarom eisen we ook hervormingen van Zuid-Europese landen, om ervoor te zorgen dat ze hun eigen economie op orde hebben. Ik deel dat dus niet met de heer Stöteler.
Voorzitter, omdat u mij maant om korter te zijn, was dat het.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Azmani, eveneens namens de VVD. Gaat uw gang.
De heer Azmani (EP/VVD):
Voorzitter. Dank dat ik hier mag zijn. Het is elke keer toch ook een beetje thuiskomen, zeker als ik de gezichten in vak K zie en u, natuurlijk, in uw rol als Voorzitter. Ik wil aangeven dat het in ieder geval voor mij elk jaar een belangrijk moment is. Eigenlijk vind ik dat we dit vaker zouden moeten doen, deze verbinding met elkaar zoeken, want slechts twee uur met de trein kan soms in het dagelijks leven aanvoelen als lichtjaren verwijderd.
Mijn gevoel bij dit debat sluit goed aan bij het motto van de brief van het kabinet, namelijk: een slagvaardige Unie in een onzeker wereld. Ik denk dat dat de kern raakt van waar we voor staan in deze turbulente tijden: slagvaardigheid. Hoewel dit nieuwe kabinet er net 100 dagen zit, zijn we in Europa al bijna halverwege het mandaat van deze Commissie en draait de machine volop. Straks beginnen de onderhandelingen voor de nieuwe meerjarenbegroting. Er liggen voorstellen voor het versterken van de industrie, de economie, de digitale veiligheid, defensie, de havens, voor de aanpak van criminaliteit en drugssmokkel en voor de bescherming van onze waarden. Daarnaast wordt er onderhandeld met potentiële nieuwe lidstaten over uitbreiding — het werd al gezegd — en tegelijkertijd moeten we ons verhouden tot de huidige geopolitieke realiteit, met veranderde verhoudingen en nieuwe conflicten in de wereld, waar mijn gewaardeerde VVD-collega Bente Becker al over sprak. Kortom, er gebeurt veel en er wordt veel van ons verwacht.
Een cruciaal punt blijft voor de VVD het Europese concurrentievermogen. Dat biedt ons niet alleen welvaart, niet alleen voor onszelf maar ook voor toekomstige generaties, maar ook veiligheid. Begin dit jaar stond dit nog echt bovenaan de agenda van de Europese Unie, maar door recente conflicten in de wereld is het naar de achtergrond verdwenen. Op dit moment wordt het Europese concurrentievermogen nog te vaak belemmerd door onnodige regeldruk. Europa zit hiermee zichzelf in de weg en dat is zonde. Het werkprogramma van de Europese Commissie staat nog altijd bol van nieuwe goedbedoelde initiatieven, die soms juist beleid op beleid stapelen. De zogenaamde omnibussen lopen toch altijd weer vol met nieuwe voorstellen en uitzonderingen. Versimpeling, vereenvoudiging en schrappen blijven lastig. Zou Nederland hierin niet samen met een aantal andere landen een voortrekkersrol kunnen gaan spelen, zoals minister Heinen nu ook druk bezig is met een kopgroep die de nationale kapitaalmarkten verder wil laten integreren? Dat is ook zo hoognodig om onze concurrentiekracht te versterken. Ik denk dan aan het identificeren van die extra regels, vereenvoudigingen en versimpelingen voorstellen en nagaan welke regels geschrapt kunnen worden. Nou ligt dit niet alleen bij de Europese Commissie, die dan eigenlijk als een slager zijn eigen vlees moet keuren. De lidstaten zijn ook aan zet. Graag een reactie van het kabinet.
Voorzitter. Een ander belangrijk onderwerp waar ik over wil spreken en dat mij natuurlijk na aan het hart ligt, is migratie. Morgen zal het Migratiepact officieel in werking treden. Het is een pakket van tien voorstellen die migratiewetgeving in Europa harmoniseert. Bij dit pakket hoort de Terugkeerverordening, als sluitstuk. Vorige week zijn de onderhandelingen hierover afgerond en komende week woensdag zal in het Europees Parlement over de wet worden gestemd. Na bijna twintig jaar lijkt het te lukken om deze wetgeving te herzien. Dat is cruciaal, ook als sluitstuk, voor een effectief migratiebeleid. Maar alleen wetgeving aannemen en implementeren zal niet voldoende zijn. Het zal gaan om de uitvoering en de praktijk, en dan zijn toch echt de lidstaten aan zet. Ik zou het kabinet willen vragen hoe het Nederlandse kabinet hiernaar kijkt. Hoe zorgen we er nou voor dat alle lidstaten écht mee gaan doen? We hebben natuurlijk een wortel voor lidstaten om mee te werken aan de uitvoering, maar zouden we uiteindelijk niet ook een stok moeten hebben? Zouden we niet op zoek moeten gaan naar ook een conditionaliteit voor een bepaalde implementatie van het pact ten opzichte van de vruchten die lidstaten plukken? Naar mijn gevoel gaat dit de komende tijd wel de kern vormen. Ik denk dat het Parlement gedaan heeft wat het kan. Als de lidstaten dit niet met elkaar regelen, dan weet ik niet hoe onze toekomst eruit gaat zien.
Voorzitter. Ik wil u wederom danken voor deze uitnodiging. Uiteraard kijk ik met veel interesse uit naar de rest van de inbrengen van de Tweede Kamer en de beantwoording van de minister en de minister-president.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Van der Lee namens PRO in de eerste termijn.
De heer Van der Lee (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Onze Europese waarden, onze vrije markt en onze maatschappelijke verworvenheden worden vrijwel dagelijks belegerd door Poetin, Xi Jinping en Trump. Willen wij onze welvaart, ons welzijn en onze weerbaarheid op peil houden, dan moeten we naast een sterke economische unie ook een sterkere politieke unie en militaire unie worden. Daarom is de huidige Staat van de Unie ondermaats, want die is echt niet waar die in deze geopolitieke, turbulente tijden zou moeten zijn. De meer traditionele institutionele logica in de 75-jaar oude Unie botst in toenemende mate met de geopolitieke logica, en nog te vaak wint die oude logica, omdat de enorme urgentie niet voldoende gevoeld wordt en vooral rechtse politici te vaak de kop in het zand van de eigen bodem steken. Het is de hoogste tijd om over de eigen schaduw van vertrouwde institutionele logica en nationalistische tendensen in lidstaten heen te stappen.
Europa moet van een markt ook een macht worden. Volgens de premier moet Europa meer "de taal van de macht" spreken, maar wat bedoelt hij daar nou precies mee? En hoezo de nadruk op taal? Het motto luidt toch "geen woorden maar daden"? Kan de premier concreet aangeven welke Europese daden de taal van de macht tanden moeten geven? Blijven adequate daden niet te veel uit omdat het nog steeds ontbreekt aan een gemeenschappelijke en coherente geopolitieke strategie ten opzichte van zowel Rusland en China als de Verenigde Staten? Wanneer gaan die strategieën er komen en wat draagt Nederland daaraan bij?
Welke consequentie moet geopolitieke logica volgens de premier hebben voor de hervorming van de Unie? Welke stappen zijn en worden concreet door hem gezet om op basis van een gekwalificeerde meerderheid het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid te bepalen? Op welke wijze gaat de premier erop toezien dat de taal van de macht ook consequenties heeft voor de Nederlandse positie in het MFK-traject?
Gemeenschappelijke, geostrategische daden vereisen meer gemeenschappelijke middelen. Nu zegt Nederland vooral nee: nee tegen hogere nettobetaling, nee tegen een hogere begroting, nee tegen eurobonds. Sterker nog, men wil zelfs nog 1,6 miljard structureel bezuinigen op de Nederlandse afdracht. Dat is, bezien vanuit de geopolitieke logica, toch onhoudbaar? En geldt hier dan niet "put your money where your mouth is"?
Hoe gaat de premier erop toezien dat er ook meer ruimte komt voor de geopolitieke logica in de uitbreiding van de Unie? We zien dat gelukkig als het om Oekraïne gaat volop, met onze steun. Tegelijkertijd weigert de minister van Buitenlandse Zaken te erkennen dat onze institutionele uitbreidingslogica van strikt, fair en betrokken niet meer afdoende is en dat hier een vierde criterium — noem het "geostrategisch" — aan zou moeten worden toegevoegd. Is de premier daartoe bereid? Erkent hij dat ook voor het draagvlak voor verdere EU-uitbreiding geostrategische belangen cruciaal zijn? Put hij geen hoop uit het feit dat de Nederlandse bevolking in meerderheid voor toetreding van Oekraïne is? En trouwens ook voor de uitgifte van eurobonds. Ja, een meerderheid in Nederland is voor de uitgifte van eurobonds. Nederlanders zien namelijk wel de urgentie en noodzaak om meer geopolitieke logica toe te passen. Gaat de premier dit ook met daden omarmen?
Over Oekraïne en onze defensie heb ik nog een paar specifieke vragen. Welke stappen worden al gezet of kunnen er worden gezet voor de integratie van Oekraïne als het gaat om defensiesamenwerking? Kan dit ook in de vorm van bijvoorbeeld een multilateraal verdrag plaatsvinden? Meer Europese samenwerking op het vlak van defensie is cruciaal. We hebben het vaak gehoord: de VS hebben 30 centrale wapensystemen, de Europese Unie 178; zeg maar zes keer zoveel. Toch zien we dat het Duits-Franse initiatief om een zesde generatie jachtvliegtuigen te bouwen, weer sneuvelt. Hoe gaan we gezamenlijke inkoop en de harmonisatie van wapensystemen nu concreet vormgeven? Welke stappen zijn en worden er gezet om tot een intergouvernementeel Europees mechanisme voor gezamenlijke defensie-inkoop te komen?
Gezamenlijke investeringen zijn ook cruciaal als het gaat om onze economische weerbaarheid. Draghi en Wennink worden terecht genoemd. Toch is er de boekhoudersreflex van Nederland van "we focussen alleen op onze nettobetalerspositie", terwijl Nederland het meest profiteert van die vrije markt. Wij verdienen veel meer aan de lidstaten dan wij netto aan de, zeker wat minder rijke, lidstaten terugbetalen. Wij roepen vanuit PRO het kabinet op om echt te durven investeren. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor die nationale investeringsinstelling. Die mag weer niet saldorelevant zijn; die moet marktconform opereren. Je kunt marktfalen niet marktconform oplossen. En dat gaat dan alleen maar met privaat kapitaal concurreren, terwijl we aan de andere kant juist die kapitaalmarktunie zouden willen.
Tot slot wijs ik op het feit dat, als het gaat om de industriepolitiek, het cruciaal is dat we die gezamenlijk voeren. Nu is er alleen maar meer ruimte voor een nationale industriepolitiek. Driekwart van de steun voor nationale industriepolitiek in Europa komt van Frankrijk en Duitsland. Dat is niet in het Nederlandse belang. Een gezamenlijke Europese industriepolitiek met middelen en stevige maatregelen is cruciaal.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik kan meedenken met het betoog van de heer Van der Lee. Ik ben het er niet mee eens, maar ik begrijp wel welke richting hij op wil. Maar wat ik nooit zo goed begrijp bij de heer Van der Lee is dat hij wel gewillig lijkt om meer geld te willen geven, gewoon om meer geld te geven. Als we kijken naar de rapporten over hoe het geld in het verleden is uitgegeven bij het coronaherstelfonds, als we kijken hoe bij het MFK geld is besteed ... Er zijn allerlei Rekenkamerrapporten. Gisteren zaten we nog bij een panel. Die geven allemaal aan: de huidige methodiek schiet tekort, de voorgenomen methodiek schiet tekort. Er is toch niks mis met een stukje rentmeesterschap ten aanzien van het Nederlandse belastinggeld dat naar Brussel gaat?
De heer Van der Lee (PRO):
Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik ben voor controle, op alle uitgaven. Ik ben ook voor sturing op resultaten, voor resultaatfinanciering. Maar waar ik vooral voor ben, zijn gezamenlijke Europese projecten. Wat we nu doen: veel van het geld dat naar Brussel gaat, sluizen we terug naar de lidstaten voor nationaal beleid; niet voor collectieve Europese publieke goederen, die op het spel staan. Ons belangrijkste goed is die sterke Europese vrije markt. En die wordt belaagd. We kunnen die alleen maar overeind houden als we ook een politieke unie worden, als we ook een militaire unie worden. Daar moeten we gezamenlijk in investeren. Dat betekent dat de sterkere economieën in de lidstaten bereid moeten zijn om meer te betalen. Ik zeg niet dat alle sluizen open moeten, maar nu is de houding van Nederland: overal nee tegen zeggen. Wat betekent dat? Dat we wachten tot het allerlaatste moment in de onderhandelingen om een keer een stapje te zetten. Wij als Nederland hebben de middelen, de mogelijkheden en ook de positie als vijfde economie om veel actiever deel te nemen aan die onderhandelingen, om veel proactiever te zijn in waar wij vinden dat die middelen naartoe moeten gaan. Dan moeten we niet alleen maar kijken naar wat er netto onderaan de streep in onze afdracht staat. Sterker nog, die moet nog eens structureel 1,6 miljard omlaag.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik ben het er niet mee eens dat de Nederlandse regering zegt: we wachten het af en we fietsen pas op het allerlaatste moment in. Nee, de Nederlandse regering geeft duidelijkheid. Die zegt: tot hier en niet verder.
De heer Van der Lee (PRO):
Die zegt "nee".
De voorzitter:
Nee, meneer Van der Lee.
De heer Hoogeveen (JA21):
"We gaan niet akkoord met de manier waarop Europese gelden nu worden ingericht." U wilt dat het geld gericht en effectief besteed wordt. In die rekenkamerrapporten staan die "financing not linked to costs". De eerste reactie van de heer Van der Lee in het vorige debat was toen: zo heet wordt de soep vast niet gegeten. Nee, dat zijn duidelijke rekenkamerrapporten. Die zeggen: Nederland, let op uw zaak. Ik stel de vraag nogmaals aan de heer Van der Lee. Hij lijkt geneigd te zeggen: meer effectiviteit is meer geld. Dan wil ik meneer Van der Lee toch meegeven: let u ook een beetje op de duiten.
De heer Van der Lee (PRO):
U luistert niet goed. Dat vind ik ook heel belangrijk. Ik heb geleerd uit decennia MFK-onderhandelingen dat Nederland elke keer een modernisering wil, maar dat altijd koppelt aan "nee, er mag geen geld bij". Dan verliezen we de moderniseringsslag, want de uiteindelijke onderhandelingen wordt toch een koehandel en dan is die hele moderniseringsagenda weer kapot. Dat wil ik juist voorkomen. Maar dat vereist de bereidheid, juist in deze geopolitieke context, om heel hard te duwen op een zo effectief mogelijke besteding van die middelen, veel meer collectief doorsluizen en terugsluizen en nationaal besteden, maar ook de bereidheid om extra duiten op tafel te leggen als we die defensiesamenwerking willen versterken, die politieke samenwerking willen versterken en ook willen zorgen dat onze industrie die voortdurende aanvallen, ook van China en ook van de VS, overleeft.
De heer Klos (D66):
Een herkenbaar pro-Europees verhaal van de heer Van der Lee. Dit weekend was het oprichtingscongres van uw nieuwe partij. De Groenen zijn van oudsher tegen de euro geweest, tegen Europese militaire samenwerking. U pleit nu natuurlijk voor een sterker Europa. Welke Europese politieke familie heeft eigenlijk uw voorkeur?
De voorzitter:
U vraagt naar de voorkeur van de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (PRO):
Ik ben met veel passie Kamerlid voor PRO. U geeft een weergave van de geschiedenis die niet helemaal klopt. De Groenen waren een voorstander van invoering van de euro, maar niet louter van een muntunie, maar ook van een politieke unie. Die fout is gemaakt in het Verdrag van Maastricht. Omdat er geen politieke unie is en we een euro hebben waarbinnen sterke economieën, zoals de Nederlandse, opereren, maar ook minder sterke economieën, heb je een structurele onevenwichtigheid. Wij verdienen nou eenmaal meer dan de zuidelijke lidstaten, omdat onze economie eigenlijk te sterk is voor de waarde van de euro. Dan heb je een politieke unie nodig, waarin toch vormen van herverdeling plaatsvinden, wel gerichte herverdelingen, die in lijn liggen met, wat mij betreft, landenspecifieke hervormingen die nodig zijn, maar zeker ook met grote Europese opgaven. De Partij van de Arbeid was in het verleden ook wel voorstander van die politieke unie, maar we kennen de politieke realiteit. Uiteindelijk kwam dat in onderhandelingen niet van de grond. Wat dat betreft zie ik heel veel verwantschap — sterker nog, volledige overeenstemming — tussen beide partijen en in hoe we er als PRO nu naar kijken.
De heer Klos (D66):
Ik herken heel veel in de analyse van de heer Van der Lee. Ik was alleen benieuwd naar zijn voorkeur voor de keuze van de nieuwe partij in het Europees Parlement. We zijn hier nu samen. De S&D heeft een traditionele geschiedenis van meedoen in het Europees Parlement. De Groenen hebben dat de afgelopen tijd ook gedaan. Ik ben dus gewoon benieuwd naar de voorkeur van de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (PRO):
Ja, ik ben er ook heel benieuwd naar.
De voorzitter:
Meneer Van der Lee ...
De heer Klos (D66):
Waar zou die nieuwe partij goed thuis zijn?
De voorzitter:
Meneer Van der Lee, laat u alstublieft meneer Klos uitspreken.
De heer Van der Lee (PRO):
Ik ben heel gretig en enthousiast zo laat op de avond.
De voorzitter:
Ik voel het.
De heer Van der Lee (PRO):
Ik ben ook heel benieuwd naar de uitkomst daarvan, maar het mooie van onze partij, de grootste ledenpartij van Nederland, is dat we hier een democratisch proces in hebben. Die keuze wordt gemaakt door de leden. Ik heb een voorkeur, maar die ga ik niet publiek maken, want ik wil dat de leden de kans krijgen om die keuze te maken.
De voorzitter:
We gaan luisteren naar de voorkeur van de heer Chahim. Mevrouw Becker plaatst eerst nog een interruptie.
Mevrouw Becker (VVD):
Ik ben met de heer Van der Lee eens dat er een nieuwe geopolitieke realiteit is. Ik ben benieuwd wat volgens de heer Van der Lee die nieuwe geopolitieke realiteit zal betekenen voor het Europese migratiebeleid.
De heer Van der Lee (PRO):
Volgens mij betekent dit de noodzaak om een Europees Asiel- en migratiepact te hebben. Wij hebben ons daar altijd voor uitgesproken en dit wordt nu geïmplementeerd. Ik hoop dat dit gaat werken. Ik hoop ook dat we niet nog meer conflicten rond Europa krijgen. Dat is hoe ik daar op dit moment tegen aankijk. Ik zie niet de noodzaak, want dat is misschien de vraag van mevrouw Becker, om additioneel nog nieuwe stappen te zetten. En ik zie al helemaal niet de noodzaak om daar allemaal nationale symboolmaatregelen aan toe te voegen, want die werken niet.
Mevrouw Becker (VVD):
Maar het is toch waar dat uiteindelijk GroenLinks en Partij van de Arbeid tegen het Migratiepact gestemd hebben?
De heer Van der Lee (PRO):
Wij hebben in Europa voor het Migratiepact gestemd.
Mevrouw Becker (VVD):
Volgens mij klopt dat niet.
De heer Van der Lee (PRO):
Nee, u heeft het over de ...
De voorzitter:
Meneer Van der Lee, nou doet u het weer! Uw enthousiasme is te prijzen, maar laten we er wel een debat van maken en geen discussie.
Mevrouw Becker (VVD):
Laten we er dan van uitgaan — daar wil ik vanaf zijn — dat de heer Van der Lee er voorgestemd had willen hebben. Komende week wordt er gestemd over de Terugkeerverordening. Gaat GroenLinks-PvdA daar dan ook voor stemmen?
De heer Van der Lee (PRO):
Misschien is het goed om nog even te zeggen dat wij niet voor de implementatie van het Migratiepact hebben gestemd zoals dat in Nederland vorm heeft gekregen met nationale koppen. Koppen, waar deze coalitie en veel partijen altijd tegen zijn. Wij hadden het over het Migratiepact in Europa.
Mevrouw Becker (VVD):
Ik weet niet of u dit als interruptie rekent, dat mag, maar ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag over de Terugkeerverordening.
De voorzitter:
Ja.
Mevrouw Becker (VVD):
U mag hem meetelellen, met het oog op de tijd en de hongerige magen van iedereen.
Kunnen we dan ook een positieve stem op de Terugkeerverordening verwachten? Als de heer Van der Lee iedereen maant tot het rekening houden met die nieuwe geopolitieke realiteit, zeg ik: kijk in de spiegel en wees bereid om dingen anders te doen. Gaat GroenLinks-PvdA dan ook bijdragen aan toch die grip op migratie door voor die Terugkeerverordening te stemmen?
De heer Van der Lee (PRO):
Ik houd de spanning nog even in de lucht. U gaat dat volgende week zien.
De voorzitter:
Misschien horen we het van meneer Chahim, die ik het woord geef, eveneens namens PRO, in deze zaal in ieder geval.
De heer Chahim (EP/PvdA):
Voorzitter. Fijn om hier te zijn en goed dat we dit doen. Ik sluit aan bij de heer Azmani die zei dat we dit vaker moeten doen, zo'n goede interactie tussen Nederlandse parlementariërs in Europa en het parlement hier. Ik denk dat we samen vaak heel veel invloed kunnen hebben op de processen in Europa.
Voorzitter. Ik maak me zorgen om onze industrie en om de banen gekoppeld aan de industrie. Ik maak me ook zorgen om de druk die steeds meer vanuit de lidstaten groeit om op de rem te trappen, denkend dat ze daarmee de industrie gaan helpen, maar eigenlijk onze afhankelijkheid van het buitenland vergroten. Angst en terughoudendheid regeren in plaats van de vlucht vooruit en ambitie. We hebben in Europa veel meer het zelfvertrouwen nodig dat we een sterke interne macht hebben, die we geopolitiek kunnen en moeten inzetten. Het kan wel!
Onze telefoons zijn in handen van Xi Jinping, onze defensie is in handen van Trump, en Poetin bepaalt helaas nog steeds voor een groot gedeelte de prijs aan de pomp. Ze gebruiken onze afhankelijkheid als wapen. Of het nu gaat om onze energie of de controle op cruciale technologieën, het stelt hen in staat ons te chanteren, te bespioneren en te manipuleren. Door de spanningen in de wereld worden onze boodschappen en brandstoffen steeds duurder. En ondertussen sijpelen miljarden euro's naar het buitenland. Miljarden die we in Europa slim kunnen investeren in plaats van ze terecht te laten komen in de diepe zakken van grillige autocratische leiders die om niets anders geven dan hun eigen macht. Wie dat eenmaal doorheeft, kan niet anders concluderen dan dat we de Green Deal nodig hebben, misschien wel de Green Deal on steroids. Waarom? Omdat dat voor ons de enige manier is om onze energieonafhankelijkheid te versnellen en zo die grillige, onvoorspelbare hoge prijzen op de energiemarkt te voorkomen. Wie dat inziet, moet pleiten voor een vrijheidsdeal. Een deal die niet alleen gaat over onze energie, maar ook over onze digitale autonomie en onze defensie. Ik hoor graag een reactie van het kabinet.
Alleen als energie niet langer tegen ons wordt ingezet, alleen als onze digitale infrastructuur echt van onszelf is en alleen als we militair gezien op onze eigen benen staan, alleen dan zijn we vrij en bepalen we onze eigen toekomst. Betekent dat dat we vanaf nu alles alleen moeten doen? Zeker niet. Maar we moeten onze strategische relaties versterken en minder naïef zijn. Voor mij is het fascinerend dat we de afgelopen maanden miljarden extra hebben uitgegeven aan fossiele brandstoffen zonder dat het ons maar een druppeltje extra olie of gas heeft opgeleverd. Dat zal de toekomst blijven zijn als we niet ingrijpen. Echte Europese vrijheid is onmogelijk zonder energieonafhankelijkheid. Door die afhankelijkheid te breken, houden we controle op de prijs en op de voorspelbaarheid van onze energie, en komen onze bedrijven en huishoudens niet voor verrassingen te staan. Die eigen Europese energie, of je nu wilt of niet, is gewoon opgewekt uit duurzame bronnen. Dat maakt het over het algemeen ook goedkoper.
Dezelfde kwetsbaarheid die ik op het energievlak zie, zie ik ook op het digitale vlak. We geven jaarlijks meer dan 250 miljard uit aan Amerikaanse cloud en software. Beste collega's, stel je toch eens voor dat we dat in onze eigen Europese tech zouden stoppen. We hebben genoeg talentvolle start-ups en scale-ups die smeken om investeringen. Zij willen loyaal blijven aan Europa en daarmee een bijdrage leveren aan onze werkgelegenheid en aan onze veiligheid. Die bedrijven verdienen onze steun.
Tot slot, voorzitter. Onze derde pijler, naast energie en digitaal, is dat Europese landen de handen ineen moeten slaan op defensiegebied. Ik ga hier geen opsomming geven van de mismatch die er nu is, maar de conclusie is simpel: Europa moet er samen in en veel meer de handen ineenslaan. Zelfs een land als Spanje is nu voorstander van Europese samenwerking en ziet dat dit de enige manier is om onze verdediging te versterken en tegelijkertijd onze eigen Europese defensie-industrie flink te versterken. In de wereld van vandaag hebben we niemand anders nodig dan onszelf om onze eigen toekomst te bepalen. We moeten op basis van onze eigen voorwaarden vooruit, zodat de toekomst van Europa in Europese handen blijft.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Stöteler namens de PVV.
De heer Stöteler (PVV):
Voorzitter, dank u wel. In de Griekse mythologie was Europa een Fenicische prinses. Zeus zag haar en, laten we het voor de netheid van het debat zo zeggen: hij verleidde haar. Hij veranderde zichzelf in een witte stier en nam Europa mee op zijn rug. Weer netjes gezegd, want het was een ontvoering. Voordat zij doorhad wat er gebeurde, werd zij overzee naar Kreta meegenomen naar een bestemming die ze niet zelf had gekozen en waarover ze ook niets te zeggen had. Een verhaal van duizenden jaren oud, maar vandaag de dag nog steeds herkenbaar. Want steeds meer Europeanen hebben het gevoel dat zij worden meegenomen in een richting die zij nooit zelf hebben gekozen, richting een Europese Unie, die steeds meer macht centraliseert, steeds meer nationale bevoegdheden naar zich toe haalt en steeds verder uitbreidt.
Vandaag evalueren we de staat van de Europese Unie. En voorzitter, ik zal het wederom netjes zeggen: die kon beter. Kijk naar het Europese industriebeleid. Europa's industriële basis krimpt, de handelspositie verzwakt ten opzichte van China en Amerika en de afhankelijkheid van derde landen neemt toe. Door al die Brusselse klimaatgekkigheid is de beschikbaarheid van energie onder druk komen te staan en zijn de energieprijzen exponentieel gestegen. Een vraag aan de minister-president: erkent hij dat de beschikbaarheid van energie dé absolute basisvoorwaarde is voor economische ontwikkeling en dat juist die beschikbaarheid te lijden heeft gehad onder de groene klimaatdictaten? Kan de minister-president die reflex vanuit Brussel, namelijk steeds weer nieuwe regels en nieuwe klimaatvoorschriften, eindelijk eens een halt toeroepen?
Brussel is ironisch genoeg uitgeroepen tot de Europese hoofdstad van de democratie voor het jaar 2027. Echt, gekker moet het niet worden. De stad waar ze van transparantie nog nooit hebben gehoord, waar ze "controle" niet kunnen schrijven en waar nul verantwoording wordt afgelegd door EU-bobo's in het Berlaymont. Neem bijvoorbeeld Ursula von der Leyen. Zij lag onder vuur vanwege verdwenen appjes inzake Pfizergate en later vanwege stiekeme berichtjes met president Macron. Nu heeft vorige week de Europese Ombudsman gezegd dat de Eurocommissarissen die appjes niet meer moeten verwijderen, automatisch of niet, maar of ze dat ook daadwerkelijk gaan doen en of ze die gaan bewaren, weet nog helemaal niemand. Wil de minister-president ervoor zorgen dat de Europese Commissie eindelijk eens orde op zaken stelt in haar eigen huis in plaats van zich te bemoeien met het Nederlandse huishoudboekje? Kijk bijvoorbeeld ook eens naar het Europees semester. Brussel probeert zich te bemoeien met Nederlands beleid op het gebied van hypotheekrenteaftrek, woningmarkt, huurbeleid, langdurige zorg, arbeidsmarktbeleid, onderwijs, stikstof en energie. Dat zijn allemaal nationale competenties. Brussel heeft daar niets over te zeggen. Van een organisatie die haar eigen zaakjes niet op orde heeft, zou je misschien iets meer bescheidenheid mogen verwachten. Dus vraag ik de minister-president waar de Europese Commissie zich mee denkt te bemoeien en of hij bereid is die brief die namens de Raad is gestuurd, met belachelijke aanbevelingen, gewoon retour afzender te sturen.
Voorzitter. Hier wordt duidelijk waarom de richting van de Europese Unie zo problematisch is. Want vandaag zijn dit aanbevelingen en morgen zijn het dictaten. Voor je het weet, wordt nationaal beleid niet meer in Den Haag geschreven, maar in Brussel. Ik weet dat deze oproep aan dovemansoren is gericht, maar ik probeer het toch nog een keer: behoud alsjeblieft de vetorechten. Want vetorechten dienen ter bescherming van de nationale soevereiniteit, de bescherming van nationale democratieën, de bescherming van David tegen Goliath. Samenwerken is iets anders dan opgaan in een geheel en elke vorm van zeggenschap weggeven. De PVV wil geen Europese superstaat waarin Brussel steeds meer bepaalt over onze economie, onze energie en onze grenzen. Onze nationale soevereiniteit is van ons, niet van Brussel. Wij willen een Europa van vrije, autonome landen die samenwerken waar dat in hun belang is, maar zelf besluiten over hun toekomst en die van hun volk.
Voorzitter. Ik sluit af met een positieve noot, want ik ben een positief ingesteld mens. De PVV is niet tegen samenwerking binnen Europa. Handel, economische samenwerking en het wegnemen van onnodige barrières kunnen Nederland als handelsland sterker maken. Ook bij grensoverschrijdende problemen kan samenwerking soms handig zijn, zolang die maar vrijwillig is en de democratische zeggenschap niet uit Den Haag verdwijnt, zodat wij over onze eigen bestemming blijven besluiten. Dat brengt mij weer terug bij het verhaal van Europa en Zeus, het verhaal van de prinses en de stier. Ik zeg tegen de minister-president dat we die koe gewoon bij de horens moeten vatten, de teugels weer stevig in handen moeten nemen en de EU moeten terugleiden naar waarvoor zij is opgericht: een sterke interne markt en een praktische en vrijwillige samenwerking tussen landen, op basis van besluiten die worden genomen in de politieke hoofdsteden van de lidstaten.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Stöteler. Het woord is aan de heer Krul namens het CDA in de eerste termijn.
De heer Krul (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Toen Schuman in 1950 de eerste bouwsteen legde voor wat later de Europese Unie zou worden, wist hij één ding zeker: vrede is niet vanzelfsprekend. Hij zei dat vrede alleen kan worden gebouwd op gelijkwaardigheid. Dat lijkt een eenvoudige zin, maar achter die woorden schuilt een revolutionair idee: dat landen niet sterker worden door elkaar te overheersen maar door samen verantwoordelijkheid te dragen, dat macht moet worden begrensd door samenwerking en dat duurzame vrede alleen mogelijk is wanneer volkeren elkaar niet als tegenstanders zien, maar als partners. Dat was de overtuiging waaruit Europa ontstond. Dit was niet enkel uit economische berekening, niet uit een verlangen naar meer regels of meer instituties. Europa ontstond uit de lessen van een continent dat zichzelf tweemaal had verscheurd en uit de overtuiging dat vrede, vrijheid en menselijke waardigheid bescherming verdienen. Misschien is dat vandaag wel relevanter dan ooit. Want terwijl oorlog is teruggekeerd op ons continent, terwijl autoritaire regimes onze vrijheid uitdagen en terwijl de internationale rechtsorde onder druk staat, worden we opnieuw geconfronteerd met die fundamentele vraag: begrijpen wij nog waarom Europa ooit werd opgericht? Want de Staat van de Europese Unie gaat uiteindelijk niet alleen over begrotingen, MFK's, verdragen of richtlijnen. De Staat van de Europese Unie gaat over de vraag of wij nog bereid zijn verantwoordelijkheid voor elkaar te dragen, of wij nog geloven dat samenwerking sterker maakt dan verdeeldheid en of wij bereid zijn het Europa dat wij hebben geërfd sterker door te geven.
Voorzitter. Een waardengemeenschap dus. En dat vraagt niet enkel om bescherming van buitenaf, maar ook om onderhoud van binnenuit. De rechtsstaat is daarbij geen bijzaak. Europese solidariteit en Europees geld gaan hand in hand met Europese verantwoordelijkheid. Lidstaten die de onafhankelijke rechtspraak, vrije media of democratische instituties ondermijnen, mogen niet verwachten dat daaraan geen gevolgen zijn verbonden. De afgelopen jaren was de kritiek op Hongarije dan ook terecht.
Maar tegelijkertijd moeten we eerlijk zijn. Als Europa landen aanspreekt wanneer die van onze gezamenlijke waarden afdrijven, moeten we landen ook helpen wanneer ze de weg terug proberen te vinden. In Hongarije zien we voorzichtig tekenen van politieke verandering. De opkomst van Péter Magyar laat zien dat veel Hongaren verlangen naar een sterker democratisch bestuur met meer transparantie en een hechtere verbinding met Europa. Het is niet voor niets dat de minister van Buitenlandse Zaken vorige week de allereerste collega was van minister Orbán — what's in a name — die daar op bezoek ging. Kan de minister ons iets vertellen over de indrukken die hij in Hongarije heeft opgedaan? Ziet hij al tekenen van die verandering?
In het verlengde daarvan heb ik een vraag aan het kabinet. Op welke wijze kan Nederland bijdragen aan het versterken van democratische instituties en maatschappelijke organisaties in Hongarije? Welke criteria hanteert het kabinet om te beoordelen wanneer een lidstaat opnieuw volledig aanspraak kan maken op Europees vertrouwen en Europese middelen?
Voorzitter. Dan migratie. Misschien is dit wel het onderwerp waarop Europese samenwerking het meest op de proef is gesteld. Jarenlang zagen we lidstaten tegenover elkaar staan, terwijl de problemen zich opstapelden. Morgen, op 12 juni, treedt het Europese Asiel- en migratiepact in werking, niet omdat daarmee alle problemen zijn opgelost, maar omdat Europa eindelijk gezamenlijke afspraken maakt over verantwoordelijkheid, bescherming en terugkeer.
Voorzitter, ik ga daarbij ook stilstaan bij de rol van onze collega Jeroen Lenaers. Hij zit erbij. Jarenlang heeft hij namens het CDA en de EVP mede onderhandeld over dit akkoord, met de nuchterheid waar de heer Gerbrandy zo voor pleit, zou ik willen zeggen. Dat is cruciaal. Maar wat nog crucialer is, is hoe uiteindelijk dit akkoord gaat uitwerken. Mijn vraag aan de minister-president is helder: hoe gaat Nederland eraan bijdragen dat het niet bij een papieren akkoord blijft, maar dat alle lidstaten uiteindelijk ook de implementatie tot een succes zullen maken? Ziet hij daar uitdagingen voor?
Voorzitter. Het is evident dat Europese landen meer moeten samenwerken op het gebied van defensie, niet alleen door meer uit te geven, maar vooral door slimmer samen in te kopen, meer te standaardiseren en onze defensie-industrieën met elkaar te verbinden. Kan de minister-president aangeven welke extra concrete stappen Nederland de komende jaren wil zetten om de gezamenlijke Europese defensie-inkopen te versnellen, misschien zelfs met partners als het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen?
Tot slot, voorzitter. Over drie jaar, in 2029, mag Nederland opnieuw het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie vervullen. Dat is meer dan een organisatorische taak. Het is een kans om richting te geven aan de toekomst van Europa. We moeten nu beginnen met de voorbereiding daarvan. Welke prioriteiten wil Nederland op de Europese agenda? Welke dossiers waarop wij het verschil willen maken, moeten daar op de agenda staan? Wanneer verwacht de minister-president de Kamer hierin mee te nemen?
Ik rond af, voorzitter. De komende jaren worden bepalend voor de koers van Europa. Er vinden verkiezingen plaats in belangrijke lidstaten als Polen en Spanje. Wat betreft Oekraïne is de vraag niet enkel hoe Europa zich ontwikkelt, maar welke rol Nederland bereid is daarin te spelen, niet als toeschouwer, maar als medegrondlegger van Europese samenwerking.
De heer Klos (D66):
Dat was een heel mooi betoog van de heer Krul. Hij begon met de vraag: waarom is Europa ook alweer opgericht? Dat is een best wel fundamentele vraag. Europa is natuurlijk opgericht door christendemocraten, de voorgangers van de heer Krul; Schuman was een katholiek en christendemocraat. We staan nu weer op een kruispunt, waarbij we een enorme stap moeten maken in de Europese integratie en duurzame vrede moeten creëren. Daar was de EU voor opgericht. De Russen staan aan de poort van Europa, dus we moeten nu actie ondernemen. Ik hoor iets over gezamenlijke inkoop, maar is de heer Krul het niet met mij eens dat wij veel sneller en assertiever moeten blijven streven naar Europese defensie-integratie?
De heer Krul (CDA):
Het korte antwoord is ja. Het lange antwoord is iets genuanceerder, want er zijn ontzettend veel termen die hierop geplakt worden. De term "Europese defensie-unie" vind ik heel mooi. Maar het moge ook duidelijk zijn dat het CDA op dit moment nog niet pleit voor een Europees leger. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we op korte termijn echt die gezamenlijke defensie-industrie opbouwen en dat we standaardiseren als het gaat om materieel. Natuurlijk moet je erover nadenken hoe je in de toekomst meer kan integreren op operationeel niveau. Dat hoeft misschien niet in geheel Europees verband; dat kan ook in kleinere verbanden. Nederland-Duitsland is een mooi voorbeeld en ook Nederland-België is een mooi voorbeeld. Ik denk inderdaad dat dit onvermijdelijk is.
De heer Klos (D66):
Ik haal daarbij inspiratie uit twee van de partijgenoten van de heer Krul, namelijk Ursula von der Leyen, die pleit voor een Europese defensie-unie in haar regeerprogramma, maar ook Sauli Niinistö, de Fin die pleit voor drie wegen naar sterkere Europese integratie, waarvan eentje de Europese defensie-unie is. Zijn dat nou partijgenoten waarvan de heer Krul zegt: in hun ideeën kan ik me vinden en daar wil ik me achter scharen?
De heer Krul (CDA):
Op dit punt kan ik dat wél. Zonder gekheid, het is u misschien bekend dat ik zelf militair ben geweest. Ik heb meerdere oefeningen gehad waarbij het nut en de noodzaak van het gezamenlijke gebruik van materieel besproken werd. We hadden vier verschillende manieren om te communiceren. Dan zeiden de Duitsers: we moeten echt naar één systeem. Dan zeiden de Fransen: we zijn het er helemaal mee eens dat we echt naar één systeem moeten. En dan zeiden ze allebei: maar wel ons systeem. Dat is het probleem. Willen we als Europa, ook binnen de NAVO, meer zelfstandig kunnen opereren op militair gebied, dan zullen we moeten integreren, bijvoorbeeld als het gaat om materieel. Dan heb ik het nog niet over commandostructuren, maar wel over de gehanteerde wapensystemen en de middelen die daarbij horen.
De heer Dassen (Volt):
Ik ben blij om dit antwoord van de heer Krul te horen. Vorige week heeft het CDA ook voor een motie gestemd die precies hiertoe oproept. Die betrof de defensie-unie.
Ik heb nog een vraag. De heer Krul had een mooi betoog over de rechtsstaat en het belang daarvan. Hij refereerde ook aan Orbán. Ik ben blij, en ik denk velen met mij, dat Orbán inmiddels niet meer de dwarsligger is in de Europese Unie. Ik denk dat dat ons momentum geeft om na te denken over hoe we er binnen de Europese Unie voor zorgen dat we niet weer in de situatie terechtkomen waarbij er één dwarsligger is en we geen instrumentarium hebben om diegene het stemrecht te ontnemen. Ik ben benieuwd of de heer Krul ideeën heeft over hoe we dat misschien kunnen verbeteren.
De heer Krul (CDA):
Bedankt voor deze interessante vraag. Een hele belangrijke stap die al gezet wordt, waar dit kabinet zich ook hard voor maakt, is dat het op het gebied van collectieve veiligheid niet zo kan zijn dat één dwarsligger de boel verstiert. Ik heb op het laatst ook gerefereerd aan die inspanning. Ik denk dat die ook echt cruciaal is voor Nederland wat betreft het voorzitterschap van de Europese Raad in 2029.
Tegelijkertijd pleit ik hier niet voor het afbouwen van een vetorecht op andere terreinen dan die twee. Ik beperk me tot het Europese buitenland- en veiligheidsbeleid. Als de heer Dassen voorstellen heeft om daar op een andere manier naar te kijken — er zijn meer landen waar de rechtsstaat onder druk staat dan alleen Hongarije, want er komen meer verkiezingen aan — dan ben ik meer dan welwillend om daarin mee te denken.
De heer Dassen (Volt):
Daar gaat het mij niet om. Wij zijn met Volt van mening dat wij alle veto's moeten afschaffen, maar ik snap dat het CDA niet zover wil gaan. Daar ging mijn vraag natuurlijk niet over.
Mijn vraag gaat veel meer over het moment waarop iemand dwarsligt. Dan wordt de hele Europese Unie lamgeslagen en is er gewoon geen handelsperspectief meer. Artikel 7, het ontnemen van het stemrecht van een lidstaat, kun je op dit moment bijna niet verder krijgen, omdat het allemaal met unanimiteit van de overige 26 moet gaan. Wellicht is er nu een mogelijkheid om binnen de Europese Unie de koppen bij elkaar te krijgen. Wat we bij Orbán hebben gezien, willen we niet meer. Straks hebben we verkiezingen in Frankrijk en in andere landen. We weten niet wat daar uit gaat komen. Dit is misschien het moment waarop we die hervormingen kunnen doorvoeren. Ik wil het kabinet daartoe oproepen. Ik hoop dat het CDA daarin mee wil denken en dat wil steunen.
De heer Krul (CDA):
Het is misschien een beetje een clichéantwoord, maar daar ben ik inderdaad in geïnteresseerd. Ik zie uit naar het betoog van de heer Dassen en ook naar de reactie van het kabinet. Ik denk dat meerdere partijen die hier spreken over het versterken van de Europese rechtsstaat en het beschermen van onze gedeelde waarden ... Als we zien wat er nu op ons continent gebeurt, dan hoort dit er ook bij. Ik moet zeggen dat ik heel blij en hoopvol ben om te zien dat in Hongarije het bewijs geleverd is dat we kunnen winnen van de autocraten. Dat vind ik een hoopvolle beweging. Tegelijkertijd zijn de zorgen daarmee niet weg voor andere landen op ons continent. Ik ben dus benieuwd naar de beantwoording daarover.
De heer Van der Lee (PRO):
Dat was een mooi verhaal over de waardengemeenschap. De heer Krul maakt met zijn partij deel uit van de op dit moment grootste politieke familie in Europa. Hij heeft het niet gehad over de uitbreiding. Hoe winnen we het van de autocraten buiten Europa? Wat is zijn visie op de vraag of we daarvoor moeten uitbreiden? Meer specifiek, vindt hij niet ook dat we volmondiger moeten erkennen dat we naast stikt, fair en betrokken ook strategisch moeten kijken naar de uitbreiding?
De heer Krul (CDA):
Daar ben ik het helemaal mee eens. In de debatten die we in de afgelopen maanden over de uitbreiding hebben gevoerd, vonden we het voorstel van mevrouw Becker over graduele toetreding heel interessant. Daarnaast vind ik het heel waardevol om te kijken naar landen als IJsland en Noorwegen. Dat gaat ook om de vraag of er andere vormen van lidmaatschap mogelijk zijn om de strategische positie van Europa juist te versterken. Ik denk inderdaad dat juist het strategische aspect van toetreding de komende tijd veel centraler moet komen te staan, als we kijken naar de nieuwe wereldorde die zich nu eenmaal aan het zetten is. Daar hoort meer bij dan alleen de traditionele pijlers die we daarbij hanteren. Daarover ben ik het eens met de heer Van der Lee.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Lenaers, eveneens namens het CDA.
De heer Lenaers (EP/CDA):
Voorzitter. Dank u voor de uitnodiging om hier uw gast te zijn vandaag. Ik was elf jaar geleden voor het laatst bij dit debat aanwezig, toen met CDA-woordvoerder Europese zaken Pieter Omtzigt aan mijn zijde. Ik constateer dat er in elf jaar veel is veranderd in dit huis en ook in de wereld. Het is daarom belangrijk dat we vandaag niet alleen spreken over de huidige staat van de Unie, maar ook over haar toekomst: over de vraag hoe Europa in een wereld van oorlog, geopolitieke spanningen en economische concurrentie haar eigen toekomst kan blijven bepalen.
Ik wil vier punten maken. Eén op defensie. Te lang heeft Europa voor onze veiligheid geleund op de Verenigde Staten. De wereld van vandaag laat zien hoe kwetsbaar ons dat maakt. Daarom moeten wij investeren in onze strategische autonomie. We moeten investeren in de Europese defensie-industrie en in defensiesamenwerking. Dat gaat niet alleen maar om meer geld investeren, maar juist ook om slimmer investeren, niet alleen in nationale projecten, maar juist ook daar waar Europese samenwerking meerwaarde heeft. Hoe gaat Nederland daaraan bijdragen?
We moeten Oekraïne blijven steunen: militair, financieel en politiek. Oekraïne verdedigt niet alleen zijn eigen vrijheid maar ook die van ons. Hoe zorgen we dat het draagvlak voor die steun behouden blijft? Hoe zorgen we dat alle lidstaten hun verantwoordelijkheid nemen, ook richting die belangrijke NAVO-top, volgende maand?
Tweede punt: migratie. Als we onze eigen toekomst willen bepalen, moeten we grip op migratie krijgen. Er werd al aan gerefereerd; het is er deze week veel over gegaan: morgen treedt het Europees Migratiepact in werking. Met die hervorming zetten we een hele grote stap om binnen Europa grip op migratie te krijgen. Maar daarmee zijn we er niet. Een geloofwaardig migratiebeleid gaat niet alleen over het pact. Daarom stemmen wij bijvoorbeeld volgende week in het Europees Parlement over de Terugkeerverordening, om ervoor te zorgen dat de uitkomsten van onze procedures ook gevolgd worden en dat mensen zonder recht om te blijven ook daadwerkelijk terugkeren naar hun land van herkomst. Belangrijk is, nu de Europese kaders zijn gezet, hoe Nederland die ruimte benut om meer grip op migratie te krijgen.
Punt drie: concurrentievermogen. Op eigen benen staan betekent ook economisch sterk genoeg zijn om wereldwijd te concurreren. Europa moet niet achter de feiten aanlopen, maar zelf de economie van de toekomst vormgeven. Dat vraagt om uitvoering van de aanbevelingen van Draghi en Letta: investeren in de industriële basis, strategische sectoren, schone energieproductie en de opschaling van industriële capaciteit in Europa. Dus niet alleen technologie ontwikkelen, maar ook zorgen dat die hier wordt geproduceerd, toegepast en geëxporteerd. Dat is de kern van moderne Europese industriepolitiek. Tegelijkertijd moet Europa een plek zijn waar bedrijven ruimte krijgen om te groeien, zonder te verdwalen in regels. Ik noem minder administratieve lasten, meer voorspelbaarheid en ruimte om met gezond verstand te ondernemen. In Europa hebben we daar in de afgelopen twee jaar belangrijke stappen in gezet en daar moeten we mee doorgaan.
Het laatste punt is geld: de begroting. De komende maanden staan in het teken van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader. Ik denk dat de premier daar onlangs op de top in Cyprus heel duidelijk over was, en terecht. Ook voor het CDA geldt: meer geld alleen is niet de oplossing. Europa wordt niet sterker door een groter budget, maar wel door betere en scherpere keuzes. We hebben een moderne en flexibelere begroting nodig, gericht op veiligheid, innovatie, concurrentievermogen, voedselzekerheid en de bescherming van onze buitengrenzen. Welke strategie kiest Nederland om ervoor te zorgen dat de Nederlandse bijdrage binnen de perken blijft, zonder dat er juist wordt gesneden in de prioriteiten voor Nederland?
Tot slot, ook in vervolg op het laatste debat: de koppeling tussen begroting en rechtsstaat blijft cruciaal, juist om toekomstige Orbáns te voorkomen. Gaan wij Europa de middelen geven om haar eigen toekomst te bepalen? Wat betreft het CDA is dat: ja! En dan moeten we hier de keuzes maken die daarvoor nodig zijn.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Lenaers. Het woord is aan de heer Hoogeveen. Hij spreekt in eerste termijn namens JA21.
De heer Hoogeveen (JA21):
Voorzitter, dank, en welkom aan de Europarlementariërs in dit huis. Dit is mijn vierde debat over de Staat van de Europese Unie. Twee keer zat ik achter in de zaal als assistent. Daarna was ik hier als Europarlementariër en vandaag als lid van de Kamer.
Wat mij in al die jaren is opgevallen, en dat is vandaag ook weer een beetje het geval, is dat we het debat eigenlijk kunnen opdelen in drie standpunten. Links wil het liefst zo veel mogelijk naar de EU overhevelen en zo veel mogelijk federaliseren. Het midden houdt een wat obligaat enerzijds-anderzijdsverhaal. En op rechts zeggen we: ja, alles is weggegeven en het komt nooit meer goed. Ik wil dat vandaag eens omdraaien, want JA21 is niet tegen alles. De vraag is: hoe ziet de Europese Unie eruit als het aan ons ligt en wat is volgens ons de stip aan de horizon?
Voorzitter. JA21 ziet een EU die geen politieke superstaat is, maar een geo-economische grootmacht. Een Europa dat naar buiten kijkt en handelt met iedereen die wil handelen: Zuid-Amerika, India, Indonesië, Australië, de Golfstaten, en ook China en de Verenigde Staten. Inzetten op verdere marktopening in plaats van op economische afsluiting, want handel is geen bedreiging. Handel is welvaart en de oorspronkelijke drijfveer achter Europese samenwerking. Daarom zien we ook een EU waarin de kapitaalmarktunie wordt vervolmaakt, waar ondernemers niet vastlopen in nationale barrières, tegenstrijdige regels en versnipperde financiële markten, maar waar geld vloeit naar ondernemers met de beste ideeën. Start-ups en scale-ups vertrekken niet langer meer naar Silicon Valley, maar komen naar Eindhoven, Dresden of Tallinn.
Terwijl Europa economisch sterker wordt, wordt Brussel kleiner. De Europese Commissie is weer wat ze hoort te zijn: een uitvoerend secretariaat van de lidstaten. Het vetorecht op buitenlandbeleid blijft behouden, want soevereiniteit moet niet kunnen worden weggestemd. En de Europese begroting is fors afgeslankt. De miljardenverslindende landbouw- en cohesiefondsen worden hervormd en behoren tot het verleden. Daardoor kunnen de afdrachten van de lidstaten dalen.
Ook financieel is Europa gezond door het Stabiliteits- en Groeipact in ere te herstellen en te handhaven. Lidstaten bezuinigen en hervormen, zoals Ierland ooit succesvol deed na de financiële crisis. Daardoor zijn de schulden, de begrotingstekorten en vooral de inflatie laag. Gemeenschappelijke schulden zijn daardoor niet nodig. Geen transferunie via de achterdeur, geen tijdelijke noodfondsen die permanent worden en lidstaten nemen weer zelf de verantwoordelijkheid. De regeldruk is drastisch verminderd. Wet- en regelgeving, die er met de beste bedoeling zijn gekomen, maar vooral bureaucratie creëren, zijn afgeschaft of vereenvoudigd.
Het mkb heeft weer ademruimte. Ondernemers kunnen weer ondernemen en zijn niet langer bezig met compliance. En daardoor bloeit ook onze industrie. Europese fabrieken draaien op volle toeren, en niet omdat Europa de markt heeft afgeschermd, niet omdat ambtenaren hebben gezegd "dat zijn de kampioenen van de toekomst", maar juist omdat we onze economie hebben geopend. We zijn open for business. We hebben handelsbarrières weggenomen, regels geschrapt en energie betaalbaar gemaakt.
Voorzitter. Een succesvolle gemeenschappelijke markt kan alleen bestaan met goed bewaakte gemeenschappelijke buitengrenzen. Daarom wordt illegale migratie gestopt. Tegelijkertijd blijft Europa open voor mensen die kennis, talent, ondernemerschap en vakmanschap komen brengen.
En Oekraïne? Oekraïne blijft nauw verbonden met Europa. Wij steunen dit land financieel, militair en moreel. We helpen bij de wederopbouw en investeren in handel, infrastructuur en grondstoffenwinning. Maar wij erkennen ook de realiteit. Een land dat kampt met hardnekkige corruptie, armoede en een enorme wederopbouwopgave, is nog lang niet klaar voor toetreding, niet vandaag, niet morgen en niet over tien jaar.
Voorzitter. Er wordt gezegd dat partijen als de mijne de EU van binnenuit kapot willen maken. Maar het vergezicht dat ik zojuist heb geschetst, is volgens mij precies wat heel veel Europeanen van de EU verwachten. De keuze is ook niet voor of tegen de EU. Dat is een oude discussie. De keuze is: kiezen wij voor een EU die zich overal mee bemoeit of kiezen wij voor een EU die de kerntaken goed uitvoert? Niet een Europa dat groot wil zijn in alles, als een reus op lemen voeten, maar een Europa dat groot is waar het moet en klein waar het kan. Dat is de EU waar JA21 voor staat.
Voorzitter. Ik heb nog 40 seconden. Ik heb eigenlijk maar één vraag aan de premier. Kan hij reflecteren op het verhaal dat ik zojuist heb geschetst? En hoewel wij in dit huis flink van mening verschillen, denk ik ook dat het goed zou zijn om te werken aan hetgeen wat ons juist samenbrengt. Wim van de Camp is ooit begonnen met een oranjeoverleg. Ik denk dat er ook wel veel zaken zijn waar wij als Nederlanders het Nederlands belang kunnen dienen. Bijvoorbeeld Frankrijk en Italië doen dat heel succesvol. Zou dat niet iets zijn waar wij als Nederland een voorbeeld aan kunnen nemen?
Dank u wel.
De heer Stöteler (PVV):
In dat Brussel van JA21, hoeveel Eurocommissarissen zijn daar aan het werk? En misschien kan meneer Hoogeveen ook nog zeggen of we dan volgens JA21 nog een Europees Parlement nodig hebben.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank voor de vraag. Ik denk dat de Europese Commissie significant kleiner kan. Dat is ook volgens de verdragen zo. Iedere lidstaat hoeft helemaal niet een eigen Eurocommissaris te hebben. Met alle respect voor Wopke Hoekstra, maar dat is natuurlijk wel een beetje een flutportefeuille. Dat kan je makkelijk fuseren met andere portefeuilles. En het hoeft dus ook niet volgens de verdragen. Volgens mij is het uiteindelijk Ierland geweest dat erop stond dat iedere lidstaat z'n eigen Eurocommissaris kreeg. Wij van JA21 zeggen: dat zou een stuk kleiner kunnen.
De heer Dekker (FVD):
Ik begrijp dat de heer Hoogeveen graag een afgeslankte en kleinere EU zou willen met een minder groot budget. Maar mijn vraag is: als de meerderheid van de staten die daarbij aangesloten zijn, netto-ontvanger is en men ook nog een keer in meerderheid kan beslissen, wordt het dan niet bijna onmogelijk om zoiets voor elkaar te krijgen? Die hervorming moet immers wel gedragen worden door de meerderheid.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dat klopt. Tegelijkertijd zie je wel, als je bijvoorbeeld nu kijkt naar de onderhandelingen over het MFK, om dat even als voorbeeld te nemen, dat dat dan toch op basis van unanimiteit gaat. Daarover stond volgens mij zojuist in het FD een artikel waarin Nederland heel duidelijk zegt: hier liggen onze rode lijnen. Dus dat instrument kan je gewoon blijven inzetten. Er zijn op heel veel terreinen nog momenten waarop je rode lijnen kan trekken, je hakken in het zand kan zetten en kan bijsturen.
De heer Dekker (FVD):
Ik maak me daar toch wel zorgen over, aangezien we streven naar uitbreiding, wat weer meer landen betekent die netto-ontvanger zijn, en we ook streven naar steeds meer meerderheidsbesluitvorming. Die twee zaken zijn toch in strijd met de wensen van de heer Hoogeveen?
De heer Hoogeveen (JA21):
Dat klopt en daar ben ik ook tegen.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Van der Lee voor zijn laatste interruptie.
De heer Van der Lee (PRO):
Ik wil de heer Hoogeveen toch in die zin serieus nemen dat ik hem even een vraag stel. Op zich is hij consistent. Het bewieroken van vrijhandel gebeurt consequent door JA21. Maar het perspectief dat geschetst wordt, past bij de jaren na de val van de Muur, de jaren negentig, waar vrijhandel wereldwijd hoog in het vaandel stond. Alleen zijn die tijden nu echt verdwenen. Als we die sterke Europese markt overeind willen houden, dan hebben we toch meer nodig dan de soft power van vrijhandel? Of neemt JA21 afstand van het pleidooi van de premier dat Europa ook de taal van de macht moet spreken? En hoe beschermen we ons dan tegen die grote landen die met ontzettend veel staatssteun onze industrie kapotmaken?
De heer Hoogeveen (JA21):
Dat is een goede vraag. Ik denk dat als je inzet op vrijhandel, je daarmee juist zorgt dat je competitief bent. Als je met landen handelt, neem bijvoorbeeld China, dan zegt u "dat is enorme staatssteun, dat is overcapaciteit". Maar ik zeg: dat is het land dat uiteindelijk onze energietransitie betaalt. Dan kunnen wij onze investeringen ergens anders aanwenden en daar weer competitief in zijn. En wat betreft degenen die onze industrie kapotmaken: dat zijn wij toch echt zelf geweest, met allerlei groene voorwaarden, belastingen op energie, ingewikkelde wet- en regelgeving. Ik denk juist: als je echt competitief wilt zijn, moet je dereguleren, moet je zorgen dat de kapitaalmarkt werkt, moet je niet naïef zijn, maar moet je toch echt je markt openhouden. De geschiedenis leert namelijk dat landen en continenten die dat doen, succesvol zijn.
De heer Krul (CDA):
Kunnen we dan vrijhandel scheiden van geopolitiek? Van het feit dat China een monopolie heeft op eigenlijk alle klimaattechnologie, kan je zeggen: dat is fijn, dan kunnen zij onze energietransitie betalen. Maar er is ook een geopolitiek belang. China heeft een ander belang dan Nederland. Kun je die twee dingen van elkaar scheiden? Of zegt de heer Hoogeveen: nee, het gaat enerzijds om vrijhandel en anderzijds toch ook om de waarden en de geopolitieke strategie die een andere wereldmacht misschien heeft.
De heer Hoogeveen (JA21):
Waar ik het mee eens ben, is dat je nooit afhankelijk moet zijn van te veel eenzijdige handelspartners. Dat was ook de kern van mijn betoog: je moet zo veel mogelijk diversifiëren. Als China terugtrekkende bewegingen maakt, als wij dat land proberen meer te openen door bijvoorbeeld betere handelsafspraken te maken, maar zij willen dat niet, dan moet je dus je handelsafspraken verschuiven. Dan kijken we naar India of naar Zuid-Amerika voor onze grondstoffen en dan kijken we misschien naar Afrikaanse landen die welwillender zijn om met ons te investeren, omdat China ook tegenvalt als investeringspartner. Juist inzetten op diversificatie is dus de sleutel tot succes voor de Europese economie.
De heer Krul (CDA):
En dat staat wat de heer Hoogeveen betreft helemaal los van de geopolitieke strategie die een land misschien heeft? Medicijnen uit India en klimaattechnologie uit China staan daar wat hem betreft los van, het gaat puur om de economische winst die we kunnen behalen? Ik zie die kansen ook echt wel, maar ik proef niet zozeer een visie op de misschien toch tegengestelde belangen die dit soort landen op andere fronten misschien hebben.
De heer Hoogeveen (JA21):
Vrijhandel is wat mij betreft zo veel mogelijk een contract tussen bedrijven of tussen personen. Daar moet zo weinig mogelijk tussen zitten. Los daarvan zeg ik er wel bij dat er natuurlijk ook geopolitieke belangen liggen. Als je kijkt naar hoe Rusland over de schreef is gegaan en hoe we daar afhankelijk van zijn geweest, is het volkomen terecht dat we dat land gericht en effectief proberen te sanctioneren. Iran is hetzelfde verhaal, Noord-Korea ook. Dus ja, er spelen uiteraard altijd geopolitieke belangen. De vraag is alleen hoe je dat effectief en proportioneel doet, en wat ons betreft is dat zo weinig mogelijk.
Mevrouw Becker (VVD):
Ik kreeg van de heer Hoogeveen het compliment dat mijn verhaal de centrumrechtse kiezer zou aanspreken. Ik kan zeggen dat dat voor een deel ook geldt voor het verhaal van de heer Hoogeveen. Ik denk alleen dat als mensen zich zorgen maken over waar wij uiteindelijk economisch staan als EU en als Nederland, als we zien wat er nu gebeurt vanuit China, als we zien wat er nu gebeurt vanuit de VS, het toch vrij naïef is om te denken dat we dat via vrijhandel kunnen oplossen. Hoe denkt de heer Hoogeveen dan over investeringen in strategische sectoren, in vitale infrastructuur, in havens, in kennis? Hoe denkt hij over studenten die naar Wageningen University komen en er misschien met onze biotechnologie vandoor gaan? Dat heeft toch regulering nodig?
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik ben blij met deze vraag, want ik ben het er helemaal mee eens. Ik weet nog dat toen ik in het Europees Parlement zat, de minister van Buitenlandse Zaken een uitgebreide havenstrategie had uitgewerkt. Daar ben ik het ook heel erg mee eens. Als China hier haventerminals kan opkopen en voor zijn eigen belang kan inzetten, dan moeten wij dat daar ook kunnen doen. Als die wederkerigheid er niet is, dan moet je daar strategie op maken. Daar ben ik het helemaal mee eens.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Dekker. We spreken namelijk in de volgorde van fractiegrootte en de heer Dekker heeft zich later aangemeld, dus die komt dan weer vóór de heer Van Baarle. Bent u zover? Het was een verrassing voor u.
Ga uw gang, meneer Dekker.
De heer Dekker (FVD):
Voorzitter, dank u wel. Het kabinet stuurt ons een brief over een slagvaardige Unie in een onzekere wereld. Wie het stuk leest, ziet één rode draad: meer EU. Meer bevoegdheden, meer fondsen, meer geopolitieke ambities.
Forum voor Democratie leest in deze Staat van de Unie vooral de zoveelste etappe van een machts- en welvaartsoverdracht. In deze Staat van de Unie pleit het kabinet ervoor om bij het gemeenschappelijke buitenlandbeleid de unanimiteit los te laten en over te gaan tot meerderheidsbesluitvorming. Het coalitieakkoord wil daarbovenop de artikel 7-procedure vereenvoudigen doordat dwarsliggende lidstaten makkelijker het stemrecht kan worden ontnomen; vandaag tegen Hongarije en Slowakije, morgen wellicht tegen ons.
Voorzitter. Het vetorecht is de laatste noodrem van een klein land. De Commissie laat al studies verrichten naar Europese vermogensbelastingen en exitheffingen. Zolang het veto bestaat, kunnen we zulke directe EU-belastingen tegenhouden. Sneuvelt het vetorecht, dan kan dit alles worden opgelegd — tegen de wil van de Nederlandse kiezer. Waarom geeft het kabinet die noodrem vrijwillig weg, vraag ik aan de minister. Zelfs van buitenaf wordt dit haarscherp gezien. De Amerikaanse National Security Strategy benoemt expliciet de uitholling van de soevereiniteit van lidstaten door de EU en de verstikkende bureaucratie. Als onze belangrijkste bondgenoot dat opschrijft, zou dat hier tot reflectie moeten leiden.
Intussen dringt Brussel steeds dieper door in het dagelijks leven van de burger met een digitale euro die door de wetgevingsmachine wordt gejaagd — een proef in 2027, invoering richting 2029 — en met potentieel programmeerbaar centralebankgeld met risico's op monetaire dwang en een einde aan de financiële privacy.
Hoe die machtsoverdracht aan de EU in de praktijk uitpakt, zien we duidelijk bij de fondsenstructuur. Neem het coronaherstelfonds. Nederland staat voor tientallen miljarden garant en moet na 2028 ruim 20 miljard meebetalen aan de EU-schuld. Hoeveel ontvangt Nederland van het fonds? 5,4 miljard, en dan alleen onder dwingende voorwaarden, "mijlpalen" genoemd. Zo moet Nederland bijvoorbeeld een verplichte en voor de zzp'er dure arbeidsongeschiktheidsverzekering invoeren. Zo niet, dan missen we de mijlpaal. Per gemiste mijlpaal kan Brussel tot 600 miljoen inhouden. Deze Kamer wordt zo gedwongen wetten aan te nemen om ons eigen geld los te krijgen dat de EU gegijzeld houdt.
We lezen ook over de geopolitieke ambities van de EU. Lang bleven die beperkt, nu buitelen de militaire plannen over elkaar heen; een Europese veiligheidsstrategie, een Europees defensiemechanisme, een Europese Five Eyes. Na het grootschalige project ReArm Europe bouwt de EU zich zo stap voor stap om tot een tweede NAVO met een eigen artikel 5: een bijstandsclausule, artikel 42, lid 7. Een Unie die ooit voor economische samenwerking was, kiest voor blokvorming en confrontatie.
Dan kom ik bij de economie, voorzitter. Daar zou die hele Unie toch op draaien? Onze werkelijke handelsrelaties zijn in essentie nog dezelfde als in de tijd van de EEG. Het overgrote deel van onze goederenhandel loopt via een handvol landen: Duitsland, België en Frankrijk voorop, met daarbuiten de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk die juist in de lucratieve dienstenhandel de hoofdrol spelen. De overige, pakweg, twintig EU-lidstaten zijn voor onze handel van ondergeschikt belang, maar besturen wel mee over Nederland. Economisch zijn ze voor ons geen vleugels maar ballast. Wat betalen we voor die ballast? De bruto-afdracht loopt op richting de 18 miljard euro per jaar, waarvan slechts zo'n 1,5 miljard naar Nederland terugvloeit. Die ballastsolidariteit kost ons minstens 15 miljard per jaar.
Sinds de invoering van de euro in 2002 becijferen we de directe afdrachten op circa 200 miljard euro. Tel daar ruim 20 miljard per jaar bij op aan kosten als gevolg van de EU-regeldruk, honderden miljarden aan klimaat- en stikstofverplichtingen waaraan Brussel ons tot 2050 heeft vastgeklonken, de enorme kosten van de open grenzen en zo'n 150 miljard aan inroepbare garanties voor de Europese noodfondsen. Richting 2050 loopt de totale opstelsom op tot meer dan 1.000 miljard. Het is een grotendeels onzichtbare welvaartsverschuiving van historische proporties.
Voorzitter. Forum voor Democratie trekt de enige logische conclusie: Nederland moet zijn positie in de EU fundamenteel herzien, verdragen opzeggen die onze soevereiniteit beperken en ons economisch doen kapseizen en vertrekken uit de EU en de euro. We willen Nederland als Zwitserland aan zee: soeverein, welvarend, met een eigen munt en in vriendschap handeldrijvend met heel Europa en de rest van de wereld. Dat is geen ondergang, maar bevrijding.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Baarle, namens DENK. Gaat uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
Bij een debat over de staat van Europa moeten we niet alleen spreken over de Europese instituties, verdragen of geopolitieke belangen. We moeten ook kijken naar hoe het staat met de geloofwaardigheid van de Europese Unie. Die geloofwaardigheid staat op een aantal vlakken onder druk, bijvoorbeeld op het gebied van het buitenlandbeleid. Toen Rusland Oekraïne binnenviel, handelde Europa snel en terecht: sancties volgden elkaar op, banken, bedrijven, oligarchen en instellingen werden aangepakt en handel met illegaal door Rusland bezet gebied: no way.
Voorzitter. Als president Trump de Europese veiligheid ondermijnt, praat Europa met meel in de mond. Toen Maduro illegaal werd ontvoerd door Trump, bleef een harde veroordeling uit. Toen Trump zijn illegale oorlog tegen Iran begon, bleef Europa opnieuw voorzichtig. Over de totale blokkade van Cuba horen we eigenlijk geen woord. Als het gaat om de genocide die Israël dag in, dag uit pleegt, blijft Europa toekijken. Het opschorten van het associatieverdrag met Israël blijft uit en een handelsverbod met illegale nederzettingen komt maar niet van de grond. Vergelijk dat even met het handelsverbod met de door Rusland illegaal bezette gebieden. Hoe reageert de premier op deze dubbele maat in het buitenlandbeleid van de EU? Ziet hij ook in dat Europa door het hanteren van deze keiharde dubbele maat inlevert op de geloofwaardigheid in de wereld?
DENK wil dat Nederland zich binnen de EU maximaal inspant om de oorlogsmisdaden van Israël te stoppen, bijvoorbeeld door het stopzetten van de Europese luchtvaartafspraken, uitsluiting van Israëlische deelname aan Europese onderzoeksprogramma's, zoals Horizon, en aanvullende Europese sancties tegen Israël en Israëlische ministers. Is de regering bereid zich hier in Europees verband voor in te spannen? Deelt de premier ook dat dit noodzakelijk is om de geloofwaardigheid van Europa terug te winnen?
Voorzitter. We kunnen die geloofwaardigheid alleen terugwinnen als we onze in Europa gevestigde instituten beter beschermen. In dat kader vraag ik waarom het zo ontzettend lang duurt voordat de EU bereid is om er alles aan te doen om het ICC te beschermen, dat nu door Amerikaanse sancties wordt bedreigd. Een geloofwaardig Europa staat ook op eigen benen. We zijn nog te veel afhankelijk van Amerikaanse wapenexport — die steeg de afgelopen jaren zelfs — en van de import van energie uit Amerika. Ik vraag het kabinet: hoe gaat Europa deze strategische autonomie de komende tijd borgen en de afhankelijkheid van de Verenigde Staten afbouwen? Hoe ziet de Nederlandse regering dat de komende tijd concreet van de grond komen? Zijn de plannen die we zien realistisch?
Een geloofwaardige EU waarborgt ook de belofte van gelijkwaardigheid voor alle inwoners. We zien in de Europese Unie nog te veel minderheden die ongelijk worden behandeld. Er zijn twee moties van DENK aangenomen die de regering vragen om ook in Europa van de bestrijding van discriminatie meer een prioriteit te maken. Hoe geeft de regering uitvoering aan die moties?
Voorzitter. Een geloofwaardige EU is ook een Europese Unie waar geen sprake is van exorbitante beloningen. Als er gesproken wordt over besparingen in het kader van het Meerjarig Financieel Kader, laten we dan bijvoorbeeld kijken naar de beloning van Europarlementariërs, die een salaris ontvangen van ruim €11.000 bruto per maand. Een Eurocommissaris verdient zelfs meer dan ruim €20.000 per maand. Dan heb je ook nog allemaal vergoedingen, zoals €5.000 algemene onkostenvergoeding, meer dan €360 per dag aan een verblijfsvergoeding en een kilometervergoeding tot 720 kilometer, en nu gaan er zelfs nog geluiden op binnen het Europees Parlement om deze regels te versoepelen, dus om méér te vergoeden. Dat is natuurlijk echt krankjorum. Dan heb ik nog niks gezegd over het verhuiscircus tussen de twee locaties, wat ons tientallen miljoenen kost. Hoe kijkt de regering hiertegen aan? Is de regering bereid om in Europa echt een vuist te maken om dit circus van exorbitante vergoedingen af te tuigen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Meneer Klos, uw laatste interruptie.
De heer Klos (D66):
Ik hoorde in het betoog van de heer Van Baarle dat Europa terughoudend is ten opzichte van de Verenigde Staten op het gebied van zijn eigenwaarde. Ik denk dat dat klopt. Dat heeft een reden. Die is, heel plat gezegd, dat ze ons bij de ballen hebben, dat onze veiligheid nog niet op orde is en dat wij bang zijn dat als wij onze mond opendoen, onze veiligheid lang niet wordt gegarandeerd. Is de heer Van Baarle het met mij eens dat als wij wél willen opstaan voor onze waarden, wij dus moeten bouwen aan onze eigen defensie-unie, zodat wij dat wel kunnen doen?
De heer Van Baarle (DENK):
Ik denk dat in de interruptie van de heer Klos de positie van Europa enigszins wordt onderschat. Europa is een enorme afzetmarkt en een enorme economische kracht. Wat dat betreft denk ik dat wij onszelf vanuit zelfvertrouwen en eigenwaarde een positie kunnen aanmeten waarin wij ons veel feller uitspreken tegen de Verenigde Staten. We zijn nu gewoon te lafjes. We kennen onze eigen kracht niet, en daarom zijn we stil. Dat moeten we veranderen. Tegelijkertijd vind ik dat we in Europa veel meer moeten samenwerken, ook op het gebied van defensie. Dat ben ik met u eens. Een groot aantal van de voorstellen die hier gedaan worden om als Europese Unie gezamenlijk in te kopen, steunen wij dus. Wij zijn nog niet zover dat wij zeggen dat er een Europees leger moet komen. Wat dat betreft vindt u DENK nog niet aan uw zijde, maar de Europese integratie op het gebied van defensiesamenwerking is een belangrijk voorstel. Dus zeker, we moeten meer op eigen benen staan, maar we moeten ook minder lafjes zijn, want we moeten echt wel van onze eigen kracht kunnen uitgaan en gewoon duidelijker tegen ook de VS zeggen dat wat ze doen, niet deugt.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Baarle. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Armoede tegengaan, volkshuisvesting, voldoende betaalbare woningen, de fysieke leefomgeving: met enige verbazing lees ik dat het kabinet de initiatieven van de Europese Commissie hierop hartelijk verwelkomt. Nobele doelen, maar hier is de EU toch niet voor bedoeld? Of, zo dacht ik even, wil de premier misschien zijn belofte van tien nieuwe steden naar Brussel overhevelen? Kan het kabinet toelichten waarom Europese betrokkenheid noodzakelijk is op de genoemde beleidsterreinen, die de kern vormen van de nationale beleidsverantwoordelijkheid? Van alle kanten klinken waarschuwingen, over Europese regeldruk, een gebrek aan concurrentievermogen en een toenemende achterstand ten opzichte van andere machtsblokken. Deelt het kabinet de opvatting dat de Commissie haar capaciteit primair moet richten op vraagstukken die lidstaten niet zelfstandig kunnen oplossen?
Een absoluut dieptepunt in het afgelopen halfjaar was de omarming van My Voice, My Choice. Met dit initiatief rekt de Commissie de definitie van "gezondheidszorg" op, stimuleert zij grensverkeer voor abortus en ondergraaft zij nationale wetgeving die via democratische besluitvorming tot stand is gekomen. Deelt het kabinet de opvatting dat abortuswetgeving geen Europese competentie is en kan het kabinet bevestigen dat ook onder het nieuwe MFK, als het structuurfonds ESF+ wordt ondergebracht in nieuwe partnerschapsplannen, geen Europese middelen zullen worden aangewend voor het financieren van abortuszorg voor niet-ingezetenen?
Dan de omvang van de financiën in algemene zin. Ik weet dat dit kabinet zich verzet tegen de voorgestelde verhoging van de EU-begroting, maar ik krijg er toch graag een beetje gevoel bij hoe stevig deze premier in de wedstrijd zit. Hoelang blijft hij mister nice guy? Is hij bereid om desnoods het veto op tafel te leggen?
Dit kabinet zet in op versterking en versnelling van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de EU. Waar dat kan en bijdraagt aan collectieve weerbaarheid juicht de SGP dat toe, maar realisme is op zijn plaats. Het kwam tijdens een interruptie al even aan de orde. Aan de ene kant hebben we de Tsjechische premier Fico, die samen met Poetin en Kim Jong-un een militaire parade in Beijing bijwoont. Aan de andere kant staat Pedro Sánchez, die NAVO-afspraken aan zijn laars lapt en weigert militaire bases aan de VS ter beschikking te stellen, en als Le Pen of Bardella de Franse presidentsverkiezingen van 2027 wint, ontstaat weer een heel andere dynamiek. Dat onderstreept dat een geloofwaardige geopolitieke Unie alleen kans van slagen heeft als we oog hebben voor onderlinge verschillen.
De voorzitter:
De laatste interruptie van de heer Stöteler.
De heer Stöteler (PVV):
Ja, voorzitter. Dit is even voor de Handelingen: volgens mij is Fico van Slowakije en is Babis prime minister van Tsjechië.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Excuus, dan heb ik dat hier verkeerd opgeschreven. Ik dank mijn collega voor zijn alertheid en voor deze correctie.
Gezamenlijke ambities moeten we samen verder brengen. Coalitievorming op inlichtingen, industriële opschaling en luchtafweer zijn toe te juichen, maar bescheidenheid is geboden waar belangen en dreigingsbeelden al te sterk uiteenlopen. Het mislukken van het Frans-Duitse project voor het gezamenlijke gevechtsvliegtuig laat zien dat, naast politieke wil, ook draagvlak op de grond nodig blijft om daadwerkelijk alternatieven te kunnen ontwikkelen voor de Amerikaanse afhankelijkheden.
Voorzitter. De Nederlandse agrofoodsector blijft ook in de toekomst cruciaal voor economische groei, werkgelegenheid en voedselvoorziening. We zijn ook gebaat bij een stabiel gemeenschappelijk landbouwbeleid. Deelt het kabinet de inzet van de SGP dat het GLB-budget in het nieuwe MFK minimaal op peil blijft? En is het kabinet het met ons eens dat inkomenssteun en plattelandsontwikkeling de kern moeten blijven van het GLB en dat er geen majeure verschuivingen van middelen mogen plaatsvinden?
Tot slot. De Commissie voert momenteel een stresstest uit van de Habitatrichtlijn en doet handreikingen om de vastgelopen vergunningverlening uit het slop te trekken. Nationaal moeten we af van die eenzijdige focus op stikstof. Maar ook de Habitatrichtlijn verdient aanpassing. Gaat het kabinet het momentum benutten om aan te dringen op daadwerkelijke herziening, inclusief voorstellen daarvoor?
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Ruissen, eveneens namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.
De heer Ruissen (EP/SGP):
Dank u wel, voorzitter. "Ik wil een paard, een iPhone, een grotere kamer." U kent ze vast, die onrealistische verlanglijstjes van een kind. Maar als ouder weet je wel beter. Ik moet daar vaak aan denken als ik kijk naar het wensenlijstje van de Commissie-Von der Leyen. Ik deel deze op in twee b's: budget en bevoegdheden. Ten eerste het budget. De voorstellen voor de meerjarenbegroting 2028 tot 2034: 2.000 miljard euro. Het coronafonds even buiten beschouwing latend — dat was immers iets eenmaligs — spreken we daarmee over een stijging van 66% ten opzichte van het huidige MFK. Onaanvaardbaar. Alle reden voor een veto wat mij betreft, temeer omdat er wel heel veel lucht in deze begrotingsvoorstellen zit. Miljarden voor zaken waar de EU helemaal niet over gaat: sociaal beleid, huisvesting, cultuur. Daar kan zo een streep doorheen. Of wat dacht u van de cohesiefondsen, onderdeel van de NRPP straks? Daar kan zo 50% vanaf. Uiteraard is er geld nodig voor nieuwe prioriteiten als grensbewaking en defensie, en voor klassieke prioriteiten als landbouw en visserij. Maar begroten betekent vooral ook keuzes maken, en dat besef is eerlijk gezegd in Brussel nog onvoldoende aanwezig.
De Brusselse verlangens gaan ook door het dak rond de bevoegdheden, mijn andere b. Ik noemde al de bemoeienis met sociaal beleid en met huisvesting; zeer discutabel. Maar wat ons ook zorgen baart, is de bemoeienis van Brussel met het familierecht en ethische kwesties. Er zijn gelukkig nog landen die hechten aan klassieke christelijke waarden, die zeer terecht abortus afwijzen bijvoorbeeld. Zij dreigen nu overruled te worden door Brussel. Zeer kwalijk.
Voorzitter. Ter compensatie hef ik vandaag twee andere b's op het schild, namelijk die van bescheidenheid en barmhartigheid. Bescheidenheid rond geld en competenties, maar zeker ook rond regeldruk. Ik noem het pulsverbod en de aanlandplicht in het visserijbeleid, de Nitraatrichtlijn die onvoldoende ruimte laat voor maatwerk bij de aanwending van dierlijke mest en de Habitatrichtlijn, met onrealistische bepalingen rond natuurdoelen. Het zijn allemaal voorbeelden van doorgeslagen wetgeving. Ik noem heel bewust deze onderwerpen omdat ze alle drie dit jaar zijn of worden geëvalueerd. Mijn oproep aan het kabinet is daarom: grijp deze evaluaties aan om de Commissie maximaal onder druk te zetten, zo snel mogelijk met herzieningsvoorstellen te komen en zo een einde te maken aan onwerkbare regels. Hoedt u ondertussen voor nationale koppen. De Nederlandse invulling van de genoemde richtlijnen is onnodig streng en complex.
Over barmhartigheid gesproken: dan denk ik aan de vervolgde christenen. Ik zag steun van het kabinet voor de nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid. Heel goed. Maar ik denk ook aan de Joodse gemeenschappen in Europa. Zij vragen echt niet om een grote, mega-Europese begroting. Eenvoudigweg vragen zij om een gerespecteerde plek in onze samenleving en een veilige omgeving voor Joodse studenten. Het is toch diep triest dat veel universiteiten die niet meer weten te bieden, maar wel volop podium geven aan Hamassympathisanten? Waarom draaien we de geldkraan, vanuit Horizon bijvoorbeeld, niet gewoon dicht richting universiteiten die te weinig aan antisemitismebestrijding doen? Reken maar dat ze daar gevoelig voor zijn.
Voorzitter. Ik rond af. In april was het precies 75 jaar geleden dat Nederland het EGKS-Verdrag sloot. Na 75 jaar is het hoog tijd voor Europa om volwassen te worden. Weg met onrealistische verlanglijstjes. Neem verantwoordelijkheid.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Sander Smit namens de BBB.
De heer Smit (EP/BBB):
Voorzitter. Mede namens de heer Vermeer allereerst dank aan deze Kamer voor de organisatie van dit belangrijke debat.
Er staat veel op het spel. Het afgelopen jaar is er ook voor BBB veel veranderd in het Europees Parlement. Na een grondige analyse heeft BBB de fractie van de christendemocraten verlaten en zijn we toegetreden tot de centrumrechtse fractie van Europese Conservatieven en Hervormers, de ECR, de fractie van de Italiaanse premier Meloni en de Belgische premier De Wever. BBB weigerde Ursula von der Leyen automatisch onvoorwaardelijke rugdekking te geven. Hierom werd ons maandenlang plenair spreekrecht ontnomen en werden ons wetgevingsdossiers ontnomen, terwijl de Europese ombudsman de Commissievoorzitter inmiddels al voor de tweede keer op de vingers heeft getikt wegens gebrek aan transparantie. De ECR is precies de plek waar ons eurorealistische programma thuishoort: minder Brussel, meer ruimte voor boeren, vissers, regio's en ondernemers; behoud van nationale soevereiniteit, van onze tradities en van de Europese culturele waarden en normen. Vorig jaar bepleitte ik hier een broodnodige centrumrechtse koerscorrectie. Het is hoopvol om te zien dat eerste resultaten ook aan de horizon verschijnen.
Neem migratie. Er ligt een politiek akkoord over de terugkeer van illegale migranten. Wat binnenlands niet lukte na het vertrek van NSC en PVV, lukt nu wel in Brussel, dankzij nieuwe meerderheden en een constructieve houding: een uitzetwet die recht doet aan draagkracht in de rechtsorde, bereikt met brede centrumrechtse samenwerking, zonder cordon sanitair. Dat smaakt naar meer.
Vorig jaar wekte Draghi Europa uit de doorgeschoten Green Deal en de daarbij behorende nachtmerrie van overregulering die onze concurrentiekracht kapotmaakt. Nu trekken ook regeringsleiders De Wever, bondskanselier Merz en premier Meloni aan de bel. Minder regeldruk, minder lasten voor industrie. Het is mijn hoop dat het kabinet hierbij aansluit in plaats van het groenste jongetje van de klas te blijven.
Het Europees Parlement heeft zijn eerste steentjes bijgedragen: twee concurrentiekrachtvernietigende wetten, de CSRD en de CSDDD zijn door brede centrumrechtse samenwerking herzien. Namens BBB heb ik met collega's bureaucratische lasten en risico's voor het mkb teruggebracht. Oude wetten als de ontbossingsverordening kunnen opeens met 75% minder rapportage en regeldruk toe, geeft de Commissie aan. Waarom heeft ze die overbodige bureaucratie dan ooit voorgesteld en ingevoerd? Datzelfde geldt natuurlijk voor het verbod op de verbrandingsmotor. Ook het CO2-emissiehandelsysteem ETS1 moet ingrijpend worden herzien. Gratis emissierechten moeten worden behouden en ETS2, de komende Timmermanstaks op uw tankbeurt en cv-ketel, moet niet alleen uitgesteld maar ook opgeschort worden. Bureaucratische uitdijing is geen natuurwet. Onnodige strenge klimaatregels voor onze industrie moeten worden gestopt.
Voorzitter. De doorgeschoten groene ideologie gedraagt zich steeds vaker totalitair en voert onze verwelkende welvaart aan Chinese en Russische rivalen. Landbouw en visserij zijn geen gewone economische sectoren. Ze vormen de basis van regionale gemeenschappen, van het plattelandlandschap en vooral van onze voedselsoevereiniteit. Een eerste succes zijn de vereenvoudigingen in het GLB: minder rompslomp en meer maatwerk. Nederland legt zichzelf echter veel strengere eisen op dan nodig is. Boeren horen niet achter een bureau te zitten, maar op een trekker. Het Omnibusvereenvoudigingspakket voor voedsel en voeders is een kleine overwinning van gezond boerenverstand. We geven boer en tuinder hiermee meer zekerheid over de gevulde gereedschapskist zodat zij kunnen blijven zorgen voor onze voedselzekerheid.
Voorzitter. De oorlog in Oekraïne heeft pijnlijk duidelijk gemaakt hoe afhankelijk Europa is geworden.
De voorzitter:
Rondt u af?
De heer Smit (EP/BBB):
Ik noem energie, grondstoffen en militairen. Daarom blijft voedselzekerheid, artikel 39 van het verdrag, van levensbelang.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Smit (EP/BBB):
Laten we voor de landbouw niet dezelfde fouten maken als die de EU de afgelopen jaren op energie- en grondstoffengebied heeft gemaakt.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Smit (EP/BBB):
Ik dank u.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Dassen namens Volt.
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter. Vandaag wil ik stilstaan bij een voor mij grote Europeaan, namelijk mijn vader. Vandaag is zijn geboortedag. Precies 83 jaar geleden op 11 juni 1943 werd Alphons Dassen geboren als eerste in een gezin met tien kinderen. Europa was nog in oorlog en zijn leven begon in een wereld waarin soevereiniteit nog een verre droom leek. Al opgroeiend daagde hij graag de status quo uit, zowel bij Philips als bij het Eindhovens carnaval als bij FC Eindhoven. Het zal u niet verbazen: op jonge leeftijd werd mijn vader lid van de Europese beweging. Hij zag in Europa hoop en energie. Samen met zijn generatie bouwde hij aan het nieuwe Europa waarin ik, samen met hem, vele mooie plekken mocht bezoeken. Twee jaar geleden was het de laatste keer, net voordat hij te horen kreeg dat hij ziek was. In Berlijn discussieerden we over wat er in de wereld gebeurde: over Trump, Oekraïne en Xi. Ook al waren we het in essentie vaak eens, we waren allebei toch te koppig om dat toe te geven. Daar konden we dan ook weer hartelijk om lachen. Van hem kreeg ik in 2018 een appje: hé Lau, Volt, een nieuwe Europese partij, komt naar Nederland. Vijf minuten later hadden we ons allebei aangemeld, vanuit de gezamenlijke overtuiging dat we een verenigd Europa nodig hebben.
Dat verenigd Europa begint niet met een Europa dat enkel vergadert over zijn kwetsbaarheden, maar met een Europa dat ze ook opheft: een Europa dat staat voor vrijheid, recht en democratie. En dat begint met een duidelijke stip op de horizon. Voor ons is die stip de Verenigde Staten van Europa. Om daar te komen, moet Europa gaan scoren en niet afwachten. Geen Chinese batterijen, geen Amerikaanse tech, maar Europese defensie, energie en AI. Daarvoor moeten we gezamenlijk aanvallen. Nu lijkt het soms nog of het kabinet zich terugtrekt op de eigen helft. Dat is als denken dat je het WK wint met alleen verdedigen. Mijn vraag aan de minister-president is of we gaan aanvallen, met een sterke EU-begroting, eurobonds en eigen middelen voor de EU. Of moeten we van de VVD op het bankje blijven zitten?
Voorzitter. De weg naar de Verenigde Staten van Europa begint ook niet met een file. De EU riep Nederland en negen andere landen terecht op om te stoppen met deze beperking van onze vrijheid. Stop met die onzalige grenscontroles. Kan de minister-president ingaan op de kritiek? En kan de minister met zijn Duitse collega in gesprek gaan om hier samen mee te stoppen? Er worden al te veel muren opgebouwd in deze wereld. Laten wij ze afbreken! Overal staan waarden als vrijheid en democratie onder druk, ook in Europa met terugkeerhubs en het uitblijven van reacties op schendingen van het internationale recht, terwijl juist daar het verschil zou zitten tussen Europa en de andere machtsblokken in de wereld.
Voorzitter. De vrijheid die we hebben in Europa, wordt ook bedreigd door de algoritmes van Amerikaanse techbedrijven. Zij bepalen wat jij vandaag leest, ziet en voelt. Onze digitale soevereiniteit dreigt een luchtkasteel te worden in de Amerikaanse cloud. Europa barst van de innovatie en alternatieven. Er zijn genoeg voorbeelden. In Duitsland en Frankrijk zijn ze al veel verder. Hoe staat het met de routekaart om over te stappen op Europese alternatieven? Kan de minister-president uitleggen waarom dit kabinet nog zaken doet met bedrijven die zeggen onze democratie te willen tegenwerken?
Orbán is weg en dat is dan ook het moment voor de Europese Unie om te kijken hoe we slagvaardiger kunnen worden. Welke mogelijkheden ziet het kabinet om dwarsliggers beter aan te pakken? Kan het kabinet de oproep van het Europese Parlement uit 2023 positief beantwoorden, zodat er een verdragswijziging kan plaatsvinden?
Dan nog een klein punt, specifiek voor de Europarlementariërs hier vandaag, want ik weet dat zij een hekel hebben aan het verhuiscircus tussen Straatsburg en Brussel. Wellicht kunnen we daarmee stoppen. Kan de minister-president daar stappen voor nemen?
Voorzitter. Begin dit jaar overleed mijn vader. Op de laatste dag dat hij goed aanspreekbaar was, zei hij tegen mijn moeder: we moeten zaterdag nog wel naar de speech van Laurens kijken. Tot het laatst was hij bezig met de wereld en het belang van Europa. Hij leerde me dat Europa niet vanzelf komt. Het is namelijk een keuze: elke dag opnieuw kiezen voor samenwerking, voor soevereiniteit en voor de toekomst die we willen. Het is tijd om te stoppen met doormodderen met 27 individuele spelers, die alle hun eigen wedstrijd spelen. Laten we het geloof, de energie, de hoop en het optimisme dat de Europese Unie voor onze ouders en grootouders was en symboliseerde, weer terug laten komen. De generatie van mijn vader maakte Europa tot het grootste succes van de twintigste eeuw. Het is aan ons om de Europese Unie het grootste succes van de eenentwintigste eeuw te maken.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Dassen. Het woord is aan de heer Van Lanschot, eveneens namens Volt.
De heer Van Lanschot (EP/VOLT):
Voorzitter. De nationalistische politici in dit debat doen mij soms denken aan helden, helden uit Griekse tragedies. In zo'n verhaal voorspelt een orakel het noodlot: een ander zal jouw soevereiniteit afpakken. De helden doen van alles om dat te voorkomen, maar maken het daardoor alleen maar erger. Met iedere boze tweet over onverkozen bureaucraten en met ieder "nee, nee, nee" in Brussel verzwakken ze onze soevereiniteit. De ander uit de voorspelling is niet Europa. Nee, wij zijn Europa. In een eeuw met Poetin, Netanyahu en Trump beschermt Europa ons. Dus als we zo veel geven om soevereiniteit, maak ons dan ook soeverein!
Het Nederlandse orakel, Johan Cruijff, zei: je gaat het pas zien als je het doorhebt. Voor sommige politici zal dat misschien nog even duren, maar Nederlanders hebben het door. Die zien het. Driekwart van de Nederlanders zal net als ik zondag juichend voor de televisie zitten, als Cody Gakpo de 3-0 tegen Japan binnenschiet. Diezelfde driekwart zal waarschijnlijk juichen als Spanje de VS inmaakt, want driekwart van de Nederlanders voelt zich naast Nederlander ook Europeaan. Negen van de tien Europeanen willen een meer verenigd Europa. Ze snakken naar een continent dat democratisch en daadkrachtig is.
Maar de belangrijkste Europese oplossingen worden door dit kabinet tot een Voldemortpositie veroordeeld en mogen niet genoemd worden. Een Europese begroting? Stop, niet groter. Eurobonds? Sst, straks hoort minister Heinen het. Een Europees leger? Ho, dan is Rutte bang dat "daddy" boos wordt. Premier Jetten, luister niet te veel naar de VVD. Cruijff zei: je kunt beter ten onder gaan met je eigen visie dan met de visie van een ander. Ik hoop dat de premier doet waar hij zelf in gelooft en dat het hem lukt.
"Als je denkt dat Europa zichzelf ooit kan verdedigen zonder de VS, blijf dan maar dromen", sprak Mark Rutte. Maar ooit bestond ons land uit zeven kleine provincies, omringd door bedreigingen. Deze provincies verenigden zich en vormden het eerste Nederlandse leger. Nederland zou er nu niet zijn als zij toen hadden geluisterd naar politici zonder visie die zeiden: blijf maar dromen. Onafhankelijke defensie is geen droom, maar noodzaak. Samen met vijftig andere Europarlementariërs heb ik daarom over land- en partijgrenzen heen een netwerk opgericht voor een Europese defensie-unie. We hebben een plan met Europese commandostructuren, strategic enablers en een snelle reactiemacht. Ik nodig alle Kamerleden en de minister-president uit om lid te worden van dit netwerk. Cruijff zei ook: vaak moet er iets gebeuren voordat er iets gebeurt. Laat dat deze keer niet zo zijn. In plaats van te wachten tot oorlog ons verenigt, moeten wij ons verenigen om oorlog te voorkomen. En stel je nu eens voor dat wij ons echt verenigen. Een unie van Portugal tot Oekraïne, waar iedereen zichzelf kan zijn en een waardig leven kan leiden. De Verenigde Staten van Europa, zonder veto's. Is dat ook de stip op de horizon van dit kabinet? Europa is nu al de beste plek om te wonen. De laagste kindersterfte, de meest gelijke kansen, de minste armoede, de hoogste levensverwachting en de gelukkigste mensen ter wereld. Dat is dankzij de EU, het grootste succes van de twintigste eeuw. Maar elk voordeel heeft zijn nadeel. We zijn lui geworden. Het kan en moet beter. Laten we samen van de EU ook het grootste succes van de eenentwintigste eeuw maken. Hoe? Dat staat in dit manifest, dat ik graag aan de minister-president geef.
Voorzitter. Tot slot wil ik de Nederlandse regering en het Nederlands elftal op het hart drukken wat Cruijff zei. Deze quote hangt aan de muur van mijn kantoor in Brussel: alleen kun je niks en met z'n allen kun je alles.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Keijzer voor haar inbreng in eerste termijn.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank, voorzitter. De titel van mijn inbreng is: de Europese Unie is haar doel voorbijgeschoten. Wat ooit begon als een economisch samenwerkingsverband tussen landen die elkaar nodig hadden voor handel en stabiliteit, is verworden tot een politieke moloch die onze soevereiniteit uitholt, stap voor stap, besluit voor besluit. Nederland is de regie kwijt over onze grenzen, over onze energie en over onze economie. Ondertussen krijgen we uit Brussel een rekening gepresenteerd. De Green Deal, opgelegd van bovenaf, jaagt onze ondernemers op kosten, zet boeren klem en maakt onze industrie minder concurrerend. Volgens mij is dit geen samenwerking meer, maar pakt het in de praktijk uit als een dictaat.
Dit moet en kan anders. Wij moeten terug naar de kern, terug naar een Europese economische samenwerking. Geen politieke unie die zich bemoeit met elk dossier, maar een unie waarin landen zelf bepalen waar zij wel en waar zij niet aan meedoen. Vrijwillige samenwerking, gebaseerd op wederzijds belang: geen dwang, geen centralisatie. Wel een gezamenlijke interne markt, maar als flexibel samenwerkingsverband van soevereine staten. Concreet zie ik voor mij dat de Europese Commissie functioneert als een secretariaat: faciliterend en niet sturend. Lidstaten bepalen per dossier wanneer, of en met wie zij samenwerken. Flexibel, doelgericht en altijd met het nationale belang voorop. Want als samenwerking goed is voor Nederland, doen we mee. Maar als het ons onevenredig schaadt, moeten we gewoon nee zeggen. Want dit raakt ook aan de democratische legitimiteit. De Europese Commissie, het hart van de wetgeving, is niet direct gekozen door de burgers. Wetgeving komt dus van een orgaan waar kiezers nauwelijks grip op hebben, en dat wringt. Daar komt bij dat de verschillen tussen lidstaten enorm zijn, zowel cultureel als economisch en politiek. De gemiddelde Nederlander herkent zich niet in deze mensen en de compromissen die in Brussel worden gesloten. En precies daar zit het probleem. Als mensen zich niet vertegenwoordigd voelen, brokkelt het draagvlak af. Voor draagvlak heb je herkenbaarheid, nabijheid en een gemeenschappelijke taal nodig.
Een sterke democratie raakt ook aan vrede en veiligheid. Sterke democratieën voeren minder snel oorlogen, omdat burgers dat niet willen en omdat leiders verantwoording moeten afleggen. Als we besluiten over defensie en buitenlandsbeleid naar Brussel verschuiven, halen we die democratische rem weg. Wat gebeurt er als we macht centraliseren in Brussel? Dan komt de besluitvorming verder af te staan van de kiezer. Dan verdwijnt de democratische rem. Juist dat maakt het makkelijker om grote ingrijpende beslissingen te nemen, ook over oorlog en vrede. Daarom zeg ik duidelijk: geen Europese zeggenschap over ons leger. Geen overdracht van ons buitenlandsbeleid. Dat hoort thuis in Den Haag, onder controle van dit parlement en van de Nederlandse kiezer.
Dat brengt me bij het voorstel om het veto af te schaffen. Voorzitter, dat zou de grootste blunder in de Nederlandse geschiedenis zijn. Het veto is juist de laatste waarborg dat lidstaten hun eigen belangen, hun eigen burgers kunnen beschermen. Als we dat opgeven, geven we de sleutel van onze democratie uit handen. Dan kunnen we eigenlijk ons nationale parlement en de regering wel opdoeken. Zonder veto kan Brussel ons alles opleggen: belastingen, migratiequota, defensie-inzet. En Nederland kan niets meer doen dan toekijken. Dan kunnen we hier net zo goed het licht uitdoen, want wat is dit parlement dan nog waard?
En ja, Ursula von der Leyen zal zeggen: Nee, het gaat nu alleen over buitenlandbeleid. Maar we weten hoe het gaat. Zo begint het altijd. Vandaag een uitzondering, morgen de regel. Het voornemen in het coalitieakkoord wijs ik dan ook af. Hoe democratisch vindt de regering dit zelf? Dit is machtsdenken, centraliseren, doordrukken en lidstaten reduceren tot uitvoeringsloketten, tot provincies van een Europese superstaat. Dat is niet de toekomst die ik wil.
Dank u wel.
De heer Krul (CDA):
Het vetorecht afschaffen. Het buitenlandsbeleid wordt hier neergezet als machtsdenken. Hoe beoordeelt mevrouw Keijzer dan de houding van Orbán in de afgelopen jaren? Die ging eigenlijk puur voor het nationaal belang. Hij wilde er gewoon aan verdienen. Hij heeft zijn vetorecht ingezet om steun aan Oekraïne te dwarsbomen. Hoe beoordeelt mevrouw Keijzer dat soort politiek?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Orbán zit inmiddels niet meer op de plek waar hij gezeten heeft. Ik vind deze discussie over wat er overblijft van onze eigen soevereiniteit heel bijzonder. Als we de zeggenschap over het nemen van besluiten over oorlog en vrede opheffen omdat Orbán op een stoel gezeten heeft, dan vind ik dat buitengewoon mager.
De heer Krul (CDA):
Dan laten we Orbán weg. Laten we dan gewoon zeggen: het fenomeen buitenlandsbeleid beïnvloeden puur en alleen voor nationaal gewin. Geld willen verdienen aan je veto, dat is gewoon wat we gezien hebben in de afgelopen jaren. Het is een verdienmodel geweest. Laten we Orbán niet noemen; er zijn meer regimes die deze strategie hebben toegepast. Mijn vraag is simpel: hoe beoordeelt mevrouw Keijzer dat type politiek binnen Europa?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Het is wat mij betreft echt een misvatting om te doen alsof het nastreven van een nationaal belang iets slechts is. Daarvoor zitten wij hier. Wij zijn hier neergezet door de Nederlandse kiezer. Als er besluitvorming is die haaks staat op Nederlandse belangen, dan is het mijn taak om daar iets van te zeggen en van te vinden. Het overdragen van die zeggenschap aan bureaucraten in Brussel vind ik gewoon een weg die je niet op moet gaan. Dan zul je met elkaar goed moeten doorspreken: waar gaat het hier eigenlijk over, wat is het Nederlandse belang en kunnen we met elkaar iets bedenken wat dat belang hooghoudt?
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Gotink als laatste spreker in de eerste termijn. Hij doet dit namens NSC.
De heer Gotink (EP/NSC):
Dank u wel, voorzitter. Het is weer een groot plezier om hier vandaag te zijn.
Voorzitter. Wie heeft ooit gezegd dat het makkelijk zou zijn om een land te besturen, invloed te hebben in Europa en ook nog eens te proberen onze belangen over de grens te behartigen? In ieder geval weten we dat dit met goede intenties alleen zeker niet gaat lukken. Voor echte doorzettingsmacht zijn meerderheden nodig. Niet alleen voor Prinsjesdag is dat belangrijk; het is ook in Europa belangrijk. Ik wens dus de premier en ook de coalitiegenoten snel een stabiele meerderheid toe. Ook in Europa telt dat.
Een pro-Europese houding is voor een land als Nederland niet echt beleid; het is een uitgangspositie. Laat ik meteen zeggen dat ik vooral continuïteit zie, ook in de brief die we gekregen hebben. Als dit de grote pro-Europese revolutie is, dan zie ik vooral bevestiging en ondersteuning van bestaand beleid, op heel veel thema's.
Laat ik de premier maar gelijk te hulp schieten wat betreft het MFF, voordat hij uit eigen kring kritiek krijgt. Keihard onderhandelen in Brussel is niet anti-Europees. Het is onze dure plicht en verantwoordelijkheid om dat te doen. Neem dus net als een van uw voorgangers een goed boek mee naar de toppen. Wij hebben de tijd. Ons veto moet duur verkocht worden om een Europese begroting vast te stellen die modern, betaalbaar en controleerbaar is. Trek een rode lijn bij een herhaling van het coronaherstelfonds en de daarmee gepaard gaande eurobonds. Het is oncontroleerbaar gebleken en een speelbal van nationale politieke wensen en van zeer beperkte Europese toegevoegde waarde. Ondertussen betalen we door de exploderende schuldpositie van de EU in de Europese begroting nu al meer aan rentelasten dan aan Erasmusstudenten. Is dat pro-Europees? We moeten dus onder geen beding schulden herfinancieren. We beginnen zoals is afgesproken met het afbetalen van deze coronaschulden in het nieuwe MFF. Misschien is dit mijn rol niet, maar ik zou graag van de kant van de regering horen hoe zij daarin staan. Is dat ook echt de inzet bij de onderhandelingen?
Voorzitter. Voor onze toekomstige generatie is de energietransitie van essentieel belang. We weten dat we achterlopen bij de aanleg van infrastructuur en de bouw voor die transitie. Er is hier al een paar keer gezegd dat de kink in de kabel zit bij de vergunningverlening. De Europese Commissie heeft de bal voor ons op de stip gelegd met het voorstel voor een Milieuomnibus. Daar gaat het gek genoeg in de brief helemaal niet over. Ik ben dus wel benieuwd, want we weten steeds meer dat we om die infrastructuur aan te leggen ook tegen allerlei bestaande Europese milieuwetten aanlopen. Dat is niet omdat wij tegen die wetten zijn, maar we willen graag die transitie doormaken. De EVP gaat dus meer ambitie vragen wat betreft de Milieuomnibus. We willen tijdelijke derogaties voor Europese milieuwetten die onze digitale transitie, de energietransitie en decarbonisatie belemmeren. Wat vindt het kabinet eigenlijk van dit idee? Zou het dit steunen? Ik zie dit echt als een kans. Deze wetten komen nooit meer op tafel te liggen. Dit is de enige manier om voor ons ruimte te maken voor die essentiële investering in de toekomst.
Voorzitter. Dan nog China. China is een existentieel economisch vraagstuk geworden voor Europa. Chinese bedrijven, groot geworden door subsidies, staatssteun en keiharde concurrentie op een grote en afgeschermde markt, zijn winnaars geworden en komen nu onze kant op. We zien het bij de e-commerce en de auto's en nu komen ze ook onze woonkamers binnen, bijvoorbeeld door de overname van MediaMarkt door Jingdong, of JD, ook wel Joybuy genoemd in Europa. De Europese Commissie is een subsidieonderzoek gestart en verschillende landen hebben voorwaarden gesteld voor de omgang met de data van hun burgers bij MediaMarkt. Alleen al in Nederland gaat het om 100 miljoen klantcontacten per jaar. Dat zijn profielen en koopgeschiedenissen. Toch heeft Nederland geen afspraken met JD gemaakt op basis van de Wet vifo, omdat MediaMarkt niet als strategisch wordt gezien. Ik zou het kabinet willen vragen of zij dit kunnen heroverwegen. Misschien is dit bedrijf niet strategisch, maar Duitsland, België, Spanje en Italië hebben allemaal aanvullende afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat die data binnen MediaMarkt blijven, niet worden overgedragen en niet in China terecht kunnen komen. Ik vind het een redelijke vraag om daar toch nog eens een keer naar te kijken.
Daarmee sluit ik af. Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors tot 20.30 uur voor de beantwoording van het kabinet in eerste termijn. De vergadering is geschorst.
De vergadering wordt van 19.44 uur tot 20.30 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de termijn van het kabinet in de beantwoording van de gestelde vragen tijdens het debat over de Staat van de Europese Unie. Ik geef daarvoor het woord aan de minister-president.
Minister Jetten:
Voorzitter, dank u wel. Voordat ik inga op de gestelde vragen, wil ik graag even heel kort stilstaan bij het afschuwelijke en heftige nieuws dat eerder vanmiddag uit Zeeland kwam, want dat overschaduwt vandaag alles. Wat een hoogtepunt voor elk kind moet zijn, namelijk het schoolkamp van je basisschool, eindigt vandaag in een nachtmerrie. We weten inmiddels dat drie kinderen en de directrice van de school zijn overleden en dat er meerdere kinderen zwaargewond in het ziekenhuis liggen. Je hart staat stil als je denkt aan de ouders en de familie, en iedereen die bij de slachtoffers betrokken is. De ergste nachtmerrie van elke ouder, van elke school. We wensen vanaf deze plek iedereen die hierbij betrokken is heel veel sterkte toe. De dank gaat uit naar de hulpdiensten van zowel Nederland als België, die direct in actie zijn gekomen om de slachtoffers bij te staan.
Voorzitter. Dan naar het debat. In de afgelopen jaren is er in deze Kamer veel gesproken over Europa en de Europese Unie. Als overtuigd Europeaan was ik bij verreweg de meeste van die debatten aanwezig, maar niet eerder stond ik op deze plek bij een debat over de Staat van de Unie. Alhoewel de rol misschien nieuw voor mij is, zijn de overtuigingen dat niet. Waar ik blij mee ben is dat de steun voor Europa en Europese samenwerking de laatste jaren ook in deze Kamer is gegroeid. Dat kan eigenlijk ook niet anders. Want voor heel Europa geldt dat de geopolitieke ontwikkelingen te groot zijn om als individueel land het hoofd te bieden. Het goede nieuws is: dat hoeft dus ook niet. Integendeel, dit is het moment om te laten zien wat er gebeurt als 27 landen hun krachten bundelen met één doel voor ogen: een veilig en welvarend Europa.
Laat ik met dat eerste beginnen. De grootste bedreiging voor onze veiligheid is en blijft Rusland. Nu we in Europa meer en meer op onszelf zijn aangewezen, komt het erop aan dat we de handschoen om onszelf te kunnen verdedigen ook echt oppakken. Onze steun aan Oekraïne, onze eerste verdedigingslinie, is daarin onmisbaar. Bovendien: zonder veiligheid geen welvaart. Ook in dat opzicht wordt Europa steeds belangrijker voor ons. We beginnen daarbij niet vanaf nul, want de basis is stevig. Europa heeft de grootste interne markt, een goed opgeleide bevolking, innovatieve bedrijven, een sterke economie, stabiele samenlevingen, en nog zo veel meer. Kortom, zowel op het gebied van veiligheid als welvaart is Europa een speler van wereldformaat. Een speler die de taal van de macht moet gaan spreken.
Als in de Europese samenwerking de Frans-Duitse as dan hapert, moeten we een brug bouwen. Daar ligt een opdracht voor Nederland, als een van de founding fathers van de Europese Unie, maar ook een kans om via de brug onze eigen belangen effectiever te behartigen. Nederlandse belangen en de Europese belangen. Laten we er dan ook met elkaar voor zorgen dat we die rol pakken en als EU ook veel daadkrachtiger dingen gaan waarmaken, door barrières weg te nemen, steun te vergaren voor bijvoorbeeld het initiatief om de kapitaalmarktunie te versterken, en om toekomstgerichte, duurzame energiemaatregelen te treffen. Dat is een greep uit de thema's die vandaag aan bod zijn gekomen.
Ik zal uitgebreider ingaan op vragen die zijn gesteld over de geopolitieke rol van Europa, over het belangrijke thema van migratie en daarna het concurrentievermogen en het MFK. De minister van Buitenlandse Zaken zal deels op dezelfde thema's ingaan, maar dan net met wat andere vragen die specifiek aan hem zijn gesteld en ook nog een hele hoop andere vragen die aan bod zijn gekomen, die wat minder makkelijk in één blokje zijn te gieten.
Meneer de voorzitter. Dan begin ik dus met geopolitiek. Een aantal van u vroeg: wat betekent dat, dat Europa de taal van de macht moet spreken? Het is eigenlijk heel simpel: dat Europa wat trotser met de borst vooruit de wereld tegemoet moet treden. De veranderende en onzekere wereld, waar we duidelijk maken dat wij opkomen voor onze eigen belangen en dat we die ook goed regelen. Dat kan allereerst met een sterkere Europese poot binnen de NAVO, waarbij we als Europese NAVO-bondgenoten meer verantwoordelijkheid nemen om de Europese veiligheid ook echt te kunnen garanderen met een sterke Europese defensie-industrie die ons minder afhankelijk maakt van bedrijven van buiten.
Het gaat over het versterken van de economische slagkracht door te investeren in ons concurrentievermogen en strategische afhankelijkheden af te bouwen. Over het versimpelen en versnellen van onze besluitvormingsprocedures zodat we in het gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid ook echt met één mond kunnen spreken. Over het tegengaan van hybride dreigingen en het versterken van weerbaarheid. Dat doen we via de Europese Unie, maar ook in kleinere verbanden, zoals bij de JEF-samenwerking, waardoor we met de Nordics en het Verenigd Koninkrijk de noordflank van de NAVO eigenlijk zelfstandig kunnen verdedigen. We mogen er trots op zijn dat we met een aantal landen in staat zijn om die noordflank van ons continent zelf te verdedigen, zonder ondersteuning van andere landen.
Belangrijk in dat geopolitieke speelveld is dat we onze verantwoordelijkheid nemen in de steun voor Oekraïne en de verdere versterking van ons bondgenootschap. De steun voor Oekraïne is evident: zij vechten nu al zo lang tegen die Russische agressie, voor hun eigen vrijheid en voor de Europese normen en waarden. Nederland staat nu in de top vijf van landen die Oekraïne steun leveren. Dat doen we in het goede gezelschap van Noord-Europese landen en Duitsland, maar we zouden deze groep graag uitbreiden.
De grote financiële steun zal ook in de komende jaren nodig zijn, zowel militair als non-militair. Het Europese pakket van 90 miljard helpt om Oekraïne ook dit jaar de strijd aan het front te kunnen laten voortzetten. Maar die 90 miljard is geen vervanging van de nationale steun, die ook nodig is. We spreken regelmatig andere partners in Europa aan om ook bilateraal meer steun aan Oekraïne te geven, zodat het niet alleen maar op de schouders van die top vijf donoren rust.
Nederland werkt verder intensief met Oekraïne samen door samen drones te ontwikkelen, door de Europese defensie-industrie verder uit te bouwen, door het Oekraïne-donorplatform te ondersteunen en ook door er via de Ukraine Defense Contact Group voor te zorgen dat wij de Oekraïners inhoudelijk ondersteunen. Maar wij leren daardoor ook zelf veel van Oekraïne, want laten we eerlijk zijn: zij hebben het meest ervaren leger van Europa. Dat versterkt ons en dat versterkt ook de NAVO.
De integratie van Oekraïne doen we op de korte termijn onder andere via de samenwerking van de Europese defensie-industrie. Er lopen een aantal hele mooie projecten met coproductie in bijvoorbeeld Nederland en Oekraïne of Noorwegen en Oekraïne. We kijken hoe we dat de komende jaren verder kunnen uitbouwen.
De uitbreiding van de Unie. Daarbij spelen een paar discussies. Vorige week was de Westelijke Balkan-top, waar we met bijna alle Europese regeringsleiders en de leiders van de zes Westelijke Balkanlanden bijeenkwamen. Daar voelde je dat breed iedereen ziet dat de geopolitieke realiteit ons dwingt om ons anders tot de Westelijke Balkan te verhouden, want anders wordt dat gebied door de Russen en de Chinezen meer en meer gebruikt als een springplank om Europa te destabiliseren. Tegelijkertijd vinden we het belangrijk dat de toetreding ook wel via de criteria gebeurt, die we met elkaar hebben afgesproken. Die toetreding moet op zijn merites worden beoordeeld.
Een aantal landen doet het goed. Montenegro is echt heel erg ver. Zij hebben de ambitie om in 2028 de 28ste lidstaat te worden en lopen ook echt voor op de andere Westelijke Balkanlanden. Nederland ondersteunt heel gericht de kandidaat-lidstaten bij de noodzakelijke hervormingen op het gebied van rechtsstaat, democratie en corruptiebestrijding om ervoor te zorgen dat die landen hun been bij kunnen trekken waar dat nodig is.
We moeten er ten tweede wel voor zorgen dat de impact van de uitbreiding van de EU ook door onze samenlevingen en onze overheden is op te vangen. We moeten lessen trekken uit toetredingen die in het verleden te snel zijn gegaan of in een te grote groep van landen, die eigenlijk op verschillende punten stonden als het ging om die noodzakelijke hervormingen. Dat betekent dat we goede waarborgen moeten inbouwen in de toetredingsverdragen, zodat we er consequenties aan kunnen verbinden als landen die toetreden op een gegeven moment weer stappen terug zetten op het gebied van democratie, rechtsstaat of corruptiebestrijding. Die consequenties moeten snel in te zetten zijn in plaats van dat we daar eindeloos over moeten praten.
Ten derde vraagt een grotere Europese Unie ook een EU die slagvaardig is. We zullen dus ook in Brussel moeten hervormen. Ik heb vanavond veel suggesties gehoord over het tegengaan van geldverspilling in Brussel, het versimpelen van besluitvormingsprocessen, het meer richten van de Europese Commissie op de prioriteiten van de EU of het afbouwen van veto's en meer naar meerderheidsbesluitvormig gaan. Het kabinet steunt veel van de suggesties die zijn gedaan.
Voorzitter. Geopolitiek betekent ook dat we ons moeten afvragen hoe we ons verhouden tot een paar andere grote blokken in de wereld.
De voorzitter:
Ik zou willen voorstellen dat we de interrupties steeds doen nadat de minister-president een deelonderwerp heeft afgerond, en dan ook in deze termijn maximaal vijf interrupties.
Minister Jetten:
Ik ben bijna aan het einde van het onderdeel geopolitiek. Wilt u dat ik dat dan afmaak of zal ik nu even pauzeren?
De voorzitter:
Ik begrijp buiten de microfoon om dat de vraag van mevrouw Keijzer bij geopolitiek hoort. Ja, ik volg het allemaal. Gaat uw gang, minister-president.
Minister Jetten:
Ik ben er bijna, in dit blok.
Er werd ook gevraagd naar de relatie tussen de EU en de VS, en de VS is en blijft een belangrijke partner en bondgenoot op het gebied van veiligheid en economie. Maar het is wel duidelijk dat we niet meer op dezelfde wijze kunnen bouwen op dat bondgenootschap als in het verleden. Europa heeft een duidelijke wake-upcall gehad. We moeten daarom meer zorgen voor onze eigen veiligheid en onze eigen concurrentiekracht. Daar hebben we met de rapporten van Draghi, Wennink, Letta en anderen ook genoeg aanknopingspunten voor. We kijken heel scherp naar welke risicovolle strategische afhankelijkheden we hebben met verschillende landen in de wereld. Via de Nationale Veiligheidsraad en de ministerraad proberen we die zo veel mogelijk af te bouwen.
Een sterk Europees buitenlandbeleid vraagt ook dat we niet met dubbele maten meten. We worden daarop heel kritisch beoordeeld door landen in het Globale Zuiden. Dat merken we in contacten met de Afrikaanse Unie, met Zuid-Azië en ook met Zuidoost-Azië. Zij kijken heel nauwlettend of Europa niet alleen met één mond spreekt, maar ook met één maat meet. Het Midden-Oosten komt dan vaak om de hoek kijken. De humanitaire situatie in Gaza is catastrofaal en de situatie op de Westelijke Jordaanoever en in Libanon holt achteruit.
Nederland zet zich in om ook op Europees niveau de druk daar veel meer op te voeren, door te kijken welke EU-maatregelen er genomen kunnen worden op het gebied van handel, om gewelddadige kolonisten tegen te gaan, onder andere via de uitbreiding van de EU-mensenrechtensanctielijst, of om te komen tot hele specifieke sancties tegen personen die in Israël een heel negatieve rol spelen in het aanwakkeren van de misdaden die we zien. Wij spreken ons daarbij steeds consequent uit tegen de bezetting en de uitbreiding van illegale nederzettingen en dringen aan op de tweestatenoplossing en een betere ondersteuning van de Palestijnse Autoriteit.
De werkelijkheid is alleen wel dat we in Europees verband, of dat nou is met de ministers van Buitenlandse Zaken of op regeringsleidersniveau, gewoon niet tot overeenstemming komen over aanvullende stappen die wel door een aantal landen zijn voorgesteld.
Voorzitter. Dat was het blokje geopolitiek.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Een vraag over toetreding. We hebben — volgens mij is het inmiddels twee jaar geleden, in januari 2024 — een rapport gehad van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen. Als lidstaten toetreden, krijg je op een gegeven moment automatisch ook het vrije verkeer van personen. Montenegro heeft nog geen miljoen inwoners, maar Oekraïne een kleine 40 miljoen. Wordt er nagedacht over hoe hiermee om te gaan? Wordt er nagedacht over iets doen aan de rechten die staten krijgen als ze toetreden, om te voorkomen dat het hier in Nederland volledig vastloopt? Eerder is gedacht dat het wel meevalt, maar het valt niet mee, want wij zijn nog steeds een aantrekkelijk land, dus er komen gewoon heel veel mensen hiernaartoe.
Minister Jetten:
Hier wordt wel degelijk over nagedacht en ook veel over gediscussieerd, omdat we in verschillende Europese lidstaten de behoefte proeven om dat vrije verkeer van personen veel meer gecontroleerd toe te laten, juist om een enorme schok op het gebied van arbeidsmigratie te voorkomen en daar ook meer grip op te kunnen houden. Tegelijkertijd leeft die behoefte ook bij een aantal kandidaat-lidstaten, die ook aangeven dat ook zij het belangrijk vinden dat een deel van de beroepsbevolking in eigen land blijft, om ook daar de kansen van de EU-toetreding volop te benutten. Heel specifiek in het geval van Oekraïne speelt daarbij natuurlijk ook de wederopbouw van het land, zodra er een vredesdeal is en de oorlog hopelijk ten einde is gekomen.
Wat wij nu als Nederland een ook een aantal andere landen voorstellen, is om bij de toetreding van Montenegro het toetredingsverdrag echt op een andere manier vorm te geven, daarin meer waarborgen in te bouwen als er bijvoorbeeld sprake is van achteruitgang op het gebied van democratie, rechtsstaat of corruptie, maar ook om te kijken of je gefaseerd een aantal rechten of vrijheden kunt implementeren, waaronder het vrije verkeer van personen, met het oog op arbeidsmigratie. Voor Montenegro voelt dat een beetje raar, want zij zeggen dan: wij zijn een klein land met 600.000 inwoners. Ik heb daar ook tegen de president en de premier gezegd dat Nederland niet vanwege potentiële issues met Montenegro voorstander is van een ander type toetredingsverdrag, maar meer om met het oog op eventuele andere toetredingen alvast zo'n nieuw toetredingsverdrag en -mechanisme te hebben uitgetest.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is wat je dan altijd krijgt: zo'n gefaseerde vrijheid van personen met als uiteindelijk resultaat de tienduizenden of honderdduizenden mensen die dan deze kant op komen. Wordt er ten principale nagedacht over de vrijheid van personen, om te komen tot een andere wijze van toetreden tot de Europese Unie? Ik zou dezelfde vraag kunnen stellen over de toetreding tot de muntunie, maar dat laat ik voor nu. Wordt er überhaupt nagedacht over een andere vorm van lidmaatschap van de Unie, om te voorkomen dat Nederland op een gegeven moment gewoon onder de voet gelopen wordt? We kunnen de aantallen nu al niet meer aan. We groeien volgens de staatscommissie toe naar 23 miljoen mensen. Als ook Oekraïne er nog bij komt, hou ik in ieder geval mijn hart vast.
Minister Jetten:
Hierover maak ik toch een iets andere analyse dan mevrouw Keijzer. Uiteindelijk is dat vrije verkeer van personen en goederen een van de grote verworvenheden van de Europese Unie. Dat we ons zonder binnengrenzen kunnen verplaatsen op het continent, heeft ons ook ontzettend veel welvaart gebracht, niet in de laatste plaats Nederland. Wij behoren toch tot de top van de landen die profiteren van die interne markt en die profiteren van die vrijheid zonder grenzen. De gefaseerde toetreding, of gefaseerde opbouw van rechten van nieuwe lidstaten, kan op heel veel thema's een goede manier zijn om beter nieuwe toetreders te kunnen absorberen. Als het heel specifiek gaat om de misstanden rondom arbeidsmigratie of om de overlast die we daarvan ervaren, zeker ook in Nederland, zitten de oplossingen eigenlijk op nationaal niveau. Wij hebben als Nederland natuurlijk ook te lang arbeidsmigranten uitgebuit en die uitbuiting toegestaan, slechte huisvesting toegestaan en de tien adviezen van de commissie-Roemer naast ons neergelegd. Dit kabinet is daar nu volop mee bezig, door veel strenger te zijn op die misstanden rond arbeidsmigratie en daarmee de negatieve kanten daarvan op te lossen. Zo kunnen we blijven profiteren van dat vrije verkeer, dat ons zo veel welvaart brengt.
De heer Van der Lee (PRO):
Dank aan de premier voor de verhandeling over de geopolitiek. Ik heb hem ook al opgeroepen om de taal van de macht wat meer tanden mee te geven. Ik ga niet op alle voorbeelden of mogelijkheden in, maar concentreer me even op de uitbreiding. Mag ik het betoog van de minister-president zo verstaan dat, naast strikt, fair en betrokken, "geostrategisch" een vierde criterium is dat Nederland zal betrekken bij besluitvorming over toetreding in de toekomst?
Minister Jetten:
Ik weet niet meer precies welke zin hierover in het coalitieakkoord staat, maar daarin maken we ook wel duidelijk dat we de Europese Unie met de coalitiepartijen ook echt vanuit geopolitiek oogpunt willen beschouwen. Dat heb ik vanavond ook in de inbreng van een aantal van uw collega's gehoord. Dat betekent dat je je ook als Nederland meer inspant om die kandidaat-lidstaten te helpen om op het punt te komen dat je op je merites kan worden beoordeeld. We hadden — wat is het? — drie weken geleden de president van Moldavië op bezoek. Wij zijn als Nederland een van de partners die Moldavië op allerlei thema's helpen om niet alleen de wetgeving voor elkaar te krijgen, maar deze ook daadwerkelijk te implementeren in de praktijk. Dan staan we niet alleen maar met een opgeheven vingertje te vertellen "u moet aan alle normen en waarden voldoen", maar helpen we ook om op dat punt te komen.
Daarbij komt ook meteen een dilemma om de hoek kijken. De druk is groot om, bijvoorbeeld in het geval van Servië, de komende tijd grote stappen te zetten om meer hoofdstukken te openen in de toetredingsonderhandelingen. Servië is een land waar we al langere tijd buitenlandse beïnvloeding zien of in ieder geval pogingen daartoe. Tegelijkertijd heeft de Servische regering in de afgelopen jaren amper voortgang geboekt met een aantal noodzakelijke en beloofde hervormingen. Ga je ze dan belonen omdat je buitenlandse beïnvloeding wil voorkomen? Of ben je kritisch en zeg je "het zou wel fijn zijn als de Servische regering eerst eens concreet wat aan actie laat zien"? Dat zijn discussies die ik de komende maanden ook met uw Kamer zal hebben, denk ik.
De heer Van der Lee (PRO):
Zeker. Mijn fractie is er geen voorstander van om aan de vooravond van verkiezingen in Servië een derde cluster te openen, maar daar zullen we het vast nog vaker over hebben in de toekomst.
Ik wil nog een vraag stellen. Ik ga trouwens een motie indienen over dat strategische, maar dat komt wel in tweede termijn. Even over Montenegro. Ik denk dat Montenegro op dit moment de lakmoesproef wordt voor hoe we verdergaan met de uitbreiding. Ik begrijp dat er gewerkt wordt aan een palet van safeguards, antiregressiebepalingen, tijdelijke overgangssituaties waarbij het moment waarop je een recht krijgt wordt uitgesteld ...
De voorzitter:
En wat is uw vraag?
De heer Van der Lee (PRO):
Mijn vraag is of we, als we dat heel zwaar optuigen, niet het gevaar lopen dat het juist een negatief signaal uitzendt. Moet ik de brief van de minister van Buitenlandse Zaken zo verstaan dat maatwerk ook betekent dat niet het hele palet gelijk wordt opgenomen in het toetredingsverdrag van Montenegro?
Minister Jetten:
Het korte antwoord daarop is: ja.
De voorzitter:
U vervolgt met migratie.
Minister Jetten:
Ja, voorzitter, daar ...
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Van Baarle toch nog een interruptie heeft over geopolitiek.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik had het over de dubbele maat die we zien in het Europese, maar ook in het Nederlandse buitenlandbeleid. Heel veel mensen kunnen er gewoon oprecht niet meer tegen dat de Nederlandse regering en Europa de illegale invasie in Oekraïne door Rusland een "illegale invasie" en een "misdaad" noemen, maar dat Nederland en Europa weigeren de genocide in Gaza een "genocide" te noemen.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Van Baarle (DENK):
Waarom zijn premier Jetten en Europa wel bereid om een illegale invasie in Oekraïne een "illegale invasie" te noemen, maar noemen zij de genocide in Gaza geen "genocide"? Waarom?
Minister Jetten:
In dit specifieke geval geldt dat we in de Europese Raad — dat geldt ook voor de Raad Buitenlandse Zaken — een andere weging maken over op welke manier de druk op de strijdende partijen in het Midden-Oosten het effectiefst is op te voeren. Er worden allerlei voorstellen gedaan om Europese sancties uit te breiden, gerichte sancties in te zetten of juist meer diplomatieke druk te zetten door de contacten met Israël te blijven onderhouden en open communicatiekanalen met Israël te hebben. Er zitten geen 27 verschillende meningen aan tafel, maar er zit wel een veelheid aan meningen, waardoor we niet tot aanvullende Europese stappen komen. Dat is gewoon de harde realiteit van dit heel ingewikkelde dossier.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat was geen antwoord op de vraag. Het ging om de dubbele maat. In Oekraïne worden kinderen door Rusland ontvoerd. De Nederlandse regering zegt: dat is ontvoering; het is duidelijk een misdaad. Ziekenhuizen en infrastructuur worden gebombardeerd in Oekraïne. De Nederlandse regering zegt: dat is een oorlogsmisdaad; dat is duidelijk. Gaat het over Israël, om een genocide in Gaza, dan weigeren de Nederlandse regering en premier Jetten te zeggen: dit is een genocide.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Van Baarle (DENK):
De Nederlandse regering weigert dat te benoemen. Ik vraag aan premier Jetten om die dubbele maat te voorkomen door de dingen gewoon te benoemen zoals ze zijn. Waarom is premier Jetten wel in staat om misdaden van Rusland in Oekraïne "misdaden" te noemen, maar betitelt hij de misdaden in Gaza niet als "genocide"?
Minister Jetten:
We hebben al meermaals uitgesproken dat er daar risico is op genocide, dat het staakt-het-vuren daar continu wordt miskend, dat daar continu aanvallen plaatsvinden en dat humanitaire organisaties niet de mogelijkheid krijgen om de hulp te bieden die geboden moet worden. Dat is niet alleen het geval in Gaza. We zien het nu ook in Libanon. We zien dat gewelddadige kolonisten en de uitbreiding van de illegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever een toekomstperspectief voor een Palestijnse staat buitengewoon bemoeilijken. Wij spreken onze collega's in Israël daar ook op aan. We vragen hen om de humanitaire hulp wel volle toegang tot de Gazastrook te geven. We vragen hen de tweestatenoplossing open te houden en met Libanon te onderhandelen om tot een veilige situatie te komen, zowel voor de Libanezen als voor de inwoners van Israël.
De heer Van Baarle (DENK):
Over Rusland zegt de premier niet dat er "een risico op oorlogsmisdaden", "een risico op ontvoeren" of "een risico op illegale agressie" is. Over Gaza zegt de premier "er is een risico op". Het is gewoon een bloody genocide. Toen meneer Jetten daar nog zat, in de Kamer, noemde hij het ook een genocide. Nu doet hij dat niet meer. Dat is die dubbele maat die mensen zien: als mensen een positie van invloed hebben in de Nederlandse regering, wordt Israël opeens met de mantel der liefde bedekt en worden de dingen niet meer gezegd zoals ze gezegd zouden moeten worden. Mijn vraag is de volgende. Als we die dubbele maat willen voorkomen, moet een genocide een genocide genoemd worden. Als Poetin een oorlogsmisdadiger, een misdadiger, genoemd wordt, dan moet Netanyahu ook zo worden genoemd. Mijn oproep aan de heer Jetten is: doe dat dan ook. Benoem het zoals het is.
Minister Jetten:
Het Nederlandse kabinet spant zich ook in voor zover we dat kunnen. We hebben niet voor niks onlangs een nieuw wetsvoorstel naar de Raad van State gestuurd om via een nationale sanctie de invoer van producten uit illegale nederzettingen tegen te gaan. We proberen onze Europese partners er ook van te overtuigen dat als het gaat om de taal van de macht en je als Europa een serieuze geopolitieke speler wil zijn, je ook in de conflicten in het Midden-Oosten met duidelijke stem moet spreken en bereid moet zijn om de druk op de landen die misstanden begaan echt op te voeren. We hebben daarvoor wel, zolang er sprake is van veto's, al die lidstaten nodig om op één lijn te komen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Gelukkig maar. Het oordeel of iets een genocide is, is niet aan de Europese Commissie maar aan het Internationaal Strafhof. Zuid-Afrika heeft weer een jaar uitstel gekregen om dat te onderbouwen, dus zo simpel is het allemaal niet. Ik heb een vraag over het veto. Is de minister-president, die net lekker in zijn rol aan het komen is, niet bang dat als het veto wordt afgeschaft, hij een soort gouverneur van Nederland wordt en de minister van Buitenlandse Zaken een soort plaatsvervangend gouverneur?
Minister Jetten:
Nee, want ik merk nu dat we geen deuk in een pakje boter kunnen slaan doordat we toestaan in Europa dat we verdeeld zijn op buitenland- en veiligheidsbeleid. Als waar dan ook ter wereld iets gaande is, of dat nou een gewapend conflict of een handelsoorlog is, en het eindeloos duurt voordat Europa in actie kan komen, dan nemen de andere machtsblokken ons gewoon onvoldoende serieus. Soms moet je dus bereid zijn om na te denken over hoe je de eigen soevereiniteit als land, als Nederland, versterkt. Dat doe je dan niet door met 27 regeringsleiders allemaal net wat anders te vinden, maar door ervoor te zorgen dat Europa met één duidelijke stem kan meedoen met die andere superpowers in de wereld.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dus het opheffen van de Nederlandse soevereiniteit dient slechts om serieus te worden genomen door Trump. Is dit nou werkelijk waar? Is dit de argumentatie achter het verworden tot een provincie van Brussel? Wil de minister-president dit nog eens overwegen? Ik vind dit nogal wat.
Minister Jetten:
In Europa staan we samen. We zijn heel actief in Brussel, of dat nou Europarlementariërs zijn of leden van het kabinet, om daar de Nederlandse en Europese belangen te behartigen. Op sommige thema's is het zo dat we Nederlanders beter kunnen dienen als we met 27 lidstaten schouder aan schouder staan en met hele heldere taal een rol van betekenis in de wereld kunnen spelen.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Voorzitter, ik kan tellen. Er is ook een telapp waarmee je kunt narekenen hoe snel er een gewogen meerderheid gevonden wordt in de Europese Unie die gaat gelden als je je veto opgeeft. Dan doet Nederland er niet meer toe. Het is fantastisch dat je dan mee kan praten met Trump en met de andere wereldmachten, maar feitelijk doet de Nederlandse mening er dan niet meer toe. Dat is wat dit kabinet — godzijdank hebben ze maar 66 zetels achter dat akkoord staan — dus wil, als het uiteindelijk instemt met het opgeven van dat veto. Gaat deze minister-president zich houden aan eerdere Kameruitspraken dat het veto niet mag worden opgeheven? Zal het niet direct weggerommeld worden in een Europese Raad, waarin er desalniettemin ingestemd wordt?
Minister Jetten:
Ik schrik er eigenlijk van dat mevrouw Keijzer de rol van Nederland zo klein maakt. Ik kijk echt heel anders naar de positie van Nederland in Europa. We zijn een van de oprichters van de Unie. We zijn de zesde economie van de Europese Unie. We hebben de beste mensen in Den Haag en in Brussel rondlopen. We zijn heel erg actief in het doen van voorstellen om de Europese Unie beter te laten functioneren, of dat nou gaat om de democratische instituties, of de Europese kapitaalmarktunie, die gaat helpen om Nederlandse start-ups, scale-ups en mkb'ers van veel meer geld te voorzien. Dan zie je dat als wij een stap naar voren zetten en proactief met voorstellen komen, we juist heel vaak onze zin krijgen en andere landen naar ons kijken en willen meedoen met de voorstellen die we doen. Dus ook bij het verdwijnen van het veto kunnen we juist het Nederlandse belang beter dienen door met goede voorstellen te komen en te zorgen dat Europa ook veel sneller met de vuist op tafel kan slaan in de rest van de wereld.
De heer Klos (D66):
Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Ik was dus blij dat de premier begon met de Russische dreiging en het antwoord dat wij in Europa daarop moeten geven. De premier repte van het bouwen van een Europese poot binnen de NAVO en van een sterke Europese defensie-integratie. Kan de premier iets meer zeggen over wat Nederland neemt aan initiatieven om daar daadwerkelijk toe te komen?
Minister Jetten:
Heel veel, maar laat ik er enkele noemen. Allereerst vind ik het heel belangrijk dat de Europese defensiebudgetten, die enorm toenemen, ook verstandig worden ingezet. Als je namelijk al die nationale begrotingen bij elkaar optelt, zouden we eigenlijk het sterkste leger van de wereld moeten kunnen hebben. Maar je moet dan wel ongeveer hetzelfde bestellen met elkaar, dus niet allemaal je eigen munitie, je eigen tank en je eigen boot, maar daar veel meer samen in optrekken. Een belangrijk initiatief is dus die gezamenlijke inkoopfaciliteiten op het gebied van defensiematerieel. Een ander heel mooi voorbeeld is dat Nederland en Duitsland op het gebied van de landmacht al zo geïntegreerd zijn. Daarvan zou je kunnen zeggen dat dat eigenlijk een schoolvoorbeeld is van hoe je die Europese capaciteiten bij elkaar kan brengen om veel effectiever te kunnen opereren. Vorige week werd natuurlijk bekend dat we als Nederland en Duitsland in de Baltische staten het nieuwe NAVO-hoofdkwartier gaan leiden. Dat is belangrijk om de oostflank goed te verdedigen tegen de Russische dreiging, maar ook een manier om weer meer ervaring op te doen in gezamenlijke coördinatie op een ander level dan we tot nu toe gewend zijn. Die lessen kunnen we Europabreed ook zeker gebruiken.
De heer Klos (D66):
Met name die bilaterale initiatieven zijn heel belangrijk, zeker voor de korte termijn. Maar nou zien we ook dat een aantal defensie-experts, politiek leiders en mensen die oproepen tot verdere defensie-integratie zeggen: ga nou voor de middellange termijn ook bouwen aan een Europese defensie-unie, zodat je binnen één strategisch concept ook Europese strijdkrachten hebt die ten dienste staan van een Europese defensie-unie. Is dat iets waar het kabinet ook een positieve rol in kan spelen om daar voorbereidend werk in te plegen?
Minister Jetten:
Ja. Echt toewerken naar veel verder geïntegreerde Europese defensiesamenwerking is noodzakelijk, ook als je serieus wil laten zien dat je binnen de NAVO die Europese pijler aan het uitbouwen bent. We praten er in allerlei samenstellingen over, ook met onze Europese partners, om dat ook concreet te maken. Maar als je op de hele korte termijn wil dat we de hybride dreiging vanuit Rusland ook echt kunnen counteren, is de snelste route voor de komende paar jaar niet per se bilateraal, maar in een aantal kopgroepen, waar Nederland onderdeel van is, waaronder dat JEF-verband, dat ik daarstraks noemde, waar niet alleen EU-lidstaten onderdeel van zijn, maar ook andere Europese landen.
De heer Klos (D66):
Mag ik het dan zo verstaan dat het kabinet een tweesporenbeleid voert, waarbij het ene is "wat kan je nu doen" en het tweede is "hoe kan je in de toekomst werken aan de echte Europese integratie", en dat het kabinet daar ook politiek leiderschap in gaat tonen om die Europese defensie-unie te bouwen?
Minister Jetten:
Dat is correct. Eigenlijk in alle gesprekken die ik de afgelopen tijd heb gehad, staat verdergaande Europese defensiesamenwerking altijd op de agenda, met welke EU-lidstaat dan ook.
De heer Dassen (Volt):
Hierop doorgaand. Een van de vragen die bij mij vaak blijft hangen in deze discussie is de volgende. We hebben het vaak over gezamenlijke inkoop, over het geld dat wordt uitgegeven. Dan twijfel ik over hoe die nieuwe besluitvorming er precies uit gaat zien. Wie gaat er uiteindelijk besluiten over de strategic enablers die Europa inzet? Wat doen we op het moment dat de Verenigde Staten niet thuisgeven? Welke commandostructuren volgen we dan? Waar ligt dadelijk de besluitvorming? Kan de minister-president er al het een en ander over zeggen hoe daarin de keuzes worden gemaakt en waarop het kabinet afkoerst?
Minister Jetten:
Daar gaan we straks bij het NAVO-hoofdkwartier in Estland, dat door Nederland en Duitsland zal worden geleid, hele concrete ervaringen mee opdoen. We zien het ook in de Joint Expeditionary Force — daar staat JEF voor, de afkorting die ik net noemde. Daarin hebben de Britten — dat is geen EU-land, maar wel een Europese NAVO-partner — de trekkende rol. Dan gaat het om oefeningen in het Arctisch gebied en verdere afstemming van de capabilities die in Noord-Europa nodig zijn om de noordelijke flank te verdedigen. Maar we doen het ook binnen de coalition of the willing ter ondersteuning van Oekraïne en het geven van veiligheidsgaranties aan Oekraïne, waar juist Frankrijk juist weer een leidende rol pakt in het verder integreren van de afstemming. Nederland is daar op alle sporen bij betrokken en doet daar dus ook zelf heel veel ervaring op. Die kunnen we ook later weer gebruiken, als er nieuwe samenwerkingsverbanden ontstaan of als de Europese defensiesamenwerking verder vorm krijgt.
De heer Dassen (Volt):
Ik ben blij dat er op die manier over nagedacht wordt. Tegelijkertijd neemt maar een klein gedeelte van het aantal landen deel aan de JEF. Stel dat de Verenigde Staten niet thuis geven en er daadwerkelijk wat zou gebeuren vanuit het Oosten of vanuit Rusland. Het is de vraag of die landen dan in staat zijn om daar met elkaar voldoende op te acteren. Dan zul je waarschijnlijk ook andere landen van Europa nodig hebben. Daar zit een beetje mijn vraag: hoe neem je die dan op een goede manier mee? Waar zit die besluitvorming dan? Is een bredere Europese aanpak dan noodzakelijk en, zo ja, hoe richten we die dan in, bijvoorbeeld in de Veiligheidsraad, waar ook de defensie-unie — daar verwees de heer Van Lanschot eerder naar, en de heer Klos net trouwens ook — belangrijk voor is?
Minister Jetten:
De EU-brede afstemming en samenwerking zit met name op het gebied van het opschalen van de Europese defensie-industrie. Voor het eerst is een Eurocommissaris daar ook echt heel dedicated mee bezig. Dat is ook echt cruciaal wil je überhaupt al die opgehoopte defensiebudgetten de komende jaren nuttig kunnen inzetten. Aan de noordflank en de oostflank van de Europese Unie is die hybride dreiging vanuit Rusland gewoon het meest reëel. Ik bedoel het niet oneerbiedig, maar als je gaat wachten totdat de Zweden en de Spanjaarden helemaal op één lijn zitten, dan weet je in ieder geval zeker dat je niet op tijd klaar bent om dat deel van het gebied te kunnen verdedigen. Daarom kiezen we er heel bewust voor om alvast met een kleinere kopgroep te beginnen, maar we staan er natuurlijk altijd voor open om die ervaring breder te delen. Het zou mooi zijn als bijvoorbeeld andere EU- en NAVO-bondgenoten in het zuiden van Europa zo'n zelfde samenwerking zouden opzetten om de zuidelijke flank beter te kunnen verdedigen, zodat we op die manier als Europese bondgenoten stap voor stap een groot deel van de Amerikaanse taken kunnen overnemen.
De heer Hoogeveen (JA21):
De premier zei zojuist dat hij een beetje schrok omdat Nederland zo klein werd gevonden. Als ik heel eerlijk ben, schrok ik een beetje van wat de premier zei, namelijk dat hij de EU zo klein vindt. "We slaan geen deuk in een pakje boter", zo citeer ik de premier. Nou, dat ben ik niet met hem eens. We hebben juist een Unie gebouwd waarmee we als een van de grootste interne markten ter wereld economische invloed uitoefenen. Ja, dan wordt nu gezegd dat we geen deuk in een pakje boter slaan omdat we op bepaalde buitenlandbesluiten niet met een gekwalificeerde meerderheid kunnen kiezen. Ziet de premier niet juist op dit fundamentele punt dat dit ook bij het opstellen van het Verdrag van Lissabon een noodrem was om in deze intergouvernementele Unie de eigen nationale belangen te blijven beschermen?
Minister Jetten:
Dank voor deze vraag. Ik richt mijn oproep ook tot de Europese partners: we zouden ons op het diplomatieke en het veiligheidsspoor, op het bredere buitenlandbeleid, moeten gedragen naar de grootmacht die we eigenlijk zijn. Want dat zijn we op het gebied van economie en handel wel degelijk. Daar hebben we het afgelopen jaar ook echt een paar indrukwekkende stappen laten zien. Toen Trump dacht met nieuwe tarieven en handelsmaatregelen de Europese Unie en andere regio's hard te kunnen raken, heeft Europa gewoon gedaan wat het moest doen, namelijk met de Mercosur-landen, met India, met Indonesië, met Australië en met landen in Oost-Azië om tafel gaan zitten en zeggen: "Wij zijn het grootste handelsblok ter wereld. Zullen we het nog groter maken? Zullen we met nieuwe handelsafspraken ervoor zorgen dat we onze economie kunnen versterken en de welvaart van onze inwoners kunnen vergroten?" Dat zelfvertrouwen, die assertiviteit die we laten zien op het gebied van economie en handel, zouden we eigenlijk op veel meer dossiers moeten laten zien. Dat geldt zeker niet in de laatste plaats voor energie en de onafhankelijkheid op het gebied van onze energievoorziening, en zo zijn er vele meer.
De heer Hoogeveen (JA21):
Daar ben ik het geheel mee eens. Ik denk dat we juist slagkrachtig zijn op geo-economisch gebied, want we zijn een interne markt. We zijn een economisch machtsblok. We zijn geen federale superstaat. Ik weet dat de premier dat graag anders zou willen zien. Dat is juist het hele idee achter de Europese Unie: áls we gezamenlijk optreden in buitenlandbeleid, dan werken we naar consensus, zodat we kleine lidstaten niet kunnen overrulen bij iets wat hun nationale belang raakt. Ik denk dat daar echt het fundamentele verschil zit. Ziet de premier niet in dat er ook momenten zullen komen waarop ónze nationale belangen zullen worden geraakt en wij overruled zullen worden? Ziet hij daar geen gevaar in?
Minister Jetten:
Dat is natuurlijk reëel. Je krijgt niet altijd 100% je zin, dus je zult af en toe ook moeten accepteren dat andere landen dan meer invloed kunnen hebben op het standpunt dat uit die besluitvorming rolt. Maar ik moet toch ook zeggen dat, als het gaat om het zoeken naar een compromis, dat eigenlijk wel de werkwijze is die we continu zien. Er zijn maar weinig gevallen waarin de druk zo wordt opgevoerd dat landen echt worden overruled. Vaak wordt er echt een poging gedaan om de verschillende standpunten bij elkaar te brengen in een gezamenlijke Europese positie.
De heer Hoogeveen (JA21):
Als we het dan in de praktijk invullen ... Vandaag zien we in de Financial Times een artikel over de External Action Service, die een diplomatieke dienst zou moeten zijn. Daarover gaan verhalen in officiële berichten dat die een zooitje is, dat de lidstaten daar helemaal niet tevreden over zijn, dat dit juist weer terug moet naar de Commissie dan wel de Raad. Zou de premier daarop kunnen reageren? Dat als we het dan proberen met een soort diplomatieke dienst, daar ook veel onvrede over bestaat, omdat je dan uiteindelijk een soort EU-standpunt krijgt waar heel veel lidstaten het niet mee eens zijn? Dus dat het dan uiteindelijk een zooitje wordt omdat je niet meer naar een consensus werkt.
Minister Jetten:
Nou, nee. Hier lopen volgens mij een paar discussies door elkaar heen. De ene gaat over hoe je tot politieke besluitvorming komt in een Europese Raad waar al die regeringsleiders of ministers van de lidstaten bij elkaar komen om met elkaar een politiek standpunt voor de Europese Unie te bepalen. Een andere discussie is: ben je tevreden over het functioneren van de Europese instituties? Daarop is vanavond door verschillende sprekers denk ik best wel terechte kritiek geuit, op de stroperigheid soms of op de onverstandige inzet van Europese middelen, of met de vraag of iets een Europese taak is of dat we het beter op nationaal niveau hadden kunnen organiseren. Ik vind het ook goed dat, als lidstaten ontevreden zijn over de kwaliteit van bepaalde Europese diensten, we daar heel scherp op zijn en ook verbetering eisen met elkaar.
De heer Stöteler (PVV):
Over die deuk in dat pakje boter in het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid. Op dit moment hebben alle lidstaten van de Unie daar een veto op. En dan zegt de premier: "We slaan geen deuk in een pakje boter. Dus het veto moet weg, dan hebben we een gekwalificeerde meerderheid. Dat zal ze, de lidstaten, leren!". Nou, zelfs met een veto hebben we lidstaten die zich gewoon niet aan het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid houden; die gewoon geen veto hebben uitgesproken, zoals Spanje, dat de economische en politieke sancties tegen Rusland niet uitvoert zoals afgesproken. Je hebt ook kandidaat-lidstaten die niet voldoen aan het GBVB: ik noem Turkije, ik noem Servië. Ook alles richting Rusland.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Stöteler (PVV):
Waarom dan toch dat veto opgeven? Wat zou dat helpen om lidstaten en kandidaat-lidstaten zich wel aan het gemeenschappelijk buitenlandbeleid te laten houden?
Minister Jetten:
Als het gaat om het veto bij politieke besluitvorming, wil je dat Europa veel sneller tot een standpuntbepaling kan komen, en ook een sterke Europese Commissie heeft die dan kan meedoen in het diplomatieke spel dat op wereldniveau wordt gespeeld. Daarnaast heb je, of het nou met of zonder veto is, altijd de vraag of er EU-lidstaten of kandidaat-lidstaten zijn die zich niet houden aan de afspraken die we met elkaar hebben gemaakt. Als het bijvoorbeeld gaat om de inzet van sancties tegen de Russische Federatie, dan worden wel degelijk de landen die niet volledig meedoen aan die afspraken daar continu op aangesproken. Dat past volgens mij ook in de bredere discussie dat als lidstaten zich niet houden aan afspraken, je daar meer consequenties aan zou moeten willen verbinden.
De heer Stöteler (PVV):
Welke consequenties zijn dat dan precies? En welke consequenties zou dat moeten hebben voor kandidaat-lidstaten, die zeggen "o, jullie hebben zo'n mooie club, we willen daar heel graag bij", maar alle regels aan hun laars lappen? Welke consequentie zou dat dan moeten hebben?
Minister Jetten:
Als je zegt dat je bij de toetreding van nieuwe lidstaten die landen beoordeelt op hun merites, dan kijken wij als Nederlandse regering in ieder geval ook naar de vraag of die kandidaat-lidstaten zich houden aan het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid. In het geval van Servië, waar we het net over hadden, is dat dus een van de thema's die we altijd met hen bespreken, dat het gewoon onacceptabel is dat ze zich daar niet aan houden.
Mevrouw Becker (VVD):
De minister-president zei zojuist terecht dat er veel goede inspanningen zijn aan de oostflank om daar samen met een kopgroep van lidstaten te werken aan veiligheid en dat het mooi zou zijn als dat ook zo zou zijn met een kopgroep van Zuid-Europese lidstaten. Die Zuid-Europese lidstaten voelen veel minder de urgentie van de Russische dreiging dan wij. Wat is de inzet van de Nederlandse regering richting deze lidstaten, los van wat we in onze eigen kopgroep doen, om ze ook die urgentie te laten voelen, om ze niet alleen afspraken te laten nakomen, maar ook zelf actiever te worden?
Minister Jetten:
Op de eerste plaats doen we dat door landen die nog achterblijven met hun NAVO-budget en defensiebudgetten daar consequent op aan te spreken. Dat doen we bilateraal, maar natuurlijk ook in EU- en NAVO-verband. Dat doen we door veel informatie te delen over die hybride dreigingen die we nu al allemaal regelmatig ervaren. Die zijn in de volle breedte zichtbaar en voelbaar. Dat raakt ook uiteindelijk de welvaart en veiligheid in de Europese lidstaten die veel verder van de Russische grens af liggen. Dat doen we ook door de ervaringen te delen die we opdoen aan de noord- en de oostflank. Daarmee inspireren we hopelijk die landen om zo'n zelfde leiderschapsrol te pakken, bijvoorbeeld in het gebied van de Middellandse Zee, waar zij meer kennis en kunde hebben dan wij.
De voorzitter:
U vervolgt.
Minister Jetten:
Op het gebied van migratie vroegen de heer Krul en anderen me naar de inwerkingtreding van het pact en de implementatie daarvan. Die inwerkingtreding morgen is een heel grote stap, maar dan is het werk natuurlijk nog niet klaar. Zowel Nederland als andere lidstaten zullen de komende tijd nog grote inspanningen moeten plegen, onder andere om irreguliere migratie tegen te gaan en terugkeer te versnellen, maar ook om vluchtelingen beter te beschermen en goede opvang te bieden. Onze minister van Asiel en Migratie is onder andere met landen als Italië actief ervaringen aan het uitwisselen. Zo hebben we vorige week nieuwe afspraken met Italië kunnen maken over het naleven van de Dublinafspraken. Op die manier proberen we met de belangrijkste partners ervoor te zorgen dat we samen optrekken bij die implementatie.
Daarbij werken we ook — daar vroegen de heer Lenaers en mevrouw Becker naar, maar ook anderen — aan de mogelijkheden die het pact en aanvullende afspraken bieden om ook buiten de EU asielprocedures af te handelen dan wel terugkeer te bevorderen. Nederland zit daar in diverse kopgroepen, onder andere met Denemarken en Italië. We organiseren daar regelmatig bijeenkomsten op ministersniveau of op het niveau van de regeringsleiders om daar ervaringen uit te wisselen, maar ook om een gezamenlijke inzet te hebben richting de Europese Commissie en derde landen. Daar werken we concepten verder uit, zodat we daar op korte termijn hopelijk concrete ervaringen mee kunnen opdoen.
De heer Dassen vroeg nog naar de impact van grenscontroles. Het kabinet heeft de Kamer op 8 mei geïnformeerd over de evaluatie van de Nederlandse grenscontroles. Die gaan we dit najaar stoppen in de huidige vorm. We gaan toe naar een veel dynamischer concept, waarbij we mensensmokkel en andere issues in het grensgebied kunnen tegengaan. Tegelijkertijd spreken we met Duitsland regelmatig over de impact die de Duitse binnenlandse grenscontroles hebben. In ieder geval aan Nederlandse zijde ontstaat daar economische schade door. Er gebeuren ook regelmatig heel erge ongelukken op plekken waar de grenscontroles plaatsvinden. Die gesprekken voeren niet alleen wij met Berlijn. Er zijn ook verschillende Duitse deelstaten in de grensregio die onze kritiek grotendeels delen en met ons in Berlijn pleiten voor een betere aanpak dan er nu is.
Voorzitter. Dan het concurrentievermogen en het MFK. Ik zei er net ook al iets over in reactie op een aantal interrupties.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank aan de minister-president voor het aangeven dat Nederland graag in een kopgroep zit wanneer het gaat over migratie, opvang in de regio en de zogenaamde externaliseringsagenda van migratie. Ik vroeg concreet of Nederland misschien zou kunnen werken aan een non-paper, op basis van het recente Clingendaelrapport Grenzen verleggen, die dan in verschillende kopgroepen kan worden neergelegd. Dat rapport inventariseert welke belemmeringen er op dit moment zijn om die opvang meer buiten de grenzen van Europa te organiseren.
Minister Jetten:
Het specifieke rapport heb ik zelf nog niet gelezen, maar ik denk dat het, zoals ik mevrouw Becker net heb begrepen, redelijk in lijn is met de inzet die we al plegen. Als het helpt om met een non-paper andere lidstaten te informeren en te inspireren met de handreikingen die worden gedaan, dan wil ik dat zeker overwegen. Ik stel voor dat of ikzelf of de minister van Asiel en Migratie u per Kamerbrief laat weten wat we hiermee doen.
Voorzitter. We hadden het net al over het belang van de Europese interne macht, ook voor onze eigen welvaart en economie. We werken hard aan het wegnemen van een hele hoop concrete internemarktbelemmeringen, waaronder de aanpak van die terrible ten, maar ook aan de versnelling op de vervolmaking van de Europese kapitaalmarktunie die juist ook investeringen in Nederland enorm zou kunnen aanjagen. Als je het concurrentievermogen wil versterken, hoort daar ook een modern Meerjarig Financieel Kader bij. Dat vereist een Europese begroting die zich veel meer richt op de strategische doelen voor de komende jaren: concurrentiekracht, onderzoek en innovatie, veiligheid en defensie, en een modern asiel- en migratiebeleid.
We zitten nu middenin, of misschien pas aan de start, van een lang onderhandelingstraject over dat Meerjarig Financieel Kader. Volgende week, tijdens de Europese Raad, zullen we op leidersniveau het nieuwe Cypriotische voorstel bespreken. Dat is nog maar net binnen, maar ik kan al wel voorzichtig uitdrukken dat dit voorstel van de Cyprioten er niet goed uitziet. Het is niet goed voor Nederland, maar ook niet goed voor Europa, omdat het voorstel simpelweg veel te weinig modernisering in zich heeft en een prijskaartje met zich meedraagt dat in ieder geval voor Nederland, maar ook voor andere landen, absoluut nog niet in de buurt komt van een compromis.
Ik heb mij vanaf de eerste dag dat ik in deze rol zit bij al mijn bezoeken aan Brussel en andere Europese hoofdsteden meteen heel duidelijk uitgelaten. Dit kabinet zal proactief meedenken en meewerken aan een slagvaardig Europa op het gebied van migratie, klimaat en energie en het versterken van het concurrentievermogen. Maar men mag ook verwachten dat we er heel consistent en duidelijk over zijn dat een Meerjarig Financieel Kader dat alleen maar in omvang groeit en zich onvoldoende richt op de moderne uitdagingen van deze tijd, niet op Nederlandse steun zal kunnen rekenen. Er is dus ook geen sprake van "mister nice guy". Er is sprake van een heel duidelijke inzet van het kabinet. We kijken uit naar nieuwe voorstellen onder het Ierse voorzitterschap, dat wel oog heeft voor de inzet van de modernisten, zoals ik ze noem, die vele Europese lidstaten die pleiten voor een moderne begroting van de Europese Unie. Wij spelen een hele actieve rol om tot die scherpe keuzes te komen. Dat betekent ook dat bestaande fondsen en middelen, zoals het cohesiefonds en het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet buiten de discussie kunnen worden gelaten. Als je naar een moderne begroting wilt, moet je ook bereid zijn om in de volle breedte te kijken naar de huidige verdeling van middelen en hoe ze effectiever kunnen worden ingezet.
Dan nog een enkele hele specifieke vraag daarover. De heer Van Dijk vroeg naar het ESF+-structuurfonds. In het voorstel van de Europese Commissie voor het volgend MFK wordt het Europees Sociaal Fonds ondergebracht binnen de nationale en regionale partnerschapsplannen. Het kabinet is voorstander van deze samenvoeging, die uiteindelijk leidt tot versimpeling, meer flexibiliteit en een efficiëntere besteding van EU-middelen. De invulling van die nationale plannen moet nog nader worden bepaald. Daar kan ik op dit moment niet op vooruitlopen.
Ik ben geen voorstander van financiering van hele specifieke nationale bevoegdheden. We hebben een aantal beleidsterreinen waarvan we allemaal vinden dat ze moeten worden overgelaten aan nationale wet- en regelgeving. Een Europese begroting of financiering zou daar niet doorheen moeten lopen.
De heer Gotink heeft zich bij mij verexcuseerd in relatie tot de vraag over het afbetalen van de coronaschulden.
Het kabinet is van mening dat de NextGenerationEU-kosten moeten worden afbetaald en dat daarmee moet worden begonnen bij aanvang van het volgende MFK.
Tot slot. Als het gaat om het nieuwe MFK, zal Nederland geen voorstander zijn van het aangaan van nieuwe gemeenschappelijke schulden, omdat we niet geloven dat dat nou de oplossing zal zijn. We zetten veel liever in op het moderniseren van die begroting. Daarbij wordt de discussie gevoerd over nieuwe eigen middelen voor Europa. Dat kan onderdeel zijn van het totaalpakket dat gebalanceerd moet zijn als het gaat om modernisering, nationale afdrachten en eventuele inzet van Europese eigen middelen. De voorstellen daartoe zullen we rustig afwachten.
De heer Dekker (FVD):
Ik had het even willen hebben over de own resources, want daar verwees de minister-president naar. Ik begrijp dat de EU 15% van de tabaksaccijnzen wil afromen om die toe te voegen aan de EU-begroting. En op termijn komt ook ETS2 in de kas van de EU terecht. Hoe kijkt de minister-president daarnaar?
Minister Jetten:
Zoals we eerder hebben aangegeven, kunnen eigen middelen onderdeel zijn van een gebalanceerd pakket voor een Europese begroting, maar dat hangt heel erg af van wat voor soort eigen middelen dat dan zijn. Vaak is het, zoals in het voorbeeld dat u geeft, een afroming van een belastingheffing of een accijnsheffing die op nationaal niveau plaatsvindt. Dan is altijd de vraag: komt dat er dan voor in de plaats of er bovenop, is het een effectieve manier, wat is de eventuele opbrengst die erbij komt kijken? Er zijn allerlei verschillende varianten en voorstellen. Die zullen wij een-op-een beoordelen en wij zullen steeds aangeven of we dat een verstandige optie vinden of niet.
De heer Dekker (FVD):
Ziet de minister-president niet dat er een risico bestaat omdat er als het ware een sleutel wordt gegeven om een extra taks bovenop de accijnzen te leggen die wij hier te lande al in rekening brengen? Open je daarmee niet een sluis aan mogelijkheden die bijna niet meer te stoppen is?
Minister Jetten:
Uiteindelijk wordt het altijd ergens, linksom of rechtsom, door een burger of een bedrijf betaald. Je moet daar niet naïef over zijn. "Eigen middelen" is geen toverwoord om ergens geld vandaan te halen waar niemand de rekening voor hoeft te betalen. Dat moet je dus steeds goed beoordelen. Wij hebben een hele stevige inzet met een paar andere landen om te voorkomen dat de nationale afdrachten gigantisch door het dak gaan. Je moet met een open vizier naar deze discussie kunnen kijken.
De heer Dekker (FVD):
Ten slotte. Zou dit een typisch onderwerp zijn waarop je als een netto betalende partij nog steeds een vetorecht zou moeten kunnen handhaven binnen de EU?
Minister Jetten:
Ik denk meer in algemene zin dat de onderhandelingen over het MFK by far de zwaarste onderhandelingen van dit jaar zullen zijn. Ik sta zelf samen met een aantal andere Europese regeringsleiders nu nog op het standpunt dat er geen enkel voorstel op tafel ligt waarvoor instemming aan de orde kan zijn. Voorlopig blijven we dus heel zwaar onze eigen positie daarin over het voetlicht brengen.
De heer Dekker (FVD):
Dat is een geruststelling, voorzitter.
De heer Krul (CDA):
De minister-president zei iets interessants: ik ben ook niet per se voorstander van Europese instrumenten die ingrijpen in nationale competenties. Er werden een paar fondsen genoemd. Ik ben benieuwd — ik hoop dat ik hem niet overvraag — hoe hij in dat licht kijkt naar het ESF+, het Europees Sociaal Fonds, waarmee steeds meer op nationale competenties wordt gefinancierd. Hoe kijkt de minister-president naar dat fonds in het kader van de hervormingen in het MFK, die er wat ons betreft aan moeten komen?
Minister Jetten:
Nu is de heer Krul mij wel een beetje aan het overvragen. Wellicht kan de minister van Buitenlandse Zaken daar zo meteen enig licht op laten schijnen. Anders zal ik dat in tweede termijn doen.
De heer Van der Lee (PRO):
In het eerste blok, over de geopolitiek, kon ik de premier heel goed volgen en vinden wij elkaar ook. Maar als ik nu zijn verhaal hoor over de Nederlandse opstelling in het MFK, dan hoor ik Schoof, ik hoor Rutte, ik hoor Balkenende, ik hoor bijna alle premiers die ik heb meegemaakt. En we leren niks. Ik ben ook een modernist. Wij zijn voor vergaande modernisering van de Europese begroting. Dat zijn we al jaren. Maar onze tactiek is alleen maar een stok hanteren, nee zeggen en nergens een wortel bieden om te zorgen dat die moderniseringen plaatsvinden. Waarom dat halsstarrige? Waarom niet actiever een deal tot stand brengen in plaats van nee zeggen?
Minister Jetten:
Daar zijn we volop mee bezig door met een steeds groeiende coalitie te benadrukken dat, als je als Europa beter voor je eigen veiligheid en welvaart wil zorgen, als je de energietransitie wilt ondersteunen zodat de rekening bij mensen thuis naar beneden gaat, als je dat Europese migratiepact daadwerkelijk waar wilt maken, je in de komende jaren een begroting nodig hebt die zich op die prioriteiten richt. Dat is ook een begroting die flexibeler is, waarin je je niet nu voor de komende zeven jaar overal op moet vastpinnen, terwijl de wereld razendsnel verandert. Kijk alleen al naar de ontwikkelingen op het gebied van AI en deep tech, waar we twee jaar geleden nog niet eens van konden dromen. Welke flexibiliteit en welke slagkracht hebben we om op zo'n ontwikkeling in te spelen om de Europese welvaart en veiligheid op het gebied van deep tech goed te kunnen ondersteunen? Dat vraagt echt een ander type begroting dan de voorstellen die nu zijn gedaan. Dat is onze inzet: een moderne begroting, maar ook een begroting die qua omvang acceptabel is voor de mensen die die begroting moeten ophoesten.
De heer Van der Lee (PRO):
Het is een beetje een herhaling van belangrijke punten die wij ook steunen, maar wij trekken daar wel een logische conclusie uit. Als er nieuwe uitdagingen zijn — en die zijn er op tal van terreinen — en je de Unie wil uitbreiden, dan is een opstelling waarbij je netto 1,6 miljard wilt besparen op je eigen afdracht geen houdbare positie. Alleen maar aangeven wat je gemoderniseerd wilt hebben, zonder op een gegeven moment bereid te zijn om daar iets voor in te leveren en ook een concrete wortel op tafel te leggen, daar ga je het niet mee redden als het gaat om die modernisering. Ik hoef niet nu gelijk die wortel in detail te horen, maar ik zie nergens dat Nederland een wortel neerlegt. Dat betekent dat we wachten tot het allerlaatste moment in de onderhandelingen en dan een keer over de brug moeten komen. Dan gaat het ten koste van de modernisering, want dat hebben we keer op keer bij het MFK gezien.
Minister Jetten:
Wij zijn zeer actief, zowel richting de voorzitters, nu Cyprus en straks Ierland, als richting de Europese Commissie en richting gelijkgestemde landen, maar juist ook richting landen die verder van ons af staan, om duidelijk te maken dat ook wij naar een succesvolle MFK-onderhandeling toe willen. Maar wij gaan als Nederlands kabinet natuurlijk niet in alle openheid een stok en een wortel overal op tafel leggen, want dan wordt het wel heel moeilijk om met die landen te onderhandelen. Een van de eerste gesprekken die ikzelf de afgelopen maanden heb gevoerd, was bijvoorbeeld met de Ierse premier, die de komende zes maanden het voorzitterschap onder zijn hoede heeft, om ook bij hem heel duidelijk te maken wat onze inzet is, maar ook waar eventuele compromissen liggen om uiteindelijk wel tot een MFK te komen aan het einde van het jaar.
De heer Dassen (Volt):
Ik moet het aantal interrupties toch altijd even checken, voorzitter.
Ik wil hier nog graag even op doorgaan, omdat het MFK een begroting is voor de komende zeven jaar. Dat hebben we natuurlijk de afgelopen jaren ook gezien. De wereld verandert ontzettend snel. Wat nu gebeurt, kan over een paar jaar alweer anders zijn. Als je kijkt naar de grote uitdagingen die we hebben op het gebied van defensie, klimaat, economie en de Europese investeringen die we daarin moeten doen, is het dan niet een noodzakelijkheid dat we kritisch naar die Europese begroting kijken? Aan de ene kant geeft de minister aan dat we ook niet kunnen volhouden dat we met het budget dat de Europese Unie nu heeft, die grote uitdagingen daadwerkelijk aan kunnen gaan. Als je kijkt naar de enorme investeringen die juist op Europees niveau gedaan moeten worden, zouden we daar dan niet toch een iets andere ambitie tegenover moeten zetten dan wat we nu doen?
Minister Jetten:
Natuurlijk moet je je de vraag stellen: als je meer van Europa en de Europese Unie vraagt, kan dat dan met de huidige middelen? Maar wat mij betreft begint dat bij de vraag welke prioriteiten we hebben voor de komende jaren en of we daar dan ook ons budget op gaan richten. Als we dat budget blijven richten op de discussies van het verleden, dan zal Nederland zich wel degelijk kritisch blijven verzetten tegen alleen maar het ophogen van het budget. Dan blijf je meer van hetzelfde doen en krijg je ook wat we al kregen. Tegelijkertijd is niet alleen publiek geld de oplossing voor de grote uitdagingen waar we voor staan. Dat is ook de reden waarom het kabinet zich zo inzet voor het vervolmaken van die kapitaalmarktunie, omdat een kapitaalmarktunie uiteindelijk meer welvaart oplevert dan het wegnemen van de handelsbelemmeringen die we nu bijvoorbeeld met de VS hebben. Het gaat om vele miljarden die je dan kunt vrijmaken voor meer Europese economische groei, voor een versnelling van de energietransitie en voor het oplossen van een deel van het klimaatvraagstuk. Dus we moeten ons steeds de vraag stellen hoeveel geld er nodig is om deze maatschappelijke uitdagingen aan te gaan. Vraagt dat publiek geld? Is dat nationaal of Europees? Of kunnen zaken ook met privaat geld worden gefinancierd? En hoe maak je dat private geld dan veel meer los?
De heer Dassen (Volt):
Daar vindt de minister ons volledig aan zijn zijde, want het moet gemoderniseerd worden. We moeten kritisch kijken en we moeten ook zeker kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat die kapitaalmarktunie eindelijk wordt afgemaakt, zodat we ook dat private geld makkelijker kunnen mobiliseren om die investeringen te doen. Dat is cruciaal. Maar tegelijkertijd zien we ook dat deze huidige begroting 0,1% van het bbp hoger is dan de vorige begroting. Dat is natuurlijk een beperkte stijging als je kijkt naar wat we inmiddels extra vragen van de Europese Unie op het gebied van economie, investeringen, defensie en digitale onafhankelijkheid. Dat is echt een wezenlijk verschil met de discussie van zeven jaar geleden. Dus dan zou ik daarin wel verwachten dat er in ieder geval iets extra's komt. Niet in absolute termen, want dan krijg je inflatiecorrecties, maar in dat percentage ten opzichte van het bbp. Dat verschil is echt minimaal. Daar verwacht ik van dit kabinet toch een andere houding.
Minister Jetten:
Op Europees niveau klinkt dat als klein bier, maar ik heb ook te maken met een Kamer die met een vrij grote meerderheid duidelijk maakt dat als die verhoging voornamelijk bij Nederland en een enkele andere nettobetaler terechtkomt, er dan geen sprake is van een gebalanceerd voorstel. Daar vinden we, denk ik, de komende maanden de weg vooruit. We zullen in Europa duidelijk maken dat Nederland heel goed ziet dat Europa en de Europese samenwerking voor de grote uitdagingen van deze tijd onmisbaar zijn, ook voor het dienen van de Nederlandse belangen, dat dit ook betekent dat je daar een Europese begroting bij nodig hebt die aan die prioriteiten tegemoet kan komen, maar dat het financieren van die begroting op een rechtvaardige wijze moet gebeuren en dat de rekening niet eenzijdig bij Nederland en Duitsland kan worden neergelegd.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de minister van Buitenlandse Zaken.
Minister Berendsen:
Voorzitter. De premier heeft namens het kabinet op een aantal grote thema's inmiddels het debat met de Kamer gevoerd en de meeste vragen beantwoord. Dit betekent dat ik mij volledig zal richten op het kopje overig, naast het benoemen van het feit dat ik als oud-Europarlementariër ook vanuit deze kant met veel plezier uitgekeken heb naar dit debat, dat zeker niet teleurstelt. Het is ook goed dat de Kamer dit debat op deze manier voert, in aanwezigheid van Europarlementariërs.
Ik zal proberen de vragen in een voor de voorzitter acceptabel tempo, dus ook een beetje vlot, te beantwoorden.
Mevrouw Becker vroeg naar de Cloud and AI Development Act. Zij pleit voor een vereenvoudiging daarvan. Het kabinet blijft in Brussel pleiten voor het terugdringen van onnodige regeldruk, onder andere via de verschillende omnibussen. Nederland behoort op dit terrein al tot de vooruitstrevende lidstaten en werkt actief samen met Europese landen. Per dossier wordt beoordeeld welke regels kunnen worden vereenvoudigd of geschrapt, welke aanpassingen juridisch mogelijk en beleidsmatig wenselijk zijn en welke lidstaten dezelfde impact hebben.
Mevrouw Becker vroeg ook naar kennisveiligheid. Hoe voorkomen we dat onze plannen op het vlak van biotech en zaadveredeling worden gekaapt door bijvoorbeeld China? Nederland is zuinig op zijn sensitieve technologieën. We hebben verschillende instrumenten om deze te beschermen, zoals investeringenscreening, kennisveiligheid en exportcontrole. De minister van OCW heeft juist vandaag een brief naar uw Kamer gestuurd over de stand van zaken rond screening en kennisveiligheid.
Mevrouw Becker (VVD):
Voor dat laatste veel dank. Daar zal mijn fractie zich in gaan verdiepen. Op de vraag over de Cloud and AI Development Act geeft de minister een vrij algemeen antwoord. Hij spreekt over de inzet van omnibussen en vermindering van regeldruk. Bij de Cloud and AI Development Act zien we dat het doel op zich nobel is, maar dat de uitvoering van die act weer ingewikkeld wordt. Bedrijven moeten straks via allerlei papierwerk aantonen dat ze, als ze hiervan gebruik willen maken, daadwerkelijk Europees zijn. Dat levert zo veel complexiteit op voor die bedrijven, dat we een nobel doel toch weer laten verzanden in bureaucratie. Mijn concrete verzoek was of het kabinet erop wil aandringen dat specifiek deze act simpeler wordt voor bedrijven en gebruikers. Als de minister dat antwoord nu niet paraat heeft, kan dat misschien gegeven worden in een brief die gaat over dit onderwerp.
Minister Berendsen:
Het is de inzet van het kabinet om ook nieuwe regelgeving, dus niet alleen bestaande regelgeving, te vereenvoudigen en die zo behapbaar mogelijk te maken voor het bedrijfsleven. Dat geldt ook voor de Cloud and AI Development Act. Ik weet even niet of deze voorstellen al geapprecieerd zijn door het kabinet. Als dat niet zo is, stel ik voor dat we daarin ook de vereenvoudigingsvraag van mevrouw Becker meenemen. Mocht dat al wel gebeurd zijn, dan kan ik me voorstellen dat dit schriftelijk op een aanvullende manier gedaan wordt.
De voorzitter:
U vervolgt.
Minister Berendsen:
De heer Stöteler vroeg naar het Europees semester. Het kabinet hecht waarde aan het Europees semester, ook aan de landenspecifieke aanbevelingen. Er worden namelijk niet alleen aanbevelingen aan Nederland gedaan, maar juist ook aan andere landen, om een economie te hervormen. Dat is belangrijk voor het goed functioneren en voor de stabiliteit van de Economische en Monetaire Unie.
Voorzitter. Ik constateer dat het met de snelheid iets anders gaat dan ik verwacht had.
De voorzitter:
Dit is het kopje overige vragen, dus dan doen we het gewoon per vraag. Meneer Stöteler.
De heer Stöteler (PVV):
Zo'n antwoord had ik natuurlijk verwacht, maar Nederland is al jarenlang, decennialang, nettobetaler. Je zou verwachten dat wie betaalt, bepaalt, maar in ieder geval niet dat de Europese Commissie zich met ons huishoudboekje gaat bemoeien. Dat kun je misschien doen met landen die jarenlang netto-ontvanger zijn en dan kun je "daar staat wat tegenover" zeggen, maar wij betalen nota bene elk jaar. Dan denkt de Europese Commissie zich te moeten bemoeien met onze hypotheekrenteaftrek. Waar bemoeien ze zich mee, vraag ik nogmaals.
Minister Berendsen:
De Europese Commissie doet aanbevelingen aan andere landen. Er is bijvoorbeeld juist door Nederland afgedwongen dat er regels zitten aan het coronaherstelfonds, vanwege economische hervormingen die uiteindelijk in het belang van ons allemaal zijn.
Voorzitter. De heer Stöteler zei dat de beschikbaarheid van energie een basisvoorwaarde is voor economische ontwikkeling. Ik herken dat de beschikbaarheid van energie een cruciale basisvoorwaarde is voor economische ontwikkeling. De energietransitie is juist nodig om de leveringszekerheid te verbeteren. Daarmee gaan we zelf op Europese grond meer schone energie opwekken, wat ons minder afhankelijk maakt.
De heer Dassen vroeg naar de routekaart om over te stappen op Europese digitale alternatieven. De routekaart digitale autonomie van de overheid wordt momenteel uitgewerkt en zal in het najaar worden gepubliceerd.
De heer Van Dijk vroeg of het kabinet de kans gaat benutten om in te zetten op herziening van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het is van belang dat herzieningen van EU-wetgeving plaatsvinden als die nodig zijn. Evaluaties zijn het instrument om de noodzaak hiervan aan te tonen. De Commissie voert op dit moment een stresstest uit van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Ik denk dat de belangrijkste eerste stap is dat wij dat onderzoek afwachten, om vervolgens de resultaten van de stresstest mee te nemen in het bepalen van het kabinetsstandpunt.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor de reactie van de minister. Mijn punt is natuurlijk dat we een megaprobleem hebben, zeker wat betreft stikstof en de instandhoudingsdoelstellingen. Er is inderdaad een stresstest gaande, maar is dat geen mooi momentum waarmee we iets aan concessies kunnen bereiken voor het achterliggende, diepere probleem? Moeten we dat momentum niet aangrijpen?
Minister Berendsen:
De stresstest wordt uitgevoerd. Dat betekent dat er een evaluatie uitkomt. Daar zullen we ons kabinetsstandpunt op bepalen. Tegelijkertijd wordt er door de Taskforce Stikstof natuurlijk nationaal gewerkt aan een aanpak om met voorstellen te komen. Die zijn natuurlijk gerelateerd aan eventuele Europese wetgeving.
Voorzitter. Mevrouw Becker vroeg hoe we Nederlandse bedrijven bij de Europese defensieprojecten gaan betrekken. Nederlandse bedrijven hierbij betrekken is een belangrijk onderdeel van de Nederlandse beleidsinzet op dit gebied. Samen met de RVO positioneert Defensie het Nederlandse bedrijfsleven bij het EDIP en het Europees Defensiefonds. Hier organiseren we regelmatig informatiebijeenkomsten voor. De RVO helpt Nederlandse bedrijven bij het indienen van proposities voor deze EU-programma's.
Voorzitter. Mevrouw Becker vroeg ook of er een Nederlandse DARPA komt. Om technologische voorsprong te creëren en het gevecht van de toekomst te kunnen winnen, investeren we fors meer in defensie. We werken aan een voorstel voor een defensie innovatie autoriteit. Die autoriteit moet zorgen voor versnelde hoogtechnologische militaire capaciteiten van Nederlandse bodem en disruptieve innovaties. Uw Kamer wordt daarover binnenkort nader geïnformeerd.
Voorzitter. Iets meer op het terrein van de minister van Buitenlandse Zaken vroeg de heer Krul naar mijn ervaringen bij het bezoek aan Hongarije. Dat was een goed en vertrouwenwekkend bezoek. Het was mooi om de energie te proeven in dat land. Niet alleen is de inzet van de Hongaarse regering om hervormingen door te voeren duidelijk, maar ik heb ook gesprekken gevoerd met studenten, het maatschappelijk middenveld en mensen uit het onderwijsveld. Ook daar merk je een voorzichtig optimisme over de koers van de nieuwe regering. Tegelijkertijd blijven we die natuurlijk kritisch volgen, want daar zijn nog steeds hervormingen nodig.
Voorzitter. De heer Van Baarle vroeg naar de Nederlandse bescherming van het ICC. Ik herken mij niet in het beeld dat Nederland zich niet zou inzetten ten behoeve van het ICC. Het werk op mitigatie gebeurt veelal achter de schermen en is gebaat bij een zekere mate van vertrouwelijkheid. Het kabinet overlegt doorlopend met het hof over de impact van de sancties en we bespreken mogelijke mitigatiemaatregelen met hen.
Voorzitter. De heer Krul vroeg naar de voorbereidingen voor het voorzitterschap in 2029. Dat is inderdaad een belangrijk diplomatiek instrument. We staan dan in het centrum van de Europese onderhandelingen en besluitvorming. Tegelijkertijd vraagt het voorzitterschap ook tijdige voorbereiding en goede organisatie. Daar zijn we dus inmiddels ook mee begonnen. Het Nederlandse voorzitterschap valt vlak na de Europese verkiezingen en ook in de aanloop naar een nieuwe Europese Commissie. Dat is dus een interessant moment. Uiteraard zal Nederland inhoudelijk gereed het voorzitterschap voeren, aansluitend bij de strategische prioriteiten die wij voor Europa zien. Denk aan onderwerpen als concurrentievermogen, veiligheid en defensie, asiel en migratie. Tegelijkertijd zijn we ook pragmatisch en zullen we moeten inspelen op ontwikkelingen die dan spelen.
De heer Van Baarle vroeg hoe het kabinet opvolging geeft aan de ingediende moties over discriminatie tegen minderheden in de EU. Het kabinet vraagt in EU-verband actief aandacht voor de aanpak van discriminatie van minderheden, zoals ook anti-moslimhaat. Nederland ziet anti-moslimhaat ook als onderdeel van de bredere inzet tegen racisme en discriminatie in samenhang met vrijheid van religie. Er wordt nu bezien hoe het binnen bestaande EU-kaders het meest effectief kan worden aangepakt. Denk aan de EU anti-racismestrategie en de EU richtsnoeren voor vrijheid van religie en levensovertuiging. In Nederland wordt momenteel gewerkt aan een nationale aanpak tegen moslimdiscriminatie onder regie van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. Deze benadering wordt geplaatst in het bredere kader van racisme en discriminatie en dat ziet Nederland ook als een logische lijn voor de EU.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat laatste, met dankzegging voor de beantwoording, gaat natuurlijk over het Nederlandse beleid. Als we kijken naar de Europese Unie, hebben we een Europese Unie waarin gelijkwaardigheid in verschillende landen onder druk staat. Landen waarin Roma en Sinti niet dezelfde behandeling krijgen, landen waarin lhbti-vrije steden zijn aangewezen. In alle opzichten druist dat in tegen gelijkwaardigheid. Wat is nou de concrete inzet om de verordeningen en de praktijken die we hebben in Europa, te verscherpen op het gebied van die waardengemeenschap als Europa met een gelijkwaardigheid voor iedereen?
Minister Berendsen:
Ik denk dat de heer Van Baarle een terecht punt aanhaalt, want de Europese Unie is ook een waardengemeenschap. Dat betekent dat dit kabinet staat voor de waarden, ook rond discriminatie tegen minderheden waar we in EU-verband op inzetten. Tegelijkertijd kent de EU ook voor de meeste vormen van discriminatie en religieuze haat geen aparte strategie, maar wordt deze aangepakt binnen de bredere kaders. Op het moment dat een lidstaat buiten de kaders gaat, is het aan de Europese Commissie om daartegen op te treden.
Voorzitter. De heer Stöteler had het over orde op zaken binnen de Commissie, transparantie, de appjes en de uitspraken van de Ombudsman. Het is belangrijk dat de Europese Ombudsman, en overigens ook het EU-Hof, zich hierover hebben uitgesproken. EU-instellingen moeten transparant en integer werken. Dat is belangrijk voor het vertrouwen van burgers in de EU. Elke instelling heeft eigen integriteits- en transparantieregels. Instellingen zijn bij een overtreding van de eigen regels zelf verantwoordelijk. Daarnaast zal het opgerichte orgaan voor ethiek minimumstandaarden opstellen met als doel dat alle EU-instellingen zich daaraan committeren.
De heer Van Baarle en de heer Dassen vroegen naar de beloningen van Europarlementariërs, het verhuiscircus van Straatsburg en of de regering bereid is een vuist te maken om deze beloningen te verminderen. Het kabinet kijkt in het kader van de onderhandelingen over het MFK naar de groei van administratieve uitgaven. Dat geldt voor EU-instellingen en daar vallen natuurlijk ook de salariëringen onder. Het wijzigen van de zetel van het Europees Parlement vergt verdragswijziging en een verdragswijziging is nu niet aan de orde.
De vervolgvraag van de heer Dassen, waar hij niet voor opstaat maar waar hij een vraag over heeft gesteld, is of de minister verdragswijziging mogelijk gaat maken. Wij willen serieus kijken naar hoe we de EU kunnen verbeteren. De architectuur van de EU moet toekomstbestendig zijn. We hebben een brief naar de Kamer gestuurd over hoe we daarnaar kijken, in het kader van uitbreiding, toetredingsverdragen en verdere hervorming; hervormingen die nodig zijn vanwege de absorptiecapaciteit van de Europese Unie. Maar nogmaals, een verdragswijziging is nu niet aan de orde.
Voorzitter, ik heb het blokje overig hiermee gehad.
De heer Stöteler (PVV):
De minister van Buitenlandse Zaken weet natuurlijk dondersgoed dat je om dat verhuiscircus te stoppen geen verdragswijziging nodig hebt.
Minister Berendsen:
In het verdrag staat dat het Europees Parlement twaalf keer per jaar vergadert in Straatsburg. Dat betekent dat je geen verdragswijziging nodig hebt om niet naar Straatsburg te gaan, maar dat betekent wel dat Frankrijk naar het Hof stapt op het moment dat het Europees Parlement dat niet doet.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Stöteler (PVV):
Je kunt ook andersom denken. Je hoeft dus niet naar Brussel van de verdragen en het Europees parlement zou dus gewoon in Straatsburg kunnen vergaderen en niet in Brussel. Dan heb je het hele verhuiscircus opgelost.
Minister Berendsen:
Dat klopt. Alleen denk ik dat dan de kosten de pan uit rijzen, omdat alle instellingen in Brussel zitten. Het gaat in ieder geval de besluitvorming niet bespoedigen.
De heer Krul (CDA):
Of je opent op één dag twaalf keer de vergadering. Dat kan natuurlijk ook! Maar goed, ik heb een andere vraag voor de minister.
Hongarije. Ik ben blij met de beantwoording, maar ik maak mij nog wel zorgen. We willen natuurlijk allemaal het liefst dat die hervormingen zo snel mogelijk worden doorgevoerd en dat Magyar en zijn regering bewijzen dat ze het op een andere manier kunnen doen. Maar tegelijkertijd zijn er ook partijen en bewegingen, waar we blij zijn vanaf te zijn, die er baat bij hebben dat het mislukt. Wat kunnen wij als Nederland doen om Hongarije heel gericht te helpen om te voorkomen dat bepaalde clubs hun gelijk gaan halen?
Minister Berendsen:
Dat is natuurlijk een uitdaging. Hongarije staat ook echt voor een uitdaging, omdat er heel veel hervormingen nodig zijn. De premier gaf net al aan hoe wij naar een uitbreiding kijken. Dat is strikt, fair en betrokken. Die betrokkenheid tonen we natuurlijk ook bij hervormingen die nodig zijn in lidstaten. Dat betekent dat we ook Hongarije bijstaan met expertise en kennis. We helpen hen waar ze dat nodig hebben. Als ze daarom vragen, staan we hen bij bij de hervormingen.
De heer Dassen (Volt):
De minister weet natuurlijk dat het kabinet zelf ook actie kan ondernemen voor een verdragswijziging. De heer Stöteler heeft net een loophole gevonden en misschien moeten we het dus wel op een andere manier regelen.
Een vraag van mij is nog niet beantwoord. We hebben de afgelopen jaren gezien dat Hongarije vaak dwarslag en dat het dan heel moeilijk was om daar actie op te ondernemen, bijvoorbeeld door dat land zijn stemrecht te ondernemen of door op een andere manier in actie te komen. Ik heb daar een vraag over gesteld: welke mogelijkheden ziet het kabinet om daar verandering in te brengen? Je kunt dan denken aan het afschaffen van de unanimiteitseis voor het ontnemen van het stemrecht. Kun je individuen wellicht het recht geven op het Europees Hof geven, zodat wetten getoetst kunnen worden? Welke plannen heeft het kabinet daarvoor? Ik vraag dat, omdat we juist nu de mogelijkheid hebben om hiervoor in actie te komen.
Minister Berendsen:
Inderdaad, in de brief die wij aan de Kamer gestuurd hebben over uitbreiding, staat dat we voor nieuwe toetredende lidstaten op dat gebied in het toetredingsverdrag bepaalde zaken tijdelijk kunnen uitstellen. Dat betekent bijvoorbeeld het veto voor buitenlandbeleid, het veto voor de meerjarenbegroting en het veto voor de uitbreiding in de tijd uitstellen. Tegelijkertijd geven we in die brief ook een aantal voorstellen op het gebied van hervorming van de Europese Unie. Dat is inderdaad nodig. Een voorbeeld is het invoeren van qualified majority voting. We geven ook aan, en dat doen we ook in de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader, dat de rechtsstaatskoppeling gewoon heel belangrijk blijft. Uiteindelijk hebben we ook bij Hongarije gemerkt dat er te praten valt op het moment dat het geld in het geding komt.
De heer Van der Lee (PRO):
Ik heb een vraag die misschien iets buiten de comfortzone van de minister ligt. Die vraag raakt aan wat ik heb gezegd over staatssteun. Driekwart van de nationale staatssteun in Europa wordt door Frankrijk en Duitsland gedaan. Je ziet ook dat die mogelijkheden verruimd zijn. Nu heeft de Commissie voorgesteld, en dat is ook overeengekomen, om een Competitiveness Coordination Tool in het leven te roepen. Ik ben al maanden bezig om te achterhalen wat dat betekent, wat dat is en wanneer dat komt. Het verzoek aan de minister van Buitenlandse Zaken is om de Kamer daarover te informeren, want hij zal dat ook niet paraat hebben. Het is namelijk nergens te vinden.
Minister Berendsen:
Het kabinet gaat de heer Van der Lee daar graag bij ondersteunen en zal de Kamer daarover proberen te informeren.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording in zijn eerste termijn en geef het woord aan de heer Klos voor zijn tweede termijn namens D66. Gaat uw gang.
De heer Klos (D66):
Sorry, voorzitter. Het ging plotseling heel snel.
Dank aan het kabinet voor de beantwoording. Dank ook voor de toezegging dat Nederland politiek leiderschap wil tonen bij de bouw van die Europese defensie-unie. Dat ga ik met interesse volgen en er natuurlijk ook voorstellen voor doen vanuit de Kamer.
Ik heb nog twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Commissie om geopolitieke redenen vaart wil maken met uitbreiding naar Oekraïne, Moldavië en de Westelijke Balkan;
constaterende dat er nu verschillende voorstellen van lidstaten liggen voor gefaseerde toetreding van kandidaten tot de Europese Unie;
overwegende dat het kabinet positief staat ten opzichte van het idee van gefaseerde toetreding en tegelijkertijd vaart wil maken met het reguliere proces naar volledig en gelijkwaardig lidmaatschap;
verzoekt de regering te voorkomen dat aanpassingen in het toetredingsproces het pad naar volledig lidmaatschap belemmeren of vertragen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Klos.
Zij krijgt nr. 2 (36866).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in discussies over EU-uitbreiding wordt overwogen om nieuwe lidstaten geen vetorechten te geven;
overwegende dat volwaardig EU-lidmaatschap gebaseerd is op gelijkwaardigheid tussen lidstaten;
van mening dat Nederland baat heeft bij een Unie die snel tot besluitvorming komt;
verzoekt de regering gelijktijdig in te zetten op zowel de tijdelijke beperking op deelterreinen van het stemrecht van nieuwe lidstaten als de afschaffing van het veto voor bestaande lidstaten op het terrein van buitenland- en veiligheidsbeleid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Klos.
Zij krijgt nr. 3 (36866).
Dank u wel. Heeft de heer Gerbrandy behoefte aan een tweede termijn? Dat dacht ik al. Gaat uw gang.
De heer Gerbrandy (EP/D66):
Dank u wel, voorzitter. Dit laat ik mij natuurlijk niet ontnemen. Ik wens de Kamer veel nuchterheid toe in de toekomst, zeker als het Europa aangaat. Iemand die heel nuchter was, was Henry Kissinger. Bij hem werd het realpolitik genoemd, maar je kan het ook nuchterheid noemen. Van hem is een beroemde uitspraak: Duitsland is groot in Europa maar klein in de wereld. Als dat voor de derde economie van de wereld geldt, dan geldt het natuurlijk al helemaal voor de achttiende economie van de wereld, Nederland. Dus zijn boodschap als realpolitiker was al: doe het gezamenlijk in Europa, want alleen dan heb je als Duitsland, als Nederland echt invloed in de wereld.
Het tweede punt dat ik wil maken is dat ik best wel wat chagrijn voel in de Kamer over de toestand van Europa en de staat van Europa, en ik denk dat dat verkeerd is. Europa is nog altijd ongekend rijk. Wij zijn superinnovatief, hebben een sterke economie, hebben de beste universiteiten in de wereld. Maar — en dat is natuurlijk de hoofdboodschap van meneer Draghi — we moeten nu wel gezamenlijk onze schouders eronder zetten, want anders zouden we die sterke positie in de wereld weleens kwijt kunnen raken.
Het doet mij deugd om hier een minister-president en een minister aan te treffen die namens het kabinet juist die enorme "yes we can"- oftewel "het kan wél"-mentaliteit uitstralen en ik hoop dat ze dat in Europa ook heel krachtig blijven doen, want alleen dan zal Nederland ook zo welvarend en rijk blijven als we nu zijn.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Becker. Nee, u staat te popelen, meneer Stöteler, maar u bent pas de zevende spreker op de lijst. Ja, u kent elkaar nog uit Brussel volgens mij. Gaat uw gang, mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties waar ik mee begin.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Rekenkamer in een recent rapport kritisch is geweest over de traceerbaarheid en transparantie van de Recovery and Resilience Facility-middelen (RRF);
overwegende dat het in het kader van gedegen begrotingsbeleid van belang is dat achteraf vast kan worden gesteld of Europese gelden effectief en doelmatig zijn ingezet;
verzoekt de minister om er in Europees verband voor te pleiten dat de bevindingen en aanbevelingen van de Europese Rekenkamer in het kader van de RRF inzake traceerbaarheid en transparantie onderdeel zullen vormen van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Becker, Krul, Hoogeveen en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 4 (36866).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het verminderen van de regeldruk voor bedrijven en inwoners van de Europese Unie een van de speerpunten is van het meest recente werkprogramma van de Europese Commissie;
overwegende dat ondanks dit speerpunt er nog te vaak wetgevingspakketten worden gepresenteerd die de regeldruk juist vergroten;
verzoekt de minister om in Europa een voortrekkersrol te spelen bij het smeden van een kopgroep met als doel het identificeren, vereenvoudigen en schrappen van regels,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Becker.
Zij krijgt nr. 5 (36866).
Mevrouw Becker (VVD):
Ik wil de minister-president en de minister zeer danken voor hun aanwezigheid hier, terwijl we volgende week dinsdag alweer met elkaar het debat hebben over de Europese Raad; het zijn Europese weken. Zeer veel dank voor de toezeggingen over een brief over externalisering van migratie en over de AI Act en de CLOUD Act. Ik zou ook nog willen meegeven: heb inderdaad geen haast op het MFK, maar hou de lijn vast zoals die vanavond is toegelicht.
Ik wil mijn laatste zeven seconden gebruiken om mijn collega Azmani, met wie ik vanavond het genoegen heb gehad om dit samen te mogen doen, te bedanken. Ik wil hem zeer veel succes wensen. Hij is ooit dit parlement uit gegaan omdat hij zijn migratieagenda verder wilde brengen in Brussel en ik hoop dat hij dat komende week met zeer veel steun kan doen, door de Terugkeerverordening aan te laten nemen.
De voorzitter:
Dank u wel. Heeft de heer Azmani behoefte aan een tweede termijn? Dat is het geval. Ga uw gang. Wat zegt u?
De heer Azmani (EP/VVD):
Ik zei: dat ga ik samen met onder anderen Jeroen Lenaers doen. Dat is ook heel goed.
Ik wil vooral het kabinet danken voor de beantwoording en inderdaad ook heel veel wijsheid en succes toewensen met de belangrijke onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader, het MFK, maar ook met de uitdagingen waar we voor staan.
Er is al één motie gericht op de competentie en de concurrentiekracht als het gaat om deregulering. Ik denk echt, kijkend naar hoe die agenda in het begin van het jaar liep en hoe die agenda nu loopt, dat daar nog wel wat aanzetten naartoe gedaan mogen worden vanuit Nederland. Er moet echt krachtiger met de kopgroep naar worden gekeken, zodat niet alleen de Commissie aan slag is. Die keurt dan namelijk toch het eigen vlees.
Mijn tweede onderdeel is migratie. Ik heb de premier goed gehoord. Ik heb natuurlijk ook mogen lezen dat de verantwoordelijke minister op migratie ook actief aan de slag is met de lidstaten. Ik zou daar nog wel één lidstaat aan willen toevoegen, die ook past binnen zijn politieke familie, en dat is Griekenland. Kijkend naar de laatste evaluatie van de implementatie van het Migratiepact loopt dat land behoorlijk achter. Ik hoef niet uit te leggen hoe cruciaal Griekenland is. Mijn verzoek is dan ook om te kijken wat er moet gebeuren om dat land ook op de rit te krijgen, en gebeurt dat niet, dan kan dat ook niet zonder gevolgen zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Van der Lee namens PRO.
Ga uw gang.
De heer Van der Lee (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Europese Unie haar democratische waarden, vrije markt en maatschappelijke verworvenheden in toenemende mate moet beschermen tegen het geopolitieke handelen vanuit Rusland, China en de VS;
overwegende dat Nederland er daarom niet omheen kan om geostrategische belangen te betrekken bij besluiten over de uitbreiding van de Europese Unie;
constaterende dat de geostrategische dimensie geen expliciet onderdeel is van de uitgangspunten van het Nederlandse EU-uitbreidingsbeleid;
verzoekt de regering om niet alleen de uitgangspunten "strikt, fair en betrokken" te hanteren bij het Nederlandse EU-uitbreidingbeleid, maar hier het uitgangspunt "geostrategisch" expliciet aan toe te voegen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Lee.
Zij krijgt nr. 6 (36866).
De heer Van der Lee (PRO):
Ik wil de premier en de minister van Buitenlandse Zaken hartelijk danken en ik wil ook de collega's van het Europees Parlement en uit dit parlement danken voor een boeiend debat.
Op het punt van het MFK gaan we nog vaak de degens kruisen. Ik had overigens graag de motie op stuk nr. 4 van mevrouw Becker, de eerste, mee willen tekenen, want ook ik vind het heel belangrijk dat we traceerbaar kunnen controleren wat er met Europese middelen gebeurt, tot op het niveau van de bonnetjes, maar ook op het niveau van kijken welke resultaten nou worden behaald.
De voorzitter:
Kan mevrouw Becker daarmee instemmen?
Mevrouw Becker (VVD):
Ja, graag zelfs. We hebben laatst al samen een motie over uitbreiding en het versterken van dat proces ingediend. Deze motie dienen we nu ook samen in: het moet niet gekker worden! Laten we dat doen.
De heer Van der Lee (PRO):
Nu begrijpt mevrouw Becker natuurlijk wel dat mijn constructieve opstelling in dezen een oproep bevat om ook naar de andere kant te kijken. Die grote uitdagingen, ook geopolitiek, die ook de VVD noemt en die het kabinet noemt, en de inzet op modernisering, die we delen, kunnen alleen slagen als we op een gegeven moment ook een wortel hebben. Dat betekent ook in een nettobetalerspositie bewegen, en niet te laat.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Stöteler namens de PVV in tweede termijn.
De heer Stöteler (PVV):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister van Buitenlandse Zaken voor het beantwoorden van de vragen.
Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt het kabinet de aanbevelingen in het kader van het Europees semester retour afzender te sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stöteler.
Zij krijgt nr. 7 (36866).
De heer Stöteler (PVV):
Motie nummer twee, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt het kabinet in Europees verband te pleiten voor beëindiging van het verhuiscircus van het Europees Parlement en derhalve het Parlement permanent in Straatsburg te huisvesten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stöteler en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 8 (36866).
Dank u wel, meneer Stöteler. Het woord is aan de heer Krul namens het CDA.
De heer Krul (CDA):
Voorzitter. Eén motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Commissievoorzitter Von der Leyen en de Hongaarse premier Magyar op 29 mei jongstleden een politiek akkoord hebben gesloten over de rechtsstaathervormingen en maatregelen om corruptie te bestrijden die noodzakelijk zijn voor het deblokkeren van EU-middelen;
constaterende dat de Hongaarse regering op 10 juni jongstleden een omvangrijk pakket aan wetgeving bij het parlement heeft ingediend om te kunnen voldoen aan de met de Commissie gemaakte afspraken;
constaterende dat Hongarije nog de benodigde hervormingen moet doorvoeren om alle zorgen in het kader van de artikel 7-procedure weg te nemen;
verzoekt de regering Hongarije aan te moedigen om aan de met de Commissie gemaakte afspraken te voldoen, de noodzaak voor verdere duurzame hervormingen te benadrukken en hen hier waar nodig bij te ondersteunen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Krul en Dassen.
Zij krijgt nr. 9 (36866).
De heer Krul (CDA):
Voorzitter. Ik dank de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken voor de beantwoording. Complimenten kunnen ze nog verdienen, want ik heb nog één vraag die volgens mij niet is beantwoord. Die ging over het ESF+. Ik hoop dat ik daar nog antwoord op krijg. Dan kunnen ze nog complimenten krijgen. Mijn enthousiasme kent echt geen grenzen bij de gedachte dat wij dit dinsdag, zodra we hier weer een plenair debat hebben, gewoon nog een keer opnieuw gaan doen. Ik heb daar nu al heel veel zin in.
De voorzitter:
We kijken er nu al naar uit.
De heer Krul (CDA):
Zeker. Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Lenaers. U heeft het woord voor uw tweede termijn.
De heer Lenaers (EP/CDA):
Dank u, voorzitter. Dank voor de gastvrijheid en het mooie debat. Ik denk dat de toekomst van de Europese Unie een gedegen debat verdient dat verdergaat dan de clichés en de simpele vraag of we voor of tegen Europa zijn. Ik heb daar vandaag voldoende aanknopingspunten voor gezien. Ik denk ook dat deze Kamer daar een hele belangrijke rol in speelt, juist vanwege haar zichtbaarheid misschien nog wel meer dan het Europees Parlement. Dank daarvoor. Dank ook voor de beantwoording van de vragen.
De premier zei terecht dat we trots mogen zijn wat betreft de Nederlandse steun aan Oekraïne. Ik denk dat het heel belangrijk is dat juist die steun veel meer breed gedragen wordt door andere EU-lidstaten, maar zeker ook door andere NAVO-landen. De NAVO-top van begin juli is daar een ontzettend belangrijk moment in. Ik hoop oprecht dat Nederland daarin een hele belangrijke rol kan spelen om dat tot een succes te maken.
Ik steun de opstelling wat betreft het MFK volledig, en ook de vraag — dat zijn de twee belangrijkste aspecten — over de hoogte van de begroting, juist om ervoor te zorgen dat de Nederlandse bijdrage binnen de perken blijft, maar zeker ook wat betreft de besteding van het geld. Zorg dat die Nederlandse prioriteiten niet ten koste gaan van alleen een discussie over de hoogte van de begroting.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Hoogeveen namens JA21 in de tweede termijn.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank u, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Commissie momenteel bestaat uit één Eurocommissaris per lidstaat, ieder met eigen verantwoordelijkheden en een eigen kabinet;
overwegende dat het Verdrag van Lissabon reeds ruimte biedt om de Europese Commissie kleiner en efficiënter in te richten;
verzoekt de regering zich er in EU-verband voor in te zetten dat bij discussies over de toekomstige inrichting van de Europese instellingen nadrukkelijk wordt gekeken naar verkleining van de Europese Commissie en een efficiëntere portefeuilleverdeling,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Hoogeveen, Dassen en Vermeer.
Zij krijgt nr. 10 (36866).
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik heb nog één vraag. Ik kon die in mijn betoog in de eerste termijn niet meer stellen vanwege tijdgebrek, maar ik wilde het toch nog even vragen. Het gaat over IJsland. We hadden het over toetreding. Er is in augustus een referendum in IJsland over toetreding. Visserij is daarbij een groot onderwerp. Ik zag dat Eurocommissaris Costas Kadis heeft gezegd dat carve-outs voor het gemeenschappelijk visserijbeleid voor IJsland mogelijk zouden zijn en dat dat ook onderdeel kan zijn van de onderhandelingen met het land. Mijn vraag is eigenlijk wat het standpunt van het kabinet daarin is. Zijn wij voor gelijke monniken, gelijke kappen in het gemeenschappelijke visserijbeleid? Het kan natuurlijk niet zo zijn dat als een land lid wordt van de Europese Unie, het in het gemeenschappelijke visserijbeleid, dat daar echt een fundamenteel onderdeel van is, wel de lusten maar niet de lasten deelt.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Dekker namens Forum voor Democratie in de tweede termijn.
De heer Dekker (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Nederland al jarenlang een van de grootste nettobetalers is van de EU;
overwegende dat het merendeel van de EU-lidstaten netto-ontvanger is van de EU;
constaterende dat het bij meerderheidsbesluitvorming in de EU mogelijk is dat nettobetaler Nederland wordt weggestemd door de meerderheid van netto-ontvangers;
overwegende dat het voor ons land essentieel is om EU-besluitvorming die direct ingaat tegen het Nederlandse belang te kunnen tegenhouden;
constaterende dat het tegenhouden van voor Nederland ongunstige besluiten in sommige gevallen alleen kan door een Nederlands veto te gebruiken;
verzoekt de regering om te bepleiten vetorecht binnen de EU zo veel mogelijk te behouden en meerderheidsbesluitvorming binnen de EU zo veel mogelijk te beperken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dekker.
Zij krijgt nr. 11 (36866).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Van Baarle voor zijn inbreng namens DENK.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties over de beloningen en vergaderkosten.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het kader van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader opnieuw wordt gesproken over de uitgaven en prioriteiten van de Europese Unie (EU);
constaterende dat Europarlementariërs, Eurocommissarissen en andere Europese politieke ambtsdragers binnen de EU naast hun hoge salaris aanspraak kunnen maken op diverse vergoedingen, waaronder kostenvergoedingen, dagvergoedingen en reisvergoedingen;
overwegende dat deze stapeling van salarissen en vergoedingen moeilijk uit te leggen is aan burgers die te maken hebben met hoge kosten voor boodschappen, huur en energie;
verzoekt de regering om zich in Europees verband, zoals bij de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader, in te zetten voor een versobering van vergoedingen voor politieke ambtsdragers binnen de EU,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 12 (36866).
De heer Van Baarle (DENK):
De tweede motie. De heer Stöteler had volgens mij een motie ingediend over het stoppen van het vergadercircus, maar daar blijkt een verdragswijziging voor nodig te zijn, of een creatieve variant. Zolang dat dus niet gebeurt, kan deze motie uitgevoerd worden.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de maandelijkse verhuizing tussen Brussel en Straatsburg jaarlijks tientallen miljoenen euro's kost;
overwegende dat in het kader van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader kritisch moet worden gekeken naar versobering van de kosten van Europese instituties;
verzoekt de regering om zich in Europees verband, zoals bij onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader, actief in te zetten voor het terugdringen van de verhuiskosten van het Europees Parlement tussen Brussel en Straatsburg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 13 (36866).
De heer Van Baarle (DENK):
Tot slot, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering te bepleiten dat alle EU-verdragen met Israël worden opgeschort en Israël wordt uitgesloten van EU-fondsen en EU-samenwerking,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 14 (36866).
Dank u wel.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank, voorzitter. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er signalen zijn van toenemende onveiligheid en antisemitische incidenten op universiteiten in de Europese Unie;
overwegende dat instellingen die gebruikmaken van publieke Europese middelen, waaronder Horizon Europe, moeten kunnen aantonen dat zij er alles aan doen om sociale veiligheid op hun instelling voldoende te waarborgen;
verzoekt de regering in Europees verband te bepleiten dat bij de toekenning van Horizon Europe-middelen strikter wordt getoetst op de aanwezigheid en naleving van antisemitismebeleid binnen kennisinstellingen, en te verkennen hoe ernstige en aantoonbare tekortkomingen kunnen leiden tot tijdelijke opschorting of beperking van projectgelden totdat verbeteringen zijn doorgevoerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Vermeer en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 15 (36866).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er in de nasleep van 7 oktober 2023 toenemende kritiek is op samenwerking met Israëlische kennisinstellingen, waaronder oproepen tot boycots;
overwegende dat geen enkele Palestijn gebaat is bij een boycot van Israëlische kennisinstellingen, terwijl zo'n boycot wel vooruitgang belemmert op het terrein van medische innovaties en klimaatbestendige landbouw;
overwegende dat Horizon Europe gebaseerd is op internationale samenwerking en open wetenschappelijke uitwisseling;
verzoekt de regering in Europees verband te bepleiten dat er geen Horizon Europe-middelen kunnen worden toegekend aan consortia of instellingen die samenwerking met Israëlische kennisinstellingen of onderzoekers categorisch uitsluiten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Vermeer en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 16 (36866).
Heel snel nog, meneer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Commissie dit jaar een stresstest uitvoert voor de Vogel- en Habitatrichtlijn;
overwegende dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen lidstaten in de uitwerking van de Vogel- en Habitatrichtlijn, onder meer wat betreft de beoordeling van de stikstofdepositie van projecten;
overwegende dat het vereiste dat toestemmingverlening alleen gedaan kan worden als met (wetenschappelijke) zekerheid vastgesteld is dat geen sprake is van negatieve effecten op de natuur, moeilijk werkbaar blijkt te zijn bij een stapeling van minimale projectbijdragen en dynamische ecosystemen;
overwegende dat er onduidelijkheid is over de positie van bestaand gebruik;
verzoekt de regering proactief inbreng te leveren voor de genoemde stresstest, inclusief de genoemde knelpunten en voorstellen voor verbetering, en aan te dringen op daadwerkelijke herziening van de Vogel- en Habitatrichtlijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Flach, Vermeer en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 17 (36866).
Meneer van Dijk!
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank, voorzitter!
De voorzitter:
Wat denkt u dat ik ga zeggen?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Nou, dat u graag wilt meetekenen!
(Hilariteit)
De voorzitter:
Als u het de volgende keer binnen de tijd doet, dan zal ik het overwegen. Het woord is aan de heer Ruissen, eveneens namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.
De heer Ruissen (EP/SGP):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil u om te beginnen danken voor de gastvrijheid. Dank aan het kabinet voor de beantwoording van de vragen. Dit debat was me een genoegen. Het was echt een debat op de inhoud. Ik heb ook wel geconstateerd dat ik het op een aantal punten toch wel fundamenteel oneens ben met het kabinet, onder andere wat betreft opheffing van het vetorecht. Ik zou zeggen: niet doen, want in mijn beleving gooi je echt het kind met het badwater weg.
Voorzitter. Ik wil vooral nog een streep zetten onder de noodzaak van een vereenvoudigingsagenda. Ik zie dat de Europese Commissie daar best mee bezig is, aan de hand van diverse omnibuspakketten. Echter, de Commissie is daarin zeer selectief. Ik zie met name op het visserijdossier en ook rond de Nitraatrichtlijn een Commissie waarbij de hakken in het zand gaan. Daarom toch de oproep vanavond aan het kabinet: help ons om druk uit te oefenen op de Europese Commissie, om met name de Nitraatrichtlijn te gaan herzien en om met voorstellen te komen voor een omnibus heel specifiek voor de visserij. Ik denk dat we de betreffende sectoren daarmee een enorme dienst bewijzen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Smit namens de BBB.
De heer Smit (EP/BBB):
Voorzitter, van harte dank voor uw gastvrijheid hier.
Over de Europese meerjarenbegroting het volgende. GLB en Visserijfonds moeten hersteld, visserij- en landbouwsteun geoormerkt.
Voorzitter. In de huidige meststoffencrisis ligt er de kans om de verouderde Nitraatrichtlijn open te breken, die dierlijke mest onnodig stigmatiseert en peperdure kunstmest bevoordeelt. Kabinet en Commissie lijken te blijven stilstaan. De krimpagenda tegen onze veehouderij en visserij lijkt vooralsnog belangrijker dan de echte milieuwinst. De Europese Commissie gaf zelfs toe dat de aanlandplicht niet werkt, maar aanpassing blijft uit. De EU-mammoettanker heeft moeite met keren — niet het roer, maar de kapitein en haar stuurlieden op de brug. Onze boeren, tuinders, vissers en jagers zijn onderdeel van de oplossing.
Voorzitter. Het veto. Het vetorecht is van wezenlijk belang voor de soevereiniteit van lidstaten als Nederland. Zonder vetorecht is er geen confederale unie van landen meer, maar slechts een federale dwangbuis. Maak van Nederland geen provincie en van deze Kamervergadering geen Provinciale Statenvergadering. Er staat te veel op het spel.
Ik dank u hartelijk, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Smit (EP/BBB):
Binnen de tijd!
De voorzitter:
Heel keurig. Het woord is aan de heer Dassen namens Volt.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Unie voor besluiten onder artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie nog altijd grotendeels afhankelijk is van unanimiteit van de lidstaten;
overwegende dat deze unanimiteit het effectief optreden tegen ernstige schendingen van de rechtsstaat binnen de Europese Unie kan belemmeren;
verzoekt de regering zich in EU-verband actief in te zetten voor het afschaffen van de unanimiteitseis binnen artikel 7 en besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid mogelijk maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 18 (36866).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Commissie heeft vastgesteld dat Nederland de Schengen-grenscode niet correct heeft nageleefd en dat de grenscontroles aantoonbaar geen effect hebben gehad op het aantal asielaanvragen;
overwegende dat deze controles de interne markt schaden, de Nederlandse geloofwaardigheid als Europese partner ondermijnen en de Algemene Rekenkamer heeft geconcludeerd dat de opvangproblemen het gevolg zijn van slecht beleid en niet van instroom;
verzoekt de regering de grenscontroles voor de zomer af te bouwen en daarna volledig te stoppen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 19 (36866).
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter. De heer Stöteler had een motie om het naar Straatsburg te brengen; de heer Van Baarle had een motie om daarop te bezuinigen. Ik zal de derde variant invullen. Dan heeft de Kamer alle keuzeopties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europees Parlement maandelijks heen en weer reist tussen Brussel en Straatsburg;
overwegende dat deze verhuizing onnodig en duur is;
verzoekt de regering zich in Europees verband actief in te zetten om te stoppen met verhuizen van Brussel naar Straatsburg, en hiervoor in te zetten op de noodzakelijke verdragswijziging,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 20 (36866).
De heer Dassen (Volt):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u, meneer Dassen. Het woord is aan de heer Van Lanschot, eveneens namens Volt.
De heer Van Lanschot (EP/VOLT):
Dank u wel, voorzitter. In het Europees Parlement richt ik mij vooral op defensie, democratie en digitalisering. Naar aanleiding van dit debat wil ik nog drie korte reflecties met u delen.
Allereerst. Ik juich het van harte toe dat regeringsleiders zich uitspreken voor meer Europese defensiesamenwerking. Maar in de dagelijkse praktijk van de onderhandelingen merk ik dat de Europese Raad alle ambitie tempert en vast blijft zitten in een tunnelvisie, vastgeketend aan nationale belangen. Dat is doodzonde. Laten we er dus voor zorgen dat die ambitieuze woorden van de regeringsleiders ook in de Europese Raad worden omgezet in ambitieuze daden.
Mijn tweede reflectie. Het ging hier heel vaak over het zijn van nettobetaler. Ik wil dan toch een analyse van De Nederlandsche Bank delen. Zij hebben namelijk berekend dat wij per Nederlander per jaar gemiddeld €155 aan de EU betalen. Daar staat tegenover dat wij per Nederlander per jaar gemiddeld €3.000 tot €5.000 meer verdienen. De EU maakt ons rijk! Daar moeten we juist blij mee zijn. Dus stop met dat gedoe over het nettobetalerschap en waardeer dat wij door de EU rijk worden.
Mijn derde reflectie gaat over democratie.
De voorzitter:
Heel kort, heel kort.
De heer Van Lanschot (EP/VOLT):
Ik heb genoten van dit debat. Daar kan de EU volgens mij veel van leren. De debatten in de EU moeten beter, want dan kunnen we de Commissie beter controleren, en dat is goed voor een Europees publiek debat. Laten we ons daar dus allemaal voor inzetten, want daar kan volgens mij iedereen zich in vinden.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Van Lanschot (EP/VOLT):
Dank u wel.
De voorzitter:
Een vraag van mevrouw Keijzer! Nee, dat kan niet. Nee, dat kan niet. Nee, mevrouw Keijzer, het kan echt niet.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Jawel! Een verduidelijkende vraag.
De voorzitter:
EP-leden nemen niet deel aan het debat in de vorm van interrupties. Anders gaan alle leden met terugwerkende kracht dat ook willen. Weet u wat u doet? U heeft nu uw termijn, dan stelt u 'm retorisch.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dit is de tweede termijn. Ik ben in de tweede termijn niet naar voren gekomen. Ik heb geen interruptie gepleegd. Dit is een feitelijke vraag, en dat is mij toegestaan.
De voorzitter:
O! Nou ja, eigenlijk niet. Nee.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Zeker wel!
De voorzitter:
Nee, neeneenee. Het staat de leden van het Europees Parlement vrij om zelf feitelijke vragen te stellen aan de regering dan wel aan leden van de Tweede Kamer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan een punt van orde.
De voorzitter:
Gaat uw gang. Gaat uw gang, want dan is hij voor mij! Ik ben nu heel benieuwd.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat ik nog eens van meneer Krul moet vragen ... Ja, voorzitter, toch even, want het is een prachtig visionair beeld over de Europese Unie en over de Europese defensiesamenwerking, maar zou de heer Van Lanschot zelf in het leger stappen als Ursula von der Leyen zegt dat hij moet gaan vechten?
De voorzitter:
Kunt u het aan, meneer Van Lanschot?
De heer Van Lanschot (EP/VOLT):
Dank u wel voor uw vraag. Kijk, ik heb veel ontzag voor iedereen die zich inzet voor de Nederlandse en andere Europese strijdkrachten. Ik vind het dus terecht dat deze vraag gesteld wordt, want ik denk dat iedere volksvertegenwoordiger die verantwoordelijkheid zeer serieus neemt. Ik zal dat dus ook doen. Op het moment dat het Europees Parlement ... Ja, ik moet een beetje opschieten, maar ik wil graag een genuanceerd antwoord op de vraag geven. Als ikzelf bij Defensie zou werken, dan: ja.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Keijzer voor haar tweede termijn namens de fractie-Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Voorzitter. Toch een beetje sharing, zo'n debat. Ik zou mijn kinderen trouwens niet opofferen aan mevrouw Von der Leyen; laat ik daar duidelijk over zijn. Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het vetorecht binnen de Europese Unie de laatste waarborg is voor lidstaten om nationale belangen te beschermen en te voorkomen dat zij tegen hun wil worden gebonden aan ingrijpende besluiten;
constaterende dat afschaffing of uitholling van dit recht de democratische legitimiteit van nationale parlementen fundamenteel ondermijnt;
verzoekt de regering onder geen enkele omstandigheid, in geen enkele vorm en op geen enkel beleidsterrein in te stemmen met de afschaffing, beperking of uitholling van het vetorecht binnen de Europese Unie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Keijzer en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 21 (36866).
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nog eentje, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Europese ruimtelijke regels en milieuregels door stapeling en overlap de Nederlandse vergunningverlening voor woningbouw, energie, industrie en gebiedsontwikkeling ernstig vertragen en projecten doen stilvallen;
overwegende dat de Europese Milieuomnibus een kans biedt om deze knelpunten op EU-niveau aan te pakken en dat een gerichte derogatie tijdens de bouwfase een proportionele oplossing kan bieden;
verzoekt de regering zich in Europees verband actief in te zetten voor een derogatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Water, Richtlijn Luchtkwaliteit en MER-richtlijn, specifiek voor projecten die bijdragen aan de versterking van onze industrie, energievoorziening, digitalisering, woningbouw en voedselproductie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Keijzer.
Zij krijgt nr. 22 (36866).
Een vervolgvraag van mevrouw Becker.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Is dat toegestaan, voorzitter?
De voorzitter:
U bent een Nederlandse parlementariër, dus ja.
Mevrouw Becker (VVD):
Anders had ik een punt van orde gemaakt, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, dat is de nieuwe vorm.
Mevrouw Becker (VVD):
Ja. Mevrouw Keijzer stelde hier net de vraag of mensen hun kinderen of zichzelf naar het leger van mevrouw Von der Leyen zouden sturen. Zij diende net een motie in waarin zij het kabinet eigenlijk oproept om niet mee te gaan in het afschaffen van het veto binnen de Europese Unie. Daar wil ik dan aan het einde van dit debat toch even een opmerking over maken. Want er wordt door meerdere sprekers hier vandaag eigenlijk gedaan alsof het aan de orde zou zijn dat er een Europees leger in de maak is waarbij we zelf niet meer gaan over wie er wordt uitgezonden; of alsof er een afschaffing van het veto in de maak is als het gaat over allerlei zaken, bijvoorbeeld over uitbreiding, over het MFK, over allerlei interne aangelegenheden van de Europese Unie. Dat is gewoon niet waar. Het enige wat wij voorstellen vanuit de coalitie is om te kijken naar het veto op het buitenlands en veiligheidsbeleid. Dus is mevrouw Keijzer bereid om zorgvuldiger te formuleren, zodat mensen geen angst aangejaagd wordt over dingen die niet aan de orde zijn?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Het buitenlands beleid en het veiligheidsbeleid gaan uiteindelijk natuurlijk ook over defensie. We weten met z'n allen hoe dit in de Europese Unie werkt: het is stap voor stap voor stap steeds meer zeggenschap kwijtraken. In mijn eerste termijn zat de redenering opgenomen dat dit soort afwegingen juist verbonden moeten zijn aan democratisch gekozen organen, die niet alleen democratisch zijn in het proces maar ook democratisch zijn in termen van nabijheid, verbondenheid, herkenbaarheid en gemeenschappelijke taal. Dan voel je het wanneer je dit soort besluiten neemt. Dat is waarom ik zo terughoudend ben ten aanzien van het veto, want ik vind dat dat niet zonder reden is. Ik weet mijn eerste artikel 100-brief nog goed te herinneren. Het is niet zonder reden dat dat aan nationale parlementen is. Dus ik vind dat we het daar wel met elkaar over moeten hebben, en daarom heb ik ook deze motie ingediend. Eerder hebben dit soort moties trouwens meerderheden gekregen met ook de steun van de VVD. Dus ik vertrouw erop dat dat dinsdag ook weer gebeurt.
De voorzitter:
Ik had gezegd één interruptie, mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Maar voorzitter, toch even. Mevrouw Keijzer heeft het hier nu over artikel 100. Dat is niet aan de orde. Ik vind dat we, als we in Nederland onze verantwoordelijkheid nemen met alles wat er geopolitiek gebeurt in de wereld en juist onze jongens en meisjes veilig willen houden, niet het draagvlak voor de EU laten afkalven door verhalen te houden die niet aan de orde zijn.
De voorzitter:
Punt gemaakt.
Mevrouw Becker (VVD):
Artikel 100 is hier en niet in Brussel.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nog wel. Dat wil ik graag zo houden. Daarom vind ik dat je geen stappen moet zetten in het verder weggeven van het vetorecht en al helemaal niet op onderwerpen die uiteindelijk gaan over leven en dood.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors tot 22.35 uur voor de beantwoording van het kabinet of tot zoveel eerder als mogelijk.
De vergadering wordt van 22.24 uur tot 22.35 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de minister van Buitenlandse Zaken voor de appreciatie van de ingediende moties.
Minister Berendsen:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 2: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 4: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 5: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 6: oordeel Kamer. Daarbij wil ik wel aantekenen dat het geostrategisch perspectief nooit ten koste mag gaan van het strikt zijn op de criteria. Als ik de motie zo mag lezen, dan geef ik haar oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dat mag van de heer Van der Lee.
Minister Berendsen:
Dan hoeven wij het debat daar ook niet meer over te voeren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 7.
Minister Berendsen:
De motie op stuk nr. 7 ontraden we met verwijzing naar het debat.
De motie op stuk nr. 8 ontraden we met verwijzing naar het debat.
De motie op stuk nr. 9: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 10: oordeel Kamer. Dit nemen we mee in de discussie over de noodzakelijke hervormingen.
De motie op stuk nr. 11 ontraden we. We hebben in vele vormen uitgebreid gedebatteerd over het vetorecht.
De motie op stuk nr. 12 geven we oordeel Kamer. Het kabinet zet zich in voor de verlaging van het volume van het MFK in pijler 4. In dat kader kijken we naar de administratieve kosten.
De motie op stuk nr. 13 geef ik, ook in het kader van pijler 4, oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 14 ontraden we met verwijzing naar het debat en de vele debatten die we daarover gevoerd hebben.
De motie op stuk nr. 15 ontraden we ook. Die gaat over de koppeling tussen Horizon en antisemitisme. Het belang van het krachtig bestrijden van antisemitisme en het tegengaan van discriminatie van Israëlische of Joodse onderzoekers en instellingen onderschrijven we natuurlijk. Tegelijkertijd zijn de kennisinstellingen onafhankelijk. De keuze om samenwerkingsverbanden aan te gaan en op te schorten valt binnen de institutionele autonomie van een instelling. Dat betekent dat we deze motie ontraden. Datzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 16.
De motie op stuk nr. 17 ontraden we. Die stresstest kijkt of de richtlijn fit for purpose is of dat de regels moeten worden aangepast en hoe. Natuurlijk gaat Nederland een flinke bijdrage geven op het gebied waar het knelt met de kennis die wij hebben op dit gebied. Op basis van de resultaten van de stresstest zal Nederland bekijken of herziening van de richtlijn nodig is.
De motie op stuk nr. 18 is ontijdig. Dat vergt een verdragswijziging en dat is nu niet aan de orde. Het is wel onderdeel van de Nederlandse inzet op de lange termijn conform het coalitieakkoord in het kader van EU-hervormingen en de toekomst van Europa.
De motie op stuk nr. 19 over de grenscontrole ontraden we. Het kabinet heeft op 8 mei gecommuniceerd dat de binnengrenscontroles tot uiterlijk eind september lopen. De Koninklijke Marechaussee gaat daarna over op het verruimde juridische kader voor het grenstoezicht waarmee de KMar meer ruimte en flexibiliteit krijgt voor het toezicht in de grensstreek.
De motie op stuk nr. 20 ontraden we, want we zetten op dit moment niet in op verdragswijziging.
De motie op stuk nr. 21 gaat wederom over het vetorecht. Deze ontraden we onder verwijzing naar het debat.
De motie op stuk nr. 22 ontraden we ook. Het kabinet kijkt zeker naar knellende wetgeving in de EU, maar deze is zo breed geformuleerd dat we daar op dit moment geen ja op kunnen zeggen.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag, mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Ik heb een verduidelijkende vraag over het stemadvies, en daarna heb ik nog een vervolgvraag, als dat mag. Het gaat over het stemadvies dat de minister net gaf over de Vogel- en Habitatrichtlijn zodat mijn fractie kan beoordelen wat we gaan stemmen.
De voorzitter:
Welke motie?
Mevrouw Becker (VVD):
Dat is de motie van Diederik van Dijk.
De voorzitter:
Dat is de motie op stuk nr. 17.
Mevrouw Becker (VVD):
Ja. Waarom geeft de minister deze niet het oordeel ontijdig? Hij geeft aan eerst te willen afwachten wat eruit komt en afhankelijk daarvan te willen beoordelen of hij de richtlijn wil aanpassen.
Minister Berendsen:
Er staat in de motie: "en aan te dringen op daadwerkelijke herziening van de Vogel- en Habitatrichtlijn". Zoals gezegd, wij leveren onze input voor de stresstest voor de herziening. Dit betekent dat als we die uitspraak nu al doen, we die ontraden.
De voorzitter:
En uw vervolgvraag?
Mevrouw Becker (VVD):
Dan is mijn vervolgvraag een andere. Ik heb in het debat vragen gesteld over kennisveiligheid. De minister gaf aan dat ik op mijn wenken bediend ben, omdat daarover een brief naar de Kamer is gestuurd. Ik heb daar net in de schorsing even naar gekeken en ben me doodgeschrokken. In de brief staat dat we buitenlandse wetenschappers toch niet gaan screenen op spionagerisico, ook niet als zij uit landen komen waar we wel een hoog spionagerisico zien. Dat is een besluit van het kabinet waar ik erg van schrik. Ik zou voor de zomer duidelijkheid willen hebben waarom hiertoe is besloten en hoe het eventueel wel kan. Ik begrijp uit berichtgeving dat er na de zomer eventueel verder naar gekeken kan worden. Ik vind dit dusdanig ernstig dat we hier voor de zomer duidelijkheid over zouden moeten hebben. Kan de minister dat toezeggen?
Minister Berendsen:
Als een brief naar de Kamer is gestuurd, kan ik me voorstellen dat die in een betreffend commissiedebat aan de orde gesteld wordt. Dan kan deze vraag ook worden beantwoord.
De voorzitter:
We zien elkaar dinsdag ook weer, gaf mevrouw Becker zelf aan. Mevrouw Becker, echt tot slot dan.
Mevrouw Becker (VVD):
Ja. Hier is nogal wat aan de orde. We hebben het de hele dag over de geopolitieke urgentie. We hebben hierop ook een inzet in de EU. Als u mij toestaat, wil de minister dan ieder geval in het kabinet doorgeleiden dat het verzoek wat mij betreft is om ons nog voor de zomer te informeren over hoe dan wel en of dit niet toch op een andere manier opgelost kan worden? Want dit is vrij urgent voor onze kenniseconomie en onze veiligheid.
Minister Berendsen:
Dat doe ik. Ik zal binnen het kabinet bij de betreffende minister naar het juiste moment zoeken om die informatie te delen.
Voorzitter. Dan had ik nog twee openstaande vragen. Het Europees Sociaal Fonds plus is het voornaamste sociale investeringsfonds van de EU. De vraag was hoe we kijken naar het financieren van die nationale competenties vanuit het EU-budget. Het kabinet kijkt, zoals altijd, naar de subsidiariteit, ook in het kader van dit fonds.
Voorzitter. De heer Hoogeveen vroeg naar de carve-out voor IJsland voor de visserij. Op dit moment is die vraag voorbarig, want er komt eerst een referendum in IJsland over de vraag of zij de onderhandelingen over het lidmaatschap überhaupt gaan hervatten. Vervolgens weten wij dat de visserij een struikelblok was tijdens de vorige onderhandelingen. Ik kan niet vooruitlopen op hoe de onderhandelingen zullen verlopen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik denk dat het wel belangrijk is om het Nederlandse standpunt naar voren te brengen, aangezien er een campagne is in IJsland waarin als argument vanuit de Europese Commissie wordt gebruikt: ja, die flexibiliteit is mogelijk. Dan lijkt het mij wel goed als duidelijk is dat Nederland zegt: wij komen op voor onze eigen vissers en als een land lid wordt van de Europese Unie, doet het dus mee aan het gemeenschappelijke visserijbeleid met één markt, één regelboek en geen uitzonderingen.
Minister Berendsen:
Wij mengen ons als kabinet niet in de campagne die in IJsland plaatsvindt. Wij beoordelen straks de zaken en de onderhandelingen die gaan lopen en het eventuele resultaat dat daaruit komt.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dan is het toch de Europese Commissie die zich bemoeit met deze campagne? Het is toch ongehoord dat de Europese Commissie zegt dat er mogelijkheden zijn om carve-outs te krijgen in het gemeenschappelijk visserijbeleid? Dat is nog nooit eerder gebeurd. Het lijkt me heel goed als de Nederlandse regering hier wél een standpunt over inneemt, aangezien de Commissie dat in het debat slingert.
Minister Berendsen:
Ik heb mijn antwoord gegeven. Ons kabinet gaat daar geen uitspraken over doen terwijl die campagne loopt. In algemene zin wil ik wel zeggen dat we IJsland natuurlijk graag verwelkomen in de Europese Unie. Laten we met z'n allen de Europese Unie vooral bouwen en hervormen, zodat IJsland, Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk allemaal meedoen.
De heer Stöteler (PVV):
Toch even duidelijk stellen. Is het dan niet gewoon politieke beïnvloeding als de Europese Commissie een campagne voert in IJsland?
Minister Berendsen:
Ik weet niet op welke manier de Europese Commissie een campagne aan het voeren is in IJsland.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de beantwoording van het kabinet en ook aan het einde van dit debat over de Staat van de Europese Unie.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik dank de Europarlementariërs voor hun aanwezigheid vandaag. Ik wens ze namens de Tweede Kamer een behouden reis terug naar Straatsburg, Brussel of elders. Ik dank de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken voor hun aanwezigheid.
Ik sluit de vergadering van 11 juni 2026.
Sluiting
Sluiting 22.44 uur.