Tweede Kamer, 81e vergadering

  • Begin10:15
  • Sluiting00:00
  • StatusOngecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Paulusma

Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:

De voorzitter:

Ik open de vergadering van 11 juni 2026.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Hamerstukken

Hamerstukken

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Goedkeuring van de op 15 november 2023 te Apia, Samoa tot stand gekomen Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de leden van de Organisatie van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, anderzijds (Trb. 2024, 47) (36857);

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag (36911);

het wetsvoorstel Wijziging van de Bankwet 1998 in verband met de invoering van een periodieke rapportageverplichting betreffende hypothecaire leningen ten behoeve van de financiële stabiliteitstaak en statistische taak van DNB (Wet rapportage hypotheekmarkt DNB) (36846).

Deze wetsvoorstellen worden zonder beraadslaging en, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.

Gezondheidsraad d.d. 16 juni 2026

Gezondheidsraad d.d. 16 juni 2026

Aan de orde is het tweeminutendebat Gezondheidsraad d.d. 16 juni 2026 (21501-31, nr. 820).

De voorzitter:

Dan is aan de orde het tweeminutendebat Gezondheidsraad. Ik heet de leden van de Kamer van harte welkom. Ik heet de minister in vak K eveneens van harte welkom. Ik nodig graag de eerste spreker uit voor haar bijdrage. Dat is mevrouw Wendel, die spreekt namens de fractie van de VVD. Die niet spreekt namens de fractie van de VVD, excuus. Dan is mevrouw Van Meetelen als eerste. Zij spreekt namens de PVV-fractie.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Dank, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat volksgezondheid, preventiebeleid, leefstijlbeleid, screening en de inrichting van het zorgstelsel nationale bevoegdheden zijn;

overwegende dat Europese samenwerking niet mag leiden tot Europese sturing of sluipende bevoegdheidsoverdracht;

verzoekt de regering zich in Europese gezondheidstrajecten te verzetten tegen iedere maatregel die nationale zeggenschap over zorg, preventie, screening, geneesmiddelenbeleid of de inrichting van het Nederlandse zorgstelsel direct of indirect aantast,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.

Zij krijgt nr. 822 (21501-31).

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Dan nog een aanvullende opmerking. De minister zegt dat zij de internationale ontwikkelingen volgt en Europees samenwerkt, maar Nederlandse patiënten hebben er niets aan als zij straks achteraan staan bij de apotheek of later toegang krijgen tot geneesmiddelen. Andere landen brengen de risico's van het Amerikaanse MFN-beleid, het "most favoured nation"-principe, wel actief in kaart. We hebben er al een keer om gevraagd. Waarom weigert deze minister nog steeds een concrete impactanalyse voor Nederland te maken? Graag alsnog een toezegging. Graag ook een toezegging dat de Kamer voortaan vooraf en tijdig wordt geïnformeerd wanneer Europese voorstellen gevolgen kunnen hebben voor nationale bevoegdheden.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Synhaeve, die spreekt namens de fractie van D66.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat momenteel de Europese tabakswetgeving herzien wordt;

constaterende dat een AI-tool van tabaksfabrikant Philip Morris bezwaarteksten schrijft tegen tabakswetgeving voor burgers die op de site van de Europese Commissie ingediend worden;

constaterende dat ook andere tabaksfabrikanten zoals British American Tobacco van een vergelijkbare AI-tool gebruikmaken;

overwegende dat burgers hiermee grootschalig tot doorgeefluik van het commerciële standpunt van de tabaksfabrikant worden gemaakt, wat de waarde van burgerparticipatie ondermijnt;

verzoekt de regering aan te dringen bij de Europese Commissie om de inbrengen van deze AI-lobby-tool kritisch te bekijken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Oosterhuis en Krul.

Zij krijgt nr. 823 (21501-31).

Dank u wel. Dan gaan wij nu luisteren naar de heer Claassen, die spreekt namens de Groep Markuszower.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Twee baanbrekende moties voor de Kamer. De eerste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Groeiplan MedTech Nederland in 2035 naar de Europese top moet brengen en 11.000 banen, jaarlijks 5 miljard euro extra export en toekomstbestendige zorg oplevert;

constaterende dat de sector dit plan zelf heeft aangeboden en publiek-private samenwerking centraal stelt;

overwegende dat innovatie geen kostenpost is maar een investering die zichzelf terugverdient;

verzoekt de regering in overleg te treden met de minister van Economische Zaken om te bewerkstelligen dat het Groeiplan MedTech als thema wordt omarmd en een haalbare publiek-private bekostiging wordt gevonden en nader uitgewerkt, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 824 (21501-31).

De heer Claassen (Groep Markuszower):

De tweede.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Europese start-ups sinds 2015 25 miljard euro aan durfkapitaal ophaalden, tegenover 219 miljard euro in de VS;

constaterende dat volgens de Europese Investeringsbank en de Commissie investeerders vestiging in de VS vaak als financieringsvoorwaarde stellen, en dat dit de belangrijkste directe reden is om te vertrekken;

overwegende dat Frankrijk en Italië strategische bedrijven beschermen tegen verplaatsing naar het buitenland;

verzoekt de regering alles op alles te zetten om Nederlandse start-ups te behouden, daartoe een gouden aandeel uit te werken voor potentiële disruptieve start-ups en de Kamer binnen zes maanden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 825 (21501-31).

Dank u wel. De heer Krul staat er al klaar voor. Hij spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.

De heer Krul (CDA):

Voorzitter. We zijn vorige week getuige geweest van een nieuw dieptepunt in de manier waarop de tabaksindustrie de samenleving probeert te beïnvloeden: met door AI gegenereerde reclames in de openbare ruimte die mensen oproepen zich te verzetten tegen strengere regels. Het kan niet zo zijn dat de overheid aan de ene kant mensen probeert te helpen om van roken af te komen, en dat de industrie aan de andere kant uit alle macht probeert dat te ondermijnen. We mogen dat niet laten gebeuren. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat tabaksfabrikant Philip Morris campagne voert tegen strengere Europese tabaksregels, via posters in winkelgebieden met een QR-code die voorbijgangers naar een website brengt waar ze AI-gegenereerde bezwaren tegen strengere regels bij de Europese Commissie kunnen indienen;

van mening dat dit een zeer onwenselijke en oneigenlijke vorm betreft van beïnvloeding van beleid door de tabaksindustrie;

overwegende dat door artsen en maatschappelijke organisaties reeds klachten zijn ingediend bij de Reclame Code Commissie, de NVWA en de Autoriteit Persoonsgegevens;

verzoekt de regering zich tegen deze campagne uit te spreken en er in overleg met de verantwoordelijke toezichthouders voor te zorgen dat deze campagne wordt gestopt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Krul, Bikker, Vliegenthart, Wendel, Dobbe en Synhaeve.

Zij krijgt nr. 826 (21501-31).

Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven enkele minuten nodig te hebben voor de appreciatie van de ingediende moties. Ik schors dus voor enkele minuten. Blijf in de buurt.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Gezondheidsraad. Wij zijn toegekomen aan de appreciaties van de ingediende moties. Ik geef daartoe de minister van het harte het woord. Gaat uw gang.

Minister Hermans:

Dank, voorzitter. Ik begin met de motie op stuk nr. 822 van mevrouw Van Meetelen, die oproept om mij te verzetten tegen iedere maatregel die nationale zeggenschap zou verplaatsen. Ik werk in Europa op basis van artikel 168 van het Verdrag. In dat artikel is bepaald dat het optreden van de Unie de verantwoordelijkheid van de lidstaten eerbiedigt met betrekking tot de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en de geneeskundige zorg. Dat betekent dat besluiten over de inrichting van het Nederlandse zorgstelsel primair nationale aangelegenheden zijn. Vanuit dat vertrekpunt werk ik voor Nederlandse belangen. Daarom ontraad ik deze motie. Ik hoef mij niet ergens tegen te verzetten.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 822 wordt ontraden.

Minister Hermans:

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 823 van mevrouw Synhaeve, de heer Oosterhuis en de heer Krul, over het gesprek met de Europese Commissie over de campagne van Philip Morris. Deze motie geef ik oordeel Kamer. Ik ben dinsdag in Luxemburg. Ik zal deze zorgen overbrengen en de Commissie vragen om een heel kritische grondhouding aan te nemen bij de input die is binnengekomen. Ik zal vragen op welke manier je hier nu mee kunt omgaan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 823 krijgt oordeel Kamer. Daar heeft de heer Claassen één vraag over. Gaat uw gang.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik heb eigenlijk meer een technische vraag. Dinsdag gaat de minister daarnaartoe en gaat ze dat zeggen. De motie wordt dinsdag in stemming gebracht. Stel je voor dat de motie het niet haalt en de minister het toch heeft gezegd. Volgens mij is de motie dus eigenlijk ontijdig.

Minister Hermans:

Dit is een beetje hoe het werkt: voordat ministers op pad gaan naar Brussel, kan de Kamer boodschappen, verzoeken en andere opdrachten meegeven. Ik onderschrijf dit punt van harte. Als de motie niet wordt aangenomen, dan sluit ik niet uit dat ik hier toch een opmerking over maak. Misschien is dat een beetje gek, maar ik heb hier ook zelf een opvatting over. Deze motie onderschrijft alleen maar het gesprek dat ik zal voeren.

De voorzitter:

Voor de agenda van eenieder: er wordt vanmiddag gestemd over deze ingediende moties.

Minister Hermans:

Nou, meneer Claassen! Ik geef de motie op stuk nr. 823 oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 823 krijgt oordeel Kamer. Iedereen is op zijn wenken bediend.

Dan de motie op stuk nr. 824.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 824, van de heer Claassen, vraagt mij om in overleg te treden met de minister van Economische Zaken om MedTech als thema te omarmen en een haalbare publiek-private bekostiging te vinden en nader uit te werken, en de Kamer hierover te informeren. Ik ben altijd bereid om in overleg te treden. Sterker nog, ik ben op dit moment in overleg met het ministerie van Economische Zaken over onze MedTech-strategie. Dat gesprek wordt gevoerd en dat zal ik voortzetten. Ik moet daar wel bij zeggen dat ik hier niet de resultaatverplichting kan aangaan dat er een haalbare publiek-private bekostiging wordt gevonden. Dat zal ongetwijfeld onderdeel zijn van het gesprek, maar ik kan niet vooruitlopen op het resultaat. Het gesprek wordt dus gevoerd en daar ga ik mee door. Als ik de motie zo mag interpreteren dat ik die andere elementen onderdeel maak van het gesprek zonder dat ik weet waar het op uitkomt, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven. Anders moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:

Met die interpretatie en toevoeging van de minister krijgt de motie op stuk nr. 824 oordeel Kamer. Ik ga vragen of de heer Claassen daarmee akkoord is.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dan haal ik "een haalbare publiek-private bekostiging wordt gevonden" er gewoon uit. Volgens mij zijn we er dan.

Minister Hermans:

Ja, dat denk ik ook.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 824 wordt aangepast. Daarmee krijgt deze motie oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 825.

Minister Hermans:

Deze motie, over de Nederlandse start-ups en het uitwerken van een gouden aandeel, is ontijdig. Ik deel met de heer Claassen de constatering uit de motie dat het van belang is dat we strategische bedrijven in Nederland behouden, ook voor de borging van onze economische veiligheid. De minister van Economische Zaken en Klimaat werkt op dit moment aan dit thema. Zij komt in het vierde kwartaal met een brief over economische veiligheid. Ik zou de heer Claassen graag willen vragen om daarop te wachten; vandaar dat de motie op stuk nr. 825 ontijdig is.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 825 krijgt de appreciatie ontijdig. Houdt de heer Claassen de motie op stuk nr. 825 aan?

Op verzoek van de heer Claassen stel ik voor zijn motie (21501-31, nr. 825) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Tot slot de motie op stuk nr. 826.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 826 is van de heer Krul, mevrouw Bikker, mevrouw Vliegenthart, mevrouw Wendel, mevrouw Dobbe en mevrouw Synhaeve. Die gaat over dezelfde campagne als de motie-Synhaeve. De motie op stuk nr. 826 krijgt oordeel Kamer. Daarbij moet ik wel zeggen dat de NVWA op de hoogte is van de campagne. Het is natuurlijk aan hen om te beoordelen of er sprake is van een overtreding van het reclameverbod. Als dat zo is, dan zal de NVWA optreden, maar zij rapporteren of communiceren natuurlijk niet over individuele gevallen. Het verzoek uit de motie kan ik steunen, dus deze motie krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 826 krijgt oordeel Kamer.

Minister Hermans:

Ik had nog een vraag van mevrouw Van Meetelen over het "most favoured nation"-beleid. In de vraag zat de suggestie dat dit kabinet zich daar niet op voor zou bereiden of daar niet mee bezig zou zijn. Dat is niet het geval. Ik voer daar gesprekken over. Dat hebben we al gedaan en dat gaat dinsdag ook weer gebeuren. In het verslag over de Gezondheidsraad zal ik daar natuurlijk ook uitgebreid over terugkoppelen.

De voorzitter:

Mevrouw van Meetelen, één vraag.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ja, ik heb één vraag. Het was eigenlijk geen suggestie, want het gaat erom dat wij om een impactanalyse hebben gevraagd. Dat is de exacte vraag die ik aan de minister heb: waarom wil zij die niet uitvoeren? Het liefste wil ik dat die wel wordt uitgevoerd. Daar vroeg ik een toezegging op.

Minister Hermans:

Je kan op verschillende manieren effecten in beeld brengen of daar een beeld bij krijgen, zoals over bepaalde besluiten en besluiten die andere landen nemen. De route die dit kabinet kiest is om hier veelvuldig over in gesprek te zijn. Ik heb er twee weken geleden online een gesprek over gevoerd met mijn Europese collega's. Dinsdagochtend heb ik daar een ontbijtbijeenkomst voor. Ook de lunch gaat hierover. Ik ben dus op allerlei manieren hiermee bezig. Ik vorm mezelf een beeld van de potentiële impact. Natuurlijk bedenken we dan ook wat we als Nederland moeten doen, alleen en in samenwerking met de landen in Europa, om ons hiertegen te beschermen.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Van Meetelen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Voorzitter, afrondend. Ik vind het toch teleurstellend. Het zijn echt grote risico's. Andere landen doen het wel. Ik zou de minister dus nogmaals willen vragen om het wel te gaan doen. Als dat niet het geval is en we lopen tegen dit probleem aan, dan gaan we het zien. Ik heb het in ieder geval nu voor de derde keer gevraagd.

Minister Hermans:

Voorzitter. Ik geef daar op mijn manier invulling aan, zoals ik dat net heb geschetst. Ik zal er in het verslag over de Gezondheidsraad ook op ingaan, dan kan mevrouw Van Meetelen de weging maken of ik haar daarmee voldoende informatie heb gegeven.

De voorzitter:

Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Zoals eerder gezegd, gaan wij vanmiddag stemmen over de ingediende moties. Ik schors voor enkele ogenblikken.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Jeugdzorg en jeugdhulpverlening

Jeugdzorg en jeugdhulpverlening

Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en jeugdhulpverlening.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening. Ik heet alle leden van de Kamer van harte welkom. Ik heet de minister in vak K van harte welkom. Ik heet alle aanwezigen op de publieke tribune van harte welkom. Dan gaan wij starten met de eerste spreker, maar niet voordat ik mevrouw Moinat het woord heb gegeven. Gaat uw gang.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Voorzitter. Ik wil graag een verzoek indienen om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid lopende dit debat alsnog naar de Kamer te halen, aangezien er in het verzoek van mevrouw Van Meetelen ook iets stond over Stadskanaal. Ik kan me dus voorstellen dat inbrengen Justitie zullen raken. Ik hoop dat we daar gewoon een goed debat over kunnen voeren, ook van de kant van Justitie.

De voorzitter:

Ik ga naar de Kamer kijken, uw collega's, om te horen wat ze hiervan vinden en of ze dit verzoek steunen.

De heer Hamstra (CDA):

Voorzitter. Ik snap de inhoudelijke motivatie van mevrouw Moinat. Alleen om nu last-minute op stel en sprong de staatssecretaris deze kant op te halen die zich niet heeft kunnen voorbereiden op dit debat, lijkt me geen wenselijke situatie. Dus als we dat als Kamer voortaan vinden, dan is de regeling van werkzaamheden het moment om dat te doen. Wat ons betreft geen steun.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Ik kan me voorstellen dat de staatssecretaris moeilijk vragen over Stadskanaal kan beantwoorden, omdat we nog niet alle informatie hebben. Ik heb daar in mijn bijdrage ook geen vragen over. Als ze kan, is het prima om aan te schuiven, maar ik kan me voorstellen dat zo'n verzoek op het laatste moment niet goed uitkomt.

De voorzitter:

Dit interpreteer ik als "geen steun"? Dus geen steun.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Vanuit ons ook geen steun voor dit verzoek. In aanvulling op de argumenten die al zijn gedeeld: ik heb in mijn bijdrage juist gefocust op de kwaliteit van de zorg. Dat vond ik ook passend bij het onderwerp van dit debat.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik heb zelf geen vragen aan de staatssecretaris van JenV. Ik zou ervoor willen waken dat we het debat zouden uitstellen omdat we moeten wachten op een bewindspersoon. Ik heb er geen bezwaar tegen als de staatssecretaris dit nu hoort en denkt: ik schuif aan. Dan heb ik daar natuurlijk geen bezwaar tegen.

De voorzitter:

Ik moet wel iets kunnen interpreteren: geen steun of steun.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dan neig ik naar: geen steun.

De voorzitter:

Dus geen steun. Mevrouw Van Meetelen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Voorzitter. Mijn naam werd net genoemd. Het klopt: ook Stadskanaal. Maar ik heb het in mijn inbreng juist over de zorg en de wijze waarop die is ingericht. Ik ga dit verzoek dus niet steunen. Ik had het ook liever van tevoren geweten. Dan hadden we erover kunnen nadenken en hadden wij het tijdens de regeling van werkzaamheden kunnen aanvragen.

Mevrouw Van Groningen (VVD):

Voorzitter. Er zijn inderdaad al veel argumenten gegeven. Het had bij de regeling aangevraagd kunnen worden. Dat is niet gebeurd. Wat ons betreft dus geen steun.

De heer El Abassi (DENK):

Steun. Als de minister aanwezig kan zijn, dan graag.

De voorzitter:

Dan hebben wij ondertussen geteld. Er is geen meerderheid voor het verzoek dat gedaan is.

Dan gaan we nu wel beginnen met het debat. Ik nodig mevrouw Moinat uit voor haar bijdrage. Zij spreekt namens de Groep Markuszower.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank. Wij hebben dit debat aangevraagd naar aanleiding van de onthullingen over jongeren met zware problematiek die tegen enorme kosten worden ondergebracht op vakantieparken. Opnieuw worden we geconfronteerd met een situatie waarbij iedere Nederlander intuïtief aanvoelt dat dit niet normaal is. Kinderen met complexe problematiek horen niet thuis op vakantieparken. Zij horen thuis in een veilige, gespecialiseerde omgeving waar behandelingsstructuur en perspectief centraal staan. Ik wil graag van de minister weten wat de laatste stand van zaken is omtrent deze casus.

Voorzitter. Deze casus rond de vakantieparken vormt het zoveelste symptoom van een jeugdzorgsysteem dat al jaren ontspoort. Cynischer geformuleerd: het systeem functioneert misschien juist uitstekend voor zichzelf, maar de gevolgen zijn inmiddels zo buitensporig en de sector zit zo vol met perverse prikkels, dat men zich serieus moet afvragen of het huidige stelsel nog primair gericht is op het oplossen van problemen, of vooral op het in stand houden van zichzelf. De kosten stijgen ieder jaar verder. Rapporten stapelen zich op. Organisaties groeien. Bestuurders wisselen elkaar af. Maar het ergste is dat kinderen beschadigd achterblijven.

Na ieder drama volgt dezelfde reflex. Wij als Kamer zijn boos. Dan volgt een nieuw onderzoek, een nieuwe evaluatie, een nieuw rapport. Laat ik nu toch wat zout in de etterende wond strooien. Kinderen worden beschadigd doordat volwassenen hun verantwoordelijkheid niet nemen. Medewerkers, behandelaars, leidinggevenden en bestuurders beschikken soms over signalen van onveiligheid, maar handelen onvoldoende, niet, of te laat.

Wanneer kinderen daardoor ernstige schade oplopen, moet duidelijk zijn dat nalatigheid consequenties heeft. Daarom vinden wij dat actief bevorderd moet worden dat instellingen en verantwoordelijke professionals die kinderen door hun handelen of nalatigheid schade berokkenen, strafrechtelijk moeten worden vervolgd. Is de minister het met ons eens dat vrijblijvendheid niet langer een optie is?

Een ander groot probleem betreft de overgang van 18-min naar 18-plus. Vanuit het veld horen wij steeds dezelfde signalen: jongeren verliezen hun vaste begeleider, woonplekken ontbreken en ondersteuning stopt, terwijl de problemen gewoon doorgaan.

Nog schrijnender is dat veel van deze jongvolwassen uiteindelijk terugkeren naar de omgeving waar de problemen ooit zijn ontstaan. De overheid haalt kinderen eerst uit een onveilige situatie, om hen enkele jaren later vanwege woonplektekorten, gebrekkige nazorg en versnipperde regelgeving feitelijk weer terug te sturen naar dezelfde omstandigheden. Daarmee organiseren wij zelf de terugval die wij later tegen veel hogere kosten opnieuw proberen te bestrijden. Daarom vinden wij dat iedere jongere tijdig passend onderdak en een toekomst- en begeleidingsplan moet krijgen en dat noodzakelijke ondersteuning beschikbaar blijft zolang deze nodig is. Hoe kijkt de minister hiertegen aan?

Voorzitter. De gruwelijke zaken in Vlaardingen en onlangs in Stadskanaal hebben laten zien dat meerdere instanties signalen kunnen ontvangen terwijl uiteindelijk niemand daadwerkelijk verantwoordelijk blijkt te zijn. Dit is gewoon onmogelijk. Iedereen is betrokken, maar eigenlijk is niemand aanspreekbaar. Daarom moet bij ernstige signalen van kindermishandeling of acute onveiligheid altijd één eindverantwoordelijk professional worden aangewezen die verantwoordelijk is voor het veiligheidsplan, de opvolging van signalen en de coördinatie tussen alle betrokken instanties. Het vingertjewijzen moet maar eens afgelopen zijn. Ik hoor graag hoe de minister hiertegen aankijkt.

Tot slot. Er ontbreekt nog steeds fundamenteel inzicht in de besteding van miljarden euro's aan jeugdzorg. De samenleving heeft recht op duidelijkheid over welk deel van het geld daadwerkelijk terechtkomt bij kinderen en gezinnen en welk deel verdwijnt in overhead, management, externe inhuur en organisatiekosten. Het kan toch niet zo zijn dat één jeugdige 1,75 miljoen euro kost en nog steeds niet geholpen is?

Ik denk dat we onszelf één vraag moeten blijven stellen. Die vraag is heel eenvoudig: was of is het kind veilig? Als het antwoord daarop nee is — en dat is het eigenlijk — moet het systeem veranderen. Dan moeten we dat gaan doen, in plaats van steeds maar nieuwe dingen te verzinnen die het oude zeer nooit gaan repareren, want geen enkel kind mag tussen wal en schip vallen. Dat gebeurt nu nog steeds wel, en veel te vaak. Laten wij als Kamer daar nu eens eindelijk verandering in brengen.

Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Synhaeve, die spreekt namens de fractie van D66. Gaat uw gang.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Dank u wel, voorzitter. Toen ik 15 was, kon ik een tijd niet thuis wonen en had ik intensieve zorg nodig. Gelukkig was die zorg er ook. Maar tijdens die opname zag ik ook wat het met mensen doet als je ze in een isoleercel stopt op het moment dat ze juist nabijheid nodig hebben. Ik voelde hoe frustrerend het is om geen onderwijs te krijgen, want je ziet leeftijdsgenoten vooruitgaan en het voelt alsof je zelf stilstaat. Ik zag wat het met een groep doet op het moment dat een groepsgenoot zelfmoord pleegt.

Voorzitter. Twintig jaar later sta ik hier, vanuit de overtuiging dat het anders kan. Ik ben niet naïef. Daarvoor ken ik de jeugdzorg ook uit mijn werkzame leven te goed. Maar ik weet wel dat het anders en beter kan. Dat begint met erkennen dat het vaak misgaat, dat het té vaak misgaat. Dat hoor ik van de jongeren die ik spreek. Dat zagen we in Vlaardingen, we zagen het in Stadskanaal en we zagen het afgelopen dinsdag weer bij de presentatie van het tweede rapport van Jason. Dat het de jongeren zelf zijn die de misstanden elke keer weer aan de kaak moeten stellen, is niet uit te leggen. Het laat zien hoe wij als sector, als samenleving en als politiek elke keer weer wegkijken. Dit kabinet heeft 12 miljoen vrijgemaakt voor excuses en voor het hersteltraject voor die jongeren die beschadigd zijn in de gesloten jeugdzorg. Wanneer worden deze excuses gemaakt en hoe ziet herstel eruit?

Voorzitter. Ik ben bang dat we een nieuwe generatie kinderen aan het beschadigen zijn op de plek waar we hen juist zouden moeten beschermen. Ik wil stilstaan bij de kinderen die we wegstoppen op vakantieparken en op een aftands Hoenderlooterrein. We weten dat dit schadelijk is. Kinderen hebben contact nodig met leeftijdsgenoten. We weten dat hier mensen werken die niet over de juiste papieren beschikken. In de jeugdzorg blijken namelijk honderden mensen te werken met een vals diploma. We weten dat een deel van hen bewust kinderen aan het ronselen is voor de criminaliteit. D66 heeft daarom een amendement ingediend om deze mensen op te sporen. Dat amendement is ook aangenomen. Hoever is de minister met de uitvoering daarvan? Stel je voor dat er in ziekenhuizen op ic-afdelingen honderden mensen met een vals diploma zouden werken. De wereld zou te klein zijn. Maar als het gaat om onze meest kwetsbare kinderen, lijken we dat prima te vinden.

Voorzitter. We moeten wezenlijke keuzes maken, want als je doet wat je altijd deed, krijg je wat je altijd kreeg. Wat dan wel? Ik wil twee punten uitlichten. Ten eerste. Deze week hebben we aangekondigd dat we vanuit D66 met een wetsvoorstel komen om ervoor te zorgen dat als een kind aangeeft dat hij thuis door een ouder wordt mishandeld, het dan ook zo is dat dat kind heel snel gehoord wordt, zonder dat daar eerst toestemming van die ouder voor nodig is. Zo hebben we dat nu namelijk geregeld! We hebben het nu zo geregeld dat als een kind aangeeft thuis mishandeld te worden door een ouder, diezelfde ouder bij Veilig Thuis toestemming moet geven om dat kind te spreken — en vervolgens mag diezelfde ouder ook bij het gesprek aanwezig zijn. Dat moet anders en daarom komen wij met een wetsvoorstel. Ik hoor graag van de minister hoe zij tegenover zo'n wetsvoorstel staat.

Ten tweede. We willen nieuwe jeugdzorgaanbieders op voorhand toetsen en jeugdzorgbestuurders op voorhand screenen. Waarom lukt het ons wel om in de kinderopvang elke nieuwe aanbieder te toetsen voordat hij begint, maar lukt ons dat in de jeugdzorg niet? Iedereen kan zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel en heeft vandaag nog een eigen jeugdzorgorganisatie opgericht. We grijpen pas in op het moment dat er signalen zijn dat het fout gaat. Dat moet anders. En waarom lukt het ons bij woningcorporaties wel om elke bestuurder op voorhand te toetsen en te screenen, maar in de jeugdzorg niet? Graag een reflectie van de minister hierop.

Voorzitter. Ik sta hier omdat ik ervan overtuigd ben dat het anders kan en dat het beter kan. Ik heb mijzelf als 15-jarige beloofd om er alles aan te doen om dat voor elkaar te krijgen. Maar dan moeten deze Kamer en dit kabinet wel durven kiezen, en moeten we met elkaar veel grotere stappen durven zetten dan we de afgelopen jaren hebben gedaan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat levert nog een aantal vragen op. Mevrouw Westerveld, gaat uw gang.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Mevrouw Synhaeve vroeg naar excuses en een hersteltraject. Daar wachten jongeren die slachtoffer zijn geworden van misstanden in de gesloten jeugdzorg ook al twee jaar op. Ik zou haar willen vragen hoe zij voor ogen heeft dat we recht doen aan het echte herstel van deze jongeren.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik denk dat het 'm in twee onderdelen zit. Allereerst: ik onderschrijf volledig het belang van deze excuses en het hersteltraject. Het is niet uit te leggen dat deze jongeren daar twee jaar op hebben moeten wachten. Ik ben ook blij dat we daar nu wel mee aan de slag gaan. Hoe ziet herstel eruit? Ik denk dat dat uit twee delen bestaat. Het bestaat deels uit wat deze jongeren die beschadigd zijn, nodig hebben om verder te kunnen met hun leven of in ieder geval deels te kunnen herstellen. Dat kan ik niet bepalen; dat moet echt samen met de jongeren zelf bepaald worden. Daarnaast merk ik uit alle gesprekken die ik met jongeren gevoerd heb, dat ze eigenlijk maar één ding willen, namelijk dat het beter gaat en dat de kinderen van nú beschermd worden. Daar moeten we stappen in zetten.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Dat ben ik natuurlijk eens met mevrouw Synhaeve. We waren dinsdag allebei bij de presentatie, waarbij een aantal aanbieders excuses aanboden voor wat er in het verleden was gebeurd. Dat is een mooi gebaar. Tegelijkertijd sprak ik naderhand met jongeren — dat heeft mevrouw Synhaeve ook gedaan — en hoorde ik de één zeggen "ik wil weer een opleiding volgen", en de ander "ik heb schulden". De derde zegt "ik heb een hulphond nodig". De vierde zegt "ik heb hulp nodig bij psychosociaal herstel; ik heb psychosociale hulp nodig". Valt dat volgens mevrouw Synhaeve — dat zouden we ook aan de minister kunnen vragen — ook onder recht doen aan die jongeren, aan echte excuses en aan echt herstel?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Absoluut, want dát is herstel. Alleen als we luisteren naar wat deze jongeren echt nodig hebben — dat zal bij de één iets anders zijn dan bij de ander — en daar ook ruimte voor hebben en ernaar handelen, dan doen we recht aan het leed dat hun is aangedaan.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank voor dit antwoord, want ik denk dat dat helemaal waar is. Ik wil mevrouw Synhaeve bedanken voor haar betrokken betoog. Daar spreekt echt enorme betrokkenheid uit om de jeugdzorg en de jeugdbescherming beter te maken. We weten allebei dat het heel hard nodig is. Er zijn hervormingen nodig, omdat het stelsel kapot is. Daar hebben we het hier al vaker over gehad. Die hervormingen staan deels op de rol. Daar is hard aan gewerkt. Die hervormingen komen eraan. We kunnen erover van mening verschillen of dat genoeg is. Mijn zorg, die ik eerder heb uitgesproken, is de volgende. Aan de hervormingen is een besparing gekoppeld, en die besparing is gekoppeld aan een bezuiniging. Ik heb eerder een zorg uitgesproken die de commissie-Van Ark ook heeft uitgesproken: als die bezuinigingen doorgaan, zadelen we dan de jeugdzorg en de jeugdbescherming niet juist op met grotere problemen?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Dank voor deze vraag. Tien jaar geleden gaven we 3,6 miljard uit aan jeugdzorg. Nu geven we meer dan 8 miljard uit aan jeugdzorg en moeten we concluderen dat onze meest kwetsbare kinderen nog minder goed geholpen zijn. Ik geloof niet dat meer geld de oplossing is. Het is een beetje alsof je lucht blijft pompen in een lekke fietsband en verwacht dat je dan ineens wel goed kan fietsen. Dat gaat niet gebeuren.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dat ben ik ook helemaal met mevrouw Synhaeve eens. We zien dus ook dat het een heel duur stelsel is en dat het een superduur systeem is geworden waarin er van alles gebeurt, maar de jongere wordt vergeten. Ik ben het dus helemaal met mevrouw Synhaeve eens dat geld niet de oplossing is — echt helemaal, hartgrondig. Maar er moet hervormd worden. Er moet wel éérst hervormd worden voordat je geld weghaalt. Op het moment dat je geld weghaalt voordat die hervorming plaatsvindt, heb je de kans dat je net het geld weghaalt bij de plekken die nog wel belangrijk zijn voor de jongeren.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Dat moet ergens landen. Daarom is mijn pleidooi niet "meer geld". Maar deelt mevrouw Synhaeve wel de zorg dat, als we het in de verkeerde volgorde doen, we dan problemen kunnen krijgen?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik denk dat we nu precies de goede volgorde aan het hanteren zijn, want deze minister is juist met die grote hervormingen bezig. Mevrouw Dobbe geeft in haar eigen bijdrage ook aan dat we grote stappen aan het zetten zijn. Wat ons betreft kan dat parallel lopen met het financiële plaatje dat we daarbij geschetst hebben.

De voorzitter:

Kort afrondend.

Mevrouw Dobbe (SP):

En als blijkt dat het te snel gaat en de bezuinigingen voor de hervormingen uitlopen? Is mevrouw Synhaeve dan bereid om te zeggen: oké, dan moeten we vertragen en dan moeten we even kijken of we de besparing halen die we hadden gepland en die we allemaal willen? Als we die niet halen, is dan in ieder geval uitstel van het doorvoeren van de bezuinigingen een optie?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Wat ons betreft zal het criterium altijd zijn of de kinderen die het het hardst nodig hebben ook het best worden geholpen. Dat zal leidend zijn. Als blijkt dat dat ten koste gaat van deze groep, dan zullen we opnieuw kijken welke keuzes we maken.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ook ik wil zeggen dat uit het betoog van mevrouw Synhaeve betrokkenheid op dit onderwerp spreekt; zo ken ik haar ook. Ik vermoed dat als mevrouw Synhaeve in de oppositie zou hebben gezeten, de conclusies van het rapport-Van Ark misschien wat logischer zouden zijn. Daarmee bedoel ik niet dat er per se meer geld bij zou moeten. Ook wij vinden dat meer geld de jongeren niet helpt. Maar wij vinden wel, wat mevrouw Dobbe ook aangaf, dat dat nu wel nodig is terwijl je die hervormingen aan het doen bent.

De voorzitter:

En wat is uw vraag, meneer Ceder?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mijn vraag daarbij is of mevrouw Synhaeve het met mij eens is dat we de komende maanden wel duidelijkheid over die hervormingen moeten hebben en dat voor de augustusbesluitvorming voor D66 wel een toetssteen is of de begroting zoals die in de plaat is gezet afdoende is. Ik vermoed dat we anders gewoon grote ongelukken krijgen. Deelt u die zorg?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik deel de conclusie dat we zo snel mogelijk scherp moeten hebben wat die grote hervormingen zijn. Dat hebben we als Kamer nodig om daar ook wezenlijke stappen in te zetten en daar keuzes in te maken, juist ook voor de kinderen die dat het hardst nodig hebben.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ben er namelijk een beetje bang voor — dat is mijn vrees — dat we niet op tijd klaar zijn met die duidelijke keuzes, ondanks alle goede bedoelingen. In augustus moet de coalitie wel gewoon klaarstaan met de financiële plaat. Ik vrees dat alsnog gaat gebeuren wat, denk ik, al heel lang gebeurt, namelijk dat de financiële plaat wel degelijk leidend is, ondanks wat mevrouw Synhaeve nu ook aangeeft. Kan mevrouw Synhaeve aangeven dat dat scenario voorkomen gaat worden, juist ook vanuit het belang om voor de kinderen te kiezen, zoals mevrouw Synhaeve uitvoerig in haar betoog heeft aangegeven?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik heb er alle vertrouwen in dat deze minister en dit kabinet ontzettend grote stappen aan het zetten zijn. Ze zijn ook nog maar 100 dagen bezig, hè. Ik denk dus dat in die 100 dagen hele grote stappen gezet worden, die ook tot wezenlijke veranderingen leiden. Ik heb er dus alle vertrouwen in dat die grote kaders wel duidelijk zijn of worden in de komende maanden.

De voorzitter:

Heel kort en afrondend.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Tot slot, voorzitter. Ik zou mevrouw Synhaeve dan ook willen uitdagen om de komende maanden — ik weet hoe het is om in een coalitie te zitten — daar echt wel voor te knokken, omdat we anders rond de begrotingsbehandelingen een debat met elkaar hebben waarin mevrouw Synhaeve de plaat moet gaan verdedigen en we misschien wel een scenario hebben waarin er onvoldoende duidelijke keuzes zijn gemaakt, terwijl we hier allemaal aanvoelen dat dat debat de kinderen echt niet gaat helpen. Die aanmoediging en die steun voor de komende zomer wil ik hier dus openlijk uitspreken.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik zal zeker knokken. Dat geldt niet alleen voor de komende maanden, maar voor de komende jaren. Ik vermoed dat we dat ook heel vaak samen zullen doen.

De voorzitter:

Het is niet persoonlijk, maar ik ga de Kamerleden vragen of ze hun interrupties iets korter en bondiger willen houden. Ik ga niet streng zijn op de hoeveelheid, want het is een onderwerp dat leeft en waar velen van u heel betrokken bij zijn, maar ik ga ze wel vaststellen op 30 seconden. Dus mevrouw Moinat, geef het goede voorbeeld. Gaat uw gang.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik ga mijn best doen, voorzitter. Even voortbordurend op het geld. De bezuinigingen liggen voor. Ik denk ook niet dat meer geld alleen gaat helpen voor deze jeugdzorgkwesties. Maar ik zie wel dat op het moment dat we de reikwijdteagenda gaan uitstrijken, gemeenten meer risico's gaan lopen en dat we dus meer discussies over budgetten gaan hebben en minder focus op het kind. Die zijn uiteindelijk wel verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Ik hoor graag hoe mevrouw Synhaeve dat ziet.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Als we kijken naar de Wet reikwijdte Jeugdwet, zien we dat die juist is bedoeld om aan te geven tot hoever de wet reikt, dus wat wel of geen jeugdzorg is. We zien nu immers dat de groei van de uitgaven van 3,6 miljard naar meer dan 8 miljard vooral is veroorzaakt door de lichte zorg. Dat gaat ten koste van de jongeren met de meest intensieve zorgvragen. Dat is dus wat we moeten doen. Het kabinet is juist aan de slag om ervoor te zorgen dat dit niet ten koste gaat van deze meest kwetsbare groep.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik ben het daar toch niet helemaal mee eens, want de rode draad van de wet is het wijzigen van de toegang tot hulp, maar het fundamentele probleem wordt niet opgelost. Dat zeg ik niet; dat komt uit de internetconsultatie, waarin forse kritiek wordt geuit op het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet. Het is opvallend dat die kritiek afkomstig is van gemeenten, aanbieders, psychologen, jeugdartsen, ggz, cliëntenorganisaties en kinderrechtenorganisaties. Hoe rijmt mevrouw Synhaeve dat?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik ben het eens met de boodschap dat alleen kijken naar de toegang dit probleem niet gaat oplossen. Dat is ook de reden waarom ik in mijn bijdrage aangeef dat we voor zo'n "kind eerst"-wetgeving moeten gaan en dat we ervoor moeten zorgen dat we jeugdhulpaanbieders op voorhand toetsen. Hetzelfde geldt voor hun bestuurders. Ik heb mevrouw Moinat in haar bijdrage horen zeggen dat zwaarder straffen van medewerkers de wezenlijke oplossing is. Ik denk niet dat daar nou het grote verschil gemaakt zou worden voor onze meest kwetsbare inwoners.

De voorzitter:

Kort en afrondend.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Even op dat punt: dat is wat ik in mijn betoog heb gezegd over een situatie waarin mensen daadwerkelijk fouten maken en kinderen bijna halfdood in een ziekenhuis liggen. Dat wil ik u even meegeven. Waar het mij om gaat, is dat er prima minder geld naar jeugdzorg zou kunnen, maar niet op deze manier en niet met de voorstellen die hier liggen. Ik denk dus dat we dit uit moeten discussiëren in een ander debat, want volgens mij gaan we het op deze manier niet redden.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik zie dat wij in ieder geval bekijken hoe we de wezenlijke keuzes kunnen maken om onze meest kwetsbare kinderen goed te kunnen beschermen en ik zie een kabinet dat daar hele grote stappen in zet om daar op korte termijn zichtbare resultaten in te bereiken.

De heer Hamstra (CDA):

Ik complimenteer mevrouw Synhaeve niet alleen met haar bijdrage, maar ook met het initiatief dat zij maandag naar buiten heeft gebracht en met wat zij daarmee wil gaan doen. Het is natuurlijk onbegrijpelijk dat de wet nu voorschrijft dat er direct naar de ouder gekeken moet worden wanneer een kind zichzelf meldt als er iets is voorgevallen. Mijn vraag aan mevrouw Synhaeve is: moet dat alleen met een wijziging van de wet of zouden we ook naar de meldcode kunnen kijken? Ik stel die vraag straks ook aan de minister, maar heeft u daar ook naar gekeken?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ja, daar hebben we zeker naar gekeken. We zien namelijk dat dit raakt aan verschillende wet- en regelgevingen, dus zowel op het punt van jeugd als op het punt van de Wmo. Het raakt ook aan een aantal aanpalende wetgevingen. Wij denken dus dat wel degelijk ook een ander wettelijk kader nodig is.

De heer Hamstra (CDA):

Oké. We werken daar ook graag in samen, maar ik hoor straks ook graag de reactie van de minister hierop. Daar kom ik in mijn termijn op terug.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Tot slot daarover: wij denken dat dit echt een wezenlijke stap is om te zorgen dat we kinderen beter beschermen. Het lijkt ons alleen maar mooi als we daarin vanuit de Kamer breed met elkaar kunnen optrekken.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Dobbe, die spreekt namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel. Honderden jongeren voor wie geen plek is in de jeugdzorg, worden neergezet op bijvoorbeeld campings, waar ze dag en nacht in de gaten worden gehouden. Dit werd in maart bekend en laat wéér zien hoe het systeem faalt. Daarom vraag ik deze minister waar deze kinderen nu zijn en of er al een oplossing is. Ruim twee jaar geleden was ik bij de presentatie van het rapport Eenzaam gesloten van Jason. Dinsdag presenteerde hij een nieuw rapport: Eenzaam gestorven. Ik wil mijn respect uitspreken voor hoe hij en al die anderen die hebben meegewerkt, blijven opkomen voor jongeren en slachtoffers van gesloten jeugdzorg. De presentatie van dinsdag was indrukwekkend, verdrietig en beschamend; beschamend, omdat twee jaar geleden iedereen boos was en verbetering, herstel, erkenning en excuses eiste voor de jongeren die slachtoffer zijn geworden van het systeem. Twee jaar later blijken de aanbevelingen van het rapport niet opgevolgd te zijn. Dat moeten we onszelf aanrekenen. Kan de minister op korte termijn met een reactie komen op alle acht aanbevelingen van dit nieuwe rapport, met daarin wat zij concreet gaat doen en ook wanneer?

Van de 51 jongeren die deelnamen aan het vorige rapport, zijn er al 5 overleden. Van de 51 huidige deelnemers hebben 38 een suïcidepoging gedaan. We zijn het deze jongeren verplicht om hen te zien, hen serieus te nemen en te luisteren en te erkennen wat hun is aangedaan. Twee jaar geleden werd onze motie aangenomen met daarin het verzoek om excuses te maken aan deze jongeren. Dat is zo ontzettend belangrijk. Het uitblijven van deze excuses heeft jongeren opnieuw beschadigd en dat beschreven zij ook in die bijeenkomst. Er zijn net excuses geweest van aanbieders, maar waarom heeft het kabinet nog geen excuses gemaakt? Er moet herstel zijn: traumatherapie als de jongere dat wil, vergoeding van zorgkosten en echte persoonlijke hulp om de Big Five op orde te krijgen. Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat deze jongeren de steun krijgen die zij nodig hebben en waar zij daadwerkelijk wat aan hebben? Wat doet zij voor die nabestaanden van de jongeren die al overleden zijn? Is hier wel genoeg geld voor uitgetrokken? Is de 12 miljoen euro die er nu voor is begroot genoeg om alle jongeren uit de gesloten jeugdzorg een fatsoenlijke schadevergoeding te geven en te zorgen voor herstel? Graag van de minister een antwoord waarin ze duidelijk maakt waar dit getal dan op gebaseerd is. Het moet namelijk wel genoeg zijn.

Wil de minister ook reageren op het nieuwe rapport van de IGJ over de gesloten jeugdzorg? Daaruit blijkt namelijk dat er nog steeds te veel vrijheidsbeperkende maatregelen worden ingezet en jongeren zich onvoldoende geholpen voelen. Als een kind echt niet meer thuis kan wonen, is bijvoorbeeld een kleinschalige woning met aandachtvolle zorg, zoals het Heppie (t)Huis van Het Vergeten Kind, waar ik ook geweest ben, een mooi voorbeeld van hoe dit wel goed georganiseerd kan worden. Daar is beschikbaarheidsfinanciering voor nodig. Daar hebben we samen met mevrouw Westerveld eerder een motie voor ingediend; die is ook aangenomen. Wanneer gaat deze minister deze dan uitvoeren? Er moet heel veel beter in de jeugdzorg; ik zei het net ook al. Het stelsel is kapot en is alleen maar duurder geworden en het kind wordt uiteindelijk vergeten. Rapport na rapport na rapport laat dit ook zien. Dit kabinet voert ondertussen wel bezuinigingen door, maar de verbeteringen zijn er nog niet. Is de minister bereid om pas op de plaats te maken, door eerst te verbeteren en dan te kijken of er geld over is in plaats van andersom? Het doorvoeren van ongerichte bezuinigingen nu, in het kapotte stelsel, kan namelijk schade toebrengen aan de kinderen die nu al schade oplopen door een systeem dat niet werkt. Dat moeten we volgens mij niet willen.

Voorzitter. Tot slot wil ik ook nog aandacht vragen voor ExpertCare, omdat het niet kan wachten. We hebben daar net een brief over ontvangen. Het is onderdeel van de buitenlandse commerciële multinational B. Braun. Er zou geen locatie sluiten tenzij alle kinderen een nieuwe geschikte plek zouden hebben. Nu sluiten twee locaties toch. Wat nu gebeurt, was letterlijk in het vorige debat hierover voorspeld en er was voor gewaarschuwd, maar de minister zei niet in te kunnen grijpen. De inspectie zag geen aanleiding tot ingrijpen en de minister zei dat het continuïteitsbeleid, dus de continuïteit van zorg, naar behoren functioneert. Nu hebben een aantal zeer ernstig meervoudig gehandicapte kinderen geen plek. En nu? Hoe kijkt u terug op deze uitspraken? De continuïteit van zorg is hier nu toch niet op orde? De minister stelt nu een intermediair aan, maar gaan deze locaties daardoor dan niet meer dicht terwijl er voor kinderen nog geen plek is? Wat als er geen andere plekken zijn en wat als er geen overnamekandidaat komt? Dan gaat de intermediair hier toch ook niks aan veranderen en komt de continuïteit van zorg toch nog steeds in gevaar? Als de continuïteit van zorg gevaar loopt, kan de inspectie dan bestuursdwang opleggen? Waarom gebeurt dat niet? Als de inspectie de bevoegdheden niet heeft, moeten we dan niet zorgen dat de inspectie die krijgt? Waarom neemt de minister het bestuur niet over als er geen overnamekandidaat is en nog niet alle kinderen een geschikte plek hebben? Waarom wordt de minister niet zelf, tijdelijk, een overnamekandidaat? Dat zou een kwestie zijn van een bestuur aanstellen en het regelen. Wat gaat de minister eraan doen om te veranderen dat ze niet kan ingrijpen, wat blijkbaar het geval is? Dat de minister niks kan doen, kan toch niet de eindconclusie zijn?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan wij nu luisteren naar mevrouw Westerveld, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Dank u wel, voorzitter. Op 2 juni 2019 overleed Noa Pothoven. Ze blijft voor altijd 17. Ik weet nog goed hoe ze me enkele uren voordat ze insliep, smeekte om me te blijven inzetten, samen met de collega's, voor al die andere jongeren. Die jongeren verdienen de allerbeste hulp, in gespecialiseerde centra met mensen die kennis van zaken hebben en die alle begrip en liefde voor hen hebben, maar ze worden nu te vaak opgesloten en ze krijgen met dwang en repressie te maken. Te velen van hen komen nu ook op vakantieparken terecht. Noa's dood was geen incident. Ze staat symbool voor zo veel jongeren en ouders die al jaren alarm slaan, samen met deskundigen.

Ik herinner me nog goed het debat over de rapporten van de commissie-De Winter over geweld in de jeugdzorg. Ook in die rapporten staan stevige aanbevelingen aan zorginstellingen, maar ook aan de overheid. Het kabinet beloofde toen om die aanbevelingen uit te voeren, maar in de praktijk bleken dat holle beloften. Ik heb ze maar weer eens meegenomen, al die rapporten die de afgelopen jaren hebben beschreven hoe het anders kan en hoe het beter kan. Dat gebeurde door deskundigen en door jongeren zelf, door hulpverleners en door ouders. Ze slaan allemaal alarm. Net als de inspectie vanaf 2019 zeggen zij: jongeren blijven in gevaarlijke posities en onveilige situaties zitten. Ze sturen ons ook al vanaf 2019 signaalbrieven waarin ze zeggen hoe het anders kan. Toch zie ik te vaak alleen maar die boosheid als er veel media-aandacht is voor een situatie die zo gruwelijk is dat we het ons allemaal niet kunnen voorstellen. Neem het debat dat we hier vorig jaar hadden over het pleegmeisje in Vlaardingen of, recent nog, de afschuwelijke mishandeling van de kinderen in Stadskanaal.

Verder vind ik dat de Kamer kabinetten veel te vaak, en ook de afgelopen jaren, heeft laten wegkomen met allerlei beloften die vervolgens niet worden nagekomen. Zo zijn een heel aantal wetten die al door Hugo de Jonge zijn beloofd, nog niet eens naar de Kamer gestuurd.

Dit werd allemaal nog pijnlijker toen Jason Bhugwandass in 2024 zijn rapport Eenzaam gesloten presenteerde. Het ligt hier ook bij mij op die stapel. Het was wederom hetzelfde patroon: ophef in de Kamer en in de media en een spoeddebat waarin Kamerleden op hoge toon eisten dat het anders moest en het kabinet beloften deed, maar ook de zoveelste keer dat het daarna stil bleef. Dat blijkt alleen al uit het feit dat jongeren al meer dan twee jaar moeten wachten op excuses en herstel. Iedereen die boos is na het zoveelste schandaal wil ik ook vragen hoe oprecht die bezorgdheid is als het gaat over jongeren die in eenzaamheid lijden en soms sterven.

Dat is ook de titel van het tweede rapport van Jason: Eenzaam gestorven. Hij presenteerde dat eergisteren. Het was een heel pijnlijke bijeenkomst, ook omdat in de zaal een aantal jongeren zaten die vrienden en vriendinnen zijn kwijtgeraakt en omdat er ook ouders waren. Ik heb een aantal vragen aan de minister. Die gaan deels over het afgelopen jaar, maar ook deels over het rapport dat recent is gepresenteerd. Ik wil haar allereerst vragen of zij kan ingaan op de aanbevelingen die Jason doet. Dat zijn geen nieuwe aanbevelingen. Die staan ook al deels in het rapport van de commissie-De Winter. Die worden door andere deskundigen gedaan. Kan zij daarop ingaan? Wat gaat ze doen om het vertrouwen terug te winnen? Helaas is dat heel hard nodig. Het vertrouwen van de sector, van jongeren, van ouders en ook van hulpverleners moet worden teruggewonnen. Dat kan alleen op het moment dat kabinetten doen wat ze hebben beloofd en ook het excuses- en hersteltraject van de grond komt. Ik vraag haar hoe dat traject eruit gaat zien. Gaat ze ook kijken wat jongeren individueel nodig hebben? Ik had het er net al over met mevrouw Synhaeve.

Hoe staat het met al die beloften die de afgelopen jaren zijn gedaan? Ik heb het afgelopen weekend nog eens verschillende Kamerbrieven teruggelezen. Ik heb een aantal van de rapporten teruggelezen. Je ziet dat heel veel zaken telkens terugkomen, worden uitgesteld en nog een keer terugkomen. Heel veel onderwerpen die wij vandaag bespreken, zijn ook al besproken met minister De Jonge, staatssecretaris Blokhuis, staatssecretaris Van Ooijen, en ik kan nog wel even doorgaan. Hoe gaat deze minister er dus voor zorgen dat alle beloften die ook haar voorgangers hebben gemaakt, wel worden nagekomen? Ook dat heeft te maken met het vertrouwen terugwinnen.

Wat gaat het kabinet doen om echt te zorgen voor gespecialiseerde hulp voor jongeren die dat nodig hebben? Dat is ook een thema dat blijft terugkomen. Voortdurend lees ik dat er allerlei beloften worden gedaan over het beter scholen van medewerkers en over gespecialiseerde plekken. Ik noemde net de wens van Noa, die zo graag voor andere jongeren wilde dat ze op een plek terechtkwamen met de allerbeste specialisten, met onderwijs en alle randvoorwaarden, en de beste zorg, want dát is nodig voor deze groep, in plaats van vakantieparken. Wat gaat het kabinet doen aan andere beloften die zijn gedaan, bijvoorbeeld over de rechtsbescherming van jongeren? Wat is het plan rondom het toekomstscenario?

Voorzitter, ik rond af. Twee jaar geleden heb ik hier met mevrouw Bruyning een voorstel gedaan voor een beknopte parlementaire enquête, omdat ik vind dat wij ook moeten kijken naar de rol die de Kamer zelf speelt. Ik vind dat de Kamer de afgelopen jaren ook te vaak heeft weggekeken. Dat haalde geen meerderheid. Ik ga dat voorstel niet herhalen, maar ik wil wel graag met de collega's kijken of we dit bijvoorbeeld kunnen aanmelden voor de Regeling Grote Projecten, om ook te kijken naar de rol van de Kamer.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een aantal vragen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Mooi betoog. Wij delen de zorgen van mevrouw Westerveld, vooral over kinderen die uit huis zijn geplaatst in dat gedwongen kader. Het onderzoek dat mevrouw Westerveld voorstelt, lijkt mij ook een goed idee. Nou hebben wij een paar maanden geleden een motie ingediend om te onderzoeken wat de ervaringen zijn geweest van ouders met dat gedwongen kader, en ook van de kinderen die erin hebben gezeten, hoe ze tot die uithuisplaatsing zijn gekomen en waarom ze niet zijn teruggeplaatst. Sorry dat het wat langer duurt, voorzitter, maar mijn vraag is de volgende. De PvdA — of PRO, moet ik nu zeggen — heeft daar dus tegen gestemd. Waarom? Waarom stemde PRO tegen?

Mevrouw Westerveld (PRO):

Ik stem standaard tegen onderzoeksmoties in deze debatten, omdat we heel veel zaken al weten. We weten wat er moet gebeuren. Ik heb een paar keer verwezen naar die enorme stapel met rapporten die daar ligt. Dit is echt niet alles. Ook de inspectie doet voortdurend onderzoek. Dus laten we stoppen met onderzoeken en echt werken aan wetsvoorstellen die bijvoorbeeld de rechtsbescherming van ouders en jongeren verbeteren en die zorgen dat er meer gespecialiseerd plekken komen voor jongeren. Bij dit soort debatten ben ik dus standaard gestopt met het steunen van onderzoeksmoties.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Het lijkt mij heel verstandig. Ik zie de stapel daar liggen. Ik ben het er ook mee eens. Het punt is alleen — daarom bracht ik die motie ook in — dat wij, net als mevrouw Westerveld, heel veel signalen krijgen dat er dingen mis zijn. We spreken met ouders. Als we het er dan met de minister over hebben — mevrouw Westerveld was ook bij dat debat — wordt er gezegd: ja, dat zijn incidenten. Die neemt dat eigenlijk niet serieus. Daar waren we ook heel verbolgen over. Het enige wat helpt om de ernst van het probleem duidelijk te maken, denk ik, is als het kabinet hier onderzoek naar doet. Anders nemen ze het probleem blijkbaar niet serieus. Daarom kom ik met die motie. Ik denk dat dat toch wel kan helpen. Dus nogmaals mijn vraag: zou zo'n motie gesteund kunnen worden door PRO? We kunnen 'm natuurlijk aanpassen.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Ik zie gewoon veel meer in hameren op wetgeving, bijvoorbeeld over de rechtspositie van jongeren en ouders. Daarvoor is wetgeving beloofd, ook al heel lang geleden. Ook die wetgeving hebben wij nog niet gekregen. We hebben een tijd geleden een motie ingediend, die ook is aangenomen, waarin we stelden dat ouders en jongeren kosteloze rechtsbijstand verdienen. Als ik teruglees wat daarmee is gedaan, kan ik niet zeggen dat die motie is uitgevoerd. Ik heb hier nu niet naar gevraagd, omdat we hier zitten met de minister die over de zorg gaat en niet met de staatssecretaris, maar hier ga ik nog op terugkomen. Als we het hebben over rechtsbescherming en over jongeren en ouders die te weinig worden gehoord, ben ik het eens met de heer Van Houwelingen. Maar ik geloof niet zozeer in nog meer zaken onderzoeken en inventariseren, omdat ik bang ben dat dat weer vertraging oplevert.

De voorzitter:

Kort en afrondend.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Kort en afrondend, tot slot. Overigens ben ik het daarmee eens. Er wordt veel te veel onderzocht en veel te weinig gedaan. Wij denken ook aan een wetswijziging, als ik dat gelijk via u, voorzitter, aan mevrouw Westerveld mag vragen, om het wettelijk kader voor gedwongen uithuisplaatsingen kleiner te maken. Dit is mijn laatste vraag. Ik ben benieuwd hoe PRO daartegen aankijkt.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Ik vind het ingewikkeld om daar nu een antwoord op te geven, omdat we die wetgeving nog niet hebben. Ik ben voor wetten die het goede doen en ik ben voor wetten die ouders en jongeren een betere rechtspositie geven. Tegelijkertijd weten we dat er soms redenen kunnen zijn voor de uithuisplaatsing van een kind. Ik heb ook kinderen gesproken die zeiden: het was goed dat ik uit huis werd geplaatst, want ik werd mishandeld of seksueel misbruikt door mijn ouders. We kunnen het er ook met elkaar over eens zijn dat het in dit geval soms het allerbeste is, hoe tragisch dat ook is, dat een kind niet meer bij de ouders woont. Ik zou willen dat alles met gezinsgerichte hulp kan worden opgelost, maar soms is die band al zo verstoord dat het niet meer kan. Dat begrijp ik ook. Ik vind ook dat we moeten uitkijken met hulpverleners die de taak hebben om deze moeilijke keuze te maken, bij voorbaat in het verdachtenbankje te zetten. Ik zeg niet dat de heer Van Houwelingen dat doet, maar ik zeg wel dat we goede wetgeving moeten hebben die zowel de positie van deze medewerkers als die van ouders en jongeren beschermt. Ik voel daarbij heel veel voor wat mevrouw Synhaeve nu aan het doen is met die "kind voorop"-wetgeving, want de rechten van het kind zouden van het allergrootste belang moeten zijn.

De heer Hamstra (CDA):

Ik heb de stapel ook zien liggen op het bureau van mevrouw Westerveld. U loopt al een aantal jaar mee en u geeft aan dat er geen opvolging wordt gegeven aan verschillende rapporten en aanbevelingen. Wat is vanuit uw analyse de reden dat daar geen opvolging aan wordt gegeven?

Mevrouw Westerveld (PRO):

Ik vind dat een goede vraag. Wat mij betreft is die vraag ook de essentie van ons Kamerwerk. Wij hebben de taak om bewindspersonen te controleren. Dat doen we allemaal op onze eigen manier, maar als het gaat over jeugdhulp en jeugdbescherming, zijn we het vaak helemaal met elkaar eens. In de afgelopen jaren heb ik gemerkt dat er heel vaak beloften werden gedaan. Neem bijvoorbeeld de tijd van minister De Jonge. Hij wilde ook echt aan de slag en schreef allemaal actieplannen met hele goede voornemens waar niemand tegen was, maar als ik daar jaren later naar terugkijk, denk ik: we voeren nog steeds hetzelfde debat; heel veel van die voornemens zijn niet uitgevoerd.

Datzelfde zien we als we kijken naar de hervormingsagenda, die al vertraging heeft opgelopen. Daaruit zouden een aantal wetten moeten komen. Een van die wetten gaan we hopelijk over een tijdje behandelen, terwijl er al wel een bezuiniging staat ingeboekt. Wij als Kamer moeten er ook voor zorgen dat bewindspersonen zich aan hun beloften houden. Wij moeten hier voortdurend staan om te zeggen: vorig jaar beloofde u dit; een jaar later is er nog steeds niets gebeurd. Ik zag hetzelfde gebeuren bij het debat dat we vorig jaar hadden over het Vlaardingse pleegmeisje. Ook daarbij zijn toen verschillende beloften gedaan. Ook daarover was er helemaal geen onenigheid in de Kamer, want wij vonden allemaal dat het moest worden aangepakt. Waarom gebeurt het dan niet? Mijn idee is dat dit onderwerp helaas gewoon te weinig prioriteit heeft. Als ik zie hoeveel debatten er over sommige andere onderwerpen worden ingepland en als ik zie hoe weinig we het hier hebben over fundamentele kwesties in de jeugdzorg en de jeugdbescherming, vind ik echt dat wij ook onszelf een spiegel moeten voorhouden en moeten zoeken naar manieren om met elkaar het kabinet beter te kunnen houden aan beloften.

De heer Hamstra (CDA):

Daar ben ik ook een beetje naar op zoek. Dat is volgens mij de kern van het debat dat we vandaag zouden moeten voeren. In uw slot …

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld.

De heer Hamstra (CDA):

Mevrouw Westerveld. Excuses. Ik praat natuurlijk via de voorzitter. In het slot van haar betoog gaf mevrouw Westerveld aan dat zij misschien wel heil ziet in een beknopte parlementaire enquête. Zou mevrouw Westerveld wat meer kunnen uitweiden over wat de meerwaarde daarvan zou zijn en wat dat überhaupt zou behelzen?

De voorzitter:

Dat mag ook kort en bondig, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (PRO):

We hebben twee jaar geleden het voorstel gedaan voor een beknopte parlementaire enquête, omdat we zeiden: er hoeft geen uitgebreid bronnenonderzoek te worden gedaan — we hebben alle informatie al — maar we moeten weleens kijken waarom al die goede voornemens niet worden uitgevoerd en wat de rol van de Kamer hierin is. Dat voorstel haalde helaas geen meerderheid. We zijn nu twee jaar verder, met nog een extra stapeltje aan rapporten hoe het beter kan. Ik zit nog steeds met meneer Hamstra en anderen te kijken hoe we als Kamer nou beter onze rol kunnen pakken. We hebben een Regeling Grote Projecten. Dat staat in artikel 7.37 van het Reglement van Orde. Daarmee kunnen we als Kamer een voorstel doen voor een groot project. Ik weet nog niet goed of dit hierbinnen valt, maar ik zou wel heel graag met de heer Hamstra en anderen gewoon eens willen kijken of we analoog aan die regeling of op een andere manier ervoor kunnen zorgen dat we met de Kamer veel beter de teugels in handen hebben en op veel regelmatiger basis controleren wat er gebeurt als het gaat over het stelsel van jeugdzorg, jeugdbescherming, financiën … Volgens mij kunnen we heel veel onderwerpen bedenken. Op zo'n manier ben ik dus op zoek naar betere controle vanuit de Kamer.

De voorzitter:

Kort en afrondend.

De heer Hamstra (CDA):

Afrondend. Ik kende deze optie niet; ik ben graag bereid dit verder te verkennen, dus dank voor het initiatief.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Daar wil ik even op verdergaan, maar niet voordat ik mevrouw Westerveld bedank voor weer een bevlogen betoog. Mij bekruipt ook een beetje het gevoel dat mevrouw Westerveld bijna het geweten van deze Kamer is. We voelen met elkaar de gedeelde verantwoordelijkheid. Dan richting de vraag. Ik wil even stilstaan bij dat groot project. Dat gaan we natuurlijk later nog uitgebreider bespreken, maar zou het misschien een optie kunnen zijn om binnen dat groot project vooral te kijken hoe we de jongeren die de zorg het hardst nodig hebben nou het meest helpen? Dus niet breed, maar specifiek deze groep.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Ik vind dat een hele interessante suggestie, want ik denk dat wij allemaal de verhalen kennen van de jongeren die juist de allerbeste specialisten nodig hebben. We zien ook wat een verschil er is in de medische wereld. Als een kind bijvoorbeeld een complexe vorm van kanker heeft, dan is er een heel goed kinderziekenhuis met heel veel voorzieningen, maar een kind dat complexe mentale problemen heeft, komt in de gesloten jeugdzorg terecht. Dat zijn vaak gewoon letterlijk oude gevangenissen. Volgens mij kennen we dat en zien we ook dat verschil. We vragen al heel lang met de hele Kamer naar deze groep, waarvan we al heel lang de verhalen horen van jongeren en van ouders en waarvan we al heel lang weten dat het aanbod niet toereikend is. Dat wordt ook door niemand ontkend; dat weten we gewoon. En toch komt het niet van de grond. Ik zou heel interessant vinden om bijvoorbeeld de hulp aan deze groep eruit te halen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Van Meetelen, die spreekt namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Dank u, voorzitter. Genoeg is genoeg. Een meisje van 6 en een jongetje van 7: geslagen, geschopt, opgesloten in een kelder, eten onthouden, koude douches, fysieke straffen, een bezemsteel en nog veel erger. Een kind dat zo ernstig mishandeld is dat het in het ziekenhuis belandde en uiteindelijk in een kunstmatige coma terechtkwam. En dan de bestuurlijke taal ernaast: signalen, zorgen, werkwijze, partners, proces.

Nee, voorzitter. Dit was geen "proces". Dit was kindermarteling. We moeten dat woord hier hardop durven uitspreken, want wanneer een kind langdurig wordt opgesloten, uitgehongerd, vernederd, mishandeld en geterroriseerd, spreken we niet meer over een vorm van kindermishandeling. Dan hebben we het over doelbewust, stelselmatig en extreem geweld waarmee een kind lichamelijk en geestelijk wordt gebroken. Toch kent Nederland hiervoor geen afzonderlijke definitie, geen aparte onderzoeksaanpak, geen specifieke protocollen. Alles verdwijnt uiteindelijk onder dezelfde verzamelterm: kindermishandeling. Daarom vraag ik de minister of zij het met de PVV eens is dat de term "kindermishandeling" onvoldoende recht doet aan de situatie waarin een kind wordt opgesloten, uitgehongerd en bijna dood wordt mishandeld en dat niet alles onder deze zelfde noemer zou moeten vallen. Zo ja, waarom kennen wij dan nog steeds geen afzonderlijke categorie voor de zwaarste vormen van geweld tegen kinderen?

Voorzitter. We doen niet alleen slachtoffers tekort, maar ook de professionals die deze signalen moeten herkennen, want als alles onder dezelfde noemer valt, ontbreekt ook de urgentie om de zwaarste gevallen als zodanig te behandelen. Daarom moeten we durven onderzoeken of Nederland onderscheid moet gaan maken tussen kindermishandeling en kindermarteling, niet als een semantische discussie, maar omdat een afzonderlijke categorie leidt tot andere beleidsmatige keuzes. Een duidelijke definitie maakt gerichter onderzoek mogelijk. Een aparte registratie maakt zichtbaar hoe vaak dit voorkomt. Specifieke signaleringscriteria zorgen ervoor dat professionals eerder herkennen wanneer een kind acuut gevaar loopt. Een landelijk protocol zorgt ervoor dat er bij signalen van opsluiting, uithongering, ernstig letsel, uitputting, extreme verwaarlozing of langdurige terreur niet eerst wekenlang wordt overlegd, maar dat er direct wordt opgeschaald en ingegrepen. Is de minister bereid te laten onderzoeken hoe vaak dergelijke extreme vormen van geweld voorkomen? Is zij bereid te onderzoeken of hiervoor een afzonderlijke definitie en een landelijk handelingskader kan worden ontwikkeld?

De voorzitter:

Dat geeft aanleiding tot een vraag van de heer Hamstra.

De heer Hamstra (CDA):

Ik kon ook nog wel even wachten, hoor. Ik hoor mevrouw Van Meetelen vragen om een afzonderlijke categorie, handelingsprotocollen en landelijke regelgeving. Hoe zorgen we ervoor dat dit niet leidt tot extra bureaucratie door de risicoregelreflex die we vaak bij de Kamer zien, waardoor we het stelsel nog meer op slot zetten?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Nee, dat is absoluut niet de bedoeling. Ik ben het helemaal eens met de heer Hamstra dat we daar niet heen willen. Het gaat erom dat er nu versnippering is. Overal komen signalen binnen, maar mensen maken niet één koppeling van wat die nou eigenlijk zouden kunnen inhouden. In Engeland doen ze dit al. Daar hebben ze echt een verschil tussen child abuse en child torture. Daarvoor hebben ze een ander beleidskader gemaakt. Op het moment dat bepaalde signalen binnenkomen, dus signalen van extreem geweld of uithongering, of bijvoorbeeld van kinderen die meerdere keren heel slecht op school binnenkomen, dan gaan ze op deze manier te werk. Dan hebben ze daar dus een andere vorm voor om meteen op te schalen en acuut te reageren.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Voorzitter. Dit raakt aan een groter probleem, want deze zaak laat opnieuw zien dat het huidige stelsel van jeugdzorg en jeugdbescherming onvoldoende in staat is om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Er zijn te veel organisaties, schakels en momenten waarop verantwoordelijkheid kan worden doorgeschoven. Terwijl volwassenen discussiëren over bevoegdheden, contracten en verantwoordelijkheden, blijft een kind achter in een onveilige situatie. Daarom pleit ik niet alleen voor een betere aanpak van kindermarteling, maar ook voor een fundamentele herziening van de organisatie van de jeugdbescherming. De bescherming van kinderen moet landelijk en eenduidig worden georganiseerd, met heldere bevoegdheden, landelijke kwaliteitseisen, uniforme protocollen en één eindverantwoordelijke instantie, die niet kan wegduiken achter ketenpartners of bestuurlijke constructies. Ik stel opnieuw de vraag aan de minister wie uiteindelijk eindverantwoordelijk was voor de veiligheid van deze kinderen. Welke instantie had de bevoegdheid om in te grijpen? Als die vragen vandaag niet eenduidig kunnen worden beantwoord, is dat dan niet precies het bewijs dat het stelsel zelf tekortschiet?

Wat de PVV betreft moet er een landelijke spoedroute komen voor deze ernstigste signalen. Wanneer er sprake is van ondervoeding, ernstige verwondingen, opsluiting, uitputting, ziekenhuisopnames of andere aanwijzingen van extreem geweld — ik heb het echt over de meest extreme gevallen — mag een kind niet afhankelijk zijn van overlegstructuren die dagen, weken of maanden in beslag nemen. Dan moet er onmiddellijk multidisciplinair worden opgeschaald en moet er binnen zeer korte tijd een besluit worden genomen over de veiligheid van het kind. Kan de minister uitleggen waarom bij signalen van mogelijk levensbedreigend geweld tegen een kind, nog steeds kostbare tijd verloren gaat aan overleg, procedures en afstemming tussen organisaties? Is zij bereid ervoor te zorgen dat bij dit soort signalen binnen 24 uur een veiligheidsbesluit wordt genomen?

Voorzitter. Als wij erkennen dat sommige kinderen niet worden mishandeld, maar worden gemarteld, dan kunnen we niet volstaan met dezelfde systemen, procedures en bestuurlijke reflexen die ons al jaren teleurstellen. Dan moeten we bereid zijn onderzoek te doen naar deze vorm van geweld, een afzonderlijke definitie en aanpak te ontwikkelen, en de jeugdbescherming zo in te richten dat bescherming van het kind altijd zwaarder weegt dan bescherming van het systeem. Mijn laatste vraag aan de minister is misschien wel de belangrijkste: durft zij vandaag te erkennen dat deze kinderen niet in de steek gelaten zijn door één persoon of één fout, maar door een stelsel dat er ondanks alle signalen niet in slaagde hen op tijd te beschermen?

De voorzitter:

Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een aantal vragen.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik ben even op zoek naar de juiste context om dit in te plaatsen. Het woord "kindermarteling" bestaat inderdaad niet in het strafrecht, maar er zijn wel vier artikelen waar het onder valt. Ik hoor u niet over psychische mishandeling van kinderen. Dat is namelijk ook strafbaar, maar heeft ook geen aparte definitie. Ik ben dus een beetje zoekende. Wilt u meer regelgeving en langere dingen? Wat wilt u eigenlijk?

De voorzitter:

"Wat wil mevrouw Van Meetelen?"

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Excuus, voorzitter.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik heb het niet over strafrecht gehad. Dat is een aparte weg die bewandeld zou kunnen worden. Dit gaat meer over het moment waarop er signalen binnenkomen bij Veilig Thuis, bij jeugdzorg, bij jeugdbescherming — waar ze ook maar binnenkomen. Dan moet er sneller worden opgeschaald en met spoed multidisciplinair worden ingegrepen. Dat is de weg die ze in Engeland bewandelen. Daar zijn de politie, het OM et cetera allemaal bij betrokken. Strafrecht is een ander onderdeel. Daarom heb ik vandaag niet ingestemd met het toevoegen van de staatssecretaris van JenV. Ik wil het hebben over de hele weg daarvoor.

Als we dit vaststellen en als we hierover gaan spreken, zouden we wel kunnen vragen dat, als dit in zo'n dossier staat, de rechter bepaalt dat te allen tijde op het allerhoogste niveau wordt ingezet en gestraft. Dat is een mogelijkheid.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik ben bang dat dit weer tot veel meer regels en aanpassingen gaat leiden, terwijl we het in principe perfect kunnen herleiden als een kind mishandeld wordt, zwaar mishandeld wordt, gemarteld wordt. Volgens mij komt dat in dossiers te staan en gebruiken we deze termen al. Ik snap niet waarom er overal een aparte definitie voor moet komen. Maakt dit het niet juist lastiger?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Nee. Deze definitie wordt dus niet gebruikt. Deze woordkeuze wordt in de maatschappij misschien af en toe door u en ik gebezigd, omdat wij er wat langer en meer in zitten, maar dat is niet het geval. Het gaat erom dat het veel duidelijker wordt hoe ernstig dit is.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Mooi betoog. Helemaal eens: het kind moet beschermd worden, niet het systeem. Een geval waar dat helemaal verkeerd is gegaan, is het Vlaardingse pleegmeisje. Zij is echt gemarteld. Bij het werkbezoek kwamen we erachter dat iedereen meldingen kan doen bij Veilig Thuis, maar dat je bij Veilig Thuis geen meldingen kunt doen over pleeghuizen en pleeggezinnen. Stel dat een buur dat gemeld had, dan had Veilig Thuis daar niets mee gedaan. Zou dat niet aangepast moeten worden?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Dat ben ik volledig eens met de heer Van Houwelingen. Dat verbaasde mij ook zeer. Ik wist eerlijk gezegd niet wat ik hoorde. Bij de derde keer zeiden ze: ja, het kan wel en dan wijzen we door. Maar in eerste aanleg hebben ze inderdaad — wij zaten beiden bij het gesprek — twee keer gezegd dat ze dat niet doen. Dat vind ik heel verbazingwekkend. Inderdaad zouden we daar beter naar moeten kijken. Als dat niet gebeurt, moet dat wel gaan gebeuren. Zeker weten.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Misschien kunnen we daar samen een motie over indienen. Nog een andere vraag. Wij willen graag het wettelijk kader heel erg versmallen. Dat is het kabinet ook van plan. Ons idee is om dan als eis op te nemen dat de strafrechter een van de ouders of allebei de ouders aan het behandelen is of misschien wel veroordeeld heeft voor kindermishandeling. Dat staat goed omschreven in de wet. Dan houd je denk ik heel weinig zaken over in dat gedwongen kader. Hoe kijkt de PVV daar tegenaan?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Daar moet ik toch nog heel even over nadenken. Ik wil me niet te veel op het gebied van strafrecht gaan begeven op dit moment. Ik wil het echt aan de voorkant houden. Ik ga erover nadenken, meneer Van Houwelingen.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik hoor de PVV zeggen dat de bescherming van het kind zwaarder moet wegen dan de bescherming van het systeem. Dat is precies waarom we met deze éénkindwetgeving willen komen, zodat de ouder, en niet alleen als het gaat om melden, daar niet bij is. Er moet ook een gesprek zonder de ouder kunnen plaatsvinden. Maar we zeggen ook: je wilt dat hulpverlening, politie en justitie, samen kijken wat nodig is. Ik denk dat deze wetgeving daar juist aan gaat bijdragen.

Mijn vraag is de volgende. Als de conclusie is dat het kind nu niet boven het systeem wordt geplaatst en dat het systeem boven het kind gaat, wat heeft de PVV, met het grootste aantal zetels in deze Kamer, dan de afgelopen jaren gedaan om dat nou toch eens te veranderen?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Dit is natuurlijk heel venijnig. U weet zelf ook wel dat wij kort in het kabinet hebben gezeten. Wij zijn hier altijd heel kritisch op geweest. Wat hebben wij gedaan? Wij hebben vanaf dag één altijd gezegd dat we niet wilden dat er een decentralisatie kwam. We wilden dat dit bij de overheid bleef en dat er een landelijke regie zou blijven. Dat hebben we altijd gezegd, ik denk inmiddels twintig jaar lang. Dat is ook niet veranderd. Helaas hebben we dat niet kunnen aanpassen. Zoals u weet, is dit systeem al heel lang kapot. Ik kijk even naar mevrouw Westerveld. Zij heeft daar niet voor niks die stapel neergelegd. Dat is niet door de PVV gekomen. In de paar maanden dat wij in het kabinet hebben gezeten hebben we daar niks aan kunnen doen.

Ik kijk even naar mevrouw Synhaeve. U heeft al vaker in het kabinet gezeten en zit er nu in. Ik zou zeggen: doe uw best.

De voorzitter:

Het is "mevrouw Synhaeve", via de voorzitter.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Via de voorzitter dan.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik denk dat dat geen venijnige vraag is, maar juist de meest wezenlijke vraag die we ons moeten stellen. Die geeft aan dat, of je als partij veel zetels hebt of niet en of je nou in het kabinet zit of niet, het gaat om de meerderheden die in deze Kamer gevormd worden. Die zorgen ervoor dat we met elkaar keuzes maken. Het zou heel mooi zijn als we ook de PVV een keer aan onze zijde vinden op het moment dat we wel degelijk heel grote, wezenlijke veranderingen gaan doorvoeren. Want dat is wat we de komende tijd gaan doen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ja, als die veranderingen zijn zoals de PVV vindt dat ze goed zijn. Dat is niet het geval.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Ik vind het ook een wezenlijke vraag van mevrouw Synhaeve. Het antwoord was: ja, als de plannen zijn zoals wij willen dat ze zijn. Kan mevrouw Van Meetelen één plan opnoemen uit het PVV-verkiezingsprogramma over de jeugdzorg waar zij dan naartoe zou willen?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Nee, dat hebben wij niet in ons verkiezingsprogramma staan. Dat hoeft ook niet, want iets hoeft niet in je programma te staan om er iets van te vinden.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Dit is precies het probleem. Er staat niks over de jeugdzorg in het PVV-verkiezingsprogramma. Dat is niet iets kleins. In een programma schrijf je op wat je belangrijk vindt en waarom je iets wil. Wat mevrouw Van Meetelen nu zegt, gaat over stelsels. In de afgelopen periode was de PVV de grootste fractie in deze Kamer. Ze leverde twee van de drie bewindspersonen op het ministerie van VWS. Deze signalen waren niet nieuw. De mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingen gebeurde bijvoorbeeld vlak daarvoor. De afgelopen jaren hadden bewindspersonen van de PVV de beloften die in dat debat zijn gedaan kunnen nakomen. Daar is niks van gebeurd. Daarom zit deze minister nu met eigenlijk alles wat wij haar vragen. Dat is omdat het de afgelopen twee jaar heeft stilgestaan. Je mag jezelf dan best in de spiegel aankijken. Ik vind dat dat voor ons allemaal geldt, maar zeker als je in een kabinet hebt gezeten.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik voel me totaal niet aangesproken. Ik weet dat mijn collega's hier wel mee bezig zijn geweest. We hebben daar helaas te weinig tijd voor gekregen. De puinhoop die is gecreëerd, is er al heel lang. Daar zijn uw partijen ook debet aan. Dus kijk zelf in de spiegel.

De voorzitter:

Het is nog altijd "mevrouw Westerveld kijkt zelf in de spiegel".

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ja, mevrouw Westerveld.

De voorzitter:

Ik ga haar nu ook het woord geven. Mevrouw Westerveld, gaat uw gang.

Mevrouw Westerveld (PRO):

Mijn bedoeling is niet om hier te jij-bakken. Ik zou wel heel graag willen dat we allemaal kijken naar ons eigen aandeel. Ik zou willen dat partijen die in de oppositie zitten bewindspersonen niet heel hard aanpakken, terwijl ze niets opschrijven of dit geen prioriteit geven als ze in de coalitie zitten. Laten we dat ons allemaal aantrekken. Mijn bedoeling is zeker niet om te jij-bakken. Ik vind gewoon dat we allemaal moeten kijken naar onze eigen taak. Dat was ook de oproep van de jongeren dinsdag: niet naar elkaar wijzen, maar kijken wat je zelf kunt bijdragen. Volgens mij zouden we dat allemaal moeten doen, dus ik ook.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Nou, dat is mooi. Ik hoor verder geen vraag. Volgens mij staan er in mijn betoog wel degelijk een paar vragen om daadwerkelijk iets te veranderen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer El Abassi. Hij spreekt namens de fractie van DENK. Ik hoor u hoesten. Neem een slokje water. Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):

Voorzitter. We staan hier voor de 80.000 kinderen die op dit moment op een wachtlijst staan voor hulp. Kinderen van vlees en bloed, die vermorzeld worden door een falend, kil en bureaucratisch systeem.

Voorzitter. Het is nog geen twee jaar geleden dat Nederland schrok van het rapport Eenzaam gesloten. Jongeren vertelden hoe zij op ZIKOS-afdelingen soms 23 uur per dag werden opgesloten, geïsoleerd van de buitenwereld, terwijl zij juist zorg en bescherming nodig hadden. Het waren geen verhalen uit een ver verleden, maar uit onze eigen jeugdzorg. Jongeren die al kwetsbaar waren, verlieten deze instellingen met diepere trauma's dan die waarmee ze binnenkwamen. Het rapport leidde tot verontwaardiging, Kamerdebatten en de sluiting van de afdelingen, maar voor veel slachtoffers bleek de aandacht van korte duur. De deuren gingen dicht, maar voor de jongeren zelf begon de strijd pas echt.

Vandaag ligt er een nieuw rapport: Eenzaam gestorven. Dit rapport is nog pijnlijker is dan het eerste. Dat is niet omdat het nieuwe misstanden onthult, maar omdat het laat zien wat er gebeurde nadat de camera's verdwenen en de verontwaardiging verstomde. Jongeren bleven achter met trauma's, zelfmoordgedachten en een diepe behoefte aan erkenning. Vijf van de jonge deelnemers aan het onderzoek met zelfmoordgedachten zijn inmiddels overleden. Kan de minister uitleggen waarom de beloofde excuses en nazorg zijn uitgebleven? Is zij bereid om dit jaar nog te komen met een specifiek herstel- en ondersteuningsplan voor de voormalige ZIKOS-jongeren en hun nabestaanden?

Voorzitter. Het fundament van dit stelsel is rot. Dat heb ik vaker aangegeven. De decentralisatie is een mislukking. De Rijksoverheid heeft de loodzware pedagogische taken over de schutting van de gemeente gegooid en weigert de structurele portemonnee te trekken. Het rapport Groeipijn van de deskundigencommissie laat er geen misverstand over bestaan: de geplande bezuinigingen van honderden miljoenen zijn volstrekt onrealistisch en moeten onmiddellijk worden opgeschort. Ook de Raad voor het Openbaar Bestuur concludeert in het advies Afrekenen met disbalans dat er een diepe, structurele kloof gaapt tussen de wettelijke zorgplicht van gemeenten en de financiële middelen die zij krijgen. Wethouders worden door het Rijk gedwongen om te sturen op budgetplafonds in plaats van op de veiligheid van een kind. Dit is geen jeugdzorg, maar een kille bezuinigingsoperatie over de ruggen van onze kwetsbare jeugd. Is de minister bereid de conclusies van haar deskundigencommissie dit keer volledig over te nemen en deze onrealistische bezuinigingen onmiddellijk te stoppen?

Voorzitter. Dit systeem faalt niet alleen. Als dit systeem faalt, dan zijn de gevolgen werkelijk huiveringwekkend. Kijk ook naar de afschuwelijke zaak in Stadskanaal. Die werd eerder vandaag al genoemd. Die kwam deze week ook naar buiten. Een 6-jarig meisje werd stelselmatig gemarteld en uitgehongerd door haar eigen moeder. De details tarten elk voorstellingsvermogen. Dit kleine kind werd in de kelder vastgebonden aan leidingen. Ze werd als straf urenlang onder een ijskoude douche gezet. Ze werd gedwongen haar eigen braaksel van de vloer op te eten. Haar eigen kots. Er werd zelfs gesproken over het breken van haar vingers en het afknippen van haar oren, omdat ze flaporen heeft. Je maag draait hiervan om. Pure horror.

Het meest onverteerbare is dat dit weer gebeurde onder de radar van een falend systeem. De signalen waren er gewoon. Al in het jaar 2025 smeekte de basisschool Veilig Thuis om hulp, omdat het kind wonden op haar hoofd had en in de klas letterlijk omviel van de honger. In februari belandde ze zwaar ondervoed in coma op de intensive care. Wat gebeurde er na de ziekenhuisopname? Ze werd onder toezicht geplaatst van de William Schrikker Stichting. Het woord "schrikker" is hier niet voor niks in verwerkt. Dit is nota bene dezelfde stichting die onder andere faalde bij de zaak van het Vlaardings pleegmeisje en die vorig jaar nog onvoldoende scoorde bij de inspectie IGJ en de Inspectie Justitie en Veiligheid. Twee maanden later lag dit meisje weer in het ziekenhuis met wonden. De waarheid kwam nu pas aan licht. Die kwam gelukkig aan het licht, maar dat was niet vanwege doortastend ingrijpen van instanties maar doordat de daders onderling ruzie kregen. Ik vraag de minister hoe zij reflecteert op het feit dat de William Schrikker Stichting de verantwoordelijkheid behield na eerder falen in Vlaardingen en na een onvoldoende van de inspectie?

Tot slot, voorzitter. De inspectie sloeg vorig jaar al groot alarm over de jeugdzorg, maar door versnipperingen, personeelstekorten en instanties die langs elkaar heen werken, raken de meest kwetsbare kinderen uit het zicht en worden alarmsignalen genegeerd. Hoe vaak moeten we nog waarschuwen? Hoeveel kinderen moeten nog slachtoffer worden? Het wordt tijd dat iemand de verantwoordelijkheid neemt en dat er eindelijk regie komt.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een vraag. Meneer Ceder, gaat uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik deel dat die verschrikkingen nooit hadden mogen plaatsvinden en dat we te maken hebben met een falend systeem. Sterker nog, ik denk dat de Staat gewoon niet kan garanderen dat iemand er beter van wordt als die uit huis wordt geplaatst. Dat is een ernstige situatie. Ik heb wel moeite met het debat dat we hier vaak voeren als we het hebben over organisaties waar mensen werken die juist voor dit vak hebben gekozen omdat ze kinderen willen helpen. Ik verwerp de misstanden, ik verwerp ook de pleegouders en alle betrokkenen. Die moeten ook aangepakt worden, strafrechtelijk en op alle mogelijke wijzen.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mijn vraag is of de heer El Abassi wel, met mij, van mening is dat door het zo benoemen van een hele organisatie, we ook medewerkers — van wie er sommigen zitten te kijken — die met passie voor dit vak hebben gekozen, delegitimeren en we het werk misschien zelfs minder aantrekkelijk maken in een sector waar we al schrijnende tekorten hebben.

De heer El Abassi (DENK):

Zoals in elk debat geldt het volgende. Als we kritiek hebben op apparaten of instituties zoals bijvoorbeeld de politie, dan waardeer ik nog steeds het werk van onze politie. Maar als dit soort gruwelijke misstanden plaatsvinden, moeten we dat in dit huis benoemen. Het komt over alsof mijn vingers met name zijn gericht op de William Schrikker Stichting, maar dat is niet mijn bedoeling van vandaag en niet mijn bedoeling in eerdere debatten. Los van het feit dat ze een onvoldoende hebben gescoord en dat het daar vaker fout gaat, vind ik dat wij hier in dit huis … Ik wijs dus niet naar stichtingen, ik wijs om te beginnen naar onszelf en zeker naar dit kabinet om met oplossingen te komen. We zien keer op keer waar het fout gaat. We kunnen maatregelen nemen, er zijn tal van onderzoeken, aanbevelingen en conclusies die we kunnen overnemen. We doen dat keer op keer niet. Dan komen er weer gevallen en dan schrikken we weer — Schrikker we weer — keer op keer, zou ik willen zeggen via de voorzitter.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank aan mijn collega voor het plaatsen van een nuancering. Ik krijg uit werkbezoeken of in gesprekken vaak terug dat mensen voor het werken in de jeugdzorg hebben gekozen, met passie voor het vak. Zij vinden het ingewikkeld dat bij een incident — of incidenten, het zijn er veel te veel — vervolgens de hele sector of een hele organisatie aangesproken lijkt te worden. Dat maakt het ook minder aantrekkelijk om daar überhaupt langer aan de slag te gaan. Los van het stelsel en het geld, weten we dat een van de problemen het tekort aan mensen is. Dat is een factor. Ik wil meegeven dat het dan niet helpt als we in het debat over organisaties spreken alsof eenieder die daar met liefde voor kinderen staat te werken in het verdachtenbankje wordt geplaatst. Dat wilde ik nog even meegeven.

De voorzitter:

Ook het meegeven van zaken mag binnen 30 seconden, meneer Ceder.

De heer El Abassi (DENK):

Zeer zeker. Ik was al door mijn tijd heen, maar de heer Ceder geeft mij nu ook de gelegenheid om buiten de tijd om nog een keer aan de mensen die dit werk met veel liefde en passie doen, mee te geven dat ik ze alleen maar wil complimenteren. Ik waardeer enorm wat ze doen. Tegelijkertijd denk ik wel dat wij verschillen als het gaat om aansprakelijkheid. Ik denk dat stichtingen aansprakelijk gesteld moeten kunnen worden. De manier waarop we nu omgaan met verschillende casussen waarbij niemand regie neemt, waarbij niemand aansprakelijk is, maakt dat ik niet in dat systeem geloof. Ik geloof dat een stichting aansprakelijk moet kunnen zijn. Ik geloof dat iemand de regie moet nemen. Anders krijg je iedere keer weer dat stichtingen naar elkaar verwijzen, dat niemand de regie neemt en dat we achteraf hier weer schrikken maar dat niemand verantwoordelijkheid neemt. Ik denk dat we dat niet moeten hebben in dit land.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Helemaal mee eens. Niemand neemt de verantwoordelijkheid en ook het bestuur van de William Schrikker Stichting is naar aanleiding van de vreselijke incidenten niet opgestapt. Wat vindt de heer El Abassi daarvan?

De heer El Abassi (DENK):

Volgens mij was de heer Van Houwelingen al hierheen gelopen toen hij het laatste stuk van mijn betoog hoorde, namelijk dat ik inderdaad pleit voor aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid. Ik vind dat stichtingen, dus ook de William Schrikker Stichting, hier niet zomaar vanaf kunnen komen. Ik vind wel dat dit primair hier in dit huis begint. Wij moeten regels opstellen. Wij moeten ervoor zorgen dat er een regiehouder komt en dat we helder duiden wie er in welke gevallen aansprakelijk is. Dit betekent dat als dit soort misstanden gebeuren bij stichtingen — ook bij de William Schrikker Stichting, die ook heel veel dingen goed doet — zij daar echt aansprakelijk voor gesteld moeten worden. Dat geldt niet alleen voor de William Schrikker Stichting.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Daar ben ik het helemaal mee eens. Maar de raad van toezicht heeft het bestuur laten zitten. Ik concludeer dan maar dat er binnen het bestuur — ik heb het niet over de medewerkers — blijkbaar weinig zelfreinigend vermogen aanwezig is. Zou dan bijvoorbeeld, om een suggestie te doen, de inspectie in dat geval de directie ook niet moeten kunnen ontslaan, als er blijkbaar geen zelfreinigend vermogen is? Die bevoegdheid heeft de inspectie nu niet.

De heer El Abassi (DENK):

Als de heer Van Houwelingen in een motie pleit voor een onderzoek naar de misstanden binnen de William Schrikker Stichting en dat, als geconstateerd wordt dat daar verwijtbare misstanden hebben plaatsgevonden, dit moet leiden tot bijvoorbeeld het ontslag van het bestuur, dan steun ik die motie van harte. Dat durf ik hier vanachter de katheder te zeggen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

We zijn het volgens mij helemaal eens, maar het punt is alleen dat er vervolgens niks gebeurt. Dat is in dat rapport ook geconcludeerd. Ik heb dezelfde irritatie die u heeft. Mijn vraag is: moeten we dan iets optuigen waardoor bijvoorbeeld de inspectie kan zeggen "sorry jongens, jullie hebben er zo'n bende van gemaakt, nu moeten jullie wegwezen"? Kan er dan ergens van buitenaf — waar ik normaal tegen ben — worden ingegrepen?

De heer El Abassi (DENK):

Eens. Tegelijkertijd moeten we ook nadenken over wie het dan overneemt en hoe we voorkomen dat het de volgende keer weer gebeurt. Ik ben het dus helemaal eens met de heer Van Houwelingen. Tegelijkertijd ligt het genuanceerder dan de heer Van Houwelingen hier vertelt.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we nu aangekomen bij een bijzonder moment, want onze collega mevrouw Van Groningen, die spreekt namens de VVD, houdt haar maidenspeech. Zij heeft aangegeven aan het eind van haar betoog interrupties te verwelkomen. Ik heet ook de familie in de loge hartelijk welkom. Graag geef ik mevrouw Van Groningen het woord. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Groningen (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Het is een voorrecht om hier vandaag te mogen staan. Terwijl ik hier voor het eerst sta, besef ik dat eenieder van u hier ooit voor het eerst heeft gestaan. Wellicht was u toen, net zoals ik nu, zoals u kunt horen, een beetje gespannen. Ondanks dat elk verhaal van u destijds anders was, delen we allemaal dezelfde wens om ons Nederland een stukje mooier te maken. Ik wens ons dan ook toe dat we vandaag vanuit die passie dit debat met elkaar voeren.

Voorzitter. Dan neem ik u graag mee in waarom ik hier vandaag sta. Als klein meisje groeide ik op in een VVD-nest met twee werkende ouders, waar zelfredzaamheid en ook een goede discussie vanzelfsprekend waren. Aan onze keukentafel werd vaak gesproken over de samenleving en over politiek. Dat vond ik erg interessant, al wist ik toen nog niet dat ik hier ooit zou staan.

Destijds wilde ik drie dingen worden. Ik wilde dokter worden, net zoals mijn geliefde opa, rechter of politicus. Drie verschillende beroepen met één overeenkomst: mensen helpen om hun wereld een stukje mooier te maken. Voorzitter, ik hoef u niet uit te leggen welke van de drie het is geworden.

De drang om de wereld wat mooier te maken kwam niet zomaar. Als jong meisje raakte het mij als iemand niet werd gezien of werd gehoord. En waarom? Omdat ik dat gevoel heel goed zelf kende. Als kind werd ik jaren gepest, op de lagere school, op de middelbare school en ook nog even daarna. Dus ik weet hoe het voelt om buitengesloten te worden, hoe het voelt om niet gezien te worden en het gevoel te hebben dat jouw stem er niet toe doet. Dat gevoel, die machteloosheid, doet iets met een mens.

Voorzitter. Deze ervaringen hebben mij ook geleerd om dicht bij mezelf te blijven, ook al was dat niet altijd makkelijk. Maar vanuit mijn positieve levensinstelling ontstond de drive om te verbinden, om echt te luisteren naar mensen en om op te staan tegen onrecht, om echt eerlijk te zijn en verantwoordelijkheid te nemen in plaats van langs de zijlijn te staan en te kijken. Want iedereen verdient het om gezien en gehoord te worden.