Tweede Kamer, 83e vergadering
- Begin10:15
- Sluiting21:00
- StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Krul
Aanwezig zijn 129 leden der Kamer, te weten:
El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Bamenga, Becker, Beckerman, De Beer, Belhirch, Van den Berg, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bolhuis, Bontenbal, Boomsma, Boon, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Clemminck, Dassen, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Van Duijvenvoorde, Van Eijk, Ellian, Ergin, Faber, Flach, Goudzwaard, Grinwis, Van Groningen, Peter de Groot, Hamstra, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Jagtenberg, Chris Jansen, Jumelet, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maeijer, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Müller, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Paternotte, Patijn, Paulusma, Podt, Poortman, Prickaertz, Raijer, Rooderkerk, Russcher, Schenk, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Verkuijlen, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, De Vos, Wendel, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,
en mevrouw Aerdts, staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit, mevrouw Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de heer Van den Brink, minister van Asiel en Migratie, viceminister-president, de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, en mevrouw Tielen, staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie.
De voorzitter:
Ik open de vergadering van woensdag 17 juni 2026.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.
Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.
Onderwijskansen
Onderwijskansen
Aan de orde is het tweeminutendebat Onderwijskansen (CD d.d. 03/06).
De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Onderwijskansen. Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de leden van de Kamer van harte welkom. We gaan gelijk naar de eerste spreker. Dat is mevrouw Moorman. Zij spreekt namens PRO.
Mevrouw Moorman (PRO):
Goedemorgen, voorzitter. Goedemorgen, Kamer en staatssecretaris. Twee minuten, en vier minuten in de commissie, zijn natuurlijk veel te kort om over dit belangrijke onderwerp te spreken. Daarom ga ik maar meteen door naar mijn drie moties, en dan hoop ik dat we het nog vaak over kansengelijkheid gaan hebben.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het IELS-rapport van de OESO laat zien dat er grote niveauverschillen bestaan tussen 5-jarigen, dat deze verschillen lang doorwerken en dat vve een belangrijke rol kan hebben in het tegengaan van verschillen;
verzoekt de regering om in beeld te brengen hoe de bevindingen van de OESO omgezet zouden kunnen worden in beleid om kansenongelijkheid onder kinderen in het onderwijs in Nederland tegen te gaan, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 158 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de vrijwillige ouderbijdrage ervoor zorgt dat kinderen op de ene school veel meer en duurdere uitjes kunnen doen dan kinderen op de andere school;
overwegende dat dit kansenongelijkheid vergroot;
verzoekt de regering om in gesprek te gaan met het onderwijsveld om in kaart te brengen welke instrumenten denkbaar zijn om te borgen dat elk kind op schoolreisje kan en hoe deze gefinancierd kunnen worden, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 159 (36800-VIII).
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de harde schotten tussen onderwijs, kinderopvang en zorg maken dat kinderen niet optimaal in hun ontwikkeling kunnen worden ondersteund en dat de jonge jaren van een kind een cruciale periode zijn voor de ontwikkeling van kinderen;
constaterende dat de ministeries van SZW, OCW, VWS, BZK, VRO en JenV samenwerken aan een Sociale Agenda voor Nederland, waarbij vraagstukken worden aangepakt die op het snijvlak liggen van verschillende domeinen, waaronder jeugdhulp en -zorg, kinderopvang en onderwijs;
overwegende dat professionals vanuit het onderwijs, de kinderopvang, de zorg en het welzijnswerk moeten kunnen samenwerken aan een sterke pedagogische basis voor elk kind;
verzoekt de regering om te onderzoeken hoe de samenwerking tussen kinderopvang, onderwijs en zorg makkelijker en beter gemaakt kan worden, en hierover de Kamer te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 160 (36800-VIII).
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, het is gelukt.
Dank u wel.
De voorzitter:
En hoe!
De heer Ergin is de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Hij spreekt namens DENK. Gaat uw gang.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Ik vind het belangrijk dat we het op de lange termijn over onderwijskansen en kansengelijkheid hebben. Maar kansengelijkheid begint natuurlijk ook bij iets kleins. Ik noemde tijdens het commissiedebat het voorbeeld van de grab-and-gokast. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de grab-and-gokast een initiatief is waarmee scholen leerlingen anoniem kunnen voorzien van basisbenodigdheden zoals deodorant, maandverband en andere persoonlijkehygiëneproducten;
overwegende dat leerlingen die zich zorgen maken over hun persoonlijke hygiëne, zich minder goed kunnen concentreren tijdens lessen;
verzoekt de regering scholen te stimuleren om initiatieven zoals de grab-and-gokast breder uit te rollen in het land,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 161 (36800-VIII).
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter. Het tweede punt gaat over de schoolmaaltijden tijdens de zomer- en kerstvakantie. De staatssecretaris geeft in de brief aan dat dit wordt beperkt tot schoolweken, vanwege de grote vraag naar schoolmaaltijden. Ik vind dat geen goede ontwikkeling. Honger gaat namelijk niet op vakantie. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat 411.000 kinderen dankzij het schoolprogramma worden geholpen met een gevulde maag;
constaterende dat de regering vanwege de gestegen deelname ervoor kiest het budget alleen in te zetten tijdens schoolweken en de overbruggingspakketten voor de zomer- en wintervakantie te schrappen;
overwegende dat honger niet met vakantie gaat;
verzoekt de regering om schoolmaaltijden voor leerlingen tijdens de zomer- en kerstvakantie te behouden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 162 (36800-VIII).
De heer Ergin (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De heer Kisteman (VVD):
Ik ken mijn collega Ergin als een Kamerlid dat altijd van de kwaliteit is en overal goed naar kijkt. Als ik het goed begrijp, heeft zijn laatste motie geen dekking. Hoe wil de heer Ergin die maaltijden financieren?
De heer Ergin (DENK):
Volgens mij komt er binnenkort augustusbesluitvorming aan. Die zomer- en winterpakketten gaan om een klein bedrag; het gaat echt om een paar miljoen. Ik ben er van overtuigd dat we daar echt wel ruimte voor kunnen vinden in de augustusbesluitvorming. Ik zal in ieder geval de stukken die beschikbaar komen vanuit dat perspectief lezen. We weten dat het gaat om een zeer klein bedrag. Daarom hoeven we die dekkingsdiscussie wat mij betreft niet hier, nu al, van tevoren te voeren.
De heer Kisteman (VVD):
Komt de heer Ergin dan richting die begroting met een amendement of komt hij nu, via deze motie, zelf met een voorstel voor waar we dat geld eventueel moeten weghalen?
De heer Ergin (DENK):
Het voorstel dat in deze motie staat gaat erom dat we op korte termijn … Over drie weken begint het zomerreces hier in de Tweede Kamer. Een aantal weken daarna begint de zomervakantie in het land. Volgens mij kunnen we binnen het bestaande budget die overbruggingspakketten uitdelen. Bij de augustusbesluitvorming ga ik de begroting zeker dusdanig lezen dat ik met een dekkingsvoorstel kan komen om dit structureel te regelen.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik hoor meneer Ergin zeggen: een overbrugging, met name in de zomervakantie. Bent u het met me eens dat dit eigenlijk een verantwoordelijkheid is van de ouders, en niet van de overheid?
De heer Ergin (DENK):
In de ideale wereld ben ik het met mevrouw Raijer eens. In de ideale wereld hebben we geen crisis rondom bestaanszekerheid, hebben we niet te maken met structurele kinderarmoede, zijn er geen mensen die met een paar tientjes per week hun leven moeten doorkomen. Maar we weten hoe de praktijk is. Die praktijk is weerbarstig. Heel veel leerkrachten zien als ze lesgeven dat hun leerlingen niet opletten, geen energie hebben of geen concentratie hebben, omdat ze bezig zijn met ontbijt of persoonlijke hygiëne. Volgens mij kunnen we dat echt wel netjes oplossen met bijvoorbeeld die grab-and-gokast. Die kost ook niet tientallen miljoenen. Het is gewoon een klein initiatief dat binnen de bestaande bekostiging, denk ik, mogelijk is. Als dat niet zo is, hoor ik graag van de staatssecretaris wat daarvoor nodig is, maar dit moeten we gewoon kunnen regelen. Laten we de discussie alsjeblieft niet voeren over de ideale wereld die we voor ogen hebben, maar op basis van de praktijk en wat de leerlingen dagelijks meemaken.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Raijer is de volgende spreker. Ze spreekt namens de PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb vier moties, dus ik zal snel beginnen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering de leerplicht wil verlagen van 5 naar 4 jaar;
overwegende dat leerplichtambtenaren nu al overbelast zijn door het grote aantal thuiszitters en dat een verlaging van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar de druk op handhaving en uitvoering verder zal vergroten;
overwegende dat een kind van 4 jaar in de eerste plaats kind moet kunnen zijn en niet onnodig vroeg onder een wettelijke leerplicht moet worden gebracht;
verzoekt de regering af te zien van een verlaging van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 163 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jaarlijks circa 130 miljoen euro wordt besteed aan de maatschappelijke diensttijd;
overwegende dat onduidelijk is welk deel van deze middelen daadwerkelijk ten goede komt aan jongeren;
verzoekt de regering een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de doelmatigheid en effectiviteit van de maatschappelijke diensttijd, de Kamer hierover te informeren en geen uitbreiding of aanvullende financiering van de maatschappelijke diensttijd toe te staan voordat de resultaten van dit onderzoek met de Kamer zijn gedeeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 164 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat scholen steeds vaker worden belast met maatschappelijke, opvoedkundige en sociale taken;
overwegende dat de primaire taak van scholen het geven van onderwijs is;
verzoekt de regering nieuwe taken voor scholen kritisch te toetsen en geen extra opvoedkundige verantwoordelijkheden bij scholen neer te leggen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 165 (36800-VIII).
Mevrouw Raijer (PVV):
Tot slot, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering jaarlijks 135 miljoen euro uittrekt voor schoolmaaltijden;
overwegende dat het verzorgen van eten voor kinderen in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van ouders is en dat de belastingbetaler niet steeds verder moet opdraaien voor taken die bij ouders thuishoren;
verzoekt de regering bij nieuw beleid als uitgangspunt te hanteren dat opvoedings- en verzorgingstaken in de eerste plaats bij ouders liggen en te stoppen met het structureel overnemen van ouderlijke verantwoordelijkheden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 166 (36800-VIII).
U heeft nog een vraag van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik heb een vraag aan mevrouw Raijer over wat kinderen eraan kunnen doen als er thuis te weinig geld is om met een volle maag naar school te gaan. Wat denkt mevrouw Maijer dat dat voor effect heeft op de schoolresultaten van de kinderen, die daar niks aan kunnen doen?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik snap de vraag van mevrouw Moorman en ik begrijp de situatie helemaal. Toch blijft er een verantwoordelijkheid bij de ouders liggen, want er zijn ook zat ouders die hun kinderen gewoon niet met ontbijt naar school laten gaan omdat ze of geen tijd hebben of om andere redenen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Mijn vraag is of mevrouw Raijer denkt dat het dan alleen in Nederland een verantwoordelijkheid van ouders is, terwijl we overal in Europa zien dat kinderen daar gewoon schoolmaaltijden, meestal ook nog eens warme schoolmaaltijden, krijgen aangeboden. Is het dan niet gek dat dat hier per se bij de ouders moet liggen, terwijl het nu op scholen goed geregeld is?
Mevrouw Raijer (PVV):
De verantwoordelijkheid ligt bij ouders. Ik vind niet dat de belastingbetaler maar voor alles moet opdraaien. We zitten hier in Nederland en niet in de rest van Europa.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Boomsma. Gaat uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik heb een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat leerlingen die van huis uit een andere taal spreken dan Nederlands bij het leren van het Nederlands gebaat zijn bij een duidelijke aanpak en vooral heel veel Nederlands;
constaterende dat de methode om de thuistaal van leerlingen in te zetten bij het leren van Nederlands (talige diversiteit) onwerkbaar is omdat leraren en leerkrachten geen rekening kunnen houden met meerdere thuistalen in de klas;
constaterende dat uit onderzoek dat is verricht naar meertaligheid niet eenduidig blijkt dat het leren van Nederlands gebaat is bij de inzet van de thuistaal;
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat het Nederlands de leer- en instructietaal blijft in het reguliere funderend onderwijs en voor het vak Nederlands, en voorlopig geen stappen te zetten richting het stimuleren van talige diversiteit op school,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 167 (36800-VIII).
Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk is de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Zij spreekt namens Democraten 66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Naar aanleiding van het IELS-onderzoek, waaruit blijkt dat kinderen op 5-jarige leeftijd al moeite hebben met taal en achterstanden hebben, pleiten wij voor een doorlopende ontwikkellijn vanaf 0 jaar. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ieder kind recht heeft op een sterke start in een rijke pedagogische omgeving die bijdraagt aan brede ontwikkeling;
overwegende dat de eerste levensjaren cruciaal zijn voor de samenhangende ontwikkeling van taal, spel en sociale en emotionele vaardigheden;
overwegende dat uit onder meer het IELS-onderzoek van de OECD blijkt dat de kwaliteit van de vroege omgeving bepalend is voor latere ontwikkelkansen;
overwegende dat een integrale benadering van de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 12 jaar vraagt om meer samenhang tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs;
overwegende dat de huidige institutionele scheidslijnen tussen kinderopvang, voorschool en onderwijs een doorlopende ontwikkellijn kunnen belemmeren;
verzoekt de regering toe te werken naar een samenwerking tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs structureel binnen één doorgaande ontwikkellijn waarin de brede ontwikkeling van kinderen centraal wordt gesteld, en waarin taal, spel en sociale en emotionele ontwikkeling integraal wordt benaderd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 168 (36800-VIII).
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Armut. Zij spreekt namens het CDA.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voorschoolse educatie bedoeld is om jonge kinderen met een risico op een onderwijsachterstand een zo goed mogelijke start op de basisschool te geven;
constaterende dat 75% tot 80% van de geïndiceerde kinderen de weg naar voorschoolse educatie vindt, maar dat 20% tot 25% van deze kinderen nog niet wordt bereikt;
overwegende dat gemeenten, consultatiebureaus, wijkteams en voorschoolse voorzieningen, zoals peuterspeelzalen en kinderopvanglocaties, een belangrijke rol spelen bij het bereiken van ouders en het verlagen van drempels;
verzoekt de regering om samen met gemeenten, consultatiebureaus en voorschoolse voorzieningen in kaart te brengen welke geïndiceerde kinderen nog onvoldoende worden bereikt en welke belemmeringen daarbij spelen;
verzoekt de regering tevens om goede voorbeelden van gemeenten die deze kinderen en ouders wél effectief bereiken actief te verspreiden en beter te benutten;
verzoekt de regering de Kamer vóór de begrotingsbehandeling van OCW te informeren over de wijze waarop het bereik van voorschoolse educatie onder geïndiceerde kinderen concreet wordt vergroot,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Armut en Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 169 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het coalitieakkoord is afgesproken pesten tegen te gaan met bewezen effectieve methoden;
constaterende dat online pesten voor kinderen en jongeren niet ophoudt na schooltijd en vaak moeilijk zichtbaar is voor ouders en docenten;
constaterende dat uit onderzoek blijkt dat de gevolgen van online pesten vaak nog heftiger kunnen zijn dan pesten op het schoolplein, onder meer omdat het 24 uur per dag door kan gaan;
constaterende dat de Europese Commissie in februari 2026 een actieplan tegen cyberpesten heeft gepresenteerd, gericht op betere bescherming van kinderen en jongeren online;
overwegende dat scholen behoefte hebben aan handelingsperspectief over welke aanpak werkt bij het voorkomen, signaleren en aanpakken van online pesten;
verzoekt de regering om tijdens de Week tegen Pesten 2026 bewezen effectieve methoden, praktische handreikingen en goede voorbeelden voor de aanpak van online pesten actief onder de aandacht te brengen van scholen, en daarbij ook de rol van ouders te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Armut, Zwinkels en Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 170 (36800-VIII).
Mevrouw Armut (CDA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven zeven minuten nodig hebben te hebben om tot de appreciaties te komen. We gaan dus schorsen tot 10.37 uur. Ik schors de vergadering.
De vergadering wordt van 10.30 uur tot 10.37 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de beantwoording van de zijde van het kabinet en de appreciatie van de moties. De staatssecretaris heeft het voor elkaar gekregen om per minuut de appreciatie van twee moties voor te bereiden met haar ondersteuning. Laten we kijken of dat ook lukt in de beantwoording. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
We gaan het zien, voorzitter, dank u wel. Er zijn inderdaad dertien moties en geen vragen, dus ik ga beginnen met de appreciaties.
De motie op stuk nr. 158 van mevrouw Moorman gaat over de bevindingen die in het onderzoek naar the early learning child zijn gedaan. Ik heb dat al toegezegd. Daarmee zou ik 'm kunnen overnemen of overbodig kunnen verklaren. Het belang daarvan delen mevrouw Moorman en ik.
De voorzitter:
Ik kijk even naar mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik herinner mij dat de staatssecretaris in een commissiedebat inderdaad heeft toegezegd dat ze met een brief komt. Maar in deze motie staat dat we ook graag zouden willen zien hoe die grote verschillen tussen kinderen op 5-jarige leeftijd kunnen worden voorkomen. Begrijp ik goed dat de staatssecretaris ook een analyse maakt van hoe die verschillen tot stand komen en hoe we dat kunnen bestrijden? Want dan kan ik mijn motie intrekken.
De voorzitter:
De motie was eigenlijk al overgenomen, maar we gaan even luisteren naar wat de staatssecretaris nu zegt.
Staatssecretaris Tielen:
Dat moet volgens mij altijd met toestemming van de indiener. Mevrouw Moorman en ik delen dit belang. Dus ja, die analyse nemen we mee. Er zijn, denk ik, twee plekken waar we hierop doorgaan. Aan de ene kant gebeurt dat in de versterkingsagenda rondom basisvaardigheden, want dit gaat voor een heel groot deel over taalbeheersing, lezen en schrijven. Aan de andere kant gebeurt dat rondom het jonge kind. Daar kom ik zo meteen bij een aantal andere moties nog op terug. Mevrouw Moorman en ik delen de verwachting dat we hier wat dieper op ingaan en dat we ook met oplossingen komen.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dan vind ik het prima dat die wordt overgenomen.
De voorzitter:
De motie-Moorman (36800-VIII, nr. 158) is overgenomen.
Dan de motie op stuk nr. 159.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 159 van mevrouw Moorman gaat over de samenwerking … Nee, even kijken, ik moet wel de goede erbij houden. Die gaat over het onderwijsveld, over schoolreisjes en de financiering daarvan. Ik wil me eigenlijk best wel veel bemoeien met het onderwijs, zeker als het gaat over kwaliteit en veiligheid, maar dit is een onderwerp waar ik mij eigenlijk gewoon niet mee wil bemoeien. Die motie ontraad ik dus.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dit begrijp ik echt niet. Wij hebben nu wel degelijk de wettelijke maatregel dat de ouderbijdrage niet verplicht is. We zien daarvan de effecten in het onderwijs. Daarvan zegt de staatssecretaris dat ze zich er niet mee wil bemoeien. Zegt de staatssecretaris daarmee eigenlijk dat schoolreisjes wat haar betreft niet bij het onderwijs horen? Dat is namelijk de consequentie van wat de staatssecretaris zegt.
Staatssecretaris Tielen:
Allereerst is er een wetsevaluatie. Er is dus op basis van de wet waar mevrouw Moorman naar verwees, bekeken of er samenhang is tussen bijvoorbeeld de ouderbijdrage en wat daaruit voortvloeit. Maar ik vind dat heel goed onderwijs leveren onze kernopdracht is. Dat betekent: kwaliteit van onderwijs en veiligheid op scholen. Ik vind niet dat dit een zaak is voor het Rijk.
De voorzitter:
Eéntje?
Staatssecretaris Tielen:
Ik ontraad 'm dus.
De voorzitter:
We doen één vervolgvraag.
Mevrouw Moorman (PRO):
In het eerste deel van de beantwoording ontkracht de staatssecretaris wat ze zelf zegt. Er komt namelijk een evaluatie, dus het Rijk bemoeit zich er wel degelijk mee. Vervolgens zegt ze dat het alleen maar over kwaliteit van onderwijs gaat. Ik stel dus toch nog eenmaal mijn vraag. Volgens de staatssecretaris valt onder kwaliteit van onderwijs dus niet het feit dat je als kind op schoolreisje kan tijdens je schoolperiode?
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind niet dat we daarover hier beleid moeten maken. Er is een wet gemaakt over de vrijwillige ouderbijdrage. Uiteindelijk is het aan scholen om in gesprek met ouders invulling te geven aan hoe ze omgaan met extracurriculaire activiteiten zoals sportdagen en schoolreisjes. Ik hoop dat voor ieder kind dat soort extracurriculaire activiteiten mogelijk zijn.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 159: ontraden. Dan komen we bij de motie op stuk nr. 160.
Staatssecretaris Tielen:
Bij de motie op stuk nr. 160 van mevrouw Moorman vinden we elkaar weer wat beter, denk ik. Ik ben het namelijk heel erg eens met de vraag om die samenwerking tussen kinderopvang, onderwijs en zorg te verbeteren. Ik zou die dus ook graag willen overnemen van mevrouw Moorman.
De voorzitter:
Ik zeg er wel bij dat zowel het dictum als alle overwegingen volledig in lijn moeten zijn met het standpunt van de staatssecretaris, als zij 'm overneemt. Ik kijk even naar mevrouw Moorman.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, zo had ik deze motie ook gelezen.
De voorzitter:
Hartstikke fijn. Mevrouw Moorman, heeft u er bezwaar tegen dat de staatssecretaris deze motie overneemt? Dat is niet het geval. Dan gaan we 'm overnemen.
De motie-Moorman (36800-VIII, nr. 160) is overgenomen.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 161 van de heer Ergin gaat over de grab-and-gokasten. We hadden het er in het commissiedebat over dat dat een sympathiek initiatief is. Overigens was ik van de week op een school waar ze ook leeskasten hebben waar je boeken kunt lenen en omwisselen. Er zijn veel van dat soort initiatieven die ervoor zorgen dat ieder kind toegang heeft tot een aantal zaken die voor hem of haar, en voor zijn of haar ontwikkeling, belangrijk zijn. Ik vind het een sympathiek initiatief. Ik kan de motie ook oordeel Kamer geven. Daarbij zeg ik dat ik het met scholen kan bespreken en onder de aandacht kan brengen. Ik kan scholen ook helpen om goede tips daarover over te nemen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 161: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 162.
Staatssecretaris Tielen:
Ik kom bij de motie op stuk nr. 162 over de schoolmaaltijden. Ik heb daar een brief over geschreven. Zoals in het interruptiedebatje werd geconstateerd, is er geen geld voor die motie, dus ik ontraad 'm.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 162: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 163 van mevrouw Raijer begint met een constatering die niet klopt. We hebben niet gezegd dat we de leerplicht willen verlagen. We hebben in het coalitieakkoord opgenomen dat we een aanmeldplicht vanaf 4 jaar willen om ervoor te zorgen dat kinderen in beeld zijn. Ik ontraad deze motie dan ook.
De voorzitter:
Ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 164 van mevrouw Raijer gaat over de maatschappelijke diensttijd. Ik heb net, volgens mij vorige week, een brief gestuurd over het onafhankelijke onderzoek naar die maatschappelijke diensttijd. Dat maakt dat ik deze motie ontraad.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 164: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 165 van mevrouw Raijer gaat over het kritisch toetsen van nieuwe taken voor scholen. Dat voelt als een belangrijke opdracht voor mij, dus daar ben ik al druk mee bezig. In een aantal debatten met uw Kamer komt dat, denk ik, ook wel naar boven. Tegelijkertijd liggen opvoeding en onderwijs wel in elkaars verlengde. Overigens, voor de mensen die het leuk vinden: in het Latijn bestaat hetzelfde woord voor "opvoeden" en "onderwijs". De scherpe scheiding die mevrouw Raijer tussen die twee wil maken, kan ik niet maken. Daarom ontraad ik de motie op stuk nr. 165.
De voorzitter:
Welk woord is dat dan?
Staatssecretaris Tielen:
Dat is de oorsprong van het woord "educatie".
De voorzitter:
Mooi. De motie op stuk nr. 165: ontraden. De motie op stuk nr. 166.
Staatssecretaris Tielen:
"Educare": "opvoeden" of "opleiden".
De motie op stuk nr. 166 van mevrouw Raijer gaat nog een stapje verder. Ze zegt dat we ook structureel moeten stoppen met het overnemen van ouderlijke verantwoordelijkheden. Hoewel ik wel voel wat ze daarmee bedoelt, is het zo scherp opgeschreven dat ik daar gewoon niet achter kan staan, want het opvoeden van een klas is ook onderdeel van de vaardigheid en het vakmanschap van een docent. Ik ontraad dus de motie op stuk nr. 166.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 166: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Bij de motie op stuk nr. 167 van de heer Boomsma sta ik om een paar redenen graag ietsje langer stil. Meneer Boomsma constateert dat niet eenduidig blijkt dat het leren van Nederlands gebaat is bij de inzet van een andere taal. Dat is niet waar. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat talige diversiteit, zoals dat zo prachtig heet, daadwerkelijk positieve invloed heeft op het ontwikkelen van een taal. Daarnaast vraagt meneer Boomsma in zijn dictum om als leer- en instructietaal Nederlands te houden. Daar ben ik het helemaal mee eens; dat is ook helemaal ons plan en dat gaan we dus zeker doen. Vervolgens zegt hij: voorlopig geen stappen zetten op het stimuleren van talige diversiteit. Als ik het goed begrijp — daarom sta ik hier wat langer bij stil — probeert hij daarmee eigenlijk te zeggen: niet bemoeien met wat in de klas gebeurt en wat de docent doet. Dat is precies waarop wij ons onderwijs überhaupt gebaseerd hebben. Wij bemoeien ons namelijk niet met de lesmethode die docenten toepassen. Dat deel van het dictum snap ik dus niet helemaal. Ik kan daar ook niets over zeggen. Ik kan dus zeggen dat ik de motie ontraad. Ik kan ook zeggen dat het eerste deel van het dictum overbodig is. Maar ja …
De voorzitter:
Zullen we 'm gewoon ontraden?
Staatssecretaris Tielen:
Ontraden is dan natuurlijk het makkelijkste, maar dat vindt meneer Boomsma niet zo leuk.
De heer Boomsma (JA21):
Dat doet helemaal niet ter zake, maar ik ben enigszins verbaasd omdat wij deze motie natuurlijk al van tevoren hebben overgelegd. Dat is dan natuurlijk ook een kans om verduidelijking te vragen voordat we dat hier in de plenaire zaal doen. Maar het is nog beter om dat in alle transparantie te doen; dat is dus geen punt. Maar ik ben ook verbaasd dat de staatssecretaris zegt dat wetenschappelijk volledig vaststaat dat die talige diversiteit in de didactiek effectief is in het leren van Nederlands. Dat is helemaal niet het geval. Er zijn onderzoeken die die kant op wijzen, maar er zijn ook heel veel onderzoeken die daar vraagtekens bij zetten. Dat moet ik dus toch echt betwisten. Er is een onderzoek gepresenteerd. Daar gaat het kabinet nog op reageren. Ik wil dus in ieder geval dat de komende tijd vanuit het kabinet geen stappen worden gezet om deze meertalige didactiek verder te verspreiden.
De voorzitter:
Heeft u ook een vraag?
De heer Boomsma (JA21):
Dat is de verduidelijking waarom gevraagd werd door de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Boomsma refereert nu aan meertalige didactiek, wat weer iets anders is dan meertaligheid. Daar zit een deel van onze spraakverwarring in, denk ik. In de kerndoelen die we vorige week in de Eerste Kamer hebben vastgelegd, staan een aantal dingen over talige diversiteit. Daar ga ik niet in treden, want die hebben we vastgelegd in de kerndoelen. Scholen gaan er nu mee aan de slag om daar curricula en lesmethoden voor te bouwen. Als meneer Boomsma tegen mij zegt "ga nou niet duwen om dat alleen maar vanuit meertalige didactiek te doen, want stel dat je docent bent en te maken hebt met kinderen die tien verschillende thuistalen hebben, dan wordt dat heel ingewikkeld", dan snap ik dat heel goed. Met die interpretatie zou ik 'm oordeel Kamer kunnen geven, omdat, nogmaals, het eerste deel van het dictum gewoon overbodig is.
De voorzitter:
Ik vind het wel een beetje verwarrend worden, eerlijk gezegd.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat vind ik ook.
De heer Boomsma (JA21):
Ik ga er nog even goed naar kijken. Misschien sturen we nog een aangepaste versie in.
Staatssecretaris Tielen:
Dan ontraad ik 'm nu; dat is dan het helderste. Dan ga ik nog met meneer Boomsma in gesprek om te zorgen dat we elkaar goed begrijpen, want dat is de kracht van taal.
De voorzitter:
Dan wordt de motie op stuk nr. 167 ontraden. Ik ga ervan uit dat als die gewijzigd wordt, er voor de stemmingen een nieuwe appreciatie komt van het kabinet.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat lijkt me handig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 168.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 168, van mevrouw Rooderkerk, gaat over het toewerken naar een samenwerking tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs. Daar zijn we mee bezig. Daar hebben we het in het commissiedebat natuurlijk ook over gehad. Ik pak ook de lead, zeg maar. Ik heb het dan vooral over kinderen van tussen de 2,5 en 4 jaar oud, over met name die periode. Daar komt een brief over. De motie geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 168: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Maar dit is best wel een lange motie en ik heb niet heel snel gezien of ik alles ... Ik hoorde de voorzitter zeggen dat alles precies zo moet zijn. Dat kan ik nu niet checken, dus ik geef 'm voor nu oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 169, van mevrouw Armut, gaat over het bereik van voorschoolse educatie. Ik geloof inderdaad dat ik ook in het debat heb gezegd dat ik het heel erg eens ben met haar aandacht daarvoor. Ook deze is best wel lang. Ik zou 'm over kunnen nemen.
En de laatste, van mevrouw Armut ...
De voorzitter:
Ik heb eerst een knikje nodig.
Staatssecretaris Tielen:
O ja, een knikje.
De voorzitter:
Ik zie een knikje.
De motie-Armut/Rooderkerk (36800-VIII, nr. 169) is overgenomen.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 170, van mevrouw Armut, gaat over onlinepesten en de Week tegen Pesten. We gaan zo meteen nog een paar uur met elkaar in debat over veiligheid in en om het onderwijs, maar het lijkt me goed om deze motie oordeel Kamer te geven om al een eerste stap te zetten richting veiliger onderwijs.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 170: oordeel Kamer. Dat was 'm. Daarmee is er een einde gekomen aan het tweeminutendebat Onderwijskansen.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering voor een enkel ogenblik, een paar minuten. Ga niet te ver weg. Daarna gaan we verder met de Wet vrij en veilig onderwijs. Ik schors de vergadering voor een paar minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Wet vrij en veilig onderwijs
Wet vrij en veilig onderwijs
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet medezeggenschap op scholen, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van het veiligheidsbeleid op scholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (36777).
(Zie vergadering van 2 juni 2026.)
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het vervolg van de wetsbehandeling van de Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 et cetera, et cetera, oftewel de Wet vrij en veilig onderwijs. We waren gebleven bij de eerste termijn van de zijde van de staatssecretaris. Welkom terug, zou ik bijna willen zeggen. We gaan in de eerste termijn ook de appreciatie van de amendementen krijgen. Het is een wetsbehandeling. Ik ga het aantal interrupties niet maximeren. Mochten we toch uit de pas lopen, dan moeten we daar later op terugkomen.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. We hebben twee weken warm kunnen draaien om antwoord te geven op alles wat in de eerste termijn van de Kamer is gewisseld. Ik heb eerst een inleiding, om iedereen weer eventjes terug te brengen naar waar we het ook alweer over hadden.
Voorzitter. Het is onze kernopdracht om alle kinderen steengoed onderwijs te bieden, zodat ze leren lezen, leren rekenen, hun talenten ontplooien en een plek vinden als volwassenen in de samenleving. Onderwijs is van weinig waarde als kinderen met lood in de schoenen of met buikpijn naar school gaan omdat ze zich niet veilig voelen, omdat ze opgewacht en gepest worden, omdat een docent steeds weer te dichtbij komt of omdat er in de klassenapp of op Snapchat een vervelend filmpje rondgaat. Niemand is tegen vrij en veilig onderwijs; dat hoorde ik ook uw leden zeggen in de eerste termijn. School moet een veilige plek zijn, waar een veilige cultuur heerst en waar onveiligheid kan worden voorkomen. De school moet als een veilige gemeenschap voelen. "De school als minisamenleving", zei een aantal van uw leden al.
Maar uw Kamer is ook kritisch, met als belangrijkste vragen: "Brengt deze wet de gewenste veiligheid dichterbij? Wat is de plek van preventie?" Om even in mijn termen te blijven: voorkomen is immers beter dan registeren. Afgelopen jaar lagen er bij de vertrouwensinspecteurs bijna 3.000 dossiers op basis van meldingen van onveiligheid. Dat waren er 600 meer dan het jaar ervoor. Helaas weten we dat we daarmee niet alle incidenten in beeld hebben, want nog te vaak melden kinderen, ouders of docenten het niet als er wat aan de hand is. Bovendien geldt dat juist kinderen met een specifieke achtergrond extra kwetsbaar zijn. Denk aan leerlingen met een lhbtqi-achtergrond of leerlingen van Joodse komaf.
Als je je niet veilig voelt op school, dan helpt het niet om grammatica of de stelling van Pythagoras te leren. Dan zijn er andere dingen nodig. Daar moeten we voor zorgen. Daarom sta ik hier nu om de Wet vrij en veilig onderwijs met uw Kamer te bespreken. De kern van de wet is dat scholen een gedegen veiligheidsbeleid hebben, dat structuur biedt om te werken aan preventie, een positief pedagogisch klimaat en een handelingsperspectief bij onveiligheid.
Voorzitter. Een wet alleen gaat die veiligheid natuurlijk niet brengen, maar we zetten hiermee wel een basisnorm neer van wat we van scholen verwachten en waar we schoolbesturen op aan kunnen spreken, een basisnorm die voor de meeste scholen niet nieuw is en die voor veel scholen dus weinig extra inspanning zal vergen. Die basisnorm is dan ook met name een opdracht aan scholen die echt nog een been bij moeten trekken op het gebied van veiligheid. Ik ben er daarmee van overtuigd dat deze wet helpt om de verschillen in veiligheid tussen scholen te verkleinen, omdat we ermee borgen dat alle scholen aan een veilig schoolklimaat bouwen.
Overigens zijn er een paar misverstanden die ik nog even weg wil nemen voordat ik de antwoorden inga. Allereerst is het een misverstand dat de wet niet over online incidenten zou gaan. Ook incidenten online hebben immers impact op de veiligheid op school en vallen dus ook onder deze wet. Dat is van groot belang, aangezien we weten dat er online veel gebeurt wat impact heeft op de veiligheid en het veilige klimaat op school.
Voorzitter. Ik zal in mijn betoog eerst stilstaan bij mijn visie op veiligheid op school, mede in reactie op een vraag van mevrouw Moorman. Dan komen de vragen rond nut en noodzaak en de proportionaliteit van de wet. Vervolgens loop ik de vragen langs die gaan over de verschillende maatregelen die in de wet staan en dan volgen nog een aantal specifieke overige onderwerpen. Dus: visie, nut en noodzaak, maatregelen en overige. Tot slot zal ik de appreciaties van de amendementen met u delen.
De voorzitter:
Er wordt gevraagd of we de interrupties na de blokjes doen. We zitten redelijk goed in de tijd, dus als het tussendoor kan, heb ik daar ook geen problemen mee. Als we echt uit de pas gaan lopen, gaan we het wel wat strakker doen, maar ik zou eigenlijk wat losjes willen zijn. Laten we als er een vraag opkomt, die dus gewoon gelijk stellen.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Veiligheid ontstaat niet door papier of wetgeving, maar door wat docenten, ouders en leerlingen dag in, dag uit doen in de klas en op het schoolplein. Leerlingen moeten zich gezien en gehoord weten. Een veilige school heeft duidelijke regels en afspraken, waarbij docenten, leerlingen en elkaar aanspreken als deze regels worden overtreden. Het gaat over voorspelbaarheid. We bouwen daarmee op de professionaliteit van het onderwijspersoneel, dat weet hoe je werkt aan een goede relatie met alle leerlingen, hun ouders en elkaar, waarmee je een pedagogische basis bouwt.
Preventie is daarbij essentieel. Het gaat er dan om dat leerlingen leren te praten over wat ze wel en niet prettig vinden en het leren aan te geven als er iets gebeurt dat voor hen niet oké is. Ze moeten weten bij wie ze terechtkunnen als ze ergens over willen praten of iets willen melden. Het zijn zo'n schoolcultuur en zo'n pedagogische basis die maken dat leerlingen en personeel zich veilig kunnen voelen. Die schoolcultuur wordt gemaakt door schoolleiders en leraren op school zelf. We mogen rekenen op hun professionaliteit om daar dagelijks aan te werken. Op veel scholen gebeurt dit ook, maar helaas niet overal. Dan vind ik het aan de wetgever om helder te zijn over wat we hierin als basis verwachten van scholen en uiteraard om hulp te bieden als dat nodig is. Daar werk ik aan.
In de eerste plaats heeft deze wet zelf een preventieve werking. Een belangrijk element van de wet is dat er schoolveiligheidsbeleid is, waarbij er zicht is op de veiligheid op school. Als je goed zicht hebt op de veiligheid en de onveiligheid die op school voorkomt, kun je daarvan leren als school om ervoor te zorgen dat bepaalde incidenten niet steeds opnieuw gebeuren. Dan kan je aan preventie werken. Het wetsvoorstel stimuleert ook het gesprek op school over veiligheid door de verplichte evaluatie die is opgenomen in de wet en door te borgen dat elke school vertrouwenspersonen heeft. Daardoor heeft iedereen een plek waar hij of zij terechtkan bij een gevoel van onveiligheid. Dat alles legt de basis voor een schoolcultuur waarin bewust wordt gesproken over veiligheid en, nogmaals, waarin leerlingen zich gezien en gehoord weten. Die basis is cruciaal om ook preventie te kunnen toepassen.
Daarbij is deze wet niet het enige instrument dat ik inzet. Juist omdat preventie en het werken aan een veilige schoolcultuur zo belangrijk zijn, subsidieert het ministerie al sinds jaar en dag de Stichting School & Veiligheid, die scholen helpt op dit gebied. Zij zijn expert in hoe je een veilig schoolklimaat creëert en aan preventie van onveiligheid werkt, ook online. Ik was vorige week nog bij een workshop daarover en dat was indrukwekkend. Ik doel dan ook op het indrukwekkende aanbod van handreikingen, tools en kennis die de Stichting School & Veiligheid aan scholen biedt, waarmee ze elk jaar duizenden scholen een stap verder helpt op weg naar een veilig schoolklimaat. Daarnaast hebben de onderwijsraden, dus de PO-Raad en de VO-raad, specifiek middelen ontvangen om scholen te helpen een veilige schoolcultuur te realiseren, uiteraard nadrukkelijk in samenwerking met ouders.
Ik besef heel goed dat dit een basis is. Met een wet borgen we dat alle scholen werk maken van veiligheid en dat alle scholen een veiligheidsbeleid hebben dat up-to-date is en elk jaar up-to-dater wordt.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik zat even te twijfelen waar ik de interruptie zou plegen. Er werd veel gesteld door de staatssecretaris. Laat ik beginnen bij de opmerking dat dit preventief zou werken. De staatssecretaris stelt: dit heeft in zichzelf al een preventieve werking en bovendien zijn er middelen. Die middelen zijn niet gekoppeld aan dit wetsvoorstel. Die middelen waren er al, maar dit wetsvoorstel komt erbij. Dat betekent dat dit extra moet worden gedaan uit de bestaande middelen. Hoe moet dat dan voor scholen? Mijn vraag over de preventieve werking is ook: hoe ziet de staatssecretaris dat dan voor zich als juist de Raad van State zegt dat dit mogelijkerwijs zelfs een contraproductief effect gaat hebben?
Staatssecretaris Tielen:
Om met het tweede te beginnen: naar aanleiding van het advies van de Raad van State zijn wij de hele memorie van toelichting doorgelopen om te kijken wat de Raad van State zegt en wat we daardoor nog beter moeten uitleggen of op een ander moment moeten duiden. Waar de Raad van State naar verwees bij het potentiële contraproductieve effect, als ik het goed zeg, is dat als scholen niet weten wat ze wel en niet moeten registreren, het effect kan ontstaan dat ze het wel of niet gaan registreren. Maar dat is natuurlijk een redelijk brede interpretatie. Wat we met deze wet doen, is scholen in ieder geval de opdracht geven om dat veiligheidsbeleid te maken, om incidenten naar hun eigen inzicht te registreren, op de manier waarop zij dat willen doen. Het is ook bedoeld om het eigen inzicht in de veiligheid te versterken en zo het veiligheidsbeleid te kunnen verbeteren.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Staatssecretaris Tielen:
De middelen voor de Stichting School & Veiligheid waren er al. Die stichting bestaat en doet supergoed werk. Dat werkt heel goed. Door dit wetsvoorstel komen er wel extra middelen voor de sectorraden om het mogelijk te maken de veilige schoolcultuur volgens de wet te implementeren.
Mevrouw Moorman (PRO):
In het tweede deel zegt de staatssecretaris dus eigenlijk dat er geen extra geld komt. Blijkbaar moet het dan dus ergens anders vanaf. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan: wat moeten scholen dan niet meer doen om dit wel te kunnen doen?
Voorzitter. Toch nog over het eerste deel van de beantwoording. Eerlijk gezegd, snap ik niet zo goed wat de staatssecretaris nou zegt. De Raad van State is klip-en-klaar, hè? Zij zeggen: de vraag is echt of dit tot een veiliger schoolklimaat leidt. Sterker nog, de Raad van State zegt dat de kans heel groot is dat dit tot een ónveiliger schoolklimaat leidt omdat scholen die registratie niet willen doen. Ik ga het even heel concreet maken. Stel dat een leerling een andere leerling in de klas uitscheldt. Vervolgens gaat de leraar, die zeer professioneel is, het gesprek aan met die twee leerlingen en de ene leerling biedt dan zijn excuses aan aan de andere leerling. Moet daarvan volgens de staatssecretaris een registratie plaatsvinden?
Staatssecretaris Tielen:
Dat is aan de scholen zelf, want dat schrijven we niet zo voor in de wet. Wat wij zeggen is dat scholen veiligheidsincidenten moeten registreren die voor hen een impact kunnen hebben. Denk aan fysiek geweld, stelselmatige discriminatie en dat soort dingen. Waar we uiteindelijk naartoe willen, is natuurlijk dat dit überhaupt niet gebeurt. Dat is preventie, maar het is echt aan de docent zelf om te bepalen of hij het gesprek naar aanleiding van een scheldpartij wel of niet in de registratie wil opnemen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dit is nou precies het probleem: wat is nou een veiligheidsincident? Laat ik het nog een keer concreet maken. De ene leerling duwt een andere leerling op het schoolplein. Dat is fysiek geweld. Dat is onveilig. Het professionele handelen van bijvoorbeeld een schooldirecteur is echter zodanig dat hij die leerlingen bij zich roept, hun vraagt waarom dit gebeurt en zegt: dit mogen jullie zo niet doen. Zij spreken met elkaar, en daardoor leidt dit juist tot preventie. Moet dit dan geregistreerd worden? Ik zeg dat niet alleen. Dat zegt ook de Raad van State. De hele sector zegt: "We weten niet wanneer we moeten melden. We weten niet wanneer we moeten registreren. Sterker nog, we zijn hier zo bang voor dat wij die registratie buiten onszelf gaan plaatsen."
Staatssecretaris Tielen:
Een aantal dingen moet zeker wel geregistreerd worden. Dan moet u denken aan fysiek geweld of aan stelselmatige discriminatie. Ik noemde het net al. In de wet staat dat dat soort dingen, die echt heel, heel onveilig zijn, geregistreerd moeten worden. Alles wat daartussen zit, hoort ook bij het preventiebeleid van de school. Ik vind dat juist belangrijk. Daarom staat het er ook in. De school stelt een veiligheidsbeleid vast en de school evalueert dat elk jaar. Daar heeft de school inzicht voor nodig. Als de school ziet dat een kind stelselmatig in schelden uitbarst en daarmee andere kinderen probeert te kleineren en dat een veiligheidsincident vindt, dan kan de school dat opschrijven als een veiligheidsincident. Ik ga niet controleren of dat wel of niet gebeurd is. Dat hebben we namelijk niet in die wet opgeschreven. De veiligheidsregistraties of incidentenregistraties zijn bedoeld voor de school zelf, om inzicht te krijgen in het eigen veiligheidsbeleid: werkt het of moet het beter? Daar gaat het om.
De heer Boomsma (JA21):
Voor mij is het in ieder geval nog niet helder. Stel dat leerlingen met elkaar vechten. De een geeft de ander een duw en die ander valt om. De staatssecretaris zegt dat fysiek geweld altijd moet worden geregistreerd. Valt dit daar dan onder of niet?
Staatssecretaris Tielen:
Als er vervolgens lichamelijke schade is, om het maar zo te zeggen, en het kind op de eerste hulp behandeld moet worden omdat er schade is door fysiek geweld, dan lijkt mij dat wel een veiligheidsincident. Zo hebben we dat ook opgeschreven: fysiek geweld met lichamelijk letsel tot gevolg. Kijk, ik ga niet vanuit deze zaal — dat doet u ook niet — of vanuit het ministerie al die veiligheidsregistraties langs. Dat is niet het doel van het registreren. Het doel van het registreren is dat de scholen daar zelf inzicht in krijgen: zijn wij nou een veilige school, waar schort het aan en welke dingen gaan wij samen registreren? Ik stel vast dat, als je op een school met elkaar een veiligheidsbeleid maakt, het ook handig is om daar met elkaar afspraken over te maken.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Boomsma (JA21):
De staatssecretaris zegt: het doel van de wet. Maar het gaat niet alleen maar om het doel, het gaat ook om de werking ervan en om de effecten op wat scholen dan vervolgens moeten doen. Dat is mij nog steeds niet duidelijk. Als een leerling bijvoorbeeld een blauwe plek heeft, tja, dan moet hij niet naar de eerste hulp, maar is het wel een fysiek incident. Voor mij is dit dus op dit moment ook nog niet duidelijk, en voor scholen blijkbaar op dit moment ook niet. Verder is het natuurlijk zo dat de Raad van State niet zegt dat het alleen zit in de onduidelijkheid waardoor het misschien wel een averechts effect kan hebben. Het gaat erom dat dit een focus creëert op procedures, op registreren, administreren, melden en dergelijke, en dat die focus op de procedurele kwesties juist afleidt van het open gesprek, het intern oplossen en een gezonde sfeer op school. Volgens mij klopt het dus niet wat de staatssecretaris zegt, dat het alleen ging over de mogelijke onzekerheid over wat je moet registreren. Het gaat meer om de hele aanpak die gefocust is op het procedurele in plaats van op de cultuur op school.
Staatssecretaris Tielen:
Het gekke daar is dat de overgrote meerderheid van de scholen zelf al een veiligheidsbeleid heeft en zelf ook met elkaar afspraken heeft gemaakt over hoe om te gaan met veiligheidsincidenten, en een heel groot deel van de scholen nog niet. Nogmaals iets over het doel en de werking. Het doel is een goed veiligheidsbeleid. Als je niet weet hoe veilig het is op je school, kun je ook niet toetsen of je beleid klopt en of het ook echt veilig is op school. Je hebt inzicht nodig. En inzicht verkrijgen doe je door met elkaar af te spreken welke veiligheidsincidenten je registreert op school en hoe je dat gebruikt in je evaluatie over een jaar, als je het veiligheidsbeleid met elkaar evalueert. Daar gaat het om. Als er dan docenten zijn die zeggen "tja, ik weet niet of ik dit moet registreren", zou het een handige volgende stap zijn om het daar dan even met een aantal collega's over te hebben. Dat is volgens mij precies waar deze wet toe moet leiden: dat je met elkaar een veilig, voorspelbaar schoolklimaat creëert waarin de regels duidelijk zijn, waarin sancties en handhaving helder zijn. Maar wij moeten dus geen lijstjes maken, want dan klopt daar altijd wel iets niet aan. Scholen moeten zelf dat lijstje maken en zelf afspraken maken, en dat gebruiken bij het verbeteren van hun veiligheid.
De voorzitter:
Als uw onafhankelijk voorzitter krijg ik wel een beetje het idee dat we al in het blokje nut, noodzaak en proportionaliteit terechtgekomen zijn.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, een beetje wel.
De voorzitter:
Maar goed, misschien kunnen we dan het tweede kopje wat inkorten.
De heer Boomsma (JA21):
Nog één ding. Kijk, natuurlijk houden de meeste scholen het bij en houden ze in de gaten hoe het gaat op hun scholen. Als er incidenten zijn, vechtpartijen, dan weet men dat. En natuurlijk zijn scholen bezig om te proberen te voorkomen dat leerlingen met elkaar gaan vechten of dat er allerlei andere ellende gebeurt; dat is gewoon evident. In principe doet elke school, elke leraar dat al. Maar hier gaat het er natuurlijk ook om dat als je een wettelijke verplichting oplegt, dan ook de structuur en het gewicht veranderen van zo'n procedure voor iets wat men nu sowieso al doet in vrijwel alle scholen, namelijk gewoon bijhouden wat er gebeurt. Als je zo'n verplichting toevoegt, met alles wat daarbij komt, dan verandert dat ook de aard daarvan; dan legt men dus juist meer de nadruk op de procedures. Daar gaat het hier om.
Staatssecretaris Tielen:
Ik snap wat meneer Boomsma zegt. Er zijn een paar dingen die ik in respons daarop wil zeggen. Eén is: ook al is het maar 5% of 10% dat het niet goed doet, dan vind ik dat te veel. Dat betekent dan dat er gewoon scholen zijn waar kinderen niet zeker weten of ze veilig zijn en ook niet weten waar ze naartoe moeten als dat niet zo is. Dat is dus één. Ik vind 5% of 10% dan echt gewoon niet weinig.
Het tweede is dat we met een wet een norm stellen: we vinden het belangrijk dat dat veiligheidsbeleid er is. Nou, daar hadden we al een wet voor en in de wetsevaluatie bleek dat er wel behoefte is om dit vaker te evalueren en dat daar dan ook een registratie op zit. De heer Boomsma zegt: de meeste scholen weten het wel. Maar op heel veel scholen werken best wel veel mensen en die zitten daar niet van 's ochtends acht uur tot 's avonds acht uur. Het is goed om van elkaar te weten wat er voor veiligheidsincidenten zijn, ook om patronen te kunnen herkennen en om het daar met elkaar over te hebben, om als een ouder vraagt of het vaker gebeurt of een incidentje is, te kunnen zeggen dat je dat bijhoudt. Dus ik weet wel wat de heer Boomsma bedoelt, maar er zitten toch wel een aantal elementen in waarvan ik zeg: ik zie dat echt anders.
De heer Van Houwelingen (FVD):
In aanvulling hierop. Dit is natuurlijk een draak van een wet. Die geeft allemaal registratieverplichtingen. Scholen hebben daar niks aan. Waar scholen wel wat aan zouden hebben, is dat, als ze bijvoorbeeld honderd keer geregistreerd hebben dat er een pestkop op school zit, die dan van school kan worden gestuurd. En dat kan dan dus niet, want dan moet er natuurlijk een vervangende school worden gezocht. Dan is mijn vraag aan de staatssecretaris: daar zouden die scholen wel wat aan hebben, dus zou de staatssecretaris willen onderzoeken of het mogelijk is of wil ze met een wetsvoorstel komen om het voor scholen makkelijker te maken — wat nu dus niet het geval is — om zo'n pestkop, als die twintig keer geregistreerd is, straks van school te kunnen sturen?
Staatssecretaris Tielen:
Als meneer Van Houwelingen de Staat van het Onderwijs leest — dat is best een dik boek, hoor — dan ziet hij dat het nu al bijgehouden wordt als er kinderen van school moeten worden gestuurd in verband met ernstige overtredingen wat betreft veiligheid, regels en dat soort dingen. Dat gebeurt al. Ik ben dus niet meteen bereid om daar weer een nieuwe wet voor te maken, heel eerlijk gezegd.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het probleem is, zoals de staatssecretaris ongetwijfeld weet, dat kinderen niet … Stel dat je een pestkop op school hebt zitten. Die staat straks twintig keer geregistreerd, maar die kan niet zomaar van school worden gestuurd. Daar hebben de scholen last van. Die willen van zo'n leerling af, want die verziekt de sfeer op school. Ze willen dat kind van school hebben. Wij steunen dat van harte. Dat kan betekenen dat het kind geen onderwijs meer krijgt; dat is dan maar zo. Omdat daar een heel probleem van wordt gemaakt — er moet bijvoorbeeld een andere school worden gezocht — blijft die pestkop op school zitten. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus of ze met wetgeving of iets wil komen. Daar hebben scholen wat aan. Scholen kunnen dan makkelijker een kind van school sturen. Dat is mijn vraag.
Staatssecretaris Tielen:
Van de bijzin van meneer Van Houwelingen, "dat is dan maar zo", neem ik even afstand. In bijzinnen worden vaak dingen gesteld die volgens mij niet door iedereen zomaar worden omarmd. Maar, nogmaals: er zijn al allerlei mogelijkheden voor scholen om veiligheid te garanderen. Deze wet gaat dat nog verbeteren. Ik denk niet dat we individuele personen als debatmiddel moeten gebruiken in het kader van deze wet.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, tot slot. Dan concludeer ik wel iets interessants. De staatssecretaris trekt een grote broek aan en zegt: we gaan voor veiligheid op school zorgen. Maar uiteindelijk staat ze nu eigenlijk achter die pestkoppen. Dat is wat er gebeurt. Ze maakt het scholen onmogelijk om daarvan af te komen. Scholen zouden er wat aan hebben als het ze mogelijk werd gemaakt om van zo'n pestkop af te komen. Daar heeft een school wat aan, maar dat gebeurt dus niet. Hadden we maar zo'n wetsvoorstel gehad. Dáár hadden we wat aan gehad.
Staatssecretaris Tielen:
Daar hoef ik verder niet op te reageren.
Mevrouw Moorman (PRO):
De antwoorden van de staatssecretaris roepen best wel wat vragen op over het nut en de noodzaak, maar dat is het volgende blokje. Ik wil nu dus nog even bij de visie blijven. Ik heb de staatssecretaris een aantal keer horen zeggen dat dit leidt tot meer voorspelbaarheid. Tegelijkertijd heb ik haar horen zeggen dat het aan de scholen zelf is of ze vinden dat iets geregistreerd moet worden en dat zij dat niet gaat dicteren. Maar hoe is het dan voorspelbaar?
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat het op zichzelf twee dingen zijn. Aan de ene kant gaat het om een voorspelbaar schoolklimaat met voorspelbare regels. Ik noem maar iets. Als de regel op school is dat je niet over de trappen rent, krijg je allereerst een waarschuwing als je wel over de trappen rent. Dan doe je het nog een keer enzovoort. Dat is voorspelbaarheid. Dat gaat dus breder dan alleen maar grote veiligheidsincidenten. Het gaat over een pedagogisch veilig schoolklimaat. Als het gaat om registraties zeg ik nogmaals het volgende. Een aantal dingen die echt geregistreerd moeten worden, hebben we wel in de wet opgenomen. Daarnaast is het aan scholen zelf om te bepalen of die ene duw fysiek geweld is of niet en of dat geregistreerd wordt. Maar we willen dat de dialoog op gang komt en dat scholen zich bewust zijn van wat hun veiligheidsbeleid wel en niet kan doen. Daarmee moeten ze voorkomen dat onveiligheid ontstaat.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik heb net al gezegd dat ik zo meteen terugkom op nut en noodzaak. Er zijn al 3.000 meldingen, dus de vraag is wat dit toevoegt. Ik zeg toch nog even wat over die voorspelbaarheid. Ik hoor de staatssecretaris namelijk meerdere keren zeggen dat deze registraties belangrijk zijn omdat we daarmee trends en verschillen tussen scholen kunnen zien.
Staatssecretaris Tielen:
Nee, we …
De voorzitter:
Hoho. Mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Maar als ik nu naar de staatssecretaris luister, denk ik ten eerste: we weten helemaal niet wat er achter die cijfers schuilgaat. Wanneer wordt het nou wel en wanneer wordt het nou niet geregistreerd? Bovendien beluister ik in de beantwoording van de staatssecretaris dat scholen er verschillend mee om mogen gaan. Dus nog buiten het feit dat het contraproductief kan werken en er misschien wel minder wordt geregistreerd, omdat scholen er dan misschien een beetje angstig voor worden en er helemaal het geld niet voor hebben, is het ook nog eens een keer helemaal niet goed interpreteerbaar.
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij is er nog een ander misverstand, dat ik dan maar uit de weg moet ruimen. Dat heb ik verzuimd, omdat ik dat nog niet zo zag. Het is dus niet zo dat er een landelijke database komt met Excelbestanden enzovoort enzovoort waarin alle veiligheidsincidenten worden geregistreerd. Het doel van die registratie is namelijk niet dat "ik" of "we" inzicht hebben. Zoals mevrouw Moorman zegt: er zijn al registraties. Het gaat erom dat scholen zelf een veiligheidsbeleid hebben dat ze met feiten en cijfers kunnen onderbouwen en evalueren. Die registraties zijn bedoeld voor de scholen zelf. Als de inspectie langskomt en zegt "dit lijkt me toch wel een onveilige school", om wat voor reden dan ook — bijvoorbeeld die andere registraties — dan kunnen scholen laten zien: "We houden dat op deze en deze manier bij. Dat gebruiken we in de evaluatie en zo gaan we om met het veiligheidsbeleid." Dat is het doel; geen grote database.
De voorzitter:
Tot slot mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Met alle respect, maar het wordt mij steeds onduidelijker. Als scholen dit zelf op hun eigen manier kunnen interpreteren en op hun eigen manier kunnen registeren, hoe moet de inspectie daar dan toezicht op houden? Moet de inspectie dan elke keer vragen: hoe doet u dat dan precies, hoe hebt u dat gedaan en wat zit er dan achter? Hoe moet de inspectie dan beoordelen bij de scholen of het op de juiste manier is gegaan? Bovendien ligt er dan een fundamenteel wantrouwen ten opzichte van scholen onder, want de meeste scholen doen dit natuurlijk. Ik zie dan ook niet hoe dit tot meer preventie gaat leiden. Ik ben bang dat de antwoorden van de staatssecretaris mij alleen maar meer in verwarring brengen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is vervelend, want uiteraard ging ik hiernaartoe om met de Kamer in debat te gaan om echt een aantal misverstanden, die ik in de eerste termijn van uw Kamer al langs hoorde komen, en nu nog steeds, uit de weg te helpen. Ik begon er al over: elke school wil veilig zijn. Natuurlijk. Wij vinden het allemaal heel belangrijk dat elke school veilig is, want anders kom je niet aan leren toe. In deze wet staan een aantal normen over wat je doet om die veiligheid op jouw school goed neer te zetten, met een gedegen veiligheidsbeleid, dat structuur biedt om te werken. Zo staat het ook in de memorie van toelichting. Ik noem preventie, positief schoolklimaat en handelingsperspectief bij onveiligheid. Daar gaat deze wet over. Nogmaals, wij hoeven niet te controleren wat scholen wel of niet registreren. Het is een manier voor scholen om hun eigen veiligheidsbeleid toetsbaar en op feiten gebaseerd neer te zetten en daarmee een veiliger schoolklimaat te creëren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De staatssecretaris weet dat ik kritisch ben over nut en noodzaak, maar daar gaat de staatssecretaris zo iets over zeggen. Ik ben in ieder geval blij met de opmerking dat scholen die data vooral voor zichzelf gebruiken en dat het dus niet zo is dat het ministerie of de Tweede Kamer elk jaar hier een groots debat heeft over: kijk nou eens hoeveel registraties de school in noord of die in zuid heeft. Dat is niet de bedoeling. Voor mij was het wel een zorg dat we gaan registreren om vervolgens scholen die hun best doen om het veiliger te maken daarop vervolgens af te rekenen. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat daar wat meer licht zit. Dat roept bij mij wel de vraag op waarom dit dan niet een vrijwillig karakter kan krijgen.
De voorzitter:
Dat is een mooie vraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nou, dan hou ik 'm even hierbij, als de voorzitter het mooi vindt.
Staatssecretaris Tielen:
Deze wet is er niet omdat iemand ergens een keer bedacht: zullen we deze wet eens gaan maken? De wet is gebaseerd op de evaluatie van de wet inzake schoolveiligheid die in 2021 is uitgevoerd. Die incidentregistraties worden nu niet altijd gedaan. De meldroutes zijn niet altijd handig. Wat wij met deze wet doen, is scholen die dat nog niet hebben gedaan aan het werk zetten om zelf op een goede manier hun veiligheidsincidenten te registreren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Een van de zorgen die ik heb, is dat dat vervolgens leidt tot een gedragsverandering. Scholen die nu al het goede gesprek normerend op het schoolplein of de klas voeren op het moment dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag, gaan dat niet meer doen, maar gaan registreren. Er ontstaat dan een gedragsverandering waarvan ik niet per se weet of de school daar veiliger van wordt.
Mijn andere zorg is dat die cijfers, of dat nou in schoolverbanden, regionaal of op welke wijze dan ook gebeurt, jaarlijks gebruikt gaan worden om toch te kijken welke school veiliger is dan de andere. Ik vraag me af of de staatssecretaris de zorg kan wegnemen dat die twee gedragsveranderingen door het aannemen van deze wet zullen optreden. Mij lijkt het heel evident, omdat die data er zijn en je daar vervolgens ook conclusies uit gaat trekken. Dan krijg je een ongewenst effect ten opzichte van wat de staatssecretaris wil: intern gebruik; je schrijft het op, dan heb je er beleid op en verder is er niemand die daar verder iets van hoeft te vinden. Ik zie toch veel losse eindjes. Kunt u uitleggen hoe dat scenario wordt voorkomen?
Staatssecretaris Tielen:
Dat is altijd moeilijk, want dan moet je een soort van als-danredenering volgen en het is soms lastig om op basis van feiten te beargumenteren, omdat die feiten er nog niet zijn. Uiteindelijk gaat het voor scholen zelf ... Ik denk dat scholen zelf ook wel enigszins zicht willen hebben op hun feiten en cijfers op het gebied van veiligheid. Dat is ook wel wat ik terughoor van schoolbestuurders en schoolleiders. Om te voorkomen dat data met elkaar gedeeld worden, is uiteindelijk ook weer aan de scholen zelf. Het is aan hen wat ze wel en niet met hun data willen doen. Er is wel een instantie die daar zeker inzicht in mag hebben, en dat is de inspectie, als die daar aanleiding toe heeft.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot. Kan de staatssecretaris in ieder geval toezeggen dat, mocht deze wet worden aangenomen — dat weet ik nog niet, maar dat gaan we merken — de onderwijsinspectie de data natuurlijk mag opvragen op het moment dat er bezoeken plaatsvinden, maar dat daar vervolgens niet een soort van protocol uit ontstaat dat de onderwijsinspectie die data van tevoren al als meetpunt gaat nemen, zonder dat dit gekoppeld is aan bezoek? Ik snap dat de inspectie de data opvraagt als ze op bezoek gaat, maar ik zie ook een risico dat de onderwijsinspectie dit als een soort van preventief inschattingsinstrument gaat zien. Volgens mij ontstaat daaruit dan wat ik net zei: de onderwijsinspectie gaat de data zo gebruiken, alle scholen gaan ze zo gebruiken en voordat je het weet staan wij hier elk jaar als Tweede Kamer aan te wijzen welke school wel of niet veilig is, en dat is volgens mij niet de bedoeling van deze staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Er zijn natuurlijk ook andere veiligheidsdata. Ik hoor goed wat de heer Ceder zegt, maar wil daar in tweede termijn op terugkomen, om even goed voor mezelf scherp te hebben wat de inspectie nu gebruikt om vergelijkingen te maken als het gaat om een veiliger schoolklimaat en welk risico daarin zit. Ik kom daar dus in tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Laten we een klein beetje gas op die lolly zetten en in ieder geval visie gewoon afronden. Daarna doen we weer ...
Staatssecretaris Tielen:
Visie had ik afgerond. Ik was bij nut en noodzaak.
De voorzitter:
Nou, dan gaan we nut en noodzaak ook afronden.
Staatssecretaris Tielen:
Ik kijk even wat ik daar nog over moet zeggen en wat ik nog niet heb gezegd in de afgelopen interruptiedebatjes. Het makkelijke wat ik in ieder geval wil zeggen, is dat we natuurlijk balans moeten zoeken, maar dat is een open deur. Aan de ene kant is de veiligheid op school gewoon superbelangrijk en aan de andere kant moeten we ook voorzichtig zijn om niet te veel aan bureaucratie en registraties te doen, en dat is natuurlijk precies wat we nu aan het doen zijn, volgens mij ook in dit debat. Ik zie dus aan de ene kant de noodzaak om dat veiligheidsbeleid op scholen echt gedegen, geëvalueerd en gebaseerd op feiten te krijgen, en aan de andere kant ook niet te overdrijven in wat we allemaal gaan voorschrijven. Daar kom ik straks bij de amendementen nog even op terug.
Er is ook een landelijke Veiligheidsmonitor, waarop nu al gemonitord wordt hoe het gaat met de veiligheid op scholen. We weten dat meer dan de helft van de middelbare schoolleerlingen weleens een incident op school heeft meegemaakt. We weten ook dat lang niet alles wordt gemeld. Ook onderwijspersoneel heeft helaas te maken met onveiligheid. Daar heeft de vakbond CNV Onderwijs recent nog een onderzoek over gepubliceerd.
Een aantal van uw leden vroeg wat dan de oorzaak van de toename van onveiligheid op scholen is. Dat is moeilijk zomaar met één antwoord te benoemen. Waar het om gaat, is dat de maatschappij de school en de klas in komt. Verharding en polarisatie zien we overal in onze samenleving en die hebben uiteraard ook hun effect op school. Tegelijkertijd is school ook een andere plek gaan innemen, waarbij de gemeenschap, de minisamenleving, soms wel, maar soms ook nog niet als zodanig wordt gevoeld.
De cijfers zijn dus duidelijk en zoals ik al zei, komt uit de wetsevaluatie van 2021 voort dat we er echt nog wat aan te doen hebben om de wet te verbeteren. Ook vanuit bijvoorbeeld de vakbonden is positief gereageerd op het voornemen om met deze wet aan de slag te gaan, omdat dit de veiligheid moet verbeteren.
Ik loop even langs hoe we de evaluatie en andere data hebben gebruikt om te komen tot dit wetsvoorstel. Het is namelijk niet zo dat iemand dit in zijn eentje heeft zitten verzinnen. De verdieping en de verbreding van de leerlingenmonitor, die onderdeel is van de wet, komt voort uit de evaluatie van de Wet veiligheid op school. We zagen dat scholen eigenlijk te weinig zicht hebben op de ervaren veiligheid. De meldplicht voor ernstige incidenten komt voort uit een aangenomen motie-Peters/Pouw-Verweij, die vraagt om een meldplicht. De uitbreiding van de meld-, overleg- en aangifteplicht is gebaseerd het onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs, waaruit bleek dat scholen in de praktijk vaak zelf beoordelen of sprake is van seksueel misbruik, zonder daarbij de expertise van bijvoorbeeld de vertrouwensinspectie te gebruiken. Daardoor wordt veel seksueel grensoverschrijdend gedrag niet herkend en wordt er te weinig aangifte gedaan.
De evaluatie van het klachtenstelsel resulteerde in de aanbeveling om de interne en externe vertrouwenspersoon te verplichten, zoals we nu hebben opgenomen, omdat leerlingen, ouders en ook personeelsleden aangaven dat ze een gebrek hadden aan onafhankelijke en laagdrempelige steun als het gaat over onveiligheid. In diezelfde evaluatie van het klachtenstelsel stond ook de aanbeveling om scholen te verplichten zich aan te sluiten bij een landelijke klachtencommissie, omdat kleinere lokale commissies minder goed bleken te zijn in klachtenbehandeling.
Nog weer even terug naar de evaluatie van de Wet veiligheid op school. Daaruit bleek ook dat scholen hun veiligheidsbeleid eigenlijk niet evalueren. Daardoor wordt het goede gesprek over wat nodig is op school om veiligheid te garanderen, waar we eerder naar verwezen, vaak niet gevoerd. En als het wordt gevoerd, is het niet gebaseerd op een gedeeld en goed beeld van wat er daadwerkelijk op school is gebeurd in het jaar daarvoor.
Deze wet lost een aantal praktische knelpunten op en is een belangrijke stap om een norm te stellen en scholen te vragen te doen wat ze minimaal moeten doen om hun veiligheid op orde te brengen. Dat betekent dus dat alle scholen goed zicht moeten hebben op hun veiligheidssituatie; daar heb ik al naar verwezen. Bij signalen van onveiligheid moet er goede ondersteuning en begeleiding zijn, bijvoorbeeld door vertrouwenspersonen en klachtencommissies. Het veiligheidsbeleid moet jaarlijks kritisch worden geëvalueerd, samen met de medezeggenschapsraad. Op die manier moet het ertoe leiden dat iedereen op school gehoord en ook geholpen wordt als het gaat over veiligheid, en dat het gesprek over veiligheid vaker en beter onderbouwd wordt gevoerd. Dat is cruciaal om het veiligheidsbeleid te kunnen verbeteren en om te kunnen voorkomen dat onveiligheid plaatsvindt, zeker voor leerlingen die het meest te maken hebben met onveiligheid; dat noemde ik al eerder. Heel veel scholen doen het al, maar nog lang niet alle scholen hebben de basis goed op orde wat betreft de maatregelen die zijn benoemd. De wet vraagt dan ook vooral iets van scholen die dat nog niet op orde hebben.
Er zijn veel vragen gesteld over administratieve lasten, onder anderen door mevrouw Armut, mevrouw Moorman, meneer Boomsma, meneer Claassen, meneer Ceder en meneer Kisteman. De vraag is: welke balans vinden we? Wegen de baten op tegen de lasten? Ik vind het eigenlijk best normaal, zoals ik daarstraks in een bijzin ook al zei, dat een school bijhoudt wat er aan veiligheidsincidenten is. En dat is het dus ook, want de meeste scholen doen het al. Overigens heeft een heel groot deel van de scholen, 79%, al een interne en externe vertrouwenspersoon, maar 20% dus niet. Een heel groot deel van de scholen is al aangesloten bij een landelijke klachtencommissie. De meerwaarde van deze wet is dan ook vooral dat we een standaard en een norm stellen waaraan alle scholen moeten voldoen wat betreft hun veiligheidsbeleid. Het meerwerk voor scholen betreft dus vooral scholen die de basis nu nog niet op orde hebben. Scholen waar dit wel voor geldt, zullen weinig extra inspanning hebben door deze wet.
Mevrouw Moorman vroeg ook: bent u niet bang dat personeel gaat vertrekken op scholen omdat er administratieve lasten zijn? Nou, dat denk ik niet. De bedoeling is dat scholen veiliger worden. Ook het personeel heeft daar baat bij, want een veilige school is ook een aantrekkelijkere school om voor te werken. Juist personeel op scholen waar de veiligheid nu nog niet de norm haalt, gaat baat hebben bij deze wet, is onze verwachting. Dat is ook verwachting van de bonden.
Mevrouw Moorman (PRO):
Het moeilijke is dat het eigenlijk steeds op twee gedachtes hinkt. Aan de ene kant zegt de staatssecretaris: het gebeurt eigenlijk al, dus het kost geen extra werk en ik hoef er dus ook geen extra geld voor te geven. En aan de andere kant zegt de staatssecretaris: dit is echt heel belangrijk, want dit maakt het onderwijs veiliger. Het kan natuurlijk niet allebei tegelijkertijd waar zijn. Het is het een of het ander, tenzij de staatssecretaris zegt: ik heb een aantal scholen in beeld waarvan ik denk dat deze wet ze gaat helpen. Dan is mijn vraag: waarom mist er een hele heldere analyse van de scholen waarvan de staatssecretaris het idee heeft dat ze dat nu nog niet doen en dat ze dat met deze wet wel gaan doen? En waar gaat het dan ten koste van? Wat gaan die scholen dan niet meer doen wat ze nu wel doen?
Staatssecretaris Tielen:
Wat die scholen nu niet doen, is bijhouden of hun veiligheidsbeleid werkt, hoeveel incidenten er zijn, wat er met die incidenten gebeurt en of er vertrouwenspersonen zijn voor scholieren en personeelsleden. Dat moeten die scholen in gaan regelen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Moorman (PRO):
Maar welke scholen zijn dat dan? Hebben we een analyse van welke scholen dat zijn? Of zegt de staatssecretaris: ik zie een aantal scholen waar geen incidenten zijn en daar heb ik dan vraagtekens bij? Voorzitter, sta mij toe dat ik dan een vergelijking wil maken met bijvoorbeeld het opstellen van een proces-verbaal door een leerplichtambtenaar. Daarvan hebben we juist met z'n allen gezegd: het is goed als er minder processen-verbaal zijn, want we moeten met elkaar in gesprek. Het feit dat er minder processen-verbaal zijn, betekent dus juist niet dat het niet goed gaat. Ik wil graag weten van de staatssecretaris waar zij het op baseert dat er scholen zijn die niet op de juiste manier registreren en daarmee geen goed veiligheidsbeleid hebben. Ik mis gewoon die hele analyse onder deze wet.
Staatssecretaris Tielen:
Dat baseer ik op de wetsevaluatie die in 2021 is gedaan van de Wet veiligheid op school. Als mevrouw Moorman aan mij gaat vragen welke scholen dat dan zijn, zou ik iets gaan doen wat mevrouw Moorman volgens mij ook niet wil, namelijk met naam en toenaam zeggen welke scholen wel en niet veilig zijn. We weten dat een heel groot deel van de scholen een goed veiligheidsbeleid heeft. We weten dat een heel groot deel van de scholen incidenten al registreert, maar een deel ook niet. Zoals ik daarstraks al zei: ik vind dat niet acceptabel. Ik vind het namelijk gewoon te veel als 5% tot 10% van de scholen dat niet doet en geen zicht heeft op de veiligheid op de school. Als wij een wet maken, maken we die voor iedereen. Niet voor een groepje, niet voor een deel, niet voor een selectie, niet voor één of twee scholen; we maken een wet die voor iedereen geldt. Daarmee stellen we als wetgevers ook een norm en zeggen we: wij vinden het belangrijk dat u een degelijk veiligheidsbeleid heeft, dat gebaseerd is op feiten, en wij vinden het belangrijk dat u dat jaarlijks toetst en bijstuurt.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Maar nergens in die wetsevaluatie staat dat scholen vragen om meer registratie. Wat er staat in die wetsevaluatie, is dat scholen de behoefte hebben om hun schoolveiligheidsbeleid met name op preventie te verbeteren. Er staat dat ze jongerenwerkers in de school willen hebben, dat ze scholing willen hebben en dat ze een goed pedagogisch klimaat willen hebben. Nergens staat dat die 5% tot 10% van de scholen er baat bij heeft om meer te gaan registreren. Nogmaals, waar baseert de staatssecretaris deze analyse op? Ik mis gewoon een heel fundament onder deze wet en dat mist de Raad van State ook.
Staatssecretaris Tielen:
De Raad van State is een stevig argument, maar volgens mij moeten we dat ook niet telkens benoemen. De Raad van State heeft een advies gegeven. Ik heb al gezegd hoe we zijn omgegaan met de memorie van toelichting om dat te verbeteren. U kunt wel zeggen dat u de analyse mist, maar we weten gewoon dat heel veel scholen geen zicht hebben op wat er eigenlijk op school gebeurt, en dat ze hun veiligheidsbeleid dus niet hebben gebaseerd op feiten en toetsing. Wat er voortkomt uit het veiligheidsbeleid, is goed. Ik denk dat mevrouw Moorman daar een aantal goede dingen noemt. Sommige scholen hebben er inderdaad baat bij als de wijkagent één of twee keer per week even in gesprek gaat. Sommige scholen hebben baat bij een samenwerking met jongerenwerk die die veiligheid borgt. Maar die keuze kun je pas maken als je weet hoe het gaat met de veiligheid op je school.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, een punt van orde.
De voorzitter:
Een punt van orde.
Mevrouw Moorman (PRO):
De staatssecretaris zal het niet zo bedoelen en ze zegt het ook netjes, maar ik vind het wel vrij ingewikkeld als de staatssecretaris over de Raad van State, een zeer gerenommeerd instituut dat ons als Kamer ook echt helpt om de wetsevaluaties goed te doen, zegt: die moeten we niet steeds benoemen. Ik denk dat het juist heel belangrijk is dat we de oordelen van de Raad van State serieus nemen.
De voorzitter:
Mevrouw Rooderkerk was eerst.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ook vanuit D66 zijn we kritisch op het vergroten van de administratieve druk en regeldruk voor scholen. We willen natuurlijk vooral dat leraren zich kunnen bezighouden met hele goede lessen. Maar veiligheid is daar een randvoorwaarde voor. Scholen geven vooral aan: help ons nou met preventie en ondersteuning om echt voor meer veiligheid te zorgen. Zou de staatssecretaris kunnen ingaan op de manier waarop ze dat vanuit het ministerie wil doen?
Staatssecretaris Tielen:
Ik noemde al de Stichting School & Veiligheid, die nu al scholen bijstaat, zowel bij het maken en evalueren van beleid als bij het omgaan met incidenten en het creëren van een veilig schoolklimaat. Dat is een van de belangrijkste stichtingen om scholen daarbij te helpen. Er zit veel expertise, zowel op het gebied van fysieke onveiligheid als onlineveiligheid. Uiteindelijk komt het neer op het volgende. Als een school een veiligheidsbeleid maakt, ga ik ervan uit — ik denk dat iedereen dat doet — dat daarin staat dat het onveiligheid zo veel mogelijk wil voorkomen en de maximaal mogelijke veiligheid op school wil hebben. Daar zit dus inherent preventie in. Ik begrijp soms niet helemaal dat we daar zo anders naar kijken.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Die stichting is er en ondersteunt scholen ook al. Zijn er dan ook zaken waarvan de staatssecretaris zegt: daar willen wij extra op inzetten, want we hebben zorgen over die veiligheid en we delen bijvoorbeeld heel erg de zorgen over onlineveiligheid? Wat wordt er dan extra gedaan om te zorgen dat scholen daarin ondersteund worden?
Staatssecretaris Tielen:
Stichting School & Veiligheid is eigenlijk voortdurend in gesprek met scholen over wat zij nodig hebben. Soms zijn er trends in de maatschappij. Ik geloof dat ik daar straks in een aantal antwoorden op vragen ook op terugkom. Denk aan onlinetrends rondom bijvoorbeeld de manosfeer. De Stichting School & Veiligheid speelt best wel snel in op dat soort ontwikkelingen door expertise bij elkaar te pakken en via een aanbod aan scholen over hoe ze daarmee om kunnen gaan. Aan de ene kant is dat beleidsmatig, aan de aan de andere kant is dat letterlijk in de klas. Zo is er de subsidie schurende gesprekken, ook voor docenten. Als die onveiligheid in de maatschappij de klas binnenkomt, hoe ga je daar dan mee om? Hoe creëer je het goede gesprek, ook in de klas? Dat soort dingen lopen en die blijven toegankelijk voor scholen. Dat is zowel beleid als de praktische invulling daarvan.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Tot slot. Wat ik zonde vind, is dat de wet die we nu bespreken wellicht een beetje afleidt van de maatregelen zijn die echt zorgen voor meer veiligheid op scholen. Dat zit 'm toch echt vaak in die preventie. Het zit 'm ook in bijvoorbeeld meer lessen over digitale veiligheid en een betere opvolging als er iets misgaat. Ik denk er dus zelf ook over na om daar nog meer voorstellen voor te doen. Maar ik hoop ook dat ik, wellicht straks in de beantwoording, meer hoor van de staatssecretaris over dat we daadwerkelijk voor veiligere scholen gaan zorgen, in plaats van veiligheidsincidenten alleen te melden. Dat is namelijk toch een beetje de afdronk van deze wet.
Staatssecretaris Tielen:
Heel eerlijk: ik deel die teleurstelling. Een wet is altijd onderdeel, in mijn visie tenminste, van een breder pakket. Bij Stichting School & Veiligheid lopen bijvoorbeeld al heel veel goede dingen. De subsidie schurende gesprekken loopt al heel goed, dus daar hoef ik bij wijze van spreken nu niet met uw Kamer over te praten. Maar we hebben deze wet wel nodig om de norm te stellen dat elke school bezig gaat met dat veiligheidsbeleid. Wel deel ik de mening van mevrouw Rooderkerk dat het misschien een beetje afleidt van de essentie.
De heer Boomsma (JA21):
Mensen die op een school werken, leraren, directeuren en anderen, komen daar elke dag. Volgens mij weten zij wat er speelt op zo'n school. Zij zien die klassen. Dat zit 'm niet alleen in alle grote incidenten, maar ook in de toon, in hoe leerlingen met elkaar omgaan, in allerlei kleine dingen die je niet kunt vatten in een soort procedure of registratie. Er zijn scholen waar het goed gaat, waar leraren zeggen: we hebben er zicht op en treden op wanneer we zien dat dingen ontsporen. Dat kan ook voordat een incident plaatsvindt, maar het kan ook zijn dat dit gesprek daarna gevoerd moet worden. Mijn zorg is een beetje dat je dat hele organische proces, dat hoort bij zo'n minisamenleving die een school is, doorkruist met die registratieplicht.
De voorzitter:
Daar heeft u een vraag over, denk ik?
De heer Boomsma (JA21):
Als het op de een of andere manier niet zo werkt op een klein percentage van de scholen, voegt het ook niet zo veel toe om daar opeens die registratieplicht op te leggen. Als ze daar niet vanzelf al goed mee bezig zijn, gaat een registratieplicht ook niet helpen.
De voorzitter:
Vraagteken.
Staatssecretaris Tielen:
Daar kijk ik echt wel wat anders naar. Er zijn scholen waar al een veilig schoolklimaat heerst, waar weinig veiligheidsincidenten zijn en waar sprake is van voorspelbare regels, voorspelbare handhaving en voorspelbare sancties. Meneer Boomsma is vast zelf ook op die scholen geweest, waar je het al voelt wanneer je er binnenkomt: je voelt je eigenlijk al veilig. Maar dat kan je inderdaad niet duiden — daar heeft meneer Boomsma gelijk in — in grafiekjes, tabelletjes of procesbeschrijvingen. Er zijn ook scholen die dat nu nog niet op orde hebben. Op zo'n school is meneer Boomsma misschien ook weleens. Je loopt zo'n school binnen en denkt: ehm … Juist die scholen hebben er wel baat bij om maar eens te beginnen met dat soort dingen in kaart te brengen, om te zorgen dat hun veiligheidsbeleid goed doordacht is en dat de evaluatie van dat veiligheidsbeleid gebaseerd wordt op feiten en incidenten. Die stap is echt wel nodig voor die scholen waar het nu nog niet veilig genoeg is.
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat het voor de scholen waar dat niet op orde is, waar die veiligheidscultuur niet op die manier functioneert, dan ook niet helpt om die procedures zomaar toe te voegen. Dan moet er misschien wel van alles gebeuren, maar ligt het dan niet meer voor de hand om de wet zo aan te passen dat je zegt: scholen waar het niet goed gaat — en dat bepaal je misschien op instructie van de inspectie of op andere manieren — halen we eruit en daar komen we met aanvullende verplichtingen, maar dat doen we niet voor alle scholen als geheel waar het nu al wel goed gaat?
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind dat je met een wet ook gewoon een norm stelt. Wij zeggen met deze wet gewoon: "Het is belangrijk dat u werkt aan uw veilige schoolklimaat. Dat betekent dat u een veiligheidsbeleid heeft, dat u dat veiligheidsbeleid elk jaar evalueert, dat u dat baseert op de incidenten die u registreert, dus ook de feiten en de toetsing, dat u een externe vertrouwenspersoon heeft", enzovoort. Dat is de norm die we als wetgever stellen. Ik vind het heel belangrijk om die gewoon voor iedereen te laten gelden. Een deel van de scholen zal zeggen: we kijken er zo eens naar en eigenlijk voldoen we al aan de wet. Dat is hartstikke fijn. Of ze zeggen: eigenlijk voldoen we al aan de wet, maar we moeten alleen nog een externe vertrouwenspersoon aantrekken. Er zijn ook scholen die zeggen: als we er zo eens naar kijken, dan zijn we daar nog ver van verwijderd en hebben we wel wat te doen.
De voorzitter:
De heer Boomsma heeft nog één interruptie.
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat het goed is om een norm te stellen, maar volgens mij is een norm stellen wel wat anders dan allerlei wettelijke administratieve verplichtingen invoeren. Je hebt ook de norm dat ouders hun kinderen goed opvoeden, bijvoorbeeld. Dat betekent niet dat je alle gezinnen en alle ouders in Nederland een registratieplicht geeft voor incidenten in het gezin, of zo. Dat betekent wel dat als er echt dingen misgaan in een gezin, je dan als overheid inderdaad maatregelen neemt. Is de staatssecretaris het wel met mij eens dat de norm stellen niet per se betekent dat je deze hele serie administratieve en procedurele verplichtingen oplegt?
Staatssecretaris Tielen:
Ik vond de vergelijking niet helemaal opgaan, maar ik zal me niet laten verleiden om daarin mee te gaan. We stellen de norm dat een school een veiligheidsbeleid heeft, dat elk jaar evalueert en dat toetst op feiten. Dat is de norm die we stellen. De norm van een veilige school wordt, denk ik, een nog veel grotere administratieve last als ik het pad van meneer Boomsma afloop. Dat komt ook omdat de ene school de andere niet is, bijvoorbeeld in omvang, in locatie, in problematiek en in van alles en nog wat. De norm die we stellen, is dus dat je als school het beste weet wat er nodig is voor de veiligheid op jouw school. Je weet dat nog beter als je het ook bijhoudt als het misgaat.
De voorzitter:
Voordat we naar mevrouw Moorman gaan, heb ik een voorstel. Ik stel voor dat we deze interrupties nog doen en dat we dan de blokjes vanaf nu gaan afmaken om toch ook een klein beetje binnen de tijd te blijven.
Staatssecretaris Tielen:
Ik doe mijn best, voorzitter.
De voorzitter:
Dat doet u zeker. Allereerst een vraag van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Wat ik wel lastig vind in dit debat, is het volgende. Volgens mij zit hier een vrij welwillende Kamer. Er is van rechts tot links echt niemand te vinden die zegt: er moet geen veilig schoolklimaat zijn. Dat vinden we echt allemaal. We vinden ook dat daar een norm voor moet zijn, maar die norm hebben we allang. We hebben allang een Wet veiligheid op school. Ik vind het dus lastig — ik zeg dit in alle eerlijkheid en met alle respect voor de staatssecretaris — dat in de beantwoording het beeld wordt geschetst dat als wij deze wet niet aannemen, er geen norm is voor een veilig schoolklimaat. Die is er echt allang. Die is al in heel veel verschillende wetten vastgelegd. Wij bespreken hier met elkaar of een registratieplicht, een extra registratieplicht, want er is allang een registratieplicht, het veiliger gaat maken op scholen. Het lijkt me wel belangrijk dat de staatssecretaris haar antwoorden daar ook op … Het wordt anders een heel breed debat, waarbij de Kamer eigenlijk niet kan beoordelen of deze wet het nou daadwerkelijk veiliger maakt.
Staatssecretaris Tielen:
De wet waar mevrouw Moorman naar verwijst, is in 2021 geëvalueerd. Een aantal zaken daaruit hebben we meegenomen in deze Wet vrij en veilig onderwijs, die je ook een wetsaanscherping zou kunnen noemen. Dat is wat we gedaan hebben. Mevrouw Moorman heeft geen ongelijk, maar ik gebruik dit wel om even uit te leggen dat we in deze wet een aantal dingen opnemen om ervoor te zorgen dat het veiligheidsbeleid er niet alleen is, maar ook elk jaar wordt geëvalueerd op basis van feiten. Je achterhaalt die feiten door als school zelf te registreren welke veiligheidsincidenten er hebben plaatsgevonden, zodat je …
De voorzitter:
Mevrouw Moorman. Ik hoorde een punt, sorry.
Staatssecretaris Tielen:
Het was een komma.
Mevrouw Moorman (PRO):
Die wetsevaluatie heb ik natuurlijk gelezen. In die wetsevaluatie staat vooral dat scholen geholpen moeten worden om een veilig klimaat te krijgen. Daar zijn we het volgens mij ook allemaal mee eens. Ik mag het blijkbaar niet meer over de Raad van State hebben, maar er wordt nu ook door het veld zelf aangegeven dat dit het niet veiliger gaat maken. Sterker nog, er wordt aangegeven dat dit contraproductief gaat werken. Mijn vraag aan de staatssecretaris ligt dus in het verlengde van die van de heer Boomsma. Is het nou niet verstandig om … Zoiets is ook gebeurd in 2012 onder het kabinet-Rutte II, toen er een vergelijkbare wet lag en de Kamer samen met de regering tot het inzicht is gekomen dat het beter was om die wet terug te nemen, omdat die niet zou helpen. Ik neem het de staatssecretaris zelf persoonlijk echt niet kwalijk, want het is een wet uit een vorige periode. Zou het niet verstandig zijn, al die kritiek uit de Kamer horende, om deze wet op dit moment terug te nemen, goed te evalueren en hier een wet neer te leggen die het onderwijs daadwerkelijk veiliger gaat maken?
Staatssecretaris Tielen:
De bedoeling van deze wet is om het onderwijs veiliger te maken met de norm dat een school een goed veiligheidsbeleid heeft. Dat stond inderdaad in de wet waar mevrouw Moorman naar verwees: dat elke school dat beleid heeft. We weten inmiddels dat niet elke school dat beleid ook daadwerkelijk gebruikt. Beleid kan papier zijn, maar uiteindelijk willen we graag dat scholen dat van het papier af krijgen en ervoor zorgen dat dat veilige schoolklimaat tot stand komt. In deze wet zetten we dan dus dat beleid geëvalueerd moet worden en dat dat moet gebeuren op basis van feiten. Die feiten komen voort uit de registratie. Dat is wel vaker zo. Als je ergens inzicht in wil krijgen, moet je toch data hebben, informatie. Dat is het ene. Het andere wat mevrouw Moorman zegt, is — dat is, denk ik, heel terecht — dat scholen ook zeggen: help me er dan mee, want ik vind het lastig. Dat gebeurt zeker als we het hebben over scholen waar veel op af te dingen is als het gaat over veiligheid. Dat staat niet in de wet, maar daar hebben we wel beleid op. We hebben de Stichting School & Veiligheid, we hebben de subsidie schurende gesprekken en zo zijn er nog een aantal voorbeelden. Scholen worden daarmee echt geholpen om hun veiligheidsbeleid, maar ook de uitvoering daarvan, dus het van het papier af krijgen van het beleid, in de praktijk te brengen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, ik doe echt mijn best. Hier vinden de staatssecretaris en ik elkaar: we willen niet dat het een papieren tijger is. Maar dit wordt juist een papieren tijger, want dit wordt juist registratie. Dit wordt juist alleen maar — zo wordt het ook steeds gezegd — alles op papier, terwijl dat een open klimaat, waarin je met elkaar kan bekijken hoe we het veiliger krijgen en hoe we zorgen voor preventie, in de weg staat. Als we het er met elkaar over eens zijn dat het geen papieren tijger moet zijn, dan is dat toch juist de reden om te zeggen: we gaan dit gewoon nog eens met elkaar overdoen? Dat zeg ik niet omdat we iemand daar de schuld van geven, maar gewoon omdat we het goed willen doen en omdat we willen voorkomen dat we een wet aannemen waarvan de evaluatie straks laat zien dat het alleen maar slechter is geworden. Voordat we dan echt tot een goede wet komen, zijn we gewoon tien jaar verder. Dat wil ik voorkomen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat zou ik ook niet willen. Ik wil ook niet dat we wetten in kasten zetten en er verder niets mee doen. Daarom vind ik het zo belangrijk dat in deze wet is opgenomen dat scholen hun veiligheidsbeleid elk jaar evalueren, zodat het niet iets is wat je een keertje gemaakt hebt met z'n allen op de hei en vervolgens in de kast stopt, maar iets wat gaat leven en waar scholen mee bezig zijn. Om dat goed te kunnen doen, is informatie nodig. Ik zei al dat heel veel scholen dat ook al doen. Dat is ook heel logisch. Als een vechtpartij voor de zoveelste keer leidt tot blauwe plekken en ik-weet-niet-wat voor dingen, wordt dat ergens bijgehouden. Zo weet niet alleen de conciërge dat deze plaatsvond, maar weten ook het personeel en de schoolleiding dat. Dan kunnen ze patronen herkennen. Dan kunnen ze zien dat het wel vaak op die of die dag is, of dat het altijd is als dat of dat in de buurt gebeurt.
De voorzitter:
We moeten echt vaart gaan maken. Ik stel voor dat we het derde blokje, maatregelen, eerst helemaal gaan afronden, en dan gaan bekijken of er bij het derde blokje interrupties zijn.
Staatssecretaris Tielen:
In dit blokje heb ik nog een paar dingen, onder andere in antwoord op mevrouw Moorman en meneer Boomsma, over kritiekpunten uit het advies van de Raad van State. Er werd een beetje gesuggereerd dat we dat advies hebben genegeerd, maar dat is helemaal niet zo. Een aantal kritiekpunten uit het advies hebben we meegenomen, zoals het uit het voorstel schrappen van de personeelsmonitor en de uitbreiding van de aangifteplicht naar meerderjarige studenten. Zoals ik al heb gezegd in de memorie van toelichting, hebben we duidelijker uitgelegd welke afwegingen we maken als het gaat over die balans tussen administratieve last en het daadwerkelijke veiligheidseffect.
Overigens wil ik daarbij nog benadrukken dat ook ik echt heel kritisch ben op wat we aan administratieve lasten vragen en op het vergroten van administratieve lasten. Wat mij betreft gaan we ervoor zorgen dat er de komende jaren veel minder administratieve lasten zijn; zo kijk ik naar elk voorstel dat ik langs zie komen. We zijn ook bezig met een vereenvoudigingswet. Ik ben het er dus helemaal mee eens als de Kamer zegt: mevrouw de staatssecretaris, die administratieve last moet minder. Maar met deze wet vind ik die last proportioneel.
Voorzitter. Over maatregelen gesproken. Dit is best wel een dik mapje, zo lijkt het.
De voorzitter:
We gaan het helemaal afmaken.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ga kijken hoe ik zo min mogelijk herhalingen kan hebben en zo veel mogelijk effectief debat met uw Kamer kan voeren. Meneer Kisteman vroeg hoe de leerlingenmonitor eigenlijk werkt in de praktijk. Die monitor wordt nu al jaarlijks heel digitaal afgenomen. Vaak gebeurt dat in de klas, maar scholen kunnen er ook voor kiezen om leerlingen te vragen om die op een andere manier in te vullen. De school moet er uiteraard altijd voor zorgen dat de leerling die monitor anoniem in kan vullen en dat de resultaten niet herleidbaar zijn. Er werd net al iets gezegd over geld. Er is €800.000 voor de PO-Raad en de VO-raad om scholen daarbij te helpen.
Over de incidentenregistratie hebben we al veel gezegd, maar er waren nog een aantal vragen over hoe die nou kan helpen. Ik ga daar toch nog een paar dingen over zeggen. Los van het feit dat scholen inzicht krijgen en daarmee ook hun veiligheidsbeleid kunnen evalueren, helpt registratie ook om in gesprek te zijn met bijvoorbeeld ouders, de wijkagent of jongerenwerk om inzicht te krijgen in wat er nu misgaat op school en hoe zij daarbij kunnen helpen. Ik denk dat het gegeven dat scholen daar hulp bij hebben, deels aansluit bij wat mevrouw Moorman uitlichtte uit de wetsevaluatie. Dan helpt het om inzicht te hebben in wat er nog niet goed genoeg gaat en om daar grip op te hebben.
Meneer Kisteman zei dat het kan gebeuren dat een leerling zich helemaal niet veilig voelt en dat de school zegt zoiets niet te zien. Met het wetsvoorstel verplichten we elke school om vertrouwenspersonen te hebben bij wie een leerling altijd terechtkan als die iets vervelends meemaakt. De vertrouwenspersoon kan vervolgens met de leerling nadenken over wat er is en of er wellicht toch wel iets mee moet gebeuren. Als het nodig is, kan een vertrouwenspersoon, uiteraard met medeweten en goedkeuring van de leerling, met de schoolleiding in contact treden om een veiligheidsincident wél als veiligheidsincident te benoemen. Dat moet er uiteraard toe leiden dat leerlingen zich wel veilig voelen en niet met buikpijn naar school hoeven.
Meneer Kisteman vroeg ook of scholen bij de inspectie gaan melden en wat dan de consequenties zijn. We verplichten scholen alleen om bij de inspectie incidenten te melden waar echt ernstige fysieke, psychische of sociale schade uit voortkomt. Ik denk ook dat scholen dat doen; voor een heel groot deel doen ze dat nu al. Dat heeft eigenlijk weinig te maken met artikel 23, waar meneer Kisteman naar verwees. Uiteindelijk gaat het gewoon om veiligheid en die staat los van levensovertuiging.
Meneer Kisteman vroeg naar discriminatie: is ook discriminatie een veiligheidsincident? In de wet hebben we "stelselmatige discriminatie" opgenomen, maar discriminatie mag natuurlijk nooit; meneer Ergin vroeg daar in zijn termijn ook naar. De vraag is inderdaad op welk moment het stelselmatig is. Het is een beetje aan de scholen om dat zelf te beoordelen, maar wat mij betreft is de norm gewoon dat discriminatie überhaupt niet goed is en onveiligheid oplevert. Dat is ook het antwoord op de vraag van meneer Ergin daarover; ik zag hem al knikken.
Mevrouw Armut had een aantal vragen over de meld- en aangifteplicht. Hoe kan ik voorkomen dat scholen eerst zelf gaan beoordelen of het ernstig genoeg is? Dat is precies wat uit die evaluatie voortkwam. Het was zo dat scholen daar eigenlijk zelf mee aan de slag gingen en daarbij niet altijd een op expertise gebaseerde afweging maakten. Nu zeggen we in de wet dat seksuele intimidatie gemeld, overlegd en aangegeven moet worden. Daar wordt ook het contact met de vertrouwensinspecteur aan verbonden. Ik hoop dat de vertrouwensinspecteurs scholen daarbij ook de benodigde hulp kunnen bieden. Dat is ook precies wat we met deze uitbreiding beogen.
Meneer Ceder vroeg naar de samenhang tussen alle interventies. Daar hebben we het net natuurlijk al een beetje over gehad. Dit is een wet, maar die wet staat uiteindelijk natuurlijk niet helemaal op zichzelf. Hij regelt alleen wel iets belangrijks, namelijk de norm. Daarnaast betrekken we er een aantal andere zaken bij, zoals subsidie aan de sectorraden, de Subsidieregeling Schurende Gesprekken, de Stichting School & Veiligheid en de Alliantie tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag, die ook al een handreiking heeft voor scholen met betrekking tot dat onderwerp. Er zijn dus echt wel meer instrumenten, die met elkaar moeten zorgen voor een veilig schoolklimaat.
Mevrouw Armut vroeg naar meerderjarige leerlingen en studenten. Ze vroeg of scholen bijvoorbeeld hulp kunnen bieden bij het doen van aangifte. In het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs is het aan vertrouwenspersonen om leerlingen bij te staan en te kijken wat een handige vervolgstap is. Daarom vind ik het ook zo belangrijk dat die vertrouwenspersonen er komen, zoals we nu met de wet regelen. Instellingen in het vervolgonderwijs, dus mbo, hbo en universiteit, moeten daar zelf een protocol voor opstellen. De vertrouwensinspectie kan in het kader van de meld-, overleg- en aangifteplicht adviseren over de vraag of er aangifte gedaan moet worden, maar ook met instellingen kijken hoe het incident goed kan worden afgehandeld. De inspectie kan aanbieden om te kijken welke steun daarbij nodig is en hoe daaraan invulling moet worden gegeven.
Meneer Ceder vroeg waarom ouders niet geïnformeerd hoeven te worden bij een aangifte. Dat is natuurlijk altijd een gevoelige kwestie. Dat is voor scholen ook heel ingewikkeld om mee om te gaan. Gelukkig is daar wel expertise voor beschikbaar. Maar het aangifte doen van een zedenmisdrijf kan soms leiden tot een gevaarlijke situatie bij een leerling thuis. Dat maakt dat we daar wat behoudend in zijn. Denk aan het risico op eerwraak of een andere reden, zoals de dreiging van geweld. Als de school dat zo inschat, liefst in overleg met bijvoorbeeld de vertrouwenspersoon en de Stichting School & Veiligheid, dan kan de school dus afzien van het informeren van de ouders. Daarbij is de professionaliteit van scholen en de expertise die ze kunnen gebruiken, van groot belang. Ik denk dat we daarop moeten leunen om die inschatting goed te maken.
Meneer Ceder vroeg ook naar de bewaartermijn van gegevens wat betreft de meld-, overleg- en aangifteplicht. Die mogen eigenlijk maar drie jaar worden bewaard, maar wat als er weer iets aan de hand is rondom die persoon, die leerling? Ik ben met de heer Ceder eens dat je in ieder geval moet kunnen rekenen op goede ondersteuning en begeleiding als je slachtoffer bent geweest. Ik geloof namelijk dat dat de achtergrond van zijn vraag was. Als het nodig is voor de toekomst, zou het best weleens kunnen dat die data beschikbaar moeten zijn. De gegevens die nodig zijn voor extra ondersteuning en begeleiding, mogen onder de huidige wetgeving al wel langer bewaard worden dan drie jaar. Dat gebeurt dan op grond van de wettelijke taak van het bevoegd gezag om leerlingen die extra ondersteuning behoeven, individuele begeleiding te bieden. Dat kan dus al. Als de noodzaak voor individuele begeleiding er niet is, dan moeten de gegevens wel worden verwijderd. Dat is dus de afweging.
Mevrouw Moorman vroeg naar het middelbaar beroepsonderwijs, omdat dat nu toch in de wet staat, terwijl het middelbaar beroepsonderwijs vervolgonderwijs is, wat meer in lijn is met het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. Het punt is dat het vervolgonderwijs alleen voor het onderdeel meld-, overleg- en aangifteplicht is opgenomen. Dan gaat het inderdaad om zowel mbo als hbo en universiteit, waar mevrouw Moorman eigenlijk al van uit wilde gaan. Bij de aangifteplicht gaat het alleen om minderjarigen. Bij het middelbaar beroepsonderwijs is er natuurlijk vaker sprake van minderjarigen en meerderjarigen ten opzichte van bijvoorbeeld hbo en universiteit, maar ze worden dus op dezelfde manier opgenomen in deze wet.
Meneer Ceder vroeg naar de vertrouwensinspecteurs, die graag de meld-, overleg- en aangifteplicht zouden willen uitbreiden naar de promovendi. De heer Ceder verwees volgens mij met name ook naar de buitenpromovendi. Waarom zouden we dat niet meteen regelen, vroeg hij. Buitenpromovendi — de heer Claassen vroeg daar al naar — zijn promovendi zonder dienstverband. Maar zij doen wel gewoon onderzoek en ook zij moeten natuurlijk gewoon onder goede, veilige omstandigheden onderzoek kunnen doen. Ik vind het ook best een goed idee van meneer Ceder om dat ook voor hen te regelen. Volgens mij is er een amendement ingediend door meneer Ceder, dus daar kom ik straks op terug.
Dan een aantal vragen over de klachtenprocedure. Mevrouw Armut en meneer Ceder vroegen naar de toch wel wat grote hoeveelheid structuren van klachtencommissies, maar verwezen ook naar de politie, de rechter en al de instanties rondom onveiligheidsvraagstukken. Is dat wel nodig? Dat was eigenlijk de korte vraag. Zoals ik al benoemde, laat de evaluatie van het klachtenstelsel — die is in 2019 gedaan — zien dat leerlingen, ouders en personeelsleden veel vertrouwen hebben in vertrouwenspersonen en klachtencommissies, maar uit die evaluatie komt ook een aantal aanbevelingen naar voren. Alle scholen zouden bijvoorbeeld een in- en externe vertrouwenspersoon moeten hebben. Dat regelen we dus bij deze wet. Alle scholen zouden zich ook moeten aansluiten bij de landelijke klachtencommissie, omdat blijkt dat die een betere kwaliteit biedt en professioneler is dan sommige lokale, kleine klachtencommissies. Daarom hebben we dat ook in deze wet meegenomen, om te zorgen dat een goede klachtenprocedure kan voorkomen dat nog grotere stappen, bijvoorbeeld naar de rechter of de politie, nodig zijn. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van mediation. Dat kan zo'n landelijke klachtencommissie goed opzetten.
Mevrouw Armut vroeg ook naar de spanning tussen de klachtenprocedures en waar ouders nou terechtkunnen. Mensen dienen vaak niet zomaar een klacht in. Daarom zijn juist die vertrouwenspersonen zo belangrijk. Daarom regelen we in deze wet dat scholen een in- en externe vertrouwenspersoon hebben, die laagdrempelig beschikbaar zijn en met wie ook gewoon een gesprek gevoerd kan worden, om samen te sparren over wat een goede stap is. Een landelijke klachtencommissie zal vaak eerst de vraag stellen "bent u er zelf met de school uit gekomen?" voordat ze procedures optuigen. Ik denk dat dat op die manier goed met elkaar in balans is.
Meneer Ergin vroeg naar het gebruik van de Nederlandse taal als het gaat om vertrouwenspersonen en klachtencommissies: hoe zorgen we nou dat mensen die de taal niet goed spreken, wel toegang hebben tot die vertrouwenspersonen? De vertrouwenspersonen krijgen bij deze wet in ieder geval de taak om ouders, leerlingen en personeel met klachten bij te staan. De bijstand die ze als vertrouwenspersoon leveren kan bestaan uit uitleggen, informatie delen en meedenken over hoe het verder moet als er echt een klacht is. Scholen stellen zelf de vertrouwenspersonen aan.
Meneer Boomsma vroeg zich af waarom kinderen onder de 12 klachtrecht krijgen. Wat mij betreft is het belangrijk dat alle kinderen, van welke leeftijd dan ook, zich veilig kunnen voelen op school en dat er, als ze zich onveilig voelen, laagdrempelig toegang is tot een vertrouwenspersoon bij wie een leerling terechtkan. Als het niet lukt om er met de school uit te komen, dan kan de vertrouwenspersoon een kind helpen om een klacht in te dienen. Dan zijn natuurlijk vaak ook de ouders betrokken. Maar dat is ook voor kinderen onder de 12, net zoals we in de wet ouders en kinderen ook hoorrecht hebben gegeven aan kinderen onder de 12. Het is dus in lijn met andere wetgeving.
De voorzitter:
Hoever zijn we in blokje drie?
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb nog vijf vragen of zo.
Meneer Kisteman vroeg naar de veiligheidscoördinator. Hij vroeg aan welke kwaliteitseisen die persoon moet voldoen. Die persoon wordt verantwoordelijk voor het coördineren van het veiligheidsbeleid, inclusief het antipestbeleid. Uiteindelijk gaat het schoolbestuur over de aanstelling. Met Stichting School & Veiligheid wordt daarvoor nu een functieprofiel opgesteld. De inspectie kijkt of die veiligheidscoördinatoren er zijn.
Meneer Kisteman vroeg ook naar de samenhang tussen alle personen die rondom een school meedenken en meewerken aan een veilig schoolklimaat. Denk aan de antipestcoördinator — dat wordt de veiligheidscoördinator — de preventiemedewerker, vertrouwenspersonen, brugfunctionarissen, enzovoort, enzovoort. Ik herken wel wat meneer Kisteman zegt: het voelt soms wel als veel waar scholen mee te maken hebben. We vragen echt wel veel van scholen. Zeker als het gaat om veiligheid kan dat soms wat zwaar voelen. Tegelijkertijd is het nemen van verantwoordelijkheid voor veiligheid natuurlijk ook heel belangrijk en lukt het de meeste scholen om dat goed te doen. Dit geldt echter nog niet voor alle scholen. Daarom stellen we deze wetswijziging voor. De antipestcoördinator wordt dus de veiligheidscoördinator. We gaan terughoren van scholen in hoeverre ze daar nog hulp bij nodig hebben. Zoals het er nu uitziet, is het overzichtelijk, zeker ook met dat profiel van de veiligheidscoördinator dat er binnenkort aan komt.
Meneer Kisteman vroeg ook of scholen in dunbevolkte gebieden, die vaak wat kleiner zijn, kunnen samenwerken om bepaalde functies te combineren. Ja, dat kan. Het is aan de bestuurder om dat eventueel samen te voegen en te bekijken hoe ze de taken en functies verdelen, maar het is zeker mogelijk en ook wel verstandig om dat samen te doen.
Dan nog een punt over de evaluatie. Mevrouw Rooderkerk vroeg of de jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid, waar ik een aantal keer aan refereerde, ook daadwerkelijk een verbetering gaat opleveren. Daar gaan we wel van uit. Dat is ook de reden dat we 'm hebben opgenomen in deze wet. Het gaat hierbij om alle informatie die jaarlijks wordt opgehaald bij een school om het veiligheidsbeleid te evalueren. We willen daarbij de medezeggenschap betrekken, zodat het een continu patroon wordt om met elkaar te praten over hoe veilig de school is, en zodat verbeteringen aan te brengen zijn en het liefst zo veel mogelijk preventie plaatsvindt. Stichting School & Veiligheid kan daar goed bij helpen.
Meneer Ergin, meneer Ceder en mevrouw Armut vroegen naar de ondersteuning voor scholen. Daar hebben we het al over gehad als het gaat over bijvoorbeeld Stichting School & Veiligheid, zowel op het gebied van beleid als op het gebied van tools en handreikingen in de klas. De Stichting School & Veiligheid heeft ook een adviespunt. Stel dat er iets gebeurt op school. Dan kan de Stichting School & Veiligheid meedenken over hoe verder. Er is bijvoorbeeld ook een e-learning voor vertrouwenspersonen over hoe je om kan gaan met incidentenregistratie en ik verwees al naar het functieprofiel van de veiligheidscoördinator. Er is dus heel veel beschikbaar voor scholen om niet zelf het wiel opnieuw uit te hoeven vinden.
Voorzitter. Tot slot van dit blokje: meneer Ceder vroeg of er een plan ligt om de suïcidepreventieprogramma's te ontsluiten en om bij scholen te inventariseren of dat voldoende voor de bril is bij hen, om het maar in mijn termen te zeggen. Er zijn heel veel interventies en manieren waarop scholen bezig zijn met mentaal welzijn en suïcidepreventie. We zijn met een aantal organisaties in gesprek om daar de synergie te vinden. Denk bijvoorbeeld aan MIND Us, die daar heel veel over heeft, net als 113. We proberen dat bij elkaar te brengen in een overzichtelijk aanbod, om dat te ontsluiten. Daar kom ik in het najaar op terug. Dan kan ik het overzichtelijk met u delen. Volgende week is er overigens het commissiedebat Mentale gezondheid scholieren en studenten. Ik vermoed dat we het er dan ook nog over zullen hebben.
Dat was mijn blokje over maatregelen.
De voorzitter:
Dat was het blokje. We gaan een ronde maken. Allereerst mevrouw Armut.
Mevrouw Armut (CDA):
Ik ben even zoekende en ik denk eerlijk gezegd dat de rest van de Kamer dat ook een beetje is. Ik merk een worsteling. We hebben het er net over gehad dat een heel groot deel van de scholen bijvoorbeeld de incidentenregistratie al best wel op orde heeft. Ik wil het even hebben over die scholen. De meeste scholen doen dit best wel goed. Wat hoopt de staatssecretaris dat deze wet voor die scholen als uitkomst of resultaat heeft?
Staatssecretaris Tielen:
Een bevestiging van hun manier om met veiligheid, veiligheidsbeleid en -regels en onveiligheidsincidenten om te gaan, als het goed is. Ik hoop dat het hun laat zien dat ze het best goed doen, dat ze het veiligheidsbeleid op orde hebben, dat er weinig incidenten zijn en dat ze een daling van het aantal incidenten hebben. Ik hoop dus dat het een bevestiging is voor de scholen dat ze dingen goed doen en dat ze voldoen aan de norm die wij stellen aan veiligheid op scholen.
Mevrouw Armut (CDA):
Als het vooral voor de scholen die het goed doen — dat is het grootste deel van alle scholen — een bevestiging is dat ze het al goed doen, kan de staatssecretaris zich dan voorstellen dat dit tegelijkertijd betekent dat de regeldruk enorm toeneemt? Waarom vindt de staatssecretaris dat proportioneel?
Staatssecretaris Tielen:
De vraag is of de regeldruk dan toeneemt. Als zij hun incidentenregistratie op orde hebben, hoeven zij niet iets anders of extra te doen. Nogmaals, ik vraag niet van hen om eens in de zo veel tijd een hele database ergens naartoe te transporteren om een landelijk Excelbestand te kunnen vullen. Het is echt bedoeld voor henzelf, voor het goed kunnen toetsen van het eigen veiligheidsbeleid. Het zou kunnen zijn dat scholen zeggen: we hebben het eigenlijk wel goed op orde, maar we missen nog een vertrouwenspersoon. Eén op de vijf scholen heeft nog geen interne of externe vertrouwenspersoon. Nou, dan zullen ze dat moeten gaan doen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Armut (CDA):
Toch even tot slot. Het is mij tot nu toe niet duidelijker geworden wat volgens deze wet wel of niet geregistreerd moet worden. Dat is het lastige hieraan. Zonet zijn allemaal voorbeelden genoemd: iemand wordt uitgescholden op het plein, iemand slaat een andere leerling. Dat hoort allemaal bij de les; dat gebeurt elke dag. Leraren weten heel snel hoe ze daarop moeten reageren en wat ze vervolgens moeten doen. Zij handelen daarop. Ik merk niet dat de staatssecretaris begrijpt dat dit er wél voor kan zorgen dat scholen die dit allemaal al doen, overladen worden. Zij krijgen immers allemaal nieuwe regels waar zij rekening mee moeten houden. De uitkomst is volgens de staatssecretaris dat het uiteindelijk een bevestiging wordt: je deed het al goed, maar je moet het wel net iets anders gaan doen.
Staatssecretaris Tielen:
"Je moet het net wat anders gaan doen": ik weet niet of dat een misverstand is, maar daarmee maken we het misschien groter dan het is. Wat we zeggen, is dat fysiek geweld met lichamelijk letsel in ieder geval een veiligheidsincident is. Waarschijnlijk registreren de scholen dat al. Veiligheidsincidenten zijn in ieder geval: seksuele intimidatie en seksueel misbruik, stelselmatige discriminatie, bedreiging en grove pesterijen, ernstige vernieling en diefstal, handel in drugs, bezit of gebruik van drugs, het bezit van een wapen, handel in wapens en het gebruiken van een wapen. Dat zijn gewoon ernstige veiligheidsincidenten. De meeste scholen zullen die wel registreren. Gaan we de vechtpartijtjes, de opstootjes, het messenbezit — nou ja, dat zit er al in — registeren of niet? Dat is aan scholen zelf. Daarom moet het ook geen papieren tijger zijn. Ik ga niet controleren of ze dat registreren. Ik wil graag dat op scholen dat gesprek plaatsvindt: hebben we onze veiligheid nu op orde en is het nodig om daarop extra in te zetten of niet? Ik denk dat mevrouw Armut daar goed aan refereert: heel veel docenten hebben er wel of niet een gevoel bij of dat hen gaat helpen om een veiliger schoolklimaat te realiseren.
De voorzitter:
Ik ga vanaf nu op de 30 seconden letten. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Allereerst een korte vraag. De minister is bijna aan het einde van het blokje. Komt de klachtencommissie in dit blokje nog naar voren? Dat is voor ons als hoeder van artikel 23 misschien nog wel het grootste probleem.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, ik heb die benoemd. Daarvan heb ik gezegd dat die twee dingen volgens mij niet met elkaar in strijd zijn. Sterker nog … Even kijken wat meneer Ceder daarover zei. Ik heb wel bij meneer …
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan weet ik dat de staatssecretaris daar alles over gezegd heeft. Dan weet ik dat. Daar vind ik iets van, maar daar kom ik zo op terug.
Mijn tweede punt. Stel je voor dat deze scholen met de wet aan de slag gaan en zich afvragen: hoe moeten we dit interpreteren, hoe moeten we dit aanvullen, wanneer doen we het goed en wanneer niet? Bij welke instantie of waar elders kunnen scholen volgens de staatssecretaris dan terecht? Mijn vraag richt zich vooral op de implementatieperiode.
Staatssecretaris Tielen:
Primair bij de Stichting School & Veiligheid of bij een sectorraad. Ieder van hen heeft natuurlijk een iets andere rol. Bij de Stichting School & Veiligheid zit vooral heel veel expertise over zowel het veiligheidsbeleid als de dagelijkse gang van zaken. De sectorraden hebben natuurlijk heel veel expertise op het gebied van het maken van beleid enzovoort enzovoort. Bij beide kan men voor hulp terecht.
De voorzitter:
Daarmee is gelijk de markt gesloten voor het blokje maatregelen. Kom dus nu naar voren als u nog een extra vraag heeft in dit blokje. Mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
In 30 seconden. Wat we al hebben, is een Wet veiligheid op school, een kwaliteitswet, de Wet seksuele misdrijven, het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, arbowetgeving, cao-afspraken, WVO 2020, WPO en WEC. Dit is wat wij allemaal al hebben! Dan is het echt heel logisch dat de Kamer vraagt: is dit doelmatig en doeltreffend? Ik vond het net een hele goede interruptie van mevrouw Armut: is het nou echt zo dat wij met een wet — een wet, dat is nogal wat — alleen maar een bevestiging gaan geven aan de scholen dat het al wel goed is, met enorme regeldruk daarbovenop, terwijl wij niet weten of het voor de paar scholen die hulp nodig hebben daadwerkelijk de meest effectieve maatregel is? Dat is toch een hele logische vraag?
Staatssecretaris Tielen:
Dat is het ook. Ik betwijfel de kracht van die vraag niet. Wat ik heb proberen te zeggen, is dat dit een aanvullende wet is, op basis van de evaluatie van de Wet veiligheid op school — dat is de eerste wet die mevrouw Moorman noemt — en op basis van een aantal andere evaluaties. Er is natuurlijk wel meer. Iedereen moet zich aan de wet houden. Er zijn wel meer wetten waarmee we vooral de norm stellen, om ervoor te zorgen dat de achterblijvers meekomen.
Het tweede deel van de vraag van mevrouw Moorman is: is het effectief? Ik ben daarvan overtuigd, want anders stond ik hier niet. Ik ben ervan overtuigd dat het evalueren van het veiligheidsbeleid op basis van feiten scholen daadwerkelijk gaat helpen om in te zien waar hun problemen zitten. Waar hebben zij hulp nodig? Bij wie moeten zij terecht om die hulp te krijgen?
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik wil de staatssecretaris best wel geloven als zij zegt: ik geloof erin. Maar ik constateer ook dat een massief aantal Kamerleden — ik heb ze nog niet geteld — zeggen: wij hebben daar echt stevige twijfels bij. Wij worden daarin ondersteund door de verschillende reacties die wij krijgen vanuit het veld en van de Raad van State. Ik zeg het toch maar weer eens; een belangrijk instituut binnen onze democratie. Begrijpt de staatssecretaris dan dat deze fundamentele vragen er zijn over de doelmatigheid en de doeltreffendheid van een wet? Wat gaat de staatssecretaris dan doen om de Kamer te overtuigen? Ik heb het idee dat de Kamer niet zomaar overtuigd is.
Staatssecretaris Tielen:
Uiteraard heeft mevrouw Moorman daar goede vragen over gesteld, maar dit is volgens mij ook de reden waarom wij het debat voeren. Ik denk toch echt dat ik niet alleen met passie en gedrevenheid, maar ook met inhoudelijke argumenten en antwoorden probeer om duidelijk te maken waarom deze wet daadwerkelijk bijdraagt tot het verbeteren van de veiligheid op alle scholen. Niet alleen bij de 90% waar het al goed gaat — ook daar zien we natuurlijk dat het veiligheidsvraagstuk groter wordt, omdat de samenleving de school binnenkomt — maar juist ook bij die andere scholen. Ik vind daadwerkelijk dat alle kinderen recht hebben op een school die zijn uiterste best doet om een veilig schoolklimaat te creëren.
De voorzitter:
De heer Boomsma over het blokje maatregelen.
De heer Boomsma (JA21):
Nog even een meer praktische vraag. Oké, je hebt een incident op een school. Een leerling heeft een blauwe plek. Dat kun je aanduiden als fysiek letsel en dat moet dus worden geregistreerd. Wat gebeurt er dan als het niet wordt geregistreerd?
Staatssecretaris Tielen:
Dat hangt van heel veel dingen af. Ik vind dat altijd heel ingewikkeld. Ik snap wel waar meneer Boomsma achter probeert te komen. Dat zijn vragen die wijzelf natuurlijk ook wel hebben. Op zichzelf genomen gebeurt er niet zo veel, tenzij blijkt dat het op die school heel erg onveilig is en dat de inspectie reden heeft om op een gegeven moment aan die school te vragen: hoe ziet het veiligheidsbeleid er eigenlijk uit? Hoe ziet de incidentregistratie er eigenlijk uit? Dan kan de inspectie zeggen: op basis van wat we nu zien, denken we dat het niet zo gek is dat jullie niet zo'n veilige school zijn, want jullie houden dingen niet bij. Aan de andere kant: stel dat dit eens een keertje gebeurt, maar dat de school het niet opschrijft. Als het verder een veilige school is, met een goed veiligheidsbeleid, waar ernstige incidenten geregistreerd worden en er elk jaar een evaluatie is, dan is er niks aan de hand.
De heer Boomsma (JA21):
Als een school zich niet houdt aan de registratieplicht of incidenten niet registreert, dan volgt in principe geen sanctie en is er niemand die er iets van zegt. Of hebben ouders of anderen dan toch een grond om te zeggen: hé, u voldoet nu niet aan de wet? Welk gevolg wordt daar dan aan gegeven?
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb straks een overzicht gegeven van de dingen die volgens de wet geregistreerd moeten worden. Meneer Boomsma zegt "fysiek geweld met lichamelijk letsel tot gevolg: een blauwe plek kan dat ook zijn". In theorie kan dat zo zijn. Ik denk dat de gemiddelde interpretatie van deze wet dat niet per se als zodanig zou benoemen.
De heer Ergin (DENK):
Volgens mij moet het debat niet gaan over wat we registreren, maar met welk doel we dat doen. Dat vind ik heel belangrijk, want alles wat we hier willen, zorgt uiteindelijk voor extra regeldruk. Daar moeten we ook gewoon eerlijk over zijn. Wat ik dan niet begrijp aan de wet, is dat discriminatie op één hoop wordt gegooid, waardoor in de jaarlijkse evaluatie totaal geen zicht is op welke discriminatie het vaakst voorkomt en hoe je als school daarin moet handelen. Ziet de staatssecretaris in dat het juist waardevol is om ook te registreren welke vorm van discriminatie zich voordoet?
De voorzitter:
Ja, waarbij ik ook denk dat dit wel terug gaat komen in de appreciatie van het amendement van de heer Ergin, maar goed, we gaan het toch vragen.
Staatssecretaris Tielen:
Discriminatie is gewoon altijd niet goed, punt. Op welke gronden: soms kom je daar niet eens makkelijk achter. Als we het al hebben over registratielast, dan vraagt dit wel heel veel. Het registreren van stelselmatige discriminatie is volgens mij voldoende duidelijk voor scholen om daarmee aan de slag te gaan.
De heer Ergin (DENK):
Ik vroeg niet aan de staatssecretaris hoe zij kijkt naar discriminatie, want dat weet ik wel. Dat hoef ik niet te vragen aan de staatssecretaris. Maar ik zie bijvoorbeeld wel een amendement waar een coalitiepartij onder staat, die bijvoorbeeld antisemitisme wel specifiek wil registreren. Is het dan niet gewoon verstandig dat we hier in de Kamer zeggen, en dat de staatssecretaris dat ook beaamt, dat we gewoon alle vormen van discriminatie netjes registreren, zoals we dat gewoonlijk ook doen? Als we dat niet gaan doen, dan vind ik het wel ingewikkeld om de staatssecretaris te steunen in wat zij nu probeert te doen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat snap ik, maar vindt u het goed, voorzitter, als ik daar bij de appreciaties op terugkom?
De voorzitter:
Dat vind ik een uitstekend idee. Meneer Kisteman, uw eerste interruptie. Netjes, als u 'm kort doet.
De heer Kisteman (VVD):
Daar ben ik altijd van, voorzitter. De staatssecretaris geeft aan dat het belangrijk is dat we die incidenten gaan registreren zodat scholen daar beter zicht op krijgen. Maar hoeveel incidenten worden nu dan geregistreerd en wat is daarin de afgelopen jaren de ontwikkeling?
Staatssecretaris Tielen:
Rondom veiligheid wordt er op verschillende manieren geregistreerd. De cijfers die ik straks noemde, zijn registraties bij de vertrouwensinspecteur. Dat is een specifiek onderdeel van de inspectie voor incidenten waarbij ook echt heftige dingen aan de hand zijn. Een deel van de registraties gaat, zoals ik ook al zei in antwoord op de heer Van Houwelingen, over kinderen die van school verwijderd of geroyeerd worden — "geschorst" heet dat — naar aanleiding van zoiets. Wat er verder op scholen wordt geregistreerd houden wij niet bij en het is dus ook niet zo dat wij dat gaan registreren. We vragen echt de scholen om dat te doen met als doel — dat zei de heer Ergin ook al — om hun eigen veiligheidsbeleid te verbeteren.
De heer Kisteman (VVD):
Zou de staatssecretaris ons een beeld kunnen geven van wat die scholen dan intern hebben gedaan met dit soort registraties of meldingen? Wat is daar vervolgens uit voortgekomen?
Staatssecretaris Tielen:
Daar kan ik niet zo een-twee-drie antwoord op geven. De bedoeling van de wet is dat scholen met wat ze bijhouden, hun veiligheidsbeleid verbeteren en zeggen: het is toch wel gek dat we heel vaak dit soort incidenten hebben, in die periode van het jaar, op dat moment in de week, als dit of dat aan de hand is. Zo kunnen ze daadwerkelijk grip krijgen op wat er misgaat als het gaat om veiligheid.
De voorzitter:
De allerlaatste vraag bij dit blokje van de heer Ceder, en wel één.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, u bent zeer galant. Scholen hebben de vrijheid om zelf te registreren. Dan gaat onvermijdelijk de vraag opspelen hoeveel je registreert en waarop. Is het volgens de staatssecretaris gewenst dat scholen niet alleen incidenten gaan registreren maar die ook uitsplitsen op leeftijd, geslacht, etniciteit, geaardheid? Of laat zij dat aan scholen over, als zij dat nodig vinden om de veiligheid te kunnen waarborgen? Hoeveel ruimte heeft de school daarin?
Staatssecretaris Tielen:
Dat vind ik een lastige vraag. Mijn primaire reactie zou zijn: laten we dat allemaal niet doen. Volgens mij hebben we allemaal regels en wetten over wat je wel en niet aan persoonsgegevens en bijzondere persoonsgegevens bijhoudt. Het gaat hier vooral om welke veiligheidsincidenten er zijn en om daar grip op te krijgen, zodat het veiligheidsbeleid verbetert.
De voorzitter:
Oké. We gaan naar overig. De staatssecretaris doet echt haar best en het gaat hartstikke goed, maar we gaan proberen het nog ietsje sneller te doen. Is het een dunner of een dikker mapje dan maatregelen?
Staatssecretaris Tielen:
Overig is altijd dik, hè.
De voorzitter:
Ach jee. Nou, kom op.
Staatssecretaris Tielen:
Maar er zitten wellicht wat dubbelingen in. Ik doe mijn best, voorzitter, zoals u al bevestigde.
De voorzitter:
Zeker.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Rooderkerk vroeg naar de groeiende lijn van online. Zoals ik in de inleiding al zei, valt online hier ook onder, juist omdat online pesten inderdaad een even grote of misschien soms wel grotere impact kan hebben. Nogmaals, deze wet staat niet op zichzelf. Rondom online pesten hebben we natuurlijk ook nog andere beleidsinstrumenten en bijvoorbeeld ook de ontwikkeling van digitale geletterdheid en mediawijsheid, waar we in de kerndoelen bijvoorbeeld aandacht aan hebben besteed. Dat soort dingen hoort daar dus ook allemaal bij. Dit staat niet op zichzelf.
Mevrouw Rooderkerk vroeg hoe we zorgen dat meldingen ten aanzien van onlineveiligheid sneller worden opgepakt, bijvoorbeeld als het gaat over politie en Openbaar Ministerie. Dat is natuurlijk echt iets van de minister van Justitie en Veiligheid. Binnen het ministerie van Justitie en Veiligheid werken ze nu aan een actieplan online en hybride geweld. Daar wordt de Kamer in september verder over geïnformeerd.
Meneer Ceder vroeg naar mentale weerbaarheid en de rol van social media, manosphere en dat soort zaken, en in hoeverre ik daar met collega's binnen het kabinet over spreek. Nou, veel, want dat is natuurlijk een belangrijk onderdeel van een deel van onze scholieren, zeg maar. Volgende week hebben we een commissiedebat, dus dan zal ik ook samen met de minister van OCW en de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport met uw Kamer in debat gaan om daar wat dieper op in te gaan.
Meneer Ceder, mevrouw Rooderkerk en mevrouw Raijer vroegen naar de veiligheid van het onderwijspersoneel in deze wet. Deze wet gaat inderdaad ook over personeel, want veiligheid geldt zowel voor scholieren als voor personeel. Daar zit natuurlijk al andere wetgeving omheen. Volgens mij zat die ook in het rijtje van mevrouw Moorman, namelijk de Arbowet, die moet zorgen voor de veiligheid van personeel. Dat gaat dan via een verplichte risico-inventarisatie en evaluatie. In deze wet hebben we ook een aantal dingen voor het personeel geregeld, maar we hebben geprobeerd om dubbel werk en dubbele regels te voorkomen. We monitoren de veiligheid van het personeel niet. Dat laten we aan werkgevers en werknemers over. De sociale partners hebben daar al een voorzet voor gedaan door hun eigen personeelsmonitor aan werkgevers aan te reiken. Daarmee is ook de vraag van meneer Ceder beantwoord.
Meneer Ceder vroeg ook naar specifieke groepen zoals Joodse leerlingen. Ik refereerde daar in mijn inleiding ook al even aan. Wat mij betreft is het de plicht om te zorgen voor de veiligheid van alle leerlingen op school. Scholen moeten dus ook die veiligheid monitoren en daar waar nodig incidenten registreren. Afhankelijk van de context kan het natuurlijk aan de school zijn om zijn eigen veiligheidsbeleid op specifieke doelgroepen te richten, als blijkt dat dat in de context van de school nodig is.
Meneer Claassen en mevrouw Raijer vroegen of de huidige aanpak genoeg bescherming biedt aan Joodse leerlingen en docenten. Ze refereerden ook aan Cheider, de school in Amsterdam. Helaas zien we dat de huidige dreiging op deze groep Joodse leerlingen en docenten groot is. Daarom is er ook noodzaak voor fysieke extra bescherming. De gemeente Amsterdam is actief met de joodse scholen en leerlingen in contact om die fysiek te beschermen. Vanuit de Strategie Bestrijding Antisemitisme is er extra geld voor een veiligheidsfonds voor onder andere joodse scholen. Met dit wetsvoorstel verscherpen we de zorgplicht. Daarmee hopen we die veiligheid in ieder geval enigszins te kunnen verbeteren.
Meneer Ceder vroeg ook nog naar het UNESCO-onderzoek als het gaat om antisemitisme in het klaslokaal. Dat UNESCO-onderzoek toonde een heel hoog percentage docenten dat te maken had met holocaustontkenning en holocaustbagatellisering of -verdraaiing. We hebben zelf vorig jaar, in 2025, een onderzoek gedaan naar die vraagstelling, namelijk: hoeveel docenten hebben te maken met holocaustontkenning en -verdraaiing? Ik geloof dat ik daar een paar weken geleden via een brief nog wat informatie over heb gestuurd. Die cijfers zijn een stuk lager dan die van het UNESCO-onderzoek. Dat laat onverlet dat de percentages nog steeds te hoog zijn: 14% van de docenten heeft te maken met holocaustontkenning en 38% met -bagatellisering of -verdraaiing. We zijn nu ook in gesprek met docenten over wat zij nodig hebben om daarmee om te gaan. Onder andere de subsidie voor schurende gesprekken — die heb ik al een paar keer genoemd — wordt aangeboden om docenten daarbij te helpen, maar we proberen scherp te krijgen wat ze er eventueel nog meer voor nodig hebben. Dit sluit aan bij een aantal andere vragen, die ik dan voor het gemak daarbij heb gezet.
Mevrouw Rooderkerk vroeg naar de onveiligheid onder lhbtqi-personen, -scholieren en -docenten. Daar refereerde ik in de inleiding ook al even aan. Ook deze mensen hebben echt nodig dat wij zorgen dat de zorgplicht van scholen rondom veiligheid stevig is. We werken daar hard aan, naast deze wet over veiligheid en naast de ondersteuning die we bieden met bijvoorbeeld Stichting School & Veiligheid en wat we met het COC doen voor de veilige schoolomgevingen. Ook daar geldt weer dat we, binnen de kerndoelen, in de lessen zorgen dat daar inhoudelijk meer acceptatie en begrip uit voortkomt.
Mevrouw Moorman vroeg dan specifiek naar de Gender & Sexuality Alliances, de GSA's. Die zijn heel effectief op school. Tenminste, we zien hele positieve effecten als het gaat om sociale veiligheid en acceptatie van lhbtqi+. Via de Alliantie Kleurrijk en Vrij, die ik dan weer financier vanuit mijn rol als staatssecretaris Emancipatie, worden die Gender & Sexuality Alliances ook ondersteund.
Meneer Kisteman en mevrouw Raijer vroegen naar wapenbezit en ernstige geweldsincidenten. Zij vroegen hoe scholen daar steun bij vinden. Wij vinden dat uiteraard belangrijk. Dit zijn namelijk dingen waarvan je een beetje hoopt dat het geen patroon is op school en dat vraagt dus om actie bij het schoolbestuur en de schoolleiders. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en de Stichting School & Veiligheid helpen scholen bij de aanpak van wapens. Zowel het ministerie van Justitie en Veiligheid als het ministerie van OCW geven daar subsidies voor. Dan zijn er ook hele praktische dingen, zoals een checklist voor wapen- en kluisjescontroles, een toolbox met informatie, ondersteuning en praktijkvoorbeelden. Er is ook een adviespunt waar scholen terechtkunnen als er rondom wapens of ernstig geweld iets gebeurt wat ze niet hadden voorzien en waarvan ze ook niet goed weten wat ze ermee moeten. Dan kan de Stichting School & Veiligheid daar ook weer bij helpen.
Meneer Boomsma vroeg naar de toename van criminele uitbuiting en hoe we ervoor zorgen dat signalen door docenten en vertrouwenspersonen worden opgepakt en dat ze daar iets mee doen. Ik herken wel wat meneer Boomsma daarover zegt. Jonge mensen zijn heel kwetsbaar. We zien in de praktijk dat ze daarop geronseld en geworven worden. Onderwijspersoneel kan het wel signaleren, maar niet zo makkelijk oplossen. Dat is echt wel iets waar de politie ook een rol in speelt. Daarom is het dus heel fijn als de wijkagent en de school een goede relatie hebben, zodat men kan opschalen als onderwijspersoneel dat tegenkomt. Ook daarvoor geldt dat de Stichting School & Veiligheid kan helpen. Er is ook een handreiking over welke gegevens je wel en niet kan delen en welke organisaties er zijn, om ervoor te zorgen dat je die signalen kan opvolgen. De aanpak van criminele uitbuiting ligt in de kern natuurlijk bij de minister van Justitie en Veiligheid.
Mevrouw Moorman vroeg of ik bereid ben om een plan te maken over hoe jongerenwerk op school steviger kan worden. Ze refereerde daar in een van de interrupties ook al aan. Ik denk en ik zie dat dat een heel goed effect heeft op scholen die goed contact hebben en samenwerken met jongerenwerk. Dat zien we gewoon in de praktijk. Jongerenwerk ligt natuurlijk niet in mijn pakketje, om het maar zo te zeggen. Dat moet ik dus samen met VWS en Binnenlandse Zaken oppakken. Het lijkt me goed om te bekijken hoe we dat handen en voeten kunnen geven. Dat doe ik dus graag, als dat de vraag was van mevrouw Moorman. Ja, dat was haar vraag, zie ik.
Mevrouw Moorman vroeg ook naar de AVG en hoe we ermee omgaan dat de AVG de zorgvuldigheid van de omgang met gegevens en persoonsgegevens borgt, maar dat samenwerken soms wel om gegevensdeling vraagt. Ik hoor ook vaak dat het soms complex kan zijn. We weten dat de MBO Raad inmiddels een handreiking heeft gedaan met de titel Handreiking delen signalen zorgwekkend gedrag MBO. Ik denk dat het goed is om te kijken of die handreiking van de MBO Raad ook voor de basisscholen en middelbare scholen beschikbaar kan zijn. Ik geloof dat dat ook al in gang is gezet.
Meneer Van Houwelingen vroeg nog naar het ziekteverzuim in relatie tot onveiligheid en de omvang van een school. Hij zei daarbij dat ziekteverzuim stijgt als het aantal medewerkers groter is. Die stelling kunnen wij niet onderbouwen met cijfers. We hebben daar onderzoek van DUO op nageslagen. Dat laat een heel gemengd beeld zien. Het verzuimpercentage was in 2024 bij kleinere scholen in het basisonderwijs juist heel erg hoog. In 2023 was het verzuimpercentage bij de grootste scholen het hoogst. Daar is dus geen eenduidige trend in te herkennen. Dat laat onverlet dat het belangrijk is om ziekteverzuim te voorkomen en te verminderen. Uiteraard kan onder andere een veilig schoolklimaat daar een rol in spelen, maar niet als enige.
Volgens mij heb ik alle vragen beantwoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat ging keurig. We gaan straks naar de amendementen. Zijn er over het blokje overig nog vragen? Dat is niet het geval. Dan gaat de staatssecretaris nu over op het appreciëren van de amendementen. Ik stel voor dat we vragen gaan stellen per zelfingediend amendement.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik dacht dat ik nog geen antwoord had gehad op mijn vragen over het onderwijspersoneel. We zien dat leraren uit deze wet zijn gehaald. We zien ook dat leraren veel onveiligheid kunnen ervaren. Vaak gaat dat samen met leerlingen die dan bijvoorbeeld slaags met elkaar raken. Hoe zorgen we ervoor dat we, in aanvulling op wat er volgens de arbo al moet, oog houden voor de veiligheidsbeleving van leraren en het verbeteren daarvan?
Staatssecretaris Tielen:
Op zich zijn leraren niet uit de wet gehaald. Het veilig schoolklimaat geldt voor iedereen. Je kan je voorstellen dat je als school ook een incidentenregistratie voor personeel hebt. Wat we alleen niet doen, is een personeelsmonitor. Die monitor zit namelijk al vast rond de Arbowet en de verantwoordelijkheden rondom de risico-inventarisatie en -evaluatie. Ik gaf aan dat de bonden, samen met de werkgevers, al een aanzet hebben gegeven om te zorgen dat werkgevers en scholen daar wel mee aan de slag kunnen. Zoals ik al zei, is daar dus een oplossing voor.
De heer Boomsma (JA21):
Ik had ook een vraag gesteld. We hebben een explosieve toename gezien van antisemitisme, met name in de afgelopen twee jaar. Mijn vraag was of en, zo ja, in hoeverre, er wordt gemonitord wanneer scholieren of studenten de onderwijsinstelling verlaten vanwege antisemitische intimidatie.
Staatssecretaris Tielen:
Dat wordt volgens mij niet bijgehouden. Heb ik die vraag gewoon overgeslagen? Mag ik daar zo op terugkomen?
De voorzitter:
Ja.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb hem namelijk wel ergens gezien, maar … O, ik heb hem.
De voorzitter:
O, daar is ie!
Staatssecretaris Tielen:
Ja, er zijn wel signalen. We hebben ook gevallen waarin dat duidelijk is en beschreven is, maar er is geen volledig landelijk beeld als het gaat over Joodse scholieren en studenten die thuisblijven of hun school of studie stoppen vanwege antisemitisme. Wel weten we — daar verwees de heer Boomsma al naar — dat sommige Joodse studenten zich echt onveilig voelen en dat dit ook kan gebeuren. We hebben daar geen landelijk beeld van, maar we weten dat het voorkomt en we zijn er ook alert op.
De voorzitter:
Oké. Dan mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, excuus. De staatssecretaris gaat nu natuurlijk beginnen met de appreciatie van de amendementen en iedereen mag alleen maar over zijn eigen amendement interrumperen.
De voorzitter:
Dat was wel het plan, ja.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik heb geen amendement, dus ik heb nog eventjes mijn eigen bijdrage bekeken om te zien of al mijn vragen zijn beantwoord. Ik heb nog wel een punt gemaakt over de wat formalistische benadering. Op pagina 55 lezen we dat de administratie van een ernstig veiligheidsincident vijf minuten kost. Het gaat dan niet om iets als een duw of zo, maar om een ernstig veiligheidsincident. Dat kost dan vijf minuten. Ik zou daar toch nog wel graag een reactie van de staatssecretaris op willen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat mevrouw Moorman eraan refereert dat het ook weleens langer zou duren, al is het alleen al omdat je moet bedenken wat je wel en niet wil opschrijven. Dit is onze inschatting van wat het gemiddeld kost.
Mevrouw Moorman (PRO):
Maar wat is dan volgens de staatssecretaris een ernstig veiligheidsincident? Ik bedoel, vijf minuten voor een ernstig veiligheidsincident: dat geeft toch wel aan dat we eigenlijk geen idee hebben wat er dan op scholen gebeurt?
Staatssecretaris Tielen:
Ik weet niet helemaal wat mevrouw Moorman met dat laatste bedoelt. We hebben opgeschreven wat "een ernstig veiligheidsincident" is. Dat heb ik net ook volgens mij een keer genoemd. De meeste tijd moet dus ook niet in het registreren gaan zitten. Volgens mij zijn we het daarover eens. Het gaat erom dat we zicht krijgen op wat er wel en niet op scholen gebeurt en dat we daar vervolgens ook iets mee kunnen doen, zowel op het moment dat zo'n incident gebeurt als wat betreft het evalueren en bijsturen van het veiligheidsbeleid.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Moorman (PRO):
Mijn fundamentele probleem met dit hele debat is dat we niet weten wat deze cijfers straks zeggen. We weten niet wat het betekent als de inspectie daar binnenkomt en er geen registraties zijn. Waren er geen incidenten of is het niet geregistreerd? De staatssecretaris zegt opnieuw dat het aan de school is om daarmee om te gaan. Ik heb daar eigenlijk niet eens meer een vraag over. Ik constateer aan het einde van dit debat gewoon dat er willekeur gaat ontstaan tussen scholen, dat de inspectie niet weet hoe ze daarmee om moet gaan en dat deze wet daarmee dus helemaal geen extra veiligheid biedt op scholen.
De voorzitter:
Uw punt is gemaakt. Ik verzoek de staatssecretaris om de amendementen te appreciëren.
Staatssecretaris Tielen:
Ik wil daar toch wel eventjes op reageren. Ik hoef dat niet persoonlijk te nemen, dus dat doe ik ook niet. Aan de ene kant wordt mij in mijn ambt verweten dat ik voor een te hoge registratiedruk zorg, dat ik het te ingewikkeld maak en dat het te veel administratieve last oplevert. Aan de andere kant zou ik vervolgens geen zicht op bepaalde dingen hebben. Deze wet is er dus niet voor bedoeld dat ik zicht ga hebben op hoe het met de veiligheidsincidenten op alle scholen in Nederland staat, dat ik daar een kaartje van maak, dat naar de Kamer stuur en daar dan met de Kamer over in debat ga. Daar gaat het niet om. Het doel van deze wet is veiligere scholen, doordat er veiligheidsbeleid is waardoor de bevoegde gezagen, oftewel degenen die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op school, daadwerkelijk weten wat er gebeurt en hun beleid daar goed op kunnen inzetten, evalueren en verbeteren, met het oog op het voorkomen van veiligheidsincidenten.
De voorzitter:
Ja, helder.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik stel hele korte vragen, dus dat scheelt. Ik hoor de staatssecretaris zeggen wat het doel van deze wet is, maar de oude Wet veiligheid op scholen had in feite hetzelfde doel, behalve dat er nu geregistreerd wordt. Ik weet dat je je aan een wet moet houden. Ik hoor u ook zeggen dat een aantal scholen zich niet aan de vorige wet hielden. Wat garandeert nu dat de scholen die zich niet aan de oude wet hielden, zich nu wel aan de nieuwe wet gaan houden?
Staatssecretaris Tielen:
Ik wil het niet platslaan, maar soms doe ik dat toch een beetje. In de vorige wet werd gezegd: u moet een veiligheidsbeleid hebben. Je kunt dan in 2013 een mooi veiligheidsbeleid opstellen, dat je vervolgens in de kast legt en dan is dat het. We willen met deze wet eigenlijk juist dat het van het papier af komt. Dat betekent dat we scholen dus verplichten om ervoor te zorgen dat het elk jaar geëvalueerd wordt en dat ze dat niet doen op basis van "het voelt wel veilig hier op school". We willen dat ze dat doen op basis van het aantal veiligheidsincidenten en op basis van de vraag of dat betekent dat hun beleid werkt of dat ze misschien hulp moeten zoeken bij de wijkagent, bij de jongerenwerkers, bij elkaar of bij de Stichting School & Veiligheid. Dat is wat deze wet extra maakt. Deze wet moet ervoor zorgen dat de wet die er al was ook daadwerkelijk gaat leven op al die scholen.
De voorzitter:
We hebben negentien amendementen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, best veel, hè?
De voorzitter:
Ja, best veel.
Staatssecretaris Tielen:
Ik kijk bij de amendementen ook redelijk naar de balans tussen de wet aan de ene kant een beetje administratief slank houden en die tegelijkertijd effectief laten zijn. Zo heb ik naar de amendementen gekeken.
Ik begin met het amendement-Ceder/Kostić op stuk nr. 10 over suïcide-incidenten. Het korte antwoord zou zijn dat we dit niet moeten doen, omdat we er niet nog meer incidenten in moeten zetten. In dit geval maak ik een uitzondering, omdat ik deze wel impactvol genoeg vind. Ik vond ook dat meneer Ceder daar goed woorden aan gaf in zijn bijdrage. Ik zou dit amendement dus oordeel Kamer willen geven.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 10: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 11 ontraad ik. Daarmee vraagt meneer Ceder om de evaluatie van deze wet te verkorten naar drie jaar. Ik denk dat dat te snel is. We hebben dan gewoon te weinig basis om de wet goed te kunnen evalueren. Ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 11: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Dan ga ik door naar het amendement op stuk nr. 14. Meneer Ceder en mevrouw Rooderkerk vragen daarmee om ernstige intimidatie en stelselmatige verbale agressie op te nemen als een van de specifieke categorieën. Wat mij betreft zat dat eigenlijk al wel in het lijstje dat we hadden, maar ik kan me voorstellen dat dit wel bijdraagt aan de helderheid van die lijst. Ik geef dit amendement dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
Amendement op stuk nr. 14: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 15 is van meneer Ceder. Hij wil de term "onverwijld" vervangen. Dan gaat het over de meld-, overleg- en aangifteplicht door dat vast te leggen. Eigenlijk is "onverwijld" juist een hele gebruikelijke term als het gaat over dit soort vraagstukken. Dus ik denk dat we het onszelf, en vooral ook de mensen die het betreft, lastiger maken.
De voorzitter:
Ja. Eén vraag van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dankzij de term "onverwijld" heb ik zes jaar lang als advocaat werk gehad. Voor een werkgever kan dat namelijk iets anders betekenen dan voor de werknemer. Je wil niet een situatie hebben waarin er geprocedeerd wordt omdat er een serieuze klacht ligt, maar de hele klacht van tafel is als het bestuur niet op tijd die melding gedaan heeft, terwijl het wel om een ernstige gedraging gaat. In zo'n situatie wil je gewoon niet komen. Ik heb geprobeerd om het in ieder geval af te bakenen. Volgens mij willen we dat het snel gebeurt. Misschien is 24 of 48 uur te snel. Maar je gaat hierdoor ongetwijfeld procedures krijgen ten koste van het slachtoffer. Dat probeer ik te voorkomen. Ik hoop dat de staatssecretaris opnieuw hiernaar wil kijken met dat in het achterhoofd. Want dit gaat geen winnaars opleveren.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Ceder zegt "te snel". Ik denk dat, als we die termen gebruiken, het soms te langzaam is. Denk aan zaken van seksuele intimidatie of zelfs seksueel misbruik. Dan zijn de termijnen die meneer Ceder aangeeft eigenlijk te lang. Dat is volgens mij precies waarom we "onverwijld" op moeten nemen. Soms kan het te snel zijn en soms te langzaam.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 15 is ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Dan het amendement op stuk nr. 16 van meneer Ceder over overleg met de vertrouwensinspectie als het gaat over het informeren van de ouders. Ik heb geprobeerd in mijn antwoorden in de eerste termijn duidelijk te maken over wat voor gevallen we het dan hebben. Dit amendement wil ik graag ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 16: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Dat ontraad ik dus ook. Ik zeg dat eigenlijk gek.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 18.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Ergin had het over een bewaartermijn voor de incidentenregistratie. Daar ben ik ook kort op ingegaan. Ik verwees volgens mij al naar het amendement in mijn inbreng. Ik denk dat het goed is om dat oordeel Kamer te geven. Dat doe ik dan ook.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 18: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 22 van meneer Boomsma, over het schrappen van de uitbreiding naar seksuele intimidatie, ontraad ik. Ik snap wel wat meneer Boomsma wil zeggen, maar ik denk dat hij dat hiermee niet zegt. We hebben bij de evaluatie hiervan onder andere gezien dat scholen soms echt een andere inschatting maken, soms vanwege handelingsverlegenheid en soms vanwege te weinig expertise. Het gaat dus niet over ongepast gedrag of dat soort zaken, waar ik ook weleens passages over heb gezien. Dit gaat echt over seksuele intimidatie.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 22: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Die uitbreiding zou ik er graag in houden, zeker gezien alle ontwikkelingen rondom seksueel geweld.
De voorzitter:
Er is één vraag van de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Maar het is dus heel onduidelijk wat dat precies betekent. De wet zegt wel degelijk "alle mogelijke vormen van intimidatie". Dat is dus heel wijd en breed geïnterpreteerd. Dat is de reden waarom men vanuit het veld en vanuit scholen aangaf — de Raad van State deed dat ook — dat juist dit aspect leidt tot die verkramping en ertoe leidt dat je niet meer dat gezonde gesprek kunt voeren.
Staatssecretaris Tielen:
Dat ben ik gewoon niet helemaal met meneer Boomsma eens. Ik heb opinieartikelen gezien waarin werd gevraagd of het dan seksuele intimidatie is als je eens een troostende arm om iemand heen slaat. Nee, dat is het niet. Sterker nog, in de memorie van toelichting staat dit voorbeeld niet precies zo geformuleerd, maar wel geparafraseerd. Daar hebben we het dus niet over. Het gaat dus echt over seksuele intimidatie. Ik denk dat de meeste mensen hier wel een beetje gevoel hebben voor wat dat dan is.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 22: ontraden. We gaan naar het amendement op stuk nr. 24.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 24 van de leden Rooderkerk en Kisteman gaat over "digitaal". Ik weet niet hoe vaak ik het woord "online" heb genoemd. Waarschijnlijk te weinig, maar wat mij betreft gaat dit wetsvoorstel ook over online. Ik vind het prima om het amendement dat dat nog een keer expliciet maakt, oordeel Kamer te geven.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 24: oordeel Kamer. Het amendement op stuk nr. 25.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 25 van meneer Ergin gaat over registratie buiten de school. Volgens mij gaan we dan echt overladen met registratielast. Dat maakt het niet simpeler, maar wel veel groter. Ik denk ook dat het enigszins het doel voorbijschiet. Dat ontraad ik dus.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 25: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 26 van meneer Boomsma gaat over het vervangen van "de verplichting om jaarlijks te evalueren" door "evalueren wanneer de inspectie zegt dat dat moet". Dat zou ik willen ontraden, juist omdat we die papieren tijger dus levend willen maken — dat betekent dat scholen er zelf mee bezig zijn — om ervoor te zorgen dat hun veiligheidsbeleid ook daadwerkelijk effectief is. Daar hebben ze ook informatie over. Het moet dus niet alleen op aanwijzen van de inspectie; het moet gewoon een lopend patroon zijn. Dus ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 26: ontraden. Het amendement op stuk nr. 28.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 28 van meneer Ceder, meneer Stoffer en meneer Boomsma, over het schrappen van de opvolgingsplicht, zou ik graag ontraden. De uitspraken van een klachtencommissie zijn onafhankelijk en professioneel. Ik vind het belangrijk dat ze ook zo worden beoordeeld en dat dat er dus ook iets met die uitspraken gebeurt. Dat die worden opgevolgd is, denk ik, ook belangrijk voor het vertrouwen in klachtenprocedures. Dus ontraden.
De voorzitter:
Ja. Het amendement op stuk nr. 28: ontraden. Het amendement op stuk nr. 29.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 29 is van mevrouw Rooderkerk en meneer Ergin. Discriminatie is op zichzelf al opgenomen als categorie. Als we daar een aparte categorie van maken, is dat volgens mij verwarrend en ook weer extra. Dat ontraad ik dus.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 29: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 30 van de heren Ceder, Kisteman en Claassen over antisemitisme is volgens mij het amendement waar de heer Ergin al aan refereerde in zijn interruptievraag. Ik zou dat willen ontraden, omdat discriminatie in alle vormen gewoon onder het kopje discriminatie valt.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 30: ontraden. Het amendement op stuk nr. 31.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 31 is van meneer Van Houwelingen. Dat amendement wil wat veranderen aan het schoolplan, en het bevoegd gezag bij de directeur leggen. Dat is echt wel iets wat buiten dit wetsvoorstel ligt. Daar maken we de wet niet helderder mee. Dat zou ik hiermee dus zeker niet willen gaan regelen. Dat ontraad ik dus. Gedachten daarover bij andere debatten zijn natuurlijk wel interessant, maar laten we niet het stelsel in een andere wet per amendement volledig wijzigen.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 31: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Eigenlijk geldt een beetje hetzelfde voor het amendement op stuk nr. 32. Dat ontraad ik dus ook.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 32: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 33 van meneer Ergin en mevrouw Rooderkerk gaat over het schrappen van "stelselmatige" bij "discriminatie". Ik heb uiteraard geluisterd in de eerste termijn, maar ik denk wel dat het handig is om dat woord "stelselmatige" hier te laten staan, ook omdat je anders een soort ingewikkelde analyse, inzicht enzovoort enzovoort moet hebben om erachter te komen of iets daadwerkelijk discriminatoir is of toch niet. Als we dat weghalen, denk ik dat dat te veel administratielast oplevert en dat dat het niet veiliger maakt. Dus ik ontraad dat amendement.
De heer Ergin (DENK):
Ik vind dit wel een rare redenering, want je moet überhaupt beoordelen of iets daadwerkelijk discriminatoir is. Ook als het stelselmatig is, moet de school bekijken of iets daadwerkelijk discriminatoir is. Waar het hierom gaat, is dat we de scholen niet moeten opschepen met een discussie over wanneer iets stelselmatig is. Is dat bij twee keer, bij drie keer of bij vijf keer? Ziet de staatssecretaris dat haar eigen redenering hier eigenlijk knelt?
Staatssecretaris Tielen:
Als je een aantal praktijkvoorbeelden pakt — dat ga ik nu niet doen — denk ik dat we precies in die ingewikkeldheid komen, terwijl het met "stelselmatig discriminatoir", zoals we het nu in de wet hebben staan, een stuk helderder is dan met wat meneer Ergin suggereert. Volgens mij verschillen we inhoudelijk dus niet van mening, maar wel over hoe we dat opschrijven.
De voorzitter:
We gaan naar het amendement op stuk nr. 34.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 34. Dat ontraad …
De voorzitter:
Oké, mevrouw Rooderkerk heeft ook één vraag.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja, nog een vraag daarbij, want ik begrijp gewoon niet waarom bij andere vormen van geweld wel bij een eenmalig geval moet worden gemeld of opgetreden, maar bij discriminatie niet. Er zijn namelijk ook strafbare vormen van discriminatie die ook bij één keer strafbaar kunnen zijn, zoals het oproepen tot haat of geweld.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, en die staan eigenlijk al in een ander lijstje. Dat heb ik nu net in mijn snelheid weggelaten. We hebben een lijstje in de wet opgenomen, waarin onder andere ook bedreiging, grove pesterijen en stelselmatige discriminatie staan. Daarom zei ik al: als we een aantal van dit soort casussen aflopen, komen we er best wel snel achter. Die moet je dus gewoon opschrijven.
De voorzitter:
Oké. Het amendement op stuk nr. 34.
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Het amendement op stuk nr. 34, van de leden Ceder, Stoffer en Boomsma, over het aansluiten bij een landelijke klachtencommissie uit te wet halen, ontraad ik. De verplichte aansluiting bij een klachtencommissie staat er juist in omdat we uit de evaluatie begrijpen dat een landelijke klachtencommissie echt beter is dan een aantal kleine, lokale commissies en dat je die ook beter aan de hand kan nemen. De landelijke klachtencommissie is gewoon veel professioneler en heeft veel meer expertise in het behandelen van klachten, en kan dat daardoor ook makkelijker en beter. Dat zouden we graag eenduidig hebben. Nogmaals, met deze wet stellen we een norm daarvoor, dus ik ontraad het amendement.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb hierop geen interruptie gedaan tijdens de beantwoording, omdat ik al dacht die te doen bij de amendementen. Dit raakt voor ons wel aan de vrijheid van onderwijs. De combinatie van maar twee klachtencommissies betekent dat er een x-aantal mensen is die voor alle scholen in het land gaan beoordelen of er sprake is van een bepaalde gedraging. Die doen dat vanuit hun eigen visie, beeld en context. De verplichting om dat op te volgen raakt volgens mij wel echt aan de vrijheid van de schoolbesturen. Ik heb dus twee amendementen, één om te zorgen dat als het twee commissies worden, het advies belangrijk en zwaarwegend, maar niet bindend is, en één om de mogelijkheid te creëren om juist de minder kwalitatieve klachtencommissies eruit te laten via een register. Mijn vraag is of de staatssecretaris begrijpt dat hiermee een aantal mensen verantwoordelijk worden voor alle scholen in alle richtingen en dat dat maar vanuit een beperkte visie kan. Begrijpt zij dat dat wel degelijk raakt aan de grondwettelijke vrijheid die schoolbesturen hebben?
Staatssecretaris Tielen:
De stelling dat het maar vanuit een bepaalde visie is, onderschrijf ik gewoon niet. De landelijke klachtencommissie is een professionele, onafhankelijke commissie die zich buigt over klachten, hopelijk zo min mogelijk, omdat er al heel veel op scholen zelf kan worden opgelost. Dat beeld herken ik niet. Ik vind dus de onafhankelijkheid en de professionaliteit van de klachtencommissie dermate belangrijk dat ik dit amendement ontraad.
De voorzitter:
Nee, meneer Ceder. We hebben ook nog een tweede termijn. We doen één vraag per amendement. We gaan er niet op het eind nog ineens twee doen. Er is nog een tweede termijn van de Kamer. Er is voldoende ruimte om nog in debat te gaan met de staatssecretaris.
We gaan naar het amendement op stuk nr. 35.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 35, van meneer Stoffer, ontraad ik ook. Dat lijkt een beetje op een ander amendement dat ik al ontraden heb.
De voorzitter:
Tot slot.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement van meneer Ceder op stuk nr. 36 gaat over het uitbreiden van de meld-, overleg- en aangifteplicht naar promovendi zonder dienstverband. Daar had ik al een antwoord over gegeven. Het amendement geef ik oordeel Kamer.
Voorzitter. Dan heb ik zelf ook nog een amendement. Dat noemen we dan een nota van wijziging. Die wordt nu naar uw Kamer gestuurd. Die gaat over één woord dat ontbreekt in de wetstekst. Het gaat om het woord "intimidatie" achter "seksuele" in het eerste lid van artikel 3.39. Dat was wel een dermate omissie dat ik het ...
De voorzitter:
Die krijgt ook oordeel Kamer?
Staatssecretaris Tielen:
Jaja, precies. Ik hoop dat de Kamer dat een goed idee vindt.
De voorzitter:
Goed. Ik schors voor een ogenblik. Ik nodig de woordvoerders even uit bij het rostrum voor kort overleg.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Er is kort overleg geweest. We hebben nog een tweede termijn van de Kamer en een tweede termijn van het kabinet tegoed. We willen om 14.00 uur gaan stemmen. Dat betekent dat we daarvoor helaas niet meer de tweede termijn van de Kamer kunnen houden als we ook voldoende tijd willen hebben voor de lunch. Dat betekent dat we een uur schorsen voor de lunchpauze en om 14.00 uur verdergaan met de stemming over de moties ingediend bij het tweeminutendebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering tot 14.00 uur.
De vergadering wordt van 13.02 uur tot 14.00 uur geschorst.
Stemmingen
Stemmingen
Voorzitter: Van Campen
Stemmingen moties Europese top d.d. 18-19 juni 2026
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over de Europese top d.d. 18-19 juni 2026,
te weten:
de motie-Klos/Dassen over het versterken van de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van toonaangevende frontier-Al-modellen (21501-20, nr. 2405);
de motie-Klos/Becker over een coalitie voor de ontwikkeling van een Europese variant van de Five Eyes-samenwerking (21501-20, nr. 2406);
de motie-Dassen/Klos over toegang tot Europese middelen sterker koppelen aan de uitvoering van overeengekomen hervormingen (21501-20, nr. 2407);
de motie-Dassen/Van der Lee over zich constructief opstellen ten aanzien van nieuwe Europese eigen middelen (21501-20, nr. 2409);
de motie-Ergin/Van Baarle over israël expliciet veroordelen voor het voortzetten van oorlogsmisdaden en schendingen van het internationaal recht (21501-20, nr. 2410);
de motie-Ergin/Van Baarle over niet meewerken aan procedures of terugkeerconstructies onder het Migratiepact totdat rechtsbijstand, rechtsmiddelen en menswaardige opvang zijn gegarandeerd (21501-20, nr. 2411);
de motie-Stöteler over zorgen dat Nederland geen nettobetaler blijft maar netto-ontvanger wordt (21501-20, nr. 2412);
de motie-Stöteler/Wilders over pleiten tegen sancties tegen Israël, Israëlische functionarissen en Israëlische bedrijven (21501-20, nr. 2413);
de motie-Hoogeveen over alle Iraanse tolheffingen bij doorvaart door de Straat van Hormuz expliciet afwijzen (21501-20, nr. 2414);
de motie-Hoogeveen/Boomsma over bevestigen dat het gemeenschappelijk visserijbeleid voor Nederland onderdeel blijft van toetredingsonderhandelingen (21501-20, nr. 2415);
de motie-Becker over niet instemmen met maatregelen die bijdragen aan de internationale rehabilitatie van het Iraanse regime (21501-20, nr. 2416);
de motie-Becker/Ellian over inzetten op het creëren van beschermingsalternatieven in landen buiten Europa (21501-20, nr. 2417);
de motie-Van der Lee over in EU-verband uitdragen dat graduele toetreding een aanvulling is op de route naar een volwaardig lidmaatschap (21501-20, nr. 2418);
de motie-Van der Lee over een partnerschap met Taiwan en Taiwanese chipbedrijven aangaan (21501-20, nr. 2419);
de motie-Struijs c.s. over pleiten voor betere samenwerking tussen lidstaten tegen illegale handel in medicijnen (21501-20, nr. 2420);
de motie-Diederik van Dijk c.s. over optreden tegen landen die onvoldoende meewerken aan de bestrijding van internationale drugscriminaliteit (21501-20, nr. 2421);
de motie-Diederik van Dijk/Stoffer over een internationale water- en voedselzekerheidstop organiseren tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2029 (21501-20, nr. 2422);
de motie-Diederik van Dijk/Krul over tijdens de Europese Raad pleiten voor een Europees afpakoffensief tegen drugscriminelen (21501-20, nr. 2423);
de motie-Van Houwelingen over uitspreken dat de oorlog in Oekraïne niet onze oorlog is (21501-20, nr. 2424);
de motie-Van Houwelingen over niet langer deelnemen aan de Bilderbergconferentie of het World Economic Forum voor staatshoofd en kabinetsleden (21501-20, nr. 2425);
de motie-Jimmy Dijk/Struijs over voorkomen dat het voorstel voor het 28ste regime een negatieve invloed heeft op onze concurrentiepositie en de rechten van werknemers (21501-20, nr. 2426);
de motie-Jimmy Dijk/Struijs over nederlandse werknemers, consumenten, milieu en leefomgeving beschermen bij de onderhandelingen over de Omnibuswetten (21501-20, nr. 2427).
(Zie vergadering van 16 juni 2026.)
De voorzitter:
De motie-Klos/Dassen (21501-20, nr. 2405) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Klos, Dassen, Martens-America en El Boujdaini.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 2405 (21501-20).
De motie-Van der Lee (21501-20, nr. 2419) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat China met zijn anacondastrategie de politieke en militaire druk op Taiwan stelselmatig blijft opvoeren en dit ook een dreiging is voor de Nederlandse economische veiligheid;
overwegende dat China stelselmatig de vrije doorvaart van internationale wateren aanvecht en recent zelfs het Nederlandse fregat Zr.Ms. De Ruyter met verbale leugens probeerde weg te jagen;
overwegende dat China in vergelijking tot de EU tot acht keer meer staatssteun geeft aan bedrijven om mondiaal marktleider te blijven in grondstoffen, staal, elektronica, chemie, zonne-energie, robotica, AI en de automobielindustrie;
overwegende dat China stelselmatig weigert om wederkerigheid in handel en eerlijke toegang tot zijn nationale markt toe te passen;
constaterende dat Nederland een wereldspeler is in de halfgeleiderindustrie en de Nederlandse Semicon Visie 2035 de ambitie bevat om een high-mix chipproductie te realiseren in Nederland en/of de EU;
verzoekt de regering om een coalition of the willing te vormen met andere EU-lidstaten, een delegatie van Europese topambtenaren samen te stellen en hun te verzoeken naar Taiwan af te reizen om een partnerschap met Taiwan en Taiwanese chipbedrijven aan te gaan, teneinde de beoogde high-mix chipproductie in de EU te bevorderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 2419 (21501-20).
De motie-Struijs c.s. (21501-20, nr. 2420) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Struijs, Jimmy Dijk, Dassen, Van der Lee, Hoogeveen en Wendel.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 2420 (21501-20).
De motie-Diederik van Dijk/Stoffer (21501-20, nr. 2422) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Diederik van Dijk, Stoffer en Van Ark.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 2422 (21501-20).
Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Klos c.s. (21501-20, nr. ??, was nr. 2405).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Klos/Becker (21501-20, nr. 2406).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Dassen/Klos (21501-20, nr. 2407).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Dassen/Van der Lee (21501-20, nr. 2409).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, PRO, D66, Volt en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Ergin/Van Baarle (21501-20, nr. 2410).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, PRO, D66, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Ergin/Van Baarle (21501-20, nr. 2411).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, PRO, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Stöteler (21501-20, nr. 2412).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Stöteler/Wilders (21501-20, nr. 2413).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Hoogeveen (21501-20, nr. 2414).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Hoogeveen/Boomsma (21501-20, nr. 2415).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Becker (21501-20, nr. 2416).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Becker/Ellian (21501-20, nr. 2417).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van der Lee (21501-20, nr. 2418).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, PRO, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Van der Lee (21501-20, nr. ??, was nr. 2419).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, JA21, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Struijs c.s. (21501-20, nr. ??, was nr. 2420).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Diederik van Dijk c.s. (21501-20, nr. 2421).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Diederik van Dijk c.s. (21501-20, nr. ??, was nr. 2422).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, PRO, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Diederik van Dijk/Krul (21501-20, nr. 2423).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van Houwelingen (21501-20, nr. 2424).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van BBB, Groep Markuszower en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Van Houwelingen (21501-20, nr. 2425).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Jimmy Dijk/Struijs (21501-20, nr. 2426).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, de PvdD, DENK, BBB en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Jimmy Dijk/Struijs (21501-20, nr. 2427).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
Stemmingen moties Visserij en Landbouw- en Visserijraad (juni)
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad (juni),
te weten:
de motie-Vermeer c.s. over het wetsvoorstel voor de verruiming van de mogelijkheden tot bevissing van uitheemse rivierkreeften uiterlijk in het vierde kwartaal van 2026 aanhangig maken (21501-32, nr. 1816);
de motie-Boomsma c.s. over het ontwerpaanwijzingsbesluit om het gebied Hollandse Kust aan te wijzen als Vogelrichtlijngebied eerst voorleggen aan de Tweede Kamer (21501-32, nr. 1817);
de motie-Chris Jansen over de makreelquota opnieuw bespreekbaar maken binnen de EU (21501-32, nr. 1818);
de motie-Vellinga-Beemsterboer over in Noordzeeverband een lijst samenstellen van innovatieve technieken en pilots binnen de visserij en aquacultuur (21501-32, nr. 1820);
de motie-Kostić over zich inzetten voor betere bescherming van vissen en andere waterdieren (21501-32, nr. 1821);
de motie-Grinwis c.s. over bij het vaststellen van referentiewaarden voor natuur op zee uitgaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten (21501-32, nr. 1822).
(Zie vergadering van 16 juni 2026.)
De voorzitter:
Op verzoek van het lid Kostić stel ik voor de motie (21501-32, nr. 1821) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
In stemming komt de motie-Vermeer c.s. (21501-32, nr. 1816).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Boomsma c.s. (21501-32, nr. 1817).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Chris Jansen (21501-32, nr. 1818).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, de ChristenUnie, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Vellinga-Beemsterboer (21501-32, nr. 1820).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, PRO, D66, Volt, het CDA, DENK, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Grinwis c.s. (21501-32, nr. 1822).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Dat waren de stemmingen. Ik schors kort en dan gaat u door met de wetsbehandeling. De vergadering is kort geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Mededelingen
Voorzitter: Krul
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
De voorzitter:
Aan de orde is een korte regeling van werkzaamheden.
Ik stel voor toestemming te verlenen voor het houden van een notaoverleg met stenografisch verslag aan de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op maandag 21 september 2026 van 13.00 uur tot 17.00 uur, over de initiatiefnota van het lid Dobbe inzake de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld (36841).
Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer het tweeminutendebat Wijziging Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (19637, nr. 3561), met als eerste spreker het lid Boon van de PVV.
Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.
Wet vrij en veilig onderwijs
Wet vrij en veilig onderwijs
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet medezeggenschap op scholen, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van het veiligheidsbeleid op scholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (36777).
De voorzitter:
Aan de orde is het vervolg van de wetsbehandeling van de Wet vrij en veilig onderwijs.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
We waren aangekomen bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De eerste spreker van de zijde van de Kamer is het lid Ceder. Die nodig ik graag uit voor zijn tweede termijn. Ga uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. We hebben net een uitvoerig debat met elkaar gehad. Dit debat was ook enkele weken uitgesteld. Ik had gehoopt dat dat tot iets meer rust zou leiden, waardoor we ook met elkaar het goede gesprek over het voorstel zouden kunnen voeren. Dat is voor een deel gelukt, maar ik constateer dat we toch iets van te weinig tijd hebben. Of zo ervaar ik dat in ieder geval; misschien komt dat doordat ik wat lang van stof ben. Maar er zitten wel wat fundamentele vragen onder dit wetsvoorstel. Ik snap en onderschrijf de doelstelling dat we veilige scholen moeten hebben. Tegelijkertijd is er niemand in deze Kamer, en ook de staatssecretaris niet, die probeert te beweren dat het momenteel niet veilig is op vrijwel alle scholen. Het is dus een goede poging, maar de vraag over nut en noodzaak is voor ons nog wel een ingewikkelde. Daarbij kunnen we een register nog wel begrijpen. Ik vind het goed dat de staatssecretaris nogmaals duidelijk aangeeft dat dit een intern karakter heeft, dus dat dit niet bedoeld is om later nog uitgevraagd te worden, waardoor we of vanuit de Kamer of vanuit andere gremia als gevolg van die registraties gericht op scholen acties gaan ondernemen. Dat vond ik dus goed. Het roept tegelijkertijd wel de vraag op of dit een verbetering of een gedragsverandering in de hand werkt, waarbij men, waar men het nu gewoon met een goed gesprek oplost en zo normerend optreedt, het dan vooral naar het registreren trekt.
Ik had nog een vraag openstaan over de rol van de inspectie. Kan de staatssecretaris nog de toezegging doen dat die informatie inderdaad intern blijft, en dat, als de onderwijsinspectie een gericht bezoek brengt, die data dan wel opvraagbaar zijn — want natuurlijk moeten die er zijn — maar de onderwijsinspectie ze dan niet als instrument gaat gebruiken? Ik voorzie dat het anders wel degelijk een extern karakter krijgt. Ik vraag dus of de minister dat concreet wil toezeggen en daar misschien in een gesprek of in beleidsregels of op welke wijze ook, aandacht aan kan geven.
Het tweede is dat ik net heb gevraagd hoever het registreren van persoonsgegevens gaat. Ik las net in een artikel ... Ik weet nu even niet welk, maar het was iets met "vier". Ik kom er zo op terug. Daarin stond dat bijzondere persoonsgegevens wel degelijk verwerkt mogen worden. Oké, dat snap ik, maar het roept wel de vraag op waar dat ophoudt. Dat omdat ik graag wil weten, en scholen ook moeten weten, of zij, als zij een incident registreren in het kader van veiligheid, zij ook moeten registreren wat de leeftijd van zo iemand is, wat de geaardheid van zo iemand is, wat de etniciteit en nationaliteit van zo iemand is. Waar houdt het op en wat is dan nog proportioneel of niet? Volgens mij ligt er wel een grondslag in de wet voor in ieder geval bijzondere persoonsgegevens, waar de onderdelen die ik net noemde, volgens mij onder vallen. Daarover zou ik dus ook graag wat meer duidelijkheid hebben in de tweede termijn.
Ik heb mijn amendement gewijzigd ten aanzien van het overleg met de vertrouwenspersoon en ten aanzien van het beoordelen of je de ouders wel of niet moet inlichten. Nou, ik hoop dat dat wat meer zuurstof geeft en dat de staatssecretaris het dan positief kan appreciëren.
Tot slot, voorzitter, heb ik nog een aantal moties, die ook naar aanleiding van het debat voor ons belangrijk zijn. Voordat ik daar nog op inga, het laatste punt. Een aantal amendementen zijn positief geapprecieerd, waarvoor dank. Een aantal zijn er ontraden. Daar heb ik wat bedenkingen bij, zoals bij het "onverwijld"-amendement, waarvan werd gezegd dat dat tot juridisering leidt. Maar goed, daarover hebben we van gedachten gewisseld. Wat mij het meest steekt, is die klachtencommissie. Die wordt landelijk en het worden er twee. Dat is een hele verschuiving. Maar de koppeling van dat wat we uitspreken ook gelijk bindend is, is voor mij wel echt een verschuiving van de rol die schoolbesturen nu hebben naar een ander orgaan. Ik vind dat we zowel in het debat als in de memorie van toelichting te weinig over die verschuiving hebben gesproken, en ook over de vraag in hoeverre dit raakt aan de vrijheid die de scholen zelf hebben. De vraag is dus of de minister nog iets van een toelichting wil geven hoe dit niet raakt aan artikel 23.
Dan de moties, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat veiligheidsinstrumenten zoals meldroutes, vertrouwenspersonen en klachtenprocedures niet voor iedere leerling even toegankelijk zijn;
overwegende dat leerlingen met een beperking, ondersteuningsbehoefte of neurodivers profiel vaak andere vormen van communicatie en ondersteuning nodig hebben om signalen van onveiligheid te kunnen delen;
overwegende dat toegankelijkheid een noodzakelijke voorwaarde is voor daadwerkelijke bescherming;
verzoekt de regering om in samenspraak met school- en leerlingenorganisaties te borgen dat veiligheidsvoorzieningen op scholen aantoonbaar toegankelijk zijn voor alle leerlingen van de school, ongeacht ondersteunings- en communicatiebehoefte,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 39 (36777).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onveiligheid op school vaak samenhangt met problemen buiten de school, zoals online-intimidatie of radicalisering, jeugdcriminaliteit en problematische thuissituaties;
overwegende dat scholen deze problematiek niet alleen kunnen oplossen en een effectieve aanpak samenwerking vraagt tussen onderwijs, jeugdzorg, gemeenten, politie en andere betrokkenen;
overwegende dat preventie en vroegsignalering in de leefomgeving van kinderen en jongeren kunnen bijdragen aan meer veiligheid en rust in de klas;
verzoekt de regering om samen met de betrokken departementen en lokale partners te komen tot een integrale, preventieve aanpak gericht op het voorkomen van geweld, intimidatie en sociale onveiligheid op school, met aandacht voor de rol van sociale media, de thuissituatie en andere factoren in de leefomgeving van leerlingen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Moorman.
Zij krijgt nr. 40 (36777).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het van belang is dat scholen de bestaande ondersteuning op het gebied van suïcidepreventie goed weten te vinden en effectief kunnen benutten;
verzoekt de regering om uiterlijk voor het einde van het jaar een plan aan de Kamer te sturen waarin wordt uitgewerkt hoe het bestaande aanbod rond suïcidepreventie goed wordt ontsloten voor scholen;
verzoekt de regering tevens om na implementatie van dit plan onder scholen te inventariseren in hoeverre het aanbod voldoende toegankelijk en bruikbaar is en ook voldoende wordt gebruikt, en indien nodig aanvullende maatregelen te treffen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Moorman.
Zij krijgt nr. 41 (36777).
De heer Ceder (ChristenUnie):
En tot slot, voorzitter. Ik zie u al kijken.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onderwijsprofessionals in toenemende mate te maken krijgen met verbale agressie en zelfs fysiek geweld door leerlingen en ouders;
overwegende dat dergelijke agressie en geweld onacceptabel is;
verzoekt de regering om met een samenhangende, structurele aanpak scholen te ondersteunen bij het bevorderen van de veiligheid van het onderwijspersoneel, door onder meer in te zetten op heldere handvatten voor schoolbesturen bij incidenten, versterking van de samenwerking met gemeente, politie en zorg en aandacht voor weerbaarheid, opvang en nazorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 42 (36777).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Eén moment. De motie over na de implementatie bij scholen te inventariseren et cetera, et cetera had medeondertekenaars.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, dat is mevrouw Moorman. Als u die erbij kunt schrijven, dan graag.
De voorzitter:
Oké, Moorman. Die voegen we toe.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Moorman. Gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter. Veel van wat ik heb gezegd hier in de Kamer over deze wet ging over preventie. Daarom begin ik even met drie moties op het gebied van preventie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat 41% van de jongeren niet gelooft in gelijkwaardigheid van lhbti+-personen, dat de acceptatie van homoseksualiteit in verschillende regio's fors afneemt en dat lhbti+-jongeren tot drie keer vaker worden gepest;
overwegende dat uit onderzoek blijkt dat GSA's helpen om de situatie voor lhbti+-personen op Nederlandse scholen te verbeteren en dat op scholen met een GSA de houding tegenover lhbti+-mensen positiever is en lhbti+-jongeren minder gepest worden en zich op school beter thuis voelen;
verzoekt de regering om de versterking van het GSA-netwerk in de OCW-begroting op te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 43 (36777).
Mevrouw Moorman (PRO):
Dan mijn tweede motie, over jongerenwerk in school.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat veiligheid ontstaat door school, thuis, de straat en de onlinewereld te verbinden en dat de aanwezigheid van jongerenwerk in school een effectieve manier is om dit te doen;
verzoekt de regering om bij de OCW-begroting met een plan te komen over op welke manier jongerenwerk in school versterkt kan worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 44 (36777).
Mevrouw Moorman (PRO):
En tot slot, voorzitter, een motie over de manosfeer, ook omdat we daar vorige week een rondetafel over hebben gehad en de staatssecretaris daar ook aan refereerde.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onlinehaat en intolerantie via algoritmes snel verspreid worden, waaronder content uit de manosfeer;
overwegende dat docenten aangeven dat zij te maken hebben met discriminerende en haatdragende uitingen in de klas als gevolg hiervan en meer dan de helft van de docenten aangeeft behoefte te hebben aan extra ondersteuning;
verzoekt de regering om scholen voldoende ruimte te bieden, in tijd, middelen en curriculum, om gelijkwaardigheid te stimuleren in het kader van burgerschapsonderwijs en te zorgen dat docenten toegang krijgen tot trainingen om te leren omgaan met onlinehaat die het klaslokaal bereikt, en de Kamer hier voor het herfstreces over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 45 (36777).
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, dan de wet. Tot mijn verdriet stond preventie daar nauwelijks in. In de eerste termijn waren wij al zeer kritisch, dat is duidelijk. Ik ben echt met een hele open, positieve houding de eerste termijn van de staatssecretaris ingegaan. Het heeft een paar weken geduurd voordat wij die kregen, maar ik wilde het echt graag horen, omdat wij zo kritisch waren. Helaas heeft de staatssecretaris mij geen antwoorden gegeven die mij overtuigen, op drie punten. Het eerste is dat de wet contraproductief kan werken en dat scholen juist angstiger zullen worden om met incidenten om te gaan, omdat ze bang zijn dat ze hierop aangesproken gaan worden. Dat leidt dan dus juist tot een minder open en veilig schoolklimaat.
Dan heb ik nog een aantal hele praktische vragen gesteld. Hoe gaan wij er bijvoorbeeld mee om als leerlingen elkaar uitschelden of duwen? Als wij daar goed het gesprek over aangaan en het is opgelost, moet het dan nog worden geregistreerd? Helaas kreeg ik daar ook geen antwoord op.
Ik heb ook gevraagd: als er geen extra middelen zijn, ten koste waarvan gaat het dan? Daarvan zegt de staatssecretaris: scholen doen het al. Dan ontstaat precies het probleem dat wij hebben met deze wet: hoe doelmatig en doeltreffend is deze wet dan eigenlijk? Deze wet leidt echt tot een veiliger schoolklimaat, of "we doen het al", en dan is de wet niet nodig, of zelfs contraproductief.
Als wij dat allemaal zo naast elkaar zetten, dan vragen wij ons echt af hoe wij nu weten dat deze registratie straks echt tot een veiliger schoolklimaat gaat leiden, vooral ook omdat de staatssecretaris zegt: die registratie kan eigenlijk per school op de eigen manier gedaan worden. Wat kan de inspectie dan nog beoordelen? Ik ben heel benieuwd naar het antwoord op de vraag van de heer Ceder in de tweede termijn van de staatssecretaris. Hier ontstaat dus willekeur. We hebben dan een wet die onduidelijk is en tot willekeur leidt en eigenlijk niks extra's biedt, maar wel leidt tot heel veel extra registratie. We moeten hier wel met elkaar het goede doen. Ik snap dat de staatssecretaris iets wil doen voor de veiligheid van scholen, maar we nemen hier wel een wet aan, en dat moeten we heel erg serieus doen. Ik neem het advies van de Raad van State echt heel erg serieus, ook al zegt de staatssecretaris daarvan: het is ook maar een advies. Ik denk dus echt dat deze wet niet gaat bijdragen aan een veiliger schoolklimaat. Sterker nog, deze kan bijdragen aan een onveiliger schoolklimaat. Zo moeten we volgens mij de wet ook beoordelen.
Ik vraag dan ook de staatssecretaris: als ik alle kritiek uit de Kamer hoor, hoe denkt zij dan met een minderheidskabinet tot een meerderheid te komen? Ik hoor hier van links tot rechts heel erg fundamentele kritiek. Graag en reactie daarop, want wij willen hier met elkaar serieuze wetten maken, die echt impact hebben. We moeten niet over vijf jaar constateren dat dit niet de bedoeling was en dan pas nog weer vijf jaar later een nieuwe wet hebben. We moeten het nu goed doen. Dus mijn vraag, tot slot, aan de staatssecretaris is: is het niet gewoon verstandiger om, zoals de Raad van State ook zegt, nu niet deze wet in stemming te brengen, maar het wetsvoorstel terug te nemen en met elkaar tot een betere wet te komen? Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Rooderkerk. Terwijl zij onderweg is naar het spreekgestoelte, heet ik Colin en zijn klasgenootjes van harte welkom. Goed opletten. Wie weet treden jullie nog in de voetsporen van mama. Mevrouw Rooderkerk, gaat uw gang.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank u wel, voorzitter. Voor goed onderwijs is veiligheid een voorwaarde. Als ik deze leerlingen zie, maar ook de leerlingen op de school waar ik maandelijks kom om mee te helpen in de klas, dan is dat natuurlijk wat we allemaal willen met elkaar. Maar ook daar zie ik in de praktijk dat een wet alleen dat absoluut niet gaat oplossen. Je kunt nog zo goed een schoolleider hebben die hiermee bezig is en leraren die zich er bewust van zijn dat veiligheid van belang is en een veiligheidscoördinator, maar uiteindelijk is het mensenwerk en gaat het erom dat het in de praktijk goed wordt opgelost. Dat is ook waar we naar moeten streven. Wij zijn als D66 dan ook altijd kritisch geweest om scholen extra administratie en regeldruk op te leggen.
Wat wij vooral van belang vinden, zijn de preventie en ondersteuning van scholen, waar scholen ook heel erg om vragen, omdat zij zeggen: wij willen voor de veiligheid van leerlingen staan. Om die reden hebben wij verbeteringen van de wet aangedragen, bijvoorbeeld met het amendement om de onlineveiligheid in de wet op te nemen — en überhaupt in de onderwijswet — omdat het er nu helemaal niet instaat. Het woord "online" komt er niet in voor. Ik denk dat het van belang is dat we dat expliciet maken, zoals de staatssecretaris ook aangaf. Het gaat erom dat scholen dit serieus nemen en aanpakken, en waar nodig met OM en justitie daarover in gesprek gaan. Daarnaast heb ik nog een tweetal moties ingediend met de heer Ceder, een over toegankelijkheid en een over de veiligheid van leraren.
Tot slot, voorzitter. Het doel is goed onderwijs en ik zie dat dat ook breed in de Kamer wordt gedeeld. Hoe komen we daar? Daar komen we ook door de discussie die bij deze wet heeft geklonken. Maar laten we daar in ieder geval met elkaar voor staan.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik ben het volstrekt eens met mevrouw Rooderkerk dat onveiligheid zich ook online afspeelt. Maar ook hier de praktische vraag. Stel dat een leraar constateert dat twee leerlingen elkaar online in de haren vliegen en dat er hele lelijke dingen worden uitgewisseld. Vindt mevrouw Rooderkerk dan dat dat geregistreerd moet worden? Betekent dat verder dat leraren de hele tijd de onlinewereld moeten afspeuren om te kijken of dat gebeurt? Welke praktische implicaties heeft dit?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Zoals ik aangaf, is mijn focus niet gericht op registreren en regeldruk voor scholen. Mijn focus is er gewoon op gericht dat leraren … We zien in toenemende mate dat zij in de klas merken dat er sprake is van onlineonveiligheid. Dat is net zo goed iets waar zij mee aan de slag gaan als wanneer het gaat om fysieke onveiligheid. Het kan zijn dat leerlingen AI-naaktbeelden van meisjes willen hebben. Dat zijn beelden die vaak worden gedeeld. Ik spreek ook met studentes die dat is overkomen. Dan hoop je dat dat ook iets is wat tot een gesprek in de klas leidt, dat het serieus wordt genomen en dat scholen actie ondernemen, als dat nodig is, tegen degene die zoiets verspreidt. Dat zijn voorbeelden die we in de praktijk gewoon al zien gebeuren. Het is iets waar gelukkig veel leraren zich al bewust van zijn, maar we moeten er zelf onze ogen ook niet voor sluiten. Dat betekent ook dat het in een wet hoort over het onderwijs of over schoolveiligheid. Maar dat is wat mij betreft de focus, dus echt daadwerkelijke preventie en ondersteuning wanneer dat nodig is.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ook nu kan ik mevrouw Rooderkerk eigenlijk heel goed volgen. Ik ben het met mevrouw Rooderkerk eens dat in het schoolveiligheidsbeleid preventie de allerbelangrijkste factor is en dat dat ook gaat over online. Maar we zien dat deze wet vooral gaat over registratie, want dat hele deel preventie komt eigenlijk in de wet niet voor. Is mevrouw Rooderkerk het dan met mij eens dat deze wet beter een wet had kunnen zijn over preventie en over hoe we ervoor zorgen dat het schoolveiligheidsbeleid zo goed mogelijk vormgegeven kan worden en tot uitvoering kan worden gebracht? Is dat niet gewoon een enorme gemiste kans van deze wet?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat deel ik wel met mevrouw Moorman. Dat heb ik ook in mijn bijdrage gezegd. Ik denk dat het vooral van belang is dat we scholen hierin goed ondersteunen. Ik heb daar overigens ook vragen over aan de staatssecretaris gesteld. Hij is daarbij ook ingegaan op het aanpalende beleid dat wij hebben. Maar ja, ik zie wel graag dat we daar ook verdere stappen op nemen. Daarom heb ik ook zelf voorstellen gedaan bij deze wet. Er zijn overigens meerdere voorstellen gedaan door collega's. We zullen die goed met elkaar moeten bekijken, want uiteindelijk is ons doel natuurlijk dat de veiligheid in de klas verbetert.
Mevrouw Moorman (PRO):
Tot slot, voorzitter. Mevrouw Rooderkerk en ik vinden elkaar vaak op het gebied van onderwijs en goed onderwijs. We zijn het ook helemaal met elkaar eens dat dat veilig moet zijn. Ik ken ook haar inzet op preventie. Maar als D66 deze wet in z'n totaliteit weegt, ziet D66 dan ook in dat het een contraproductief effect in de klas zou kunnen hebben en dat we dus eigenlijk een wet aannemen die nu juist niet doet wat we beogen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat hangt ervan af. Er zijn bijna 30 amendementen ingediend en ik denk dus dat het sowieso belangrijk is dat we weten welke amendementen het gaan halen. Er zijn ook de voorstellen die we zelf hebben gedaan om het ook echt meer richting preventie en het aanscherpen daarvan te doen. Ik ben voornemens om bij elke wet die ik behandel, een bijdrage te leveren, zodat het daadwerkelijk wat oplevert voor de klas. Dus dat zullen we gewoon goed gaan bestuderen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag of een nieuwe vraag, maar in ieder geval een interruptie van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben heel erg benieuwd wat de coalitiepartijen gaan doen. Ik weet dat de amendementen voorwaardelijk zijn, nu ik mevrouw Rooderkerk hoor. Laat helder zijn dat ze dat voor mij ook zijn. Maar welke kant moet het dan op bewegen? Als wij met elkaar afspreken dat we alle amendementen gaan steunen en als D66 dan zegt "dan gaan we ervoor", dan weet de Kamer waar ze aan toe is. Ik ben dus even benieuwd waar voor haar de weging in zit, want die amendementen zijn bedoeld om de wet beter te maken. Betekent het dat u tegen de wet gaat stemmen als ze niet aangenomen worden? En zo nee, welke amendementen zijn voor u als fractie dan zo belangrijk dat ze aangenomen moeten worden?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Hoe ik de amendementen beoordeel? Ik wil gewoon dat ze de regeldruk en de administratiedruk niet vergroten, en nog liever verlichten, want dat is ook waar de scholen zo veel bezwaren tegen hebben. Andere onderdelen van de wet, daar vind ik minder mis mee. Ik denk dus dat het vooral belangrijk is dat we bij het stemmen over de amendementen zorgen dat die wet daadwerkelijk verbetert en dat de zorgen kunnen worden weggenomen die scholen nu hebben.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Begrijp ik dan nu, even los van de amendementen — want stel je voor dat ze allemaal worden weggestemd — dat de wet in z'n huidige vorm voor de D66-fractie onvoldoende is?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat is een als-danvraag. Ik heb altijd geleerd: als mijn oma wieltjes had, dan was ze een trein. Wat ik zeg is: wij vinden het van belang dat we die veiligheid vergroten. Er zijn onderdelen van de wet die dat doen. Er zijn ook onderdelen die scholen vooral regeldruk en administratie opleggen en daar zijn ook amendementen op ingediend. Die zullen we dus moeten bekijken. Het is lastig om mij nu op 30 amendementen een specifiek antwoord te vragen. Ik probeer hier aan te geven hoe wij daarnaar kijken, dat we die veiligheid willen vergroten en dat we een en ander daarop zullen beoordelen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot, voorzitter. Ik vind dit geen als-danvraag. Voor mij ligt er gewoon een wetsvoorstel vanuit het kabinet in de Kamer. Mijn vraag aan mijn collega is of haar fractie, als ze dat wetsvoorstel op z'n merites beoordeelt, voor of tegen zal gaan stemmen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Wat ik dus steeds aangeef, is dat de wet zoals die er lag, wat mij betreft niet voldoende was. Daarom heb ik ook zelf voorstellen gedaan om 'm te verbeteren, bijvoorbeeld op het punt van de onlineveiligheid, waarvan ik echt geloof dat het belangrijk is die in de wet op te nemen en dat daar ook aandacht voor is op scholen. Zo zijn er ook onderdelen waarbij je de regeldruk wilt verlagen. Ik weet dat de heer Ceder daarop zelf ook voorstellen heeft gedaan. Dan zou het, denk ik, wel goed zijn als wij er als Kamer voor zouden stemmen om dat soort onderdelen eruit te halen.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Kisteman, die spreekt namens de fractie van de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris danken voor haar antwoorden. We hebben over meerdere weken dit debat hier gevoerd, met nog een extra lange schorsing tussendoor. Dat heeft bij mij en mijn fractie wel een paar vraagtekens weggehaald. Veel scholen zijn hier al mee bezig en voor de veiligheid van de leerlingen is het goed dat veel meer scholen dit gaan doen.
Ik heb, ook om het kort te houden, nog één motie en die gaat over wapenbezit.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat signalen over wapenbezit en ernstig geweld onder jongeren en op school toenemen;
overwegende dat schoolleiders, docenten en onderwijsondersteunend personeel behoefte hebben aan een duidelijk handelingsperspectief bij vermoedens van wapenbezit;
verzoekt de regering in gesprek te gaan met scholen en te inventariseren wat scholen aanvullend nodig hebben om effectief op te treden bij redelijke vermoedens van wapenbezit en hen vervolgens handelingsperspectief te bieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kisteman en Armut.
Zij krijgt nr. 46 (36777).
De heer Boomsma (JA21):
Ik ben toch even benieuwd. De VVD is natuurlijk een partij die altijd strijdt, of zegt te strijden, tegen regeldruk en overbodige bureaucratie en administratieve lasten. Hoe kan het dan dat de VVD in geval van zo'n wet, waarbij al die dingen evident het geval zijn, daaroverheen stapt en daarmee lijkt te willen instemmen? Of zie ik het verkeerd?
De heer Kisteman (VVD):
Wat ik net aangaf en ook in m'n eerste termijn al heb gezegd, is: heel veel scholen doen dit al en een aantal scholen doet dit nog niet. Voor ons is het belangrijk dat scholen dat gaan doen, al kun je daar maar één incident mee voorkomen. Het is belangrijk dat scholen bezig zijn met een veiligheidsplan, met een visie op hoe te zorgen voor een gezonde en veilige omgeving. Dat is voor ons voldoende reden om te zeggen: oké, we moeten dit doorzetten.
De heer Ceder (ChristenUnie):
In brede zin maakt dit de VVD toch totaal ongeloofwaardig? In het coalitieakkoord is afgesproken dat er jaarlijks een vereenvoudigingswet komt. Minder regels, minder regeldruk. U bent ook woordvoerder ondernemerschap. Alles wat extra regeldruk veroorzaakt, moeten we schrappen. De Omnibus moet erdoorheen. Maar als het om onderwijs gaat, kan het er allemaal bij? En ja, sommige scholen doen het al, maar we weten ook dat dit voor heel veel scholen betekent registreren, registreren, registreren, in plaats van waar ze normaal gesproken aan het normeren waren.
Mijn vraag is gewoon, ook richting de VVD: wat kunnen wij in de Kamer verwachten van de VVD? Bent u voor meer regels als het de VVD uitkomt? Bent u voor minder regels? Of zegt u "dat moeten we per geval bekijken"? Als het dat laatste is, laat dat dan ook de campagne zijn: per geval bekijken we dat. Ik vraag collega Kisteman om hierop een toelichting te geven, want ik merk dat zijn reactie op de vraag van de heer Boomsma bij mij vragen oproept. Dat gesprek gaan wij vaker met elkaar hebben, want ik hoor de heer Kisteman in onderwijsdebatten geregeld voor meer regels en regeldruk pleiten.
De heer Kisteman (VVD):
Bij dat laatste wat de heer Ceder zei, sluit ik mij zeker niet aan. Volgens mij pleit ik nooit voor meer regels in het onderwijs, maar maken wij hier een afweging. Wat is nu belangrijker? Is dat de veiligheid van de leerlingen op school en dat er scholen zijn die dit al doen, waar dat dus niet voor meer regels gaat zorgen? Of is dat dat er scholen zijn die dit nog niet doen, die dit nu wel moeten gaan doen en die meer moeten gaan registreren? In dit geval zeggen wij: dat laatste vinden wij belangrijker. Daarnaast kijken we altijd naar proportionaliteit: voor hoeveel regels gaat dit dan zorgen? Dat wegen wij af. In dit geval zeggen wij dat wij dit voldoende vinden. Het belang ervan voor de leerlingen op school is belangrijker.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot. Maar die afweging maken we toch elke week? Als het om internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat, dan maak je die afweging met elkaar. Als je het hebt over een slagvaardige overheid, dan maak je die afweging met elkaar. Als je het hebt over het ambtenarenapparaat, dan maak je die afweging met elkaar. Dit is niets nieuws. Dit doen we elke dag met elkaar. Mijn vraag is: de VVD, die bekendstaat, of bekend wil staan, om het verminderen van de regeldruk … Ik constateer — misschien is dat een constatering en geen vraag — dat de VVD bij onderwijs structureel het tegenovergestelde doet. Dat vind ik jammer.
De heer Kisteman (VVD):
Daar sluit ik me niet bij aan. Ik heb ook aan de staatssecretaris gevraagd of er bepaalde functies in het onderwijs zijn die samengevoegd kunnen worden. Dat heeft ze ook aangegeven. De ene functie verdwijnt en de andere komt erbij. Ook dat zorgt voor minder regels. Volgens mij is dat een duidelijk signaal dat wij als VVD zoeken naar mogelijkheden om regels binnen het onderwijs af te schaffen of te vereenvoudigen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
De VVD wil dus dat scholen die nu niet registreren, ook massaal aan het registreren slaan. Dan is mijn vraag: waar baseert de VVD nou het idee op dat zij die afweging om wel of niet te registeren beter kan maken dan de scholen zelf? Want dat pretendeert de heer Kisteman natuurlijk.
De heer Kisteman (VVD):
Het lijkt mij heel verstandig dat scholen bezig zijn met een plan voor veiligheid op school. Als scholen dat nog niet doen, lijkt het me niet meer dan normaal dat zij dit gaan doen. Je zou je ook bijna kunnen afvragen waarom scholen dit nog niet doen en waarom ze zich nog niet bezighouden met de fysieke veiligheid in de school.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat komt misschien doordat die scholen zelf een andere afweging maken. Daar is het hele debat net over gegaan. Die denken misschien: we kunnen onze tijd wel beter besteden dan aan registreren en vertrouwenspersonen inhuren. Die maken op basis van hun eigen expertise hun eigen afweging. Daar gaat de VVD nu doorheen met deze landelijke wet. Die denkt het beter te weten. Nogmaals, hoe komt het dat de VVD het beter weet dan de mensen die in de scholen werken?
De heer Kisteman (VVD):
Ik zeg niet dat wij het beter weten. Wij kijken naar het aantal signalen dat er is geweest. Dat groeit enorm bij de scholen die dit wel bijhouden. Daarom zeggen wij dat het goed zou zijn als alle scholen in Nederland dat gaan bijhouden en registreren, zodat ze intern een plan kunnen maken: hoe zorgen wij voor een veilige omgeving voor deze leerlingen op school?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot. "Het zou goed zijn." Dat is het dus niet. Met deze wet wordt het afgedwongen. Het wordt verplicht. De VVD denkt het dus beter te weten dan de scholen zelf. Dat kunnen we hier constateren.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik ben ook een beetje verbaasd over het meten met twee maten van de VVD. Ik ken de VVD inderdaad ook als een partij die het altijd heeft over minder regels, maar dat blijkt alleen maar te gelden voor ondernemers en niet voor leraren. Maar dan mijn vraag. Is de VVD het met mij eens dat het ook wel iets moet betekenen als je door die extra regeldruk gaat registreren? Dus: als wij zien dat een registratie wel of niet is gedaan, dan moeten we ook weten wat er dan op papier staat. Is de VVD dat met mij eens?
De heer Kisteman (VVD):
Maar dat is toch iets waar een onderwijsinspectie eventueel straks naar kan kijken als die op een school komt? Wat heeft een school hiermee gedaan? Wat is er gebeurd? Welke incidenten zijn hier en hoe pakken ze die op?
Mevrouw Moorman (PRO):
Dan toch mijn vraag aan de VVD, want blijkbaar weet de VVD hier iets wat ik niet weet. Hoe gaat de inspectie dat dan doen? Stel, er zijn tien registraties. Zegt de inspectie dan dat dat te veel of te weinig is? Hoe weet de inspectie dat er misschien wel meer waren, die niet zijn geregistreerd? Wat doet een inspectie met een school die zegt: ik heb nul registraties; het is allemaal perfect gegaan? Weet de VVD dan hoe dat gaat?
De heer Kisteman (VVD):
De VVD heeft vertrouwen in de schoolleiders en de leraren die er zijn. Wij gaan ervan uit dat zij dit goed oppakken en netjes uitvoeren. Misschien heeft mevrouw Moorman of de partij van mevrouw Moorman daar minder vertrouwen in, maar wij gaan er gewoon van uit dat de schoolleiders gaan zorgen voor een veilige omgeving, dat ze dit gaan registreren en bijhouden en aan de hand daarvan met een plan komen om te zorgen voor meer veiligheid voor de leerlingen op school.
Mevrouw Moorman (PRO):
Nou breekt mijn klomp! Eigenlijk zit in dit hele betoog van de heer Kisteman: "Ik heb geen vertrouwen, want we moeten die 5% à 10% van de scholen aanjagen en porren. Daar heb ik geen vertrouwen in en daarvoor hebben we een hele wet nodig." Nu is het antwoord van de VVD eigenlijk: met deze wet gaat het misschien nog steeds niet gebeuren, maar ik heb vertrouwen. Dat klopt toch niet? Het kan toch niet allebei tegelijk waar zijn?
De heer Kisteman (VVD):
Wij vinden het belangrijk dat scholen hiermee bezig gaan, en wij vertrouwen erop dat zij dit gaan registreren en voor een veilige omgeving op school gaan zorgen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Ergin is de volgende spreker van de zijde van de Kamer.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter. Ik heb even een vraagje aan u: zouden we de voorspelling van de uitslag van het wetsvoorstel kunnen toevoegen aan Scorito? Ik heb namelijk te weinig punten voor het WK. Ik heb heel veel wedstrijden niet goed kunnen voorspellen. Maar als ik zo kijk naar het debat, gaat het heel spannend worden! Ik hoor "hoofdelijk". Ook dat nog!
Voorzitter. Als ik terugkijk op de behandeling van het wetsvoorstel … Ik zie mevrouw Moorman staan.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik ben nu eigenlijk wel benieuwd naar de inzet van de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Dat ga ik nu dus uitleggen, als mevrouw Moorman dat toestaat.
DENK is niet tegen het registreren van incidenten op scholen. Ik denk dat het goed is als scholen registreren wat er op hun scholen gebeurt. Geen enkele wet is perfect, dus daarom heb ik ook drie amendementen ingediend om de wet beter te maken, waarvan twee samen met mevrouw Rooderkerk. Een perfecte wet bestaat niet, maar als we onderaan de streep een afweging moeten maken over een wetsvoorstel, is het voor mijn fractie doorslaggevend dat we met dit wetsvoorstel geen signaal moeten afgeven dat iets, bijvoorbeeld discriminatie, pas geregistreerd wordt als het stelselmatig gebeurt. Wij willen echt niet richting scholen, onderwijzers en leerlingen het signaal afgeven dat het pas belangrijk is als ze vaker dan één of twee keer worden gediscrimineerd. Dat is voor ons dus wel een belangrijk punt dat we meewegen.
Voorzitter. Het tweede is — dat zeg ik misschien in de richting van mevrouw Moorman als antwoord op haar vraag, en ik kijk ook naar de heer Kisteman — dat als er straks met deze wet geregeld gaat worden dat een vorm van discriminatie, namelijk antisemitisme, boven alle andere discriminatiegronden geplaatst gaat worden, dus als antisemitisme belangrijker is dan bijvoorbeeld het aanpakken van moslimhaat of het aanpakken van discriminatie op basis van huidskleur, dan zal DENK zeker tegen dit wetsvoorstel stemmen. Wij gaan niet meewerken aan een wet waarmee willekeur ontstaat tussen discriminatiegronden. Die garantie kan ik de Kamer zeker geven.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Als indiener voel ik mij hier aangesproken. Erkent de heer Ergin dat we de afgelopen jaren bezig zijn om het groeiende antisemitisme in Nederland tegen te gaan, en dat we daarbij dus inderdaad ook specifieke maatregelen proberen te nemen? Erkent de heer Ergin dat? Onderschrijft hij dat het belangrijk is om het groeiende antisemitisme, waarvan de cijfers schrikbarend zijn, tegen te gaan?
De heer Ergin (DENK):
Uiteraard. Mijn pleidooi is ook niet om antisemitisme niet te registreren; mijn pleidooi is om alle vormen van discriminatie te registreren. Als op een bepaalde school bijvoorbeeld antisemitisme een groter probleem is, lijkt het mij verstandig dat die school aanvullende maatregelen neemt om antisemitisme tegen te gaan. Maar als op een school bijvoorbeeld moslimhaat of discriminatie op basis van huidskleur een groter probleem is, vind ik dat deze wet ook het signaal moet afgeven dat er op die school gerichte maatregelen getroffen moeten worden, bijvoorbeeld in de richting van die discriminatiegronden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Volgens mij vinden we elkaar. Ik vind namelijk ook dat als er moslimdiscriminatie plaatsvindt, de school dat moet registreren. Mijn punt is — volgens mij heeft de staatssecretaris dat toegelicht — dat scholen moeten registreren, maar vervolgens vrij zijn in hoe ze dat doen. Daarbij kan de situatie ontstaan dat antisemitisme geregistreerd wordt als een haatmisdrijf, of op welke wijze dan ook, maar er onvoldoende duidelijk wordt in hoeverre er sprake was van een antisemitisch motief. In het licht van wat we de afgelopen jaren aan het doen zijn en van het tegengaan van antisemitisme denk ik dat het relevant is dat scholen het registreren wanneer er sprake is van antisemitisme, om zo te kunnen zien of het daadwerkelijk afneemt over de jaren heen.Ik vraag mij dus af of de heer Ergin het met mij eens is dat het aannemen van dit amendement niet zou betekenen dat andere vormen, zoals moslimdiscriminatie, niet geregistreerd zouden worden, maar dat dit een voortzetting is van de lijn die we bij Kamermeerderheid hebben afgesproken. Die is dat we het groeiende antisemitisme de kop moeten indrukken.
De heer Ergin (DENK):
Als ik het amendement van de heer Ceder goed heb gelezen, verplicht het tot het specifiek registreren van antisemitisme. Ik ben tegen willekeur van welke discriminatiegrond dan ook. Als ik gewoon kijk naar de werking van het amendement van de heer Ceder, zie ik dat er in dat amendement staat dat antisemitisme apart geregistreerd moet worden. Maar voor andere vormen van discriminatie ontstaat geen verplichting; dan is het opeens de vrijheid van de school. Nee, laten we gewoon álle vormen van discriminatie registreren. Sterker nog, ik zou de heer Ceder willen adviseren om ook goed te kijken naar de amendementen die ik samen met mevrouw Rooderkerk heb ingediend. Wij zeggen namelijk: registreer alle vormen van discriminatie. Sterker nog, doe dat niet alleen als het stelselmatig is. Eigenlijk gaan de amendementen waar DENK onder staat veel verder dan het amendement dat door de heer Ceder is ingediend, want wij zeggen: maak van alles een registratie, in plaats van dat iemand eerst een paar keer antisemitisch behandeld moet worden voordat er een registratie wordt gemaakt.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot. Even voor de kijker en ook voor de notulen: het aannemen van dit amendement betekent niet dat andere gronden niet geregistreerd zouden moeten worden. Die registratieverplichting is er en zou dan ook opgevolgd moeten worden. Het is wel zo dat scholen daarin de uitsplitsing kunnen maken — dat behoort tot de vrijheid van die school — afhankelijk van wat er op een bepaalde school speelt. Dat snap ik ook wel. De heer Ergin vermoedt dus dat als wij het amendement aannemen, andere vormen van discriminatie niet geregistreerd zouden worden. Dat is niet waar. Die verplichting blijft bestaan. Het enige wat wij vragen, is dat deze specifieke uitsplitsing intern wel geregistreerd wordt. Dat is namelijk een voortzetting van wat we hier als Kamer met elkaar constateren en zien. Het is een maatschappelijk probleem dat we willen tegengaan. Dan is het goed om te markeren dat je dit wel verplicht wil registreren. Als scholen moslimdiscriminatie, waar u het over had, verplicht intern willen registreren, staat hun dat vrij.Ik wil het dus even corrigeren. Het is geen vraag. Het is niet zo dat het aannemen hiervan registratie op andere gronden minder maakt of tenietdoet.
De voorzitter:
Uw punt is helder. De heer Ergin kan reageren en daarna zijn betoog vervolgen.
De heer Ergin (DENK):
De heer Ceder slaat het nu wel heel plat. Het staat een school dus vrij om discriminatie op basis van huidskleur te registreren, maar wordt volgens het amendement wel verplicht om antisemitisme te registreren. Wat ik eigenlijk zeg: laten we dan álle discriminatie registeren in plaats van dat we aan willekeur gaan doen op basis van wat de heren Ceder, Kisteman en Boomsma belangrijk vinden of wat de partijen van de indieners belangrijk vinden. Laten we gewoon kijken naar de wet. De wet is duidelijk over welke discriminatiegronden er zijn. Laten we een uitsplitsing maken naar álle vormen van discriminatie. Aan willekeur gaan wij niet meewerken. Ik zie gewoon een beweging dat dit wel gaat gebeuren. Dat maakt het voor ons nog een complexe puzzel. We zullen aan de hand van de amendementen die wij zelf hebben ingediend, maar ook de amendementen die door de collega's zijn ingediend uiteindelijk kijken of we dit wetsvoorstel wel of niet steunen.
Mevrouw Moorman (PRO):
De heer Ergin begon natuurlijk al een beetje grappend met te zeggen dat het de vraag is of deze wet het gaat halen. Ik denk inderdaad dat het niet vaak zó spannend is rond een wet. Misschien heeft dat ook wel ermee te maken dat er een minderheidskabinet zit en dat het niet per definitie zo is dat een wet het haalt. Maar ook in de boodschap van de heer Ergin hoor ik nu een hele fundamentele zorg, die ik eigenlijk wel heel goed begrijp, namelijk dat er willekeur kan ontstaan. De heer Ergin zegt dat hij het beoordeelt op basis van de verschillende amendementen en wat er wel en niet wordt aangenomen. Maar er zijn sowieso bijna 30 amendementen. Er zijn zo veel amendementen, waarvan het ook nog onduidelijk is hoe dat uiteindelijk gaat landen in de wet, dat wij het als Kamer eigenlijk helemaal niet kunnen overzien. Daarnaast hebben wij fundamentele kritiek, die ook gedeeld wordt door de sector. Is de heer Ergin het dan niet met mij eens dat het beter zou zijn om gewoon met een betere wet te komen dan er nu ligt in plaats van dat wij als Kamer er onzeker over blijven?
De heer Ergin (DENK):
Er zijn zelden wetsvoorstellen waarbij ik vier amendementen indien of mede-indien. Dus dat klopt. Ik ben nu bijvoorbeeld bezig met een wetsvoorstel dat we morgen gaan behandelen. Dan zie je dat alles beter is uitgedacht dan in dit wetsvoorstel. Daarbij kom ik met één amendement en probeer ik dingen met moties te regelen. Dus ja, ik heb wetsvoorstellen behandeld in dit huis die veel beter waren uitgedacht dan dit wetsvoorstel. Maar tegelijkertijd vind ik het ook goed dat de Kamer nu in de gelegenheid is om dit wetsvoorstel zelf te verbeteren. Idealiter is dat al bij het kabinet, bij de regering, gebeurd. Als dat niet het geval is, dan kunnen wij onze controlerende taak uitvoeren. Ik ben dus eigenlijk wel blij dat dit wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd, waardoor de Kamer nu met 30 amendementen kan bijsturen en er eindelijk, na lange tijd, iets niet van tevoren duidelijk is.
De voorzitter:
We hebben dus tussen de 0 en 30 amendementen, maar het zijn er 19. Het begint nu een beetje een eigen leven te leiden.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, dank voor de correctie, maar dan nog is negentien natuurlijk ongelofelijk veel. Dat maken we eigenlijk nooit mee. Ja, het is mooi dat de Kamer inderdaad zelf ook haar bijdrage levert. Tegelijkertijd hoor ik dat D66 zegt: als de administratielast verhoogd wordt, dan doen we het niet. Ik hoor de heer Ergin zeggen: de ene discriminatiegrond mag niet boven de andere discriminatiegrond staan. Het is voor niemand meer te volgen. We weten ook allemaal niet wat voor wet er straks ligt en waar we mee in moeten stemmen. Ik stel dus nogmaals de vraag aan de heer Ergin of het niet verstandig zou zijn … De Kamer heeft haar werk nu gedaan. De Kamer heeft laten horen waar we kritisch op zijn. Zou het dan niet verstandig zijn om de tijd te nemen met elkaar om met een betere wet te komen, waar bijvoorbeeld de discriminatiegrond gewoon goed in staat?
De heer Ergin (DENK):
Ik had gehoopt dat er in de tussentijd, in die twee weken, ontwikkelingen zouden plaatsvinden waardoor we zouden denken dat tijd de oplossing is geweest. Maar volgens mij ligt de wet er nog. Volgens mij zijn er geen extra amendementen bij gekomen. Als het mijn initiatiefwetsvoorstel was geweest en ik dan die vraag van mevrouw Moorman had gekregen, had ik het nu in kunnen trekken, maar het is niet mijn initiatiefwetsvoorstel. Ik controleer het kabinet. Ik voer mijn controlerende taak uit. Ik heb vier concrete zaken geconstateerd, waarover ik amendementen heb ingediend. Als die amendementen het halen, of als andere amendementen waar ik meer bezwaar tegen heb het ook halen, dan moet ik onderaan de streep een belangenafweging maken. Daar ben ik nog niet. DENK is daar nog niet. Het is een puzzel voor ons. Ik denk dat het belangrijk is dat mevrouw Moorman die vragen aan het kabinet voorlegt — ze heeft dat tijdens het debat ook wel gedaan — en niet aan mij, want het is niet mijn initiatiefwetsvoorstel.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik begrijp de reactie van de heer Ergin wel, omdat we ook een beetje op onontgonnen terrein zijn. Het komt gewoon niet vaak voor dat we hier met zo'n onzekere meerderheid, of eigenlijk misschien zelfs geen meerderheid, voor de keuze staan of die wet aangenomen gaat worden. We kunnen als Kamer nu twee dingen doen. We kunnen gewoon kijken bij de stemming aanstaande dinsdag of de wet het gaat halen of niet. Dat is zeer onzeker, want u gaat eerst het amendement afwachten, net als mevrouw Rooderkerk. Dan krijgen we hier heel veel onduidelijkheid. We kunnen als Kamer ook bij meerderheid zeggen: "Staatssecretaris, neem 'm nou terug. Laten we een betere behandeling met elkaar doen. Laten we er nog eens een keer met het veld over gaan praten." Ik denk dat dat een helder en duidelijk signaal is. Daar kunnen we toch met elkaar voor kiezen, meneer Ergin?
De heer Ergin (DENK):
Ik heb net de puzzel toegelicht die wij als fractie nog moeten leggen. Als we zien dat het wetsvoorstel beter wordt met de amendementen die zijn ingediend — dat zijn er dus 19 in plaats van 30 — dan kunnen we wellicht instemmen met het wetsvoorstel. Ik heb net een aantal kaders toegelicht. Als we zien dat het een verkeerde kant opgaat, dan gaat de fractie van DENK tegenstemmen en moet de minister sowieso aan de slag met een nieuw wetsvoorstel.
De voorzitter:
U gaat verder met uw betoog.
De heer Ergin (DENK):
In reactie op wat mevrouw Moorman buiten de microfoon zegt: we gaan het zien; we gaan het zien!
Voorzitter. Ik heb geen moties. Ik heb alles al in de amendementen verwerkt. Nogmaals, we kijken naar de amendementen en op basis daarvan zullen we onze positie bepalen.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Natuurlijk moeten kinderen veilig zijn op school. Op sommige scholen in Nederland gaat dat niet goed en kampen mensen met ernstige problemen. Daarover heb ik twee moties. De eerste motie gaat over het signaleren van mensenhandel, want ook dat komt voor op onze scholen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat leerlingen slachtoffer zijn van seksuele of criminele uitbuiting, maar dat zich vaak in de verborgenheid afspeelt en moeilijk te herkennen is;
constaterende dat criminele uitbuiting van jongeren de afgelopen jaren sterk is toegenomen;
overwegende dat het recente onderzoek Van kwaad tot erger van het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel en ook andere rapporten constateren dat vertrouwenspersonen op scholen een cruciale rol hebben in het herkennen van signalen van misbruik en/of uitbuiting om zo snel mogelijk op te kunnen treden;
verzoekt de regering met een voorstel te komen om vertrouwenspersonen en andere betrokkenen op scholen via trainingen en/of anderszins beter in staat te stellen om signalen van misbruik of uitbuiting te herkennen, en er daarbij ook zorg voor te dragen dat scholen ook weten hoe om te gaan met die signalen en meldingen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 47 (36777).
De heer Boomsma (JA21):
De tweede dien ik eigenlijk in omdat we blijkbaar niet goed weten hoe vaak het de afgelopen jaren is voorgekomen dat Joodse scholieren of studenten hun onderwijsinstelling hebben verlaten wegens antisemitisme.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat niet bekend is hoe vaak Joodse scholieren, studenten en/of medewerkers in het onderwijs stoppen met hun school, studie of betrekking wegens antisemitisme en intimidatie, omdat scholen, universiteiten en hogescholen dit volgens het kabinet niet bijhouden;
overwegende dat bekend is dat sommige Joodse studenten en medewerkers stoppen vanwege Jodenhaat op hun leer- of werkplek en dat dit onacceptabel is;
overwegende dat het een fundamentele plicht is van de Nederlandse overheid en instellingen om ervoor te zorgen dat alle leerlingen en studenten worden beschermd tegen discriminerende intimidatie, zeker gezien de enorme toename van antisemitisme de afgelopen twee jaar;
verzoekt de regering in overleg en samenwerking met onderwijsinstellingen te onderzoeken hoe vaak scholieren en studenten de afgelopen twee jaar van een school of universiteit zijn gegaan als gevolg van antisemitisme, bijvoorbeeld door (desnoods anoniem) navraag te doen bij vertrekkende leerlingen en studenten, en dit de komende tijd te blijven monitoren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 48 (36777).
De heer Boomsma (JA21):
Voorzitter. Dan over de wet. JA21 had zeer fundamentele zorgen over deze wet, zoals aangegeven in de eerste termijn. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Onze zorg was dat deze wet niet gaat zorgen voor betere veiligheid, maar wel voor meer regeldruk. Ik herhaal: te veel regels en protocollen kunnen er juist voor zorgen dat goede schoolbestuurders zich gebonden gaan voelen en dus minder snel kordaat gaan handelen en dat slechte schoolbestuurders zich juist gaan verschuilen achter die protocollen en regels. Het is niet voor niets dat de onderwijsorganisaties en de Raad van State waarschuwen dat die maatregelen niet alleen voor extra regeldruk zorgen, maar juist ook averechts kunnen gaan werken, omdat het leidt tot schijnveiligheid. Ik moet zeggen dat de beantwoording ons gewoon niet gerust heeft gesteld. Ik begrijp de gedachtegang van de staatssecretaris die hierachter zit denk ik wel, namelijk dat het goed is dat scholen waar het nu nog niet goed gaat, gedwongen worden om na te denken over hun veiligheidsbeleid en dat ze dat doen op basis van incidenten. Maar ik denk gewoon niet dat het zo gaat werken. Ik denk dat je dan beter andere wetgeving kunt opstellen, veel meer gericht op de scholen waar het niet goed gaat, om die op andere manieren te ondersteunen.
Specifiek over ons amendement met betrekking tot seksuele intimidatie: niemand is natuurlijk voor seksuele intimidatie, maar de formulering in de wet is toch wel heel algemeen en vaag. Ik denk gewoon dat dit gaat leiden tot verkramping en dat dit het open gesprek en oplossingen gaat verhinderen.
Kortom, JA21 denkt dat we deze wet gewoon beter niet kunnen aannemen. Ik denk dat het ook goed is als de Kamer een keer zegt: we gaan een keer niet akkoord met de bureaucratische logica en met de bureaucratische reflex van meer regels; we gaan een keer niet akkoord met nog meer regels. We moeten gewoon een keer zeggen: nee, dit niet; kom terug met een beter alternatief. De staatssecretaris zei dat die papieren tijger moet gaan leven, maar dat kan die nou eenmaal niet.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank je wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Raijer. Zij spreekt namens de fractie van de PVV.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik de staatssecretaris bedanken voor haar antwoorden. Ik heb ook uitgebreid geluisterd naar de staatssecretaris, die het had over het registreren, het melden, het evalueren, klachtencommissies en vertrouwenspersonen. Maar ik heb haar nog niet horen uitleggen hoe een leerling die morgen gepest wordt, hiermee daadwerkelijk geholpen wordt. Ik wil dus aan de staatssecretaris vragen of zij dat nog even concreet kan maken.
Ik heb nog een paar vragen. Die heb ik in een interruptie ook gesteld. Wat gaat u doen als scholen zich niet aan deze wet gaan houden? We hebben met de oude wet ook gezien dat er scholen waren die zich er niet aan hielden. Ik wil daarnaast ook gemeld hebben dat wij tegen deze verhoogde regeldruk zijn. Ik kan mij aansluiten bij wat de heer Boomsma en mevrouw Moorman hierover zeiden. Het is dus beter dat we deze wet niet aannemen.
Dat neemt niet weg dat wij toch nog een aantal moties hebben.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het bezit van wapens onder leerlingen toeneemt;
constaterende dat steekwapens en vuurwapens een directe bedreiging vormen voor de veiligheid op scholen;
verzoekt de regering om per direct een zerotolerancebeleid in te voeren, waarbij iedere leerling die op school of in de schoolomgeving met een vuur- of steekwapen wordt betrapt, direct van school wordt verwijderd, en het doen van aangifte zodat vervolging mogelijk wordt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Raijer en Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 49 (36777).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gepeste leerlingen regelmatig langdurig uitvallen of zelfs van school wisselen;
overwegende dat het belang van het slachtoffer altijd voorop moet staan;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe scholen beter kunnen worden ondersteund bij het aanpakken van structureel pestgedrag, waarbij de bescherming van het slachtoffer centraal staat,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Raijer en Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 50 (36777).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat steeds meer leerlingen en docenten slachtoffer worden van geweld op school;
overwegende dat het recht op veilig onderwijs zwaarder weegt dan het belang van geweldplegers om in de klas te blijven;
verzoekt de regering scholen de mogelijkheid te geven geweldplegers sneller en definitief van school te verwijderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Raijer en Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 51 (36777).
Mevrouw Raijer (PVV):
Dan kom ik bij de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Joodse leerlingen en studenten steeds vaker worden geconfronteerd met intimidatie en antisemitisme;
overwegende dat iedereen zich veilig moet kunnen voelen op school;
verzoekt de regering te komen tot een gerichte aanpak van antisemitisme binnen het onderwijs,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 52 (36777).
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik heb gewoon een korte vraag. Begrijp ik uit de bijdrage van mevrouw Raijer goed dat de PVV niet voor deze wet gaat stemmen?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik heb al eerder gezegd dat deze wet zo veel regeldruk geeft voor scholen, dat we er, zoals die nu voorligt, niet voor zullen gaan stemmen.
Mevrouw Moorman (PRO):
Zijn er dan nog amendementen waardoor de PVV van gedachte kan veranderen?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik moet de amendementen eerst nog grondig bestuderen voordat ik daar een antwoord op kan geven.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende en laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Ik denk dat het allemaal al meermaals gezegd is: dit is wat ons betreft een draak van een wet. Hij leidt alleen maar tot meer regelgeving, meer registratieplicht, meer vertrouwenspersonen. Dat komt de veiligheid niet ten goede, denken wij. Wat de veiligheid wellicht wel ten goede zou kunnen komen, is — ik heb het al gezegd — als het scholen makkelijker wordt gemaakt om in de toekomst iemand die zich niet gedraagt, van school te sturen. Die moties van mevrouw Raijer gingen daar eigenlijk ook over. Nu is dat heel moeilijk voor scholen, begrijpen we, want dan moet zo'n school een vervangende school zoeken. Dat is natuurlijk heel moeilijk en dan verplaatst het probleem zich natuurlijk ook naar die nieuwe scholen. Daar schieten we dus niets mee op. Daar heb ik dus een aanzet voor. Dat is mijn enige motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de laatste twee zinnen van artikel 40, lid 11 van de Wet op het primair onderwijs te schappen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 53 (36777).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat betekent dus dat als er iets gebeurt, de school een leerling die pest of zich misdraagt en het dus voor de hele klas verziekt, van school zetten zonder dat er eerst moet worden gekeken of er een andere school is waar die leerling naartoe kan. Dat lijkt me een goede zaak.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee is er een einde gekomen aan de tweede termijn van de zijde van Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven een kwartier schorsing nodig te hebben, dus we gaan om 15.15 uur verder met de beantwoording van de vragen en de appreciatie van de moties. Ik schors de vergadering tot 15.15 uur.
De vergadering wordt van 15.00 uur tot 15.14 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van het kabinet in de behandeling van de Wet vrij en veilig onderwijs. Ik geef het woord aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen en de appreciatie van de moties.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Zowel in de eerste als in de tweede termijn hebben we uitvoerig met elkaar gedebatteerd en van gedachten gewisseld over de Wet vrij en veilig onderwijs. Ik hoorde enkelen van uw Kamerleden zeggen "ik ben controleur van de regering", maar u bent natuurlijk ook medewetgever. Dat maakt het zo belangrijk en goed dat we zo'n uitgebreid debat hierover voeren.
We hebben stilgestaan bij het doel van de wet, namelijk zorgen dat er op alle scholen in Nederland een veilig schoolklimaat heerst doordat scholen een stevig veiligheidsbeleid hebben. Er zijn vijf elementen in de wet opgenomen om dat stevige veiligheidsbeleid te ondersteunen. Dat zijn de interne en externe vertrouwenspersonen, de klachtenafhandeling, het vaststellen van beleid, de registratie van incidenten en de evaluatie van het beleid, die afhankelijk is van de kennis en data daarover.
Een van uw leden zei in de tweede termijn: we hebben alleen maar dingen gehoord over registratie. Ja, dat komt voor een deel doordat daar veel vragen over zijn gesteld. Ik denk dat het goed is om te benoemen dat de wet meer is dan alleen die registratie en dat die geen doel op zichzelf is, maar een onderdeel om te zorgen dat het beleid steviger is. Daarmee hebben we overal in Nederland veilige scholen.
Ik hoor de leden ook twijfelen, wegen en zoeken wat betreft de vraag of deze wet wel of niet aangenomen moet worden en welke amendementen wel en niet aangenomen moeten worden, dus ik gun iedereen een zorgvuldige weging. Ik voel ook de spanning, maar ik zie het niet als een wedstrijd. Soms lijkt het in debatten alsof dat zo is, maar het is geen wedstrijd. Het gaat erom dat we als medewetgevers met elkaar een wet vaststellen die daadwerkelijk gaat leiden tot veiligere scholen.
Sommigen zeggen: heel veel scholen doen dit al, dus waarom zouden we hier nu een wet voor gaan instellen? Nou ja, volgens mij is het superbelangrijk dat alle scholen het doen. Met deze wet stellen we een norm, namelijk dat we het belangrijk vinden dat alle scholen een goed veiligheidsbeleid hebben en dat evalueren op basis van feiten, dat alle scholen daar ook mee aan de slag zijn, dat er op alle scholen vertrouwenspersonen zijn en dat er een goede klachtenafhandeling is. Dat zijn we met elkaar aan het wegen.
Daar zijn nog een aantal aanvullende vragen over gesteld. Ik heb onder andere nog een vraag uit de eerste termijn van de heer Ceder over het gebruik van de registratie van de veiligheidsincidenten door de inspectie. Ik knikte al een beetje, maar ik wist het niet zeker. Daarom vroeg ik of ik dat in de tweede termijn mocht doen. Ik kan bevestigen wat ik non-verbaal al een beetje aangaf: er is geen wettelijke verplichting voor scholen om een incidentenregistratie aan te leveren aan de inspectie. De inspectie kan dus ook niet van tevoren zonder bezoek en contact met de school … Meneer Ceder zei: dan komt er een soort uitvraag en dan krijgen we een overzicht. Nee, dat kan dus niet. Dat is echt uitgesloten. Pas als de inspectie bij een school een gegronde reden heeft om te twijfelen aan de stevigheid van het veiligheidsbeleid en de registraties die daaronder liggen, kan de inspectie die registratie opvragen. Meneer Ceder vroeg om een toezegging. Die geef ik dan ook.
Mevrouw Moorman (PRO):
Hoe weten we dan dat ze het doen?
Staatssecretaris Tielen:
Ik snap wat mevrouw Moorman daarmee bedoelt. Je zit als inspecteur niet de hele dag te kijken naar wat er allemaal op school gebeurt. Als ze het niet doen en je bent er niet bij, dan kan je niet controleren of wat er opgeschreven staat in de registratie er wel of niet is. Maar het feit dat er een registratie van veiligheidsincidenten is, is natuurlijk gewoon al een aanwijzing dat een school er wat mee doet. Als een school geen veiligheidsincidentenregistratie kan overleggen op het moment dat de inspectie vermoedens heeft dat het veiligheidsbeleid op die school niet zo goed wordt uitgevoerd als we nu in deze wet met elkaar vastleggen, dan is dat ook een duidelijk signaal.
Mevrouw Moorman (PRO):
Hoe beoordelen we dan of die incidentenregistratie, die dus niet openbaar is en alleen maar bij signalen opgevraagd kan worden door de inspectie, juist is? Het lijkt alsof deze hele wet wordt ingericht — tenminste, het registratiedeel daarvan — voor dat deel van de scholen waarover we ons nu zorgen maken dat ze de incidenten niet goed registreren, want de rest willen we eigenlijk alleen maar complimenten maken met deze wet. We doen het dus alleen maar voor dat deel. Maar stel dat die scholen zeggen: nou ja, dit zijn incidenten waarvan wij het gevoel hebben dat we die niet hoeven te registreren, want het is eigenlijk allemaal nog heel erg onduidelijk. Hoe beoordelen we dat dan? Wat doet deze wet in de praktijk, behalve heel veel scholen het gevoel geven dat ze heel veel extra moeten doen, zoals ook blijkt uit de evaluatie van de wet die nu is gedaan?
Staatssecretaris Tielen:
Ik hoop dus dat dit debat een aantal van dit soort verwarrende conclusies kan wegnemen. Dat lukt mij nog niet honderd procent; daarvan ben ik mij bewust. Die registratie is dus geen doel. Die registratie is een middel voor het veiligheidsbeleid. Het is ook niet aan ons om te controleren of die registratie helemaal klopt, want het is geen doel. Het is een middel om te laten zien dat het veiligheidsbeleid goed is en dat het goed wordt geëvalueerd en bijgestuurd op basis van incidenten, die dan geregistreerd staan. Zoals iedereen hier in de Kamer ook al heeft gezegd, gaat het er uiteindelijk om dat die scholen gewoon veilig zijn. Als de inspectie op grond van feiten en observaties, die de inspectie als inspecterend orgaan, als toezichthoudend orgaan, goed ziet, twijfelt of dat veiligheidsbeleid goed op orde is, dan kan de inspectie zeggen: nou, laat het maar eens zien. Maar dat hoeven wij hier in de Tweede Kamer niet te doen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik denk dat dit de kern van de discussie hier is. Ik denk dat de memorie van toelichting juist op heel veel manieren laat zien dat het wel degelijk een doel is. Nu zegt de staatssecretaris: nee, het is een middel om tot een doel te komen. Daarover zeggen heel veel verschillende partijen: dit is niet doelmatig en niet doeltreffend. Met dit middel bereiken wij dat doel helemaal niet. Hoe we wel het doel kunnen bereiken, is bijvoorbeeld door middel van preventie, maar dat staat het nou juist in de weg, omdat het een open schoolklimaat juist in de weg staat. Als wij dan hier — ik probeer het voor de laatste keer — met elkaar constateren dat het doel een veilig schoolklimaat is, dat het middel daartoe zeer onzeker is en hier ook in de Tweede Kamer tot veel kritiek leidt, zouden we dan niet nog een keer goed naar het middel moeten kijken voordat we daar een wet over aannemen?
Staatssecretaris Tielen:
Wat ik ingewikkeld vind, is het volgende. Ik voel nu de neiging bij mezelf om de memorie van toelichting en het nader rapport in reactie op de Raad van State te gaan voorlezen, maar dat lijkt me niet heel erg recht doen aan de situatie en ook niet aan de inzet en de voorbereiding van de Kamerleden. Toch heb ik het gevoel dat we langs elkaar heen blijven praten. Een groot deel van de kritiek die de Raad van State heeft geleverd op het wetsvoorstel hebben we volgens mij op een goede manier geprobeerd te duiden. Ook het debat hierover is altijd onderdeel van de wetsgeschiedenis. De manier waarop we hierover met elkaar in debat zijn, is dus wel degelijk van belang voor wat we uiteindelijk als wet gaan vaststellen. We doen dit vanwege het simpele feit dat het veiligheidsbeleid op zichzelf voor een aantal scholen nog te weinig — ik zeg het toch maar — een levend document is op basis waarvan scholen het beleid en daarmee ook de veiligheid kunnen versterken. Daarom maken we beleid, om dingen te doen en niet om een papieren tijger te creëren. In mijn overtuiging is de manier waarop we omgegaan zijn met het advies van de Raad van State, ook met dit debat, heel duidelijk.
De voorzitter:
Even voor de administratie, omdat we willen voorkomen dat we de eerste termijn overdoen: de staatssecretaris heeft een x-aantal vragen. Ik stel voor dat we eerst de vragen in zijn totaliteit gaan beantwoorden, dan kijken of er interrupties zijn en dan overgaan tot de appreciatie. Is dat goed?
Staatssecretaris Tielen:
Dat is zeker goed. Ik wil er nog één ding aan toevoegen, want volgens mij is dit nu ook een paar keer langsgekomen. Deze wet alléén gaat het te grote aantal veiligheidsincidenten dat we nu nog zien niet helemaal oplossen. Dat is altijd aanpalend en met ander beleid. Daar heb ik ook in mijn eerste termijn een aantal handvatten voor gegeven, volgens mij.
Meneer Ceder vroeg naar de registratie als het gaat over leeftijd en afkomst. Ik geloof dat hij dat soort dingen noemde. We hebben expliciet in de wet opgenomen wat je wel en niet mag opschrijven. Al die extra persoonsgegevens mogen niet worden geregistreerd. Nou ben ik natuurlijk het lijstje kwijt. Ja, daar komt ie. Wat je mag bijhouden voor de registratie is de aanduiding van het veiligheidsincident, het rijtje dat ik al een paar keer heb genoemd, de aanduiding van de betrokkene — daarbij worden de volgende categorieën gebruikt: gaat het om een leerling, een medewerker, een ouder of iemand anders, ofwel een derde? — de datum van het incident en de locatie van het incident. Dat is het eigenlijk.
Meneer Ceder vroeg ook hoe het nou zit met de klachtencommissie en artikel 23. Hij zegt, in mijn woorden en ik hoop dat ik het goed begrijp: er zit straks een klachtencommissie met mensen die vanuit hun openbaaronderwijsvisie klachten moet gaan beoordelen die komen van bijvoorbeeld een gereformeerde, islamitische of daltonschool. Ik heb geprobeerd uit te leggen dat het wat mij betreft heel belangrijk is dat de expertise, professionaliteit en onafhankelijkheid van de klachtencommissie worden geborgd doordat het een grotere commissie is. We weten dat de klachtencommissie die nu vanuit de gereformeerde scholen is ontstaan — ik doel op de landelijke — samengaat met de andere klachtencommissie, dus dat wordt er één. Daar verwees meneer Ceder al naar. Dat is op eigen verzoek. Daarbij is wel de afspraak gemaakt dat er voor elke denominatie experts aanwezig zijn. Er blijft dus nog steeds veelkleurigheid in de klachtencommissie.
Tegelijkertijd staat het iedereen nog steeds vrij om een klachtencommissie op te richten, als die maar landelijke dekking heeft. Op die manier hebben wij dus gemeend dat er echt voldoende vrijheid is om vanuit de verschillende onderwijsvrijheidsrichtingen — zo noem ik het maar eventjes — een plek te vinden binnen de landelijke klachtencommissie zoals die er komt, met de mensen die daarin zitten, maar er is ook altijd de vrijheid om een nieuwe klachtencommissie te vormen, met als enige criterium dat het landelijk moet zijn.
Er is nog een laatste vraag, en die is van mevrouw Raijer. "Stel dat een leerling nu gepest wordt en deze wet morgen al ingaat" — dan hebben we een aantal stappen overgeslagen, maar stel dat dat zo is — "wat is dan het verschil?" Het verschil is dat we dan in ieder geval zeker weten dat die leerling terechtkan bij een vertrouwenspersoon. Dat is nu bij één op de vijf scholen nog niet zo. Wat we ook weten is dat, als er om dat pesten echt een stevige intimidatie- of bedreigingssfeer zit, dat ook als incident wordt geregistreerd. Dat klinkt een beetje ver weg, maar dat is heel belangrijk.
Voorzitter, ik wil het toch nog even zeggen: een onveilig schoolklimaat verander je niet van dag één op dag twee in een veilig schoolklimaat. Daar is heel veel voor nodig: goede bestuurders en docenten die zich medeverantwoordelijk voelen voor dat héle schoolklimaat en deze wet, denk ik, maar ook de tijd om dat voortdurend te blijven evalueren, zodat je het beleid, de preventie en het inzicht verbetert, samen met de ondersteunende factoren die we hebben, zoals de Stichting School & Veiligheid.
Dan ga ik naar de moties.
De voorzitter:
Nee, wacht even. We doen eerst een veegronde interrupties. Ik zou zeggen: heb je nog vragen openstaan, meld je dan bij de interruptiemicrofoon. Daarna gaan we naar de appreciaties. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik moet zeggen dat het antwoord van de staatssecretaris over de klachtencommissie mij wat positiever stemt. Zij zegt dat er ruimte is voor meerdere klachtencommissies, mits die een landelijke dekking hebben. Het is natuurlijk wel zo dat de minister die volgens de wet aanwijst. Nu zijn het er volgens mij twee. Ik ken de staatssecretaris als zeer streng doch rechtvaardig, maar dit roept wel de vraag op wanneer het ministerie vervolgens ook een klachtencommissie toestaat om die landelijke dekking te hebben, mocht die wens er na verloop van tijd zijn. Mijn vraag is of de staatssecretaris daar iets over kan zeggen. Daar ligt voor mij wel de kern: dat je zo de vrijheid van richting met elkaar borgt.
Staatssecretaris Tielen:
De precieze juridische teksten daarover kan ik niet zo oplepelen. Dat klinkt weer een beetje pedant, maar ik kan wel zeggen dat daar op zichzelf geen maximum of zo op staat. De enige voorwaarde is dat zij een landelijke dekking heeft en het hele land er dus terechtkan. De impliciete wens is natuurlijk dat met de klachtenafhandeling gewoon onafhankelijk en professioneel wordt omgegaan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Zou ik hierop een toezegging mogen? Kan ik hierover voor de stemming een nadere duiding krijgen? Misschien is die namelijk voor mij voldoende, als die tegemoetkomt aan de zorgen die daarover heb, om één amendement in te trekken.
Staatssecretaris Tielen:
Ik hoor heel goed wat meneer Ceder zegt. Ik ben mij ervan bewust dat mijn juridische parafrases inderdaad iets te wankel zijn. Ik snap het dus helemaal. We zetten dat eventjes in goede teksten op papier en dan sturen we dat naar u. We horen straks van u wanneer de stemmingen zijn, voorzitter, maar dan houden we daar rekening mee.
De voorzitter:
Dat houden we nog even als verrassing. De moties dan.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, een verrassing. Oké. Haha. Sorry.
De eerste motie is de motie van de heer Ceder en mevrouw Rooderkerk op stuk nr. 39. Daarin wordt de regering verzocht om samen met school- en leerlingenorganisaties te borgen dat veiligheidsvoorzieningen toegankelijk zijn, ongeacht de ondersteunings- en communicatiebehoefte. Daar ben ik het heel erg mee eens. Denk aan zo'n voorziening als de vertrouwenspersoon. Daar moet iedereen echt bij terechtkunnen. Ik heb dat een aantal keren gezegd, maar als het nodig is dat we dat gewoon nog even goed met school- en leerlingenorganisaties afstemmen, dan neem ik die behoefte heel goed mee. Deze motie kan dus oordeel Kamer krijgen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 39 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 40.
Staatssecretaris Tielen:
De motie-Ceder/Moorman op stuk nr. 40 verzoekt de regering om samen met de betrokken departementen en lokale partners, zoals dat zo mooi heet, te komen tot een wat bredere aanpak op het gebied van schoolveiligheid. Ik denk dat dat een mooie beschrijving is, want in de ene gemeente of de ene wijk is de veiligheid in en om de school natuurlijk weer anders dan in de andere. Ik geloof dus wel in de integraliteit daarvan. Met de Stichting School & Veiligheid hebben we, denk ik, al een heel praktische handreiking beschikbaar. Samen met het ministerie van Justitie en Veiligheid gaan wij nu met gemeenten en lokale partners na hoe we dat goed kunnen onderschrijven. Ik ben het met deze motie inhoudelijk wel eens. Die geef ik dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
De tweede motie, die op stuk nr. 40: oordeel Kamer.
Nu de motie op stuk nr. 41.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 41 gaat over het aanbod rondom suïcidepreventie, van de leden Ceder en Moorman. Volgens mij hebben we daar in het debat wel wat over gewisseld. Oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 41: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 42.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 42.
De voorzitter:
Moment. U had 'm al binnen, meneer Ceder ...
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben dan ook zeer blij met het oordeel. Een dubbelcheck: onder "scholen" worden alle vormen verstaan, dus vanaf lagere school tot aan de universiteiten?
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 41 krijgt dus oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 42.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 42 gaat over de veiligheid van medewerkers op school en ervoor zorgen dat er ook voor die groep heldere handvatten en een samenhangende structurele aanpak zijn — om het zo maar te noemen. Ik heb in mijn termijn al genoemd dat het personeel wat mij betreft natuurlijk ook onder de doelgroep van een veilig schoolklimaat valt. Ik kan ook deze motie dus oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 42: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 43.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 43 van mevrouw Moorman vraagt om nu al in de begroting op te nemen hoe we het Gender and Sexuality Alliance-netwerk kunnen versterken. Tja, dat kan ik gewoon niet zeggen, want dat is een financieel vraagstuk, terwijl de behoefte om te zorgen dat dat GSA-netwerk in zo veel mogelijk scholen kan doen wat het doet ... Ik zei daarstraks ook al dat ik heel positief ben over de effecten daarvan. Ik vind dat natuurlijk goed, maar ik kan daar nu niet op vooruitlopen als het gaat om de financiële middelen. Ik moet deze motie dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 43: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 44 van mevrouw Moorman sluit volgens mij eigenlijk aan bij de tweede motie, die op stuk nr. 40, als het gaat om een brede integrale aanpak samen met lokale partners. Kijk, jongerenwerk in school is niet per se iets van mijn departement, maar het hoort er natuurlijk wel bij. Ik ga dus graag in gesprek met de ministeries van VWS en Binnenlandse Zaken, en met de gemeenten, om te bekijken hoe we dat op elkaar kunnen laten aansluiten en die integrale preventie samen kunnen pakken. Dus als ik 'm zo mag lezen en goed heb begrepen, is het: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik kijk even naar ... Ja. Oordeel Kamer voor deze motie op stuk nr. 44.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 45 van mevrouw Moorman gaat over de manosfeer. Ik denk dat we daar hetzelfde gevoel bij hebben, bij wat dat allemaal doet. Vandaaruit ben ik ook al in gesprek met docenten om op te halen wat ze daarbij tegenkomen, maar vooral ook voor welk houvast en welke extra ondersteuning ze daarbij nodig hebben. Er is al wel die subsidie voor Schurende Gesprekken en het Expertisepunt Burgerschap, maar ik denk dat er meer nodig is. En dat hoor ik ook wel terug van docenten. Dus oordeel Kamer voor deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 45: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 46.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 46 van de leden Kisteman en Armut gaat over de behoefte als het gaat om wapenbezit. Er ligt al een handreiking, gemaakt door de Stichting School & Veiligheid in samenwerking met het expertisepunt voor criminaliteit en veiligheid. Die is vrij beschikbaar. Maar ook hierbij geldt dat, als ik toch met leraren in gesprek ben om te bekijken wat zij nog nodig hebben om inderdaad ook inhoudelijke handvatten rondom veiligheid te geven, ik graag ook dit vraagstuk daarbij meeneem. Ik had zelf ook afgelopen week weer een aantal interessante verhalen daarover, dus ik neem dat mee. Oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 46: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 47.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 47 van de heer Boomsma gaat over vertrouwenspersonen, om hen te helpen om misbruik en uitbuiting te herkennen en daar ook op te kunnen handelen. In het najaar zou ik graag een brief willen schrijven waarin wij wat nader ingaan op hoe Stichting School & Veiligheid nu al met e-learning en nietpluisinstrumenten voor vertrouwenspersonen en onderwijspersoneel aan de slag is. Er is natuurlijk heel veel, maar om dat eens te bundelen en te kijken of er daarvoor nog meer nodig is, weer vanuit de behoefte van scholen en leraren ... Oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 47: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Bijna, hè. Het is wel veel. De tiende motie, die op stuk nr. 48, van de heer Boomsma, gaat over antisemitisme en het effect daarvan op het verlaten van school of studie. Misschien is het wel goed om weer even te benadrukken dat het natuurlijk echt niet kan dat iemand vanwege onveiligheid door zijn religieuze achtergrond is genoodzaakt om van school te gaan of met zijn studie te stoppen. Dat moeten we voorkomen. Ik kan nu niet zomaar oplepelen hoe vaak dat voorkomt, ook omdat we natuurlijk allerlei kaders hebben rondom privacy en het registreren van gegevens. Wel ben ik veel in gesprek met onder andere de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, de Anne Frank Stichting enzovoort, enzovoort. Als ik de motie van meneer Boomsma zo mag interpreteren dat ik vanuit die gesprekken bundel wat we nu aan signalen zien — dat zijn dan dus geen cijfers op decimalen, maar wel een beeld van hoe vaak dit voorkomt, wat dit betekent en wat nodig is om dat te voorkomen — dan kan ik die oordeel Kamer geven.
De motie op stuk nr. 49 van mevrouw Raijer over zerotolerancebeleid als het gaat om vuurwapens. Eigenlijk is die overbodig, want dat zerotolerancebeleid is er al. Vuurwapens horen niet op school. Bij de appreciatie van de motie van meneer Kisteman heb ik het net gehad over wat er nog extra nodig is. Ik verwees al naar het inspectierapport. In het inspectierapport de Staat van het Onderwijs ziet u terug hoe vaak dat voorkomt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 49 krijgt "overbodig".
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 50 van mevrouw Raijer, waarin we moeten onderzoeken hoe we scholen beter kunnen ondersteunen bij de pestaanpak. Voor een heel groot deel doen we dat natuurlijk al, ook om te zorgen dat dat zo veel mogelijk bewezen effectieve programma's zijn, maar ik denk dat het goed is om ook de antipestaanpakken te bespreken als we toch met scholen in gesprek zijn over bijvoorbeeld de manosfeer en wapens. Daar kan ik oordeel Kamer aan geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 50: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 51.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 51, over het verwijderen van geweldplegers, is ook overbodig. Uiteindelijk kan dat al. Ik ontraad 'm dus. Hij is overbodig.
De voorzitter:
We kunnen 'm gewoon "overbodig" geven. De motie op stuk nr. 51: overbodig.
De motie op stuk nr. 52.
Staatssecretaris Tielen:
Datzelfde geldt eigenlijk voor de motie op stuk nr. 52 van mevrouw Raijer. Er is een kabinetsbrede aanpak als het gaat over de aanpak van antisemitisme. We hebben een Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie en een nationale strategie. Eigenlijk doen we dus al op heel veel vlakken dat wat mevrouw Raijer voor ogen heeft om antisemitisme op scholen te bestrijden. De motie is dus overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 52: overbodig.
O, jeetje. De motie op stuk nr. 53.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is de laatste. Dat is die van meneer Van Houwelingen. Heel eerlijk gezegd vind ik het wel mooi om weer eens een handgeschreven motie te hebben, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, dit is prachtig!
Staatssecretaris Tielen:
Schrijven zit ook in de kerndoelen. En ik kan 'm lezen, dus wat dat betreft complimenten aan de heer Van Houwelingen.
De voorzitter:
En de appreciatie luidt …
Staatssecretaris Tielen:
Helaas moet ik 'm ontraden.
De voorzitter:
Ah! De motie op stuk nr. 53: ontraden. Eerst een vraag van de heer Van Houwelingen over deze motie en dan de heer Ceder.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort. Dank voor de antwoorden, maar ik heb toch nog even een vraag, want de staatssecretaris zei net bij de moties van ambtsgenoot Raijer dat van school gestuurd worden al kan. Dit artikel beoogt om dat makkelijk en mogelijk te maken. Ik heb dat net toegelicht. Nu moet er een andere school worden gezocht. Ik vraag dus toch nog: waarom? Want dit is een belemmering.
Staatssecretaris Tielen:
De motie vraagt om in een andere wet, die we vandaag niet aan de orde hebben, een wetsartikel te veranderen, wat we normaal bij initiatiefwet of amendement doen. Dat vergt echt een groter debat dan het kwartier dat we nu over dit onderwerp hebben gedaan. Met zorgvuldige wetsbehandeling in het achterhoofd vind ik het gewoon niet fair om dat te doen. Daarom ontraad ik 'm ook.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb goed geluisterd naar de staatssecretaris en daarom ook mijn amendement aangepast, het amendement op stuk nr. 38. Misschien is het handig om daar ook een appreciatie op te krijgen, als dat mag.
Staatssecretaris Tielen:
Ik zag meneer Ceder lopen en dacht: ik had inderdaad ook nog een appreciatie op een gewijzigd amendement, namelijk het amendement op stuk nr. 38 ter vervanging van het amendement op stuk nr. 16, als ik het goed heb begrepen. Daar neemt de heer Ceder heel goed in op dat het wel of niet informeren van de ouders moet gebeuren in gezamenlijkheid met het bevoegd gezag en de vertrouwensinspectie. Die gezamenlijkheid vind ik heel belangrijk, dus ik kan dit amendement oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 38 krijgt oordeel Kamer.
Dan zijn we aan een einde gekomen van de tweede termijn van het kabinet, denk ik.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb alle papieren volgens mij meegegeven. Ik wil nog wel een slotwoord doen, maar ik zie dat er nog mensen zijn met vragen.
De voorzitter:
We gaan de heer Kisteman het laatste woord geven, want hij heeft een ordevoorstel. Eerst nog een vraag van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Het zou kunnen dat het nog in het slotwoord komt, maar ik heb ook nog de vraag gesteld hoe de staatssecretaris denkt het wetsvoorstel door de Kamers te krijgen. Ik wijs op de enorm kritische behandeling hier, waarbij heel veel partijen, van links tot rechts hebben aangegeven grote zorgen te hebben over dit wetsvoorstel. Als niet de juiste amendementen worden aangenomen — en die amendementen spreken elkaar ook nog eens tegen — wordt er niet ingestemd met het wetsvoorstel. Er zit een minderheidskabinet en we hebben ook nog de Eerste Kamer, met een samenstelling waarbij ik denk, als ik een en ander bij elkaar optel, dat het wetsvoorstel het nooit redt.
Staatssecretaris Tielen:
Naar mijn oprechte overtuiging heb ik de afgelopen periode mijn best gedaan om de Kamer mee te geven waar de wet voor bedoeld is, hoe die is opgesteld, waar de risico's zitten, hoe we daarmee omgaan en waar de voordelen zitten. Eerst in de nota naar aanleiding van het verslag en vervolgens tijdens de wetsbehandeling de afgelopen uren. Het is heel veel gegaan over registratie, maar deze wet bevat meer. Uiteindelijk is registratie een middel en geen doel op zichzelf. Ik hoop dat ik daar inhoudelijk woorden over heb gesproken. Het mooie van een minderheidskabinet is dat je inderdaad nooit vanzelfsprekend ervan kunt uitgaan dat een wet door de Kamer komt. Daarom heb ik volgens mij in goede dialoog en debat met uw Kamer daaraan aandacht besteed. Uiteindelijk is het aan de medewetgevers die hier ook in de zaal zitten om dat te wegen. Ik heb mijn best gedaan en ben ervan overtuigd, nogmaals — ik ga het toch nog een keer zeggen — dat deze wet daadwerkelijk ertoe bijdraagt om de scholen die nu nog geen veiligheidsbeleid of een slecht of niet werkend veiligheidsbeleid hebben, vooruit te helpen met vertrouwenspersonen.
De voorzitter:
Deze standpunten zijn volgens mij echt voldoende gewisseld. We moeten er ook echt een einde aan gaan brijen, want we hebben nog tien tweeminutendebatten na deze wetsbehandeling, en die willen we ook een beetje de ruimte geven. De laatste opmerking van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Laatste opmerking, want ik voel me als medewetgever aangesproken. Niet alle partijen zijn aanwezig, maar ik hoor wel bij de meerderheid hele kritische noten. Als de medewetgever dat dan zegt, is het dan verstandig om het wetsvoorstel in stemming te brengen? Dat vraag ik ook even aan mijn medewetgevers. Of zeggen we dan: laten we het nog even uitstellen, laten we er goed naar kijken en laten we aanpassingen doen waar nodig, zodat we hier niet tegen een muur aanrijden? Als dat al niet in de Tweede Kamer gebeurt, dan gebeurt het denk ik met de huidige samenstelling zeker in de Eerste Kamer. Het lijkt me gewoon ongelofelijk onverstandig. Dat is mijn laatste oproep.
De voorzitter:
Die oproep is vooral aan uw ambtsgenoten en niet zozeer aan het kabinet.
Tot slot de heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Over die stemmingen: ik zou graag willen voorstellen volgende week te stemmen over de amendementen en dan de week daarna over de wet en de moties. Ik kijk naar mijn collega's of zij daarmee kunnen instemmen.
De voorzitter:
Dit is een ordevoorstel van de heer Kisteman. Even voor de duidelijkheid: conform de werkgroep-Kamminga zouden wij eigenlijk op 30 juni stemmen over zowel de ingediende amendementen als de wet, dus allemaal in één keer. De heer Kisteman doet nu het voorstel om die stemmingen uit elkaar te halen, waarbij het voorstel dus is om op 23 juni te stemmen over alle ingediende amendementen en op 30 juni te stemmen over de wet en de ingediende moties. Kan de Kamer daarmee instemmen?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat lijkt me heel verstandig, gezien de amendementen.
Mevrouw Armut (CDA):
Ja, steun daarvoor, voorzitter.
De heer Boomsma (JA21):
Ja.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat lijkt me een heel goed idee.
Mevrouw Moorman (PRO):
Akkoord.
De heer Ergin (DENK):
Steun.
Mevrouw Raijer (PVV):
Steun.
De voorzitter:
Er is een meerderheid voor het ordevoorstel.
Daarmee komt er een einde aan deze wetsbehandeling. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording en haar betoog. Ik dank de Kamer.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan stemmen over de ingediende amendementen op 23 juni en over de wet op 30 juni.
Ik schors de vergadering voor een enkel ogenblik en dan gaan we door met het tweeminutendebat Tweede cyclus van de Spreidingswet.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Tweede cyclus van de Spreidingswet
Voorzitter: Paulusma
Tweede cyclus van de Spreidingswet
Aan de orde is het tweeminutendebat Tweede cyclus van de Spreidingswet (CD d.d. 23/04).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Tweede cyclus van de Spreidingswet. Ik vraag iedereen om zijn plek in te nemen en om de voorzitter vandaag ook een beetje te helpen, want u hoorde net ook dat we vandaag nog tien tweeminutendebatten moeten afronden. Dus enig tempo van eenieder zou ik zeer appreciëren. En daar is door de heer Ceulemans van JA21 direct gehoor aan gegeven, want hij staat al klaar voor zijn bijdrage.
Gaat uw gang.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank u zeer, voorzitter. De Spreidingswet holt de lokale democratie uit, gaat voorbij aan draagvlak en het daadwerkelijke probleem, namelijk de hoge asielinstroom. De wet zet gemeentebesturen en inwoners tegenover elkaar en is verkocht onder het valse voorwendsel dat tegelijkertijd de instroom beperkt zou worden. En het neemt ook nog eens iedere prikkel weg om echt iets aan die instroom te doen. Kortom, de Spreidingswet moet zo snel mogelijk van tafel. Daartoe wil JA21 alle democratische middelen aangrijpen.
Ik heb een initiatiefwet ingediend om de Spreidingswet in te trekken. Deze wet is door meerdere collega's in deze zaal met mij ingediend, maar nog beter zou het zou zijn dat een Kamermeerderheid nu al bij zinnen zou komen. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de Spreidingswet in te trekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 3572 (19637).
De heer Ceulemans (JA21):
Deze motie is net als overigens de volgende moties mede ingediend door de heer Diederik van Dijk.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering af te zien van dwang richting gemeenten die niet voldoen aan het verdeelbesluit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 3573 (19637).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de minister onder de Spreidingswet de mogelijkheid heeft, maar niet verplicht is, om opvangplekken op te leggen aan gemeenten die deze niet willen aanbieden;
verzoekt de regering in een nieuw verdeelbesluit geen opvangplekken aan gemeenten op te leggen indien zij deze zelf niet willen aanbieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 3574 (19637).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering in haar communicatie over de Spreidingswet te onderschrijven dat gemeenten binnen de kaders van de Spreidingswet het recht hebben om aan de provinciale en/of regionale regietafels het bod van nul asielopvangplekken te doen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 3575 (19637).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt uit dat het uiteindelijk aan gemeenten zelf is om te bepalen of ze wel of geen asielopvang willen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 3576 (19637).
De heer Ceulemans (JA21):
En de laatste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het coalitieakkoord wordt vermeld dat de Spreidingswet overbodig wordt wanneer er voldoende vaste en flexibele opvangplekken van het COA zijn,
overwegende dat dit geconcretiseerd dient te worden,
verzoekt de regering concreet de voorwaarden te formuleren waaronder de Spreidingswet in haar ogen overbodig is geworden en derhalve ingetrokken kan worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 3577 (19637).
De heer Ceulemans (JA21):
Zoals gezegd zijn alle moties mede ingediend door de heer Diederik van Dijk.
Ik heb nog een aantal seconden en die wil ik graag gebruiken om te zeggen dat ik trots ben op de nieuwe coalitie en het nieuwe college in Maassluis. Zij hebben veel over zich heen gekregen vanwege hun bod van nul asielopvangplekken. Ik heb de afgelopen maanden vanuit mijn hoedanigheid als informateur en formateur zelf kunnen zien hoe oprecht en integer de nieuwe coalitie opkomt voor de belangen van de inwoners van hun stad. Ik kan daar alleen maar heel veel respect voor opbrengen en daarom wens ik ze ook vanaf deze plek ontzetten veel succes de komende jaren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het geeft aanleiding tot één korte bondige vraag.
Mevrouw Straatman (CDA):
De heer Ceulemans geeft complimenten aan Maassluis. Ik zou ze zelf vooral aan de burgemeester van Maassluis geven, want volgens mij moeten we solidariteit betrachten. Maar mijn hele concrete vraag aan de heer Ceulemans is: als alle gemeenten op nul inzetten, wat is dan zijn boodschap aan de gemeenten die nu al meer doen?
De heer Ceulemans (JA21):
Mijn boodschap aan de gemeenten die nu al veel doen, is dat ik ook wil dat zij niet meer gedwongen kunnen worden om asielopvangplekken in hun gemeente aan te bieden. Daarom heb ik ook die initiatiefwet ingediend, want daarin staat dat asielopvang, zolang er überhaupt asielopvang in Nederland plaatsvindt, louter op basis van vrijwilligheid mag. Overigens willen we ook van de asielopvang af. Dat geldt zowel voor de gemeenten die op dit moment nog geen asielopvang aanbieden als voor de gemeenten die dat op dit moment wel doen. Ook voor hen zou dat niet verplicht moeten zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Vondeling, die spreekt de fractie van de PVV.
Gaat uw gang.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik begin met de moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering geen enkele gemeente te dwingen tot het opvangen van asielzoekers,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 3578 (19637).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de Spreidingswet in te trekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 3579 (19637).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers willens en wetens in strijd handelt met gemaakte afspraken door meerdere opvanglocaties illegaal open te houden;
overwegende dat onze dorpen en steden geen asielopvang tegen hun wil opgelegd mogen krijgen;
verzoekt de regering om illegaal opengehouden azc's per direct te sluiten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 3580 (19637).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt uit dat geweldloos verzet tegen de komst van een azc te allen tijde mogelijk moet zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 3581 (19637).
Mevrouw Vondeling (PVV):
Tot slot wil ik graag een reactie van de minister op de e-mail van het COA aan de gemeente Den Bosch, om de bekendmaking van de plannen van de amv-opvang in Engelen over de verkiezingen te tillen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot één vraag. Mevrouw Westerveld, gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ja, over de motie dat geweldloos verzet altijd mogelijk is. Volgens mij is iedereen in Nederland vrij om te demonstreren en is dat een groot goed. Ik vroeg me dus af wat de bedoeling is van deze motie.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Zoals het er staat, dus dat de Kamer zich daarover uitspreekt dat we te allen tijde geweldloos verzet mogen tonen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Vanuit welke partij in deze Kamer ...
Mevrouw Vondeling (PVV):
Er worden meerdere moties ingediend die al mogen ...
De voorzitter:
Pardon. Pardon, mevrouw Vondeling! Mevrouw Vondeling!
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ja, maar mevrouw Westerveld reageerde buiten de microfoon om ...
De voorzitter:
Dan zal ik uw geluid ook uitzetten. Dat doen we niet. Ik had de heer Ceder het woord gegeven. Gaat uw gang, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Deze motie roept natuurlijk wel de vraag op wie volgens mevrouw Vondeling in de Kamer, in de regering geweldloos demonstreren verboden zou hebben. Wie zei dat dat niet zou mogen?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik zeg dat niet. Ik denk alleen dat het goed is dat de Kamer zich hierover uitspreekt, zodat de mensen weten dat ze gesteund worden als zij in verzet komen tegen een azc. Daarom dien ik deze motie in en het staat alle partijen vrij om 'm wel of niet te steunen.
De voorzitter:
Nee, we zijn toe aan de volgende spreker. Dank u wel mevrouw Vondeling. We gaan luisteren naar de heer Vermeer, die spreekt namens de fractie van BBB. Gaat uw gang.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Eén motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat cijfers over overlast en criminaliteit in en rond asielopvanglocaties nu niet eenvoudig per locatie vindbaar zijn;
overwegende dat buurtbewoners recht hebben op duidelijke en toegankelijke informatie over de veiligheid in hun omgeving;
overwegende dat transparantie bijdraagt aan vertrouwen, draagvlak en een eerlijk gesprek met omwonenden;
verzoekt de regering om ervoor te zorgen dat politiegegevens en COA-cijfers over overlast en criminaliteit in en rond opvanglocaties zo veel mogelijk per locatie openbaar, actueel en eenvoudig vindbaar worden gemaakt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.
Zij krijgt nr. 3582 (19637).
De heer Vermeer (BBB):
Dit is omdat in de meeste gemeentes, en volgens mij ken ik ook geen andere, er alleen cijfers gepubliceerd worden over criminaliteit in een bepaalde wijk. Op deze wijze is niet goed inzichtelijk wat de bijdrage van het azc daaraan is. Volgens mij moeten we gewoon starten met eerlijkheid ten opzichte van omwonenden. Als ik in mijn buurt twee keer per dag een ambulance langs hoor komen, dan kan het niet zijn dat er zogenaamd nul meldingen zijn over het azc. Laten we gewoon man en paard noemen, of wie ook wat doet. Daar hecht ik groot belang aan.
Voorzitter. Aangezien we met de debatten helemaal uitgelopen zijn, zal ik de positieve appreciatie die deze motie ongetwijfeld zal krijgen, omdat dit kabinet ook voor transparantie is, op afstand gaan volgen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan luisteren naar mevrouw Straatman, die spreekt namens de fractie van het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Van mijn kant één vraag en één motie. Mijn vraag gaat over de vliegende teams. Goed dat die er nu zijn en dat gemeenten, waar gewenst, extra worden ondersteund. Dat is zeker nodig, nu de dekkingsgraad in de opvangketen nog steeds 104% is en opvanglocaties daarom ook noodgedwongen langer open moeten blijven. Dat vraagt gewoon hele goede communicatie. Daarom mijn vraag. Kan de minister toezeggen dat in de communicatieplannen van de aangekondigde vliegende teams ook aandacht wordt besteed aan de manier waarop gemeenten kunnen communiceren met inwoners wanneer opvanglocaties langer open moeten blijven dan oorspronkelijk gepland?
Dan mijn motie, voorzitter. Die gaat erover dat we goede voorbeelden over maatwerkopvang breed moeten verspreiden.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat iedere gemeente de verantwoordelijkheid heeft om asielzoekers op te vangen en dat gemeenten van elkaar kunnen leren om dit zo goed mogelijk vorm te geven;
constaterende dat er verschillende initiatieven zijn waarbij inwoners worden betrokken bij de asielopvang en asielzoekers, zoals het initiatief Thuis in Oss;
overwegende dat deze lokale initiatieven een goed voorbeeld zijn van hoe de komst van een opvanglocatie goed kan verlopen en juist tot verbinding kunnen leiden tussen asielzoekers en de lokale gemeenschap;
verzoekt de regering om best practices rondom maatwerkopvang, zoals het initiatief Thuis in Oss, breder te verspreiden onder gemeenten om een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak te creëren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Van Asten en Westerveld.
Zij krijgt nr. 3583 (19637).
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot één korte vraag. Gaat uw gang, meneer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Mevrouw Straatman heeft het over goede voorbeelden. Het dagblad Trouw had een mooie rondgang langs een aantal coalitieakkoorden die in het land gesloten zijn en heeft gekeken wat die met de asielopvang doen. We zien dat ook het CDA lokaal zijn handtekening heeft gezet onder coalitieakkoorden waarin staat: we willen hier geen asielopvang; er is geen draagvlak voor; we gaan de juridische weg bewandelen om het te voorkomen. Ik juich dat toe, maar vindt zij dat dan ook goede voorbeelden?
Mevrouw Straatman (CDA):
Nee. Laat duidelijk zijn — daar ben ik denk ik heel helder in geweest in al mijn verhalen — dat de Spreidingswet geldt voor iedereen. Die geldt ook voor het lokale CDA. We moeten er met z'n allen voor staan dat we die solidariteit eerlijk onder elkaar verdelen. Laten we juist daarom voorbeelden als Thuis in Oss zo breed mogelijk onder de aandacht brengen. Er is enorm veel maatschappelijk draagvlak in Oss om die opvanglocatie te creëren. Waarom? Omdat we geen opvanglocaties aan de rand van de stad maken, maar omdat we ze vormgeven als buurthuis. Laten we dan ook deze plek hier gebruiken om die goede voorbeelden te verspreiden, want ik ben het met u eens. Er gaan dingen mis en er zijn terechte zorgen. Maar er gaat ook heel veel goed. Ik denk dat dat het enige is dat helpt om deze enorme crisis het hoofd te bieden.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan luisteren naar mevrouw Westerveld, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Voorzitter. Ik heb nog een motie en een vraag. Eerst de motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het aantal kinderen in (crisis)noodopvang na meerdere aangenomen moties niet is teruggenomen maar is gegroeid naar meer dan 7.000;
overwegende dat verblijf in (crisis)noodopvang de ontwikkeling van kinderen belemmert en zelfs permanente schade kan doen;
verzoekt de regering te onderzoeken of rijksvastgoedlocaties ingezet zouden kunnen worden als langjarige opvanglocatie met adequate voorzieningen voor kinderen zodat zij niet meer in de (crisis)noodopvang terechtkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Ceder.
Zij krijgt nr. 3584 (19637).
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik zie nog twee spelfouten, maar die verander ik straks wel even. Dan nog een vraag naar aanleiding van het debat. Die gaat over de vergunning voor onbepaalde tijd. Die is afgeschaft. Sinds die tijd is naturalisatie via deze manier niet meer mogelijk voor vluchtelingen die hier al langere tijd zijn. Het is alleen maar mogelijk via de EU-route. We lezen echter in het coalitieakkoord dat dit wel weer mogelijk wordt. Ik vroeg me af wanneer de concrete plannen daartoe komen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding, nadat u uw spelfouten gecorrigeerd heeft, tot het stellen van één korte, bondige vraag door de heer Ceder. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De vraag is of ik er ook onder mag. Ik speelde met de gedachte van een soortgelijke motie, maar dat scheelt tekst, papier en ook spreektijd. Ik weet dat de voorzitter dat zeer waardeert.
De voorzitter:
Dat kan mevrouw Westerveld dan nu in één keer doen, zie ik. Het is gelukt.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Het scheelt als je een pen in handen hebt.
De voorzitter:
Exact. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Russcher, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie. Gaat uw gang.
De heer Russcher (FVD):
Dank, voorzitter. De Spreidingswet verplicht iedere gemeente, iedere stad en ieder dorp om asielzoekers op te vangen. Dorpen die nooit hebben gevraagd om een azc worden gedwongen er eentje te openen. Wijken veranderen en worden onveiliger, de sociale cohesie staat onder druk en de instroom gaat gewoon door; 1.000 mensen per week. Deze wet verspreidt het probleem van de stad naar het dorp en van het ene dorp naar het andere, en doet dat zonder einde, zolang de instroom niet stopt. Dat terwijl deze wet destijds werd aangenomen met de belofte dat de asielinstroom structureel zou dalen. Die belofte is niet nagekomen, want sinds de inwerkingtreding zijn er meer dan 80.000 asielzoekers ons land binnengekomen. Forum voor Democratie wil deze wet intrekken en heeft om dit te regelen een wetsvoorstel mede ingediend met JA21, maar de Nederlandse bevolking verdient ook een helder antwoord van deze regering: bij welke instroom trekt u zelf de stekker eruit?
Daarom dien ik de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Spreidingswet door een meerderheid van de Kamer is aangenomen mede op basis van de toezegging dat de asielinstroom structureel zou dalen;
constaterende dat de asielinstroom sindsdien niet structureel is gedaald;
constaterende dat niet is vastgelegd bij welk instroomniveau de wet zijn bestaansgrond verliest;
overwegende dat de Kamer en de bevolking er belang bij hebben te weten onder welke omstandigheden de regering de Spreidingswet zal intrekken;
overwegende dat duidelijkheid hierover bijdraagt aan het vertrouwen in de politiek;
verzoekt de regering de Kamer binnen zes weken schriftelijk te informeren bij welke gemiddelde wekelijkse asielinstroom, gemeten over welke periode, de regering voornemens is de Spreidingswet op te schorten dan wel in te trekken;
verzoekt de regering daarbij gebruik te maken van concrete en verifieerbare drempelwaarden, zodat de Kamer de naleving van deze toezegging kan controleren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.
Zij krijgt nr. 3585 (19637).
De heer Russcher (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we tot slot luisteren naar de heer Ceder. Hij spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb één vraag. We hebben vorige week een petitie gekregen van Iraanse studenten die hier zijn, maar door de sancties et cetera financieel niets meer kunnen overmaken. Zij vroegen zich, gezien de situatie, af of er naar de tewerkstellingsvergunning — volgens mij is die zestien uur — gekeken zou kunnen worden. Dat is eerder ook gedaan voor Oekraïense studenten, zodat ze kunnen worden voorzien in financiën en collegegeld kunnen betalen. Kan de minister daar iets over zeggen, of wil hij in ieder geval toezeggen dat hij schriftelijk terugkomt op de vraag hoe het kabinet met die groep omgaat?
Voorzitter. Daarnaast heb ik twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er signalen zijn van religieus gemotiveerde intimidatie en geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in asielopvanglocaties;
overwegende dat asielzoekers die zijn gevlucht voor religieuze vervolging in Nederland veilig moeten zijn;
verzoekt de regering incidenten van religieus gemotiveerd geweld tegen asielzoekers binnen opvanglocaties structureel te registreren, en de Kamer periodiek over de uitkomsten te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 3586 (19637).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Dan de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gemeenten soms op verzoek van het COA opvanglocaties langer openhouden dan oorspronkelijk was afgesproken;
constaterende dat de minister heeft erkend dat dit het vertrouwen tussen Rijk en gemeenten onder druk kan zetten en heeft aangegeven zich in te zetten voor versterking van het onderlinge vertrouwen en de samenwerking;
overwegende dat overschrijdingen van de opvangopgave binnen de termijnen van de taakstelling op grond van de Spreidingswet reeds worden meegewogen en een extra aftrek bij overschrijding weer tot vertrouwen bij gemeenten kan leiden om opvangverplichtingen aan te gaan;
verzoekt de regering overschrijdingen van de opvangopgave door toedoen van het niet naleven van de termijnen door het Rijk of COA extra mee te laten wegen wat betreft de verdeelsleutel van de Spreidingswet voor toekomstige afspraken over opvangcapaciteit aan de regionale regietafels,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 3587 (19637).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van deze termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven tien minuten nodig te hebben voor de beantwoording van de vragen en de appreciaties van de moties. Ik schors voor tien minuten. Blijf in de buurt, want als we eerder kunnen beginnen dan laat ik de bel luiden. Ik schors voor tien minuten.
De vergadering wordt van 16.02 uur tot 16.13 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat De tweede cyclus van de Spreidingswet. Wij zijn toegekomen aan de beantwoording van de vragen en de appreciaties van de moties. Ik geef daartoe graag het woord aan de minister. Gaat uw gang.
Minister Van den Brink:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook dat ik hier de antwoorden kan geven op alle vragen en de moties. Laat ik dat in een tempo doen dat passend is bij deze dag, zoals u van ons vraagt. Dat doe ik door even in algemene zin te zeggen dat we natuurlijk een Spreidingswet hebben, waarin allerlei afspraken wettelijk zijn geborgd, waar we op dit moment uitvoering aan geven. De coalitie staat daar volledig achter. Als kabinet voeren wij wetten uit die we in dit land hebben aangenomen. Op die manier kan ik zo meteen heel veel moties best wel snel afdoen, omdat die namelijk allemaal zeggen dat we de wet niet moeten uitvoeren of op een andere wijze moeten uitvoeren.
Dat geldt voor de motie op stuk nr. 3572. Die wil ik ontraden. Wij vinden de Spreidingswet een belangrijk instrument.
Dat geldt voor de motie op stuk nr. 3573 …
De voorzitter:
Excuus. De motie op stuk nr. 3572 wordt ontraden. Dan de motie op stuk nr. 3573.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3573 ontraad ik, omdat die strijdig is met de doelstelling en de geest van de Spreidingswet om met elkaar in dit land eerlijk de opvanglocaties te verdelen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3573 wordt ontraden. Ik had het de collega's nog niet medegedeeld, maar ik sta één vraag per eigen ingediende motie toe. Gaat uw gang, meneer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb er een paar, dus dat komt goed uit. Wat betreft de motie op stuk nr. 3573, de minister begon zijn verhaal met dat hij allemaal moties gaat ontraden omdat die strijdig zijn met de wet. Daarmee suggereert hij dat moties wettelijk niet kunnen. Bij de motie op stuk nr. 3573 zegt hij nu dat die strijdig is met de geest van de wet. Erkent de minister …
Minister Van den Brink:
En de doelstelling.
De heer Ceulemans (JA21):
En met de doelstelling van de wet. Erkent de minister dat het gewoon zijn eigen afweging is of hij wel of niet tot dwang overgaat, ook binnen de kaders van de Spreidingswet?
Minister Van den Brink:
Uiteindelijk is het altijd een afweging of je dingen, of je mogelijkheden uit de wet toepast, maar … Laat ik het zo zeggen: als je met elkaar een wet afspreekt waarin je ten doel stelt dat alle gemeenten op basis van een verdeelbesluit uitvoering geven aan het realiseren van opvang, en gemeenten daar niet eens toe bereid zijn, dan hoort het interbestuurlijk toezicht daarbij, waar u naar verwijst.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 3574.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3574 wil ik ontraden vanwege de systematiek van de wet als het gaat over de verdeelbesluiten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3574 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3575 vraagt of er op een regietafel een bod van nul gedaan kan worden. Dat doet vermoeden dat dit door alle gemeentes gedaan zou kunnen worden. Daarvan heb ik al vaker gezegd dat dit niet gaat vliegen omdat dit niet optelt. Tot nu toe is nul plus nul immers nog steeds nul. Ik ga deze motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3575 wordt ontraden. De heer Ceulemans heeft één vraag. Gaat uw gang.
De heer Ceulemans (JA21):
Dit is gewoon eigenlijk best problematisch. Op 23 april hebben wij hier het commissiedebat over gehad. Ik heb de minister toen op de man af gevraagd of gemeenten aan een regietafel het bod van nul kunnen doen. Daarvan zei de minister: ja, dat kan. Vervolgens blijkt dat gemeenten dat gaan doen. De minister vindt dat niet leuk, omdat dit niet loopt zoals hij graag wil dat de uitvoering van de Spreidingswet eruitziet. Vervolgens maakt hij terugtrekkende bewegingen en zie ik hem op televisie zeggen dat een bod van nul eigenlijk niet kan. Hij ontraadt nu de motie omdat wanneer alle gemeenten dat gaan doen, het niet optelt. Maar het is gewoon een heel simpel punt: gemeenten hebben het recht om aan een regietafel het bod van nul te doen. Ik verwacht dus ook gewoon dat de minister deze motie oordeel Kamer geeft. Het is compleet binnen de kaders van de wet. Als hij daar afstand van neemt, zijn het niet de gemeenten, maar is hijzelf degene die een loopje met de Spreidingswet neemt.
Minister Van den Brink:
Ik mag vanaf deze plek best wel de context van een debat meewegen in hoe ik moties apprecieer. Dit kabinet hecht aan de uitvoering van de Spreidingswet. De moties die u hier voorstelt, worden allemaal op eenzelfde manier door u ingebracht, omdat u af wil van de Spreidingswet. U wil dat gemeenten niet meewerken aan de Spreidingswet. U wil dat gemeenten op allerlei manieren nul indienen. Dat is allemaal bij mekaar opgeteld het niet voldoen aan de Spreidingswet. Om die reden ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3575 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 3576. Deze ontraad ik ook.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3576 wordt …
De heer Ceulemans (JA21):
Het is een spreekt-uitmotie.
Minister Van den Brink:
O, sorry. Excuus.
De voorzitter:
Excuus, ik kijk ook even wat beter. Het is inderdaad een spreekt-uitmotie, dus die hoeft niet geapprecieerd te worden.
Minister Van den Brink:
Excuus. Dat is geheel kloppend.
De motie op stuk nr. 3577 vraagt om de voorwaarden te formuleren waaronder de Spreidingswet in mijn ogen overbodig is geworden en ingetrokken kan worden. Onder verwijzing naar alle vorige moties: dat heeft hetzelfde doel, namelijk dat de opvang op orde is. En ja, wij hebben daar als kabinet een afspraak over gemaakt. In het debat dat we nu aan het voeren zijn is het zolang we … In de afgelopen periode zien we dat we juist bezig zijn om de opvang op orde te brengen. Maar daar zijn we echt nog niet. Ik ga daar dus pas toe over als die opvang op orde is. Daarom ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3577 wordt ontraden.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb een laatste vraag. Ik vind het ingewikkeld. De minister zegt tegen mij: u dient allemaal moties in binnen de context dat u van de Spreidingswet af wil. Het mag bekend zijn dat ik van die Spreidingswet af wil, maar ik vraag van deze minister wel om deze moties gewoon op hun merites te beoordelen.
Minister Van den Brink:
Dat doe ik ook.
De heer Ceulemans (JA21):
Nou, dat doet u niet, want u zegt zelf …
De voorzitter:
O, laten we het vriendelijk houden met elkaar.
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter, ik zal ook via u spreken: dat doet de minister niet, want hij zegt "ik zie dit binnen de context van alle moties die u indient en van wat u gezegd heeft; u wil van de wet af en daarom ontraad ik deze motie." Er wordt mij ook in de schoenen geschoven dat ik gezegd zou hebben dat ik wil dat gemeenten de Spreidingswet niet uitvoeren of de wet naast zich neerleggen. Het hele punt is nou juist, ook bij eerdere moties over dat nulbod, dat een gemeente juist binnen de kaders van de Spreidingswet het bod van nul kan doen. Ik vraag de minister dus niet om voor mij in te vullen wat ik vind. Ik vraag de minister ook niet om moties te beoordelen binnen een bepaalde context die hij ziet, maar gewoon om moties op hun merites te beoordelen en te beoordelen hoe ze op papier staan.
Minister Van den Brink:
Dan ontraad ik deze motie, omdat het kabinet de voorwaarden waaronder ze dit gaat doen in het coalitieakkoord heeft opgeschreven. Ik hoef dat daar niet aan toe te voegen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3577 blijft ontraden. De motie op stuk nr. 3578.
Minister Van den Brink:
Dat is de motie van mevrouw Vondeling. Die vraagt, eigenlijk in lijn met de vorige motie, om geen enkele gemeente te dwingen om de Spreidingswet toe te passen. Die motie ontraad ik.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3578 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3579 vraagt om de Spreidingswet in te trekken. Die ontraad ik.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3579 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3580 vraagt om een aantal opengehouden locaties, die opengehouden worden vanwege onvoldoende opvangplekken, alsnog te sluiten. Die moet ik ontraden. Wij doen dat alleen in uitzonderlijke gevallen, omdat het op dit moment niet anders kan.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3580 wordt ontraden. De motie op stuk nr. 3581 is een spreekt-uitmotie.
Minister Van den Brink:
Dank u wel, daar helpt u mij mee. Mevrouw Vondeling heeft mij ook nog gevraagd om te reageren op een mail die, denk ik, ergens is verschenen. De schorsing van tien minuten was net te kort om dat helemaal na te lopen. Ik wil u dus toezeggen dat ik daarop terug ga komen. Ik heb in het commissiedebat toegezegd om voor de zomer in een brief terug te komen op allerlei onderwerpen, dus ik zal in die brief ook hierop reageren.
De voorzitter:
Mevrouw Vondeling is akkoord. Gaat u verder met de motie op stuk nr. 3582.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3582 is van de heer Vermeer. Hij is hier niet meer, maar hij zou wel meeluisteren. De overlast door asielzoekers wordt jaarlijks cijfermatig inzichtelijk gemaakt door het WODC. Ik verwacht voor het zomerreces de zogeheten incidentenmonitor over 2025. Parallel daaraan publiceert COA jaarlijks de overlastcijfers per locatie op haar website. Dat biedt al enorm veel inzicht. Ik zou daarom de motie voor nu even als ontijdig willen appreciëren, of willen vragen om de motie aan te houden, zodat we dit kunnen hernemen nadat de incidentenmonitor is verschenen. Dat zou voor nu mijn reactie zijn.
De voorzitter:
De appreciatie op de motie op stuk nr. 3582 van de heer Vermeer is ontijdig. Wellicht komt de heer Vermeer er later op terug of hij de motie aanhoudt of niet, maar dat zullen we later te horen krijgen. Gaat u verder met de motie op stuk nr. 3583.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3583 verzoekt de regering om een aantal best practices, zoals het initiatief Thuis in Oss, breder te verspreiden. Dat is altijd een goed idee, dus die ga ik oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3583 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Mevrouw Straatman vroeg nog of we het expertiseteam dat wij aan gemeenten aanbieden in situaties waarin zij tegen zaken aanlopen, ook aan gemeenten kunnen aanbieden waar wij genoodzaakt zijn om een locatie langer open te houden. Daar ben ik toe bereid. Ik zal daar in overleg met VNG mee aan de slag gaan.
Dan kom ik op de motie op stuk nr. 3584. Daarin vragen mevrouw Westerveld en meneer Ceder mij om te onderzoeken of de Rijksvastgoedlocaties ingezet kunnen worden, met name om de situatie waarin kinderen al zo lang in een crisisnoodopvang zitten te kunnen verlichten. Wij zijn blijvend in gesprek met het Rijksvastgoedbedrijf over de mogelijkheden. Op de korte termijn is dat echt nog voor de spoednoodopvang. Tegelijkertijd kunnen er vanuit gemeenten natuurlijk ook verzoeken komen of het op zo'n locatie kan. We gaan daar zeker over in gesprek. Om die reden kan ik deze motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3584 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3585 van de heer Russcher geef ik het oordeel ontraden, met verwijzing naar alle discussies hiervoor over moties.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3585 wordt ontraden. Dat geeft aanleiding tot één vraag. Gaat uw gang.
De heer Russcher (FVD):
In het coalitieakkoord lezen we dat de Spreidingswet volgens de regering overbodig zou zijn als er voldoende flexibele en reguliere opvangplekken zijn. Dat is natuurlijk een-op-een te herleiden naar de instroom. Ik denk dat het goed is als de Kamer hier gewoon een oordeel over geeft, want volgens mij is het een hele belangrijke manier om te controleren of de regering haar taken uitvoert. Ik zou de minister dus graag willen vragen of deze oordeel Kamer kan krijgen.
Minister Van den Brink:
Nee, ik ontraad de motie omdat er meerdere verzoeken in zitten die drempelwaarden zouden introduceren. Dat doet vermoeden alsof er een soort concreet getal aan te koppelen is. Dat is dit kabinet niet van plan, dus ik blijf bij ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3585 blijft ontraden.
De motie op stuk nr. 3586.
Minister Van den Brink:
Dat is een motie van de heer Ceder en de heer Van Dijk over religieus gemotiveerd geweld. Ik heb zeker sympathie voor de strekking van de motie. Tegelijkertijd is dit wel echt iets aan de strafrechtketenkant. Ik moet dus overleggen over misdrijven op COA-locaties met een discriminatoir oogmerk, zoals misdrijven die zijn gericht tegen iemands levensovertuiging, en dat inzichtelijker kunnen krijgen om uw Kamer daarover te informeren. Mocht daaruit blijken dat de strafrechtketen dit nog niet eenduidig registreert en daarover niet kan rapporteren, dan wil ik er wel voor waken dat dit aan het COA wordt gevraagd. Het COA moet dan namelijk gaan beoordelen of hiervan sprake is. Dan gaat het ook om een juridische vraag, namelijk of er sprake is van religieus gemotiveerd geweld en of dat een strafbaar feit is. Dat is niet aan het COA. Als ik dit langs deze lijn verder uit kan zoeken, kan ik de motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De heer Ceder steekt zijn duim op. Met deze interpretatie krijgt de motie op stuk nr. 3586 oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Dan de laatste motie, de motie op stuk nr. 3587 van de heer Ceder. Die vraagt om het meewegen van situaties waarin COA-locaties langer open worden gehouden in de toekomstige afspraken over opvangcapaciteit aan de regionale regietafels. Daarmee geeft de heer Ceder ook wel aan dat er echt sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. We voeren de Spreidingswet namelijk uit, en tegelijkertijd zitten we in een flinke tekortsituatie waarin we proberen te handelen met de mogelijkheden die we hebben. In de techniek van de Spreidingswet en hoe die in elkaar zit, krijg ik dit niet ingebracht. Maar het is natuurlijk wel een terecht punt dat dit aan de PRT's moet worden besproken. Dat zal ook worden besproken. Ik wil 'm wat betreft de techniek ontraden, want ik kan het niet inpassen. Laat ik het volgende zeggen. Ik kom zelf ook bij alle PRT's, want ik bezoek ze op dit moment allemaal. Dat zal daar zeker in worden besproken en daarbij worden betrokken. Ik vind 'm dus sympathiek, maar kan de techniek ervan niet omarmen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap dat de minister dit niet in de wet of in een nota van wijziging kan amenderen, maar dat vraag ik ook niet. Volgens mij zijn de insteek en de gedachte van de minister dezelfde als de mijne, namelijk dat hij de rugdekking meegeeft en de boodschap meegeeft dat het, op het moment dat er overschrijding is, meegewogen dient te worden aan de regietafels. Dit is goed voor een soort tegemoetkoming aan de gemeente die daar last aan ondervindt. Tegelijkertijd geeft het ook ruimte aan de gemeente om die nieuwe verplichtingen weer aan te durven. We merken namelijk ook dat het aan die kant nu stopt, omdat men niet weet wat de gevolgen zijn als een contract niet wordt nagekomen. Ik vraag dus niet om een wetswijziging, maar wel om hetgeen de minister aangeeft. Ik zou het dus eigenlijk wel als onderschrijving willen zien. Ik denk dat dit ook aan meerdere kanten iets kan vlottrekken als de minister dit ook onderschrijft en steunt.
Minister Van den Brink:
Ik ga dit samen met de ambtelijke ondersteuning die mij wordt geboden met deze serieusheid overbrengen aan de tafels van de PRT's, waar ik zelf langsga. Zou ik dan mogen vragen of u deze motie wilt aanhouden totdat ik daar bij het verdeelbesluit bij uw Kamer op terugkom? Dat is, denk ik, ook het moment om te beoordelen of er nog heel veel locaties zijn opengebleven. Dan kan ik wel het signaal afgeven, maar dan wegen we op dat moment opnieuw de situatie.
De voorzitter:
Graag ja of nee. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Kan ik dit dan als toezegging noteren?
Minister Van den Brink:
Ja.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat betekent dat er ook een schriftelijk verslag over komt. Ik vind het wel dermate belangrijk dat ik als Kamer wil kijken wat ermee gebeurt. Dan kan ik 'm voorlopig aanhouden.
De voorzitter:
Dan wordt dit genoteerd als een toezegging.
Op verzoek van de heer Ceder stel ik voor zijn motie (19637, nr. 3587) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Van den Brink:
Dan heb ik nog één vraag van de heer Ceder te beantwoorden over de tewerkstellingsvergunning van mensen uit Iran. Hij maakt een vergelijking met Oekraïne, waar wel echt een totaal andere situatie is. De vraag of we daar op nationaliteitsniveau een uitzondering voor kunnen maken, hoort bij de collega van SZW. Ik zie niet zomaar hoe ik dat in de korte termijn die ik nu heb, moet doen. Ik wil ook voorkomen dat ik mezelf extra huiswerk opgeef voor iets waarvan ik al niet zo goed zie hoe het kan vliegen.
De voorzitter:
Eén korte vraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De vergelijking met Oekraïne ging niet over het conflict; het ging er meer om dat we hier als Kamer hebben gekeken naar bijzondere gevallen. Ik wou de situaties niet met elkaar vergelijken. Ik snap dat het niet binnen een paar minuten geregeld kan worden. Mijn vraag is wel de volgende. We hebben hier als Kamer een petitie over gekregen. Kan de minister dit doorgeleiden en terugkomen op wat de mogelijkheden zijn? Misschien kan hij die toezegging doen. Als die mogelijkheden er niet zijn, hoor ik dat ook graag. Maar ik wil ook gewoon recht doen aan de mensen die de Kamer verzocht hebben om hiernaar te kijken.
Minister Van den Brink:
Ik zal dit doorgeleiden naar de minister van SZW. Volgens mij is er ook nog een groot migratiedebat met hem voor de zomer. Dat lijkt me een plek om ernaar te vragen. Ik ga hem er in ieder geval over informeren dat die vraag daar mogelijk terug gaat komen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zou hem andersom willen zien. Ik zou graag de toezegging krijgen dat ik het vóór het debat ook schriftelijk krijg.
Minister Van den Brink:
Ik vind het nooit fijn om voor een collega-minister iets toe te zeggen. Ik kan het vanuit mijn positie niet toezeggen en ook niet inpassen in het beleid zoals we dat voorstaan. Ik ga aan hem overbrengen dat deze vraag in de Kamer leeft.
De voorzitter:
Hier zult u het mee moeten doen, meneer Ceder. We zijn aan het einde gekomen van dit debat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan volgende week dinsdag stemmen over de ingediende moties. Ik stel voor dat we direct doorgaan naar het volgende tweeminutendebat. Daarvoor schors ik enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Vreemdelingen- en asielbeleid
Vreemdelingen- en asielbeleid
Aan de orde is het tweeminutendebat Vreemdelingen- en asielbeleid (CD d.d. 13/05).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Vreemdelingen- en asielbeleid. Wij gaan luisteren naar de eerste spreker van dit debat. Dat is mevrouw Westerveld, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Sinds de gewelddadige protesten in verschillende gemeenten worden mensen — dan heb ik het over asielzoekers, maar ook vrijwilligers en raadsleden — gevolgd, gefilmd en geïntimideerd. Ze worden onterecht beschuldigd. Er worden ook foto's en filmpjes verspreid van mensen, met allerlei suggestieve aannames, simpelweg op basis van hun huidskleur. Dat is gewoon keihard racisme.
Voorzitter. Ik wil graag van de minister weten of hij ervan op de hoogte is dat dit gebeurt in verschillende gemeenten. Kan hij met die gemeenten en het COA in overleg gaan? Kan hij ze ondersteunen bij het beschermen van deze mensen? Kan hij asielzoekers, die misschien niet altijd goed de weg weten te vinden, helpen of informatie geven, zodat ze makkelijk aangifte kunnen doen bij strafbare feiten? Kan hij ook hier helder maken dat het onterecht beschuldigen van mensen strafbaar is? Kan hij in dat kader ook zorgen dat onlinepagina's waar soms op wordt opgeroepen om beeldmateriaal in te zenden, offline worden gehaald? Ik wil de minister ook vragen: mag je eigenlijk mensen oproepen om al dit soort foto's en filmpjes in te sturen? Dit hoort toch gewoon thuis bij de politie, lijkt me.
Ik heb ook nog een motie daarover.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat intimidatie en geweld tijdens de protesten tegen noodopvang- en azc-locaties volstrekt onacceptabel zijn;
constaterende dat asielzoekers en vrijwilligers ook nadat zij intrek hebben genomen op sommige locaties onveilig zijn, omdat zij worden gevolgd, gefilmd en geïntimideerd;
overwegende dat voorkomen moet worden dat dit escaleert;
verzoekt de regering om het COA en gemeenten waar nodig bij te staan om de veiligheid en privacy van asielzoekers en vrijwilligers in de opvang en daarbuiten te waarborgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 3588 (19637).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Boomsma, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik heb twee moties, een korte en een lange. Beide zijn van sublieme schoonheid en degelijkheid.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het eerder niet mogelijk was om Dublinclaimanten die eerder asiel hebben aangevraagd in Griekenland en Italië naar die landen terug te sturen hoewel het Unierecht dat vereist;
overwegende dat het kabinet heeft aangegeven Dublinoverdrachten naar onder andere Griekenland en Italië met de inwerkingtreding van het Migratiepact te zullen hervatten en die landen zich daartoe hebben gecommitteerd, waarbij de verantwoordelijkheid van grenslanden weer strikt wordt gehandhaafd;
overwegende dat Nederland van rechtswege verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling van een asielverzoek zodra de claim- of overdrachtstermijn ongebruikt verstrijkt;
verzoekt de regering om Dublinclaimanten uit Griekenland en Italië die de afgelopen drie maanden zijn aangekomen in Nederland en waarvan de termijn dus nog niet is verstreken, over te dragen aan de betreffende landen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 3589 (19637).
De heer Boomsma (JA21):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat:
het jarenlang standaard onderdeel van de asielprocedure was om mobieltjes te onderzoeken om het asielrelaas te kunnen controleren, op grond van artikel 55, tweede lid, van de Vreemdelingenwet;
de Raad van State in 2025 bepaalde dat een aanvullende wettelijke grondslag nodig is en de Inspectie Justitie en Veiligheid onlangs besloot dat asielzoekers ook niet meer gevraagd mag worden om vrijwillig hun telefoons te laten uitlezen;
de IND heeft aangegeven er daarom mee te stoppen;
overwegende dat:
het voor de veiligheid en belangen van de Nederlandse Staat en samenleving van pertinent belang is om door te gaan met het uitlezen van telefoons;
in andere EU-landen telefoons ook worden uitgelezen en er geen Unierechtelijke of mensenrechtelijke beperkingen zijn om dit te kunnen doen;
wanneer Nederland als enige hiermee stopt, asielzoekers een extra reden hebben om in Nederland asiel aan te vragen, zeker als ze iets te verbergen hebben;
de regering reeds een wetsvoorstel in voorbereiding heeft om deze grondslag formeel en procedureel juist te verankeren;
voorts overwegende dat:
er geen morele beginselen of redenen zijn om af te zien van het uitlezen van telefoons volgens en met de gehanteerde beperkingen en doelen;
het onverantwoord, riskant en schadelijk is om er wel van af te zien;
het legaliteits- en zorgvuldigheidsbeginsel van groot belang zijn, maar de bestaande bepalingen in dit geval voldoende kapstok bieden om te anticiperen op de breed gedragen, spoedige invoering van de aanvullende grondslag;
spreekt uit de zo snel mogelijke invoering van een wettelijke grondslag te steunen voor het uitlezen van gegevensdragers zoals mobiele telefoons als onderdeel van de asielprocedure, met als doel het controleren van identiteit, het asielrelaas en eventuele indicaties van mensensmokkel, conform de werkwijze zoals eerder toegepast in "quickchecks" tot 2025;
verzoekt het kabinet, anticiperend op de invoering van deze nieuwe wettelijke grondslag, de oude praktijk zoals die gold tot 2025 voort te zetten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Ceulemans, Keijzer en Vermeer.
Zij krijgt nr. 3590 (19637).
De voorzitter zegt niks over de schoonheid van ingediende moties, maar wel dat die te lang zijn. Dank u wel. We gaan luisteren naar mevrouw Vondeling, die spreekt namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Voorzitter. Ik heb ook een motie over het uitlezen van gegevensdragers, maar die is iets korter en misschien ook iets minder schoon.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de veiligheidsdiensten waarschuwen voor terroristische invloeden via massale immigratiestromen;
overwegende dat het uitlezen van gegevensdragers van asielzoekers cruciaal is om identiteitsfraude, criminele achtergronden en terroristische risico's op te sporen;
overwegende dat de privacy van asielzoekers nooit boven de veiligheid van Nederlanders mag gaan;
verzoekt de regering gegevensdragers, zoals mobiele telefoons, van asielzoekers altijd uit te lezen en te onderzoeken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 3591 (19637).
Mevrouw Vondeling (PVV):
De volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de Nederlandse grenzen te sluiten en geen enkele asielzoeker meer toe te laten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 3592 (19637).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de Kamer maandelijks te informeren over het aantal asielzoekers dat vanuit Nederland op grond van het Europees Asiel- en migratiepact is teruggestuurd naar de verantwoordelijke lidstaat aan de buitengrens van de Europese Unie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 3593 (19637).
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dan de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Zweden recent wetgeving heeft aangenomen waarmee verblijfsvergunningen kunnen worden afgewezen of ingetrokken bij wangedrag, zoals onbetaalde schulden, het niet betalen van belastingen, overlast, criminaliteit, zwartwerken of het zich niet houden aan de Zweedse regels;
overwegende dat vreemdelingen die zich niet gedragen in Nederland hier niets te zoeken hebben;
verzoekt de regering om net als Zweden verblijfsvergunningen af te wijzen of in te trekken bij wangedrag van vreemdelingen en ze Nederland uit te zetten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 3594 (19637).
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Van Dijk, die spreekt namens de fractie van de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Voorzitter. Ik heb twee moties. Of ze getuigen van sublieme schoonheid, durf ik niet te zeggen. Inhoudelijk zijn ze wel subliem. Ze luiden als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet geen mogelijkheden zag binnen de bestaande wettelijke kaders Kanye West te weigeren, terwijl het Verenigd Koninkrijk hem de toegang weigerde;
overwegende dat bij personen waarbij op basis van het verleden gerede kans bestaat dat hij of zij antisemitische of extremistische uitingen zal doen de overheid vreemdelingrechtelijke maatregelen ter beschikking zou moeten hebben;
verzoekt de regering zich maximaal in te spannen de geldende nationale en Europese kaders aan te passen, zodat weigering van antisemitische of extremistische personen mogelijk wordt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 3595 (19637).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Mijn tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het landenbeleid voor Syrië christenen en andere minderheden niet worden geïdentificeerd als risicogroep;
overwegende dat de situatie voor Syrische christenen in de achterliggende maanden aanzienlijk is verslechterd;
verzoekt de regering de situatie van Syrische christenen op korte termijn aan nader onderzoek te onderwerpen en, indien daaruit blijkt dat de situatie daar aanleiding toe geeft, het landenbeleid ten aanzien van religieuze minderheden te herzien en een risicoprofiel voor christenen op te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Vermeer en Ceder.
Zij krijgt nr. 3596 (19637).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Straatman, die spreekt namens de fractie van het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. De eerste stap is gezet met het Migratiepact. Nu gaat de volle focus op de minstens zo belangrijke Terugkeerverordening. In het debat heb ik aandacht gevraagd voor de tijdige betrokkenheid van de rechtspraak voor de uitrol van de terugkeerhubs en de interpretatie van artikel 3 EVRM. Dat kan door tijdig de dialoog te zoeken, maar ook door spoedpilots met echte of hypothetische casussen. Voor mijn fractie is namelijk heel duidelijk dat we de grote juridische uitdagingen van succesvolle terugkeer alleen overwinnen als we aan de voorkant die gezamenlijke verantwoordelijkheid onderstrepen met respect voor ieders onafhankelijke en staatsrechtelijke rol. Als de hubs zijn uitonderhandeld, moeten de vluchten namelijk ook daadwerkelijk kunnen gaan.
Verder nog één motie in het verlengde van die nieuwe terugkeerinstrumenten uit die Terugkeerverordening. Deze motie beoogt te bevorderen dat die instrumenten zo snel mogelijk worden ingezet om een oplossing te bieden voor de reeds vrijgekomen en nog vrij te komen terrorismeveroordeelden.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Terugkeerverordening meer mogelijkheden biedt om illegale vreemdelingen langer en op andere gronden in vreemdelingendetentie te plaatsen, onder meer als de openbare orde of veiligheid in het geding is;
constaterende dat in 2026 veroordeelde terroristen vrijgekomen zijn die ongewenst in Nederland blijven, maar waartegen geen vreemdelingrechtelijke bewaringsmiddelen konden worden ingesteld omdat zij vaak niet terugkeren naar hun land van herkomst;
constaterende dat in 2027 opnieuw veroordeelde terroristen vrijkomen die ongewenst verklaard zijn;
overwegende dat deze groep vreemdelingen een risico vormt voor de Nederlandse openbare orde en veiligheid;
verzoekt de regering om bij de invoering van de Terugkeerverordening direct gebruik te maken van extra mogelijkheden om terrorismeveroordeelden aansluitend op de strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring te plaatsen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Straatman.
Zij krijgt nr. 3597 (19637).
Dank u wel. We gaan luisteren naar de heer Ergin, die spreekt namens de fractie van DENK.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter. Ik heb drie moties en ga ze snel voorlezen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat asielzoekers in Loosdrecht ongevraagd worden gefotografeerd, gevolgd en in lokale appgroepen in verband worden gebracht met vermeende incidenten;
overwegende dat opruiende en stigmatiserende taal over vluchtelingen, ook door landelijke politici, bijdraagt aan wantrouwen, vijandigheid en intimidatie rond opvanglocaties;
overwegende dat asielzoekers recht hebben op veiligheid, privacy en bescherming tegen intimidatie en eigenrichting;
verzoekt de regering om samen met gemeenten, politie en het COA ervoor te zorgen dat intimidatie van asielzoekers wordt tegengegaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ergin en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3598 (19637).
De heer Ergin (DENK):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese terugkeerwet het mogelijk maakt om uitgeprocedeerde minderjarige asielzoekers over te brengen naar terugkeerhubs in derde landen;
overwegende dat het voor lange tijd plaatsen van alleenreizende kinderen in detentiecentra ongewenst is;
verzoekt de regering om bij de uitvoering van het Migratiepact specifiek in kaart te brengen welke gevolgen terugkeerhubs hebben voor de fysieke en psychische gezondheid, veiligheid en rechtspositie van kinderen, en de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren welke aanvullende waarborgen Nederland hanteert om schending van kinderrechten in terugkeerhubs te voorkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ergin en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3599 (19637).
De heer Ergin (DENK):
De derde motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet voornemens is in het vierde kwartaal met een nieuw ambtsbericht over Syrië te komen;
constaterende dat het kabinet in de brief van 22 mei 2026 aan de Kamer in het kader van de JBZ-Raad stelt dat het, gelet op de geweldsuitbarstingen die in delen van Syrië plaatsvinden, nog niet kan concluderen dat er sprake is van een "niet-voorbijgaande" situatie;
overwegende dat het versneld inzetten op het versnellen van het proces voor de terugkeer en herbeoordeling van Syriërs, terwijl de feitelijke en juridische basis daarvoor ontbreekt, leidt tot onzekerheid en onnodige druk op mensen die bescherming nodig hebben;
verzoekt de regering om het proces voor de terugkeer van Syriërs en herbeoordeling van asielvergunningen in geen enkel geval te versnellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ergin en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3600 (19637).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ellian, die spreekt namens de fractie van de VVD.
De heer Ellian (VVD):
Voorzitter. Ik hou het kort, zoals u vroeg. De Terugkeerverordening is vandaag aangenomen in het Europees Parlement. Dat is een heuglijk moment, want dat gaat terugkeer vereenvoudigen en hopelijk ook op grote schaal mogelijk maken. Ik begrijp dat onderdelen direct van kracht zijn, zoals het kunnen realiseren van terugkeercentra. Wanneer kunnen we hierover informatie van het kabinet verwachten? Met welke landen wordt samengewerkt bijvoorbeeld? Ik wil ook graag de positie van het Verenigd Koninkrijk onder de aandacht brengen; een land dat we niet moeten vergeten.
Voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat aanvragen voor machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv's) nooit misbruikt dienen te worden om naar Nederland te kunnen komen om vervolgens nooit meer te vertrekken, ongeacht de omvang van het probleem;
constaterende dat er bij aanvragen voor mvv's op dit moment niet expliciet getoetst wordt of er een reële verwachting bestaat dat de vreemdeling na het verstrijken van het verblijfsrecht Nederland wil of kan verlaten;
overwegende dat het zonder zo'n toets mogelijk is voor instellingen, zoals universiteiten, om mensen uit oorlogsgebieden naar Nederland te halen om ideologische redenen;
overwegende dat er wel juridische ruimte bestaat om zo'n toets in te voeren, omdat de IND bij de aanvraag voor een mvv mag toetsen aan de geloofwaardigheid van het onderliggende verblijfsdoel;
verzoekt de minister, de regering, om bij de beoordeling van mvv-aanvragen, en specifiek bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het onderliggende verblijfsdoel, expliciet mee te nemen of er een reële verwachting is dat de vreemdeling Nederland wil of kan verlaten zodra het verblijfsrecht om wat voor reden dan ook verstrijkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.
Zij krijgt nr. 3601 (19637).
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Russcher, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie.
De heer Russcher (FVD):
Voorzitter. Een maand geleden vond het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid plaats en sindsdien zijn er ruim 4.000 asielzoekers Nederland binnengelaten. Nu wordt het Europees Migratiepact gepresenteerd als dé grote oplossing op het gebied van asiel. Dit pact organiseert en financiert migratie en verplicht laden om immigranten op te nemen, tenzij je een boete van €20.000 per asielzoeker betaalt, zonder de garantie dat ze niet alsnog naar Nederland komen. Ook andere landen kampen met immigratieproblematiek, maar die nemen extra maatregelen om hun landen weer veilig te maken. Zo zijn er in Zweden wetten aangenomen die werknemers in de publieke sector verplichten om een melding te maken bij de autoriteiten wanneer zij het vermoeden hebben dat iemand illegaal in het land verblijft. En autoriteiten kunnen verblijfsvergunningen intrekken op basis van wangedrag, zoals het niet betalen van belastingen, criminaliteit en banden met terroristische organisaties. Deze wetten komen van de Zweedse regeringspartijen die in Brussel bij Renew Europe en de Europese Volkspartij zijn aangesloten, net als de VVD, D66 en CDA. Daarom reken ik ook op hun steun bij de volgende motie, die ik nu ga indienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Zweedse parlement recent wetgeving heeft aangenomen op het terrein van migratie en vreemdelingentoezicht, waaronder een meldplicht voor ambtenaren bij een vermoeden van illegaal verblijf en een wettelijke mogelijkheid om verblijfsvergunningen in te trekken wegens wangedrag, belastingontduiking of criminaliteit;
overwegende dat Nederland bij vraagstukken rond immigratie en asiel baat heeft bij kennisneming van ervaringen en beleidsmaatregelen in andere landen;
verzoekt de regering in overleg te treden met de Zweedse regering en te onderzoeken of een meldplicht voor overheidsinstanties bij een vermoeden van illegaal verblijf en een wettelijke grondslag voor het intrekken van verblijfsvergunningen wegens wangedrag ook in Nederland kunnen worden ingevoerd, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.
Zij krijgt nr. 3602 (19637).
De heer Russcher (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Struijs, die spreekt namens de fractie van 50PLUS.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank u, voorzitter. Wij hebben een motie die een wat langere adem vraagt, maar we gaan die toch indienen, zeker vanwege alle situaties bij de noodopvang.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een reguliere opvangplek circa €31.900 per jaar kost en een noodopvangplek circa €64.300, een verschil van €32.400 per plek per jaar;
constaterende dat in 2024 41% van de opvanggerechtigden in noodopvang verbleef;
constaterende dat het vervangen van nood- en crisissituatienoodopvang door vaste opvanglocaties naar schatting bijna 1 miljard euro per jaar kan besparen;
overwegende dat vaste opvanglocaties goedkoper en stabieler zijn dan tijdelijke noodopvang;
overwegende dat vaste opvanglocaties bijdragen aan meer veiligheid, betere fysieke en mentale gezondheid van asielzoekers en betere mogelijkheden voor participatie en integratie in de lokale gemeenschap;
verzoekt de regering in de toekomst maximaal te streven naar het realiseren van vaste reguliere opvanglocaties;
verzoekt de regering de Kamer hierover periodiek te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Struijs.
Zij krijgt nr. 3603 (19637).
De heer Struijs (50PLUS):
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven een krappe vijftien minuten nodig te hebben voor de beantwoording van de vragen en de appreciatie van de ingediende moties. Ik schors een krappe vijftien minuten.
De vergadering wordt van 16.46 uur tot 17.00 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Vreemdelingen- en asielbeleid. Wij zijn toegekomen aan de termijn van de minister voor de appreciatie van de ingediende moties en de beantwoording van eventuele vragen. Ik geef hem daartoe graag het woord. Gaat uw gang.
Minister Van den Brink:
Het waren vooral heel veel moties en één enkele vraag. Ik begin bij de motie van mevrouw Westerveld van PRO op stuk nr. 3588, om het COA en gemeenten waar nodig bij te staan om de veiligheid en privacy van asielzoekers en vrijwilligers in de opvang en daarbuiten te waarborgen. Die krijgt uiteraard oordeel Kamer, want dat is iets wat in een rechtsstaat gewoon normaal hoort te zijn.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3588 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3589 van de heer Boomsma vraagt om na de start van het Migratiepact afgelopen week de Dublinclaimanten met terugwerkende kracht daarin mee te nemen, terwijl de afspraken met zowel Griekenland als Italië zijn om te starten vanaf 12 juni. Om die reden moet ik deze motie ontraden.
De voorzitter:
Eén korte vraag. De heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Wanneer zijn die afspraken gemaakt? De reden waarom je ze niet kon terugsturen, was omdat het niet mocht. Maar inmiddels kan het wel, want de opvang daar is op orde. Dan is het toch gewoon conform Unierecht? Je moet daar in ieder geval toe overgaan bij mensen voor wie de termijn nog niet is verstreken.
Minister Van den Brink:
Mijn ambtsvoorgangers en ik hebben, denk ik, in de afgelopen periode op verschillende manieren afspraken daarover gemaakt en gecommuniceerd. We hebben dat pact, dat klopt, en daar kunnen we ook mee starten. Tegelijkertijd loopt dat langs een trap, namelijk: je moet het besluit nemen, dat moet langs de IND, dan naar de rechtbank en dan naar de overdracht. Daar zitten allerlei stappen in. Daar gaan we nu mee starten. Over de solidariteitspool zijn tot aan het pact afspraken gemaakt. Dus alles start vanaf nu. Dat is de basis waarop we de afspraken weer hebben opgepakt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3589 blijft ontraden. Mevrouw Vondeling, ik heb met u afgesproken dat alleen een vraag gesteld mag worden bij de zelf ingediende moties. Dan de motie op stuk nr. 3590.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3590 van de heren Boomsma en Ceulemans gaat over de telefoons. De motie heeft een prachtige opbouw en lengte. Ik kan niet alles hier noemen. De kern is dat u een wettelijke grondslag wil en anticiperend op de invoering van deze nieuwe wettelijke grondslag de oude praktijk zoals die tot 2025 gold, wil voortzetten. Ik heb u vorige week in het debat een brief toegezegd. Omdat dit tweeminutendebat daar zo kort op volgt, is die brief nog niet bij u aangekomen. Ik informeer u er vóór het zomerreces over hoe het in gang gezette proces rond het toegezegde wetstraject ten behoeve van een solide grondslag binnen de kaders van het Unierecht — want dat kan, en dat heeft u terecht gezegd — eruitziet. Ik begrijp het ongemak, maar ik zie geen mogelijkheid om de oude praktijk tot die tijd op een rechtmatige wijze voort te zetten. Om die reden moet ik het verzoek in de onderhavige motie ontraden. Ik volg wel het oordeel van de inspectie dat voor de voortzetting van de werkzaamheden, ook in deze aangepaste vorm naar aanleiding van de eerdere afdelingsjurisprudentie, nog steeds een voldoende wettelijke grondslag ontbreekt en dat er in de uitvoering geen ruimte is om deze quick check uit te voeren.
De heer Boomsma (JA21):
Dit is toch echt heel erg vreemd? Het is voor onze veiligheid en in het belang van Nederland ongelofelijk belangrijk dat we doorgaan met het uitlezen van die telefoons. Je wil gewoon weten wie er binnenkomt. Er is geen enkel moreel beginsel hiertegen. Alle andere Europese landen doen dit gewoon. Als blijkt, zeker met het aannemen van deze motie, dat een Kamermeerderheid dit zo snel mogelijk wil aanpassen, kun je, anticiperend daarop, daarmee doorgaan. Dat is gewoon een principe in het bestuursrecht. Wat is nou het ergste wat er kan gebeuren waarvoor de minister vreest en op grond waarvan hij nu zegt: dit kan ik niet doen?
Minister Van den Brink:
Dat we allerlei andere wettelijke bepalingen en AVG-vereisten vanuit Europees recht niet gestand doen. Ik ben het op het morele niveau helemaal met u eens. Dit zit ook in het pact. Ik zou niks anders willen dan deze Kamer, maar vanaf de dag dat ik hier begon heb ik er heel eerlijk over willen zijn als iets juridisch niet degelijk in elkaar zit. Hier zit gewoon geen wettelijke grondslag onder. Dat was bekend. Er is geprobeerd een workaround te creëren. Ook over die workaround is door de inspectie gezegd: dat gaat niet, want een wettelijke grondslag ontbreekt. De andere landen die u aanhaalt, hebben hiervoor allemaal op een bepaalde manier een nationale titel gecreëerd. Die ontbreekt op dit moment in ons recht. Ik ga die creëren, maar ik ben gehouden aan de termijnen die daarvoor gelden. Ik ga u er binnenkort over informeren hoe dat eruitziet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3590 blijft ontraden, maar ik heb een toezegging gehoord. Er gaat een brief richting de Kamer.
Minister Van den Brink:
Ja, zeker.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 3591.
Minister Van den Brink:
Mevrouw Vondeling doet hetzelfde verzoek. Om dezelfde reden als net moet ik deze motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3591 is ontraden.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Graag een reactie van de minister. Het kan toch niet zo zijn dat de privacy van asielzoekers boven onze nationale veiligheid gaat? Het moet in het kader van de nationale veiligheid mogelijk zijn om deze telefoons uit te lezen, en al helemaal bij vrijwillige medewerking.
Minister Van den Brink:
Ambtsvoorgangers van mij uit verschillende politieke partijen, waaronder de uwe, hebben moeten constateren dat dit onvoldoende geborgd is in het wettelijke stelsel. Daar is een workaround voor gecreëerd. Ook die workaround heeft de toets niet doorstaan. Ik ga zo snel mogelijk aan de slag en zal u informeren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3591 blijft ontraden. Dan de motie op stuk nr. 3592.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3592 verzoekt om de grenzen te sluiten. Die moet ik ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3592 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3593 ziet op dezelfde discussie, in een iets andere vorm, over de registratie van de Dublinafspraken. We gaan dat wel doen, maar niet op het maandelijkse niveau waarom u vraagt. Dit gaat gepaard met een claim. Dan moet er een besluit worden genomen, dan moet de rechter een uitspraak doen en dan is de overdracht. Ik breng dat jaarlijks in kaart in de Staat van Migratie. Dat is denk ik de juiste plek. Het is echt complex. Het is niet zomaar even een maandelijkse uitvraag uit een systeem.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik vraag me af waarom we niet gewoon maandelijks kunnen zien hoeveel asielzoekers er zijn teruggestuurd naar landen als Griekenland en Italië. We weten ook hoeveel er wekelijks binnenkomen. Dan kan het denk ik niet moeilijk zijn om te zien hoeveel er weer vertrekken.
Minister Van den Brink:
Zoals ik net zei, is het een claim, een besluit. De rechter moet er een uitspraak over doen en dan heb je de overdracht. Het gaat ook bij verschillende onderdelen van de asielketen over verschillende informatiebronnen. Dat wordt bij elkaar gebracht, maar dat doen we bij de Staat van de Migratie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3593 blijft ontraden. Dan de motie op stuk nr. 3594.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3594 vraagt om de Zweedse regels op een aantal terreinen toe te passen om verblijfsvergunningen af te wijzen of in te trekken. Ik heb u vorige week de mogelijkheden van de glijdende schaal, of laat ik zeggen de aanpassingen en de aanscherpingen van de glijdende schaal op het Nederlandse asielstelsel toegelicht. Die zijn we nu aan het uitwerken. Dat is het maximale dat wij nu zien als mogelijkheden. Om die reden moet ik de motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3594 wordt ontraden. Mevrouw Vondeling.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ook hier nog een vraag. U zegt: dit is het maximale dat wij zien aan mogelijkheden. Op basis waarvan? Zweden is ook gewoon gebonden aan de Europese regels waaraan wij gebonden zijn. Zij gaan kennelijk verder. Bij wangedrag, slecht gedrag trekken zij de vergunning in, wat logisch is, want mensen die zich niet gedragen, horen niet in Nederland te zijn.
Minister Van den Brink:
Zeker.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Waarom wil de minister dit niet bekijken?
De voorzitter:
De minister.
Minister Van den Brink:
Als ik het nieuws lees en dit soort berichten zie, ga ik er zeker achteraan, dus dat zal ik ook zeker doen. Maar het wangedrag verdient een strafrechtelijke titel en strafrechtelijke titels geven ook in het Nederlandse asielstelsel mogelijkheden om vergunningen in te trekken dan wel af te wijzen. Dus daar zullen wij ook gewoon mee doorgaan.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3594 blijft ontraden. De motie op stuk nr. 3595.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3595 van de heer Van Dijk komt terug op de discussie die we hebben gehad, de afgelopen periode, over de uitspraken die gedaan zijn door eh … Kanja, de naam die ik altijd verkeerd blijf uitspreken, dus dat doe ik vandaag volgens mij weer opnieuw, dat heb ik nu al een paar maanden. Maar even in alle serieusheid, want er is natuurlijk heel veel over gezegd. De motie beoogt mogelijkheden tot toegangsweigering te verruimen voor personen die in het verleden antisemitische of extremistische uitingen hebben gedaan of van wie wordt verwacht dat zij dergelijke uitingen zullen doen. We hebben daar natuurlijk al een paar keer over gesproken. Voor het weigeren van toegang tot Nederland en het Schengengebied is een objectieve en juridisch zwaarwegende grond vereist, die echt gaat om concrete, actuele en verifieerbare aanwijzingen dat iemand een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Eerdere uitingen of opvattingen, hoe verwerpelijk ook, vormen op zichzelf geen voldoende juridische basis voor toegangsweigering. Daar is geen enkele discussie over, ook in deze situatie niet. Om die reden ontraad ik deze motie, omdat het onwenselijk kwetsbaar is om het vreemdelingenrecht zodanig aan te passen dat het echt uitsluitend gaat op basis van wat mensen eerder hebben gezegd of wat we verwachten dat ze gaan zeggen.
De voorzitter:
De heer Van Dijk gaat de naam goed uitspreken. Gaat uw gang voor één vraag.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Kanye West. De minister mag ook gewoon "Ye" zeggen, hij heeft het in die zin gemakkelijker gemaakt. Dus: Ye, met een Griekse y. Dit even tussendoor. Het antwoord, ook in alle ernst, vind ik natuurlijk heel onbevredigend. In deze Kamer hebben we eerder uitgesproken dat we figuren als die Ye West willen kunnen weren. Dat blijkt dus heel moeilijk te zijn. Maar er is de motie van Ellian, Bikker c.s. en als het niet kan: ga aan de slag om dat kader dan aan te passen, ook als dat ingrijpen op Europees niveau vereist. Dus voer alstublieft die motie uit.
Minister Van den Brink:
Het kabinet is zeker bereid om die motie uit te voeren op alle momenten dat er een concreet actueel gevaar is voor onze openbare orde of onze nationale veiligheid. Het kabinet ziet geen ruimte en mogelijkheden om dat te doen, enkel op grond van de uitingen die iemand heeft gedaan. Dat is de positie van het kabinet op dit vlak.
De voorzitter:
Daarmee blijft de motie op stuk nr. 3595 ontraden. Dan de motie op stuk nr. 3596.
Minister Van den Brink:
Dat is een verzoek over de situatie in Syrië. We hebben er vorige week ook al over gesproken. We hebben het nog een keer geverifieerd. Uit de recente ambtsberichten is niet gebleken dat de christenen in algemene zin een groot risico lopen in Syrië. Er hebben een aantal incidenten plaatsgevonden met een mogelijke antichristelijke dimensie. Maar over het algemeen was er sprake van vreedzaam samenleven tussen moslims en christenen in Syrië. Dus voor dit moment wil ik de motie ontraden. Maar als u beschikt over informatie die een ander beeld schetst, houd ik me altijd aanbevolen omdat ik ook die informatie onder de aandacht kan brengen van de experts van het team ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zodat zij die kunnen betrekken bij het volgende bericht. Als daar sprake zou zijn van een serieuze langdurige situatie, zoals u die beschrijft, dan zal dat ook op die manier worden gewogen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3596 wordt ontraden. De heer Van Dijk, gaat uw gang.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor de reactie. Misschien kunnen we iets dichter bij elkaar komen aan de hand van ook deze motie. Ik zeg namelijk niet in deze motie "het landenbeleid moet nu aangepast worden", maar wij hebben die signalen wel, van Open Doors, SDOK en andere. Mijn vraag is: kijk daar eens even naar, samen met die organisaties, en als blijkt dat het nodig is om het landenbeleid op dit punt enigszins aan te passen, doe dat dan. Dus dat is de volgorde van deze motie.
Minister Van den Brink:
Het is niet de bedoeling om een vraag terug te stellen, maar daarmee kan ik het meenemen in het landenbeleid, waarvan het de planning is dat het aan het einde van het jaar wordt herzien. Is dat voldoende? Op die manier kan ik het namelijk altijd doen. We zullen daarover overleggen met die organisaties en verder kunt u mij die informatie altijd doen toekomen.
De voorzitter:
Daarmee blijft de motie op stuk nr. 3596 ontraden, maar we hebben wel een toezegging gehoord. Is dat de juiste conclusie? Iedereen knikt!
Dan de motie op stuk nr. 3597.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3597 verzoekt mij om bij de invoering van de Terugkeerverordening direct gebruik te maken van de extra mogelijkheden om veroordeelde terroristen aansluitend op de strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring te plaatsen. Dat is een goed idee, dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3597 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 3598.
Minister Van den Brink:
Dat is een motie van de heer Van Baarle en de heer Ergin. Daarin staan een aantal constateringen die mevrouw Westerveld ook heeft gedaan, maar er staat ook een overweging in die ik gewoon niet tot de mijne wil maken. Dat is de eerste overweging en om die reden ontraad ik de motie. Mocht die overweging er volledig uit vallen, dan zou ik 'm oordeel Kamer kunnen geven.
De voorzitter:
Ik kijk op afstand naar de heer Ergin. U mag knikken, maar u komt toch liever naar de microfoon.
De heer Ergin (DENK):
Ik neem het mee.
De voorzitter:
U houdt het nog even in het midden. Spannend! Ik constateer dat de motie op stuk nr. 3598 oordeel Kamer krijgt als de eerste overweging verwijderd wordt. Als dat niet gebeurt, wordt de motie ontraden.
Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 3599, die ook van de heer Ergin is. Daarin wordt gevraagd om bepaalde zaken in kaart te brengen rondom de gevolgen van het Migratiepact voor de terugkeerhubs en allerlei aspecten. Op dit moment werken we aan de ontwikkeling van de terugkeerhubs. Dat zullen we doen binnen het kader van het internationaal recht, alle waarborgen en met internationale organisaties. Ik wil de motie om die reden voor nu ontraden. Op het moment dat wij die uitwerking hebben, kan er een toets plaatsvinden rondom deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3599 wordt ontraden. De motie op stuk nr. 3600
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3600 vraagt het proces voor de terugkeer van Syriërs en de herbeoordeling van asielvergunningen in geen enkel geval te versnellen. Die motie moet ik ontraden. Het is gewoon staand asielbeleid. Als wij het mogelijk kunnen maken dat mensen terugkeren, dan doen we die terugkeer vrijwillig. Dat beleid gaan we voortzetten. Een herbeoordeling vindt plaats nadat het landenbeleid daartoe aanleiding geeft. Om die reden ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3600 wordt ontraden. De motie op stuk nr. 3601.
Minister Van den Brink:
Ik heb bij de heer Ellian de enige vraag geregistreerd. Die vraag gaat over de Terugkeerverordening, die overigens nog wel formeel moet worden vastgesteld. Er is vandaag weer een goede stap gezet, maar de verordening moet nog door de Raad worden vastgesteld. De verwachting is dat dat na het zomerreces gebeurt. Dan moeten ook alle zaken zijn uitgewerkt, dan worden onderdelen als de terugkeerhubs van toepassing. Daar gaan we dan gelijk mee aan de slag.
De motie op stuk nr. 3601 vraagt iets op het terrein van mvv. In het debat hebben we daar ook over gesproken, maar ik moet daar nu toch nog wat dieper op ingaan. Ik heb de Kamer verder al toegezegd om die cijfers inzichtelijk te maken en de Kamer te informeren. Ik kan nu echter al wel een aantal cijfers noemen. Op een totaal van 48.000 en een beetje ingewilligde mvv-aanvragen vroegen in 2025 afgerond 80 personen asiel aan. Het gaat dan om mensen die in 2025 met een mvv naar Nederland zijn gekomen voor een regulier verblijfsdoel: studie, werk of gezin. Dat betekent dus dat in meer dan 99,8% van de ingewilligde mvv-aanvragen geen asiel werd aangevraagd. Ook de nationaliteiten van deze 80 personen zijn op dit moment bekend. In 2025 ging het om 30 Oekraïners, 10 Afghanen en minder dan 10 personen met "nationaliteit onbekend". Onder die laatsten zouden mogelijk mensen uit de Palestijnse gebieden kunnen vallen. Dat is dus wat er nu over bekend is.
Wij toetsen. Ik heb de IND gevraagd om de situatie nauwlettend in het oog te houden en op de gebruikelijke wijze te handhaven waar dat nodig is. Gezien de relatief lage aantallen en het feit dat er bovendien geen stijgende trend zichtbaar is, zie ik op dit moment geen aanleiding voor een generieke aanscherping van het hele mvv-beleid. Het zou ook leiden tot een enorme uitvoeringslast bij de IND. Als wij 50.000 aanvragen zouden moeten gaan toetsen op geloofwaardigheid, zou het bedrijfsleven daar flinke hinder van gaan ondervinden want zij moeten dit voor hun rekening nemen. Dus wij ontraden deze motie. Ik zal de Kamer binnenkort informeren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3601 wordt ontraden.
Ik apprecieer het niet dat buiten de microfoon tegen mij als voorzitter wordt gezegd dat ik even normaal moet doen. Ik heb de afspraak met de Kamer gemaakt dat elke motie één vraag per indiener kan krijgen. De heer Ellian is er niet. Dat snap ik, maar ik ga nu wel door naar de volgende motie en dat is de motie op stuk nr. 3602. De motie op stuk nr. 3601 is ontraden.
Minister Van den Brink:
Ik kom bij de motie van de heer Russcher, waarin hij hetzelfde verzoek doet over de Zweedse situatie. Hij vraagt verder naar wat wij van plan zijn rondom de glijdende schaal en de aanscherping daarvan. Wij werken toe naar een aanscherping die ik voor nu maximaal acht. Maar ik heb mevrouw Vondeling net ook al laten weten dat ik mijn oog er zeker nog op zal laten vallen. Maar voor nu ontraad ik deze motie. Met wat we nu van plan zijn rond die glijdende schaal en die aanscherping, werken wij toe aan een aanscherping die ik voor nu de maximale acht. Ik heb net al aan mevrouw Vondeling laten weten dat ik mijn blik daar zeker op zal werpen, maar voor nu ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3602 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 3603 is van de heer Struijs, die daarin vrij scherp in beeld brengt wat de noodopvang ons kost vergeleken met de reguliere opvang. Ook noemt hij de noodzaak om aanpassingen te doen en besparingen te realiseren. Ik kan deze motie alleen maar omarmen met een oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3602 krijgt oordeel Kamer. Er staat nog een vraag open.
Minister Van den Brink:
Uw vraag ging over wat er online allemaal wel of niet zou kunnen. Ik heb nu gewoon niet een goed antwoord op de vraag hoe dat werkt, wat er wel of niet mag en welke mogelijkheden er zijn om op dit punt in te grijpen. Ik zal dat wel even onder de aandacht brengen bij ons departement, dat daarover gaat.
De voorzitter:
Heel kort, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Mijn vraag was ook nog of asielzoekers die merken dat ze onterecht ergens van beschuldigd worden, waarbij er soms ook foto's en filmpjes online komen, geholpen kunnen worden bij het doen van aangifte. Ik heb een aantal voorbeelden gekregen en die gaan echt heel ver.
Minister Van den Brink:
Uw motie, die ik oordeel Kamer heb gegeven, geeft mij ook de opdracht om dat gesprek te gaan voeren met het COA en dit op die manier onder de aandacht te brengen. Als hier sprake van is, dan moeten mensen dat onder de aandacht kunnen brengen. Ze moeten dan geholpen worden en weten wat ze kunnen doen. Dat zal ik dus meenemen.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat. Ik dank de leden van de Kamer voor hun inbreng en de minister voor zijn aanwezigheid en de beantwoording.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Digitale infrastructuur en economie
Digitale infrastructuur en economie
Aan de orde is het tweeminutendebat Digitale infrastructuur en economie (CD d.d. 08/04).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Digitale infrastructuur en economie. Ik heet de leden van de Kamer van harte welkom, net als de staatssecretaris in vak K. Wij gaan luisteren naar mevrouw El Boujdaini, die spreekt namens de fractie van D66.
Ik sprak uw achternaam trouwens verkeerd uit. Excuus. Ik wilde te snel. Gaat uw gang.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik ga mijn moties voorlezen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er plannen zijn aangekondigd voor de bouw van meerdere grootschalige datacentra in Nederland, terwijl onduidelijk is welke partijen hiervan gebruik zullen maken;
constaterende dat datacentra een essentieel onderdeel vormen van de digitale infrastructuur en van groot belang zijn voor de opslag en verwerking van gevoelige en kritieke gegevens van onder meer overheden, zorginstellingen en bedrijven;
overwegende dat afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders van digitale infrastructuur risico's met zich brengt voor digitale soevereiniteit, privacy en continuïteit van dienstverlening;
overwegende dat het wenselijk is om bij de ontwikkeling en exploitatie van datacentra strategische autonomie en Europese samenwerking te bevorderen;
verzoekt de regering om te verkennen of en hoe bij de vergunningverlening voor datacentra het vergroten van Europees-autonome datacentercapaciteit kan worden gestimuleerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden El Boujdaini, Verkuijlen en Zwinkels.
Zij krijgt nr. 1523 (26643).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de overheid in toenemende mate gebruik zal maken van kunstmatige intelligentie (Al) en dat dit gepaard gaat met een groeiende behoefte aan rekenkracht;
overwegende dat deze rekenkracht ingekocht wordt bij externe aanbieders en dat het afnemen van rekenkracht van Nederlandse en Europese leveranciers bijdraagt aan meer digitale soevereiniteit;
overwegende dat het optreden van de overheid als launching customer kan bijdragen aan de ontwikkeling en opschaling van innovatieve digitale infrastructuur, waaronder AI-gerelateerde voorzieningen;
verzoekt de regering om te inventariseren hoeveel rekenkracht de overheid naar verwachting in de komende tien jaar nodig heeft en op basis van deze inventarisatie te bezien op welke wijze de overheid als launching customer optreedt ten behoeve van de ontwikkeling van Al-infrastructuur, waaronder een Al-gigafabriek in Nederland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden El Boujdaini, Oualhadj en Verkuijlen.
Zij krijgt nr. 1524 (26643).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de overheid een grote afnemer van IT-producten en -diensten is;
constaterende dat in het coalitieakkoord staat dat we als overheid vaker moeten optreden als launching customer voor innovatieve technologieën;
overwegende dat meer IT-producten en -diensten afnemen van Nederlandse en Europese bedrijven bijdraagt aan meer digitale soevereiniteit en het versterken van de Europese interne markt, en bijdraagt aan kennis en innovatie;
verzoekt de regering om als launching customer op te treden voor GPT-NL,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden El Boujdaini en Kathmann.
Zij krijgt nr. 1525 (26643).
Dank u wel. En dan gaan we nu ook luisteren naar mevrouw Kathmann, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Kathmann (PRO):
Dank, voorzitter. We hebben geen tijd te verliezen. 99% van het internetverkeer wereldwijd gaat over zeekabels en die zijn uitgefaseerd, dus we moeten aan de bak. Dat is cruciaal voor ons vestigingsklimaat en cruciaal voor onze digitale onafhankelijkheid. Daarom heb ik de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat op verzoek van de Kamer publieke financieringsopties zijn uitgewerkt om snel te kunnen investeren in zeekabelinfrastructuur, naar aanleiding van de motie-Kathmann c.s. (26643, nr. 1267) en de Kamerbrief (26643, nr. 1398);
overwegende dat hier vooralsnog geen middelen voor zijn gereserveerd, maar dit wel in lijn is met de kabinetsambities;
verzoekt de regering om bij Prinsjesdag 2026 middelen te reserveren voor publieke investeringen in kansrijke zeekabelprojecten die bijdragen aan de digitale autonomie van Nederland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kathmann en Dassen.
Zij krijgt nr. 1526 (26643).
Mevrouw Kathmann (PRO):
Dan de keuze voor een gigafabriek: ja of nee? Dat was een beetje een raar besluit, al zeg ik dat hier zo misschien een beetje lomp. Eigenlijk werd daarvoor door het kabinet alleen maar in de tas van de staatssecretaris gekeken, waarvan het weet dat het er geen geld in heeft gestopt. Dus ik zou heel graag aan het hele kabinet de oproep willen doen: stop nou met kijken in die tas, want je weet dat je daar geen geld in hebt gestopt; ga strategisch nadenken over de digitale infrastructuur die wij nodig hebben, nu en in de toekomst. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Nederland nu keuzes moet maken over digitale infrastructuur en de rekenkracht die wij voor nu en in de toekomst realiseren;
constaterende dat er nog geen strategie is uitgewerkt voor welke rekenkracht er nodig is om op termijn de positie van Nederland als "digitale koploper" waar te maken;
verzoekt de regering om verschillende scenario's uit te werken voor de ruimte en rekenkracht die nodig zijn om Nederland strategisch te positioneren binnen Europa op het gebied van AI;
verzoekt de regering om deze scenario's, inclusief inzicht in de benodigde investeringen, in Q1 van 2027 aan de Kamer te doen toekomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 1527 (26643).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Verkuijlen, die spreekt namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank u, voorzitter. Dank ook aan de staatssecretaris voor het debat over de digitale infrastructuur. Ik denk dat digitale zaken een onderwerp is waarover we de komende tijd met elkaar nog veel van gedachten moeten wisselen. Het gaat over afhankelijkheid en over kwetsbaarheid. Mijn motie ziet op kwetsbaarheid.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Nederlandse economie afhankelijk is van digitale infrastructuur;
constaterende dat om die reden de digitale infrastructuur is opgenomen in de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten;
constaterende dat deze wet verplicht om door middel van een risicobeoordeling alle relevante risico's en dreigingen voor de digitale infrastructuur in kaart te brengen;
verzoekt de regering om uiterlijk vóór de komende begrotingsbehandeling van Economische Zaken voor de digitale infrastructuur deze risicobeoordeling op te maken en vertrouwelijk met de Kamer te delen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Verkuijlen, El Boujdaini en Van den Berg.
Zij krijgt nr. 1528 (26643).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Zwinkels, die spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Digitale infrastructuur is tegenwoordig net zo onmisbaar als fysieke infrastructuur. Een snelle, veilige en betrouwbare digitale infrastructuur is randvoorwaardelijk voor een sterke en innovatieve economie — dat onderstreept ook het rapport-Wennink — maar digitale infrastructuur is allang niet meer alleen een economisch vraagstuk. Het is een strategische basislaag voor onze autonomie, veiligheid en publieke waarden. Wanneer we digitaal afhankelijk zijn, maakt dat ons kwetsbaar voor beïnvloeding van buitenaf. Daarom moeten we die afhankelijkheden actief afbouwen. Ook het coalitieakkoord spreekt die ambitie duidelijk uit. Het CDA vindt dat de overheid daarin zelf het goede voorbeeld moet geven. Als een van de grootste inkopers van Nederland kan de overheid Europese technologie en innovatieve bedrijven helpen op te schalen door bewust als launching en scaling customer op te treden. Digitale autonomie, dataveiligheid en strategische weerbaarheid moeten daarom structureel worden meegewogen in overheidsaanbestedingen. Ik roep de staatssecretaris op om dit uitgangspunt te verankeren in het rijksinkoopbeleid en aan te geven welke concrete stappen zij gaat zetten om de overheid daadwerkelijk als een launching en scaling customer te laten optreden.
Tot slot. De staatssecretaris verwees eerder al naar het Europese traject en in het bijzonder naar het Tech Sovereignty Package. Daarbij verwees ze naar het nog te verschijnen BNC-fiche. Kan de staatssecretaris aangeven wanneer de Kamer het BNC-fiche kan verwachten? Voor het CDA is het Tech Sovereignty Package namelijk een uitgelezen kans om de digitale weerbaarheid van Europa te versterken en de strategische afhankelijkheden af te bouwen. Nederland moet daarin niet afwachten, maar moet vooroplopen en zich in Europa actief inzetten voor een ambitieuze agenda op technologische soevereiniteit. Graag een reactie.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan tot slot luisteren naar de heer Van den Berg, die spreekt namens de fractie van JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ik kijk ook positief terug op een van de eerste debatten met deze staatssecretaris over digitale infrastructuur en economie. We hebben daarbij twee moties om het een en ander verder in gang te zetten.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland door ruimtegebrek, vergunningstrajecten en hoge aanlandingskosten minder aantrekkelijk wordt als aanlandingslocatie voor nieuwe zeekabels;
overwegende dat zeekabels niet alleen telecominfrastructuur zijn, maar vitale infrastructuur voor economie, zorg, betalingsverkeer, logistiek, kennisinstellingen en veiligheid;
overwegende dat in het Programma Noordzee 2028-2033 keuzes worden voorbereid over ruimtegebruik op de Noordzee;
verzoekt de regering om in het Programma Noordzee 2028-2033 expliciet voldoende ruimte, voorkeurstracés en beschermingszones voor nieuwe telecom- en datakabels te borgen;
verzoekt de regering tevens om voor nieuwe zeekabelaanlandingen een procesaanpak uit te werken waarmee vergunningverlening voorspelbaarder en sneller kan verlopen zonder veiligheids- en natuurtoetsen over te slaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 1529 (26643).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de digitale verbindingen in Caribisch Nederland kwetsbaar zijn en dat een groot deel van de zeekabels in het Caribisch gebied verouderd is en dat verkeer richting Europa nu via de Verenigde Staten loopt;
constaterende dat de Europese Commissie een haalbaarheidsonderzoek uitvoert naar een zuidelijke route voor betere ontsluiting van het Caribisch gebied;
overwegende dat betrouwbare en betaalbare digitale connectiviteit voor Caribisch Nederland geen luxe is, maar een basisvoorwaarde voor burgers, bedrijven, onderwijs, zorg en overheidsdienstverlening;
verzoekt de regering om binnen drie maanden na afronding van het Europese haalbaarheidsonderzoek een besluitnota aan de Kamer te sturen met routeopties, kosten, eigendoms- en governancevarianten, mogelijke Europese cofinanciering, de rol van SSCS en de verwachte effecten op prijs, kwaliteit en weerbaarheid voor Caribisch Nederland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 1530 (26643).
De heer Van den Berg (JA21):
Dank u wel, ook voor de coulance toen ik zonet moest hoesten.
De voorzitter:
Graag gedaan. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven vijf minuten nodig te hebben voor het opstellen van de appreciaties van de ingediende moties. Ik schors voor vijf minuten.
De vergadering wordt van 17.28 uur tot 17.33 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Digitale infrastructuur en economie. We zijn toegekomen aan de appreciaties van de ingediende moties. Alvast voor het verwachtingsmanagement: ik sta één vraag per eigen ingediende motie toe. Dan geef ik nu van harte het woord aan de staatssecretaris. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Aerdts:
Dank u wel, voorzitter. De motie op stuk nr. 1523 over vergunningverlening voor datacentra. Die kan ik oordeel Kamer geven. De motie sluit heel goed aan bij de gedeelde ambitie om onze digitale soevereiniteit te versterken. Het is absoluut belangrijk om Europese autonome datacentercapaciteit te stimuleren. Ik ga ook aan de slag, samen met mijn collega in het kabinet, om te verkennen hoe we dat het beste kunnen doen. Daar sluit deze motie mooi op aan.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1523 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1524.
Staatssecretaris Aerdts:
De motie op stuk nr. 1524 gaat over de rekenkracht en de overheid als launching customer. Die krijgt ook oordeel Kamer. Dat er groeiende behoefte is aan rekenkracht, zien we allemaal. We hebben al een korte uitvraag uitgezet bij de overheden. Die toont echter wel aan dat het nu al best lastig is om in kaart te brengen wat ze in de toekomst nodig zullen hebben. Maar de motie sluit goed aan bij de ambities die we hebben, dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1524 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1525.
Staatssecretaris Aerdts:
De motie op stuk nr. 1525, launching customer voor GPT-NL. Eigenlijk vervullen we nu al de rol als launching customer met de pilotprojecten die lopen bij verschillende overheidstoepassingen, maar we kunnen 'm oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1525 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1526.
Staatssecretaris Aerdts:
De motie op stuk nr. 1526 van mevrouw Kathmann: voor Prinsjesdag de middelen reserveren voor publieke investeringen. Met pijn in mijn hart moet ik 'm ontraden. Ik ben het zeer eens met het doel van de motie, maar ik kan helaas niet zonder heel veel woede van de minister van Financiën over mij af te roepen vooruitlopen op de budgettaire besluitvorming. Ik maak me er hard voor, maar ik moet helaas de motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1526 wordt ontraden. De motie op stuk nr. 1527.
Staatssecretaris Aerdts:
De motie op stuk nr. 1527, strategische scenario's rekenkracht: oordeel Kamer. Dat is een ontzettend sympathiek voorstel. Het sluit ook aan bij de inzet van het kabinet om onder andere de AI-infrastructuur te willen versterken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1527 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1528.
Staatssecretaris Aerdts:
De motie op stuk nr. 1528. Ik had al in het commissiedebat toegezegd om die risicobeoordeling vertrouwelijk naar de Kamer te sturen voor het einde van het jaar. Ik snap ook dat u die graag wil betrekken bij de begrotingsbehandeling. Ik kan het u toezeggen. We kunnen ook de motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Meneer Verkuijlen, help ons.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank voor die appreciatie, maar ik vroeg mij even het volgende af, aangezien er ook wat moties zijn over die zeekabels. Als u kijkt naar die infrastructuur, maken die toch ook wel onderdeel uit van die risico-inventarisatie, neem ik aan.
De voorzitter:
Als de staatssecretaris kijkt naar de zeekabels.
Staatssecretaris Aerdts:
Ik ben sowieso blij dat we hier met elkaar met fanclub zeekabels staan, volgens mij, dus die zullen we daar natuurlijk nadrukkelijk bij betrekken.
De voorzitter:
Maar nu is de voorzitter …
Staatssecretaris Aerdts:
Confuus?
De voorzitter:
… zonder een oordeel te vellen over wel of geen fan van zeekabels te zijn, het spoor bijster welk oordeel de motie op stuk nr. 1528 krijgt.
Staatssecretaris Aerdts:
De motie op stuk nr. 1528 krijgt oordeel Kamer. Ik kan u ook nu toezeggen dat we ervoor zorgen dat u het voor de begrotingsbehandeling hebt. Het is dus aan de heer Verkuijlen of hij de motie in stemming wil brengen, maar de motie krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Verkuijlen. Hij gaat 'm in stemming brengen, want ze krijgt de appreciatie oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1529.
Staatssecretaris Aerdts:
De motie op stuk nr. 1529 is de motie van de heer Van den Berg van JA21 over de procesaanpak. Ook die kan ik oordeel Kamer geven. Die sluit aan bij mijn inzet om de zeekabelaanlandingen te stimuleren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1529 krijgt oordeel Kamer. Tot slot de motie op stuk nr. 1530.
Staatssecretaris Aerdts:
De motie op stuk nr. 1530 krijgt ook oordeel Kamer, met daarbij wel de opmerking: ik neem het mee bij de eerdere motie van de heer Van den Berg over deze zeekabels in het Caribisch gebied. Wij waren sowieso van plan u begin 2027 een brief te sturen om dit te doen. Ik hoop wel dat u mij even de tijd geeft. U vraagt om een aantal hele specifieke onderdelen. Zorgvuldigheid is wat mij betreft dan wel belangrijker dan de termijn van drie maanden, maar we kunnen 'm oordeel Kamer geven. Ik hoop dat u mij daar wat coulance in geeft.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1530 krijgt, als ze kan rekenen op sympathie van de heer Berg met de gegeven interpretatie, oordeel Kamer.
De heer Van den Berg (JA21):
Jazeker. Dank aan de staatssecretaris. Waar zit het dan precies in dat dat wellicht langer zou moeten duren dan drie maanden? Ik dacht juist dat het wel een heel schappelijk voorstel moest zijn om drie maanden na de afronding van dat haalbaarheidsonderzoek — dat is een forse tijd — de zaken in kaart te brengen. Of zie ik dat verkeerd?
Staatssecretaris Aerdts:
Ik weet niet precies wat wij gaan krijgen en hoe dat onderzoek eruit gaat zien. U vraagt om een hele specifieke uitwerking van de plannen die wij daaraan koppelen; vandaar dat ik om wat tijd vraag, ook omdat ik nog niet precies weet … Ik snap de urgentie. Die voel ik ook. Als het eerder kan, komt het zeker eerder, maar pin me hier niet te veel op die drie maanden vast.
De voorzitter:
Ik zie de heer Van den Berg knikken, dus met de toevoeging van een beetje extra geduld krijgt de motie op stuk nr. 1530 ook oordeel Kamer.
Hiermee zijn we aan het einde gekomen … O, eerst nog twee vragen.
Staatssecretaris Aerdts:
Ik heb nog twee vragen gekregen van mevrouw Zwinkels.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Staatssecretaris Aerdts:
Wat betreft het rijksinkoopbeleid: ik ga even uitzoeken of dat mogelijk is en op welke wijze we dat het beste zouden kunnen doen. Ik snap de punten die zij hierover aangaf.
Wat betreft het Tech Sovereignty Package volgt het BNC-fiche over het pakket als geheel binnen zes weken. Dat was twee weken geleden, geloof ik, dus het zou er over vier weken moeten zijn. De CADA heb ik zelf al afgedaan, dus dat moet zo snel mogelijk uw kant op komen.
De voorzitter:
Eén korte vraag, mevrouw Zwinkels.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik zal het inderdaad kort houden, voorzitter. Dank voor de planning van het BNC-fiche.
Ten aanzien van het inkoopbeleid vind ik het eigenlijk wel jammer om te horen dat het nog uitgezocht moet worden. Ik hoop toch echt dat we die aanbestedingen gaan aangrijpen als het gaat om onze strategische digitale autonomie. Ik had gehoopt dat de staatssecretaris hier al druk mee bezig was. Kan zij mij een toezegging doen over het moment waarop ik een uitkomst kan verwachten?
Staatssecretaris Aerdts:
Dat kan ik doen. We komen daar na het reces graag bij u op terug.
De voorzitter:
En dan bedoelt de staatssecretaris het zomerreces.
Staatssecretaris Aerdts:
Het zomerreces, Q3.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Wij stemmen aanstaande dinsdag over alle ingediende moties. Ik schors voor enkele ogenblikken. Daarna gaan we snel verder met het volgende tweeminutendebat.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Verordening betreffende digitale netwerken
Verordening betreffende digitale netwerken
Aan de orde is het tweeminutendebat Verordening betreffende digitale netwerken (22112, nr. 4281).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Verordening betreffende digitale netwerken. Wij gaan luisteren naar mevrouw Kathmann, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Kathmann (PRO):
Voorzitter. Als enthousiast lid van de fanclub zeekabels moet ik bekennen dat ik ergens een nog grotere fan van ben, namelijk van het feit dat iedereen mee kan doen aan onze samenleving die maximaal digitaal is. Daarom moeten we meer gaan denken over internet als nutsvoorziening. Net als gas, water en licht heb je ook internet nodig. Ik weet dat niet iedereen het met me eens is, maar waar we het in dit huis wel over eens zijn, met alle 150, is dat het een basisbehoefte is. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat steeds meer woningcorporaties op eigen initiatief open en inpandige glasvezelinfrastructuur aanleggen in sociale huurwoningen en hoogbouwprojecten;
overwegende dat dit leidt tot lagere internetkosten voor bewoners en de digitale inclusie bevordert;
verzoekt de regering om samen met belanghebbenden, zoals woningcorporaties en gemeenten, een plan van aanpak uit te werken om een open en inpandige glasvezelinfrastructuur de norm te maken bij nieuwbouw en renovatie van sociale woningen;
verzoekt de regering om in deze gesprekken te verkennen wat de juridische en financiële randvoorwaarden hiervoor zijn, en de Kamer in Q1 van 2027 te informeren over de uitkomsten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 4379 (22112).
Ik dacht even dat de heer Van den Berg al klaar stond voor zijn eigen bijdrage, maar hij krijgt de ruimte om één vraag te stellen.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik wil toch even iets markeren. Het gaat hier inderdaad over Digitale Zaken, maar mij valt op dat PRO hier markeert dat gas ook heel erg nodig is in onze economie. Dat vind ik zo mooi om te horen dat ik dat wel even gemarkeerd wil hebben.
De voorzitter:
Laten we het bij het onderwerp van dit debat houden.
Mevrouw Kathmann (PRO):
Iedereen zijn eigen fanclub, voorzitter.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de bijdrage van mevrouw Kathmann en gaan we luisteren naar de heer Van den Berg, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
De heer Van den Berg (JA21):
Voorzitter. Hier staat toch de fanclub van gas. Dat klopt helemaal.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet heeft aangegeven dat de gevolgen van de Verordening betreffende digitale netwerken voor kleinere en nationaal opererende telecomaanbieders onvoldoende zijn onderbouwd;
overwegende dat het van belang is dat Europese regelgeving geen onevenredige lasten of concurrentienadelen oplevert voor kleinere aanbieders ten opzichte van grote grensoverschrijdende marktpartijen;
verzoekt de regering om in de onderhandelingen over de Verordening betreffende digitale netwerken te bewerkstelligen dat de gevolgen voor kleinere telecomaanbieders expliciet worden getoetst via een mkb- en concurrentie-impacttoets,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 4380 (22112).
De heer Van den Berg (JA21):
De tweede motie, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de voorgestelde singlepassportprocedure kan leiden tot forum shopping en daarmee tot uitholling van nationaal toezicht;
overwegende dat aanbieders die actief zijn op de Nederlandse markt onder effectief Nederlands toezicht moeten blijven vallen;
verzoekt de regering de invoering van een singlepassportprocedure niet te steunen zolang niet juridisch is geborgd dat Nederlandse toezichthouders voor aanbieders die hun diensten in Nederland aanbieden, beschikken over zelfstandige en effectieve informatie-, toezicht-, sanctie- en handhavingsbevoegdheden, zonder afhankelijk te zijn van de lidstaat van notificatie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 4381 (22112).
De heer Van den Berg (JA21):
"Single passport" moest ik ook even googelen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Deze voorzitter is vooral fan van vlot vergaderen. De staatssecretaris heeft aangegeven enkele minuten nodig te hebben voor de appreciaties, dus blijf in de buurt. Ik schors voor enkele minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Verordening betreffende digitale netwerken. Ik verzoek de leden om hun plaatsen in te nemen. We zijn toegekomen aan de appreciatie van de ingediende moties. Ik geef daartoe de staatssecretaris van harte het woord. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Aerdts:
Voorzitter. Wat betreft de motie op stuk nr. 4379 van mevrouw Kathmann, over betaalbare glasvezel bij sociale woningbouw: eigenlijk is die overbodig, want met de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving, onderdeel van de Omgevingswet, is de norm voor inpandige glasvezelinfrastructuur al vastgelegd. Dit volgt uit de Gigabitinfrastructuurverordening van de EU, de GIA. In de implementatie is bewust ruimte gelaten in de technische vereiste, zodat de initiatieven van woningbouwcorporaties zelf meegenomen kunnen worden. Eigenlijk is dit dus al geregeld. Daarom krijg de motie het oordeel "overbodig".
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 4379 krijgt het oordeel "overbodig". Dan kijk ik even naar mevrouw Kathmann om te zien of zij, gezien de hoeveelheid ingediende moties, deze indient of intrekt. Ze geeft aan de motie nog niet in te trekken. Daarmee blijft de appreciatie van de motie op stuk nr. 4379 "overbodig".
Staatssecretaris Aerdts:
Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 4380 van de heer Van den Berg. Die moet ik ontraden. In die onderhandelingen vragen wij hier nadrukkelijk aandacht voor. Het verminderen van die administratieve lasten is nadrukkelijk een van de doelen die we meenemen in onze onderhandelingsinzet. Een mkb- en concurrentie-impacttoets wordt echter pas uitgevoerd bij de nationale implementatie van die richtlijn, dus ik kan daar nu eigenlijk geen toezeggingen op doen. Vandaar dat ik de motie moet ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 4380 wordt ontraden.
Tot slot de motie op stuk nr. 4381.
Staatssecretaris Aerdts:
De motie op stuk nr. 4381 wordt ook ontraden. De motie verzoekt de invoering van die singlepassportprocedure niet te steunen zolang die juridisch niet geborgd is. Als u deze motie aan zou nemen, zet u mij ontzettend klem in de onderhandelingen die wij in Brussel aan het voeren zijn, waarbij we dit punt juist ook heel veel aandacht geven en het meenemen. Maar die Digital Networks Act gaat over heel veel meer. Het zit vooral ook in het dictum "zonder afhankelijk te zijn van lidstaatnotificatie". De ACM heeft als zelfstandige en onafhankelijke toezichthouder al handhavingsbevoegdheden. Dat verandert ook niet door de DNA. Zij zullen toch ook altijd moeten kunnen schakelen en contact kunnen hebben met toezichthouders in andere landen. Helemaal lidstaatonafhankelijk kunnen we daarbij dus niet doen. Daarom moet ik 'm ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 4381 wordt ontraden. Eén vraag, meneer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Dan heb ik toch een vraag voor de staatssecretaris. Ik snap inderdaad de procedure dat de staatssecretaris zichzelf niet helemaal klem wil zetten in die onderhandelingen, maar volgens mij is de insteek van de motie en wat we ermee proberen te bereiken wel heel duidelijk. Ziet de staatssecretaris een andere mogelijkheid waarop we dit toch net even een zetje kunnen geven vanuit ons parlement, zonder de staatssecretaris klem te zetten?
Staatssecretaris Aerdts:
Ik kan het doen met de toezegging dat wij dit punt nadrukkelijk mee zullen nemen in de onderhandelingen.
De voorzitter:
Ik hoor een toezegging. Dient u de motie op stuk nr. 4381 alsnog in of trekt u deze motie in, meneer Van den Berg?
De heer Van den Berg (JA21):
We moeten er even kort over overleggen. Ik laat dat weten via de Griffie plenair.
De voorzitter:
Graag voor dinsdag. Dan blijft de motie op stuk nr. 4381 alsnog ontraden. Er is wel een toezegging. Wij horen voor dinsdag wat er met de motie op stuk nr. 4381 gebeurt.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat. Ik dank de staatssecretaris voor haar aanwezigheid. Ik schors voor enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
Aan de orde is het tweeminutendebat Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (CD d.d. 27/05).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Ik heet de leden van de Kamer en de staatssecretaris in vak K van harte welkom. De heer Ceder heeft een verzoek aan zijn collega's. Die gelegenheid bied ik hem nu.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Wegens een dubbeling was ik niet in de gelegenheid om aan dit zeer belangrijke commissiedebat deel te nemen. Mevrouw Heera Dijk heeft wel namens mij gesproken. Om die reden hoop ik dat ik ook deel mag nemen aan dit tweeminutendebat.
De voorzitter:
Ik zie een bijna enthousiaste ja en twee hele grote duimen bij uw collega's. Meneer Ceder, u staat op de lijst. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Dijk, die spreekt namens de fractie van D66. Gaat uw gang.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank, voorzitter. De staatssecretaris heeft een brief geschreven over UNICEF, over de voortgang. Ik was eigenlijk best blij om te lezen wat er allemaal in stond. Hij beschrijft de meerwaarde van Child Friendly Cities voor kinderen op Bonaire, Saba en Statia. Maar tegelijkertijd schrijft de staatssecretaris dat hij de opvatting van de Kamer wil meewegen bij de besluitvorming. Daar heb ik een vraag over, want ik dacht dat de staatssecretaris over de begroting zelf gaat en dat hij die zou bespreken met de collega's. Daarom is mijn vraag aan de staatssecretaris: is het de inzet om bij de begrotingsvoorbereiding voor 2027 ruimte te maken voor de voortzetting van Child Friendly Cities?
Dan nog even over Saba. Ik weet dat de staatssecretaris dit weekend op Saba was voor het afscheid van meneer Johnson. Ik weet ook dat de prijzen van elektriciteit daar alsmaar stijgen en dat in juli de prijs zelfs €0,5046 per kilowattuur wordt. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: welke rol ziet u hierin om te kijken wat we kunnen doen?
Dat waren mijn vragen. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Tseggai, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst kan ik me aansluiten bij de laatste vraag van mevrouw Dijk. Ik wilde namelijk ook namens de fractie van PRO de zorgen uitspreken over de hoge energiekosten in Caribisch Nederland. Ik kan me dus van harte aansluiten bij die vraag.
Daarnaast heb ik twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het recht op goed onderwijs een grondrecht is en het een grote bijdrage levert aan een fijne toekomst van jongeren;
constaterende dat de Onderwijsraad en de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme in recente rapporten aandacht hebben gevraagd voor het feit dat het recht op goed onderwijs in Caribisch Nederland onvoldoende geborgd is;
verzoekt de regering om voor de begroting Onderwijs voor het jaar 2027 de Kamer te informeren over hoe opvolging gegeven wordt aan de aanbevelingen om het recht op goed onderwijs ook in Caribisch Nederland te borgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tseggai en Ceder.
Zij krijgt nr. 63 (36800-IV).
Mevrouw Tseggai (PRO):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Algemene Rekenkamer zorgen heeft geuit over de voorbereiding van Caribisch Nederland op een ramp;
overwegende dat de eilanden in Caribisch Nederland sterk afhankelijk zijn van import en het hierdoor van groot belang is dat er voldoende voorraden zijn voor het geval er sprake is van een noodsituatie;
verzoekt de regering om samen met de overheden van Caribisch Nederland zorg te dragen voor opvolging van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, zodat de weerbaarheid van Caribisch Nederland op orde is, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tseggai en Ceder.
Zij krijgt nr. 64 (36800-IV).
Mevrouw Tseggai (PRO):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ceder als laatste spreker. Hij spreekt namens de fractie van de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan mevrouw Heera Dijk, die namens mij het woord voerde tijdens het commissiedebat. Complimenten aan de staatssecretaris, die ik vanochtend tegenkwam bij de Dag van de Publieke Dienstverlening. Hij is dus de hele dag vrij actief bezig voor het land en het Koninkrijk.
Ik sluit me aan bij de vragen die net gesteld zijn over de energieprijzen. Ik heb natuurlijk niet voor niets een amendement ingediend om die te dekken. Nu lees ik dat er energieprijzen binnen het Koninkrijk zijn, op Saba — misschien ook op andere plekken — die tot de hoogste van de wereld behoren. Dat moeten we volgens mij allemaal niet willen. Ik ben dus benieuwd naar de beantwoording.
Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de dienstverlening voor openbaar vervoer ook rond de BES goed geborgd moet zijn, niet alleen in de lucht en te land, maar ook ter zee;
overwegende dat er innovatieve werkwijzen nodig zijn om te kunnen voldoen aan de zware maritieme omstandigheden, hoge operationele kosten en betrouwbaarheid van vloten;
verzoekt de minister voor de begrotingsbehandeling van Koninkrijksrelaties te komen met een visie over openbare veerverbindingen tussen de eilanden in Caribisch Nederland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Heera Dijk, Tseggai, Den Hollander en Tijs van den Brink.
Zij krijgt nr. 65 (36800-IV).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik merk op dat dit natuurlijk gaat over de Bovenwindse Eilanden onderling en de Benedenwindse Eilanden onderling. Anders wordt het wel heel ingewikkeld met de veerverbindingen.
Tot slot een motie over de situatie in de haven van Statia.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de haven van Sint-Eustatius, Statia, een essentiële levensader vormt voor onder andere de bevoorrading, bereikbaarheid, economische continuïteit en crisisbestendigheid van het eiland;
overwegende dat uit recente technische beoordelingen blijkt dat de huidige golfbreker in aanzienlijk slechtere staat verkeert dan eerder voorzien en onvoldoende bescherming biedt tegen de huidige en toekomstige klimaatomstandigheden;
overwegende dat vertraging van besluitvorming en uitvoering kan leiden tot hogere maatschappelijke en financiële kosten en een grotere kwetsbaarheid, juist tijdens het orkaanseizoen;
verzoekt de regering om samen met het openbaar lichaam Sint-Eustatius uiterlijk vóór de begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties een integraal investerings- en uitvoeringsvoorstel op te stellen voor een toekomstbestendige havenontwikkeling op Sint-Eustatius, en daarbij expliciet in kaart te brengen welke middelen noodzakelijk zijn voor versterking en uitbreiding van de golfbreker en welke financieringsmogelijkheden beschikbaar zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Tseggai.
Zij krijgt nr. 66 (36800-IV).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven in één keer door te kunnen. Ik geef hem daartoe van harte het woord. Er wordt iets heel praktisch gezegd. We hebben de moties nog niet. Dat gaat misschien wel helpen. Ik geef de staatssecretaris enkele seconden om weer te gaan zitten. Dan zijn de moties zo meteen rondgedeeld.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Wij zijn toegekomen aan de appreciaties van de ingediende moties. Ik geef de staatssecretaris daartoe van harte het woord. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Van der Burg:
Voorzitter. Als u het goed vindt, geef ik ook nog even antwoord op de twee vragen van mevrouw Dijk.
De voorzitter:
Uitstekend. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Van der Burg:
Als het gaat om de activiteiten van UNICEF, dan ligt het niet voor de hand, gezien de begrotingsonderhandelingen die we in augustus nog binnen het kabinet krijgen, dat ik nu vooruitloop op wat ik dan met dat punt ga doen. Ik moet daartoe eerst de cijfers zien. Op dit moment kan ik dus geen toezegging over UNICEF doen.
Als het gaat om elektriciteit, waar zowel mevrouw Dijk als mevrouw Tseggai naar vroegen, kan ik zeggen dat dit aan de orde zal komen na de zomer als wij met het verdelingsvoorstel komen rondom de 30 miljoen. Dat zou een moment zijn om te kijken hoe de bestaanszekerheid kan worden gekoppeld aan connectiviteit. Connectiviteit kan zowel gaan over de veren, het internet als de elektriciteit.
Dan de moties. De eerste motie van mevrouw Tseggai, op stuk nr. 63, betreft het onderzoek van de Onderwijsraad. Via de voorzitter wil ik u vragen deze aan te houden, omdat OCW nog voor het zomerreces met een kabinetsreactie komt. Hij is heel ver in het proces, kan ik u alvast zeggen, om die naar u te sturen, in die zin dat ik hem al heb gezien.
De voorzitter:
Mevrouw Tseggai knikt.
Op verzoek van mevrouw Tseggai stel ik voor haar motie (36800-IV, nr. 63) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 64.
Staatssecretaris Van der Burg:
Dan krijgt ze als dank voor de volgende motie natuurlijk "oordeel Kamer". Nee hoor, ook gewoon omdat de inhoud klopt. Die krijgt dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 64 krijgt oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 65.
Staatssecretaris Van der Burg:
Voorzitter. We gaan naar de motie op stuk nr. 65. Even voor de helderheid, want de heer Ceder lichtte toe wat hij met Caribisch Nederland bedoelde en dat maakt het nog complexer. Want Caribisch Nederland zijn Saba, Statia en Bonaire. Benedenwinds veren tussen Caribisch Nederland is onmogelijk, want er is maar één Caribisch Nederland-eiland benedenwinds. Die kan dus niet. Bovendien, bovenwinds moet het dan weer niet gaan over Caribisch Nederland, want dan zou het gaan om het veer tussen Saba en Statia. Ik denk dat beide eilanden het toch wel prettig zouden vinden als het echt een koppeling heeft met Sint-Maarten, want daar ligt namelijk de verbinding. Het woord "Caribisch Nederland" in de motie is op allerlei vlakken niet kloppend. Dus ik lees 'm even als "de connectiviteit bovenwinds tussen de drie eilanden die daar zitten" en dan geef ik 'm oordeel Kamer.
De voorzitter:
De heer Ceder gaat heel kort en bondig zeggen hoe enthousiast hij is met deze appreciatie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben zeer enthousiast en de staatssecretaris heeft me te pakken. Volgens mij is hij daar ook heel blij mee. Het klopt. "Caribisch Nederland" moet "het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn", zowel bovenwinds als onderwinds. Ik pas de motie aan, want ik wil recht doen aan wat de staatssecretaris aangeeft. Ik ben blij met de appreciatie en zo interpreteer ik 'm ook.
De voorzitter:
De motie-Ceder c.s. (36800-IV, nr. 65) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de dienstverlening voor openbaar vervoer ook rond de BES goed geborgd moet zijn, niet alleen in de lucht en te land, maar ook ter zee;
overwegende dat er innovatieve werkwijzen nodig zijn om te kunnen voldoen aan de zware maritieme omstandigheden, hoge operationele kosten en betrouwbaarheid van vloten;
verzoekt de minister voor de begrotingsbehandeling van Koninkrijksrelaties te komen met een visie over openbare veerverbindingen tussen de eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 65 (36800-IV).
De aangepaste motie krijgt hiermee oordeel Kamer. Dan zijn we bij de laatste motie gekomen, die op stuk nr. 66.
Staatssecretaris Van der Burg:
Om u te plezieren houd ik het kort: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 66 krijgt oordeel Kamer.
We zijn aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat. Ik dank de leden voor hun aanwezigheid. Ik dank de staatssecretaris voor zijn aanwezigheid in vak K.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Aanstaande dinsdag gaan we stemmen over de ingediende moties. Ik schors, inclusief dinerpauze, tot 19.00 uur.
De vergadering wordt van 18.06 uur tot 19.00 uur geschorst.
Omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren
Omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren
Aan de orde is het tweeminutendebat Omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren (23645, nr. 884).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren. Ik heet de leden van de Kamer van harte welkom. Ik heet de staatssecretaris in vak K van harte welkom. Ik ga als eerste het woord geven aan mevrouw Wendel voor een interruptie. Gaat uw gang.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik wil heel graag toestemming vragen om mee te mogen doen aan dit debat.
De voorzitter:
Ik heb een heuglijke mededeling, want u staat gewoon op de lijst. Dus dubbel feest: u heeft erom gevraagd en u staat erop. Dan gaan wij nu niet luisteren naar mevrouw Van der Plas, maar naar mevrouw Wiersma, die spreekt namens de fractie van BBB.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank voorzitter. Ik ga snel, want ik heb twee moties en een verzoek om een toezegging.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren begin 2029 moeten ingaan;
constaterende dat voor inschrijvers duidelijkheid over de kosten van noodzakelijke productiemiddelen, zoals schepen, havenfaciliteiten, gebruiksvergoedingen en eventuele opstallen, van groot belang is voor een reële en eerlijke inschrijving;
overwegende dat onzekerheid over deze kosten kan leiden tot risico-opslagen, strategisch biedgedrag of ongelijkheid tussen inschrijvers;
overwegende dat de veerverbindingen naar de Friese Waddeneilanden een publieke levensader zijn voor bewoners, ondernemers en bezoekers;
verzoekt de regering te borgen dat inschrijvers vóór het indienen van hun eerste inschrijving beschikken over een volledig en controleerbaar kostenbeeld van alle noodzakelijke productiemiddelen die voor de uitvoering van de concessies nodig zijn, en de Kamer hierover te informeren zodra dit kostenbeeld beschikbaar is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Wiersma.
Zij krijgt nr. 901 (23645).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het goederenvervoer naar de Friese Waddeneilanden in de nieuwe concessies wordt gefaciliteerd, maar dat de tarieven daarvoor volgens de regering in de kern een marktaangelegenheid zijn;
overwegende dat eilandbewoners en ondernemers afhankelijk zijn van betrouwbare en betaalbare bevoorrading;
overwegende dat kostenstijgingen in het goederenvervoer kunnen doorwerken in onder meer boodschappen, bouwmaterialen, bevoorrading en ondernemerschap op de eilanden;
overwegende dat de Waddenveren geen gewone marktverbinding zijn, maar een publieke levensader voor de eilanden;
verzoekt de regering voorafgaand aan de gunning van de nieuwe concessies in kaart te brengen hoe kostenontwikkelingen in het goederenvervoer kunnen doorwerken voor bewoners en ondernemers op de Friese Waddeneilanden, en daarbij te bezien welke waarborgen mogelijk zijn om te voorkomen dat zij hierdoor onevenredig worden geraakt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Wiersma.
Zij krijgt nr. 902 (23645).
Mevrouw Wiersma (BBB):
Kan de staatssecretaris toezeggen dat zij zich ervoor inspant dat de bereikbaarheid van Ameland tijdens de komende donkerperiode gewaarborgd blijft, gelet op het feit dat het ecologisch onderzoek naar de watertaxi pas op 11 juni 2026 is gestart? Kan zij uiterlijk 31 augustus 2026 duidelijkheid geven aan de Kamer over de maatregelen die worden genomen, zodat inwoners, ondernemers en hulpdiensten niet opnieuw worden geconfronteerd met onzekerheid over de bereikbaarheid van het eiland?
De voorzitter:
Dank u wel. Wij gaan luisteren naar de heer Grinwis, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Volgens mij zijn we als Kamerleden vanavond behoorlijk eensgeestes, want mijn motie sluit bijvoorbeeld behoorlijk aan bij de motie van collega Wiersma. Mijn motie luidt als volgt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de waardebepaling van schepen en opstallen aan de wal, alsmede de huurtarieven voor 's Rijks productiemiddelen, cruciaal zijn voor marktpartijen om een aanbieding te kunnen doen;
constaterende dat het kabinet met het openstellen van de aanbesteding deze gegevens nog niet beschikbaar heeft gesteld, maar aangeeft nog steeds met de rederijen hierover in gesprek te zijn;
verzoekt de regering nog deze maand aan te geven wat de status, aard en voortgang van deze gesprekken is, en hoelang deze nog in beslag gaan nemen;
verzoekt de regering om het afhandelen hiervan niet te laten leiden tot vertraging in de concessieverlening,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Vellinga-Beemsterboer, Boelsma-Hoekstra en Wendel.
Zij krijgt nr. 903 (23645).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik heb een tweede motie meegebracht, maar die zal ik niet voordragen. Ik wil wel graag de staatssecretaris op het hart drukken dat het van belang is om niet alleen te focussen op de bereikbaarheid van Ameland tot het einde van de concessieperiode, 2035, maar ook steeds uit te stralen dat het doel is om op de lange termijn, ook na 2035, Ameland minstens zo bereikbaar te houden voor mens en goederen als nu het geval is. Dat is heel belangrijk, want voor je het weet … Er speelt heel veel, er loopt een MIRT-verkenning en er zijn veel onzekerheden. Dus straal dat uit en maak het tot inzet van het beleid, is mijn oproep aan de staatssecretaris.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Vellinga-Beemsterboer, die spreekt namens de fractie van D66.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. Geen motie, maar wel nog een aantal vragen aan de staatssecretaris. Wellicht ten overvloede, maar centraal staat hier de levensader van de Wadden. Voor de eilanden is de verbinding met het vasteland geen luxe, maar een absolute noodzaak voor wonen, werken en zorg. Elke vertraging of onduidelijkheid raakt direct aan het dagelijks leven van de mensen daar. Deze gedachte moet centraal staan in dit hele proces.
We steunen de motie van de heer Grinwis en sluiten ons aan bij zijn vragen over Ameland. Het is van belang dat de regering er nog voor het zomerreces helderheid over geeft waar we precies staan rond de waardebepaling. Komen we eruit met de huidige reders? Hoe zien de tijdlijnen er nu uit? Dat laatste is cruciaal. Het mag niet leiden tot vertraging.
Dan de concessieverlening. Dat is tot nu een ingewikkeld proces geweest dat veel onduidelijkheid, zorgen en onzekerheid meebrengt voor de eilanden. Duur en tijdrovend is het ook. De zeer aannemelijke uitkomst is dat de huidige reders het vervoer blijven verzorgen. Welke lessen worden hier door de staatssecretaris uit getrokken? Is zij nog steeds van mening dat een openbare concessieprocedure de beste manier is om de Waddenveren te organiseren?
Nog even terug naar de centrale gedachte, de levensader. Hoe stuurt het kabinet erop dat menselijkheid en leefbaarheid leidend zijn voor de afwegingen in dit dossier, maar ook in andere Waddendossiers die door Rijkswaterstaat worden gemaakt? Procedures zijn nodig en handig, maar achter elk besluit zitten mensen, reizigers, ondernemers en inwoners. Ik vraag de staatssecretaris om dit niet als bijzaak te behandelen, maar als een wezenlijk onderdeel van de besluitvorming.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Boelsma-Hoekstra. Zij spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Voorzitter. Voor de bereikbaarheid van de Waddeneilanden is het cruciaal dat de nieuwe veerconcessie zorgvuldig maar ook op tijd wordt verleend. Marktpartijen moeten dan wel weten waar ze aan toe zijn. De waardebepaling van schepen en opstallen aan de wal en de huurtarieven voor 's Rijks productiemiddelen zijn daarvoor essentieel. Collega Grinwis heeft hier een motie over ingediend, waar wij van harte bij aansluiten. We sluiten ook aan bij de gestelde vragen over de bereikbaarheid van Ameland na 2035.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we tot slot luisteren naar mevrouw Wendel, die op de lijst stond, spreektijd heeft en daar gebruik van gaat maken namens de fractie van de VVD. En ook nog een debuut bij IenW, hoor ik haar zeggen. Ik wens u veel succes. Gaat uw gang.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Vanuit mij geen motie vandaag, maar wel nog een belangrijke vraag.
Voorzitter. De Friese Waddenveren zijn de levensader van de Waddeneilanden. De veerdiensten zijn vrijwel de enige verbinding tussen de Waddeneilanden en het vasteland, de enige manier voor de eilanders om heen en weer te gaan naar het vasteland, en cruciaal voor de ondernemers op de eilanden. Daarom is het ook zo belangrijk dat een concessie soepel verloopt. De VVD is blij om te horen dat met de nieuwe concessie de tickets dezelfde prijs zullen houden en dat de boten nog steeds minimaal net zo vaak zullen gaan. Via deze weg wil ik de minister echter nog twee zaken meegeven.
Allereerst is het belangrijk dat er tempo in de concessie blijft en dat onduidelijkheid over de waardebepaling van productiemiddelen niet voor vertraging zorgt. Ten tweede. Zorg voor goede communicatie met eilanders, ondernemers op de eilanden en lokale en regionale bestuurders, juist omdat de Friese Waddenveren voor hen van cruciaal belang zijn. Kan de minister dat de VVD toezeggen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven vijf minuten nodig te hebben voor het opstellen van de appreciaties van de ingediende moties en de beantwoording van de vragen. Ik schors voor vijf minuten.
De vergadering wordt van 19.08 uur tot 19.13 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen het debat. Aan de orde is het tweeminutendebat Omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren. We zijn toegekomen aan de appreciatie van de ingediende moties en de beantwoording van enkele vragen en ik geef daartoe de staatssecretaris van harte het woord. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Bertram:
Voorzitter, dank u wel. Ik loop als eerste even de vragen langs. De eerste vraag was van mevrouw Wiersma. Die ging over de bereikbaarheid van Ameland. Ja, het tempo zit erin. Eind september hopen we al de eerste resultaten te hebben en de minister heeft aangegeven dat hij in het commissiedebat van 30 september daarop zal terugkomen.
Dan was er een tweede vraag over Ameland, van de heer Grinwis. Wat ik tegen de heer Grinwis zou willen zeggen, maar ook tegen mevrouw Vellinga en mevrouw Boelsma, is het volgende. Uiteraard is het ook voor departementen, ook voor de minister en voor mij van belang dat bereikbaarheid cruciaal is voor Ameland, dat je dat ook gaat terugzien in de procedures en dat we dat zo zorgvuldig mogelijk doen. U vroeg aan mij, maar waarschijnlijk ook aan de minister, om dat uit te stralen en dat gaan we doen.
Dan was de derde vraag rond: welke lessen, openbare concessie, menselijkheid, leefbaarheid. Het was een vraag van mevrouw Vellinga-Beemsterboer. We zitten natuurlijk nog wel midden in het proces. Dat betekent dat het proces zo zorgvuldig mogelijk, stap voor stap, moet worden afgerond, want je wil dat ook netjes gedaan hebben. Tegelijkertijd ben ik het direct met u eens: bereikbaarheid is een van de belangrijkste elementen waardoor je ook van A naar B kunt. Ik zal dat ongeveer in elk betoog herhalen. Dat geldt hierbij ook. In het hele proces hebben we natuurlijk ook oog voor de menselijkheid en voor de leefbaarheid en dat is zeker geen bijzaak.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra heeft de zorgvuldigheid nog eens benadrukt: zorg dat het ook echt netjes gebeurt. Dat gaan we ook zeker doen.
De laatste vraag was van mevrouw Wendel. Wat ik tegen mevrouw Wendel zou willen zeggen, is dit. We zitten midden in het proces. De waardebepaling, de vergoeding van de overige productiemiddelen en de gebruiksvergoeding voor de overige productiemiddelen zijn allemaal in gang gezet. Rond de zomer hopen we dat zo in gang te hebben gezet dat we in tempo het proces door kunnen.
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot één korte vraag van mevrouw Vellinga.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Korte vraag, voorzitter. Kan de staatssecretaris toezeggen dat er dan na de concessieverlening ook een uitgebreide evaluatie zal zijn?
Staatssecretaris Bertram:
Zeker. Dat kan ik toezeggen. Dan kom ik op de moties.
De motie op stuk nr. 901 geef ik oordeel Kamer. Dat zal u niet verbazen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 901 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 902 van mevrouw Wiersma moet ik ontraden. Dat is niet omdat het per se qua inhoud iets is wat me helemaal niet aanspreekt, maar omdat kostenontwikkelingen echt van de vervoerders zijn. Dat is niet het onderdeel waar wij als overheid over gaan, dus ik kan daar niet aan voldoen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 902 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 903 is oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 903 krijgt oordeel Kamer. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Wij gaan volgende week dinsdag stemmen over de ingediende moties. Ik schors voor enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Spoorveiligheid en ERTMS
Spoorveiligheid en ERTMS
Aan de orde is het tweeminutendebat Spoorveiligheid en ERTMS (CD d.d. 27/05).
De voorzitter:
Ik open de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Spoorveiligheid en ERTMS. Ik heet de leden van de Kamer van harte welkom. En de staatssecretaris is ook nog steeds van harte welkom in vak K!
Ik ga de eerste spreker van dit debat het woord gegeven. Dat is mevrouw Boelsma-Hoekstra, die spreekt namens de fractie van het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Voorzitter. Demonstreren is een grondrecht, maar het spoor blokkeren is geen gewone demonstratie. Dat is ingrijpen in een vitaal vervoerssysteem. Je dupeert reizigers, veroorzaakt schade en brengt de veiligheid in gevaar. Wat het CDA betreft wordt die schade civielrechtelijk verhaald op de demonstranten die dit doen. Het is goed dat het kabinet dit, zoals de minister van Binnenlandse Zaken heeft aangekondigd, breder wil gaan toepassen.
Maar wat het CDA betreft gaan we een stap verder. Geregeld leggen vervoerders ernstige overlastgevers langdurige reisverboden op. Wat ons betreft gaan we dat hier ook doen. Als jij bewust het spoort blokkeert, actief gevaar veroorzaakt en het treinverkeer platlegt, ja, dan is het fair om te zeggen dat je voorlopig maar eventjes niet in de trein mag. Daar komt bij: hoe erg kun je je eigen principes in de weg zitten? Extinction Rebellion zegt op te komen voor het klimaat, maar blokkeert juist een van de groenste vormen van vervoer die we hebben. NS rijdt op 100% groene stroom.
Voorzitter. Wie het spoor bezet, maakt duurzaam reizen onveiliger en maakt het minder aantrekkelijk om de auto te laten staan en de trein te pakken. Daarom twee vragen. Wil de staatssecretaris met de NS in gesprek gaan om langdurige reisverboden op te leggen aan demonstranten die het spoor blokkeren? En de tweede vraag. Wil zij zich inspannen om eventuele hobbels rond de benodigde informatievoorziening weg te nemen, zodat vervoerders die verboden ook daadwerkelijk kunnen opleggen?
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer De Hoop, die spreekt namens de fractie van PRO.
Gaat uw gang.
De heer De Hoop (PRO):
Voorzitter. Ik heb eerst een vraag en daarna een motie.
Eerder is door het kabinet toegezegd dat de NABO's, de onbewaakte spoorwegovergangen, zo snel mogelijk zouden worden opgeheven en beveiligd. Dat is van groot belang voor de veiligheid van iedereen die gebruikmaakt van die spoorwegovergang en ook voor de trein zelf. De deadline daarvoor was eerst 2023 en nu ligt die op 2027. We begrijpen uit de beantwoording van de staatssecretaris dat het erg ingewikkeld is om de laatste 5% op te heffen. Graag zou ik dan ook als Kamer periodiek, elk kwartaal, een overzicht krijgen van de stand van zaken en ook graag per NABO een overzicht van waarom deze nog niet is opgeheven. Ik vraag dat, omdat we daarmee de vinger aan de pols kunnen houden bij iets wat belangrijk is voor de spoorveiligheid.
Voorzitter. Ik heb één motie en die dien ik samen met collega Boelsma-Hoekstra van het CDA.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het van groot belang is dat onderhoudsmedewerkers op en langs het spoor veilig hun werk kunnen doen;
constaterende dat ProRail bezig is met het verlengen van nachtelijke buitendienststellingen, zodat er meer tijd is om op een veilige manier het onderhoud aan het spoor te kunnen uitvoeren;
verzoekt de regering om zorg te dragen voor goede afspraken tussen ProRail, aannemers en vervoerders, zodat onderhoudsmedewerkers veilig hun werk kunnen doen en er passend alternatief vervoer is voor reizigers wier trein aan de randen van de nacht wegens werkzaamheden vervalt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop en Boelsma-Hoekstra.
Zij krijgt nr. 114 (33652).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Leijen, die spreekt namens de fractie van D66.
Gaat uw gang.
De heer Van Leijen (D66):
Voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat NMBS bij de Europese Coördinator voor ERTMS een risico heeft gemeld voor de continuïteit van het grensoverschrijdende treinverkeer tussen België en Nederland, omdat NMBS vanaf 2030 uitsluitend met ETCS-uitgerust materieel rijdt, terwijl ERTMS op het traject Roosendaal-Belgische grens pas in 2031 wordt verwacht;
constaterende dat goederenvervoerders die reeds zijn overgestapt op ERTMS hiervan onevenredig nadeel ondervinden;
verzoekt de regering op korte termijn in overleg te treden met de Belgische autoriteiten over maatregelen om de continuïteit op dit traject te waarborgen, en de Kamer hierover uiterlijk in de 25ste voortgangsrapportage ERTMS te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Leijen, Schutz en Boelsma-Hoekstra.
Zij krijgt nr. 115 (33652).
De heer Van Leijen (D66):
Ik ben blij dat ik al deze afkortingen zonder stotteren heb kunnen uitspreken.
De voorzitter:
Ik zou als voorzitter bijna de afkortingen in moties willen verbieden, maar u deed het uitstekend. We gaan nu luisteren naar de heer Goudzwaard, die spreekt namens de fractie van JA21.
De heer Goudzwaard (JA21):
Dank u wel, voorzitter.
Ik heb maar één motie dit keer.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het blokkeren van spoorwegen een steeds vaker voorkomende demonstratietactiek is geworden;
constaterende dat het betreden van het spoor strafbaar is volgens artikel 22 van de Spoorwegwet;
overwegende dat deze spoorblokkerende demonstraties vervoerders en de samenleving jaarlijks miljoenen euro's kosten;
overwegende dat het vaak dezelfde demonstranten zijn die het spoor blokkeren;
overwegende dat de daders van deze spoorblokkades in de regel vrijuit gaan en zelden beboet worden;
verzoekt de regering te bevorderen dat het OM het blokkeren van spoorwegen als uitgangspunt strafrechtelijk vervolgt, dat het bevoegd gezag alle beschikbare bevoegdheden inzet om spoorblokkades te voorkomen en te beëindigen, en dat tegen recidiverende spoorblokkeerders persoonsgerichte maatregelen worden getroffen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Goudzwaard.
Zij krijgt nr. 116 (33652).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Duijvenvoorde, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie. Gaat uw gang.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Voorzitter, dank u wel.
Ik heb ook slechts één motie in te dienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de volledige landelijke uitrol van het digitale spoorbeveiligingssysteem ERTMS met de huidige aanpak pas tussen 2060 en 2070 gereed zal zijn;
constaterende dat een versnelde uitrol met afronding rond 2040 mogelijk is en de totale programmakosten met circa 800 miljoen euro verlaagt ten opzichte van de huidige trage aanpak;
overwegende dat veel deelsystemen van het huidige ATB-systeem tussen 2030 en 2040 het einde van hun levensduur bereiken;
overwegende dat het huidige trage tempo onvermijdelijk leidt tot ondoelmatige "oud voor oud"-vervangingen en desinvesteringen om oude installaties in de lucht te houden;
overwegende dat Nederland door verdere vertraging ook niet zal kunnen voldoen aan de Europese TEN-T-verplichtingen voor 2030, 2040 en 2050;
verzoekt de regering te kiezen voor de versnellingsaanpak voor de landelijke uitrol van ERTMS met als einddoel 2040, en hiervoor de benodigde extra kasruimte (circa 5 miljard euro) voor de periode tot 2040 tijdig in te passen in het Mobiliteitsfonds,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Duijvenvoorde.
Zij krijgt nr. 117 (33652).
Dank u wel. Dan gaan we tot slot luisteren naar de heer Prickaertz, die spreekt namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een drietal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer op 23 januari 2025 een motie heeft aangenomen over het actief opleggen van vervoersverboden aan overlastgevende asielzoekers;
constaterende dat de Kamer op 9 april 2025 ook een motie heeft aangenomen waarin de regering wordt verzocht werk te maken van landelijke en permanente reisverboden in het openbaar vervoer;
constaterende dat aan beide moties tot op heden geen uitvoering is gegeven en dat overlastgevers hier nog steeds mee wegkomen;
verzoekt de regering om alsnog uitvoering te geven aan de aangenomen moties door landelijke en permanente reisverboden voor overlastgevers in het openbaar vervoer actief op te leggen en te handhaven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Prickaertz en Vondeling.
Zij krijgt nr. 118 (33652).
De heer Prickaertz (PVV):
Dan de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat meer dan 90% van de boetes die aan asielzoekers in de trein worden opgelegd, niet wordt betaald;
overwegende dat het onacceptabel is dat een grote groep asielzoekers opgelegde boetes op het spoor onbetaald laat en de financiële gevolgen daarvan op de samenleving worden afgewenteld;
verzoekt de regering met maatregelen te komen om ervoor te zorgen dat openstaande boetes van deze groep niet-betalende asielzoekers alsnog worden geïnd en de Kamer hierover op korte termijn te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Prickaertz en Vondeling.
Zij krijgt nr. 119 (33652).
De heer Prickaertz (PVV):
Dan de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat "reizigersvereniging" Rover tonnen aan subsidies ontvangt;
constaterende dat de voorzitter van deze "reizigersvereniging" spoorblokkades aanmoedigt en daarmee niet opkomt voor de belangen van de reizigers, maar voor die van Hamas;
verzoekt de regering om de subsidieverstrekking vanuit het ministerie van IenW aan Rover op te schorten zolang de huidige voorzitter van deze vereniging aanblijft,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Prickaertz.
Zij krijgt nr. 120 (33652).
De heer Prickaertz (PVV):
Dat waren ze. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. We zijn aan het einde gekomen van deze termijn van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven vijf minuten nodig te hebben voor het opstellen van de appreciaties en de beantwoording van de gestelde vragen. Ik schors vijf minuten.
De vergadering wordt van 19.26 uur tot 19.32 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen het debat. Aan de orde is het tweeminutendebat Spoorveiligheid en ERTMS. We zijn toegekomen aan de beantwoording van de vragen en de appreciatie van de ingediende moties. Gezien het strakke vergaderschema van de Kamer, laat ik één vraag per eigen ingediende motie toe. Ik geef nu graag de staatssecretaris het woord. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Bertram:
Voorzitter, dank u wel. Eerst weer even de vragen.
De eerste vraag was van mevrouw Boelsma-Hoekstra. Die ging natuurlijk over de reisverboden en de vraag hoe we nu omgaan met de demonstranten. Ik zou u het volgende willen meegeven. Als eerste is er de handreiking gemaakt — die heb ik in het debat aangekondigd en die wordt ook gewisseld met alle driehoeken en met de vervoerders — voor wat je doet als deze demonstranten op het spoor zitten. Ik ben bezig met een convenant met IenW. Daarin zit dit element: wat doe je nou als mensen op het spoor zitten? U zult begrijpen dat dit voor een deel de Wet personenvervoer is, maar ook een deel strafrecht. Ik moet dit dus ook samen met de minister van JenV doen. Volgens mij heb ik dan de twee vragen van mevrouw Boelsma-Hoekstra in één keer behandeld.
Dan is er nog de vraag van de heer De Hoop over de overgangen. Er zijn er inmiddels 171 geregeld. We moeten er nog tien doen. Ik geloof dat er vanavond nog één geregeld wordt. Ja, ik bedoel: soms zit het mee en heb je ook nieuws te vertellen. Wat betreft die laatste tien: dat heeft te maken met natuurvergunningen en met de onteigeningen. Die onteigeningen zijn voor een deel gereed, maar die zijn gewoon ingewikkeld. Wat mij betreft rapporteer ik maar één keer in het halfjaar, als dat mag. Dat zou fijn zijn. Ik zie dat de heer De Hoop zijn duim opsteekt.
Dan kom ik op de moties. De motie op stuk nr. 114 krijgt oordeel Kamer als ik die mag verstaan als een inspanningsverplichting en niet als dat het echt zo moet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 114 krijgt oordeel Kamer als die op deze wijze geïnterpreteerd mag worden. De heer De Hoop knikt. Daarmee behoudt de motie op stuk nr. 114 oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 115.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 115 krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 115 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 116 wordt ontraden, omdat de vraag hoe hiermee om wordt gegaan, echt een bevoegdheid is van het Openbaar Ministerie. Daar kan ik niet in treden. Het is natuurlijk wel zo — dat heb ik net gezegd in mijn betoog richting mevrouw Boelsma — dat we met het ministerie van JenV in gesprek zijn, maar alles wat echt strafrecht en OM is, moet ik ook laten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 116 krijgt de appreciatie ontraden.
De heer Goudzwaard (JA21):
Ik snap de motivatie van de staatssecretaris. Ik zou de staatssecretaris willen vragen: kunt u de collega-bewindslieden dan wel aansporen met betrekking tot de noodzaak van dit gebeuren? Het kost deze bedrijven namelijk zo veel. Het gaat om honderdduizenden euro's. Ik hoop dat de bewindslieden hierin echt even samen zouden willen optrekken, want dat is hard nodig.
Staatssecretaris Bertram:
Dat kan ik toezeggen. Ik heb namelijk ook al de eerste handreiking gezien. Er wordt dus eigenlijk heel voortvarend opgetrokken, ook samen met de vervoerders, maar ik zal dit punt zeker meenemen.
De voorzitter:
Dan blijft de appreciatie van de motie op stuk nr. 116 ontraden. In het thema van het debat heeft de heer Goudzwaard "aangespoord" en is hier net een toezegging op gedaan. Dan kunnen we naar de motie op stuk nr. 117.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 117 is wat mij betreft ontijdig. Ik snap de motie goed, maar 1 oktober kom ik met een voortgangsrapportage en ik zeg toe dat ik dan deze elementen daarin meeneem.
De voorzitter:
De appreciatie van de motie op stuk nr. 117 is ontijdig. Ik kijk even naar de heer van Duijvenvoorde om te zien of hij motie aanhoudt.
Op verzoek van de heer Van Duijvenvoorde stel ik voor zijn motie (33652, nr. 117) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 118.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 118 is ontraden. De landelijke reisverboden zijn van het Openbaar Ministerie niet toegestaan. Dat staat ook in de handreiking van het Openbaar Ministerie. Het is eigenlijk het debat dat ik net ook had. Dat betekent dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 118 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
Dan de motie op stuk nr. 119. Het is aan het oordeel van het OM en het CJIB om deze boetes te incasseren. Voor zover mogelijk gebeurt dat ook. Ik weet vanuit mijn vorig leven dat het ingewikkeld is, maar er wordt wel zeer nauwlettend op gelet.
De voorzitter:
Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 119 de appreciatie ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
Het zal misschien niemand verbazen dat de motie op stuk nr. 120 ook ontraden wordt. Ik heb een briefje gestuurd, omdat ik, zoals ik beloofd had tijdens het commissiedebat, met de voorzitter heb gesproken. De voorzitter heeft ook aangegeven dat zij zeker niet gelukkig is met hoe zij zelf naar buiten toe in beeld kwam en dat zij dat ook betreurt.
De voorzitter:
Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat. Wij stemmen aanstaande dinsdag ... Meneer Schutz? Gaat uw gang.
De heer Schutz (VVD):
Ik had niet helemaal helder wat nu de appreciatie bij de motie op stuk nr. 120 was.
De voorzitter:
Die was: ontraden.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Wij gaan dinsdag stemmen over de ingediende moties. Ik schors voor een enkel ogenblik en daarna gaan wij voortvarend verder met het volgende tweeminutendebat.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Spoor
Spoor
Aan de orde is het tweeminutendebat Spoor (CD d.d. 03/06).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Spoor. Ik heet de leden van de Kamer welkom en ik heet nog steeds van harte welkom de staatssecretaris in vak K. Ik zie iemand binnenrennen. Dat is ook de eerste spreker van dit debat. Dat is de heer El Abassi. Die gaat spreken namens de fractie van DENK. Neem een slok water.
De heer El Abassi (DENK):
Zo, dat helpt.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Ik ga meteen aan de slag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de betaalbaarheid van treinreizen jarenlang onder druk staat en de prijs van treinkaartjes begin 2026 met 6,52% is gestegen;
overwegende dat openbaar vervoer, waaronder treinreizen, essentieel is voor toegang tot werk, onderwijs, zorg en sociale contacten en betaalbaar moet zijn;
verzoekt de regering zich in te spannen verdere prijsstijgingen bij de NS te voorkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1291 (29984).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de betaalbaarheid van treinreizen al jaren onder druk staat en de prijs van treinkaartjes begin 2026 met 6,52% is gestegen;
constaterende dat in de Voorjaarsnota 448 miljoen is gereserveerd voor het openbaar vervoer in 2026 en 2027, terwijl het kabinet eerder de intentie had uitgesproken een structurele oplossing vanaf 2026 te realiseren;
verzoekt de regering om bij de begrotingsbehandeling van Infrastructuur en Waterstaat met een structureel plan te komen om treinkaartjes bij NS ook na 2027 betaalbaar te houden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1292 (29984).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onduidelijk is hoe het bedrag van 448 miljoen, gereserveerd voor de betaalbaarheid van het openbaar vervoer in 2026 en 2027 precies wordt verdeeld en in hoeverre deze middelen daadwerkelijk en effectief ten goede komen aan reizigers;
overwegende dat effectieve parlementaire controle vraagt om inzicht in de besteding van publieke middelen en de effecten daarvan voor reizigers;
verzoekt de regering om de Kamer inzichtelijk te maken hoe de gereserveerde middelen worden verdeeld en welk effect dit heeft op de betaalbaarheid in het openbaar vervoer voor de treinreizigers,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1293 (29984).
De heer El Abassi (DENK):
Dan mijn laatste motie, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat NS als staatsdeelneming een publieke taak vervult en bestuurders van de NS salarissen ontvangen die hoger liggen dan het salaris van de minister-president, namelijk meer dan €400.000 en €500.000;
van mening dat maatschappelijke aanvaardbaarheid van beloningen aan de top van groot belang is, zeker in een periode waarin reizigers worden geconfronteerd met stijgende kosten voor het openbaar vervoer;
spreekt uit dat beloningen van bestuurders van de NS niet hoger zouden moeten zijn dan die van de minister-president,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1294 (29984).
De heer El Abassi (DENK):
Dat was het, voorzitter. Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer De Hoop, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
De heer De Hoop (PRO):
Voorzitter. Sinds maandag is het Nederlandticket gelanceerd. We kunnen volgens mij wel stellen dat het tot nu toe een groot succes is. Voor 10.00 uur 's ochtends waren er al meer dan 20.000 tickets verkocht, met driekwart nieuwe reizigers, en de website lag er zelfs uit doordat het zo populair was. Mooi nieuws en dank aan de staatssecretaris dat ze hier zo voortvarend mee aan de gang is gegaan.
Ik heb nog wel één vraag. We willen natuurlijk wel voorkomen dat mensen ongewenst vastzitten aan een abonnement. Kan de staatssecretaris toezeggen dat reizigers proactief erover geïnformeerd worden dat, mochten zij niet langer ook een dalurenabonnement willen, zij dat moeten opzeggen en dat er coulant om wordt gegaan met reizigers die daarmee net te laat zijn? Zou ze daar gesprekken met de NS over willen voeren?
Dan heb ik nog twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Europese Commissie met plannen komt om het internationaal reizigersvervoer in de EU te versterken;
overwegende dat er veel potentie is om het internationaal reizigersvervoer per trein verder op te schalen, maar dat hiervoor van belang is dat de bestaande belemmeringen worden weggenomen;
verzoekt de regering om met een plan van aanpak te komen met daarin een duidelijke visie op de toekomst van het internationaal spoor tussen Nederland en de omliggende landen;
verzoekt de regering voorts om in Europa met gelijkgestemde landen een voortrekkersrol te nemen bij het verbeteren van internationale treinen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop, Van Leijen en Grinwis.
Zij krijgt nr. 1295 (29984).
De heer De Hoop (PRO):
Dan de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de internationale treinen naar onder andere Parijs, Londen en Berlijn regelmatig uitverkocht zijn of alle zitplaatsen gereserveerd zijn;
overwegende dat het om het gebruik van internationale treinen aantrekkelijker te maken van belang is dat er voldoende beschikbaarheid is, ook voor reizigers die relatief vlak voor vertrek nog een ticket zoeken;
verzoekt de regering om met de aanbieders van internationale treinen en ProRail in gesprek te gaan om te bezien welke mogelijkheden er zijn om het aantal internationale treinen verder op te schalen, actief bestaande belemmeringen weg te nemen, en de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop en Grinwis.
Zij krijgt nr. 1296 (29984).
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Boelsma-Hoekstra, die spreekt namens de fractie van het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Voorzitter. De NS gaan vanaf 2027 werken met lijnnummers. Dat is een goed idee, want het maakt het spoor overzichtelijker, maar dan moeten die lijnnummers niet alleen handig zijn op de borden en in de app. Dan moeten reizigers ook kunnen zien hoe hun lijn presteert, want een landelijk gemiddelde zegt weinig als jouw trein te laat is, uitvalt, te vol zit of onveilig voelt. Daarom vraag ik de staatssecretaris: wil zij met de NS afspreken dat bij de invoering van de lijnnummers ook per lijn inzichtelijk kan worden gemaakt hoe het zit met de punctualiteit, uitval, zitplaatsenkans, klantenoordeel en sociale veiligheid? Wil zij niet alleen laten rapporteren, maar hier ook op gaan sturen, met bijvoorbeeld bodemwaarden per lijn of per traject? Kan zij de Kamer voor de midterm review laten weten hoe ze dit concreet gaat doen?
Voorzitter. Dan de Toekomstige Marktordening Spoor. Dat is een belangrijk traject, met grote gevolgen voor reizigers, regio's en vervoerders. We hebben het er lang over gehad in het commissiedebat. Zou het helpen om hiervoor een coördinator of procesbegeleider aan te stellen, die het proces zorgvuldig begeleidt en de verbinding legt tussen overheden en vervoerders? Kan de staatssecretaris de Kamer kort na de zomer informeren over de opdracht hiervoor, als het zover komt, en het moment waarop zo'n rol kan starten?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Grinwis, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Eerst maar eens een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er een grote vraag is naar een rechtstreekse verbinding tussen Eindhoven en Antwerpen en dat hiervoor spoorcapaciteit beschikbaar is;
verzoekt de regering om in overleg met België te komen tot een EuroCity Brussel-Breda die voortaan doorrijdt naar Eindhoven Centraal, zo mogelijk vanaf eind 2027, en de Kamer te informeren over de uitkomst en/of een concessiewijziging voor te leggen;
verzoekt de regering voorts om samen met België te onderzoeken of de EuroCity Direct binnen de huidige concessie kan worden opgewaardeerd naar een halfuurdienst,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Boelsma-Hoekstra, De Hoop, Goudzwaard en Van Leijen.
Zij krijgt nr. 1297 (29984).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik heb ook nog een vraag. Ik heb even getwijfeld of ik daarvoor een motie zou meebrengen. Die betreft het vierde perron in Deventer. Jarenlang hebben wij gestreden voor de flessenhals bij Meppel. Eindelijk is daar geld voor uitgetrokken en wordt die opgelost. Maar eigenlijk is er nog zo'n klein knelpunt; klein in de zin van dat het niet zo veel kost. Het is een overzichtelijk project, maar je lost daar iets op voor Oost-Nederland, want Deventer is de draaischijf voor Oost-Nederland. Daar komen twee keer per uur vier treinen samen, maar die komen in de praktijk niet samen, want er zijn maar drie perrons; ze passen niet. Ik wil deze casus ook meegeven voor de afwegingskaderbrief die we nog krijgen. Hoe worden dit soort lokale kleine maatregelen, met een groot regionaal effect en grote baten, nu uiteindelijk meegewogen in dit afwegingskader? Dat wil ik meegeven aan de staatssecretaris. Als er niet nu een antwoord op komt, dan hoop ik dat terug te lezen in die brief.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Van Leijen, die spreekt namens de fractie … Dat gaan wij niet doen. Wij gaan luisteren naar de heer Goudzwaard, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
De heer Goudzwaard (JA21):
Dank u, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet begin 2027 een besluit wil nemen over de toekomstige marktordening op het spoor na 2033;
overwegende dat de keuze voor een marktordening geen doel op zichzelf is, maar moet voortvloeien uit de publieke belangen en beleidsdoelen die op het spoor worden nagestreefd;
overwegende dat een zorgvuldige marktanalyse vraagt om duidelijkheid vooraf over de beleidsdoelen en de publieke belangen waarop de verschillende marktordeningsvarianten worden beoordeeld;
verzoekt de regering voorafgaand aan de uitvoering van de marktanalyse de Kamer een beleidskader voor de toekomstige marktordening voor te leggen waarin de publieke belangen en beleidsdoelen voor het spoor na 2033 zijn uitgewerkt;
verzoekt de regering de Kamer in de gelegenheid te stellen hierover haar oordeel te geven alvorens de marktanalyse wordt uitgevoerd;
verzoekt de regering vervolgens de marktanalyse uit te voeren aan de hand van dit beleidskader en de uitkomsten daarvan te betrekken bij de besluitvorming over de toekomstige marktordening,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Goudzwaard.
Zij krijgt nr. 1298 (29984).
De heer Goudzwaard (JA21):
Voorzitter. Dan de laatste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de directe treinverbinding tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk een belangrijke economische en maatschappelijke meerwaarde heeft voor Nederland;
constaterende dat Eurostar jaarlijks een bijdrage levert aan de kosten van grenscontroles door de Koninklijke Marechaussee, in tegenstelling tot andere Europese landen;
constaterende dat vanwege capaciteitsproblemen op de UK Terminal er met slechts 250 passagiers per trein gewerkt kan worden;
overwegende dat de inzet van e-gates en verdere digitalisering de capaciteit van de UK Terminal kan vergroten zonder het verhogen van uitvoeringskosten ten behoeve van grenscontroles;
overwegende dat internationale treinverbindingen vanuit Nederland op eerlijke wijze moeten kunnen concurreren met andere internationale vervoersmodaliteiten;
verzoekt de regering ervoor zorg te dragen dat de capaciteit van de UK Terminal op Amsterdam Centraal, door de inzet van e-gates, wordt uitgebreid naar 650 passagiers per trein zoals eerder in het vooruitzicht gesteld;
verzoekt de regering zich ervoor in te spannen dat Eurostar in Nederland onder vergelijkbare voorwaarden kan opereren als in de ons omringende landen, zodat een gelijk speelveld voor internationale treinverbindingen wordt bevorderd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Goudzwaard.
Zij krijgt nr. 1299 (29984).
De heer Goudzwaard (JA21):
Sorry dat de motie een beetje te lang was.
De voorzitter:
Het zij u gegund. Dank u wel. De staatssecretaris heeft zeven minuten nodig, dus ik schors voor zeven minuten.
De vergadering wordt van 19.50 uur tot 19.57 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Spoor. Wij zijn toegekomen aan de termijn van de staatssecretaris. Ik geef haar daar graag van harte het woord toe. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Bertram:
Dank u wel, voorzitter. Ik zal weer eerst de vragen doen. De eerste vraag was van de heer De Hoop, die vroeg: als je dat fantastische ticket organiseert, krijg je dan een seintje zodat je er niet aan vastzit? Ja, dat heb ik inderdaad met de NS besproken. Daar is aandacht voor. Het moest natuurlijk wel in een bepaald systeem, maar we doen ons best.
De tweede vraag was van mevrouw Boelsma-Hoekstra en ging over de nummers. We gaan dat inderdaad meenemen bij de midterm en de bodemwaarde. Het is wel zo dat als je het per lijn monitort, het geen achteruitgang moet zijn, maar dat zullen we heel snel eens zijn.
De derde vraag was of een coördinator zou kunnen helpen. Op zich zou dat best goed zijn, zoals ik natuurlijk ook in het debat al heb gezegd. Zoals ik beloofd had, wil ik wel even inzichtelijk maken hoe we dit hele proces gaan inrichten. Ik heb beloofd dat voor de zomer te doen en dat ga ik ook doen. Dat betekent dat ik ook een oordeel vel over de vraag of dit helpt in de relatie met de commissie, de vervoerders en alle medeoverheden. Dan zal ik het ook hebben over het moment, de opdracht en het starten.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, ik wil de staatssecretaris even de gelegenheid geven om alle vragen te beantwoorden. Daarna doen we dan de interrupties.
Staatssecretaris Bertram:
Dan kom ik nog bij Deventer, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, ik zat al in spanning over het perron in Deventer.
Staatssecretaris Bertram:
Het perron in Deventer. Ik ben daar geweest. Dat is in ieder geval goed nieuws natuurlijk. Ik weet dus hoe het zit. Het is inderdaad een draaischijf; dat begrijp ik helemaal. Dat is ook omstandig uitgelegd. Het is onderdeel van het afwegingskader, dus ik beschouw dat maar, zoals de heer Grinwis zei, als een aanmoediging om dat in ieder geval in het achterhoofd te houden. Zo zal het op meer plekken in Nederland zijn.
De voorzitter:
Ik zie de heer Grinwis tevreden knikken, maar het is nog net niet genoeg. Eén vraag, meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nee, ik ga niet door op dat laatste. Het gaat over de eerste vraag van collega De Hoop, over het Nederlandticket. Collega De Hoop roemde het succes van het Nederlandticket. Daar ben ik erg in geïnteresseerd. We hebben aan de voorkant een inschatting gemaakt welk bedrag naar de NS zou moeten om dit mogelijk te maken. Is de staatssecretaris ook bereid om de marginale baten en de marginale kosten van dit Nederlandticket nauwkeurig te monitoren, zodat we straks na afloop ook weten of dit eigenlijk een veel goedkoper middel is om de daluren gevuld te krijgen dan we aanvankelijk dachten?
Staatssecretaris Bertram:
Dat wil ik toezeggen. Ik zeg ook overal dat ik het een uniek experiment vind en dat ik ook echt serieus heel benieuwd ben naar welke mensen meedoen, welke al een abonnement hadden, welke nieuw zijn, welke echt nieuw in de trein komen, en dus of het de beweging in gang heeft gebracht die we heel graag wilden hebben.
Dan ga ik naar de moties. De motie op stuk nr. 1291 verzoekt de regering om zich in te spannen om verdere prijsstijgingen te voorkomen. Dat is natuurlijk best een sympathieke motie, maar toch ga ik 'm ontraden, want zonder dekking en zonder dat ik het hele begrotingsproces door ben geweest, kan ik niet anders dan ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1291 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 1292 is ook goed te begrijpen, maar om dezelfde reden ontraad ik 'm toch. Ik ga het begrotingsproces in. Bovendien heeft dit een heel belangrijke oorsprong, dus moet ik heel goed kijken wat we daarmee gaan doen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1292 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 1293 wordt ook ontraden. Dat krijgt uiteraard een plek bij de begrotingsbehandeling.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1293 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 1294 is een spreekt-uitmotie.
De voorzitter:
Ja, klopt. Die hoeft u niet te appreciëren.
Staatssecretaris Bertram:
Nee. Dat ga ik dan ook niet doen.
De motie op stuk nr. 1295 is oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1295 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 1296 is oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1296 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 1297 is oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1297 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 1298 is wat mij betreft ontijdig. Ik kom natuurlijk met het procesvoorstel over hoe we dit hele proces van de marktordening in gaan richten, inclusief die kwantiteitsbenadering. Ik wil daar ook even de tijd voor hebben. Ik heb ook in het debat gezegd dat ik niet tegen een marktanalyse ben — ik heb ze vaak genoeg gedaan — maar dat ik wel dat proces wil schetsen.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de heer Goudzwaard om te zien of hij bereid is om de motie aan te houden nu deze de appreciatie "ontijdig" heeft gekregen.
Op verzoek van de heer Goudzwaard stel ik voor zijn motie (29984, nr. 1298) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Ik heb afgesproken, meneer Schutz, dat we alleen vragen stellen over eigen ingediende moties, dus ik wil graag verder met de volgende motie. Dat is de motie op stuk nr. 1299.
Staatssecretaris Bertram:
Oké. De motie op stuk nr. 1299: ontraden, en wel om de volgende reden. Ik heb in het debat met de commissie gezegd dat er een contract is afgesproken met Eurostar. Overigens vind ik ook internationale treinen van groot belang; anders zou ik niet zo veel moties oordeel Kamer hebben gegeven. Ik weet dat de collega van AenM met Eurostar in gesprek is. Wij doen daaraan mee. Die eGates waren ook onderdeel van dat contract. Ik denk dat het verstandig is om dat gesprek met Eurostar op een goede manier te voeren, want als je een contract met elkaar afsluit en je dat wil wijzigen, dan moet je het ook hebben over hoe je dat dan zou kunnen wijzigen en wat de consequenties zijn.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1299 wordt ontraden. Dat geeft aanleiding tot één vraag. Meneer Goudzwaard, gaat uw gang.
De heer Goudzwaard (JA21):
Als ik zo luister naar onze staatssecretaris, dan worden eigenlijk alle vinkjes afgevinkt die in deze motie staan. Ik zie dus geen enkele aanleiding om deze te ontraden. Wij vragen om inzet op die eGates, niet om extra KMar-inzet. Dat is volgens mij initieel ook afgesproken. Er zijn volgens mij hele goede bewegingen richting Eurostar om dit echt actief te onderzoeken. Dus het enige dat de staatssecretaris hoeft te doen, is deze motie oordeel Kamer geven. Dan ligt alles volgens mij perfect in lijn met elkaar.
Staatssecretaris Bertram:
Het gaat bijvoorbeeld ook om de laatste overweging, waar u zegt: laat de regering zich ervoor inspannen dat Eurostar in Nederland onder vergelijkbare voorwaarden kan opereren. Dat suggereert dat dat op dit moment niet zo is. Dat is waarschijnlijk al een van de discussies die we met Eurostar hebben. Waarom is het nu zo dat dit contract tussen Eurostar en de Staat is afgesloten? Omdat die controle niet in Amsterdam had hoeven plaatsvinden maar in België, dus als je Europa uitgaat. Was het naar Duitsland geweest, dan had je dit probleem niet gehad. Dat staat in het convenant. Dat contract is opgesteld op verzoek van Eurostar en de toenmalige bewindspersonen van IenW. Als je dat anders wil, dan moet je het daar wel fatsoenlijk over hebben, ook over de kosten die dat met zich meebrengt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1299 blijft ontraden. De heer El Abassi gaat één vraag stellen over zijn eigen motie. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Ik heb mijn eerste motie echt een aantal keer gelezen. Ik hoorde de staatssecretaris toch echt aangeven dat de motie redelijk sympathiek klonk. Tegelijkertijd vroeg de staatssecretaris wat de dekking zou zijn. Ik heb die motie gelezen en die gaat om een inspanning. Ik kan moeilijk met een dekking komen als ik de staatssecretaris vraag om zich in te spannen om verdere prijsstijging te voorkomen. Ik zou de staatssecretaris willen vragen: bedoelt ze daarmee dat ze zich niet wil inspannen om de prijsstijging te voorkomen?
Staatssecretaris Bertram:
Nee, dat laatste is zeker niet het geval. Ook mijn voorgangers hebben uiteindelijk samen met de NS voorkomen dat de prijsstijging 12% was. Uit mijn hoofd was het daarentegen 6,8%. Uiteraard gaan we datzelfde gesprek weer voeren, maar ik kan natuurlijk niet vooruitlopen op dat proces. Ik kan me er ook niet op toeleggen, want uiteindelijk moet dit ook gewoon zijn beloop hebben. Vandaar dat ik nu zeg: deze motie moet ik ontraden.
De voorzitter:
Daarmee blijft de motie op stuk nr. 1291 ontraden. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Wij stemmen aanstaande dinsdag over de ingediende moties. Ik schors voor een enkel ogenblik.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden
Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden
Aan de orde is het tweeminutendebat Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden (28089, nr. 352).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden. Ik heet de leden van de Kamer van harte welkom en ook nog steeds de staatssecretaris in vak K. Wij gaan luisteren naar de bijdrage van het lid Kostić, dat spreekt namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank, voorzitter. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft een aantal jaren terug al geconcludeerd dat omwonenden onvoldoende worden beschermd tegen de industrie. Dat leidde tot de Actieagenda Industrie en Omwonenden. Maar zelfs onze eigen toezichthouders, de omgevingsdiensten, hebben een brandbrief gestuurd waarin ze zeggen dat er echt te weinig gebeurt. De staatssecretaris heeft ons toegezegd in gesprek te gaan met de omgevingsdiensten en de echte maatregelen die worden geschetst in de factsheet te overwegen. We wachten met smart op deze terugkoppeling en hopen dat de staatssecretaris serieuze stappen zal ondernemen.
Ondertussen heb ik twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er een landelijke gesprekstafel gezondheid en industrie wordt ingericht waarin onder andere bedrijven, overheden en omwonenden samenkomen;
overwegende dat het draagvlak en de effectiviteit van de gesprekstafel mede afhankelijk zijn van de mate waarin omwonenden gehoord worden en invloed ervaren op de opzet en werkwijze van de tafel;
overwegende dat de aanleiding van de actieagenda was dat de onafhankelijke OVV concludeerde dat de belangen van burgers onvoldoende worden beschermd ten opzichte van de belangen van de industrie;
verzoekt de regering om te waarborgen dat omwonenden volwaardig en evenwichtig worden betrokken bij de werkwijze van de landelijke gesprekstafel en hen steeds op tijd en transparant te informeren, zodat hun inbreng bijdraagt aan het versterken van de effectiviteit en het draagvlak van de tafel,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić, Zalinyan en Zwinkels.
Zij krijgt nr. 355 (28089).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering een verkenning start naar subsidiërende maatregelen in het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden;
overwegende dat uit het SEO-onderzoek naar maatschappelijke kosten en baten van milieumaatregelen blijkt dat beprijzing van milieubelastende emissies in veel gevallen een hoog maatschappelijk rendement heeft, terwijl subsidies alleen vaak minder doeltreffend zijn;
overwegende dat een zorgvuldige afweging van beleidsopties bijdraagt aan doelmatig beleid en een gelijk speelveld voor bedrijven;
verzoekt de regering om in de aangekondigde verkenning naar positieve financiële instrumenten ook expliciet varianten van emissiebeprijzing te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić en Zalinyan.
Zij krijgt nr. 356 (28089).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Zalinyan, die spreekt namens de fractie van PRO.
Mevrouw Zalinyan (PRO):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het RIVM onlangs constateerde dat de gezondheidsbaten van het Schone Lucht Akkoord groter zijn dan verwacht, mits alle maatregelen en afspraken worden uitgevoerd;
overwegende dat IJmond en Rijnmond ook bij volledig uitvoeren van alle maatregelen een hotspot blijven;
verzoekt de regering om erop toe te zien dat alle maatregelen en afspraken uit het SLA tijdig en onverkort worden uitgevoerd;
verzoekt de regering om met een aanvullend pakket maatregelen te komen om de luchtkwaliteit in IJmond en Rijnmond te verbeteren, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en Kostić.
Zij krijgt nr. 357 (28089).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de OVV in zijn rapport Industrie en omwonenden concludeert dat overheden en omgevingsdiensten kampen met een kwetsbare informatiepositie en een tekort aan onafhankelijke handhavingscapaciteit;
overwegende dat het niet houden aan bestaande wet- en regelgeving niet mag lonen;
verzoekt de regering om met een concreet voorstel te komen om de capaciteit, expertise en de onafhankelijke meet- en handhavingstaken binnen de gehele keten van omgevingsdiensten, milieurecherche en Openbaar Ministerie te versterken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en Kostić.
Zij krijgt nr. 358 (28089).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat veel productieprocessen nu onnodig vervuilend zijn, omdat niet de best beschikbare technieken worden toegepast;
overwegende dat de OVV adviseert om bestaande BBT-regelgeving beter toe te passen;
verzoekt de regering om de Europese BBT-regels en -technieken direct en onverkort te implementeren in algemene nationale regels en te onderzoeken hoe de uitzonderingssituaties voor verouderde installaties zo snel mogelijk kunnen worden beëindigd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en Kostić.
Zij krijgt nr. 359 (28089).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat sinds 2016 een landelijke minimalisatieplicht geldt voor lozingen van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en pfas, waarbij bedrijven verplicht zijn om elke vijf jaar een vermijdings- en reductieprogramma (VRP) op te stellen;
overwegende dat in 2020 in de Delta-aanpak Waterkwaliteit bestuurlijk is bekrachtigd dat vergunningen en lozingen minimaal iedere vijf jaar kritisch tegen het licht worden gehouden;
overwegende dat het rapport Focus op industriële lozingen van de Algemene Rekenkamer uit maart 2026 constateert dat de overheid ondanks deze afspraken geen goed zicht heeft op wat bedrijven in het oppervlaktewater lozen;
verzoekt de regering om te borgen dat uitvoeringsinstanties als Rijkswaterstaat, omgevingsdiensten en waterschappen voldoende capaciteit hebben om hun wettelijke taken uit te voeren, zodat vergunningen voor lozingen van ZZS en pfas hooguit vijf jaar oud zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en Kostić.
Zij krijgt nr. 360 (28089).
Dank u wel. Dan gaan we tot slot luisteren naar mevrouw Vellinga-Beemsterboer, die spreekt namens de fractie van D66. Het is bijna "tot slot". U bent de een na laatste.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er in de Actieagenda Industrie en Omwonenden ingezet wordt op het stimuleren van bedrijven via subsidies om gezondheidswinst te behalen voor omwonenden van industrie;
overwegende dat er aanzienlijke maatschappelijke kosten gebonden zijn aan de uitstoot van schadelijke stoffen in de vorm van gezondheidsschade en publieke saneringskosten;
overwegende dat het eerlijk verdelen van deze kosten kan bijdragen aan een schonere leefomgeving zonder dat er strengere normen voor bedrijven opgelegd hoeven worden;
verzoekt de regering om in de aangekondigde verkenning in kaart te brengen op welke wijze met andere vormen van financiële prikkels, zoals heffingen, de uitstoot van schadelijke stoffen en de maatschappelijke kosten daarvan kunnen worden teruggedrongen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vellinga-Beemsterboer.
Zij krijgt nr. 361 (28089).
Dank u wel. Dan gaan we nu daadwerkelijk tot slot luisteren naar mevrouw Zwinkels, die spreekt namens de fractie van het CDA.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Voorzitter. Het is goed om te zien dat Nederland op koers ligt om de doelstellingen van het Schone Lucht Akkoord te halen. De verwachte gezondheidswinst is zelfs groter dan eerder werd gedacht. Dat betekent schonere lucht, minder gezondheidsklachten en een hogere levensverwachting. Complimenten aan alle betrokken partijen. Het succes van het Schone Lucht Akkoord onderstreept de waarde van samenwerking tussen Rijk, provincies en gemeenten. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om via deze regionale samenwerkingsverbanden meer provincies en gemeenten aan te laten sluiten zodat de behaalde resultaten verder kunnen worden uitgebouwd en extra gezondheidswinst kan worden gerealiseerd?
Om verdere stappen te zetten naar een gezonde leefomgeving wordt ingezet op diverse pilots en verkenningen, hebben we gelezen, zoals het vroegtijdig betrekken van GGD-adviezen, nieuwe meetmethoden met betrokkenheid van inwoners, én positieve financiële prikkels voor bovenwettelijke emissiereducties. Kan de staatssecretaris aangeven hoe de resultaten hiervan worden vertaald naar beleid en uitvoering? En hoe en wanneer de Kamer hierin wordt meegenomen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven vijf minuten nodig te hebben. Ik schors voor vijf minuten.
De vergadering wordt van 20.13 uur tot 20.19 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden en wij zijn toegekomen aan de beantwoording van de vragen en de appreciatie van de ingediende moties. Ik geef graag de staatssecretaris het woord. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Bertram:
Voorzitter. Er waren twee vragen van mevrouw Zwinkels. Aan het Schone Lucht Akkoord mag iedereen meedoen. Alle provincies doen ook mee. We liggen op koers. Ik was ook heel verheugd over het resultaat. Het is wel op vrijwillige basis, maar we proberen elke keer weer ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk partijen meedoen.
Uw tweede vraag was: wanneer kunnen we iets horen over de resultaten vertaald naar beleid en uitvoering als naar alle maatregelen wordt gekeken? Eind volgend jaar komt er een Kamerbrief en eind dit jaar een voortgangsbrief, waarin alle sporen worden langsgelopen.
De voorzitter:
Mevrouw Zwinkels, één vraag. Gaat uw gang.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Het is goed om te horen dat er een voortgangsbrief komt en volgend jaar ook concrete resultaten. Bij het eerste punt, over het Schone Lucht Akkoord, ben ik heel benieuwd wat het kabinet kan doen om te stimuleren dat nog meer gemeenten zich aansluiten. En hoe kunnen we ervoor zorgen dat de regionale samenwerking daarin van betekenis kan zijn? Ik weet dat het vrijwillig is.
Staatssecretaris Bertram:
Zeker. Ik heb hierover binnenkort weer een bestuurlijk overleg met bevoegd gezagen. We bespreken dan elke keer hoe we die partijen erbij kunnen halen. We zullen dat meenemen bij de resultaten van de brief.
De voorzitter:
Gaat u verder met de moties.
Staatssecretaris Bertram:
Dan kom ik bij de appreciatie van de moties.
De motie op stuk nr. 355 krijgt oordeel Kamer als ik 'm zo mag interpreteren dat de gesprekstafel de dialoogtafel wordt. Het belangrijkste is dat zij plekken in Nederland gaan kiezen waar ze heel actief met bewoners en andere partijen het gesprek aangaan zodat echt op locatie met bewoners wordt gesproken om erachter te komen wat zij precies aan problemen ervaren en wat oplossingen zouden kunnen zijn.
De voorzitter:
Ik kijk heel even naar de eerste indiener en zie een gebaar dat de voorzitter niet als ja of nee kan interpreteren. Ik zie nu een duim. Het lid Kostić is het eens met de gegeven interpretatie en dus krijgt de motie op stuk nr. 355 oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
Ik was het lid Kostić even kwijt, maar ze was daar. Ja. Dank.
De motie op stuk nr. 356 krijgt ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 356 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 357 is ontraden, juist omdat het Schone Lucht Akkoord niet juridisch dwingend is. Gemeenten gaan het doen. We lopen echt te duwen en te trekken. Bij de implementatie van de EU-richtlijn Luchtkwaliteit moet dit bovendien sowieso gebeuren. Er komen dus twee lijnen samen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 357 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 358 moet ik ook ontraden, omdat er geen dekking is als er meer capaciteit zou moeten komen. Maar ik wil wel op het volgende wijzen. Ik heb in het debat gezegd dat ik met de omgevingsdiensten en met alle betrokkenen binnenkort, ik meen op 6 juli, om de tafel zit. Dan gaan we bespreken wat al die taken betekenen en dan hebben we ook de resultaten van de eerste onderzoeken. Dan wordt dit in ieder geval meegenomen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 358 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 359 wordt ook ontraden. Wij hebben onlangs de RI&E besproken. Als die wordt ingevoerd, ga je dit al doen. Ik wil er nog bij zeggen dat er onderzoek is gedaan naar de verouderde installaties. Dat levert eigenlijk heel weinig op. Ik zou echt alle kracht vooruit met de RI&E willen gaan.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 359 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
Dan de motie op stuk nr. 360. Die gaat over de lozingen. Die is voor de minister van IenW. Ik ontraad de motie omdat het een wettelijke taak is en omdat het ook hier zou kunnen gaan om uitbreiding. Volgende week is er een debat met de minister en ik heb met hem besproken dat hij hierop gaat terugkomen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 360 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 361 krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 361 krijgt oordeel Kamer.
Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Wij stemmen aanstaande dinsdag over de ingediende moties. Ik schors voor enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Externe veiligheid
Externe veiligheid
Aan de orde is het tweeminutendebat Externe veiligheid (CD d.d. 10/06).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het laatste tweeminutendebat van vandaag. Dat gaat over externe veiligheid. Ik heet de leden van de Kamer welkom en opnieuw en nog steeds de staatssecretaris in vak K. Wij gaan luisteren naar mevrouw Zalinyan, die spreekt namens de fractie van PRO.
Mevrouw Zalinyan (PRO):
Dank.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het Europees milieuagentschap ECHA de korte-keten-pfas TFA recentelijk heeft bestempeld als schadelijk voor de vruchtbaarheid en het ongeboren kind;
overwegende dat in de Kaderrichtlijn Water TFA sinds kort is ondergebracht bij de groepsnorm voor pfas in het oppervlaktewater en de pfas-concentratie in de Merwede ver boven de KRW-norm ligt;
overwegende dat de omgevingsdienst DCMR toch van plan is om een nieuwe vergunning af te geven aan Chemours;
verzoekt de regering om alles in het werk te stellen om te voorkomen dat er een nieuwe vergunning wordt afgegeven voor het lozen van TFA door Chemours,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en Kostić.
Zij krijgt nr. 362 (28089).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat pfas persistent, accumulerend en gezondheidsschadelijk is en wordt verwerkt in talloze consumentenproducten, zoals kookgerei, make-up, kleding, verpakkingsmaterialen en vele andere producten;
overwegende dat consumenten vaak niet weten of kunnen weten of een product pfas bevat;
overwegende dat consumenten recht hebben op duidelijke informatie over stoffen die schadelijk zijn voor onze gezondheid en onze leefomgeving;
verzoekt de regering om een vorm van etikettering voor consumentenproducten die pfas bevatten uit te werken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en Kostić.
Zij krijgt nr. 363 (28089).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat voor veel pfas-houdende producten alternatieven beschikbaar zijn;
overwegende dat Frankrijk al heeft besloten tot een verbod op pfas in kleding;
verzoekt de regering om in navolging van Frankrijk een pfas-verbod voor kleding uit te werken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en Kostić.
Zij krijgt nr. 364 (28089).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat pfas in talloze producten en productieprocessen wordt gebruikt, maar dat slechts een deel hiervan essentieel en onvervangbaar is op dit moment, met een groot maatschappelijk of individueel belang;
verzoekt de regering om te onderzoeken welk gebruik van pfas onmisbaar is of voor welke onmisbare toepassingen op dit moment geen redelijke alternatieven bestaan en in welke hoeveelheden deze worden geproduceerd, en de Kamer voor het einde van het jaar hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Zalinyan.
Zij krijgt nr. 365 (28089).
Mevrouw Zalinyan (PRO):
En de laatste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat pfas een zeer schadelijke en persistente stof is, die zich ophoopt in ons milieu en ons lichaam;
overwegende dat zonder ingrijpen de maatschappelijke economische schade door pfas-vervuiling oploopt tot miljarden euro's;
verzoekt de regering de pfas-kraan dicht te draaien en een productieverbod van pfas-stoffen in te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en Kostić.
Zij krijgt nr. 366 (28089).
Mevrouw Zalinyan (PRO):
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan luisteren naar mevrouw Vellinga-Beemsterboer, die spreekt namens de fractie van D66.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb geen motie, maar nog wel een paar vragen.
Voorzitter. Nederland heeft de ambitie uitgesproken om zo snel mogelijk te komen tot een verbod op pfas-lozingen. Uit eerdere onderzoeken bleek waar dat spaak loopt op juridisch en technisch vlak. Nu loopt er een nieuwe verkenning, om te kijken hoe er wél een lozingsverbod kan komen. Wat D66 betreft komt dat verbod er snel en doen we dat door verschillende categorieën voor bedrijven te maken, zoals ik ook tijdens het debat heb aangegeven: bedrijven die zelf pfas of pfas-producten produceren en bedrijven die onbedoeld pfas lozen. Ik kan me voorstellen dat een lozingsverbod voor bedrijven die pfas actief in het productieproces hebben op minder juridische en technische bezwaren stuit. Ik hoor graag of dit verschil inderdaad uiteen wordt gezet in de verkenning naar het lozingsverbod.
Ondertussen wachten we op Europa voor een algeheel pfas-verbod. Daarbij is Nederland als het goed is kartrekker. Hoe staat het daarmee? Wanneer verwacht de staatssecretaris dat het verbod van kracht gaat? Wat is wat haar betreft de deadline?
Ik ben natuurlijk niet alleen van de stok, maar ook van de wortel. Instituten als Wetsus laten zien dat het technisch allang mogelijk is om pfas aan de voorkant op te vangen, zonder dat het geloosd hoeft te worden. Laatste vraag: hoe stimuleert de staatssecretaris deze innovaties om ervoor te zorgen dat bedrijven zelf ook kunnen investeren in deze innovatieve technieken om pfas-lozingen te voorkomen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Goudzwaard. Hij spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
De heer Goudzwaard (JA21):
Dank u, voorzitter. Eén motie deze keer.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese pfas-restrictie momenteel wordt voorbereid binnen het REACH-kader;
constaterende dat pfas-toepassingen in bepaalde gevallen van groot belang zijn voor onder meer voedselveiligheid, drinkwaterzuivering, geneesmiddelenproductie en de halfgeleiderindustrie;
overwegende dat een zorgvuldig onderscheid tussen essentiële en niet-essentiële toepassingen van pfas noodzakelijk is;
overwegende dat aanvullende nationale maatregelen vooruitlopend op Europese besluitvorming kunnen leiden tot extra lasten voor bedrijven en uitvoeringsorganisaties en het gelijke speelveld binnen Europa kunnen verstoren;
verzoekt de regering af te zien van nationale pfas-maatregelen die verder gaan dan toekomstige Europese regelgeving, tenzij aantoonbaar sprake is van een zwaarwegend nationaal belang;
verzoekt de regering zich binnen Europa in te zetten voor een risicogebaseerde benadering met maatwerk voor essentiële toepassingen van pfas waarvoor geen volwaardig alternatief beschikbaar is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Goudzwaard.
Zij krijgt nr. 367 (28089).
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot één vraag. Gaat uw gang.
Kamerlid Kostić (PvdD):
We weten inmiddels hoe schadelijk pfas is. Mensen kunnen er kanker van krijgen en ongeboren baby's kunnen er schade van ondervinden. Ik heb hier een motie, uit oktober 2024, die de regering verzoekt om voor de zomer een verbod op het lozen van pfas uit te werken. JA21 heeft die motie over een nationale maatregel gesteund. Wat is er in 2026 met JA21 gebeurd? Wat is het verschil tussen JA21 in 2024 en in 2026? Waarom dit kiezersbedrog?
De heer Goudzwaard (JA21):
We hebben er in ieder geval een aantal zetels bij gekregen. Dat is er veranderd. Ik heb deze vraag in het commissiedebat ook al gekregen. Er is niet zozeer iets veranderd. JA21 staat natuurlijk voor het belang en de gezondheid van de inwoners van Nederland, maar ook voor een gelijk speelveld binnen Europa. Pfas is een heel uitgebreide familie aan stoffen. Ik gaf het al aan: ze zijn heel belangrijk in voedingsmiddelen, medicatie en de halfgeleidersindustrie. Daarom vragen wij aan deze staatssecretaris om hier enige zorgvuldigheid in te betrachten. Dat lijkt mij een niet meer dan normaal verzoek.
De voorzitter:
Mevrouw Zalinyan, één vraag.
Mevrouw Zalinyan (PRO):
De motie spreekt over nationaal belang. Is gezondheid van nationaal belang? Of valt dat daar niet onder?
De heer Goudzwaard (JA21):
Gezondheid is natuurlijk hartstikke belangrijk. Daar moet ook goed naar gekeken worden. Ik heb er alle vertrouwen in dat de bewindslieden dat gaan doen. Dus ja, ik hoop dat ik daarmee voldoende antwoord heb gegeven. Het gaat ons echt puur om het feit dat onze Nederlandse industrie niet voor de zoveelste keer in een ongelijk speelveld terecht gaat komen. Daar moeten we heel erg voor gaan waken en tegelijk ook waken voor de gezondheid van onze inwoners. Die belangenafweging is meestal heel lastig, maar die verantwoordelijkheid moeten wij niet uit de weg gaan.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan luisteren naar de heer Jansen, die spreekt namens de fractie van de PVV.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland bij de omzetting van EU-veiligheidsregels regelmatig strengere eisen hanteert dan strikt noodzakelijk, het zogenaamde gold-plating;
overwegende dat externe veiligheidsregels proportioneel moeten zijn en dat nationale regels die geen aantoonbare extra veiligheidswinst opleveren, maar wel de economie schaden, moeten worden geschrapt;
verzoekt het kabinet om alle huidige nationale koppen op EU-veiligheidsrichtlijnen in kaart te brengen en de Kamer een saneringsplan aan te bieden om deze extra, overbodige regeldruk voor het bedrijfsleven te beëindigen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen.
Zij krijgt nr. 368 (28089).
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Van Duijvenvoorde, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Voorzitter, dank u wel. Ik wil twee moties indienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat pfas een verzamelnaam is voor een grote groep stoffen met uiteenlopende eigenschappen en toepassingen;
overwegende dat inzicht in de verschillende soorten pfas en hun maatschappelijke toepassing noodzakelijk is om gericht beleid te kunnen voeren;
overwegende dat het voor de Kamer van belang is te weten in welke sectoren, producten en processen pfas worden gebruikt en welke alternatieven mogelijk zijn;
verzoekt de regering een inventarisatie uit te voeren van de verschillende soorten pfas en de maatschappelijke toepassingen waarin deze worden gebruikt;
verzoekt de regering de Kamer hierover te informeren, inclusief een overzicht van sectoren, toepassingen en waar mogelijk de beschikbaarheid van alternatieven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Duijvenvoorde.
Zij krijgt nr. 369 (28089).
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet inzet op een Europese pfas-restrictie en daarnaast onderzoekt of en hoe een gedeeltelijk pfas-lozingsverbod mogelijk is;
overwegende dat pfas een brede groep chemische stoffen betreft met uiteenlopende eigenschappen, toepassingen, blootstellingsroutes en risicoprofielen;
overwegende dat maatregelen tegen pfas niet alleen moeten worden beoordeeld op milieuwinst en gezondheidswinst, maar ook op uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid, maatschappelijke kosten en gevolgen voor essentiële functies zoals drinkwaterwinning, bodemsanering, afvalverwerking, waterbeheer, infrastructuur, medische toepassingen en industriële processen;
verzoekt de regering om bij de verdere uitwerking van pfas-maatregelen, waaronder de Nederlandse inzet voor de Europese pfas-restrictie en het onderzoek naar een gedeeltelijk pfas-lozingsverbod, de Kamer een kosten-batenanalyse te sturen waarin ten minste wordt ingegaan op:
de verwachte milieuwinst en gezondheidswinst;
de uitvoerings- en handhavingskosten voor de overheid en het bedrijfsleven;
de gevolgen voor essentiële maatschappelijke functies;
de beschikbaarheid, veiligheid en kosten van alternatieven;
de juridische houdbaarheid en proportionaliteit van de gekozen maatregelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Duijvenvoorde.
Zij krijgt nr. 370 (28089).
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Van Groningen, die spreekt namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Pfas vormt een serieus probleem voor mens en milieu. We zijn blij met de toezegging van de minister dat ze komt met een duidelijk handelingskader voor gemeentes hoe om te gaan met pfas. Wat de VVD betreft is Nederland gebaat bij een Europees verbod, anders creëren we onnodig een ongelijk speelveld. Pfas laat zich namelijk niet stoppen door een landsgrens en bedrijven wel. De VVD wil voorkomen dat bedrijven die verantwoordelijkheid nemen op één hoop worden gegooid met een beperkte groep notoire vervuilers. Daarom dienen we als VVD samen met D66 de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat pfas-verontreiniging grote impact heeft op mens, milieu en leefomgeving;
overwegende dat het belangrijk is dat wet- en regelgeving de overheid in staat stelt om adequaat en effectief op te treden tegen bedrijven die stelselmatig of bewust milieuregels overtreden;
verzoekt de regering in kaart te brengen of het huidige wettelijke instrumentarium voldoende mogelijkheden biedt om effectief in te grijpen bij bedrijven die structureel ernstige milieuovertredingen begaan, waaronder overtredingen met pfas-gerelateerde risico's, en daarbij tevens te bezien welke gerichte maatregelen nodig zijn, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Groningen en Vellinga-Beemsterboer.
Zij krijgt nr. 371 (28089).
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Daarnaast willen we graag stappen zetten met onze staalslakken en daarom dienen we vandaag met D66 en JA21 de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat staalslakken een belangrijke secundaire bouwstof kunnen zijn voor de Nederlandse infrastructuur en daarmee bijdragen aan onze circulaire economie en het verminderen van de afhankelijkheid van primaire grondstoffen zoals zand en grind;
overwegende dat in andere Europese landen ervaring is opgedaan met de toepassing van staalslakken en dat deze ervaringen waardevolle inzichten kunnen bieden voor de Nederlandse praktijk;
overwegende dat er gewerkt wordt aan een innovatieagenda met de industrie om staalslakken veilig en hoogwaardig toe te passen;
verzoekt de regering samen met de betrokken partijen mogelijkheden voor de veilige en circulaire toepassing van staalslakken in de Nederlandse infrastructuur te onderzoeken, daarbij nadrukkelijk de ervaringen uit andere landen te betrekken, en de Kamer hierover voor het einde van 2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Groningen, Vellinga-Beemsterboer en Goudzwaard.
Zij krijgt nr. 372 (28089).
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we tot slot luisteren naar het lid Kostić, die spreekt namens de Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Slechts twee moties, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet zich inzet voor een pfas-verbod in de EU, maar dat pfas, specifiek TFA, via het gebruik van bestrijdingsmiddelen, uitgezonderd is van het verbod en alsnog in grote hoeveelheden in ons water en daardoor in ons lichaam komt;
constaterende dat uit het CLM-rapport volgt dat TFA-vormende bestrijdingsmiddelen een van de grootste pfas-bronnen naar de leefomgeving zijn;
constaterende dat recent wetenschappelijk is vastgesteld dat TFA ongeboren kinderen kan schaden en ervan verdacht wordt de vruchtbaarheid te schaden;
constaterende dat tijdige bronaanpak bijdraagt aan het betaalbaar houden van water;
verzoekt de regering om zich met medestanders in de EU in te zetten voor een verbod op pfas-houdende bestrijdingsmiddelen en ondertussen de Kamer zo snel mogelijk dit jaar in te lichten of er eerder nationale maatregelen kunnen worden genomen, gezien de nieuwste conclusies van het ECHA over het gevaar van TFA voor het ongeboren kind,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić en Zalinyan.
Zij krijgt nr. 373 (28089).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat meetrapporten van metingen bij industriële lozingen door Rijkswaterstaat momenteel niet openbaar worden gemaakt;
overwegende dat dit in strijd is met Europese wetgeving op het gebied van transparantie over milieu-informatie;
verzoekt de regering om meetgegevens van Rijkswaterstaat over de kwaliteit van het oppervlaktewater en industriële lozingen zo veel mogelijk actief openbaar te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić en Zalinyan.
Zij krijgt nr. 374 (28089).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven tien minuten nodig te hebben voor de beantwoording van de vragen en de appreciatie van de moties.
De vergadering wordt van 20.40 uur tot 20.49 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Externe veiligheid. Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van het kabinet. Ik geef de staatssecretaris daartoe graag het woord.
Staatssecretaris Bertram:
Voorzitter, dank u wel. Eerst de vragen van mevrouw Vellinga-Beemsterboer. Haar eerste vraag ging over het lozingsverbod. Volgende week is er overigens ook een overleg met de minister hierover, maar wij verwachten de analyse zo'n beetje in het najaar rond te hebben. En dat gaat dus ook over het verschil tussen bedrijven. Daarna gaat die analyse naar de Kamer.
Haar tweede vraag was wat ik nu precies versta onder de kar trekken. "Wat vindt u eigenlijk een goede deadline?" Ik verwacht dat eind '27 het besluit in Europa valt. Daarmee zou ik heel tevreden zijn, want dat betekent dat we met de initiërende landen zo snel mogelijk zijn gegaan. Er is een groeifonds en daar zit 135 miljoen in. Het is natuurlijk ook een van de belangrijkste maatregelen om met die innovatie door te kunnen gaan. Ik zal de Kamer in het najaar informeren hoever we met die innovatie zijn, vooral ook omdat we binnenkort met bedrijven, omwonenden en de omgevingsdiensten om de tafel zitten om heel specifiek over innovatie te spreken.
Dan kom ik bij de moties.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 362 moet ik ontraden, omdat dit aan het bevoegd gezag is. Dat betekent namelijk dat je daar van rijkswege niet in kunt treden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 362 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 363 krijgt oordeel Kamer. Ik verwacht dat het onderzoek naar de labeling is afgerond. Dat betekent dat we dan weer een hele stap gezet hebben.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 363 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 364 moet ik ontraden, omdat ik echt alle kaarten zet op het Europese traject.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 364 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 365 moet ik ook ontraden. Het ECHA-rapport betekent dat alles wat hierin gevraagd wordt, ook onderdeel is van dat ECHA-rapport. Het is …
De voorzitter:
Staatssecretaris … O, excuus.
Staatssecretaris Bertram:
Sorry?
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 365 wordt ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 366 wordt ook ontraden. Mevrouw Zalinyan, weet dat ik er echt alles aan zal doen om pfas uiteindelijk verboden te krijgen, of om in ieder geval een Europeesbrede restrictie doorgevoerd te krijgen. Dat staat ook in het regeerakkoord. Dat betekent dat ik mijn kaarten daarop inzet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 366 wordt ontraden. Dat geeft aanleiding tot één vraag. Gaat uw gang.
Mevrouw Zalinyan (PRO):
Ik ben heel erg benieuwd of de staatssecretaris wel de urgentie ziet voor al die mensen die dagelijks hiermee te maken hebben. Er zijn ontzettend veel mensen die rondom Chemours wonen en zich heel veel zorgen maken over hun gezondheid. Er zijn moeders die zich zorgen maken over het geven van moedermelk, omdat daar pfas in zitten. Wat zegt de staatssecretaris tegen al die mensen? Zegt zij dan: we gaan wachten tot 2028 en maken ook geen overzicht van essentiële dingen? Wat zegt de staatssecretaris tegen al die mensen die zich zo veel zorgen maken?
Staatssecretaris Bertram:
Wat ik vooral zou willen zeggen, is dat dit kabinet niet voor niets in het regeerakkoord heeft opgenomen dat het pfas-traject een gigantisch belangrijk en urgent traject is. Dat is waarom wij, samen met vier andere landen in Europa, elke keer weer ons uiterste best doen om dat verbod of die Europese restrictie er ook door te krijgen. Omdat pfas natuurlijk niet ophouden bij de grenzen van Nederland, denken wij dat dit uiteindelijk het meest effectief is. Maar dat laat onverlet dat wij hier ook via een aantal andere lijnen elke keer weer een stap op proberen te zetten. We hebben natuurlijk niet voor niets dat actieprogramma met die vier lijnen ingezet.
Ik zou tegen de burgers, tegen de mensen van dit land, willen zeggen dat wij er op die manier, en ook met de aanpak van verontreinigde locaties, er alles aan doen om mensen zo veel mogelijk te ontzorgen en om medeoverheden bij te staan. Daar komen we ook elke keer weer over te spreken in de Kamer.
De voorzitter:
Daarmee blijft de motie op stuk nr. 366 ontraden.
Staatssecretaris Bertram:
Dan de motie op stuk nr. 367. Die kan wat mij betreft oordeel Kamer zijn, maar ik heb daar wel drie opmerkingen bij. De route die de motie beschrijft, is die van Europa. Dat heb ik ook gezegd: mijn intentie is om er alles aan te doen om ervoor te zorgen dat die restrictie er komt. Dat laat onverlet dat in het regeerakkoord bijvoorbeeld wordt gezegd dat het lozingsverbod moet worden doorgezet. Daar gaat de minister ook mee aan de slag. Daar kan geen twijfel over bestaan. Alles wat we volgens het regeerakkoord op nationaal niveau moeten doen, gaan we ook doen. Als het gaat om producten waar nog geen alternatieven voor zijn, dan zullen daar ongetwijfeld emissiereducerende maatregelen bij komen, ook als er een oordeel vanuit Brussel komt. Dat betekent ook dat ik echt inzet op het pakket. Met deze drie kanttekeningen denk ik dat ik deze motie voldoende heb behandeld.
Dan de motie …
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Goudzwaard, want het klinkt alsof het vrij veel aanpassingen zijn, maar misschien heeft dat te maken met een gebrek aan kennis van de kant van de voorzitter. Ik kijk even naar de heer Goudzwaard. Kan hij de reactie van de staatssecretaris volgen en kan de motie daarmee oordeel Kamer krijgen?
De heer Goudzwaard (JA21):
Ik snap de context die de staatssecretaris schetst. Ik ga daar zeker mee akkoord.
De voorzitter:
Oké, dan krijgt de motie op stuk nr. 367 oordeel Kamer. Heeft het lid Kostić een vraag over een eigen motie?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nee, ik wil een verduidelijkende vraag stellen over deze motie. De motie wordt eigenlijk herschreven door de staatssecretaris. We moeten straks dus eigenlijk stemmen over een hele andere motie. Ik zou de staatssecretaris toch willen vragen om JA21 dan eerst te verzoeken om de motie aan te passen. In de motie staat namelijk letterlijk "verzoekt de regering om af te zien van nationale pfas-maatregelen". Dat is niet wat we hier allemaal willen.
De voorzitter:
We hadden afgesproken dat we alleen vragen zouden stellen over eigen moties, maar ik snap wat het lid Kostić bedoelt, want ik was het spoor ook een beetje bijster, ook al hadden we het in andere debatten al over het spoor! Meneer Goudzwaard, gaat uw gang.
De heer Goudzwaard (JA21):
Ik schets graag enige duidelijkheid in dit geval, want wat de staatssecretaris doet, komt volgens mij wel vaker voor bij appreciaties, namelijk dat de bewindspersoon een aantal interpretaties van de moties schetst. Daar hoef ik dus niet een motie voor te herschrijven. Ik hoor de interpretatie van deze motie door de staatssecretaris en ik ga daarmee akkoord.
De voorzitter:
Dan krijgt de motie op stuk nr. 367 oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 368.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 368 wordt ontraden. Het is ook eigenlijk een oproep aan het hele kabinet. We zijn natuurlijk ook al met de aanpak van regeldruk bezig. Dat betekent dat regeldruk, "gold-plating" zoals de heer Janssen het in het commissiedebat noemde, ook iets is wat het kabinet graag aanpakt. Maar deze hele exercitie doen, lijkt me nou net een beetje te ver gaan.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 368 wordt ontraden.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik hoor de staatssecretaris dus zeggen: dat willen wij niet doen. De vraag is ook: kunnen wij dat überhaupt wel doen? Hebben wij als Nederland überhaupt wel een overzicht van waar we allemaal nationale koppen op hebben gezet? Of is eigenlijk de hoofdreden dat we het überhaupt niet weten?
Staatssecretaris Bertram:
Ik heb in het commissiedebat gezegd dat ik uiteraard intern navraag zou doen. Dit speelt natuurlijk ook kabinetsbreed. Bovendien vermoed ik dat we het dan eerst moeten hebben over wat dan precies een kop op de Europese richtlijn is en wat Nederland doet. Ik zeg de heer Janssen graag toe dat ook dit kabinet er alles aan zal doen om regeldruk te voorkomen — dat staat ook in het regeerakkoord — en om gold-plating te voorkomen, zeker ook koppen. We hebben laatst de RIE en de PIE besproken. Daar was dat ook het uitgangspunt: geen koppen op de regeling. Dat is ook ons uitgangspunt.
De voorzitter:
Daarmee blijft de motie op stuk nr. 368 ontraden. Dan de motie op stuk nr. 369.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 369 is overbodig, want dat zit ook al in het restrictievoorstel van de ECCA. Kortom in dat hele dikke pakket zit deze informatie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 369 is overbodig.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 370 is ook overbodig. Ook dat zit in het restrictieverbod. Ik zou nog willen toevoegen dat we bij de voorbereiding van het lozingsverbod al deze elementen meenemen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 369 krijgt de appreciatie overbodig. Dan de motie op stuk nr. 371.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 371 krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 371 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 372 krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 372 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 373 krijgt oordeel Kamer, maar wel weer met een kleine appreciatie. Dit gaat dan wat mij betreft over de biociden. Als het gaat om gewasbescherming, is het aan de staatssecretaris van LVVN.
De voorzitter:
Er wordt heel enthousiast een duim opgestoken, dus met deze interpretatie krijgt de motie op stuk nr. 373 oordeel Kamer.
Staatssecretaris Bertram:
De motie op stuk nr. 373 krijgt dus oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 374 krijgt ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De laatste motie, de motie op stuk nr. 374, krijgt ook oordeel Kamer.
Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat. Dit was ook het laatste tweeminutendebat van vandaag. Ik wil alle leden en de staatssecretaris bedanken voor hun bijdrage. Ik wil al onze medewerkers bedanken voor de fantastische ondersteuning, ook vandaag weer. Ik wens u allen wel thuis en morgen gezond weer op.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik sluit de vergadering.
Sluiting
Sluiting 21.00 uur.