Tweede Kamer, 83e vergadering

  • Begin10:15
  • Sluiting00:00
  • StatusOngecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Krul

Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:

De voorzitter:

Ik open de vergadering van woensdag 17 juni 2026.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Onderwijskansen

Onderwijskansen

Aan de orde is het tweeminutendebat Onderwijskansen (CD d.d. 03/06).

De voorzitter:

Aan de orde is het tweeminutendebat Onderwijskansen. Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de leden van de Kamer van harte welkom. We gaan gelijk naar de eerste spreker. Dat is mevrouw Moorman. Zij spreekt namens PRO.

Mevrouw Moorman (PRO):

Goedemorgen, voorzitter. Goedemorgen, Kamer en staatssecretaris. Twee minuten, en vier minuten in de commissie, zijn natuurlijk veel te kort om over dit belangrijke onderwerp te spreken. Daarom ga ik maar meteen door naar mijn drie moties, en dan hoop ik dat we het nog vaak over kansengelijkheid gaan hebben.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het IELS-rapport van de OESO laat zien dat er grote niveauverschillen bestaan tussen 5-jarigen, dat deze verschillen lang doorwerken en dat vve een belangrijke rol kan hebben in het tegengaan van verschillen;

verzoekt de regering om in beeld te brengen hoe de bevindingen van de OESO omgezet zouden kunnen worden in beleid om kansenongelijkheid onder kinderen in het onderwijs in Nederland tegen te gaan, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.

Zij krijgt nr. 158 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de vrijwillige ouderbijdrage ervoor zorgt dat kinderen op de ene school veel meer en duurdere uitjes kunnen doen dan kinderen op de andere school;

overwegende dat dit kansenongelijkheid vergroot;

verzoekt de regering om in gesprek te gaan met het onderwijsveld om in kaart te brengen welke instrumenten denkbaar zijn om te borgen dat elk kind op schoolreisje kan en hoe deze gefinancierd kunnen worden, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.

Zij krijgt nr. 159 (36800-VIII).

Mevrouw Moorman (PRO):

Voorzitter, tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de harde schotten tussen onderwijs, kinderopvang en zorg maken dat kinderen niet optimaal in hun ontwikkeling kunnen worden ondersteund en dat de jonge jaren van een kind een cruciale periode zijn voor de ontwikkeling van kinderen;

constaterende dat de ministeries van SZW, OCW, VWS, BZK, VRO en JenV samenwerken aan een Sociale Agenda voor Nederland, waarbij vraagstukken worden aangepakt die op het snijvlak liggen van verschillende domeinen, waaronder jeugdhulp en -zorg, kinderopvang en onderwijs;

overwegende dat professionals vanuit het onderwijs, de kinderopvang, de zorg en het welzijnswerk moeten kunnen samenwerken aan een sterke pedagogische basis voor elk kind;

verzoekt de regering om te onderzoeken hoe de samenwerking tussen kinderopvang, onderwijs en zorg makkelijker en beter gemaakt kan worden, en hierover de Kamer te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.

Zij krijgt nr. 160 (36800-VIII).

Mevrouw Moorman (PRO):

Voorzitter, het is gelukt.

Dank u wel.

De voorzitter:

En hoe!

De heer Ergin is de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Hij spreekt namens DENK. Gaat uw gang.

De heer Ergin (DENK):

Voorzitter, dank u wel. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Ik vind het belangrijk dat we het op de lange termijn over onderwijskansen en kansengelijkheid hebben. Maar kansengelijkheid begint natuurlijk ook bij iets kleins. Ik noemde tijdens het commissiedebat het voorbeeld van de grab-and-gokast. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de grab-and-gokast een initiatief is waarmee scholen leerlingen anoniem kunnen voorzien van basisbenodigdheden zoals deodorant, maandverband en andere persoonlijkehygiëneproducten;

overwegende dat leerlingen die zich zorgen maken over hun persoonlijke hygiëne, zich minder goed kunnen concentreren tijdens lessen;

verzoekt de regering scholen te stimuleren om initiatieven zoals de grab-and-gokast breder uit te rollen in het land,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 161 (36800-VIII).

De heer Ergin (DENK):

Voorzitter. Het tweede punt gaat over de schoolmaaltijden tijdens de zomer- en kerstvakantie. De staatssecretaris geeft in de brief aan dat dit wordt beperkt tot schoolweken, vanwege de grote vraag naar schoolmaaltijden. Ik vind dat geen goede ontwikkeling. Honger gaat namelijk niet op vakantie. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 411.000 kinderen dankzij het schoolprogramma worden geholpen met een gevulde maag;

constaterende dat de regering vanwege de gestegen deelname ervoor kiest het budget alleen in te zetten tijdens schoolweken en de overbruggingspakketten voor de zomer- en wintervakantie te schrappen;

overwegende dat honger niet met vakantie gaat;

verzoekt de regering om schoolmaaltijden voor leerlingen tijdens de zomer- en kerstvakantie te behouden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 162 (36800-VIII).

De heer Ergin (DENK):

Dank u wel, voorzitter.

De heer Kisteman (VVD):

Ik ken mijn collega Ergin als een Kamerlid dat altijd van de kwaliteit is en overal goed naar kijkt. Als ik het goed begrijp, heeft zijn laatste motie geen dekking. Hoe wil de heer Ergin die maaltijden financieren?

De heer Ergin (DENK):

Volgens mij komt er binnenkort augustusbesluitvorming aan. Die zomer- en winterpakketten gaan om een klein bedrag; het gaat echt om een paar miljoen. Ik ben er van overtuigd dat we daar echt wel ruimte voor kunnen vinden in de augustusbesluitvorming. Ik zal in ieder geval de stukken die beschikbaar komen vanuit dat perspectief lezen. We weten dat het gaat om een zeer klein bedrag. Daarom hoeven we die dekkingsdiscussie wat mij betreft niet hier, nu al, van tevoren te voeren.

De heer Kisteman (VVD):

Komt de heer Ergin dan richting die begroting met een amendement of komt hij nu, via deze motie, zelf met een voorstel voor waar we dat geld eventueel moeten weghalen?

De heer Ergin (DENK):

Het voorstel dat in deze motie staat gaat erom dat we op korte termijn … Over drie weken begint het zomerreces hier in de Tweede Kamer. Een aantal weken daarna begint de zomervakantie in het land. Volgens mij kunnen we binnen het bestaande budget die overbruggingspakketten uitdelen. Bij de augustusbesluitvorming ga ik de begroting zeker dusdanig lezen dat ik met een dekkingsvoorstel kan komen om dit structureel te regelen.

Mevrouw Raijer (PVV):

Ik hoor meneer Ergin zeggen: een overbrugging, met name in de zomervakantie. Bent u het met me eens dat dit eigenlijk een verantwoordelijkheid is van de ouders, en niet van de overheid?

De heer Ergin (DENK):

In de ideale wereld ben ik het met mevrouw Raijer eens. In de ideale wereld hebben we geen crisis rondom bestaanszekerheid, hebben we niet te maken met structurele kinderarmoede, zijn er geen mensen die met een paar tientjes per week hun leven moeten doorkomen. Maar we weten hoe de praktijk is. Die praktijk is weerbarstig. Heel veel leerkrachten zien als ze lesgeven dat hun leerlingen niet opletten, geen energie hebben of geen concentratie hebben, omdat ze bezig zijn met ontbijt of persoonlijke hygiëne. Volgens mij kunnen we dat echt wel netjes oplossen met bijvoorbeeld die grab-and-gokast. Die kost ook niet tientallen miljoenen. Het is gewoon een klein initiatief dat binnen de bestaande bekostiging, denk ik, mogelijk is. Als dat niet zo is, hoor ik graag van de staatssecretaris wat daarvoor nodig is, maar dit moeten we gewoon kunnen regelen. Laten we de discussie alsjeblieft niet voeren over de ideale wereld die we voor ogen hebben, maar op basis van de praktijk en wat de leerlingen dagelijks meemaken.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Raijer is de volgende spreker. Ze spreekt namens de PVV. Gaat uw gang.

Mevrouw Raijer (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb vier moties, dus ik zal snel beginnen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering de leerplicht wil verlagen van 5 naar 4 jaar;

overwegende dat leerplichtambtenaren nu al overbelast zijn door het grote aantal thuiszitters en dat een verlaging van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar de druk op handhaving en uitvoering verder zal vergroten;

overwegende dat een kind van 4 jaar in de eerste plaats kind moet kunnen zijn en niet onnodig vroeg onder een wettelijke leerplicht moet worden gebracht;

verzoekt de regering af te zien van een verlaging van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 163 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat jaarlijks circa 130 miljoen euro wordt besteed aan de maatschappelijke diensttijd;

overwegende dat onduidelijk is welk deel van deze middelen daadwerkelijk ten goede komt aan jongeren;

verzoekt de regering een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de doelmatigheid en effectiviteit van de maatschappelijke diensttijd, de Kamer hierover te informeren en geen uitbreiding of aanvullende financiering van de maatschappelijke diensttijd toe te staan voordat de resultaten van dit onderzoek met de Kamer zijn gedeeld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 164 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat scholen steeds vaker worden belast met maatschappelijke, opvoedkundige en sociale taken;

overwegende dat de primaire taak van scholen het geven van onderwijs is;

verzoekt de regering nieuwe taken voor scholen kritisch te toetsen en geen extra opvoedkundige verantwoordelijkheden bij scholen neer te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 165 (36800-VIII).

Mevrouw Raijer (PVV):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering jaarlijks 135 miljoen euro uittrekt voor schoolmaaltijden;

overwegende dat het verzorgen van eten voor kinderen in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van ouders is en dat de belastingbetaler niet steeds verder moet opdraaien voor taken die bij ouders thuishoren;

verzoekt de regering bij nieuw beleid als uitgangspunt te hanteren dat opvoedings- en verzorgingstaken in de eerste plaats bij ouders liggen en te stoppen met het structureel overnemen van ouderlijke verantwoordelijkheden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 166 (36800-VIII).

U heeft nog een vraag van mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (PRO):

Ik heb een vraag aan mevrouw Raijer over wat kinderen eraan kunnen doen als er thuis te weinig geld is om met een volle maag naar school te gaan. Wat denkt mevrouw Maijer dat dat voor effect heeft op de schoolresultaten van de kinderen, die daar niks aan kunnen doen?

Mevrouw Raijer (PVV):

Ik snap de vraag van mevrouw Moorman en ik begrijp de situatie helemaal. Toch blijft er een verantwoordelijkheid bij de ouders liggen, want er zijn ook zat ouders die hun kinderen gewoon niet met ontbijt naar school laten gaan omdat ze of geen tijd hebben of om andere redenen.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Mijn vraag is of mevrouw Raijer denkt dat het dan alleen in Nederland een verantwoordelijkheid van ouders is, terwijl we overal in Europa zien dat kinderen daar gewoon schoolmaaltijden, meestal ook nog eens warme schoolmaaltijden, krijgen aangeboden. Is het dan niet gek dat dat hier per se bij de ouders moet liggen, terwijl het nu op scholen goed geregeld is?

Mevrouw Raijer (PVV):

De verantwoordelijkheid ligt bij ouders. Ik vind niet dat de belastingbetaler maar voor alles moet opdraaien. We zitten hier in Nederland en niet in de rest van Europa.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Boomsma. Gaat uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik heb een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat leerlingen die van huis uit een andere taal spreken dan Nederlands bij het leren van het Nederlands gebaat zijn bij een duidelijke aanpak en vooral heel veel Nederlands;

constaterende dat de methode om de thuistaal van leerlingen in te zetten bij het leren van Nederlands (talige diversiteit) onwerkbaar is omdat leraren en leerkrachten geen rekening kunnen houden met meerdere thuistalen in de klas;

constaterende dat uit onderzoek dat is verricht naar meertaligheid niet eenduidig blijkt dat het leren van Nederlands gebaat is bij de inzet van de thuistaal;

verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat het Nederlands de leer- en instructietaal blijft in het reguliere funderend onderwijs en voor het vak Nederlands, en voorlopig geen stappen te zetten richting het stimuleren van talige diversiteit op school,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.

Zij krijgt nr. 167 (36800-VIII).

Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk is de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Zij spreekt namens Democraten 66.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank, voorzitter. Naar aanleiding van het IELS-onderzoek, waaruit blijkt dat kinderen op 5-jarige leeftijd al moeite hebben met taal en achterstanden hebben, pleiten wij voor een doorlopende ontwikkellijn vanaf 0 jaar. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ieder kind recht heeft op een sterke start in een rijke pedagogische omgeving die bijdraagt aan brede ontwikkeling;

overwegende dat de eerste levensjaren cruciaal zijn voor de samenhangende ontwikkeling van taal, spel en sociale en emotionele vaardigheden;

overwegende dat uit onder meer het IELS-onderzoek van de OECD blijkt dat de kwaliteit van de vroege omgeving bepalend is voor latere ontwikkelkansen;

overwegende dat een integrale benadering van de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 12 jaar vraagt om meer samenhang tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs;

overwegende dat de huidige institutionele scheidslijnen tussen kinderopvang, voorschool en onderwijs een doorlopende ontwikkellijn kunnen belemmeren;

verzoekt de regering toe te werken naar een samenwerking tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs structureel binnen één doorgaande ontwikkellijn waarin de brede ontwikkeling van kinderen centraal wordt gesteld, en waarin taal, spel en sociale en emotionele ontwikkeling integraal wordt benaderd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Rooderkerk.

Zij krijgt nr. 168 (36800-VIII).

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Armut. Zij spreekt namens het CDA.

Mevrouw Armut (CDA):

Dank, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voorschoolse educatie bedoeld is om jonge kinderen met een risico op een onderwijsachterstand een zo goed mogelijke start op de basisschool te geven;

constaterende dat 75% tot 80% van de geïndiceerde kinderen de weg naar voorschoolse educatie vindt, maar dat 20% tot 25% van deze kinderen nog niet wordt bereikt;

overwegende dat gemeenten, consultatiebureaus, wijkteams en voorschoolse voorzieningen, zoals peuterspeelzalen en kinderopvanglocaties, een belangrijke rol spelen bij het bereiken van ouders en het verlagen van drempels;

verzoekt de regering om samen met gemeenten, consultatiebureaus en voorschoolse voorzieningen in kaart te brengen welke geïndiceerde kinderen nog onvoldoende worden bereikt en welke belemmeringen daarbij spelen;

verzoekt de regering tevens om goede voorbeelden van gemeenten die deze kinderen en ouders wél effectief bereiken actief te verspreiden en beter te benutten;

verzoekt de regering de Kamer vóór de begrotingsbehandeling van OCW te informeren over de wijze waarop het bereik van voorschoolse educatie onder geïndiceerde kinderen concreet wordt vergroot,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Armut en Rooderkerk.

Zij krijgt nr. 169 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het coalitieakkoord is afgesproken pesten tegen te gaan met bewezen effectieve methoden;

constaterende dat online pesten voor kinderen en jongeren niet ophoudt na schooltijd en vaak moeilijk zichtbaar is voor ouders en docenten;

constaterende dat uit onderzoek blijkt dat de gevolgen van online pesten vaak nog heftiger kunnen zijn dan pesten op het schoolplein, onder meer omdat het 24 uur per dag door kan gaan;

constaterende dat de Europese Commissie in februari 2026 een actieplan tegen cyberpesten heeft gepresenteerd, gericht op betere bescherming van kinderen en jongeren online;

overwegende dat scholen behoefte hebben aan handelingsperspectief over welke aanpak werkt bij het voorkomen, signaleren en aanpakken van online pesten;

verzoekt de regering om tijdens de Week tegen Pesten 2026 bewezen effectieve methoden, praktische handreikingen en goede voorbeelden voor de aanpak van online pesten actief onder de aandacht te brengen van scholen, en daarbij ook de rol van ouders te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Armut, Zwinkels en Rooderkerk.

Zij krijgt nr. 170 (36800-VIII).

Mevrouw Armut (CDA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven zeven minuten nodig hebben te hebben om tot de appreciaties te komen. We gaan dus schorsen tot 10.37 uur. Ik schors de vergadering.

De vergadering wordt van 10.30 uur tot 10.37 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de beantwoording van de zijde van het kabinet en de appreciatie van de moties. De staatssecretaris heeft het voor elkaar gekregen om per minuut de appreciatie van twee moties voor te bereiden met haar ondersteuning. Laten we kijken of dat ook lukt in de beantwoording. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Tielen:

We gaan het zien, voorzitter, dank u wel. Er zijn inderdaad dertien moties en geen vragen, dus ik ga beginnen met de appreciaties.

De motie op stuk nr. 158 van mevrouw Moorman gaat over de bevindingen die in het onderzoek naar the early learning child zijn gedaan. Ik heb dat al toegezegd. Daarmee zou ik 'm kunnen overnemen of overbodig kunnen verklaren. Het belang daarvan delen mevrouw Moorman en ik.

De voorzitter:

Ik kijk even naar mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (PRO):

Ik herinner mij dat de staatssecretaris in een commissiedebat inderdaad heeft toegezegd dat ze met een brief komt. Maar in deze motie staat dat we ook graag zouden willen zien hoe die grote verschillen tussen kinderen op 5-jarige leeftijd kunnen worden voorkomen. Begrijp ik goed dat de staatssecretaris ook een analyse maakt van hoe die verschillen tot stand komen en hoe we dat kunnen bestrijden? Want dan kan ik mijn motie intrekken.

De voorzitter:

De motie was eigenlijk al overgenomen, maar we gaan even luisteren naar wat de staatssecretaris nu zegt.

Staatssecretaris Tielen:

Dat moet volgens mij altijd met toestemming van de indiener. Mevrouw Moorman en ik delen dit belang. Dus ja, die analyse nemen we mee. Er zijn, denk ik, twee plekken waar we hierop doorgaan. Aan de ene kant gebeurt dat in de versterkingsagenda rondom basisvaardigheden, want dit gaat voor een heel groot deel over taalbeheersing, lezen en schrijven. Aan de andere kant gebeurt dat rondom het jonge kind. Daar kom ik zo meteen bij een aantal andere moties nog op terug. Mevrouw Moorman en ik delen de verwachting dat we hier wat dieper op ingaan en dat we ook met oplossingen komen.

Mevrouw Moorman (PRO):

Dan vind ik het prima dat die wordt overgenomen.

De voorzitter:

De motie-Moorman (36800-VIII, nr. 158) is overgenomen.

Dan de motie op stuk nr. 159.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 159 van mevrouw Moorman gaat over de samenwerking … Nee, even kijken, ik moet wel de goede erbij houden. Die gaat over het onderwijsveld, over schoolreisjes en de financiering daarvan. Ik wil me eigenlijk best wel veel bemoeien met het onderwijs, zeker als het gaat over kwaliteit en veiligheid, maar dit is een onderwerp waar ik mij eigenlijk gewoon niet mee wil bemoeien. Die motie ontraad ik dus.

Mevrouw Moorman (PRO):

Dit begrijp ik echt niet. Wij hebben nu wel degelijk de wettelijke maatregel dat de ouderbijdrage niet verplicht is. We zien daarvan de effecten in het onderwijs. Daarvan zegt de staatssecretaris dat ze zich er niet mee wil bemoeien. Zegt de staatssecretaris daarmee eigenlijk dat schoolreisjes wat haar betreft niet bij het onderwijs horen? Dat is namelijk de consequentie van wat de staatssecretaris zegt.

Staatssecretaris Tielen:

Allereerst is er een wetsevaluatie. Er is dus op basis van de wet waar mevrouw Moorman naar verwees, bekeken of er samenhang is tussen bijvoorbeeld de ouderbijdrage en wat daaruit voortvloeit. Maar ik vind dat heel goed onderwijs leveren onze kernopdracht is. Dat betekent: kwaliteit van onderwijs en veiligheid op scholen. Ik vind niet dat dit een zaak is voor het Rijk.

De voorzitter:

Eéntje?

Staatssecretaris Tielen:

Ik ontraad 'm dus.

De voorzitter:

We doen één vervolgvraag.

Mevrouw Moorman (PRO):

In het eerste deel van de beantwoording ontkracht de staatssecretaris wat ze zelf zegt. Er komt namelijk een evaluatie, dus het Rijk bemoeit zich er wel degelijk mee. Vervolgens zegt ze dat het alleen maar over kwaliteit van onderwijs gaat. Ik stel dus toch nog eenmaal mijn vraag. Volgens de staatssecretaris valt onder kwaliteit van onderwijs dus niet het feit dat je als kind op schoolreisje kan tijdens je schoolperiode?

Staatssecretaris Tielen:

Ik vind niet dat we daarover hier beleid moeten maken. Er is een wet gemaakt over de vrijwillige ouderbijdrage. Uiteindelijk is het aan scholen om in gesprek met ouders invulling te geven aan hoe ze omgaan met extracurriculaire activiteiten zoals sportdagen en schoolreisjes. Ik hoop dat voor ieder kind dat soort extracurriculaire activiteiten mogelijk zijn.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 159: ontraden. Dan komen we bij de motie op stuk nr. 160.

Staatssecretaris Tielen:

Bij de motie op stuk nr. 160 van mevrouw Moorman vinden we elkaar weer wat beter, denk ik. Ik ben het namelijk heel erg eens met de vraag om die samenwerking tussen kinderopvang, onderwijs en zorg te verbeteren. Ik zou die dus ook graag willen overnemen van mevrouw Moorman.

De voorzitter:

Ik zeg er wel bij dat zowel het dictum als alle overwegingen volledig in lijn moeten zijn met het standpunt van de staatssecretaris, als zij 'm overneemt. Ik kijk even naar mevrouw Moorman.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, zo had ik deze motie ook gelezen.

De voorzitter:

Hartstikke fijn. Mevrouw Moorman, heeft u er bezwaar tegen dat de staatssecretaris deze motie overneemt? Dat is niet het geval. Dan gaan we 'm overnemen.

De motie-Moorman (36800-VIII, nr. 160) is overgenomen.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 161 van de heer Ergin gaat over de grab-and-gokasten. We hadden het er in het commissiedebat over dat dat een sympathiek initiatief is. Overigens was ik van de week op een school waar ze ook leeskasten hebben waar je boeken kunt lenen en omwisselen. Er zijn veel van dat soort initiatieven die ervoor zorgen dat ieder kind toegang heeft tot een aantal zaken die voor hem of haar, en voor zijn of haar ontwikkeling, belangrijk zijn. Ik vind het een sympathiek initiatief. Ik kan de motie ook oordeel Kamer geven. Daarbij zeg ik dat ik het met scholen kan bespreken en onder de aandacht kan brengen. Ik kan scholen ook helpen om goede tips daarover over te nemen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 161: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 162.

Staatssecretaris Tielen:

Ik kom bij de motie op stuk nr. 162 over de schoolmaaltijden. Ik heb daar een brief over geschreven. Zoals in het interruptiedebatje werd geconstateerd, is er geen geld voor die motie, dus ik ontraad 'm.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 162: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 163 van mevrouw Raijer begint met een constatering die niet klopt. We hebben niet gezegd dat we de leerplicht willen verlagen. We hebben in het coalitieakkoord opgenomen dat we een aanmeldplicht vanaf 4 jaar willen om ervoor te zorgen dat kinderen in beeld zijn. Ik ontraad deze motie dan ook.

De voorzitter:

Ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 164 van mevrouw Raijer gaat over de maatschappelijke diensttijd. Ik heb net, volgens mij vorige week, een brief gestuurd over het onafhankelijke onderzoek naar die maatschappelijke diensttijd. Dat maakt dat ik deze motie ontraad.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 164: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 165 van mevrouw Raijer gaat over het kritisch toetsen van nieuwe taken voor scholen. Dat voelt als een belangrijke opdracht voor mij, dus daar ben ik al druk mee bezig. In een aantal debatten met uw Kamer komt dat, denk ik, ook wel naar boven. Tegelijkertijd liggen opvoeding en onderwijs wel in elkaars verlengde. Overigens, voor de mensen die het leuk vinden: in het Latijn bestaat hetzelfde woord voor "opvoeden" en "onderwijs". De scherpe scheiding die mevrouw Raijer tussen die twee wil maken, kan ik niet maken. Daarom ontraad ik de motie op stuk nr. 165.

De voorzitter:

Welk woord is dat dan?

Staatssecretaris Tielen:

Dat is de oorsprong van het woord "educatie".

De voorzitter:

Mooi. De motie op stuk nr. 165: ontraden. De motie op stuk nr. 166.

Staatssecretaris Tielen:

"Educare": "opvoeden" of "opleiden".

De motie op stuk nr. 166 van mevrouw Raijer gaat nog een stapje verder. Ze zegt dat we ook structureel moeten stoppen met het overnemen van ouderlijke verantwoordelijkheden. Hoewel ik wel voel wat ze daarmee bedoelt, is het zo scherp opgeschreven dat ik daar gewoon niet achter kan staan, want het opvoeden van een klas is ook onderdeel van de vaardigheid en het vakmanschap van een docent. Ik ontraad dus de motie op stuk nr. 166.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 166: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

Bij de motie op stuk nr. 167 van de heer Boomsma sta ik om een paar redenen graag ietsje langer stil. Meneer Boomsma constateert dat niet eenduidig blijkt dat het leren van Nederlands gebaat is bij de inzet van een andere taal. Dat is niet waar. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat talige diversiteit, zoals dat zo prachtig heet, daadwerkelijk positieve invloed heeft op het ontwikkelen van een taal. Daarnaast vraagt meneer Boomsma in zijn dictum om als leer- en instructietaal Nederlands te houden. Daar ben ik het helemaal mee eens; dat is ook helemaal ons plan en dat gaan we dus zeker doen. Vervolgens zegt hij: voorlopig geen stappen zetten op het stimuleren van talige diversiteit. Als ik het goed begrijp — daarom sta ik hier wat langer bij stil — probeert hij daarmee eigenlijk te zeggen: niet bemoeien met wat in de klas gebeurt en wat de docent doet. Dat is precies waarop wij ons onderwijs überhaupt gebaseerd hebben. Wij bemoeien ons namelijk niet met de lesmethode die docenten toepassen. Dat deel van het dictum snap ik dus niet helemaal. Ik kan daar ook niets over zeggen. Ik kan dus zeggen dat ik de motie ontraad. Ik kan ook zeggen dat het eerste deel van het dictum overbodig is. Maar ja …

De voorzitter:

Zullen we 'm gewoon ontraden?

Staatssecretaris Tielen:

Ontraden is dan natuurlijk het makkelijkste, maar dat vindt meneer Boomsma niet zo leuk.

De heer Boomsma (JA21):

Dat doet helemaal niet ter zake, maar ik ben enigszins verbaasd omdat wij deze motie natuurlijk al van tevoren hebben overgelegd. Dat is dan natuurlijk ook een kans om verduidelijking te vragen voordat we dat hier in de plenaire zaal doen. Maar het is nog beter om dat in alle transparantie te doen; dat is dus geen punt. Maar ik ben ook verbaasd dat de staatssecretaris zegt dat wetenschappelijk volledig vaststaat dat die talige diversiteit in de didactiek effectief is in het leren van Nederlands. Dat is helemaal niet het geval. Er zijn onderzoeken die die kant op wijzen, maar er zijn ook heel veel onderzoeken die daar vraagtekens bij zetten. Dat moet ik dus toch echt betwisten. Er is een onderzoek gepresenteerd. Daar gaat het kabinet nog op reageren. Ik wil dus in ieder geval dat de komende tijd vanuit het kabinet geen stappen worden gezet om deze meertalige didactiek verder te verspreiden.

De voorzitter:

Heeft u ook een vraag?

De heer Boomsma (JA21):

Dat is de verduidelijking waarom gevraagd werd door de staatssecretaris.

Staatssecretaris Tielen:

Meneer Boomsma refereert nu aan meertalige didactiek, wat weer iets anders is dan meertaligheid. Daar zit een deel van onze spraakverwarring in, denk ik. In de kerndoelen die we vorige week in de Eerste Kamer hebben vastgelegd, staan een aantal dingen over talige diversiteit. Daar ga ik niet in treden, want die hebben we vastgelegd in de kerndoelen. Scholen gaan er nu mee aan de slag om daar curricula en lesmethoden voor te bouwen. Als meneer Boomsma tegen mij zegt "ga nou niet duwen om dat alleen maar vanuit meertalige didactiek te doen, want stel dat je docent bent en te maken hebt met kinderen die tien verschillende thuistalen hebben, dan wordt dat heel ingewikkeld", dan snap ik dat heel goed. Met die interpretatie zou ik 'm oordeel Kamer kunnen geven, omdat, nogmaals, het eerste deel van het dictum gewoon overbodig is.

De voorzitter:

Ik vind het wel een beetje verwarrend worden, eerlijk gezegd.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, dat vind ik ook.

De heer Boomsma (JA21):

Ik ga er nog even goed naar kijken. Misschien sturen we nog een aangepaste versie in.

Staatssecretaris Tielen:

Dan ontraad ik 'm nu; dat is dan het helderste. Dan ga ik nog met meneer Boomsma in gesprek om te zorgen dat we elkaar goed begrijpen, want dat is de kracht van taal.

De voorzitter:

Dan wordt de motie op stuk nr. 167 ontraden. Ik ga ervan uit dat als die gewijzigd wordt, er voor de stemmingen een nieuwe appreciatie komt van het kabinet.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, dat lijkt me handig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 168.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 168, van mevrouw Rooderkerk, gaat over het toewerken naar een samenwerking tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs. Daar zijn we mee bezig. Daar hebben we het in het commissiedebat natuurlijk ook over gehad. Ik pak ook de lead, zeg maar. Ik heb het dan vooral over kinderen van tussen de 2,5 en 4 jaar oud, over met name die periode. Daar komt een brief over. De motie geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 168: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Maar dit is best wel een lange motie en ik heb niet heel snel gezien of ik alles ... Ik hoorde de voorzitter zeggen dat alles precies zo moet zijn. Dat kan ik nu niet checken, dus ik geef 'm voor nu oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 169, van mevrouw Armut, gaat over het bereik van voorschoolse educatie. Ik geloof inderdaad dat ik ook in het debat heb gezegd dat ik het heel erg eens ben met haar aandacht daarvoor. Ook deze is best wel lang. Ik zou 'm over kunnen nemen.

En de laatste, van mevrouw Armut ...

De voorzitter:

Ik heb eerst een knikje nodig.

Staatssecretaris Tielen:

O ja, een knikje.

De voorzitter:

Ik zie een knikje.

De motie-Armut/Rooderkerk (36800-VIII, nr. 169) is overgenomen.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 170, van mevrouw Armut, gaat over onlinepesten en de Week tegen Pesten. We gaan zo meteen nog een paar uur met elkaar in debat over veiligheid in en om het onderwijs, maar het lijkt me goed om deze motie oordeel Kamer te geven om al een eerste stap te zetten richting veiliger onderwijs.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 170: oordeel Kamer. Dat was 'm. Daarmee is er een einde gekomen aan het tweeminutendebat Onderwijskansen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor een enkel ogenblik, een paar minuten. Ga niet te ver weg. Daarna gaan we verder met de Wet vrij en veilig onderwijs. Ik schors de vergadering voor een paar minuten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Wet vrij en veilig onderwijs

Wet vrij en veilig onderwijs

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet medezeggenschap op scholen, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van het veiligheidsbeleid op scholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (36777).

(Zie vergadering van 2 juni 2026.)

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het vervolg van de wetsbehandeling van de Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 et cetera, et cetera, oftewel de Wet vrij en veilig onderwijs. We waren gebleven bij de eerste termijn van de zijde van de staatssecretaris. Welkom terug, zou ik bijna willen zeggen. We gaan in de eerste termijn ook de appreciatie van de amendementen krijgen. Het is een wetsbehandeling. Ik ga het aantal interrupties niet maximeren. Mochten we toch uit de pas lopen, dan moeten we daar later op terugkomen.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Tielen:

Dank u wel, voorzitter. We hebben twee weken warm kunnen draaien om antwoord te geven op alles wat in de eerste termijn van de Kamer is gewisseld. Ik heb eerst een inleiding, om iedereen weer eventjes terug te brengen naar waar we het ook alweer over hadden.

Voorzitter. Het is onze kernopdracht om alle kinderen steengoed onderwijs te bieden, zodat ze leren lezen, leren rekenen, hun talenten ontplooien en een plek vinden als volwassenen in de samenleving. Onderwijs is van weinig waarde als kinderen met lood in de schoenen of met buikpijn naar school gaan omdat ze zich niet veilig voelen, omdat ze opgewacht en gepest worden, omdat een docent steeds weer te dichtbij komt of omdat er in de klassenapp of op Snapchat een vervelend filmpje rondgaat. Niemand is tegen vrij en veilig onderwijs; dat hoorde ik ook uw leden zeggen in de eerste termijn. School moet een veilige plek zijn, waar een veilige cultuur heerst en waar onveiligheid kan worden voorkomen. De school moet als een veilige gemeenschap voelen. "De school als minisamenleving", zei een aantal van uw leden al.

Maar uw Kamer is ook kritisch, met als belangrijkste vragen: "Brengt deze wet de gewenste veiligheid dichterbij? Wat is de plek van preventie?" Om even in mijn termen te blijven: voorkomen is immers beter dan registeren. Afgelopen jaar lagen er bij de vertrouwensinspecteurs bijna 3.000 dossiers op basis van meldingen van onveiligheid. Dat waren er 600 meer dan het jaar ervoor. Helaas weten we dat we daarmee niet alle incidenten in beeld hebben, want nog te vaak melden kinderen, ouders of docenten het niet als er wat aan de hand is. Bovendien geldt dat juist kinderen met een specifieke achtergrond extra kwetsbaar zijn. Denk aan leerlingen met een lhbtqi-achtergrond of leerlingen van Joodse komaf.

Als je je niet veilig voelt op school, dan helpt het niet om grammatica of de stelling van Pythagoras te leren. Dan zijn er andere dingen nodig. Daar moeten we voor zorgen. Daarom sta ik hier nu om de Wet vrij en veilig onderwijs met uw Kamer te bespreken. De kern van de wet is dat scholen een gedegen veiligheidsbeleid hebben, dat structuur biedt om te werken aan preventie, een positief pedagogisch klimaat en een handelingsperspectief bij onveiligheid.

Voorzitter. Een wet alleen gaat die veiligheid natuurlijk niet brengen, maar we zetten hiermee wel een basisnorm neer van wat we van scholen verwachten en waar we schoolbesturen op aan kunnen spreken, een basisnorm die voor de meeste scholen niet nieuw is en die voor veel scholen dus weinig extra inspanning zal vergen. Die basisnorm is dan ook met name een opdracht aan scholen die echt nog een been bij moeten trekken op het gebied van veiligheid. Ik ben er daarmee van overtuigd dat deze wet helpt om de verschillen in veiligheid tussen scholen te verkleinen, omdat we ermee borgen dat alle scholen aan een veilig schoolklimaat bouwen.

Overigens zijn er een paar misverstanden die ik nog even weg wil nemen voordat ik de antwoorden inga. Allereerst is het een misverstand dat de wet niet over online incidenten zou gaan. Ook incidenten online hebben immers impact op de veiligheid op school en vallen dus ook onder deze wet. Dat is van groot belang, aangezien we weten dat er online veel gebeurt wat impact heeft op de veiligheid en het veilige klimaat op school.

Voorzitter. Ik zal in mijn betoog eerst stilstaan bij mijn visie op veiligheid op school, mede in reactie op een vraag van mevrouw Moorman. Dan komen de vragen rond nut en noodzaak en de proportionaliteit van de wet. Vervolgens loop ik de vragen langs die gaan over de verschillende maatregelen die in de wet staan en dan volgen nog een aantal specifieke overige onderwerpen. Dus: visie, nut en noodzaak, maatregelen en overige. Tot slot zal ik de appreciaties van de amendementen met u delen.

De voorzitter:

Er wordt gevraagd of we de interrupties na de blokjes doen. We zitten redelijk goed in de tijd, dus als het tussendoor kan, heb ik daar ook geen problemen mee. Als we echt uit de pas gaan lopen, gaan we het wel wat strakker doen, maar ik zou eigenlijk wat losjes willen zijn. Laten we als er een vraag opkomt, die dus gewoon gelijk stellen.

Staatssecretaris Tielen:

Dank u wel, voorzitter. Veiligheid ontstaat niet door papier of wetgeving, maar door wat docenten, ouders en leerlingen dag in, dag uit doen in de klas en op het schoolplein. Leerlingen moeten zich gezien en gehoord weten. Een veilige school heeft duidelijke regels en afspraken, waarbij docenten, leerlingen en elkaar aanspreken als deze regels worden overtreden. Het gaat over voorspelbaarheid. We bouwen daarmee op de professionaliteit van het onderwijspersoneel, dat weet hoe je werkt aan een goede relatie met alle leerlingen, hun ouders en elkaar, waarmee je een pedagogische basis bouwt.

Preventie is daarbij essentieel. Het gaat er dan om dat leerlingen leren te praten over wat ze wel en niet prettig vinden en het leren aan te geven als er iets gebeurt dat voor hen niet oké is. Ze moeten weten bij wie ze terechtkunnen als ze ergens over willen praten of iets willen melden. Het zijn zo'n schoolcultuur en zo'n pedagogische basis die maken dat leerlingen en personeel zich veilig kunnen voelen. Die schoolcultuur wordt gemaakt door schoolleiders en leraren op school zelf. We mogen rekenen op hun professionaliteit om daar dagelijks aan te werken. Op veel scholen gebeurt dit ook, maar helaas niet overal. Dan vind ik het aan de wetgever om helder te zijn over wat we hierin als basis verwachten van scholen en uiteraard om hulp te bieden als dat nodig is. Daar werk ik aan.

In de eerste plaats heeft deze wet zelf een preventieve werking. Een belangrijk element van de wet is dat er schoolveiligheidsbeleid is, waarbij er zicht is op de veiligheid op school. Als je goed zicht hebt op de veiligheid en de onveiligheid die op school voorkomt, kun je daarvan leren als school om ervoor te zorgen dat bepaalde incidenten niet steeds opnieuw gebeuren. Dan kan je aan preventie werken. Het wetsvoorstel stimuleert ook het gesprek op school over veiligheid door de verplichte evaluatie die is opgenomen in de wet en door te borgen dat elke school vertrouwenspersonen heeft. Daardoor heeft iedereen een plek waar hij of zij terechtkan bij een gevoel van onveiligheid. Dat alles legt de basis voor een schoolcultuur waarin bewust wordt gesproken over veiligheid en, nogmaals, waarin leerlingen zich gezien en gehoord weten. Die basis is cruciaal om ook preventie te kunnen toepassen.

Daarbij is deze wet niet het enige instrument dat ik inzet. Juist omdat preventie en het werken aan een veilige schoolcultuur zo belangrijk zijn, subsidieert het ministerie al sinds jaar en dag de Stichting School & Veiligheid, die scholen helpt op dit gebied. Zij zijn expert in hoe je een veilig schoolklimaat creëert en aan preventie van onveiligheid werkt, ook online. Ik was vorige week nog bij een workshop daarover en dat was indrukwekkend. Ik doel dan ook op het indrukwekkende aanbod van handreikingen, tools en kennis die de Stichting School & Veiligheid aan scholen biedt, waarmee ze elk jaar duizenden scholen een stap verder helpt op weg naar een veilig schoolklimaat. Daarnaast hebben de onderwijsraden, dus de PO-Raad en de VO-raad, specifiek middelen ontvangen om scholen te helpen een veilige schoolcultuur te realiseren, uiteraard nadrukkelijk in samenwerking met ouders.

Ik besef heel goed dat dit een basis is. Met een wet borgen we dat alle scholen werk maken van veiligheid en dat alle scholen een veiligheidsbeleid hebben dat up-to-date is en elk jaar up-to-dater wordt.

Mevrouw Moorman (PRO):

Ik zat even te twijfelen waar ik de interruptie zou plegen. Er werd veel gesteld door de staatssecretaris. Laat ik beginnen bij de opmerking dat dit preventief zou werken. De staatssecretaris stelt: dit heeft in zichzelf al een preventieve werking en bovendien zijn er middelen. Die middelen zijn niet gekoppeld aan dit wetsvoorstel. Die middelen waren er al, maar dit wetsvoorstel komt erbij. Dat betekent dat dit extra moet worden gedaan uit de bestaande middelen. Hoe moet dat dan voor scholen? Mijn vraag over de preventieve werking is ook: hoe ziet de staatssecretaris dat dan voor zich als juist de Raad van State zegt dat dit mogelijkerwijs zelfs een contraproductief effect gaat hebben?

Staatssecretaris Tielen:

Om met het tweede te beginnen: naar aanleiding van het advies van de Raad van State zijn wij de hele memorie van toelichting doorgelopen om te kijken wat de Raad van State zegt en wat we daardoor nog beter moeten uitleggen of op een ander moment moeten duiden. Waar de Raad van State naar verwees bij het potentiële contraproductieve effect, als ik het goed zeg, is dat als scholen niet weten wat ze wel en niet moeten registreren, het effect kan ontstaan dat ze het wel of niet gaan registreren. Maar dat is natuurlijk een redelijk brede interpretatie. Wat we met deze wet doen, is scholen in ieder geval de opdracht geven om dat veiligheidsbeleid te maken, om incidenten naar hun eigen inzicht te registreren, op de manier waarop zij dat willen doen. Het is ook bedoeld om het eigen inzicht in de veiligheid te versterken en zo het veiligheidsbeleid te kunnen verbeteren.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Staatssecretaris Tielen:

De middelen voor de Stichting School & Veiligheid waren er al. Die stichting bestaat en doet supergoed werk. Dat werkt heel goed. Door dit wetsvoorstel komen er wel extra middelen voor de sectorraden om het mogelijk te maken de veilige schoolcultuur volgens de wet te implementeren.

Mevrouw Moorman (PRO):

In het tweede deel zegt de staatssecretaris dus eigenlijk dat er geen extra geld komt. Blijkbaar moet het dan dus ergens anders vanaf. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan: wat moeten scholen dan niet meer doen om dit wel te kunnen doen?

Voorzitter. Toch nog over het eerste deel van de beantwoording. Eerlijk gezegd, snap ik niet zo goed wat de staatssecretaris nou zegt. De Raad van State is klip-en-klaar, hè? Zij zeggen: de vraag is echt of dit tot een veiliger schoolklimaat leidt. Sterker nog, de Raad van State zegt dat de kans heel groot is dat dit tot een ónveiliger schoolklimaat leidt omdat scholen die registratie niet willen doen. Ik ga het even heel concreet maken. Stel dat een leerling een andere leerling in de klas uitscheldt. Vervolgens gaat de leraar, die zeer professioneel is, het gesprek aan met die twee leerlingen en de ene leerling biedt dan zijn excuses aan aan de andere leerling. Moet daarvan volgens de staatssecretaris een registratie plaatsvinden?

Staatssecretaris Tielen:

Dat is aan de scholen zelf, want dat schrijven we niet zo voor in de wet. Wat wij zeggen is dat scholen veiligheidsincidenten moeten registreren die voor hen een impact kunnen hebben. Denk aan fysiek geweld, stelselmatige discriminatie en dat soort dingen. Waar we uiteindelijk naartoe willen, is natuurlijk dat dit überhaupt niet gebeurt. Dat is preventie, maar het is echt aan de docent zelf om te bepalen of hij het gesprek naar aanleiding van een scheldpartij wel of niet in de registratie wil opnemen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (PRO):

Dit is nou precies het probleem: wat is nou een veiligheidsincident? Laat ik het nog een keer concreet maken. De ene leerling duwt een andere leerling op het schoolplein. Dat is fysiek geweld. Dat is onveilig. Het professionele handelen van bijvoorbeeld een schooldirecteur is echter zodanig dat hij die leerlingen bij zich roept, hun vraagt waarom dit gebeurt en zegt: dit mogen jullie zo niet doen. Zij spreken met elkaar, en daardoor leidt dit juist tot preventie. Moet dit dan geregistreerd worden? Ik zeg dat niet alleen. Dat zegt ook de Raad van State. De hele sector zegt: "We weten niet wanneer we moeten melden. We weten niet wanneer we moeten registreren. Sterker nog, we zijn hier zo bang voor dat wij die registratie buiten onszelf gaan plaatsen."

Staatssecretaris Tielen:

Een aantal dingen moet zeker wel geregistreerd worden. Dan moet u denken aan fysiek geweld of aan stelselmatige discriminatie. Ik noemde het net al. In de wet staat dat dat soort dingen, die echt heel, heel onveilig zijn, geregistreerd moeten worden. Alles wat daartussen zit, hoort ook bij het preventiebeleid van de school. Ik vind dat juist belangrijk. Daarom staat het er ook in. De school stelt een veiligheidsbeleid vast en de school evalueert dat elk jaar. Daar heeft de school inzicht voor nodig. Als de school ziet dat een kind stelselmatig in schelden uitbarst en daarmee andere kinderen probeert te kleineren en dat een veiligheidsincident vindt, dan kan de school dat opschrijven als een veiligheidsincident. Ik ga niet controleren of dat wel of niet gebeurd is. Dat hebben we namelijk niet in die wet opgeschreven. De veiligheidsregistraties of incidentenregistraties zijn bedoeld voor de school zelf, om inzicht te krijgen in het eigen veiligheidsbeleid: werkt het of moet het beter? Daar gaat het om.

De heer Boomsma (JA21):

Voor mij is het in ieder geval nog niet helder. Stel dat leerlingen met elkaar vechten. De een geeft de ander een duw en die ander valt om. De staatssecretaris zegt dat fysiek geweld altijd moet worden geregistreerd. Valt dit daar dan onder of niet?

Staatssecretaris Tielen:

Als er vervolgens lichamelijke schade is, om het maar zo te zeggen, en het kind op de eerste hulp behandeld moet worden omdat er schade is door fysiek geweld, dan lijkt mij dat wel een veiligheidsincident. Zo hebben we dat ook opgeschreven: fysiek geweld met lichamelijk letsel tot gevolg. Kijk, ik ga niet vanuit deze zaal — dat doet u ook niet — of vanuit het ministerie al die veiligheidsregistraties langs. Dat is niet het doel van het registreren. Het doel van het registreren is dat de scholen daar zelf inzicht in krijgen: zijn wij nou een veilige school, waar schort het aan en welke dingen gaan wij samen registreren? Ik stel vast dat, als je op een school met elkaar een veiligheidsbeleid maakt, het ook handig is om daar met elkaar afspraken over te maken.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Boomsma (JA21):

De staatssecretaris zegt: het doel van de wet. Maar het gaat niet alleen maar om het doel, het gaat ook om de werking ervan en om de effecten op wat scholen dan vervolgens moeten doen. Dat is mij nog steeds niet duidelijk. Als een leerling bijvoorbeeld een blauwe plek heeft, tja, dan moet hij niet naar de eerste hulp, maar is het wel een fysiek incident. Voor mij is dit dus op dit moment ook nog niet duidelijk, en voor scholen blijkbaar op dit moment ook niet. Verder is het natuurlijk zo dat de Raad van State niet zegt dat het alleen zit in de onduidelijkheid waardoor het misschien wel een averechts effect kan hebben. Het gaat erom dat dit een focus creëert op procedures, op registreren, administreren, melden en dergelijke, en dat die focus op de procedurele kwesties juist afleidt van het open gesprek, het intern oplossen en een gezonde sfeer op school. Volgens mij klopt het dus niet wat de staatssecretaris zegt, dat het alleen ging over de mogelijke onzekerheid over wat je moet registreren. Het gaat meer om de hele aanpak die gefocust is op het procedurele in plaats van op de cultuur op school.

Staatssecretaris Tielen:

Het gekke daar is dat de overgrote meerderheid van de scholen zelf al een veiligheidsbeleid heeft en zelf ook met elkaar afspraken heeft gemaakt over hoe om te gaan met veiligheidsincidenten, en een heel groot deel van de scholen nog niet. Nogmaals iets over het doel en de werking. Het doel is een goed veiligheidsbeleid. Als je niet weet hoe veilig het is op je school, kun je ook niet toetsen of je beleid klopt en of het ook echt veilig is op school. Je hebt inzicht nodig. En inzicht verkrijgen doe je door met elkaar af te spreken welke veiligheidsincidenten je registreert op school en hoe je dat gebruikt in je evaluatie over een jaar, als je het veiligheidsbeleid met elkaar evalueert. Daar gaat het om. Als er dan docenten zijn die zeggen "tja, ik weet niet of ik dit moet registreren", zou het een handige volgende stap zijn om het daar dan even met een aantal collega's over te hebben. Dat is volgens mij precies waar deze wet toe moet leiden: dat je met elkaar een veilig, voorspelbaar schoolklimaat creëert waarin de regels duidelijk zijn, waarin sancties en handhaving helder zijn. Maar wij moeten dus geen lijstjes maken, want dan klopt daar altijd wel iets niet aan. Scholen moeten zelf dat lijstje maken en zelf afspraken maken, en dat gebruiken bij het verbeteren van hun veiligheid.

De voorzitter:

Als uw onafhankelijk voorzitter krijg ik wel een beetje het idee dat we al in het blokje nut, noodzaak en proportionaliteit terechtgekomen zijn.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, een beetje wel.

De voorzitter:

Maar goed, misschien kunnen we dan het tweede kopje wat inkorten.

De heer Boomsma (JA21):

Nog één ding. Kijk, natuurlijk houden de meeste scholen het bij en houden ze in de gaten hoe het gaat op hun scholen. Als er incidenten zijn, vechtpartijen, dan weet men dat. En natuurlijk zijn scholen bezig om te proberen te voorkomen dat leerlingen met elkaar gaan vechten of dat er allerlei andere ellende gebeurt; dat is gewoon evident. In principe doet elke school, elke leraar dat al. Maar hier gaat het er natuurlijk ook om dat als je een wettelijke verplichting oplegt, dan ook de structuur en het gewicht veranderen van zo'n procedure voor iets wat men nu sowieso al doet in vrijwel alle scholen, namelijk gewoon bijhouden wat er gebeurt. Als je zo'n verplichting toevoegt, met alles wat daarbij komt, dan verandert dat ook de aard daarvan; dan legt men dus juist meer de nadruk op de procedures. Daar gaat het hier om.

Staatssecretaris Tielen:

Ik snap wat meneer Boomsma zegt. Er zijn een paar dingen die ik in respons daarop wil zeggen. Eén is: ook al is het maar 5% of 10% dat het niet goed doet, dan vind ik dat te veel. Dat betekent dan dat er gewoon scholen zijn waar kinderen niet zeker weten of ze veilig zijn en ook niet weten waar ze naartoe moeten als dat niet zo is. Dat is dus één. Ik vind 5% of 10% dan echt gewoon niet weinig.

Het tweede is dat we met een wet een norm stellen: we vinden het belangrijk dat dat veiligheidsbeleid er is. Nou, daar hadden we al een wet voor en in de wetsevaluatie bleek dat er wel behoefte is om dit vaker te evalueren en dat daar dan ook een registratie op zit. De heer Boomsma zegt: de meeste scholen weten het wel. Maar op heel veel scholen werken best wel veel mensen en die zitten daar niet van 's ochtends acht uur tot 's avonds acht uur. Het is goed om van elkaar te weten wat er voor veiligheidsincidenten zijn, ook om patronen te kunnen herkennen en om het daar met elkaar over te hebben, om als een ouder vraagt of het vaker gebeurt of een incidentje is, te kunnen zeggen dat je dat bijhoudt. Dus ik weet wel wat de heer Boomsma bedoelt, maar er zitten toch wel een aantal elementen in waarvan ik zeg: ik zie dat echt anders.

De heer Van Houwelingen (FVD):

In aanvulling hierop. Dit is natuurlijk een draak van een wet. Die geeft allemaal registratieverplichtingen. Scholen hebben daar niks aan. Waar scholen wel wat aan zouden hebben, is dat, als ze bijvoorbeeld honderd keer geregistreerd hebben dat er een pestkop op school zit, die dan van school kan worden gestuurd. En dat kan dan dus niet, want dan moet er natuurlijk een vervangende school worden gezocht. Dan is mijn vraag aan de staatssecretaris: daar zouden die scholen wel wat aan hebben, dus zou de staatssecretaris willen onderzoeken of het mogelijk is of wil ze met een wetsvoorstel komen om het voor scholen makkelijker te maken — wat nu dus niet het geval is — om zo'n pestkop, als die twintig keer geregistreerd is, straks van school te kunnen sturen?

Staatssecretaris Tielen:

Als meneer Van Houwelingen de Staat van het Onderwijs leest — dat is best een dik boek, hoor — dan ziet hij dat het nu al bijgehouden wordt als er kinderen van school moeten worden gestuurd in verband met ernstige overtredingen wat betreft veiligheid, regels en dat soort dingen. Dat gebeurt al. Ik ben dus niet meteen bereid om daar weer een nieuwe wet voor te maken, heel eerlijk gezegd.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Het probleem is, zoals de staatssecretaris ongetwijfeld weet, dat kinderen niet … Stel dat je een pestkop op school hebt zitten. Die staat straks twintig keer geregistreerd, maar die kan niet zomaar van school worden gestuurd. Daar hebben de scholen last van. Die willen van zo'n leerling af, want die verziekt de sfeer op school. Ze willen dat kind van school hebben. Wij steunen dat van harte. Dat kan betekenen dat het kind geen onderwijs meer krijgt; dat is dan maar zo. Omdat daar een heel probleem van wordt gemaakt — er moet bijvoorbeeld een andere school worden gezocht — blijft die pestkop op school zitten. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus of ze met wetgeving of iets wil komen. Daar hebben scholen wat aan. Scholen kunnen dan makkelijker een kind van school sturen. Dat is mijn vraag.

Staatssecretaris Tielen:

Van de bijzin van meneer Van Houwelingen, "dat is dan maar zo", neem ik even afstand. In bijzinnen worden vaak dingen gesteld die volgens mij niet door iedereen zomaar worden omarmd. Maar, nogmaals: er zijn al allerlei mogelijkheden voor scholen om veiligheid te garanderen. Deze wet gaat dat nog verbeteren. Ik denk niet dat we individuele personen als debatmiddel moeten gebruiken in het kader van deze wet.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ja, tot slot. Dan concludeer ik wel iets interessants. De staatssecretaris trekt een grote broek aan en zegt: we gaan voor veiligheid op school zorgen. Maar uiteindelijk staat ze nu eigenlijk achter die pestkoppen. Dat is wat er gebeurt. Ze maakt het scholen onmogelijk om daarvan af te komen. Scholen zouden er wat aan hebben als het ze mogelijk werd gemaakt om van zo'n pestkop af te komen. Daar heeft een school wat aan, maar dat gebeurt dus niet. Hadden we maar zo'n wetsvoorstel gehad. Dáár hadden we wat aan gehad.

Staatssecretaris Tielen:

Daar hoef ik verder niet op te reageren.

Mevrouw Moorman (PRO):

De antwoorden van de staatssecretaris roepen best wel wat vragen op over het nut en de noodzaak, maar dat is het volgende blokje. Ik wil nu dus nog even bij de visie blijven. Ik heb de staatssecretaris een aantal keer horen zeggen dat dit leidt tot meer voorspelbaarheid. Tegelijkertijd heb ik haar horen zeggen dat het aan de scholen zelf is of ze vinden dat iets geregistreerd moet worden en dat zij dat niet gaat dicteren. Maar hoe is het dan voorspelbaar?

Staatssecretaris Tielen:

Ik denk dat het op zichzelf twee dingen zijn. Aan de ene kant gaat het om een voorspelbaar schoolklimaat met voorspelbare regels. Ik noem maar iets. Als de regel op school is dat je niet over de trappen rent, krijg je allereerst een waarschuwing als je wel over de trappen rent. Dan doe je het nog een keer enzovoort. Dat is voorspelbaarheid. Dat gaat dus breder dan alleen maar grote veiligheidsincidenten. Het gaat over een pedagogisch veilig schoolklimaat. Als het gaat om registraties zeg ik nogmaals het volgende. Een aantal dingen die echt geregistreerd moeten worden, hebben we wel in de wet opgenomen. Daarnaast is het aan scholen zelf om te bepalen of die ene duw fysiek geweld is of niet en of dat geregistreerd wordt. Maar we willen dat de dialoog op gang komt en dat scholen zich bewust zijn van wat hun veiligheidsbeleid wel en niet kan doen. Daarmee moeten ze voorkomen dat onveiligheid ontstaat.

Mevrouw Moorman (PRO):

Ik heb net al gezegd dat ik zo meteen terugkom op nut en noodzaak. Er zijn al 3.000 meldingen, dus de vraag is wat dit toevoegt. Ik zeg toch nog even wat over die voorspelbaarheid. Ik hoor de staatssecretaris namelijk meerdere keren zeggen dat deze registraties belangrijk zijn omdat we daarmee trends en verschillen tussen scholen kunnen zien.

Staatssecretaris Tielen:

Nee, we …

De voorzitter:

Hoho. Mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (PRO):

Maar als ik nu naar de staatssecretaris luister, denk ik ten eerste: we weten helemaal niet wat er achter die cijfers schuilgaat. Wanneer wordt het nou wel en wanneer wordt het nou niet geregistreerd? Bovendien beluister ik in de beantwoording van de staatssecretaris dat scholen er verschillend mee om mogen gaan. Dus nog buiten het feit dat het contraproductief kan werken en er misschien wel minder wordt geregistreerd, omdat scholen er dan misschien een beetje angstig voor worden en er helemaal het geld niet voor hebben, is het ook nog eens een keer helemaal niet goed interpreteerbaar.

Staatssecretaris Tielen:

Volgens mij is er nog een ander misverstand, dat ik dan maar uit de weg moet ruimen. Dat heb ik verzuimd, omdat ik dat nog niet zo zag. Het is dus niet zo dat er een landelijke database komt met Excelbestanden enzovoort enzovoort waarin alle veiligheidsincidenten worden geregistreerd. Het doel van die registratie is namelijk niet dat "ik" of "we" inzicht hebben. Zoals mevrouw Moorman zegt: er zijn al registraties. Het gaat erom dat scholen zelf een veiligheidsbeleid hebben dat ze met feiten en cijfers kunnen onderbouwen en evalueren. Die registraties zijn bedoeld voor de scholen zelf. Als de inspectie langskomt en zegt "dit lijkt me toch wel een onveilige school", om wat voor reden dan ook — bijvoorbeeld die andere registraties — dan kunnen scholen laten zien: "We houden dat op deze en deze manier bij. Dat gebruiken we in de evaluatie en zo gaan we om met het veiligheidsbeleid." Dat is het doel; geen grote database.

De voorzitter:

Tot slot mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (PRO):

Met alle respect, maar het wordt mij steeds onduidelijker. Als scholen dit zelf op hun eigen manier kunnen interpreteren en op hun eigen manier kunnen registeren, hoe moet de inspectie daar dan toezicht op houden? Moet de inspectie dan elke keer vragen: hoe doet u dat dan precies, hoe hebt u dat gedaan en wat zit er dan achter? Hoe moet de inspectie dan beoordelen bij de scholen of het op de juiste manier is gegaan? Bovendien ligt er dan een fundamenteel wantrouwen ten opzichte van scholen onder, want de meeste scholen doen dit natuurlijk. Ik zie dan ook niet hoe dit tot meer preventie gaat leiden. Ik ben bang dat de antwoorden van de staatssecretaris mij alleen maar meer in verwarring brengen.

Staatssecretaris Tielen:

Dat is vervelend, want uiteraard ging ik hiernaartoe om met de Kamer in debat te gaan om echt een aantal misverstanden, die ik in de eerste termijn van uw Kamer al langs hoorde komen, en nu nog steeds, uit de weg te helpen. Ik begon er al over: elke school wil veilig zijn. Natuurlijk. Wij vinden het allemaal heel belangrijk dat elke school veilig is, want anders kom je niet aan leren toe. In deze wet staan een aantal normen over wat je doet om die veiligheid op jouw school goed neer te zetten, met een gedegen veiligheidsbeleid, dat structuur biedt om te werken. Zo staat het ook in de memorie van toelichting. Ik noem preventie, positief schoolklimaat en handelingsperspectief bij onveiligheid. Daar gaat deze wet over. Nogmaals, wij hoeven niet te controleren wat scholen wel of niet registreren. Het is een manier voor scholen om hun eigen veiligheidsbeleid toetsbaar en op feiten gebaseerd neer te zetten en daarmee een veiliger schoolklimaat te creëren.

De heer Ceder (ChristenUnie):

De staatssecretaris weet dat ik kritisch ben over nut en noodzaak, maar daar gaat de staatssecretaris zo iets over zeggen. Ik ben in ieder geval blij met de opmerking dat scholen die data vooral voor zichzelf gebruiken en dat het dus niet zo is dat het ministerie of de Tweede Kamer elk jaar hier een groots debat heeft over: kijk nou eens hoeveel registraties de school in noord of die in zuid heeft. Dat is niet de bedoeling. Voor mij was het wel een zorg dat we gaan registreren om vervolgens scholen die hun best doen om het veiliger te maken daarop vervolgens af te rekenen. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat daar wat meer licht zit. Dat roept bij mij wel de vraag op waarom dit dan niet een vrijwillig karakter kan krijgen.

De voorzitter:

Dat is een mooie vraag.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Nou, dan hou ik 'm even hierbij, als de voorzitter het mooi vindt.

Staatssecretaris Tielen:

Deze wet is er niet omdat iemand ergens een keer bedacht: zullen we deze wet eens gaan maken? De wet is gebaseerd op de evaluatie van de wet inzake schoolveiligheid die in 2021 is uitgevoerd. Die incidentregistraties worden nu niet altijd gedaan. De meldroutes zijn niet altijd handig. Wat wij met deze wet doen, is scholen die dat nog niet hebben gedaan aan het werk zetten om zelf op een goede manier hun veiligheidsincidenten te registreren.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Een van de zorgen die ik heb, is dat dat vervolgens leidt tot een gedragsverandering. Scholen die nu al het goede gesprek normerend op het schoolplein of de klas voeren op het moment dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag, gaan dat niet meer doen, maar gaan registreren. Er ontstaat dan een gedragsverandering waarvan ik niet per se weet of de school daar veiliger van wordt.

Mijn andere zorg is dat die cijfers, of dat nou in schoolverbanden, regionaal of op welke wijze dan ook gebeurt, jaarlijks gebruikt gaan worden om toch te kijken welke school veiliger is dan de andere. Ik vraag me af of de staatssecretaris de zorg kan wegnemen dat die twee gedragsveranderingen door het aannemen van deze wet zullen optreden. Mij lijkt het heel evident, omdat die data er zijn en je daar vervolgens ook conclusies uit gaat trekken. Dan krijg je een ongewenst effect ten opzichte van wat de staatssecretaris wil: intern gebruik; je schrijft het op, dan heb je er beleid op en verder is er niemand die daar verder iets van hoeft te vinden. Ik zie toch veel losse eindjes. Kunt u uitleggen hoe dat scenario wordt voorkomen?

Staatssecretaris Tielen:

Dat is altijd moeilijk, want dan moet je een soort van als-danredenering volgen en het is soms lastig om op basis van feiten te beargumenteren, omdat die feiten er nog niet zijn. Uiteindelijk gaat het voor scholen zelf ... Ik denk dat scholen zelf ook wel enigszins zicht willen hebben op hun feiten en cijfers op het gebied van veiligheid. Dat is ook wel wat ik terughoor van schoolbestuurders en schoolleiders. Om te voorkomen dat data met elkaar gedeeld worden, is uiteindelijk ook weer aan de scholen zelf. Het is aan hen wat ze wel en niet met hun data willen doen. Er is wel een instantie die daar zeker inzicht in mag hebben, en dat is de inspectie, als die daar aanleiding toe heeft.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Tot slot. Kan de staatssecretaris in ieder geval toezeggen dat, mocht deze wet worden aangenomen — dat weet ik nog niet, maar dat gaan we merken — de onderwijsinspectie de data natuurlijk mag opvragen op het moment dat er bezoeken plaatsvinden, maar dat daar vervolgens niet een soort van protocol uit ontstaat dat de onderwijsinspectie die data van tevoren al als meetpunt gaat nemen, zonder dat dit gekoppeld is aan bezoek? Ik snap dat de inspectie de data opvraagt als ze op bezoek gaat, maar ik zie ook een risico dat de onderwijsinspectie dit als een soort van preventief inschattingsinstrument gaat zien. Volgens mij ontstaat daaruit dan wat ik net zei: de onderwijsinspectie gaat de data zo gebruiken, alle scholen gaan ze zo gebruiken en voordat je het weet staan wij hier elk jaar als Tweede Kamer aan te wijzen welke school wel of niet veilig is, en dat is volgens mij niet de bedoeling van deze staatssecretaris.

Staatssecretaris Tielen:

Er zijn natuurlijk ook andere veiligheidsdata. Ik hoor goed wat de heer Ceder zegt, maar wil daar in tweede termijn op terugkomen, om even goed voor mezelf scherp te hebben wat de inspectie nu gebruikt om vergelijkingen te maken als het gaat om een veiliger schoolklimaat en welk risico daarin zit. Ik kom daar dus in tweede termijn op terug.

De voorzitter:

Laten we een klein beetje gas op die lolly zetten en in ieder geval visie gewoon afronden. Daarna doen we weer ...

Staatssecretaris Tielen:

Visie had ik afgerond. Ik was bij nut en noodzaak.

De voorzitter:

Nou, dan gaan we nut en noodzaak ook afronden.

Staatssecretaris Tielen:

Ik kijk even wat ik daar nog over moet zeggen en wat ik nog niet heb gezegd in de afgelopen interruptiedebatjes. Het makkelijke wat ik in ieder geval wil zeggen, is dat we natuurlijk balans moeten zoeken, maar dat is een open deur. Aan de ene kant is de veiligheid op school gewoon superbelangrijk en aan de andere kant moeten we ook voorzichtig zijn om niet te veel aan bureaucratie en registraties te doen, en dat is natuurlijk precies wat we nu aan het doen zijn, volgens mij ook in dit debat. Ik zie dus aan de ene kant de noodzaak om dat veiligheidsbeleid op scholen echt gedegen, geëvalueerd en gebaseerd op feiten te krijgen, en aan de andere kant ook niet te overdrijven in wat we allemaal gaan voorschrijven. Daar kom ik straks bij de amendementen nog even op terug.

Er is ook een landelijke Veiligheidsmonitor, waarop nu al gemonitord wordt hoe het gaat met de veiligheid op scholen. We weten dat meer dan de helft van de middelbare schoolleerlingen weleens een incident op school heeft meegemaakt. We weten ook dat lang niet alles wordt gemeld. Ook onderwijspersoneel heeft helaas te maken met onveiligheid. Daar heeft de vakbond CNV Onderwijs recent nog een onderzoek over gepubliceerd.

Een aantal van uw leden vroeg wat dan de oorzaak van de toename van onveiligheid op scholen is. Dat is moeilijk zomaar met één antwoord te benoemen. Waar het om gaat, is dat de maatschappij de school en de klas in komt. Verharding en polarisatie zien we overal in onze samenleving en die hebben uiteraard ook hun effect op school. Tegelijkertijd is school ook een andere plek gaan innemen, waarbij de gemeenschap, de minisamenleving, soms wel, maar soms ook nog niet als zodanig wordt gevoeld.

De cijfers zijn dus duidelijk en zoals ik al zei, komt uit de wetsevaluatie van 2021 voort dat we er echt nog wat aan te doen hebben om de wet te verbeteren. Ook vanuit bijvoorbeeld de vakbonden is positief gereageerd op het voornemen om met deze wet aan de slag te gaan, omdat dit de veiligheid moet verbeteren.

Ik loop even langs hoe we de evaluatie en andere data hebben gebruikt om te komen tot dit wetsvoorstel. Het is namelijk niet zo dat iemand dit in zijn eentje heeft zitten verzinnen. De verdieping en de verbreding van de leerlingenmonitor, die onderdeel is van de wet, komt voort uit de evaluatie van de Wet veiligheid op school. We zagen dat scholen eigenlijk te weinig zicht hebben op de ervaren veiligheid. De meldplicht voor ernstige incidenten komt voort uit een aangenomen motie-Peters/Pouw-Verweij, die vraagt om een meldplicht. De uitbreiding van de meld-, overleg- en aangifteplicht is gebaseerd het onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs, waaruit bleek dat scholen in de praktijk vaak zelf beoordelen of sprake is van seksueel misbruik, zonder daarbij de expertise van bijvoorbeeld de vertrouwensinspectie te gebruiken. Daardoor wordt veel seksueel grensoverschrijdend gedrag niet herkend en wordt er te weinig aangifte gedaan.

De evaluatie van het klachtenstelsel resulteerde in de aanbeveling om de interne en externe vertrouwenspersoon te verplichten, zoals we nu hebben opgenomen, omdat leerlingen, ouders en ook personeelsleden aangaven dat ze een gebrek hadden aan onafhankelijke en laagdrempelige steun als het gaat over onveiligheid. In diezelfde evaluatie van het klachtenstelsel stond ook de aanbeveling om scholen te verplichten zich aan te sluiten bij een landelijke klachtencommissie, omdat kleinere lokale commissies minder goed bleken te zijn in klachtenbehandeling.

Nog weer even terug naar de evaluatie van de Wet veiligheid op school. Daaruit bleek ook dat scholen hun veiligheidsbeleid eigenlijk niet evalueren. Daardoor wordt het goede gesprek over wat nodig is op school om veiligheid te garanderen, waar we eerder naar verwezen, vaak niet gevoerd. En als het wordt gevoerd, is het niet gebaseerd op een gedeeld en goed beeld van wat er daadwerkelijk op school is gebeurd in het jaar daarvoor.

Deze wet lost een aantal praktische knelpunten op en is een belangrijke stap om een norm te stellen en scholen te vragen te doen wat ze minimaal moeten doen om hun veiligheid op orde te brengen. Dat betekent dus dat alle scholen goed zicht moeten hebben op hun veiligheidssituatie; daar heb ik al naar verwezen. Bij signalen van onveiligheid moet er goede ondersteuning en begeleiding zijn, bijvoorbeeld door vertrouwenspersonen en klachtencommissies. Het veiligheidsbeleid moet jaarlijks kritisch worden geëvalueerd, samen met de medezeggenschapsraad. Op die manier moet het ertoe leiden dat iedereen op school gehoord en ook geholpen wordt als het gaat over veiligheid, en dat het gesprek over veiligheid vaker en beter onderbouwd wordt gevoerd. Dat is cruciaal om het veiligheidsbeleid te kunnen verbeteren en om te kunnen voorkomen dat onveiligheid plaatsvindt, zeker voor leerlingen die het meest te maken hebben met onveiligheid; dat noemde ik al eerder. Heel veel scholen doen het al, maar nog lang niet alle scholen hebben de basis goed op orde wat betreft de maatregelen die zijn benoemd. De wet vraagt dan ook vooral iets van scholen die dat nog niet op orde hebben.

Er zijn veel vragen gesteld over administratieve lasten, onder anderen door mevrouw Armut, mevrouw Moorman, meneer Boomsma, meneer Claassen, meneer Ceder en meneer Kisteman. De vraag is: welke balans vinden we? Wegen de baten op tegen de lasten? Ik vind het eigenlijk best normaal, zoals ik daarstraks in een bijzin ook al zei, dat een school bijhoudt wat er aan veiligheidsincidenten is. En dat is het dus ook, want de meeste scholen doen het al. Overigens heeft een heel groot deel van de scholen, 79%, al een interne en externe vertrouwenspersoon, maar 20% dus niet. Een heel groot deel van de scholen is al aangesloten bij een landelijke klachtencommissie. De meerwaarde van deze wet is dan ook vooral dat we een standaard en een norm stellen waaraan alle scholen moeten voldoen wat betreft hun veiligheidsbeleid. Het meerwerk voor scholen betreft dus vooral scholen die de basis nu nog niet op orde hebben. Scholen waar dit wel voor geldt, zullen weinig extra inspanning hebben door deze wet.

Mevrouw Moorman vroeg ook: bent u niet bang dat personeel gaat vertrekken op scholen omdat er administratieve lasten zijn? Nou, dat denk ik niet. De bedoeling is dat scholen veiliger worden. Ook het personeel heeft daar baat bij, want een veilige school is ook een aantrekkelijkere school om voor te werken. Juist personeel op scholen waar de veiligheid nu nog niet de norm haalt, gaat baat hebben bij deze wet, is onze verwachting. Dat is ook verwachting van de bonden.