Tweede Kamer, 85e vergadering
- Begin14:00
- Sluiting00:00
- StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van Campen
Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:
De voorzitter:
Ik open de vergadering van dinsdag 23 juni 2026.
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Rooderkerk
Vragen van het lid Rooderkerk aan de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie over het bericht "Eén op de drie scholen heeft tropenrooster, werkende ouders met handen in het haar: 'Mag dat zomaar?'".
De voorzitter:
Aan de orde is het mondelinge vragenuur. Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom in vak K. Ik geef het woord aan mevrouw Rooderkerk voor haar vragen aan de staatssecretaris namens de fractie van D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. De komende dagen stijgt de tempratuur naar 35 graden. Dat betekent dat het ontzettend heet is in schoolgebouwen, dat kinderen en leraren zich niet goed kunnen concentreren en dat ze hoofdpijn en duizelingen hebben. Het is heel moeilijk om bij de les te blijven met zulke hitte op school. Als ouder weet ik hoe het is om plotsklaps een bericht te krijgen dat je kind van school moet worden gehaald, omdat de school dicht moet vanwege de hitte.
Met de klimaatverandering die we nu zien, moeten we ervoor zorgen dat we onze schoolgebouwen toekomstbestendig maken. Weersextremen en hitte gaan namelijk vaker voorkomen. Daarnaast vinden wij dat er een nationaal hitteplan moet komen, zodat we zorgen dat we voorbereid zijn op dit soort situaties. Als D66 pleiten we er sowieso al jaren voor dat er veel meer aandacht moet zijn voor betere schoolgebouwen. Daarom stel ik de volgende vragen aan de staatssecretaris. Als eerste: wanneer komt er een nationaal hitteplan voor scholen?
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Ik herken heel goed wat mevrouw Rooderkerk zegt over het geconfronteerd worden met beslissingen van de school, waar je als ouder van denkt: o jee. Gelukkig hebben de scholen onderling afgesproken dat ze dat niet van uur één op uur twee doen, maar tijdig. Wat betreft deze week staat in de voorspelling dat het vrijdag maar liefst 35 of 36 graden kan worden. Heel veel scholen hebben ouders al geïnformeerd over de manier waarop daarmee vrijdag overdag wordt omgegaan. Er zijn allerlei afspraken over gemaakt. Mevrouw Rooderkerk vraagt of er een nationaal hitteplan kan komen. Er zijn hitterichtlijnen vanuit bijvoorbeeld het RIVM en de GGD'en per regio. Er is nu geen nationaal hitteplan voor scholen, omdat de meeste scholen dat zelf hebben afgesproken met hun medezeggenschapsraden op basis van de adviezen van bijvoorbeeld de GGD'en.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De staatssecretaris zegt dat de schoolbesturen hier zelf verantwoordelijk voor zijn. Wat doet zij dan voor ouders die nu, vandaag, iets moeten regelen en niet weten waar ze aan toe zijn? Ik heb het niet over vrijdag. Het betekent gewoon dat ouders de komende dagen van scholen te horen krijgen dat kinderen moeten worden opgevangen. Wat doet zij voor leraren met hoofdpijn en duizeligheid in steeds warmere klaslokalen?
Staatssecretaris Tielen:
In de Arbowet, de wetgeving die we met elkaar hebben voor alle gebouwen waar werkgevers en werknemers samen hun dagen doorbrengen, zijn afspraken gemaakt over wat er wel en niet in onder andere schoolgebouwen mag zijn. Daarnaast is het, zoals ik zei, aan werkgevers en schoolleiders om vanuit de PO-Raadadviezen aan de slag te zijn met hoe leerlingen en docenten het beste hun schooldag kunnen besteden. Daarbij is afgesproken dat tropenroosters mogen, als daar binnen de medezeggenschapsraad in het schoolbeleid afspraken over zijn gemaakt en mits dat op tijd met ouders wordt besproken. Daarbij is ook afgesproken dat, als het voor ouders onmogelijk is om kinderen elders op te laten vangen, de school een aanbod doet om te zorgen dat er overdag op de kinderen wordt toegezien; laat ik het zo zeggen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De staatssecretaris begon over het tropenrooster. Herkent zij het beeld dat volgens Ouders & Onderwijs een op de drie scholen nu een tropenrooster invoert vanwege de hitte in klaslokalen?
Staatssecretaris Tielen:
Daar heb ik nu geen zicht op, maar ik geloof het meteen. Ook ik begeef mij uiteraard onder allerlei ouders met kinderen op verschillende vormen van scholen en ook op verschillende scholen. Ook ik hoor dat scholen inderdaad bezig zijn met zich voor te bereiden op het eind van de week, waarin de temperaturen zo hoog worden dat het voor kinderen heel moeilijk wordt om in de klas geconcentreerd te zijn bij de taal- of rekenles. We weten namelijk dat het boven een temperatuur van ongeveer 25 graden best wel ingewikkeld wordt om je echt te concentreren op wat de juf of de meester zegt. Ik weet niet of de cijfers kloppen, maar ik geloof het zo, omdat scholen zich wat mij betreft op een professionele manier aan het voorbereiden zijn op de warme temperaturen van vrijdag.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het gaat niet alleen om het einde van de week. Heel veel ouders moeten morgen al voor opvang zorgen. De staatssecretaris geeft aan dat een op de drie scholen hiermee te maken krijgt. Dit is dus geen uitzondering meer, maar iets waarop we moeten worden voorbereid. In Frankrijk laten ze zien hoe dat kan, met een nationaal hitteplan. Daar hebben ze per regio en per alarmfase een norm gesteld voor wanneer maatregelen genomen moeten worden. Zou de staatssecretaris daar ook mee aan de slag willen gaan?
Staatssecretaris Tielen:
Uiteraard. Ik wil altijd overal mee aan de slag en ik wil overal mee in gesprek. Zoals ik al zei, hebben de GGD'en, de gemeentelijke gezondheidsdiensten, over het algemeen op advies van het RIVM protocollen liggen, ook voor andere instanties waar kinderen zijn, bijvoorbeeld kinderopvangcentra. Ik vind het prima om samen met de schoolbesturen en de GGD'en te kijken wat er nog meer nodig is om ervoor te zorgen dat schoolleiders en schoolbesturen weten waar ze aan toe zijn bij bepaalde temperaturen en ook op een goede manier afspraken kunnen maken met ouders, zodat ouders niet verrast zijn maar weten wat eraan komt bij bepaalde weersvoorspellingen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank. Ik hoop dat we daar per brief een terugkoppeling over krijgen, want ik hoorde een toezegging. Het lijkt ons inderdaad ook van belang om dit gelijk te trekken met de kinderopvang. Het is fijn als ook voor scholen duidelijk is wanneer een nationaal hitteplan gaat gelden.
Ik wil door naar de schoolgebouwen zelf. Inmiddels is de website schoolgebouwenschaamte.nl in de lucht. Het is heel treurig om te zien dat 80% van de schoolgebouwen in Nederland een slecht binnenklimaat heeft. Wat vindt de staatssecretaris ervan dat het in de meeste kantoren, en ook hier in de Tweede Kamer, prima te doen is, maar op deze scholen niet?
Staatssecretaris Tielen:
Er zijn duizenden schoolgebouwen. Die behoren niet tot het rijksvastgoed. Met uw Kamer heb ik in de afgelopen maanden een debat gevoerd over de Wet planmatige en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting, waarin we heel duidelijk hebben vastgelegd wat de verantwoordelijkheid is van de gemeenten en van de schoolbesturen als het gaat over onderwijshuisvesting. Zowel gemeenten als schoolbesturen krijgen geld dat ze kunnen besteden aan de bouw en het onderhoud van schoolgebouwen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat is hoe het is. We hebben echter ook de cijfers gezien van de AOb. Die zegt dat we 1,3 miljard extra nodig hebben om onze schoolgebouwen goed te kunnen verduurzamen en ze hittebestendig en klaar voor de toekomst te maken. Nou hebben we in het akkoord ook een voorstel staan, waar D66 voor pleit, voor een publiek-private samenwerking naar Vlaams voorbeeld. Daar heeft Scholen van Morgen in korte tijd 180 nieuwe schoolgebouwen weten neer te zetten en te verduurzamen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe ze hiermee aan de slag gaat?
Staatssecretaris Tielen:
We hebben nu een Nationaal Groeifondsprogramma voor innovatie in onderwijshuisvesting. Daar zit ongeveer een half miljard euro in. We kijken hoe we dat binnen de regelgeving, maar vooral ook binnen de wensen die er zijn rondom schoolgebouwen, op een vernieuwende manier kunnen inzetten. Het lijkt mij verstandig om te kijken wat er uit dat Groeifondsproject voortkomt, voor we weer met nieuwe initiatieven komen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nou ja, het lijkt mij verstandig om de initiatieven die in het akkoord staan welzeker gelijktijdig uit te werken. Dit is een mooi project, maar ik hoor graag meer urgentie. We moeten niet nog een zomer die hitte hebben voordat we voor verandering zorgen. Wanneer kunnen wij uitkomsten van dat Groeifondsproject verwachten, bijvoorbeeld ten aanzien van standaardisatie? Daarmee kunnen we schoolgebouwen sneller op dezelfde manier van airco's en dergelijke voorzien. En wanneer zien we voortgang op het voorstel dat we eerder deden naar voorbeeld van Vlaanderen?
Staatssecretaris Tielen:
Ik wil daar iets aan toevoegen. Mevrouw Rooderkerk noemt hele warme temperaturen, maar we zien soms diep in de winter ook dat schoolgebouwen tekortschieten voor een plezierig leerklimaat bij hele koude temperaturen. Dat zou ik daar graag in meenemen. In het najaar — "het derde kwartaal" heet dat dan mooi — kom ik met een brief in reactie op de voorstellen die mevrouw Rooderkerk eerder deed. Dan kunnen we er wat concretere antwoorden op geven.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het lijkt me in ieder geval van belang dat we breed in de Kamer pleiten voor betere schoolgebouwen, maar ook dat we echt voor verandering gaan zorgen. Daar is meer actie voor nodig. Ik hoop dat meer partijen daarvoor staan. We moeten er namelijk met elkaar voor zorgen dat kinderen beter naar school kunnen en dat dit ook leidt tot betere leerprestaties. Dit is wat mij betreft echt een basisvoorwaarde voor goed onderwijs.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Rooderkerk.
Staatssecretaris Tielen:
Eens. Ik denk dat we een aantal voorwaarden kunnen benoemen, waaronder het onderwijsklimaat — letterlijk en figuurlijk! Het gaat dus om zowel veiligheid in alle vormen als fijne schoollokalen waar kinderen optimaal kunnen leren, om uiteindelijk met voldoende bagage verder te kunnen in het leven. Helemaal eens.
De heer Kisteman (VVD):
De ouders van deze kinderen hebben gewoon een baan. Ze zijn overdag aan het werk. Ze worden eigenlijk een beetje voor het blok gezet. Er is recent nog 150 miljoen extra uitgetrokken voor meer ventilatie in onderwijsgebouwen. Eigenlijk zou het dus gewoon niet nodig moeten zijn dat deze kinderen nu naar huis worden gestuurd. Ze zouden gewoon op school moeten kunnen zijn. Wat is er met die 150 miljoen euro gebeurd?
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Kisteman stelt eigenlijk twee vragen. Wat is er met die 150 miljoen euro gebeurd? Die was bestemd voor ventilatie, mede naar aanleiding van de pandemie waar we een aantal jaar geleden mee te maken hebben gehad. Het is voor het grootste deel ook geïnvesteerd in ventilatie, maar alleen ventilatie is niet genoeg om een plezierige temperatuur in de klas te hebben. Misschien is het met de temperaturen die we in de voorspellingen voor het einde van deze week zien, ook wel bijna onmogelijk om zomaar alle klassen op een plezierige temperatuur te hebben. De scholen zijn er volgens mij op een hele professionele manier mee bezig om te kijken hoe ze ervoor kunnen zorgen dat ze kinderen vandaag hetzij onderwijs kunnen geven hetzij op een andere manier opvang kunnen bieden. Daar nemen ze over het algemeen tijd voor. Als het ouders echt niet lukt om hun kinderen op een andere plek te hebben als de school op die dag geen onderwijs geeft, dan kunnen ze terecht bij de school om te zorgen dat dat opgelost wordt.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat hitteplan is natuurlijk symptoombestrijding. Recent, volgens mij gister nog, stond in de Volkskrant dat in Europa de meeste doden vallen ten gevolge van de hitte. Waarom? Omdat er een stigma heerst op het plaatsen van airco's. De vraag aan de minister is als volgt. Ik bedoel: de staatssecretaris. Mevrouw Tielen weet waarom ik haar "minister" noem! Kan de staatssecretaris met de minister van Klimaat en Groene Groei het erover hebben dat dat stigma weg moet? Ook moeten we ervoor zorgen dat die scholen dan aangesloten kunnen worden op het net. We kunnen het wel over meer airco's hebben, maar ja, dan kunnen ze niet op het net. Wil de minister er dus alles aan doen om het stigma van airco's ...
De voorzitter:
Ja, u heeft het gezegd.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
… vanwege duurzaamheid, wat steeds maar een probleem is, eraf te halen en de airco's aan te sluiten en te zorgen dat het ook lukt?
Staatssecretaris Tielen:
Ik weet niet of ik dat stigma helemaal herken, maar het kan natuurlijk nooit kwaad om na te denken en in gesprek te zijn over de vraag hoe we nou zorgen dat er in die schoolgebouwen, waar we het over hebben, een plezierig leerklimaat is, zowel figuurlijk als letterlijk. Dat is onderdeel van onder andere dat Groeifondsprogramma voor innovatie in onderwijshuisvesting, alsook een aantal andere klimaatgerelateerde budgetten en subsidies die er zijn voor scholen.
Mevrouw Moorman (PRO):
Mijn vraag aan de staatssecretaris is toch hoeveel verantwoordelijkheid zij nou voelt voor het feit dat kinderen niet gewoon kunnen leren in scholen, want als ik de staatssecretaris hoor zeggen dat dit niet onder het rijksvastgoed hoort, zeg ik: dit zijn onze scholen, waar kinderen leren. We weten al heel erg lang dat het binnenklimaat niet op orde is. Dat wisten we al tien jaar geleden, toen werd geconstateerd dat het binnenklimaat slechter is dan in varkensstallen en gevangenissen. We hebben het gezien tijdens corona; toen was dit niet goed. Nou horen we net van een investering van 150 miljoen, terwijl de VNG het heeft over een tekort van 1,3 miljard. Iedereen die in die scholen goed heeft leren rekenen, weet dat er een enorm gat zit. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus wanneer we nou eindelijk niet deze incidentenpolitiek gaan voeren, dus als het heet wordt of als er een pandemie is, maar wanneer we daadwerkelijk wat gaan doen aan de schoolgebouwen, zodat kinderen goed kunnen leren. Wanneer gaat de staatssecretaris ons daarover informeren?
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Moorman noemt een aantal bedragen en maakt daar een rekensom van, maar ik mis nog een heleboel bedragen die naar onderwijshuisvesting en huisvestingsonderhoud gaan. Dat hele rijtje is volgens mij waar mevrouw Rooderkerk ook naar verwees in haar vraag naar aanleiding van het debat over de onderwijshuisvesting dat we hebben gevoerd. In het najaar zetten we al die bedragen op een rijtje, met daarbij ook wanneer we kunnen zien in hoeverre die ook daadwerkelijk effectief zijn. Want zoals ik in antwoord op de vraag van mevrouw Rooderkerk al zei, is het natuurlijk belangrijk om een goed klimaat te hebben, dus zodanig dat als je op school zit, je je aan de ene kant veilig weet — daar hebben we een hele wetsbehandeling over gehad — maar je ook in een plezierige omgeving bent, want daar kan je het beste leren. Dat is zeker een belangrijk aspect. In het najaar zullen we op een rijtje zetten wat er nu allemaal loopt. Dan hebben het vast weer over wat er nog meer nodig zou zijn.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik sluit even aan bij wat mevrouw Moorman zei. Er is onderzoek gedaan door de Universiteit Maastricht. Leerlingen die in klaslokalen met een hoog CO2-gehalte zitten, scoren slechter. Ze hebben bijvoorbeeld 13% minder kans op een havo/vwo-advies. We doen leerlingen gewoon tekort met dit soort slechte schoolgebouwen. Je kunt van alles op een rijtje gaan zetten, maar de Kamer vraagt ook om duidelijkheid. Is de staatssecretaris dan ook bereid om te zorgen dat dat gat gedicht wordt en dat er echt een plan komt, onder regie van ook het Rijk, om te zorgen dat al die schoolgebouwen beter zijn?
Staatssecretaris Tielen:
We gaan nu wel een beetje hink-stap-sprong van de vragen naar de antwoorden. Er gaat namelijk ook 1,2 miljard euro per jaar via het gemeentefonds naar gemeenten, om te zorgen dat ze de schoolgebouwen in hun gemeenten op orde houden. Er gaat ook geld via de lumpsum naar de schoolbesturen om dat op orde te hebben. Het is dus echt wel belangrijk om te zien wat we nu eigenlijk allemaal al vanuit het Rijk uitgeven aan de verschillende betrokken verantwoordelijken voor de onderwijshuisvesting. CO2 is een probleem — dat hebben we zeker toe zien nemen, zeg maar, tijdens de pandemie — maar het gaat nu vooral over warmte. In de winter zal het ook gaan over kou en isolatie et cetera. Dat hoort dus echt weer bij elkaar. Daar hebben we net een paar weken geleden nog een uitgebreid debat met elkaar over gevoerd.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Miljoenen kinderen krijgen geen of minder school. De rest zit in snikhete klaslokalen. Ik wil wel markeren wat het échte probleem is: we hebben te maken een klimaatcrisis, waarbij dit het nieuwe normaal wordt. We hebben het nu over de gevolgen, maar eigenlijk gaat het ook over het feit dat we al jarenlang te weinig doen aan de klimaatcrisis. Dat geldt onder andere voor dit kabinet, dat midden in de klimaatcrisis een nieuw vliegveld wil openen. Is de staatssecretaris het met ons eens dat het ongepast is, zeker nu ze de gevolgen voor kinderen van de klimaatcrisis ziet, dat het kabinet zegt: jongens, meisjes en anderen, we gaan gewoon een nieuw vliegveld openen?
Staatssecretaris Tielen:
Het is mijn verantwoordelijkheid en mijn kernopdracht dat jonge mensen in dit land het beste onderwijs krijgen dat nodig is, namelijk het beste. Daar is aardig wat aan kwaliteitsverbetering te doen. Dat heeft met omstandigheden te maken, maar vooral ook met de kern van de onderwijskwaliteit, en daar mag u mij op aanspreken.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het is de verantwoordelijkheid van deze staatssecretaris om ook te zorgen voor de gezondheid van en een veilige omgeving voor deze kinderen. Die worden bedreigd door de klimaatcrisis, die wordt verergerd door dit kabinet. Maar goed, iets concreets wat deze staatssecretaris kan doen, is het volgende. We hebben heel lang aangedrongen op groene schoolpleinen. Het ging net over airco's: die zijn hartstikke duur en werken uiteindelijk averechts. Het is veel efficiënter en goedkoper om meer groen en meer bomen op die schoolpleinen te brengen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat zij daar dit jaar nog een plan voor gaat maken en dat naar de Kamer stuurt?
Staatssecretaris Tielen:
Ook daar geldt een beetje dat de schoolpleinen altijd naast de schoolgebouwen liggen en dat ik niet kan bepalen wie wat in welk schoolgebouw of daaromheen wel of niet doet. Wat ik wel kan doen, en daarover hebben we het ook gehad in de debatten over onderwijshuisvesting, is ervoor zorgen dat met name schoolbesturen, gemeenteraden en gemeentebesturen met elkaar goede plannen maken voor goede schoolgebouwen. Ik herken heel goed wat het lid Kostić zegt: als er meer bomen staan, is er meer schaduw en is het beter toeven. Ik hoop dat er vrijdag ook heel veel kinderen zijn die gewoon buiten kunnen spelen en het daar enigszins plezierig hebben, maar dat zal onderdeel zijn van hoe we omgaan met het onderwijshuisvestingsplan. Ik vermoed dat we daar een aantal zinnen aan zullen wijden in de brief die ik tijdens dat debat heb toegezegd, en dat heb ik nu herbenoemd.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat lijkt mij goed, want de manier waarop wij het stelsel hebben ingericht is juist ook een groot probleem, dus dat het aan de gemeente is en dat het bij verbouw of nieuwbouw juist weer gaat om schoolbesturen. Die regels verschillen. De schoolpleinen liggen soms juist weer bij de gemeente. Sommige zaken zitten weer bij het ministerie. In het voorjaar hebben we een wet aangenomen die daar meer duidelijkheid in moet scheppen, maar ook meer zicht moet geven op hoe het staat met onze schoolgebouwen. Wanneer verwacht de staatssecretaris ons daar verder over te kunnen informeren?
Staatssecretaris Tielen:
De wet moet nog door de Eerste Kamer worden aangenomen, dus daar wachten wij nu op. Het is deels ingewikkeld en deels ook niet. We komen uit een tijd waarin de conciërge als er een bovenlichtje kapot was gewaaid — ik noem maar iets — ongeveer naar het ministerie moest bellen met de vraag of hij een nieuw bovenlichtje moest kopen. Gelukkig zijn we echt een stukje verder. Volgens mij hebben wij in die wet, die nog in de Eerste Kamer moet worden vastgesteld, goed afgesproken wat de verantwoordelijkheden van de gemeentes zijn en wat de verantwoordelijkheden van de onderwijsbesturen zijn. We hebben ook vastgelegd dat ze daarover gezamenlijk langetermijnplannen maken.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Die gezamenlijke plannen lijken me goed. Ik hoop ook op echte regie vanuit het ministerie, die we kunnen pakken als die wetten zijn aangenomen. De echte vraag is wat mij betreft ook wat de kosten zijn van niets doen. Ouders moeten acuut iets regelen omdat hun kinderen opvang nodig hebben, leraren staan met duizelingen voor de klas en voor leerlingen is het leren gewoon heel erg moeilijk. Wat dat betreft is nu investeren in schoolgebouwen altijd nog een betere oplossing dan de kosten betalen van niets doen. Ik hoop dat de staatssecretaris dat beaamt en hier ook echt mee aan de slag wil gaan.
Staatssecretaris Tielen:
Beide zijn nodig. Verbouw, nieuwbouw en isolatie kosten ook allemaal heel veel tijd, terwijl we deze week te maken hebben met temperaturen waarmee scholen in mijn ogen op een professionele manier aan de slag zijn. Ze hebben ook afspraken gemaakt over wat dat betekent in de communicatie en informatie naar ouders, over het ingaan op adviezen van bijvoorbeeld de GGD's en over hoe het gaat met de opvang deze week. Want nogmaals, ik herken heel goed hoe het is als de school ineens een brief stuurt met: zo ziet de planning eruit eind deze week. Overigens was ik positief onder de indruk van de school waar mijn kind naartoe gaat, maar ik moet er eerlijk bij zeggen dat het een middelbare school is en dat ze daar iets makkelijker een veranderend rooster aankunnen.
De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris voor haar aanwezigheid in het parlement.
Vragen Tseggai
Vragen van het lid Tseggai aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht "Afrikaanse en Caribische leiders willen excuses van landen voor trans-Atlantische slavenhandel".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Tseggai voor haar vragen namens de fractie van PRO aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die ik ook van harte welkom heet in de Tweede Kamer. Het woord is aan mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Voorzitter, dank. Ik wil graag beginnen met het vertellen van het verhaal van Elisabeth Samson. Elisabeth Samson was een zwarte vrouw en in 1715 vrijgeboren in Paramaribo, Suriname. Zij wilde op een zeker moment in het huwelijk treden met een witte man. Dat mocht in die tijd niet, dus dat werd haar in Suriname geweigerd. Elisabeth Samson vergaarde bekendheid, omdat zij die weigering tot aan de Staten-Generaal, dus hier, aanvocht. Haar verhaal laat zien dat je, zelfs als je vrijgeboren was in die tijd, als zwarte persoon niet vrij was om je eigen keuzes te maken.
Dat herdenken we de komende weken ook weer. We herdenken dan Ketikoti, het afschaffen van de slavernij. In dat licht vind ik het belangrijk om hier te benoemen dat mijn fractie het pijnlijk vindt dat Nederland niet meegestemd heeft met de resolutie van Ghana bij de VN en dat Sint-Maarten, Curaçao en Aruba hier niet bij betrokken zijn. Deze resolutie kreeg afgelopen week een vervolg. Op initiatief van de president van Ghana was er een conferentie. Mijn eerste vraag aan het kabinet is dan ook: waarom was ons kabinet daar niet bij aanwezig? Frankrijk was dat namelijk, hoewel online, wel. Ik vraag mij in het licht van deze gebeurtenis ook af waar deze terughoudende houding van dit kabinet vandaan komt. Ik kan me eigenlijk bijna niet voorstellen dat het desinteresse is. Wat zegt dit allemaal over de kijk van dit kabinet op ons koloniale verleden en de verhoudingen binnen ons Koninkrijk? Ziet de minister concrete gevolgen van ons slavernijverleden in onze huidige samenleving?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Heerma:
Ik wil mevrouw Tseggai bedanken voor de vragen die zij gesteld heeft. Laat ik beginnen met benadrukken dat er sinds de excuses eind 2022 en in juli 2023 belangrijke stappen zijn gezet om bewustwording, erkenning en aandacht voor de doorwerking van het slavernijverleden te versterken. Op verschillende terreinen zijn er ook resultaten geboekt, waaronder op het gebied van herdenken. Dit gebeurde onder andere door de oprichting van het Herdenkingscomité Slavernijverleden, in het onderwijs, door onderzoek en door een subsidieregeling voor maatschappelijke initiatieven voor Europees Nederland en de Cariben. Daarmee worden verhalen en perspectieven beter zichtbaar gemaakt, wordt nieuwe kennis ontwikkeld en gedeeld, en wordt er geïnvesteerd in de kracht van gemeenschappen. Mevrouw Tseggai liet aan het begin van haar vragen zien hoe belangrijk het is om de verhalen met elkaar te delen en te doorleven.
Wij blijven ons als kabinet en dus als regering ook inzetten voor het verder versterken van de partnerschappen, gebaseerd op wederzijds respect, gelijkwaardigheid en open dialoog. Daarbij erkennen we tegelijkertijd onze gedeelde geschiedenis en dat die ook pijnlijke hoofdstukken kent. De rol van Nederland in de trans-Atlantische slavenhandel is een historische realiteit die niet ongedaan gemaakt kan worden en de gevolgen daarvan zijn voor velen tot op de dag van vandaag voelbaar. Dat was een van de vragen van mevrouw Tseggai.
Nederland onderschrijft dan ook ten volle het belang van aandacht voor de geschiedenis van slavernij en voor de doorwerking daarvan in het heden. Dat vraagt om blijvende inzet, herdenking, educatie, onderzoek, dialoog en het bestrijden van racisme en discriminatie. De oproep van de Afrikaanse en Caraïbische leiders raken aan een geschiedenis die voor miljoenen nog steeds van grote betekenis is. Nederland heeft erkend dat slavernij een misdaad is tegen de menselijkheid en dat de gevolgen daarvan generaties lang doorwerken. We luisteren daarom ook met respect naar de signalen die vanuit Afrika en het Caribisch gebied worden afgegeven. Het gesprek over hoe samenlevingen omgaan met dit verleden is belangrijk en verdient ook een open houding.
Mevrouw Tseggai ging ook in op de VN-resolutie, waar ze eerder ook schriftelijke vragen over gesteld heeft. Ik zal nogmaals de positie van de Nederlandse regering hierbij benadrukken. Ik begrijp namelijk dat de onthouding bij de stemming over de resolutie ook vragen heeft opgeroepen en teleurstelling heeft veroorzaakt, in het bijzonder onder de betrokken gemeenschappen. Het is daarom belangrijk om duidelijk te zijn over de redenen daarvoor. Onze onthouding doet geen afbreuk aan onze erkenning van de ernst van de trans-Atlantische slavenhandel, noch aan onze inzet voor herdenking, dialoog, culturele restitutie en de bestrijding van racisme en discriminatie.
Nederland kon zich echter niet vinden in bepaalde onderdelen van de resolutie. Daarbij gaat het specifiek om de verwijzingen die een retroactieve toepassing van het internationaal recht impliceren, waaronder de suggestie van juridische verplichtingen ten aanzien van handelingen die destijds niet in strijd waren met het internationaal recht. Daarnaast hebben wij principiële bezwaren tegen de introductie van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder de kwalificatie van één misdrijf als het ernstigste. Met mijn collega, de minister van Buitenlandse Zaken, heb ik uw Kamer, zoals ik zojuist heb aangegeven, al antwoorden gegeven op eerdere schriftelijke vragen hierover.
Omdat hierover geen consensus bereikt kon worden, heeft Nederland zich destijds samen met alle andere lidstaten van de Europese Unie en een bredere groep van landen onthouden van stemming. Om dezelfde reden heeft het Koninkrijk der Nederlanden zich niet aangesloten bij het outcome document van de afgelopen conferentie, waar mevrouw Tseggai naar verwees. Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat erkenning, dialoog en een concrete inzet voor bewustwording, educatie en maatschappelijke verwerking essentieel zijn. Wij zijn met de Caribische delen van het Koninkrijk in contact geweest over de afgelopen conferentie, over onze deelname en inzet. Nederland heeft niet gekozen voor wegkijken, maar voor erkennen. Daarom zijn excuses aangeboden, investeren we in educatie en herdenking en voeren we het gesprek met betrokken gemeenschappen. De oproepen die nu vanuit Ghana en andere landen komen, nemen we serieus en zullen we zorgvuldig bestuderen.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik dank de minister voor dit antwoord, maar het kabinet had er ook voor kunnen kiezen om in gesprek te gaan bij die conferentie in Ghana, zoals Frankrijk dat bijvoorbeeld ook heeft gedaan. President Macron was online aanwezig bij een deel van de conferentie. Nu staan we als Nederland aan de zijlijn. Ik vind dat toch jammer, want zelfs als je het niet eens bent met de uitkomst van die conferentie, had je ervoor kunnen kiezen om in gesprek te gaan. Is hij dan bereid om los van die conferentie wel in gesprek te gaan met een aantal landen die relevant zijn op dit dossier en ook met de gemeenschappen, hier in Europees Nederland en in Caribisch Nederland, die het betreft, en dan in het bijzonder Curaçao, Aruba en Sint-Maarten?
Minister Heerma:
Mevrouw Tseggai vraagt in het vervolg om een aantal zaken. Misschien is het goed om als eerste te zeggen: Nederland was in brede zin wel degelijk aanwezig bij de conferentie. De ambassadeur in Accra was aanwezig en heeft daar ook gesproken over de teruggave van cultureel erfgoed dat in de koloniale tijd op onrechtmatige wijze verworven is, zoals we dat ook doen met landen als Indonesië, Sri Lanka en Nigeria. We waren dus aanwezig en hebben daarover gesproken. Ik heb in mijn eerste beantwoording net ook aangegeven dat we de oproepen vanuit Ghana en andere landen serieus nemen en zorgvuldig bestuderen en dus ook kijken op welke wijze we met die landen in gesprek blijven.
Wat betreft het Caribisch deel van het Koninkrijk heeft de minister van Buitenlandse Zaken eerder al het nodige gezegd over de wijze waarop er niet met het Caribisch deel gecommuniceerd is voor het stemmen over de resolutie. Daarom hebben we voorafgaand aan deze conferentie ook nadrukkelijk wel contact gehad met het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik begrijp dat de ambassadeur daar aanwezig was, maar als Frankrijk de president stuurt, dan sta je er als Nederland toch een beetje lelijk op, vind ik, als er geen deelname vanuit het kabinet is. Misschien kan de minister toezeggen dat hij voor de begroting van Binnenlandse Zaken een terugkoppeling aan de Kamer geeft over die gesprekken die hij aangaat met onder andere Ghana, maar ook andere relevante partijen op dit dossier.
Minister Heerma:
Ik denk dat ik iets concreters toe kan zeggen. Dat heeft ook met de timing te maken. Ik meen dat er op dit moment een commissiedebat over het slavernijverleden gepland staat voor oktober. Ik wil toezeggen dat ik voorafgaand aan dat debat met een brief kom over de stand van zaken.
De voorzitter:
Ik denk dat mevrouw Tseggai nog niet helemaal was uitgesproken.
Minister Heerma:
Excuus, voorzitter!
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik was wel uitgesproken, maar de tijd liep door. Dat probeerde ik in te seinen richting de voorzitter.
De voorzitter:
O, dat probeerde u in te seinen.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Dank aan de minister voor dit antwoord. Ik kijk uit naar dat debat en naar de toezegging die de minister zojuist heeft gedaan.
Dan wil ik als laatste even terugkomen op het deel van de beantwoording van de minister dat ging over discriminatie en racisme. Hij noemt dat terecht een gevolg van ons slavernijverleden. In het kader van "geen punt, maar een komma" is het dan natuurlijk wel een beetje gek dat dit kabinet geen extra geld heeft uitgetrokken voor de aanpak van discriminatie en racisme. Hoe reflecteert de minister hierop? Kan hij toezeggen dat hij in aanloop naar de begroting concrete plannen presenteert met de daarvoor benodigde middelen?
Minister Heerma:
Volgens mij heb ik niet zo lang geleden in het tweeminutendebat over dit onderwerp ook al aangegeven dat er op dit moment ongeveer bij elk debat dat ik voer, gevraagd wordt om toezeggingen voor extra geld of het uitsluiten van bezuinigingen. Ik heb op dit moment niet meer geld dan er is. Dat geldt voor alle onderwerpen. Ik vind het ook niet realistisch om dat toe te zeggen.
Tegelijkertijd vraagt mevrouw Tseggai naar plannen. Daar hebben we ook in het commissiedebat uitgebreid met elkaar over gesproken. Er zijn best veel plannen. Er zijn ook al stappen gezet in het serieus nemen van het bestrijden van racisme en discriminatie. Ik noem er een aantal. Het gaat om het verbreden van de Algemene wet gelijke behandeling met eenzijdig overheidshandelen, waar jaren over gesproken is. Het gaat om de versterking van de antidiscriminatievoorzieningen, waar een wetsvoorstel voor loopt. Het gaat om de invoering van de discriminatietoets, volgend op de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, maar ook om de rijksbrede aanpak waar vanuit de Kamer om is gevraagd via de motie van de fractie van DENK bij het debat over de regeringsverklaring. Dit najaar komen we met die aanpak. Het gaat om de wettelijke verankering van de NCDR. Er zijn dus veel voorstellen waar we op dit moment aan werken en waarover we met de Kamer in gesprek zijn, soms zelfs op expliciet verzoek van de Kamer, om invulling te geven aan de kabinetsambities rondom het bestrijden van discriminatie en racisme.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ja, afrondend. Ik zie dat de minister maatregelen heeft, maar zonder geld zullen die niet goed tot stand kunnen komen. Geld uitgeven is in Den Haag altijd een politieke keuze, dus ik zou hem richting de begroting willen vragen om nog eens goed over zijn keuzes na te denken.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Russcher (FVD):
In Ghana kwamen meer dan 80 landen bijeen om te praten over hoe schuldig het Westen zich nog moet voelen over het slavernijverleden. Uiteraard ging het daarna over een reparation fund, klimaatschadebetalingen en allerlei vormen van herstelbetalingen. Mijn vragen aan de minister zijn als volgt. Hoe gaat Nederland hiermee om? Gaat Nederland meewerken aan het reparation fund? Gaat Nederland in op die klimaatschadebetalingen of andere herstelbetalingen die daar geëist worden? Klopt het dat Nederland al heeft toegezegd aan Ghana dat Nederland meer dan 2.000 voorwerpen aan Ghana terug gaat geven?
Minister Heerma:
Om met het laatste te beginnen: er wordt met Ghana nu gesproken over culturele restitutie, net zoals in andere landen die ik noemde. Die gesprekken zijn gaande; die contacten zijn er. Over de juridische verplichtingen die uit de resolutie spreken, zijn al verschillende Kamervragen gesteld. Dat is een van de overwegingen waarom Nederland zich onthouden heeft van stemming over deze resolutie.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb even een bijzonder verzoek en een vraag aan de minister. Wil de minister in de brief voorafgaand aan het commissiedebat over het slavernijverleden, dat we na het reces hebben, ook aandacht besteden aan Suriname? Wij krijgen heel veel vragen over het koloniale verleden en het slavernijverleden in Suriname. Zou u een stand van zaken willen geven over inzichten en wat u daar in de toekomst mee wil?
Minister Heerma:
Dit is een zeer terecht punt en daar zullen we vanzelfsprekend zowel in de brief als in het debat aandacht aan besteden.
De heer Van Baarle (DENK):
De manier waarop Nederland zich zonder overleg met de andere landen binnen het Koninkrijk heeft onthouden van die stemming en de manier waarop deze minister ook aangeeft "we hebben gehoord wat die andere landen zeggen", maar eigenlijk met niks komt, zorgen dat heel veel mensen die in het heden met de gevolgen van het slavernijverleden leven en die ervaren, aan deze regering vragen: wat bent u nou bereid om extra te leveren? Als er dan weer verwezen wordt naar een andere brief, blijft mijn vraag aan de minister de volgende. De afgelopen tijd heeft de regering gezien dat er heel veel gevoeligheden zijn ontstaan rond die resolutie. Waarom komt de regering nou niet met iets concreets om te laten zien dat ze dit serieus neemt en wat doet? Waarom moeten mensen weer wachten?
Minister Heerma:
Ik weet niet of de heer Van Baarle helemaal recht doet aan het antwoord dat ik heb gegeven. Ik ben de beantwoording op de vraag van mevrouw Tseggai begonnen met wat wij allemaal doen sinds de excuses en wat we doen om het serieus te nemen, met herdenken, educatie, onderwijs en onderzoek, en de subsidies voor maatschappelijke initiatieven. Tegelijkertijd heeft de vraag die hier gesteld wordt, betrekking op een resolutie waar al door verschillende fracties schriftelijke vragen over zijn gesteld. Daarom verwees ik naar een eerdere brief. Ik heb verwezen naar de beantwoording van de vragen over wat de redenen waren dat wij niet in konden stemmen met deze resolutie en ons dus onthouden hebben van stemming.
Waar de heer Van Baarle verder naar verwijst, is de onrust die er in het Caribisch gebied over is ontstaan dat er vooraf aan het stemmen over deze resolutie in maart geen contact is opgenomen. Daar is op verschillende niveaus contact over opgenomen. Zowel de minister van Buitenlandse Zaken als de minister-president hebben al laten weten dat de communicatie daarover met betrokkenen uit het hele Koninkrijk beter had gekund en dat hier in de toekomst meer oog voor zal moeten zijn. Daarom is er, ten behoeve van deze conferentie, wel contact hierover geweest.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De minister kondigt een brief aan. Ik vroeg mij af of hij daarin ook de gevolgen kan meenemen rond de onafhankelijkheid van Suriname, waarmee toen de Toescheidingsovereenkomst is gesloten. Kan de naleving van dat verdrag, dat nog steeds geldig is, in die brief worden meegenomen? Er zitten een paar losse eindjes in en ik vroeg me af of u die erbij kunt betrekken, zodat we het in het debat daarover kunnen hebben met elkaar.
Minister Heerma:
Als ik heel eerlijk ben, twijfel ik eraan of dit niet een ander onderwerp is, dat op een andere tafel besproken hoort te worden, maar ik wil wel toezeggen dat ik daar in de brief aandacht aan zal besteden. Dan is vervolgens wel de vraag in welk debat dat het beste aan de orde kan komen.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen Michon-Derkzen
Vragen van het lid Michon-Derkzen aan de minister van Werk en Participatie over het bericht "Helft statushouders gestart in 2022 binnen drie jaar ingeburgerd".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Michon-Derkzen voor haar mondelinge vragen aan de minister van Werk en Participatie, die ik van harte welkom heet in het parlement. Zij stelt haar vraag namens de fractie van de VVD.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Eind vorige week publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek zeer zorgelijke resultaten over onze inburgeraars. Slechts de helft van de inburgeraars spreekt na drie jaar Nederlands op het meest basale niveau. Van deze groep werkt nog niet een derde. Dat is echt onvoldoende. Het kan niet zo zijn dat je hier al jaren bent, maar de taal niet spreekt en niet werkt, want dan sta je aan de zijlijn, in plaats van dat je vol meedoet met de samenleving. Dat druist precies in tegen de doelstellingen van deze nog relatief nieuwe inburgeringswet. We hebben namelijk afgesproken dat werk hoort bij inburgeren en dat een taaleis wordt nageleefd. De hamvraag van vandaag is dus: hoe beoordeelt de minister deze cijfers?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Aartsen:
Dank, voorzitter. Dank ook aan het lid Michon voor de gestelde vragen. Het kabinet werkt met man en macht aan meer grip op migratie. Dat behelst de instroom naar beneden brengen. Dat behelst de opvang in orde brengen. Het behelst ook zeker — en daar ligt mijn verantwoordelijkheid — ervoor zorgen dat iedereen die in Nederland mag blijven, volwaardig meedoet in Nederland. Om volwaardig mee te doen in Nederland moet je volgens het kabinet twee dingen doen: de Nederlandse taal leren en zo snel mogelijk Nederlands spreken, en zo snel mogelijk meedoen in de samenleving door middel van betaald werk. Dat is uiteindelijk de norm.
Mevrouw Michon vroeg mij wat deze cijfers zeggen en hoe het kabinet de cijfers beoordeelt. Voor mij zeggen deze cijfers een drietal dingen. Laat ik optimistisch beginnen. Hoewel ik de mening deel van mevrouw Michon dat de cijfers zorgelijk zijn, zijn die wel een stuk beter dan in het systeem dat we daarvoor hadden. Onder de oude wet zagen we dat slechts 2% het taalniveau B1 of zelfs B2 haalde. Inmiddels zien we dat bijna de helft van de inburgeraars het hogere niveau B1 haalt. Tot zover de positieve punten. De cijfers zeggen ook dat 2022 een opstartjaar was. We weten dat er in het eerste jaar problemen waren bij de gemeenten met het opstarten van bijvoorbeeld de PIP's en het snel kunnen verwerken van een groep mensen. Dat toont dit aan. Het toont ook aan dat er werk aan de winkel is. We zien een aantal positieve dingen, maar we zien ook dat te weinig mensen binnen die drie jaar op het juiste niveau de inburgering afronden.
We zien ook dat te weinig statushouders aan het werk gaan, terwijl dit een belangrijke prioriteit is voor het kabinet. Het aantal mensen dat niet werkt, is veel en veel te hoog. Dit zijn mensen die kunnen werken. Werken is ook belangrijk om mee te doen in de samenleving. De Nederlandse arbeidsmarkt en de Nederlandse samenleving staan ook te springen om deze mensen. Ik geloof er ook heilig in dat niemand een beter mens wordt van jarenlang in een asielzoekerscentrum zitten of jarenlang een asielstatus hebben en niets doen, niet meedoen in de samenleving met betaald werk. Om drie redenen vinden wij het dus belangrijk dat deze mensen sneller aan het werk gaan. Daarom heeft het kabinet in zijn eerste drie maanden ook een groot en stevig plan gepresenteerd rondom "nieuwkomers aan het werk", om een extra tandje bij te zetten op de verbetering in het inburgeringsstelsel.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik focus me bij mijn vraag op de statushouders. Dat zijn mensen die hier mogen blijven en een status hebben, en dus door de asielprocedure heen zijn. In de publicatie valt op dat er in 2022 ruim 17.000 statushouders waren, mensen die hier mogen blijven en dus inburgeringsplichtig zijn, maar dat er voor slechts 5.000 van deze groep een plan is waardoor ze überhaupt aan de inburgeringsplicht kunnen voldoen. Dat is natuurlijk onbegrijpelijk, want wat gebeurt er dan met die 12.000 mensen die geen plan hebben? Ontlopen zij dan de inburgeringsplicht? Zitten zij te wachten totdat ze wel een keer mogen? Juist omdat ze afhankelijk zijn van het plan, wil ik aan de minister vragen: dat kan toch niet de bedoeling zijn? Hoe spreekt hij hier nu over met gemeenten, die hiervoor aan de lat staan zoals hij terecht zei? Het kan niet zo zijn dat mensen geen plan krijgen en dus niet eens kúnnen inburgeren. Graag een reactie daarop.
Minister Aartsen:
Ik kan mevrouw Michon geruststellen: deze mensen zijn niet uit de systemen verdwenen. We weten dat de mensen die in 2022 geen PIP hebben ontvangen, dat in 2023 wel hebben gehad. Je ziet dus dat 2022, nu drie jaar geleden vanaf de eerste metingen, een opstartjaar was. We wisten dat het de gemeenten de eerste vier maanden niet lukte om dit goed in hun systemen te krijgen. Ook de instroom was fors in 2022, fors hoger dan verwacht. Vandaar dat het niet is gelukt om deze mensen in 2022 een plan te geven, maar ze hebben in 2023 wel degelijk een plan gekregen. Er hebben in de tussentijd ook een aantal acties plaatsgevonden om dat te versnellen, maar ik gaf al aan dat dit volgens het kabinet onvoldoende is. We zien namelijk twee dingen. We zien dat het onvoldoende lukt om mensen binnen drie jaar de inburgeringsplicht te laten afhandelen en we zien dat het aantal mensen dat werkt echt substantieel lager ligt. Daar wil het kabinet iets aan gaan doen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Daar ziet eigenlijk mijn volgende vraag op. Ik hoor de minister zeggen dat we al blij mogen zijn dat de helft van de groep die in 2022 is gestart met inburgeren, na drie jaar dat basale Nederlands beheerst. Ik vind dat echt de ondergrens. Dat is een succes volgens de minister, maar ik vind die 50% echt nog te weinig. Het is nog belangrijker dat ze werken. Nu hoor ik heel veel uit de verhalen die ik terugkrijg op dit dossier dat het onmogelijk is om zowel taallessen te volgen als te werken. Die opleiding past dus gewoon niet in een programma waarin gewerkt wordt. Wat doet de minister daaraan? Het volgende is belangrijker, en daarom vraag ik dit ook. We hebben een recente publicatie van het CBS, ik meen van vorig jaar, over 2024. Daarin zie je dat van die hele groep die wij hier in Nederland in de bijstand hebben zitten — dat zijn er ruim 400.000 — er 55% geboren is in het buitenland. Dat bevestigt eigenlijk ook het beeld dat er te weinig gewerkt wordt door statushouders. Wat gaat de minister hieraan doen? Hoe krijgen we statushouders aan het werk en hoe zorgen we ervoor dat de combinatie van taal en werk gewoon beter gaat, dat het beter op elkaar aansluit?
Minister Aartsen:
Ik deel inderdaad de urgentie die mevrouw Michon hier neerzet. Als je ernaar kijkt, dan zie je dat na drie jaar slechts 25% van de statushouders werkt. Na vijf jaar — dan meten we vanaf het moment van statusverlening; vaak zitten mensen daarvoor nog twee, tweeënhalf of drie jaar in een asielzoekerscentrum — werkt nog slechts 40%. Dat is gewoon te weinig. Als na acht jaar nog maar 40% van de mensen hier werken, dan is dat gewoon veel en veel te weinig. Vandaar dat wij, zeg ik nogmaals, in de eerste drie maanden van het kabinet een groot en stevig plan van aanpak hebben gepresenteerd met een drietal doorbraken. Allereerst komt werk centraal te staan in de inburgering maar ook in de Participatiewet. We zien dat ons hele stelsel gericht is op taal. De uitkomst van dat stelsel is eigenlijk: niet werken. We hebben gezegd dat we op al die onderdelen gaan kijken of de prikkels nou op de juiste plek staan. Hoe zorg je er nou voor dat mensen bijvoorbeeld vier dagen kunnen werken en één dag les krijgen? Ik hoor te vaak terug dat mensen zeggen: ik heb een baan gevonden, maar ik moet op dinsdag van 13.00 uur tot 15.00 uur mijn taallessen volgen en daardoor kan ik niet werken. Daar willen we een einde aan maken. Het tweede is een werkgeversaanpak. Ik spreek daar morgen over met een groot aantal branches, om te kijken hoe we mensen aan het werk kunnen krijgen. Drie: we zorgen dat we mensen, kansrijke asielzoekers, al in de opvang — vaak zitten mensen drie jaar in een opvang — sneller aan het werk kunnen helpen en al vanaf dag één mee laten doen met taal en werk.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Tot slot, voorzitter. Ik steun de minister ook in deze aanpak om werk meer centraal te zetten. Tegelijkertijd zijn de gemeenten aan zet om te voldoen aan de eisen uit de inburgeringswet. Je ziet gewoon hele grote verschillen tussen gemeenten. Hoe gaat de minister er nou voor zorgen dat elke gemeente ook echt doet wat die moet doen en dat ook maximaal doet, zodat zowel taal als werk, de belangrijke eisen uit de inburgeringswet, voldoende worden nageleefd? En wat als ze het niet doen? Die verhalen kennen we namelijk, die voorbeelden zijn er. Als je statushouders niet laat inburgeren, dan betekent dat gewoon op termijn: extra mensen in de bijstand. Daar geldt trouwens ook een taaleis voor. Is de minister bereid om gemeenten te sanctioneren als ze niet handhaven op die wettelijke taken, zowel die van de inburgeringswet als — later — die van de Participatiewet?
Minister Aartsen:
We hebben in Nederland de afspraak dat wetten worden uitgevoerd als ze door het parlement worden aangenomen. Daar heeft het kabinet dus van gezegd dat het dat gaat doen. Daar zullen we vervolgens gemeenten op aanspreken. Ik probeer er vooral voor te zorgen dat we dat in goed overleg met gemeenten voor elkaar weten te krijgen. Gemeenten hebben positief gereageerd op ons plan van aanpak als het gaat om nieuwkomers aan het werk helpen. Gemeenten zitten ook aan tafel bij de taskforce waarin we dat ministerieel bespreken. We zijn op dit moment bezig om te kijken of we met de gemeenten tot een akkoord kunnen komen over hoe je ook daar werk centraal kunt stellen. Ik krijg namelijk juist van heel veel gemeenten terug dat ze niks liever willen dan deze mensen aan het werk helpen. Je ziet dat bijvoorbeeld in de asielzoekersfase. Nogmaals, van drie jaar lang niks doen wordt niemand een beter mens. Je kunt mensen beter aan het werk hebben dan hangend en wachtend. De VNG heeft zelf al gezegd dus met een eigen plan te komen. Dat hebben we omarmd en samen met de gemeenten gaan we daarmee aan de slag om het voor elkaar te krijgen.
De heer Boon (PVV):
Statushouders krijgen een uitkering, voorrang op een woning en vaak nog veel meer: alles krijgen ze cadeau, betaald door de Nederlandse belastingbetaler. En wat krijgen wij ervoor terug? De helft is na drie jaar nog niet eens ingeburgerd. Dan is mijn vraag aan deze minister: wanneer stopt dit kabinet met het verzinnen van excuses en begint het met het trekken van conclusies? Deelt deze minister de mening van de PVV, namelijk dat wie na jaren in Nederland zich nog steeds niet ingeburgerd heeft, niet verder hoeft in te burgeren, maar juist moet uitburgeren en moet gaan vertrekken?
Minister Aartsen:
Wij hebben spelregels met elkaar afgesproken en die spelregels houden in dat je binnen drie jaar inburgert. Daar is ook een hoge exameneis aan verbonden. Die spelregels gelden voor iedereen en dus ook zeker voor de inburgeraars van dit moment. We werken er hard aan om ervoor te zorgen dat de mensen die in Nederland mogen blijven, meedoen in de samenleving, dat die mensen de Nederlandse taal leren en dat die mensen werken.
De heer Boon (PVV):
Slappe hap. Er gaat dus niemand teruggestuurd worden. Dan heb ik een andere vraag. In de inburgering zitten ook heel veel Syriërs. Syrië is nu veilig. Gaat deze minister zeggen: stoppen jullie maar met de inburgering en gaan jullie terug naar Syrië, waar het veilig is?
Minister Aartsen:
Dat is een ander debat, volgens mij. Dat moet u met mijn collega van Asiel en Migratie voeren. Die gaat over het migratiebeleid. Wij hebben tot doel dat mensen die op basis van de spelregels die we nu hebben, in Nederland mogen blijven, inburgeren en dat niet het overgrote deel van die mensen wachtend niets zit te doen en langs de kant van de maatschappij staat, maar dat zij erbij worden getrokken, dat zij de Nederlandse taal leren en dat zij meedoen en werken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoor allemaal taskforces, gesprekken met gemeentes en overlegtafels. Iemand die naar Nederland komt ... Laat ik het voorbeeld noemen van mijn eigen moeder, God hebbe haar ziel. Zij komt in 1961 in Nederland. Ze maakt zich de taal helemaal zelf machtig, door schapkaartjes te lezen, stripboekjes te lezen, met buren te praten. Ze heeft vervolgens een carrière, gaat aan het werk en is na een aantal jaren volledig ingeburgerd. In 1961. Geen Google Translate, geen cursussen, geen taskforces.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Helemaal zelf. Het is toch een intrinsieke motivatie van iemand die hier in Nederland komt, of die nou uit Ierland komt of dat die uit Syrië komt, om hier gewoon zo snel mogelijk mee te kunnen doen? Dat moet de minister toch erkennen? Dan moeten we toch gaan stoppen met al die taskforces en zo en tegen de mensen die hiernaartoe komen, gewoon zeggen: je gaat de taal leren en anders word je gekort op bijvoorbeeld de bijstand? Ik noem maar wat.
Minister Aartsen:
Dat doen we door plannen te maken. Het is fantastisch als mensen op basis van de eigen, intrinsieke motivatie inburgeren, de Nederlandse taal leren en werken. Als we één ding hebben geleerd uit de jaren negentig, Pim Fortuyn voorop, dan is het dat een laat-maar-lopenbeleid — "iedereen doet het vanuit zichzelf wel" — niet werkt. Vandaar dat wij sinds die periode hebben gezegd: we moeten een inburgeringsbeleid voeren, we moeten mensen verplichten om de Nederlandse taal te leren, want die doen dat niet vanzelf. Die trekken naar elkaar toe. We moeten mensen verplichten om te gaan inburgeren, om de Nederlandse taal te leren en dus ook om te gaan werken, en voor die verplichting staat dit kabinet. Mensen die hier komen, leren de Nederlandse taal, doen mee in de samenleving en werken in Nederland.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind het echt een gotspe dat hier gezegd wordt dat het Pim Fortuynbeleid niet werkte. Zoals we weten is Pim Fortuyn ... Het laat-maar-lopenbeleid, hoor ik u zeggen.
Minister Aartsen:
Dat was daarvoor.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, mijn concrete vraag aan de staatssecretaris ...
De voorzitter:
De minister.
Minister Aartsen:
De staatssecretaris heeft promotie gemaakt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
... of aan de minister — sorry, ik haal alles door elkaar. Mijn concrete vraag aan de minister is eigenlijk heel simpel. Welke partij heeft hier de afgelopen twintig jaar zo'n beetje aan het roer gestaan en waardoor is wat de VVD nu zegt te willen, dan allemaal mislukt?
Minister Aartsen:
Volgens mij moeten wij plannen maken die werken. Wat we zagen, is dat we een tijdlang een systeem hebben gehad dat in 2013, onder de oude wet, ervoor zorgde dat slechts 2% van de inburgeraars het B1-taalniveau haalde. Inmiddels hebben we een systeem waarbij de eerste lichting ervoor zorgt dat 50% het B1-taalniveau haalt. Dan kun je wel meer dan alleen maar een brood bestellen bij de bakker. Dan kun je echt meedoen in de samenleving en werken. Op zichzelf is dat dus positief nieuws en we gaan nu een volgende stap zetten door te zeggen: u gaat niet alleen maar de Nederlandse taal leren, maar we verwachten ook dat u gaat werken en een bijdrage levert aan de samenleving.
De heer Ergin (DENK):
Jarenlang zijn statushouders in dit huis weggezet als mensen die niet willen werken, alsof statushouders de hele dag thuis op hun bank zitten en aan het netflixen zijn. Maar als we gewoon kijken naar de cijfers, dan zien we dat heel veel statushouders niet eens de kans hebben gekregen om een inburgeringstraject te starten. Het ligt dus niet aan onwil. Ziet de minister in dat het niet ligt aan de onwil van mensen, maar aan een trage overheid en aan jarenlang falend overheidsbeleid, waarbij mensen niet eens een PIP-plan kregen? Vindt de minister het dan eerlijk dat hier nu collega's opstaan en de volledige verantwoordelijkheid in de schoenen van statushouders schuiven, terwijl de overheid jarenlang te traag was en falend overheidsbeleid heeft gevoerd?
Minister Aartsen:
Het antwoord daarop is "ja" en "nee" tegelijkertijd. Ik vind dat mensen ook als zij geen PIP-plan hebben, een eigen verantwoordelijkheid hebben om zelf de Nederlandse taal te leren; mevrouw Van der Plas noemde al een voorbeeld. Dat moet ook zonder dat de overheid ze ertoe verplicht. Ik vind ook dat mensen zelf, zonder dat de overheid dat verplicht, de verantwoordelijkheid hebben om deel te nemen aan de samenleving en te werken. De heer Ergin heeft zeker een punt als het erom gaat dat we een systeem hebben gebouwd dat op dit moment het combineren van werken en inburgeren heel erg moeilijk maakt. Vandaar dat we hebben gezegd dat we in onze eerste drie maanden een groot plan presenteren met drie doorbraken, om er zo voor te zorgen dat die belemmeringen worden weggehaald en dat werk centraal komt te staan in de inburgering.
De heer Ceulemans (JA21):
Meer dan de helft burgert niet in binnen de termijn van drie jaar. Dat toont volgens mij twee dingen aan, namelijk dat we op heel grote schaal mensen in het land toelaten die ons heel weinig te bieden hebben, maar ook dat in financieel opzicht de teugels strak aangehaald moeten worden bij de mensen die hier zijn. Ik kijk bijvoorbeeld naar België, waar de hoogte van het leefloon, onze bijstand, veel nadrukkelijker gekoppeld gaat worden aan de mate en snelheid van integratie van statushouders. Hoe kijkt de minister daartegen aan? Vindt hij dat iets om ook in Nederland navolging aan te geven?
Minister Aartsen:
Wij zijn aan het kijken naar die doorbraak: werk centraal op alle aspecten die bijdragen aan werk of werk juist tegenwerken. Dat betekent ook dat we naar de Participatiewet kijken en naar de manier waarop wij het hebben georganiseerd. Ik noem als voorbeeld de vergoeding die wij geven aan statushouders om hun huis in te richten. Iemand die niet werkt, krijgt die vergoeding wel, gebaseerd op de individuele bijstand, maar iemand die wel werkt, krijgt die vergoeding niet. Dat is een vraagstuk waarvan je je kunt afvragen of je het eerlijk vindt. Wij zijn dat soort zaken, dat soort knelpunten, dat soort oneerlijkheden, nu allemaal aan het verzamelen en gaan kijken of we plannen kunnen presenteren om ze weg te halen. Nogmaals, de doorbraak moet het centraal stellen van werk zijn.
De heer Ceulemans (JA21):
Dan vraag ik de minister toch om wat concreter in te gaan op wat er nu in België gebeurt. Het leefloon in België is vergelijkbaar met onze bijstand. Het nieuwe beleid daar is dat als je niet snel genoeg integreert en inburgert, je wordt gekort op je leefloon. De minister gaf een aantal concrete kleinere voorbeelden, maar is hij ook bereid om in de stappen die hij gaat zetten dit punt heel nadrukkelijk mee te nemen?
Minister Aartsen:
Wij kijken taboeloos naar alle onderwerpen, dus ook zeker naar de bijstand en de Participatiewet. We zien nu alleen dat de inburgeringswet en de Participatiewet tegen elkaar in werken. Vandaar dat we zeggen: laten we die combineren en laten we daarin dan werk centraal stellen. We zijn daarbij bereid om te kijken naar alles wat eraan in de weg staat om mensen te helpen om te werken.
De heer Schenk (FVD):
De titel van de publicatie van het CBS waaraan gerefereerd werd, luidt: helft statushouders gestart in 2022 binnen drie jaar ingeburgerd. Dat geeft natuurlijk een heel vertekend beeld, want de feiten zijn zo dat van de ruim 17.000 statushouders die in 2022 inburgeringsplichtig werden, slechts ongeveer een kwart een persoonlijk plan had aan het eind van dat jaar. Van die groep was minder dan de helft binnen drie jaar ingeburgerd. Hetzelfde geldt voor de arbeidsparticipatie en het taalniveau, dat ver achterloopt op het gewenste niveau. Deelt de minister mijn conclusie dat wanneer je zo veel mensen uit Afrika en het Midden-Oosten naar Nederland laat komen, die aantallen niet meer bij te houden zijn en dat inburgeren dan gewoon een illusie wordt? Het gros van die immigranten blijft gewoon achter bij de rest van de Nederlandse bevolking. Als de minister deze conclusie deelt, is hij dan van mening dat dit een nieuwe aanleiding vormt om eindelijk paal en perk te stellen aan immigratie en te zeggen: mensen die hier niet aarden, zullen moeten remigreren?
Minister Aartsen:
De heer Schenk tovert nu wel met heel veel cijfers dwars door elkaar heen. Ik heb net geprobeerd om aan te geven dat het overgrote deel van de mensen uit de instroom van 2022 in 2023 hun inburgeringsverplichting, hun PIP, heeft gekregen. Laten we de feiten wel een beetje zuiver houden. De hoge instroom is daar zeker een probleem, daarom werkt het kabinet ook aan een strakke instroombeperking en instroombeperkende maatregelen en tegelijkertijd ook aan een inburgeringssysteem dat ervoor zorgt dat mensen op een hoog niveau de Nederlandse taal leren. Het gaat dan om een hoger niveau dan het systeem daarvoor; het is een verbetering die ervoor zorgt dat mensen meedoen in de samenleving en aan het werk gaan.
De heer Bolhuis (PRO):
We hebben het hier over mensen die naar Nederland komen en asiel aanvragen, mensen die hiernaartoe komen en met hun gezin door willen gaan. Dat zijn mensen die willen meedoen aan de samenleving en aan de economie. We delen, denk ik, dat we allemaal willen dat deze mensen werk krijgen en de Nederlandse taal leren. Het grote probleem zit echter al op het moment dat zij in de asielzoekerscentra zijn: geen toegang tot werk, geen toegang tot taal. Wat kan de minister doen om ervoor te zorgen dat dat eerder en sneller gaat? Dan gaan deze cijfers sterk verbeteren. Wat gaat de minister concreet doen om ervoor te zorgen dat vanaf de eerste dag dat deze mensen hier binnenkomen, zij toegang krijgen tot taal en werk?
Minister Aartsen:
We zijn nu dus bezig met die drie doorbraken. De eerste is "werk centraal", de tweede is "werkgevers" en de derde is "actief in de opvang". Daar is dit zeker een onderdeel van, want we willen dat in die eerste drie maanden duidelijk wordt of iemand kansrijk is of niet. We willen dat iemand die kansrijk is, zo snel mogelijk onze taal leert door middel van een taalboost. Dan gaan we ervoor zorgen dat diegene zo snel mogelijk, dus na drie maanden — nu is het nog zes, maar het wordt dan drie — mee kan doen in onze samenleving en aan het werk kan. Dat wetsvoorstel ligt volgens mij nog bij uw Kamer. We proberen dat groots aan te pakken en ervoor te zorgen dat mensen die in het azc zitten en kansrijk zijn om hier in Nederland te mogen verblijven, direct Nederlands leren en direct mee kunnen werken in de samenleving. Uiteindelijk gaat dat ook voordelen opleveren bij de inburgering. Ons geloof is dat de beste manier om in te burgeren niet via een boekje is, maar gewoon op de werkvloer en in de bedrijfskantine.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Taal is cruciaal voor het bouwen van een gemeenschappelijke gemeenschap. Werk is dat ook. Het houdt ons land draaiende. Het is erg goed als we ervoor zorgen dat mensen vanaf dag één de taal kunnen leren en dat ze vanaf dag één waar mogelijk, met een beetje begeleiding, aan het werk en aan de slag kunnen. Maar ik wil één punt uitlichten dat cruciaal is om de taal te leren: onderdeel zijn van een gemeenschap.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik vraag mij af of deze minister het met de SP-fractie eens is dat dat betekent dat je ook een actief spreidingsbeleid moet gaan voeren als het gaat om het huisvesten van statushouders. Als mensen allemaal bij elkaar komen te wonen, bijvoorbeeld in buurten en wijken met een lage sociaaleconomische status, is de kans op werk en op het snel leren van de taal een stuk kleiner. Is het kabinet met de SP van mening dat we omwille van de taal leren en aan het werk kunnen, toe moeten naar een actief spreidingsbeleid?
Minister Aartsen:
Het kabinet voert netjes de Spreidingswet uit. Dat doet mijn collega Bart van den Brink van Asiel en Migratie. Ten aanzien van woonafspraken maakt mijn collega Boekholt-O'Sullivan afspraken met gemeenten tijdens de Woontop over hoe je die op een goede manier kan nakomen. Ik ben het met de heer Dijk eens dat het enorm belangrijk is dat mensen uit die gemeenschap komen en onderdeel worden van de samenleving. Dat doen ze door middel van werk en door middel van meedoen. Inderdaad, taal is daarin ook van belang. In de praktijk is het leren van de Nederlandse taal uiteindelijk de beste manier om mee te kunnen doen in de samenleving.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik zou de minister graag nog op één punt willen aanmoedigen. In zijn hele agenda over meedoen, zo snel mogelijk werken en geen bureaucratische belemmeringen zou ik in het bijzonder aandacht willen vragen voor het meedoen en het werk van vrouwelijke statushouders. De aantallen liggen al laag, maar je ziet dat die voor vrouwelijke statushouders nog veel lager liggen, omdat er allerlei factoren zijn waardoor zij niet werken. Ik zou zo graag willen dat ook voor deze groep specifieke maatregelen worden genomen, zodat zij mee kunnen doen en net zoals alle vrouwen in Nederland volwaardig deel kunnen nemen aan het arbeidsproces. Wat gaat de minister daaraan doen?
Minister Aartsen:
Het punt dat mevrouw Michon-Derkzen hier maakt, is heel belangrijk. Ook hier zie je dus weer dat beide wetten tegen elkaar in werken. De Participatiewet zegt: als één iemand, dus de kostwinner van het gezin, aan het werk is — dat is vaak de man — dan ontslaan we het volledige gezin van de verplichting om te werken. We zien dus vaak dat gemeenten de mannen aan het werk helpen, zodat ze van de verplichting af zijn. Daarom hebben we ook samen met gemeenten gezegd dat er een apart plan moet komen voor vrouwelijke statushouders. We willen dat ook vrouwen die naar Nederland komen, volwaardig meedoen in de samenleving. Dat doen we door middel van betaald werk.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het vragenuur. Ik schors heel kort. Dan gaan we stemmen.
De vergadering wordt van 15.00 uur tot 15.08 uur geschorst.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat het volgende lid zich heeft afgemeld:
Keijzer, voor de vergadering van vandaag en morgen.
Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.
De voorzitter:
Voordat we verdergaan met de stemmingen, wil ik kort stilstaan bij een naderend afscheid. Velen van u zullen het wel herkennen: werken in politiek Den Haag, in welke rol dan ook, gaat gepaard met een zeker "Hotel California"-gevoel: you can check out any time you like, but you can never leave. Sommige Kamerbewoners maken het in dat opzicht wel heel erg bont. Een van hen zit nu op de publieke tribune. Hij zette zijn eerste stappen op het Binnenhof in 1988, toen hij bij Elsevier begon als politiek analist. Later stapte hij over naar De Volkskrant en uiteindelijk naar het Algemeen Dagblad. Daarnaast schreef hij boeken, natuurlijk over politiek, maar ook over ons Koningshuis. In totaal is hij, jawel, maar liefst 32 jaar werkzaam geweest als politiek verslaggever! Ik heb het over niemand minder dan Jan Hoedeman.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Komende vrijdag zwaai je af, maar ik heb begrepen dat jouw pen nog niet in de la gaat. We kijken uit, misschien wel met angst en beven, naar de verhalen die dus nog komen gaan. Binnenkort wordt nog uitgebreider stilgestaan bij jouw vertrek, maar voor iemand met jouw staat van dienst is het passend om ook hier in de plenaire zaal even stil te staan bij jouw afscheid.
Jan, het ga je goed. Dank je wel.
(Geroffel op bankjes)
Regeling van werkzaamheden (stemmingen)
Regeling van werkzaamheden (stemmingen)
Regeling van werkzaamheden (stemmingen)
De voorzitter:
Ik stel voor zo dadelijk ook te stemmen over:
de ingediende moties bij het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten voor het jaar 2025 voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering en het ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp;
de aangehouden motie-Kathmann c.s. (36800-VII, nr. 70);
een brief van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat (36915-XII, nr. 19).
Op mijn lijstje staat dat ik als eerste het woord ga geven aan mevrouw Moorman, maar ik zie het lid Kostić staan. Dan beginnen we met het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik heb twee punten. Onder punt 20, stemmingen over moties ingediend bij het tweeminutendebat Energieraad (formeel), wil ik graag de motie op stuk nr. 1225 aanhouden. En onder punt 25, stemmingen over moties ingediend bij het tweeminutendebat Leefstijlpreventie, wil ik graag de motie op stuk nr. 892 aanhouden.
De voorzitter:
Dank u wel.
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Teunissen stel ik voor haar motie (21501-33, nr. 1225) aan te houden. Op verzoek van het lid Kostić stel ik voor de motie (32793, nr. 892) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Onder punt 24, stemmingen over moties ingediend bij het tweeminutendebat Zorgverzekeringsstelsel (inclusief Pakketbeheer), zou ik graag mijn motie op stuk nr. 1338 willen aanhouden.
De voorzitter:
Dank u wel.
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Maeijer stel ik voor haar motie (29689, nr. 1338) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zou graag onder punt 18, stemmingen over moties ingediend bij het tweeminutendebat Arbeidsmigratie, de motie op stuk nr. 192 willen aanhouden.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Ceder stel ik voor zijn motie (29861, nr. 192) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Onder punt 18, motie … Ja, het is een hele lijst! Dat heeft u in de fracties vanochtend wel gemerkt. Het was onder punt 18, en welk nummer?
De heer Ceder (ChristenUnie):
192.
De voorzitter:
Mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Onder motie 24 wil ik graag 1348 aanhouden.
De voorzitter:
Onder agendapunt 24, stemmingen over moties ingediend bij het tweeminutendebat Zorgverzekeringsstelsel (inclusief Pakketbeheer), wilt u de motie op stuk nr. 1348 aanhouden. Dat bedoelt u, denk ik. Die is al aangehouden.
De voorzitter:
Ik zie dat meneer Claassen bij de interruptiemicrofoon staat.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. Ik heb een voorstel. Als de moties van het onderwijsdebat over de Wet vrij en veilig onderwijs ook nog in stemming waren gekomen, hadden we 24 pagina's aan moties en amendementen. Ik zou bijna gaan geloven in het voorstel van de heer Bontenbal om daar iets mee te gaan doen. Het loopt uit de klauwen. Omdat het zo veel moties zijn en omdat het buiten heel erg heet is, stel ik voor om, zoals ze ook bij het WK doen, ergens halverwege een hydration break te doen.
(Hilariteit)
De voorzitter:
Dat is op zich een leuk idee, maar ik denk dat het de lengte van de pagina's niet gaat verminderen. Minder indienen zou een beter voorstel kunnen zijn.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter. Ik heb een verzoek naar aanleiding van de amendementen die straks in stemming komen over de Wet vrij en veilig onderwijs. Maar ik heb eerst een vraag aan u als voorzitter. Ik leer hier namelijk ook elke dag. Ik dacht: na die amendementen ga ik een derde termijn aanvragen, omdat die amendementen de wet fundamenteel wijzigen. Dat is met name het geval voor één amendement, dat gisteren na de beraadslaging nog is ingediend en dat echt een fundamentele wijziging van deze wet is. Het leek mij dus verstandig om daar nog een keer met elkaar over te debatteren. Maar nou heb ik begrepen dat op het moment dat je eenmaal over amendementen hebt gestemd, je de beraadslaging niet meer kan openen. Dat is de reden waarom ik hier vóór de stemming sta. Klopt het dat als wij hierover nog met elkaar van gedachten willen wisselen, wij dat dus moeten doen voordat die amendementen in stemming komen?
De voorzitter:
Het klopt inderdaad dat er na stemming over de amendementen niets meer gewijzigd kan worden in het wetsvoorstel zoals het dan gewijzigd is. Alleen technische wijzigingen kunnen dan gedaan worden, geen inhoudelijke. Dat is ook zo bevestigd door de Kamer in haar vorige periode.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter. Dan is mijn verzoek aan de Kamer helder. Dit is een fundamentele wijziging die ons nog na de beraadslaging is toegekomen. Wij moeten, ook als medewetgever, ons werk hier natuurlijk gewoon op een hele ordentelijke manier doen. Mijn verzoek aan de Kamer, en ik hoop dat al mijn collega's daarmee instemmen, is dus om de stemming over deze amendementen uit te stellen, zodat wij met elkaar nog een derde termijn kunnen krijgen.
De voorzitter:
Dat gaat om de stemmingen onder agendapunt 5, in verband met de Wet vrij en veilig onderwijs. Ik kijk naar de leden.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Het debat heeft al twee weken geduurd. Het vervolg kwam twee weken later dan de eerste termijn. Volgens mij hebben we ruim stilgestaan bij de behandeling van deze wet, dus geen steun voor het verzoek van mevrouw Moorman.
De heer Boomsma (JA21):
Voorzitter. Het betreffende amendement is van mij. Ik wil even toelichten dat het gaat om een amendement dat de wet in die zin sterk vereenvoudigt. Het haalt alleen iets uit de wet — het is niet iets dat eraan wordt toegevoegd — juist op het thema dat uitgebreid is behandeld bij de wetsbehandeling. Het gaat namelijk om de meldingsplicht. Ik denk dus dat we er in die zin wel gewoon over kunnen stemmen, en ik steun …
De voorzitter:
U steunt het voorstel van mevrouw Moorman dus niet.
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter. Volgens mij geeft de indiener van het amendement in zijn uitleg net ook aan dat dit een behoorlijke wijziging is. Dan is het wel zo netjes om daar als Kamer met elkaar over te spreken, dus ik steun het voorstel van mevrouw Moorman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Eens, dus ik steun het ook.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. De huidige staatssecretaris kan er niks aan doen dat hem een ontiegelijk slechte wet in de schoenen is geschoven. We hebben er voldoende over gedebatteerd. Geen steun voor het voorstel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daar sluit ik me bij aan. Geen steun.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Diegenen die wel aanwezig waren bij de twee debatten die we hierover hebben gevoerd, kunnen zien dat wat hier wordt voorgesteld juist uitgebreid naar voren is gekomen in het debat. Wat mij betreft is dit dus juist afdoende besproken en moeten we er gewoon over gaan stemmen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Steun voor het voorstel van mevrouw Moorman.
Mevrouw Armut (CDA):
Geen steun.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter. Het zou zomaar kunnen dat er gisteravond een deal is gesloten. Het lijkt me verstandig dat we weten wat die deal is en onder welke omstandigheden die deal is gesloten. Dus steun voor het voorstel voor een derde termijn.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Ik vind dat je zaken ordelijk moet laten verlopen. Als er na dat debat nog allerlei wijzingen zijn geweest, vind ik dat je daarover moet kunnen praten. Wij steunen het voorstel van mevrouw Moorman.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb nog nooit zo'n lang wetstraject meegemaakt. O nee, dat heb ik wel, de pensioenen, sorry. Dit is de tweede. Maar volgens mij is het goed om hierover te spreken. Er is namelijk ook "oordeel Kamer" gegeven aan een amendement dat volgens mij de inzet van de minister dusdanig wijzigt. Maar goed, steun. Maar volgens mij constateer ik dat er al een meerderheid is om niet voort te gaan …
De heer Stoffer (SGP):
Wij steunen ook het voorstel van mevrouw Moorman.
Mevrouw Raijer (PVV):
Geen steun.
De voorzitter:
Er is geen meerderheid, mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Nee, ik heb het geconstateerd. Daarmee gaat er straks dus een hele slechte wet naar de Eerste Kamer. Dan zal de Eerste Kamer haar werk moeten doen en zullen we het wel weer horen. Maar ik vind het toch echt een schande voor de Tweede Kamer, die gewoon goede wetten moet maken.
De voorzitter:
We gaan stemmen.
De heer Boomsma (JA21):
Voorzitter.
De voorzitter:
Meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Er werd net gesuggereerd dat er een deal zou zijn gesloten en ik hecht er toch aan om daar nog even op in te gaan, want dat zou dan over mij gaan. Er is geen deal gesloten.
De voorzitter:
Oké, dank u wel.
De heer Boomsma (JA21):
We hebben een uitgebreid debat gevoerd over die registratieplicht.
De voorzitter:
Waarvan akte.
De heer Boomsma (JA21):
Daarvan hebben wij uiteindelijk geconstateerd dat het verstandig is om die eruit te halen. Er is verder geen deal. Ik heb alleen aangegeven dat wij dat belangrijk vinden voor het aannemen van de wet.
De voorzitter:
Ja. U heeft het gezegd. Dank u wel. Mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Excuus voor de verwarring net over de motie waar ik over sprak bij agendapunt 24. Ik bedoelde niet "aanhouden"; ik wil 'm graag intrekken. Excuus voor de verwarring.
De voorzitter:
En dat betreft de motie …
Mevrouw Coenradie (JA21):
De motie op stuk nr. 1348 bij agendapunt 24.
De voorzitter:
Dank u wel.
Aangezien de motie-Coenradie (29689, nr. 1348) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van behandeling meer uit.
We gaan stemmen.
Stemmingen
Stemmingen
Stemmingen moties Natuur
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Natuur,
te weten:
de motie-Boomsma over de beoordelingssystematiek voor vogelsoorten betrekken bij het bepalen van de staat van instandhouding van algemeen voorkomende diersoorten (33576, nr. 489);
de motie-Boomsma c.s. over bij de volgende AERIUS-update een verhoging van de rekenkundige ondergrens doorvoeren (33576, nr. 490);
de motie-Wiersma c.s. over het wetsvoorstel om de op de KDW gebaseerde omgevingswaarden uit de wet te halen gelijktijdig met het stikstofpakket aanhangig maken bij de Tweede Kamer (33576, nr. 491);
de motie-Vellinga-Beemsterboer/Koorevaar over terreinbeherende organisaties en natuurbeheer volwaardig voortzetten (33576, nr. 492);
de motie-Beckerman over verkennen hoe uitbreiding van de zoutwinning onder de Waddenzee kan worden voorkomen (33576, nr. 493);
de motie-Beckerman over een groennorm voor stedelijke gebieden om hittestress tegen te gaan (33576, nr. 494);
de motie-Kostić over subsidies met een negatief effect op de biodiversiteit biodiversiteitsvriendelijk maken (33576, nr. 495);
de motie-Kostić over maatregelen om egels te beschermen en de negatieve populatietrend te keren (33576, nr. 496);
de motie-Grinwis c.s. over een deel van de aanvullende ANLb-middelen alsnog inzetten voor andere ecologisch belangrijke opgaven (33576, nr. 497);
de motie-Grinwis c.s. over bij de verdeling van ANLb-middelen aandacht besteden aan alle doelen en soorten waarvoor het ANLb relevant is (33576, nr. 498);
de motie-Bromet over de mogelijkheden verkennen om bermen, dijken en spoorwegen natuurvriendelijk te beheren (33576, nr. 499);
de motie-Bromet over erop inzetten dat natuur natuur blijft (33576, nr. 500);
de motie-Chris Jansen over het instrument van sturende zones definitief verwerpen (33576, nr. 501);
de motie-Koorevaar c.s. over bij de herziening van het stelsel van jacht en faunabeheer expliciet aandacht besteden aan de beheersing en bejaging van ganzenpopulaties (33576, nr. 502);
de motie-Den Hollander c.s. over natuurbrandbeheersing onderdeel maken van de structurele financiering voor natuurherstel en natuurbeheer (33576, nr. 503);
de motie-Den Hollander c.s. over een landelijk kader voor beverbeheer over het preventief ingrijpen bij risico’s voor waterveiligheid, woningveiligheid, waterkwaliteit en infrastructuur (33576, nr. 504);
de motie-Flach c.s. over afspraken met provincies over meer inzet op adequaat natuurbeheer in bestaande gebieden (33576, nr. 505);
de motie-Flach over het definitieve Natuurplan niet vaststellen of indienen dan nadat het met de Kamer is besproken (33576, nr. 506).
(Zie vergadering van 16 juni 2026.)
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Boomsma stel ik voor zijn motie (33576, nr. 490) aan te houden. Op verzoek van het lid Kostić stel ik voor de motie (33576, nr. 495) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
De motie-Bromet (33576, nr. 499) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat natuurvriendelijk beheer van bermen, spoorwegen en dijken kan bijdragen aan een rijk netwerk aan ecologische linten;
verzoekt de regering om de betrokken ministers gezamenlijk en met provincies, gemeenten, waterschappen en ProRail de mogelijkheden te laten verkennen om hun bermen, dijken en spoorwegen natuurvriendelijk te beheren,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 499 (33576).
De voorzitter:
De motie-Flach c.s. (33576, nr. 505) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Flach, Grinwis, Boomsma, Wiersma, Keijzer en Ten Hove.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 505 (33576).
In stemming komt de motie-Boomsma (33576, nr. 489).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD en DENK ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Wiersma c.s. (33576, nr. 491).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK en de VVD ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Vellinga-Beemsterboer/Koorevaar (33576, nr. 492).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en JA21 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van PRO, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Beckerman (33576, nr. 493).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, D66, Volt en de PvdD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van 50PLUS, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Beckerman (33576, nr. 494).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van het CDA, de VVD, de SGP, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Kostić (33576, nr. 496).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, DENK, de VVD, JA21 en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van het CDA, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Groep Markuszower en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Grinwis c.s. (33576, nr. 497).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de PvdD, DENK, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Grinwis c.s. (33576, nr. 498).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de PvdD en DENK ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Bromet (33576, nr. ??, was nr. 499).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21 en Groep Markuszower voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fracties van BBB, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Bromet (33576, nr. 500).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van het CDA, de VVD, de SGP, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Chris Jansen (33576, nr. 501).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de ChristenUnie en JA21 ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Koorevaar c.s. (33576, nr. 502).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van PRO, de SP, Volt en de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Den Hollander c.s. (33576, nr. 503).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Den Hollander c.s. (33576, nr. 504).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP en de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Flach c.s. (33576, nr. ??, was nr. 505).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB en Groep Markuszower voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fracties van Volt, de PvdD, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Flach (33576, nr. 506).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd, zodat zij is aangenomen.
Stemmingen moties Onderwijskansen
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Onderwijskansen,
te weten:
de motie-Moorman over instrumenten in kaart brengen om te borgen dat elk kind op schoolreisje kan (36800-VIII, nr. 159);
de motie-Ergin over initiatieven zoals de grab-and-gokast breder uitrollen in het land (36800-VII, nr. 161);
de motie-Ergin over schoolmaaltijden tijdens de zomervakantie en kerstvakantie behouden (36800-VIII, nr. 162);
de motie-Raijer over afzien van een verlaging van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar (36800-VIII, nr. 163);
de motie-Raijer over een onafhankelijk onderzoek naar de doelmatigheid en effectiviteit van de maatschappelijke diensttijd (36800-VIII, nr. 164);
de motie-Raijer over geen extra opvoedkundige verantwoordelijkheden bij scholen neerleggen (36800-VIII, nr. 165);
de motie-Raijer over bij nieuw beleid stoppen met het structureel overnemen van ouderlijke verantwoordelijkheden (36800-VIII, nr. 166);
de motie-Boomsma over er zorg voor dragen dat het Nederlands de leer- en instructietaal blijft in het reguliere funderend onderwijs (36800-VIII, nr. 167);
de motie-Rooderkerk c.s. over toewerken naar een samenwerking tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs met één doorgaande ontwikkellijn voor kinderen (36800-VIII, nr. 168);
de motie-Armut c.s. over bewezen effectieve methoden voor de aanpak van online pesten actief onder de aandacht brengen van scholen (36800-VII, nr. 170).
(Zie vergadering van 17 juni 2026.)
De motie-Boomsma (36800-VIII, nr. 167) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat leerlingen die van huis uit een andere taal spreken dan Nederlands bij het leren van het Nederlands, gebaat zijn bij een duidelijke aanpak en vooral heel veel blootstelling aan Nederlands;
constaterende dat er een risico is dat leerkrachten worden overvraagd wanneer zij de thuistaal van leerlingen moeten inzetten bij het leren van Nederlands en dat ook voorstanders van het benutten van talige diversiteit toegeven dat meertaligheid in de klas "tijd opslorpend" kan zijn;
constaterende dat er geen grootschalig causaal bewijs is dat meertalige didactiek leidt tot betere prestaties;
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat het Nederlands de leer- en instructietaal blijft in het reguliere funderend onderwijs en voor het vak Nederlands en voorlopig geen nieuwe stappen te zetten richting het stimuleren van talige diversiteit op school,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 167 (36800-VIII).
Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.
De voorzitter:
De motie-Rooderkerk (36800-VIII, nr. 168) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Rooderkerk, Moorman en Armut.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 168 (36800-VIII).
In stemming komt de motie-Moorman (36800-VIII, nr. 159).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, Volt, de PvdD, DENK, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van D66, het CDA, de VVD, de SGP, JA21, Groep Markuszower, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Ergin (36800-VIII, nr. 161).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, Groep Markuszower, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Ergin (36800-VIII, nr. 162).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van PRO, de SP, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van 50PLUS, D66, het CDA, de VVD, de SGP, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Raijer (36800-VIII, nr. 163).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Raijer (36800-VIII, nr. 164).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de PvdD, DENK, JA21, BBB, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van PRO, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en Groep Markuszower ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Raijer (36800-VIII, nr. 165).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de ChristenUnie en JA21 ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Raijer (36800-VIII, nr. 166).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van PRO, de SP, 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie ertegen, zodat zij is verworpen.