Commissie verzoekt Nederland mededinging voor internationaal passagiersvervoer per spoor te verbeteren

De Europese Commissie heeft Nederland meegedeeld dat de regels voor de toewijzing van capaciteit op het Nederlandse hoofdspoorwegnet mogelijk in strijd zijn met de EU-mededingingsregels.

Nederland moest in 2025 zijn binnenlandse markt voor passagiersvervoer per spoor voor mededinging openstellen, zodat spoorwegondernemingen de hoofdlijnen van het Nederlandse spoorwegnet konden gebruiken, als concurrent van de gevestigde exploitant, Nederlandse Spoorwegen (“NS”), die volledig in handen van de Nederlandse staat is.

De NS is de grootste onderneming voor personenvervoer in Nederland. Haar dochteronderneming NS Reizigers verzorgt het openbaar vervoer op de hoofdlijnen van het Nederlandse spoorwegnet op basis van de concessieovereenkomst voor de periode 2025-2033. NS International, een andere dochteronderneming van de NS, werkt samen met andere gevestigde spoorwegmaatschappijen (de Belgische NMBS, de Duitse DB, de Oostenrijkse ÖBB, de Zwitserse SBB) en Eurostar om internationaal vervoer van Nederland naar België, Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland te verzorgen.

Voordat Nederland zijn binnenlandse markt voor mededinging openstelde, heeft het land regels vastgesteld die waarborgen dat de NS, als houder van de hoofdconcessieovereenkomst, voorrang krijgt op concurrenten indien de capaciteit van het Nederlandse spoorwegnet ontoereikend is om aan alle aanvragen voor treintrajecten tegemoet te komen. Die capaciteitstoewijzingsregels zijn vanaf 2024 van toepassing.

De Commissie is tot de voorlopige conclusie gekomen dat die capaciteitstoewijzingsregels de mededinging op de Nederlandse markt voor internationaal passagiersvervoer per spoor kunnen verstoren. De reden hiervoor is dat een ongelijk speelveld kan ontstaan tussen de NS en concurrerende exploitanten met betrekking tot de toegang tot capaciteit op het Nederlandse spoorwegnet, waardoor de NS haar machtspositie kan behouden of versterken.

De Commissie heeft haar voorlopige mededingingsbezwaren uiteengezet in een ingebrekestelling aan Nederland. Indien de voorlopige conclusie van de Commissie wordt bevestigd, dan is dat gedrag in strijd met artikel 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”), in samenhang met artikel 102 VWEU.

Achtergrond

Op grond van artikel 106 VWEU mogen de lidstaten geen maatregelen nemen of handhaven die in strijd zijn met de EU-Verdragen, met name met de mededingingsregels van de EU, zoals artikel 102 VWEU. Artikel 102 VWEU verbiedt misbruik van een machtspositie door ondernemingen, met inbegrip van ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn verleend om in een bepaalde sector actief te zijn in de zin van artikel 106 VWEU.

Een ingebrekestelling is een formele stap in het onderzoek van de Commissie naar vermoedelijke inbreuken op de mededingingsregels van de EU door lidstaten. Hiermee wordt de betrokken lidstaat in kennis gesteld van de voorlopige bezwaren van de Commissie en kan de lidstaat de stukken in het dossier van de Commissie onderzoeken en binnen twee maanden opmerkingen indienen.

De verzending van een ingebrekestelling loopt niet vooruit op de uitkomst van een onderzoek. Indien de Commissie na onderzoek van de opmerkingen van de lidstaat voldoende bewijs van een inbreuk vindt, kan zij de betrokken lidstaat verzoeken de vastgestelde mededingingsbezwaren weg te nemen.

Er is geen wettelijke termijn voor het afronden van een onderzoek tegen een lidstaat wegens een mogelijke inbreuk op de mededingingsregels van de EU. De duur van het onderzoek hangt af van verschillende factoren, zoals de complexiteit van de zaak en de medewerking van de lidstaat met de Commissie.

Meer informatie

Meer informatie over deze zaak komt beschikbaar onder zaaknummer AT.40886 in het publieke zaakregister op de website van DG Concurrentie van de Commissie.