Inbreukenpakket voor juli: voornaamste beslissingen
Overzicht per beleidsterrein
Het periodieke pakket inbreukbeslissingen betreft de gerechtelijke stappen van de Europese Commissie tegen lidstaten die hun verplichtingen uit hoofde van het EU-recht niet zijn nagekomen. De beslissingen betreffen diverse EU-beleidsterreinen en moeten ervoor zorgen dat het EU-recht correct wordt toegepast. Daar hebben zowel burgers als bedrijven baat bij.
De voornaamste beslissingen van de Commissie worden hieronder weergegeven, per beleidsterrein.
De Commissie sluit ook 48 zaken waarin de kwesties met de betrokken lidstaten zijn opgelost. In die zaken hoeft de Commissie de inbreukprocedure dus niet voort te zetten. Dit overzicht bevat een selectie uit de gesloten zaken.
Interactieve kaarten en aanpasbare grafieken tonen de stand van zaken van de handhaving door de Commissie en de naleving van het EU-recht door de lidstaten. U kunt het register van inbreukbeslissingen raadplegen voor meer informatie over de geschiedenis van een zaak of om toegang te krijgen tot de volledige database van inbreukbeslissingen. Zie ook de vragen en antwoorden voor meer informatie over de EU-inbreukprocedure.
1. Milieu
(meer informatie: Anna-Kaisa Itkonen – tel. +32 229 57501; Maëlys Dreux – tel. +32 229 54673)
Aanmaningsbrieven
Commissie verzoekt Finland kaderrichtlijn afvalstoffen correct om te zetten
De Europese Commissie heeft beslist een inbreukprocedure in leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Finland (INFR(2026)2093) wegens het niet correct omzetten van de kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG zoals gewijzigd bij Richtlijn 2018/851/EU), waarmee de preventie of beperking van de productie van afvalstoffen wordt beoogd. De gewijzigde richtlijn bevat bindende doelstellingen voor recycling en voorbereiding van stedelijk afval voor hergebruik. Ook voert ze voor de lidstaten verplichtingen in om hun afvalbeheersystemen en hun hulpbronnenefficiëntie te verbeteren. Die verplichtingen zijn cruciaal voor het concurrentievermogen van de EU en voor de transitie naar een circulaire economie. De uiterste termijn voor de lidstaten om de gewijzigde richtlijn in hun nationale wetgeving om te zetten, was 5 juli 2020. Finland heeft verscheidene bepalingen van de gewijzigde richtlijn niet correct omgezet. Het betreft onder meer de bepalingen over de reikwijdte van het begrip stedelijk afval, de definitie van terugwinning van materiaal, de behandeling van gevaarlijke afvalstoffen en de voorwaarden om af te wijken van de verplichting om gescheiden inzameling te waarborgen. De Commissie stuurt Finland daarom een aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Frankrijk te voldoen aan EU-regels voor opvang en behandeling van stedelijk afvalwater
De Europese Commissie heeft beslist een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Frankrijk (INFR(2026)2102) omdat het land de verplichtingen uit hoofde van de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (Richtlijn 91/271/EEG van de Raad) niet volledig nakomt. De doeltreffende behandeling van stedelijk afvalwater draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie voor waterweerbaarheid. Onbehandeld afvalwater kan een risico voor de menselijke gezondheid vormen, en verontreinigt meren, rivieren, bodem, kustwateren en grondwater, waaronder gebieden voor drinkwaterwinning. Daarom zijn de EU-landen volgens de richtlijn verplicht om in alle stedelijke gebieden met 2000 inwoners of meer hun stedelijk afvalwater op te vangen en te behandelen voordat dit in het milieu wordt geloosd. De lidstaten moeten waarborgen dat lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties steeds aan de richtlijn blijven voldoen. De Commissie heeft de recentste door Frankrijk gerapporteerde gegevens geanalyseerd en vastgesteld dat 518 agglomeraties niet aan de richtlijn voldoen. In vier agglomeraties wordt maar een klein deel van het stedelijk afvalwater opgevangen. Bovendien wordt het niet-opgevangen stedelijk afvalwater onbehandeld in kwetsbare gebieden geloosd. In 416 agglomeraties zorgt Frankrijk er niet voor dat opgevangen stedelijk afvalwater secundair wordt behandeld voordat het in het milieu wordt geloosd. In 98 agglomeraties zorgt Frankrijk er niet voor dat opgevangen stedelijk afvalwater nog sterker wordt behandeld om fosfor en/of stikstof te verwijderen voordat het in kwetsbare gebieden wordt geloosd. De Commissie stuurt Frankrijk daarom een aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Spanje en Malta om periodieke evaluaties van watervergunningen te garanderen
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Spanje (INFR(2026)2099) en Malta (INFR(2026)2115) wegens het niet correct omzetten van de verplichting om krachtens de kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG) periodieke evaluaties van watervergunningen uit te voeren. Volledige toepassing van de waterkwaliteitsnormen van de EU is cruciaal om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen. De richtlijn verplicht de EU-landen voor elk stroomgebiedsdistrict een maatregelenprogramma op te stellen om een goede toestand van de Europese waterlichamen, zoals rivieren en meren, te waarborgen. Elk programma moet maatregelen omvatten om verschillende soorten druk op waterlichamen — zoals wateronttrekking, puntbronlozingen en diffuse bronnen van verontreiniging — te beheersen. De EU-landen moeten die controlemaatregelen (ook de verleende vergunningen) periodiek evalueren om na te gaan of de doelstellingen nog altijd worden bereikt, en ze zo nodig bijwerken. Volgens de Spaanse wetgeving is een evaluatie alleen vereist in situaties waarin sprake is van nieuwe gegevens, relevante plannen of strategieën, nieuwe vereisten of een wijziging aan de kant van de vergunninghouder. De beslissing over de uitvoering van de verplichte evaluatie wordt overgelaten aan het oordeel van de autoriteiten. Malta heeft nagelaten een registratieplicht voor de onttrekking van oppervlaktewater en een regeling voor voorafgaande goedkeuring in te voeren om de onttrekking van oppervlakte- en grondwater te controleren. Bovendien garandeert de Maltese wetgeving geen periodieke evaluatie van de controles op oppervlakte- en grondwateronttrekking, met aanzienlijke gevolgen voor waterlichamen. De Commissie stuurt daarom aanmaningsbrieven aan Malta en Spanje. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen met redenen omklede adviezen te sturen.
Commissie verzoekt Letland, Litouwen, Hongarije en Slowakije Drinkwaterrichtlijn correct om te zetten
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Letland (INFR(2026)2100), Litouwen (INFR(2026)2055), Hongarije (INFR(2026)2095) en Slowakije (INFR(2026)2103) wegens het niet correct omzetten van de Drinkwaterrichtlijn (Richtlijn (EU) 2020/2184). Zoals in de strategie voor waterweerbaarheid wordt benadrukt, is de volledige omzetting van de waterkwaliteitseisen van de EU cruciaal om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen. De herschikte Drinkwaterrichtlijn heeft tot doel de menselijke gezondheid te beschermen door voor schoner kraanwater te zorgen, de waterkwaliteitsnormen te actualiseren en zorgwekkende verontreinigende stoffen zoals hormoonverstoorders en microplastics aan te pakken. Tegen 12 januari 2023 moesten de EU-landen de richtlijn in nationaal recht omzetten en aan de bepalingen ervan voldoen. Letland heeft een aantal bepalingen van de richtlijn niet correct omgezet. Het betreft onder meer bepalingen met betrekking tot punten waarop de naleving van de voorschriften van de richtlijn moet worden gecontroleerd, de verplichting een risicobeoordeling van de huishoudelijke leidingnetten te waarborgen om de veiligheid van het drinkwater te garanderen, minimale hygiënevoorschriften voor materialen die in contact komen met drinkwater en herstelmaatregelen en beperkingen voor het gebruik van drinkwater als risico's voor de menselijke gezondheid zijn vastgesteld. Litouwen heeft een aantal bepalingen van de richtlijn niet correct omgezet. Het gaat onder meer om vrijstellingen met betrekking tot zeeschepen die water ontzilten, passagiers vervoeren en als waterleveranciers optreden, punten waarop de naleving van de voorschriften van de richtlijn moet worden gecontroleerd, risicobeoordeling en -beheer van stroomgebieden die worden gebruikt voor de onttrekking van drinkwater, minimale hygiënevoorschriften voor materialen die in contact komen met drinkwater, verplichte herstelmaatregelen en beperkingen voor het gebruik van drinkwater als risico's voor de menselijke gezondheid zijn vastgesteld, toegang van het publiek tot informatie en informatie over toezicht op de uitvoering en monitoringmethoden. In Hongarije kunnen de vastgestelde omzettingsproblemen leiden tot onjuiste minimumeisen voor drinkwater, niet-naleving van bepaalde parameterwaarden, zoals die voor acrylamide, onvolledig onderzoek als niet aan de parameterwaarden wordt voldaan, een gebrek aan evaluatie van mogelijke afwijkingen uit hoofde van de richtlijn of onvolledige informatie over maatregelen die zijn getroffen tegen het gevaar van lood. Slowakije heeft een aantal bepalingen van de richtlijn niet correct omgezet. Het betreft met name de bescherming en behandeling van gevoelige informatie over de drinkwatervoorziening, monitoringverplichtingen en risicogebaseerde monitoringprogramma's, en voorschriften voor de tijdige vaststelling van herstelmaatregelen als risico's voor de menselijke gezondheid zijn vastgesteld. Daarom stuurt de Commissie aanmaningsbrieven aan Letland, Litouwen, Hongarije en Slowakije. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen met redenen omklede adviezen te sturen.
Aanmaningsbrieven en met redenen omklede adviezen
Europese Commissie verzoekt twaalf EU-landen te voldoen aan doelstellingen voor afvalrecycling
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Duitsland (INFR(2026)2137), Griekenland (INFR(2026)2138) en Cyprus (INFR(2026)2139), en een met redenen omkleed advies te sturen aan Bulgarije (INFR(2024)2128), Tsjechië (INFR(2024)2137), Griekenland (INFR(2024)2132), Spanje(INFR(2024)2147), Kroatië (INFR(2024)2133), Cyprus (INFR(2024)2131), Hongarije (INFR(2024)2134), Malta (INFR(2024)2135), Polen (INFR(2024)2126), Portugal (INFR(2024)2145) en Roemenië (INFR(2024)2136) omdat ze volgens de recentst beschikbare gegevens die door de EU-landen zijn gerapporteerd, verschillende doelstellingen voor afvalrecycling niet halen. De beslissing maakt deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op elf aandachtsgebieden van de eengemaakte markt weg te nemen, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels”. In de kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/851) zijn juridisch bindende doelstellingen vastgesteld voor de voorbereiding voor hergebruik en recycling van stedelijk afval. Bulgarije, Tsjechië, Duitsland, Griekenland, Spanje, Kroatië, Cyprus, Hongarije, Malta, Polen, Portugal en Roemenië hebben de doelstelling van 50% voorbereiding voor hergebruik en recycling van stedelijk afval (zoals papier, metaal, plastic en glas) vanaf 2020 niet gehaald. Tegelijk is de richtlijn betreffende verpakking en verpakkingsafval (Richtlijn 94/62/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/852) van toepassing op alle op de Europese markt gedistribueerde verpakkingen en alle daaruit voortvloeiend verpakkingsafval. Op grond hiervan moest uiterlijk vanaf 31 december 2008 tussen 55% en 80% van alle verpakkingsafval gerecycled worden. De vastgestelde recyclingdoelstellingen voor verschillende materialen zijn 60% voor glas, 60% voor papier en karton, 50% voor metalen, 22,5% voor kunststoffen en 15% voor hout. Zeven lidstaten hebben een aantal doelstellingen voor 2020, 2021, 2022 en 2023 niet gehaald: Kroatië heeft de doelstellingen voor totale verpakkingen, glas en metalen niet gehaald; Cyprus en Portugal hebben de doelstelling voor glas niet gehaald; Griekenland, Roemenië en Hongarije hebben de doelstellingen voor totale verpakkingen en glas niet gehaald; Malta heeft de doelstellingen voor totale verpakkingen, papier en karton en metalen niet gehaald. Die doelstellingen halen is essentieel om de eengemaakte markt voor secundaire grondstoffen te bevorderen en de circulariteit te verbeteren. Dat zal ertoe bijdragen dat de EU minder afhankelijk wordt van derde landen en dat haar concurrentievermogen stijgt. Meer hergebruik en recycling leidt ook tot veel minder afval en beperkt het storten van afval, waardoor de hulpbronnenefficiëntie, de circulariteit en de strategische autonomie van de EU verder worden ondersteund. De EU-landen moeten hun inspanningen op het gebied van uitvoering opdrijven om aan de bovengenoemde verplichtingen te voldoen, ook met het oog op de verhoging van de streefcijfers in 2025, 2030 en 2035. Op basis van nieuwe gegevens die erop wijzen dat de doelstellingen niet worden gehaald, heeft de Commissie beslist inbreukprocedures in te leiden door aanmaningsbrieven te sturen aan Duitsland, Griekenland en Cyprus. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen met redenen omklede adviezen te sturen. Daarnaast heeft de Commissie in juli 2024 al aanmaningsbrieven gestuurd aan Bulgarije, Tsjechië, Griekenland, Spanje, Kroatië, Cyprus, Hongarije, Malta, Polen, Portugal en Roemenië. Omdat de desbetreffende doelstellingen nog altijd niet worden gehaald, heeft de Commissie beslist die landen een met redenen omkleed advies te sturen. Ze hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Doen ze dat niet, dan kan de Commissie beslissen de zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt Spanje verslag in te dienen over toepassing van maatregelen die in kader van habitatrichtlijn zijn getroffen in verslagperiode 2019-2024
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan Spanje (INFR(2025)2214) wegens niet-naleving van de rapportageverplichtingen in de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG). Volgens de richtlijn moeten de EU-landen om de zes jaar een uitvoeringsverslag bij de Commissie indienen in een overeengekomen formaat. In dat verslag wordt de staat van instandhouding van habitats en soorten die onder de habitatrichtlijn vallen beoordeeld, op basis van de status en trends van populaties en habitats, alsmede de belangrijkste belastende factoren en bedreigingen waaraan ze blootstaan. Het verslag helpt de Commissie om de natuurwetgeving van de EU uit te voeren en de dringendste behoeften voor herstel vast te stellen, en wordt ook meegenomen in de beleidsvorming. De termijn voor de rapportagecyclus 2019-2024 was 31 juli 2025. De Commissie heeft Spanje een aanmaningsbrief gestuurd op 30 januari 2026. Vandaag maakt de Commissie daarop een vervolg met een met redenen omkleed advies. Spanje heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie beslissen de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Commissie verzoekt Slowakije richtlijn betreffende kunststoffen voor eenmalig gebruik na te leven
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan Slowakije (INFR(2025)2008) wegens het niet correct omzetten van de richtlijn betreffende kunststoffen voor eenmalig gebruik (Richtlijn (EU) 2019/904). De richtlijn heeft tot doel de impact van bepaalde kunststofproducten op het milieu en de menselijke gezondheid te voorkomen en te verminderen en de overgang naar een circulaire economie met vernieuwende en duurzame bedrijfsmodellen, producten en materialen te bevorderen. Slowakije heeft een aantal bepalingen van de richtlijn niet correct omgezet. Krachtens de richtlijn moeten de EU-landen regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid invoeren ter dekking van de noodzakelijke kosten van afvalbeheer en het opruimen van zwerfvuil en de kosten van bewustmakingsmaatregelen ter preventie en vermindering van dergelijk zwerfvuil. Niet alle aspecten van die regelingen zijn correct in Slowaaks recht omgezet. Zo zijn tabaksproducenten niet verplicht de kosten voor afvalinzameling te dragen. Bovendien zijn de producenten van bepaalde producten, zoals voedsel- en drankverpakkingen en drinkbekers of lichte plastic draagtassen, niet verplicht de kosten voor het vervoer en de behandeling van het afval te dekken. Tot slot vallen de regels voor de kosten voor het opruimen van zwerfvuil niet onder de Slowaakse wetgeving. De Commissie heeft Slowakije een aanmaningsbrief gestuurd in mei 2025. In zijn antwoord heeft Slowakije zich ertoe verbonden zijn wetgeving te wijzigen zodat de omzetting wordt gecorrigeerd. De wijzigingswetgeving is echter nog altijd niet aangenomen. De Commissie heeft daarom beslist Slowakije een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie beslissen de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
2. Visserij en maritieme zaken
(meer informatie: Maciej Berestecki – tel: +32 229 66483, Anna Wartberger – tel: +32 229 82054)
Aanmaningsbrieven
Commissie verzoekt Italië en Portugal hun verplichtingen inzake visserijcontrole na te komen
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door aanmaningsbrieven te sturen aan Italië (INFR(2026)2152) en Portugal (INFR(2026)2140) omdat ze hun verplichtingen krachtens de verordening betreffende visserijcontrole (Verordening (EG) nr. 1224/2009) niet nakomen. Beide zaken betreffen de niet-naleving van verplichtingen inzake visserijcontrole om vastgestelde tekortkomingen in de nationale visserijcontrolesystemen te verhelpen. Italië heeft een aanzienlijk aantal acties uit het actieplan voor visserijcontrole van 2019 nog niet uitgevoerd. Het betreft gegevensvalidatie, elektronische rapportagesystemen, verificatie van het motorvermogen en controle van verkoopdocumenten. Het is de eerste keer dat de Commissie een procedure tegen een EU-land instelt wegens niet-nakoming van verplichtingen die rechtstreeks in een controleactieplan zijn opgenomen. Bovendien heeft Italië in de loop der jaren consequent nagelaten de nodige informatie aan de Commissie te verstrekken, wat in strijd is met het beginsel van loyale samenwerking. Krachtens de controleverordening hadden de autoriteiten in Portugal tegen december 2013 een systeem voor geautomatiseerde kruiscontrole, analyse en verificatie van visserijgegevens moeten invoeren, met inbegrip van een elektronische databank om die gegevens te valideren. Portugal heeft de ontwikkeling van dat systeem echter herhaaldelijk uitgesteld, waardoor het onmogelijk is inconsistenties en fouten in de visserijcontrolegegevens vast te stellen en te onderzoeken. Het langdurige verzuim van beide landen om hun visserijcontroleverplichtingen na te komen, ondermijnt het gelijke speelveld in de EU. De Commissie heeft daarom beslist beide lidstaten een aanmaningsbrief te sturen. Italië en Portugal hebben nu twee maanden tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde langdurige tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen met redenen omklede adviezen uit te brengen.
3. Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf
(meer informatie: Siobhan McGarry – tel. +32 229 64798; Rüya Perincek – tel. +32 460 76 25 10)
Aanmaningsbrieven, aanvullende aanmaningsbrief en met redenen omklede adviezen
Commissie leidt inbreukprocedures tegen EU-landen in aangaande beperkingen voor energiegerelateerde bouw- en installatiediensten
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door aanmaningsbrieven te sturen aan Bulgarije (INFR(2026)2104), Tsjechië(INFR(2026)2106), Spanje (INFR(2026)2107), Kroatië (INFR(2026)2108), Cyprus (INFR(2026)2105), Letland (INFR(2026)2111), Litouwen (INFR(2026)2110), Hongarije (INFR(2026)2109), Polen (INFR(2026)2112), Roemenië (INFR(2026)2113) en Slowakije (INFR(2026)2114) wegens het opleggen van beperkende verplichte vergunnings- of certificeringsstelsels voor energiegerelateerde bouw- en installatiediensten. Om soortgelijke redenen loopt er al een inbreukprocedure tegen Frankrijk (INFR(2024)2249). De zaken ruimen hindernissen voor de installatie van apparatuur voor hernieuwbare energie uit de weg, die ontstaan door vergunningen en soortgelijke eisen. Door die eisen is het voor installateurs van apparatuur voor hernieuwbare energie en aanbieders van energie-efficiëntie-installaties moeilijk om in de hele EU te werken. In plaats van de markttoegang te beperken door verplichte certificeringsregelingen of registratievereisten op te leggen, kunnen minder beperkende maatregelen worden gebruikt om de kwaliteit van dergelijke installatiediensten te waarborgen, zoals controles achteraf. Voorts heeft de Commissie vastgesteld dat in Bulgarije, Cyprus, Hongarije, Letland en Spanje nog bredere attestatie- en registratievereisten voor de bouw worden opgelegd. Dergelijke nationale bepalingen die machtiging of certificering verplicht stellen en de bijbehorende verplichtingen leiden tot marktfragmentatie, bemoeilijken de toegang tot die activiteiten en beperken de keuze voor consumenten en de beschikbaarheid van die diensten. De beslissingen maken deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op elf aandachtsgebieden van de eengemaakte markt weg te nemen, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels”. Deze actie stemt overeen met de door Commissievoorzitter Ursula von der Leyen aangekondigde “één Europa, één markt”-aanpak en heeft tot doel de integratie te verbeteren van de eengemaakte markt voor bouw- en installatiediensten die verband houden met de groene transitie. De Commissie is van mening dat die maatregelen in strijd zijn met de dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) door ongerechtvaardigde eisen op te leggen in de context van vestiging en grensoverschrijdende dienstverlening. Subsidiair vormen ze bovendien een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel dat wordt gewaarborgd door artikel 49 en artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Als de Commissie geen bevredigend antwoord ontvangt, kan zij beslissen met redenen omklede adviezen uit te brengen.
Commissie verzoekt EU-landen kennis te geven van omzetting van richtlijn betreffende het verminderen van rapportagevereisten voor marktdeelnemers
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door aanmaningsbrieven te sturen aan Cyprus (INFR(2026)2149), Malta (INFR(2026)2151) en Finland (INFR(2026)2150), en met redenen omklede adviezen te sturen aan Kroatië (INFR(2026)0078), Italië (INFR(2026)0085), Oostenrijk (INFR(2026)0007), Portugal (INFR(2026)0129) en Roemenië (INFR(2026)0134) wegens het niet meedelen van de omzetting in hun wetgeving van Richtlijn (EU) 2024/2839. Bij Richtlijn (EU) 2024/2839 zijn de rapportagevereisten voor de EU-landen en marktdeelnemers op verschillende gebieden beperkt. Voor marktdeelnemers hebben de rapportagevereisten betrekking op geluidsemissies door materieel voor gebruik buitenshuis. In de richtlijn wordt gespecificeerd aan welke rapportageverplichtingen marktdeelnemers niet langer hoeven te voldoen. De EU-landen die geen maatregelen hebben aangemeld, hebben op 29 januari 2026 een aanmaningsbrief ontvangen (inbreukenpakket voor januari), terwijl de landen die maatregelen hebben aangemeld die na beoordeling echter ontoereikend werden geacht, vandaag een aanmaningsbrief hebben ontvangen. De EU-landen in kwestie hebben nu twee maanden de tijd om de door de Commissie gesignaleerde bezwaren aan te pakken. Doen ze dat niet, dan kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies te sturen aan de landen die een aanmaningsbrief hebben ontvangen (Cyprus, Malta en Finland), en de landen die een met redenen omkleed advies hebben ontvangen (Oostenrijk, Kroatië, Italië, Portugal en Roemenië) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen, met verzoeken om financiële sancties.
Commissie verzoekt Hongarije om transparantievereiste na te leven bij toekenning van contracten in mijnbouwsector
De Europese Commissie heeft beslist een aanvullende aanmaningsbrief te sturen aan Hongarije (INFR(2025)2051) wegens het niet waarborgen van de gelijke behandeling van ondernemers bij de toekenning van een contract voor verschillende zand- en grindwinningslocaties. De vrijheid van vestiging, verankerd in artikel 49 VWEU, vereist dat overheidsinstanties de gelijke behandeling van ondernemers en de transparantie van de aanbestedingsprocedure waarborgen. De Commissie is van mening dat Hongarije zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 49 VWEU (vrijheid van vestiging) niet is nagekomen door het genoemde contract toe te kennen in een procedure die niet naar behoren was bekendgemaakt en zodanig was opgezet dat een bepaalde ondernemer er ten onrechte van profiteerde. Het contract is van onbepaalde duur en vervangt een eerder, eveneens in strijd met het EU-recht gesloten contract dat het onderwerp was van de aanmaningsbrief van 18 juni 2025 (inbreukenpakket voor juni). Gezien de hoge economische waarde van de winningslocaties waarop het nieuwe contract betrekking heeft, de onbepaalde duur van het contract en de beperkte beschikbaarheid van zand- en grindmijnen in Hongarije, worden ondernemers beperkt in hun vrijheid om een economische activiteit in deze Hongaarse sector op te starten of uit te breiden. Daarom heeft de Commissie beslist Hongarije een aanvullende aanmaningsbrief te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies te sturen.
Met redenen omkleed advies
Commissie verzoekt Hongarije naleving van EU-regels voor vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverrichting te waarborgen
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan Hongarije(INFR(2025)4024) wegens het niet naleven van de EU-regels voor de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt (dienstenrichtlijn). Op grond van de dienstenrichtlijn en artikel 49 en artikel 56 VWEU kunnen bedrijven en beroepsbeoefenaars uit elke lidstaat hun diensten in een andere lidstaat aanbieden of zich in een andere lidstaat vestigen zonder ongerechtvaardigde of onevenredige beperkingen. Volgens de Hongaarse wetgeving heeft het door de staat gecontroleerde bedrijf OFFI Zrt. (ook bekend als MKIFK) het exclusieve recht om gecertificeerde vertaaldiensten voor officieel gebruik te verlenen. Die diensten omvatten verschillende extra categorieën documenten en procedures die zijn ingevoerd nadat Hongarije in 2009 aan de dienstenrichtlijn moest voldoen. De Commissie is van mening dat dit monopolie en de verlengingen ervan na de inwerkingtreding van de dienstenrichtlijn een ongerechtvaardigde en onevenredige beperking vormen van zowel de vrijheid van vestiging als de vrijheid van dienstverrichting. Bovendien heeft Hongarije verzuimd de Commissie in kennis te stellen van een aantal maatregelen in dit verband, zoals vereist door de dienstenrichtlijn. De Commissie heeft op 11 december 2025 een aanmaningsbrief aan Hongarije (INFR(2025)4024) gestuurd met betrekking tot het monopolie van OFFI Zrt. en het gebrek aan kennisgeving. In het antwoord van Hongarije van 23 februari 2026 werd de noodzaak of evenredigheid van het monopolie echter niet gerechtvaardigd en werden de tekortkomingen op het gebied van kennisgeving niet aangepakt. De Commissie heeft daarom beslist Hongarije een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie beslissen de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Verwijzingen naar het Hof van Justitie
Commissie beslist Hongarije voor Hof van Justitie van de EU te dagen wegens opleggen van prijsmargebeperkingen voor verkoop van voedingsproducten en drogisterijartikelen
De Europese Commissie heeft vandaag beslist Hongarije voor het Hof van Justitie van de Europese Unie (HVJ-EU) te dagen wegens het opleggen van prijsmargebeperkingen die hoofdzakelijk niet-Hongaarse ondernemingen treffen. Eén zaak betreft beperkingen op de verkoop van bepaalde voedingsproducten door detailhandelaren in de voedingsbranche (INFR(2025)2052). De andere zaak heeft betrekking op soortgelijke beperkingen op de verkoop van bepaalde niet-voedingsproducten door drogisterijen (INFR(2025)2102). Volgens de dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) en de vrijheid van vestiging, verankerd in artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zijn overheidsinstanties verplicht de gelijke behandeling en non-discriminatie van marktdeelnemers te waarborgen en mogen ze economische activiteiten niet beperken, tenzij dergelijke beperkingen gerechtvaardigd zijn om bepaalde redenen van algemeen belang te verwezenlijken. Hongarije heeft de toegestane marge tussen de aan- en verkoopprijzen van bepaalde producten tot een dergelijk laag niveau beperkt dat bedrijven hun kosten niet langer kunnen dekken en detailhandelaren worden gedwongen hun producten met verlies te verkopen. Hongarije stelt ten onrechte dat het verschil tussen de in- en verkoopprijs gelijk is aan de winst van de betrokken ondernemingen, zonder ermee rekening te houden dat bedrijven ook aanzienlijke extra kosten hebben voor bijvoorbeeld personeel, onroerend goed en belastingen. De Hongaarse maatregelen kunnen discriminerende en onevenredige eisen opleggen die in strijd met de dienstenrichtlijn zijn en de uitoefening van de in artikel 49 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging door EU-onderdanen belemmeren of minder aantrekkelijk maken. Omdat de Commissie van mening is dat Hongarije de EU-regels nog altijd schendt, heeft zij beslist de zaken te verwijzen naar het HvJ-EU. Voor meer informatie, zie het persbericht.
Commissie daagt Roemenië voor Hof van Justitie van de EU omdat apotheken niet tijdig worden betaald
De Europese Commissie heeft vandaag beslist Roemenië (INFR(2024)4004) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie (HVJ-EU) te dagen omdat het land niet garandeert dat de nationale ziektekostenverzekering exploitanten van apotheken betaalt binnen de termijnen die zijn vastgesteld in de richtlijn betalingsachterstand (Richtlijn 2011/7/EU). De beslissing maakt deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op elf aandachtsgebieden van de eengemaakte markt weg te nemen, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels”. De Commissie is van oordeel dat de betalingsachterstand in Roemenië systemisch en persistent is. Op grond van artikel 4, lid 4, punt b), van de richtlijn moeten overheidsorganisaties die gezondheidszorg verstrekken handelstransacties binnen maximaal 60 kalenderdagen afwikkelen. De nationale ziektekostenverzekering heeft die termijn consequent overschreden bij betalingen aan apotheken die geneesmiddelen aan patiënten leveren. Door niet te garanderen dat de nationale ziektekostenverzekering exploitanten van apotheken binnen de gestelde termijn betaalt, heeft Roemenië zijn verplichtingen uit hoofde van de richtlijn geschonden. In april 2024 heeft de Commissie Roemenië een eerste aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een met redenen omkleed advies in februari 2025 en door een aanvullend met redenen omkleed advies in januari 2026. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de autoriteiten tot nu toe ontoereikend zijn geweest. Daarom daagt de Commissie Roemenië voor het HvJ-EU. Voor meer informatie, zie het persbericht.
Ingebrekestelling na een arrest (artikel 260 VWEU)
Commissie verzoekt België arrest inzake betalingsachterstand na te leven
De Commissie heeft beslist een aanmaningsbrief op grond van artikel 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te sturen aan België (INFR(2019)2299) wegens niet-nakoming van het arrest van 5 juni 2025 het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in zaak C-543/24. Het Hof concludeerde dat de federale regering, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de in de richtlijn betalingsachterstand vastgestelde betalingstermijnen niet in acht hadden genomen. De beslissing maakt deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op elf aandachtsgebieden van de eengemaakte markt weg te nemen, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels”. Hoewel de federale regering en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest sindsdien hebben voldaan aan de verplichtingen van de richtlijn met betrekking tot betalingstermijnen, overschrijden de betalingstermijnen in het Waalse Gewest nog altijd de voorgeschreven termijnen. De Commissie is van mening dat België nog niet alle nodige maatregelen heeft getroffen om aan het arrest van het Hof van Justitie te voldoen, omdat de betalingstermijnen in het Waalse Gewest de in de richtlijn vastgestelde termijnen blijven overschrijden. Betalingsachterstanden van overheidsinstanties kunnen een domino-effect teweegbrengen waardoor directe leveranciers te weinig contant geld hebben en hun kasstroom wordt verstoord, hun betalingen aan onderaannemers en andere zakenpartners worden vertraagd en uiteindelijk de bredere toeleveringsketen wordt verstoord. Daarom stuurt de Commissie België een aanmaningsbrief. België heeft twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Anders kan de Commissie beslissen de zaak op grond van artikel 260 VWEU aanhangig te maken bij het Hof van Justitie, met een verzoek om financiële sancties op te leggen.
Commissie verzoekt Hongarije arrest van Hof uit te voeren en extra winningsvergoeding voor verkoop van bouwmaterialen te schrappen
De Europese Commissie heeft beslist op grond van artikel 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een aanmaningsbrief te sturen aan Hongarije (INFR(2022)4009) wegens niet-nakoming van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in zaak C-144/24. In zijn arrest van 22 januari 2026 oordeelde het HvJ-EU dat Hongarije zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 49 VWEU (vrijheid van vestiging) niet was nagekomen omdat het bepalingen inzake de betaling van een extra winningsvergoeding had vastgesteld. De extra winningsvergoeding komt overeen met 90% van het verschil tussen de in het Hongaarse besluit vastgestelde officiële prijs en hogere verkoopprijzen voor bouwproducten zoals zand, grind en cement. De maatregel is voornamelijk en systematisch van toepassing op in Hongarije gevestigde ondernemingen uit andere EU-landen, omdat het toepassingsgebied van de maatregel zo is gedefinieerd dat die voornamelijk betrekking heeft op niet-Hongaarse marktdeelnemers. Die ondernemingen kunnen niet op kostenstijgingen reageren door hun prijzen aan te passen, omdat het grootste gedeelte van een prijsverhoging als sanctie aan de Hongaarse regering moet worden betaald, waardoor de productie van bouwmaterialen in Hongarije voor die ondernemingen economisch onhoudbaar wordt. De extra winningsvergoeding discrimineert dus marktdeelnemers uit andere EU-landen en creëert belemmeringen ten nadele van de groei en welvaart van burgers en bedrijven, ook in Hongarije. De Commissie stuurt derhalve een aanmaningsbrief omdat Hongarije een belemmering van de vrijheid van vestiging handhaaft die door het HvJ-EU reeds in strijd met het EU-recht is verklaard. De Commissie heeft ook gemerkt dat Hongarije de beperking in stand probeert te houden door die van het ene naar het andere stuk nationale wetgeving over te hevelen. Hongarije heeft nu twee maanden de tijd om te reageren op de argumenten die de Commissie heeft aangevoerd. Anders kan de Commissie de zaak op grond van artikel 260 VWEU aanhangig maken bij het Hof van Justitie, met een verzoek om financiële sancties op te leggen.
Sluiting
Commissie beslist inbreukprocedure tegen Slowakije af te sluiten na afschaffing van discriminerende brandstofprijzen
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een inbreukprocedure tegen Slowakije (INFR(2026)4009) af te sluiten nadat discriminerende brandstofprijzen voor bestuurders van in het buitenland ingeschreven auto's zijn afgeschaft. Voordat de discriminerende regels werden ingetrokken, werd de dieselprijs voor bestuurders van buiten Slowakije ingeschreven auto's gereguleerd en wekelijks vastgesteld op basis van de prijsontwikkeling in de buurlanden, terwijl bestuurders van in Slowakije ingeschreven auto's een lagere marktprijs kregen. De maatregel werd vastgesteld op 18 maart 2026 voor een periode van 30 dagen, maar op 17 april 2026 met 30 dagen verlengd. De door Slowakije vastgestelde maatregelen schonden verscheidene bepalingen van het EU-recht betreffende de eengemaakte markt, namelijk het vrije verkeer van goederen (Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU)), het vrije verkeer van diensten (VWEU en Richtlijn 2006/123/EG), het vrije verkeer en de gelijke behandeling van werknemers (VWEU en Verordening (EU) nr. 492/2011), het vrije verkeer van wegvervoersdiensten (Verordening (EG) nr. 1072/2009 en Verordening (EG) nr. 1073/2009) en de vrijheid van vestiging (VWEU of Richtlijn 2006/123/EG). Bovendien zijn de desbetreffende maatregelen niet vóór de vaststelling ervan aangemeld, wat in strijd is met Richtlijn (EU) 2015/1535 (richtlijn transparantie op de eengemaakte markt). Naar aanleiding van de aanmaningsbrief die de Commissie op 29 april 2026 aan Slowakije heeft gestuurd (inbreukenpakket voor april) heeft het land op 6 mei 2026 een einde aan de inbreuk gemaakt door zijn wetgeving te wijzigen en een einde te maken aan de gevolgen van de discriminerende maatregelen, die sinds 8 mei 2026 niet langer van toepassing zijn. De Commissie is van mening dat de kwestie is opgelost en heeft daarom besloten de zaak te sluiten. Deze zaak getuigt van het succes van de snelle handhavingsmaatregelen van de Commissie in situaties die onmiddellijke gevolgen voor burgers hebben.
4. Migratie en Binnenlandse Zaken
(meer informatie: Markus Lammert – tel. +32 229 67533; Fiorella Boigner – tel.: +32 229 93734)
Aanmaningsbrieven
Commissie verzoekt Bulgarije en Polen EU-regels voor op de markt brengen en gebruik van precursoren voor explosieven correct toe te passen
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door aanmaningsbrieven te sturen aan Bulgarije (INFR(2026)2118) en Polen (INFR(2026)2119) omdat ze de verordening over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (Verordening (EU) 2019/1148) niet correct toepassen. In de verordening zijn EU-brede regels vastgesteld voor stoffen en mengsels die kunnen worden misbruikt om zelfgemaakte explosieven te maken. Dat beperkt de beschikbaarheid van die stoffen of mengsels voor het grote publiek en vereist dat verdachte transacties waarbij de stoffen betrokken zijn, aan de bevoegde autoriteiten worden gemeld. De Commissie is van mening dat Bulgarije een aantal verplichtingen uit hoofde van de verordening niet is nagekomen, zoals de verplichting om een of meer nationale contactpunten voor het melden van verdachte transacties, verdwijningen en diefstallen op te zetten; de voor de uitvoering van de verordening bevoegde autoriteit aan te wijzen; de relevante richtsnoeren regelmatig te verspreiden; regels voor sancties vast te stellen; en aan het jaarlijkse monitoringprogramma bij te dragen. Wat Polen betreft, is de Commissie van mening dat het land niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen om de desbetreffende richtsnoeren regelmatig te verspreiden en regels voor sancties vast te stellen. Bulgarije en Polen hebben nu twee maanden de tijd om op de brief te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Cyprus, Litouwen, Polen en Slovenië bepalingen van richtlijn inzake bestrijding van witwassen van geld correct om te zetten
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door aanmaningsbrieven te sturen aan Cyprus (INFR(2026)2086), Litouwen (INFR(2026)2096), Polen (INFR(2026(2097) en Slovenië (INFR(2026)2098) wegens het niet correct omzetten van een aantal bepalingen van de richtlijn inzake de bestrijding van het witwassen van geld (Richtlijn (EU) 2018/1673), onder andere wat betreft sancties en witwasdelicten. De richtlijn bevat een definitie van strafbare feiten en sancties voor het witwassen van geld, vergemakkelijkt politiële en justitiële samenwerking tussen de EU-landen en voorkomt dat criminelen profiteren van uiteenlopende rechtsstelsels in de EU. De richtlijn introduceerde verschillende belangrijke nieuwigheden. Zo is het mogelijk het witwassen van geld te vervolgen zonder voorafgaande veroordeling voor het onderliggende strafbare feit dat het geld heeft voortgebracht en zonder alle details van dat strafbare feit te bewijzen (“op zichzelf staand witwassen van geld”). Ook kunnen personen worden vervolgd voor het witwassen van door eigen misdrijf verkregen opbrengsten (“self-laundering”). De richtlijn voorziet ook in omstandigheden die een zwaardere bestraffing mogelijk maken, bijvoorbeeld als een persoon of entiteit met een specifieke functie zich schuldig maakt aan het witwassen van geld (bv. banken, notarissen enz.). Daarnaast wordt in de richtlijn verduidelijkt welk EU-land bevoegd is in grensoverschrijdende zaken. Wegens de onjuiste omzetting van de richtlijn, met inbegrip van sancties en verzwarende omstandigheden die een strengere straf mogelijk maken, stuurt de Commissie aanmaningsbrieven aan Cyprus, Litouwen, Polen en Slovenië. Die landen hebben nu twee maanden tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies uit te brengen.
5. Justitie
(meer informatie: Markus Lammert – tel. +32 229 67533; Antoine Lomba – tel.: +32 229 93233)
(meer informatie over gelijkheid: Eva Hrncirova – tel.+32 229 88433; Anna Gray – tel.: +32 229 80873)
Aanmaningsbrieven, aanvullende aanmaningsbrief en met redenen omkleed advies
Commissie verzoekt België, Bulgarije, Duitsland, Nederland, Polen, Slovenië en Tsjechië regels voor bescherming van persoonsgegevens na te leven
De Europese Commissie heeft vandaag beslist aanmaningsbrieven te sturen aan Bulgarije (INFR(2026)4013), België (INFR(2026)2131), Tsjechië (INFR(2026)2127), Nederland (INFR(2026)2129), Polen (INFR(2026)2130) en Slovenië (INFR(2026)2128), alsook een met redenen omkleed advies aan Duitsland (INFR(2022)2019) wegens het niet naleven van de richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving (Richtlijn (EU) 2016/680). De richtlijn regelt de verwerking van persoonsgegevens door rechtshandhavingsinstanties, zodat die bij het uitvoeren van hun taken het grondrecht op gegevensbescherming naleven. Alle EU-landen die vandaag aanmaningsbrieven hebben ontvangen, hebben de regels voor de uitoefening van het recht op gegevensbescherming onjuist omgezet. In april 2022 heeft de Commissie een aanmaningsbrief gestuurd aan Duitsland wegens onvolledige omzetting van de richtlijn. Tot nu toe heeft Duitsland nog geen omzettingsmaatregelen vastgesteld die relevant zijn voor de verwerking van gegevens door de federale politie. Daarom stuurt de Commissie België, Bulgarije, Tsjechië, Nederland, Polen en Slovenië een aanmaningsbrief en Duitsland een met redenen omkleed advies. Die landen hebben nu twee maanden tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen België, Bulgarije, Tsjechië, Nederland, Polen en Slovenië een met redenen omkleed advies te sturen en Duitsland voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Commissie dringt bij Slovenië aan op naleving van grensoverschrijdende gerechtelijke procedures van Europees aanhoudingsbevel
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een tweede aanmaningsbrief te sturen aan Slovenië (INFR(2020)2313) wegens niet-naleving van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad). Het Europees aanhoudingsbevel (EAB) is een vereenvoudigde grensoverschrijdende gerechtelijke procedure voor de overlevering van een gezochte persoon met het oog op vervolging of uitvoering van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. Het EAB bestaat sinds 1 januari 2004 en is in de plaats gekomen van de vroegere langdurige uitleveringsprocedures tussen de EU-landen. De Commissie heeft Slovenië in februari 2022 een aanmaningsbrief, in maart 2024 een aanvullende aanmaningsbrief en in mei 2025 een met redenen omkleed advies gestuurd. De Commissie is van mening dat Slovenië de bepalingen betreffende de facultatieve gronden voor de weigering van overlevering niet correct heeft omgezet. Na bestudering van de wetswijzigingen die Slovenië in maart 2026 heeft meegedeeld, is de Commissie van mening dat Slovenië aanvullende verplichte gronden voor weigering van de uitvoering van een EAB heeft ingevoerd op basis van grondrechten die niet in het EU-recht zijn bepaald. Het EAB berust op het beginsel van wederzijdse erkenning, op grond waarvan de EU-landen ervan uitgaan dat andere EU-landen het Handvest van de grondrechten naleven. Dat vermoeden kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden en volgens strikte, in de rechtspraak vastgestelde criteria worden opgeheven. Het toevoegen van verplichte gronden voor de weigering van een EAB dreigt de uniforme toepassing van het kaderbesluit en het wederzijdse vertrouwen waarop het is gebaseerd, te ondermijnen. De nieuwe bepalingen zijn pas onlangs door Slovenië ingevoerd. Om de geijkte procedure van de inbreukcyclus te volgen en Slovenië in de gelegenheid te stellen deze nieuwe punten aan te pakken, heeft de Commissie beslist een tweede aanvullende aanmaningsbrief aan Slovenië te sturen. Slovenië heeft twee maanden de tijd om de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. Doet het land dat niet, dan kan de Commissie beslissen een aanvullend met redenen omkleed advies uit te brengen.
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt Slowakije regels voor rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures correct om te zetten
De Europese Commissie heeft beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan Slowakije (INFR(2025)2212) wegens het niet correct omzetten van de EU-regels voor rechtsbijstand in strafprocedures (Richtlijn (EU) 2016/1919). Het EU-recht waarborgt dat de grondrechten van verdachten en beklaagden worden beschermd. Gemeenschappelijke minimumnormen zijn nodig voor de erkenning van rechterlijke beslissingen van een lidstaat door andere EU-landen. De Commissie heeft vastgesteld dat Slowakije alleen rechtsbijstand verleent aan beklaagden, d.w.z. mensen aan wie een strafbaar feit ten laste is gelegd, en niet aan verdachten, d.w.z. mensen die door rechtshandhavers van een misdrijf worden verdacht maar niet formeel zijn aangeklaagd. Slowakije garandeert ook geen rechtsbijstand in bepaalde omstandigheden waarin iemand voor de rechter wordt gebracht om te beslissen over voorlopige hechtenis. Slowakije biedt evenmin toegang tot rechtsbijstand voor mensen die in een ander EU-land zijn gearresteerd op grond van een door Slowaakse autoriteiten afgegeven Europees aanhoudingsbevel. De Commissie heeft Slowakije in januari 2026 een aanmaningsbrief gestuurd. Tot nu toe hebben de Slowaakse autoriteiten nog steeds niet alle gesignaleerde tekortkomingen aangepakt. Daarom heeft de Commissie beslist Slowakije een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie beslissen de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Commissie verzoekt Polen richtlijn die schending van beperkende maatregelen van Unie strafbaar stelt, volledig om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan Polen (INFR(2025)0239) omdat het de richtlijn betreffende de strafbaarstelling van de schending van beperkende maatregelen van de Unie (Richtlijn (EU) 2024/1226) niet volledig in nationaal recht heeft omgezet. De richtlijn voorziet in gemeenschappelijke regels om de definitie van strafrechtelijke delicten en van sancties met betrekking tot de schending van beperkende maatregelen van de Unie te harmoniseren. Ze heeft tot doel te voorkomen dat beperkende maatregelen van de Unie worden omzeild, met inbegrip van die welke zijn vastgesteld naar aanleiding van de Russische agressie tegen Oekraïne. Harmonisatie van het nationale strafrecht op dit gebied vergemakkelijkt het onderzoek naar en de vervolging van schendingen van EU-sancties in alle EU-landen, waardoor beperkende maatregelen van de EU doeltreffender worden. In juli 2025 heeft de Commissie beslist inbreukprocedures in te leiden door verscheidene EU-landen een aanmaningsbrief te sturen wegens niet-mededeling van volledige omzettingsmaatregelen voor de richtlijn. Tot nu toe heeft Polen nog altijd geen volledige omzettingsmaatregelen meegedeeld. Daarom heeft de Commissie beslist Polen een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Anders kan de Commissie beslissen de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Sluiting
Commissie sluit inbreukprocedure tegen Slowakije af na intrekking van maatregelen die bescherming van klokkenluiders ondermijnen
De Commissie heeft vandaag beslist de inbreukprocedure tegen Slowakije (INFR(2026)2012) af te sluiten die zij in januari 2026 had ingeleid wegens schending van de klokkenluidersrichtlijn (Richtlijn (EU) 2019/1937) en het Handvest van de grondrechten van de EU. De klokkenluidersrichtlijn eist dat EU-landen over doeltreffende, onafhankelijke kanalen beschikken om inbreuken op EU-regels vertrouwelijk te melden, dat die meldingen grondig worden onderzocht en dat daaraan gevolg wordt gegeven, en dat klokkenluiders tegen represailles worden beschermd. Volgens de richtlijn moeten EU-landen bevoegde instanties oprichten die autonoom en onafhankelijk zijn en de vertrouwelijke behandeling van meldingen van klokkenluiders verzekeren. De inbreukprocedure werd ingeleid nadat het Slowaakse parlement in december 2025 wijzigingen van het nationale kader voor de bescherming van klokkenluiders had aangenomen die aanleiding gaven tot ernstige bezorgdheid over de naleving van het EU-recht, met name de ontbinding van het Slowaakse bureau voor de bescherming van klokkenluiders en de invoering van een mechanisme dat klokkenluiders zou kunnen blootstellen aan represailles en hun toegang tot doeltreffende rechtsmiddelen zou kunnen beperken. Na de snelle interventie van de Commissie en een constructieve dialoog met de Slowaakse autoriteiten heeft Slowakije de betwiste wijziging ingetrokken voordat ze van in werking kon treden. Daardoor zijn de door de Commissie gesignaleerde problemen, onder meer met betrekking tot de onafhankelijkheid van het Slowaakse bureau voor de bescherming van klokkenluiders, opgelost. De Commissie is daarom van mening dat de in haar aanmaningsbrief gesignaleerde kwesties op bevredigende wijze zijn opgelost en heeft beslist de inbreukprocedure af te sluiten. De Commissie zal blijven toezien op de correcte uitvoering en toepassing van de klokkenluidersrichtlijn in alle EU-landen.
6. Klimaat
(meer informatie: Anna-Kaisa Itkonen – tel. +32 229 57501; Ana Crespo Parrondo – tel. +32 229 81325)
Aanmaningsbrief
Commissie verzoekt Griekenland regels na te leven betreffende wederzijdse erkenning van certificaten voor technici die omgaan met gefluoreerde broeikasgassen
De Europese Commissie heeft beslist een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Griekenland (INFR(2026)4011) wegens niet-naleving van Verordening (EU) 2024/573 betreffende gefluoreerde broeikasgassen (F-gassen). De F-gassenverordening heeft tot doel de uitstoot van deze krachtige broeikasgassen, die een aanzienlijk effect op de klimaatverandering heeft, te beperken. Daartoe worden in de verordening certificeringsvereisten vastgesteld voor personen die activiteiten uitvoeren waarbij F-gassen en alternatieven daarvoor betrokken zijn. Artikel 10, lid 10, van de verordening voorziet in de wederzijdse erkenning in de hele Unie van door EU-landen afgegeven certificaten en opleidingsattesten. Om van F-gassen over te schakelen op klimaatvriendelijke alternatieven zijn in de hele EU voldoende naar behoren opgeleide en gecertificeerde technici nodig. De daadwerkelijke wederzijdse erkenning van op nationaal niveau afgegeven certificaten dus is essentieel om ervoor te zorgen dat de Unie over de nodige geschoolde arbeidskrachten beschikt om het gebruik van die gassen te beperken en het gebruik van alternatieve koelmiddelen te ondersteunen. In Griekenland kunnen technici die in het bezit zijn van een certificaat dat door een ander EU-land is afgegeven, op basis van dat certificaat alleen niet aan het werk gaan als koeltechnicus. Krachtens de nationale wetgeving moeten ze extra worden beoordeeld voordat ze de desbetreffende activiteiten mogen uitvoeren. De Commissie is van mening dat de Griekse wetgeving niet in overeenstemming is met de verordening. Daarom stuurt de Commissie Griekenland een aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies uit te brengen.
7. Belastingen
(meer informatie: Louise Bogey – tel. +32 229 69776; Bridget Moylan – tel. +32 229 82844)
Aanmaningsbrieven
Commissie verzoekt Duitsland, Frankrijk en Italië wetgeving betreffende belasting op dividenden die van in andere EU-landen gevestigde dochterondernemingen zijn ontvangen, aan te passen
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Duitsland (INFR(2026)2089), Frankrijk (INFR(2026)2087) en Italië (INFR(2026)2088) omdat ze hun wetgeving betreffende belasting op dividenden die van in andere EU-landen gevestigde dochterondernemingen zijn ontvangen, niet in overeenstemming hebben gebracht met de moeder-dochterrichtlijn. De belastingwetgeving van Duitsland, Frankrijk en Italië leidt tot een versnippering van de in de moeder-dochterrichtlijn vastgestelde gemeenschappelijke regels inzake vennootschapsbelasting, omdat ze de dividenden die een moedermaatschappij ontvangt van in andere EU-landen gevestigde dochterondernemingen, veel zwaarder belast dan op grond van de richtlijn is toegestaan. Dat heeft negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen en de investeringen van middelgrote en grotere ondernemingen die actief zijn op de eengemaakte markt. De beslissingen maken deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op elf aandachtsgebieden van de eengemaakte markt weg te nemen, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels” (COM(2026) 380 final, bijlage II). De Commissie stuurt daarom een aanmaningsbrief aan Duitsland, Frankrijk en Italië. Die landen hebben twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt België, Bulgarije en Cyprus implementatie van regels voor informatie-uitwisseling inzake administratieve samenwerking op gebied van belastingen te voltooien
Vandaag heeft de Europese Commissie beslist met redenen omklede adviezen te sturen aan België (INFR(2026)0015), Bulgarije (INFR(2026)0021) en Cyprus (INFR(2024)0030) omdat ze Richtlijn (EU) 2025/872 tot wijziging van de richtlijn betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (Richtlijn 2011/16/EU) niet volledig hebben omgezet. De richtlijn verplicht de EU-landen ertoe de verzameling van de aangiften met informatie betreffende de bijheffing te standaardiseren en de inlichtingen in die aangifte automatisch uit te wisselen. De aangifte met informatie betreffende de bijheffing maakt deel uit van de aangifteverplichtingen die zijn vastgesteld in Richtlijn (EU) 2022/2523 (pijler 2-richtlijn) tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie. België, Bulgarije en Cyprus hebben tot dusver niet alle nationale omzettingsmaatregelen vastgesteld of meegedeeld, terwijl belastingautoriteiten in de hele EU vanaf juni 2026 moeten kunnen beginnen met de uitwisseling van informatie over multinationale ondernemingen die onder het toepassingsgebied van de pijler 2-richtlijn vallen. In januari 2026 heeft de Commissie de EU-landen aanmaningsbrieven gestuurd omdat zij de regels van de richtlijn niet volledig geïmplementeerd hadden. Daarom heeft de Commissie beslist België, Bulgarije en Cyprus een met redenen omkleed advies te sturen. De landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Anders kan de Commissie beslissen de zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Commissie verzoekt Frankrijk nieuwe EU-btw-regels voor bijzondere mkb-regeling volledig om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan Frankrijk (INFR(2025)2150) wegens het niet verstrekken van alle IT-functionaliteiten die sinds 1 januari 2025 noodzakelijk zijn voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de EU-landen, zoals vereist bij Richtlijn (EU) 2020/285 betreffende de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen. De richtlijn staat kleine ondernemingen toe om goederen en diensten te verkopen zonder btw te heffen en verlicht hun verplichtingen wat betreft de naleving van btw-regels. Bovendien kunnen kleine ondernemingen die in een EU-land zijn gevestigd, een btw-vrijstelling krijgen als ze in een ander EU-land verkopen, net als kleine ondernemingen die in dat land zijn gevestigd. Om die regeling in de hele EU te vergemakkelijken, moet de informatie tussen EU-landen kunnen worden uitgewisseld via IT-systemen. Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, biedt het Franse IT-systeem momenteel niet alle nodige functies voor de uitwisseling van informatie die noodzakelijk is voor de correcte werking van die bijzondere regeling. In oktober 2025 heeft de Commissie het EU-land een aanmaningsbrief gestuurd omdat het de regels van de richtlijn niet volledig geïmplementeerd had. De Commissie heeft beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan Frankrijk. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Doet het dat niet, dan kan de Commissie beslissen de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
8. Mobiliteit en vervoer
(meer informatie: Anna-Kaisa Itkonen – tel. +32 229 57501; Annie Juusola – tel. +32 229 60986)
Aanvullende aanmaningsbrief
Commissie verzoekt Zweden regels van gemeenschappelijk Europees luchtruim volledig toe te passen
De Europese Commissie heeft beslist een aanvullende aanmaningsbrief te sturen aan Zweden (INFR(2023)2060) wegens het niet tijdig uitvoeren van de EU-regels voor luchtverkeersbeheer, zoals vereist krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2021/116 inzake Gemeenschappelijk Project Eén, en wegens het niet toepassen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties overeenkomstig Verordening (EG) nr. 549/2004. Tot nu toe heeft Zweden bepaalde verplichte functies voor luchtverkeersbeheer niet binnen de termijn geïmplementeerd, noch heeft het alle nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat de operationele belanghebbenden zich houden aan de eisen en tijdschema's die zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/116. De Commissie heeft Zweden in juli 2023 een eerste aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een aanvullende aanmaningsbrief in juni 2024. Een aantal tekortkomingen is echter nog niet verholpen en er hebben zich ook nieuwe tekortkomingen voorgedaan. Met name de ATM-subfunctionaliteit voor vertrekbeheer die is gesynchroniseerd met sequencing vóór vertrek is nog niet geïmplementeerd op de luchthaven Stockholm-Arlanda. Voorts is na de eerste aanvullende aanmaningsbrief gebleken dat twee andere ATM-subfunctionaliteiten — het Initial Airport Operation Plan en het Collaborative Network Operations Plan — evenmin zijn geïmplementeerd of worden gebruikt op de luchthaven Stockholm-Arlanda, wat in strijd is met de vereisten van de uitvoeringsverordening inzake Gemeenschappelijk Project Eén. Bovendien zijn met betrekking tot deze vertragingen tot dusver geen handhavingsmaatregelen of sancties uit hoofde van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 549/2004 toegepast. De Commissie stuurt Zweden daarom een tweede aanvullende aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies te sturen.
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt tien EU-landen gewijzigde richtlijn intelligente vervoerssystemen om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan België (INFR(2026)0010), Tsjechië (INFR(2026)0033), Ierland (INFR(2026)0080), Griekenland (INFR(2026)0054), Kroatië (INFR(2026)0074), Cyprus (INFR(2026)0025), Luxemburg (INFR(2026)0090), Malta (INFR(2026)0102), Polen (INFR(2026)0116) en Slovenië (INFR(2026)0142) omdat zij hebben verzuimd Richtlijn (EU) 2023/2661 tot wijziging van Richtlijn 2010/40/EU betreffende intelligente vervoerssystemen (ITS) volledig in nationaal recht om te zetten tegen 21 december 2025. Intelligente vervoerssystemen (ITS) spelen een belangrijke rol bij de totstandbrenging van een efficiënt, veilig, duurzaam en geautomatiseerd, onderling verbonden en veerkrachtig vervoerssysteem in de EU. De gewijzigde richtlijn wil een antwoord bieden op de opkomst van nieuwe opties voor wegmobiliteit, zoals mobiliteitsapps en verbonden en geautomatiseerde mobiliteit. De gewijzigde richtlijn heeft ook tot doel te garanderen dat ITS-toepassingen de naadloze integratie mogelijk maken van het wegvervoer met andere vervoerswijzen, bijvoorbeeld het spoor, om de efficiëntie en toegankelijkheid ervan te verbeteren. In januari 2026 heeft de Commissie aanmaningsbrieven gestuurd aan twintig EU-landen omdat ze niet aan hun omzettingsverplichtingen hadden voldaan Omdat de helft van die landen inmiddels hun respectieve omzettingsmaatregelen hebben gemeld, stuurt de Commissie alleen een met redenen omkleed advies aan België, Cyprus, Tsjechië, Griekenland, Kroatië, Ierland, Luxemburg, Malta, Polen en Slovenië. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen om aan hun verplichtingen te voldoen. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen de zaken voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te brengen, met een verzoek om financiële sancties op te leggen.
9. Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaalmarktenunie
(meer informatie: Siobhan McGarry – tel. +32 229 64798; Saul Louis Goulding – tel. +32 229 64735)
Aanmaningsbrieven en aanvullende aanmaningsbrief
Commissie verzoekt Spanje, Frankrijk en Letland te voldoen aan kennisgevingsverplichtingen overeenkomstig verordening digitale operationele weerbaarheid
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Spanje (INFR(2026)2141), Frankrijk (INFR(2026)2142) en Letland (INFR(2026)2144) wegens de niet-kennisgeving van nationale maatregelen uit hoofde van de verordening digitale operationele weerbaarheid (DORA) (Verordening (EU) 2022/2554). Hoewel verordeningen rechtstreeks toepasselijk en verbindend zijn in al hun onderdelen, moeten de EU-landen op grond van artikel 53 van de DORA-verordening de Commissie, de Europese Bankautoriteit (EBA), de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa) in kennis stellen van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter uitvoering van hoofdstuk VII van de verordening. Die bepalingen hebben betrekking op administratieve sancties en corrigerende maatregelen, alsook op de bevoegdheden van de autoriteiten als de lidstaten voorzien in strafrechtelijke in plaats van administratieve sancties. De termijn voor kennisgeving van deze maatregelen was 17 januari 2025. Tot nu toe hebben Spanje, Frankrijk en Letland de Commissie niet krachtens artikel 53 van de DORA-verordening in kennis gesteld van alle vereiste maatregelen. Het bij DORA vastgestelde doeltreffende handhavingskader is een essentieel onderdeel van de inspanningen van de Unie om de digitale operationele weerbaarheid van financiële entiteiten, waaronder banken, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen, te versterken in een steeds meer gedigitaliseerde financiële sector. De Commissie stuurt daarom aanmaningsbrieven aan de betrokken EU-landen. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Spanje tweede richtlijn betalingsdiensten correct om te zetten
De Europese Commissie heeft beslist een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Spanje (INFR(2026)2148) wegens het niet correct omzetten van de tweede richtlijn betalingsdiensten (Richtlijn (EU) 2015/2366). Wanneer een betalingsinstelling een aanvraag indient om betalingsdiensten aan te bieden in een EU-land van ontvangst (dat niet haar land van herkomst is, d.w.z. waar zij een exploitatievergunning heeft), moet de bevoegde autoriteit van het EU-land van herkomst krachtens de tweede richtlijn betalingsdiensten haar definitieve besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag meedelen aan de autoriteit van ontvangst en de betalingsinstelling. Die vereiste garandeert de goede werking van de paspoortregeling — een belangrijke pijler van de eengemaakte markt voor betalingsdiensten van de EU. In de Spaanse nationale wetgeving is de verplichting van de bevoegde autoriteit (Banco de España) om haar definitieve besluiten (zowel positieve als negatieve) over paspoortaanvragen mee te delen aan de autoriteiten van het EU-land van ontvangst en de betrokken betalingsinstelling, niet correct omgezet; het gaat alleen om de negatieve besluiten. Dat risico ondermijnt het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten binnen de EU. De Commissie stuurt Spanje daarom een aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Verwijzing naar het Hof van Justitie
Commissie beslist Spanje voor Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens niet-omzetting van richtlijn met betrekking tot bepaalde aspecten van minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva
De Europese Commissie heeft vandaag beslist Spanje (INFR(2025)0051) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen wegens niet-omzetting van de richtlijn met betrekking tot bepaalde aspecten van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (Richtlijn (EU) 2024/1174, ook bekend als de Daisy Chain-richtlijn). Die richtlijn wijzigt bepaalde aspecten van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva waaraan banken en andere entiteiten moeten voldoen, meer bepaald door toe te staan dat het minimumvereiste op geconsolideerde basis wordt vastgesteld voor een breder scala aan entiteiten en door een specifieke behandeling in te voeren voor entiteiten die naar verwachting in een normale insolventieprocedure zullen worden geliquideerd in geval van faillissement. De EU-landen moesten die richtlijn uiterlijk 13 november 2024 volledig hebben omgezet. Tot dusver hebben de alle andere EU-landen aangegeven dat ze de richtlijn volledig hebben omgezet. Spanje heeft echter nog steeds geen nationale maatregelen meegedeeld. De Commissie heeft Spanje op 31 januari 2025 een aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een met redenen omkleed advies op 17 juli 2025. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de nationale autoriteiten van Spanje tot nu toe ontoereikend zijn geweest, omdat ze de Commissie nog steeds niet in kennis hebben gesteld van de volledige omzetting van de richtlijn in hun nationale wetgeving. Daarom heeft de Commissie beslist deze zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, met een verzoek financiële sancties op te leggen. Voor meer informatie, zie het persbericht.
10. Digitale economie
(meer informatie: Thomas Regnier – tel: +32 229 91099, Patricia Poropat – tel: +32 229 80485)
Verwijzingen naar het Hof van Justitie
Commissie daagt Ierland, Spanje, Frankrijk en Nederland voor Hof van Justitie wegens niet-omzetting van de regels inzake cyberbeveiliging
De Europese Commissie heeft vandaag beslist Ierland (INFR(2024)0279), Spanje (INFR(2024)0270), Frankrijk (INFR(2024)0274) en Nederland (INFR(2024)0288) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen omdat zij geen maatregelen tot omzetting van de NIS2-richtlijn betreffende de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen (Richtlijn (EU) 2022/2555) in nationale wetgeving hebben meegedeeld. De richtlijn versterkt de cyberbeveiliging van de EU door strenge normen vast te stellen voor entiteiten die actief zijn in 18 kritieke sectoren, waaronder gezondheid, energie, vervoer en overheid. De volledige uitvoering van de richtlijn is essentieel voor de verbetering van de weerbaarheid en responscapaciteit bij incidenten van publieke en private entiteiten die in die kritieke sectoren actief zijn en van de EU als geheel. De Commissie heeft op 28 november 2024 aanmaningsbrieven en op 7 mei 2025 met redenen omklede adviezen gestuurd. Omdat die EU-landen nog niet hebben meegedeeld dat ze de richtlijn volledig hebben omgezet, daagt de Commissie hen voor het Hof van Justitie. De verwijzingen omvatten een verzoek aan het Hof om financiële sancties, een forfaitaire som en dagelijkse sancties op te leggen tot de volledige omzetting is meegedeeld. Voor meer informatie, zie het persbericht.
11. Werkgelegenheid en sociale rechten
(meer informatie: Eva Hrncirova – tel.+32 229 88433; Eirini Zarkadoula – tel. +32 229 57065)
Aanmaningsbrieven
Commissie verzoekt Tsjechië, Estland, Ierland, Griekenland, Hongarije, Nederland, Portugal en Finland EU-regels betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden na te leven
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Tsjechië (INFR(2026)2116), Estland (INFR(2026)2117), Ierland (INFR(2026)2124), Griekenland (INFR(2026)2123), Hongarije (INFR(2026)2121), Nederland (INFR(2026)2125), Portugal (INFR(2026)2122) en Finland (INFR(2026)2120) omdat ze hun nationale wetgeving niet volledig in overeenstemming hebben gebracht met de richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (Richtlijn (EU) 2019/1152). De richtlijn waarborgt dat alle werknemers in de EU vooraf duidelijke informatie krijgen over hun essentiële arbeidsvoorwaarden, zoals werktijden, loon en baanzekerheid. Ze beschermt ook beter tegen misbruik, waaronder onvoorspelbare planning en onverwachte taken, en waarborgt tegelijk de rechten van werknemers, zoals kosteloze verplichte opleiding. De Commissie stuurt daarom een aanmaningsbrief aan acht lidstaten. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen aan te nemen. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies te sturen.
Commissie roept Cyprus en Luxemburg op richtlijn betreffende toereikende minimumlonen om te zetten in nationale wetgeving
De Europese Commissie heeft beslist inbreukprocedures in te leiden door aanmaningsbrieven te sturen aan Cyprus (INFR(2026)2132) en Luxemburg (INFR(2026)2133) omdat ze geen maatregelen tot omzetting van de richtlijn betreffende toereikende minimumlonen (Richtlijn (EU) 2022/2041) in nationale wetgeving hebben meegedeeld. Toereikende minimumlonen versterken de sociale rechtvaardigheid en stimuleren de productiviteit en het concurrentievermogen. De EU-richtlijn bevordert collectieve onderhandelingen over loonvorming en verbetert de daadwerkelijke toegang van werknemers tot recht op bescherming van minimumlonen. De EU-landen hadden tot 15 november 2024 de tijd om de richtlijn in nationale wetgeving om te zetten. Tot nu toe hebben Cyprus en Luxemburg de Commissie geen nationale omzettingsmaatregelen meegedeeld. De Commissie stuurt daarom aanmaningsbrieven aan Cyprus en Luxemburg. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en hun omzettingsmaatregelen aan de Commissie mee te delen. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen een met redenen omkleed advies te sturen.
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt Griekenland en Portugal wetgeving in overeenstemming te brengen met EU-regels voor erkenning van beroepskwalificaties van in een ander EU-land opgeleide verpleegkundigen
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan Griekenland (INFR(2025)0184) en Portugal (INFR(2025)0192) wegens niet-kennisgeving van maatregelen tot volledige omzetting in nationaal recht van Richtlijn (EU) 2024/505 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties van verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers die in Roemenië zijn opgeleid. De EU-landen hadden tot 4 maart 2025 de tijd om de richtlijn om te zetten. De richtlijn heeft tot doel de erkenning te vergemakkelijken van kwalificaties die zijn behaald door Roemeense verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers die vóór de toetreding van Roemenië tot de EU met hun beroepsopleiding zijn begonnen en een programma hebben gevolgd om hun kwalificaties te verbeteren en aan de minimale opleidingseisen van de EU te voldoen. De EU-regels moeten volledig worden omgezet om te garanderen dat afgestudeerden van het programma kunnen profiteren van een vereenvoudigde erkenningsprocedure voor toegang tot het beroep van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger in andere EU-landen. Nadat de Commissie Griekenland en Portugal in mei 2026 aanmaningsbrieven had gestuurd, heeft zij de door de twee landen aangemelde maatregelen beoordeeld. Hoewel er enige vooruitgang is geboekt, zorgen de aangemelde maatregelen nog altijd niet voor de volledige omzetting van de richtlijn. De Commissie heeft daarom beslist Griekenland en Portugal een met redenen omkleed advies te sturen. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen tot omzetting van de richtlijn te treffen. Anders kan de Commissie beslissen de zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Commissie verzoekt Italië wetgeving inzake arbeidsvoorwaarden voor honoraire rechters af te stemmen op EU-recht
De Europese Commissie heeft vandaag beslist een met redenen omkleed advies te sturen aan Italië (INFR(2025)2159) met betrekking tot honoraire rechters die reeds in dienst waren op 15 augustus 2017 Krachtens de Italiaanse wetgeving moeten honoraire rechters afzien van aanspraken die voortvloeien uit hun eerdere honorair ambt — met inbegrip van rechten op grond van het EU-recht — om een definitieve benoeming te bekomen. Het Hof van Justitie (zaak C-253/24, Pelavi) oordeelde echter dat dergelijke afstand in strijd is met het EU-recht. Bovendien heeft de Commissie vastgesteld dat die rechters discriminerend worden behandeld op basis van rechten op deeltijdwerk of werk voor bepaalde tijd. Het antwoord van Italië op de aanmaningsbrief van de Commissie leidde niet tot een oplossing van deze klachten. Nadat de Commissie Italië in juli 2021 een aanmaningsbrief had gestuurd, beoordeelde zij de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte maatregelen en toelichtingen en concludeerde zij dat deze de vastgestelde inbreuken op het EU-recht niet op bevredigende wijze aanpakken. De Commissie heeft daarom een met redenen omkleed advies gestuurd aan de Italiaanse autoriteiten. Die hebben nu twee maanden de tijd om te reageren. Anders kan de Commissie beslissen de zaak te verwijzen naar het Hof.
Commissie verzoekt Griekenland, Spanje, Cyprus, Nederland, Polen en Slowakije EU-regels voor bescherming van werknemers tegen asbest volledig op te nemen in nationale wetgeving
De Europese Commissie heeft vandaag beslist met redenen omklede adviezen te sturen aan Griekenland (INFR(2026)055), Spanje (INFR(2026)0062), Cyprus (INFR(2026)0026), Nederland (INFR(2026)0110), Polen (INFR(2026)0117) en Slowakije (INFR(2026)0148) omdat ze geen kennis hebben gegeven van de maatregelen tot volledige omzetting in nationaal recht van de nieuwe EU-regels voor de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk. Asbest is een gevaarlijke kankerverwekkende stof. In de EU wordt ongeveer 75 % van de vormen van kanker op de werkplek ermee in verband gebracht. Richtlijn (EU) 2023/2668 bevat regels om werknemers beter tegen die gevaarlijke stof te beschermen. De EU-landen moesten de meeste bepalingen van de richtlijn uiterlijk 21 december 2025 en de overige bepalingen uiterlijk 21 december 2029 in nationaal recht omzetten. Een van de eerste bepalingen is een verlaging van de grenswaarde voor blootstelling aan asbest op het werk tot een tiende van de vorige waarde (van 0,1 naar 0,01 vezels per kubieke centimeter), op basis van de recentste wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Op 30 januari 2026 heeft de Commissie aanmaningsbrieven gestuurd aan tien EU-landen omdat ze de maatregelen tot omzetting van de nieuwe EU-regels in nationaal recht niet tijdig hadden meegedeeld. Sindsdien hebben vier landen dergelijke maatregelen gemeld. De Commissie heeft vandaag beslist de resterende zes EU-landen een met redenen omkleed advies te sturen. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Anders kan de Commissie beslissen de zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Verwijzingen naar het Hof van Justitie
Commissie beslist Griekenland voor Hof van Justitie te dagen wegens discriminerende arbeidsvoorwaarden voor leraren in openbare scholen
De Europese Commissie heeft vandaag beslist Griekenland (INFR(2024)4013) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) te dagen omdat het zijn nationale wetgeving niet volledig in overeenstemming heeft gebracht met de richtlijn betreffende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (Richtlijn 1999/70/EG van de Raad), die discriminatie van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd verbiedt. Het Griekse recht bevat voor leerkrachten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op openbare scholen werken, minder gunstige arbeidsvoorwaarden dan voor leerkrachten in vast dienstverband, bijvoorbeeld wat betreft bevallings- en ziekteverlof. De Commissie heeft in juli 2024 een inbreukprocedure ingeleid door de Griekse autoriteiten een aanmaningsbrief te sturen. De verklaringen die Griekenland in zijn antwoord gaf om de verschillen in behandeling te rechtvaardigen, waren niet bevredigend. In mei 2025 heeft de Commissie Griekenland een met redenen omkleed advies gestuurd. De Commissie is van mening dat de door Griekenland verstrekte uitleg nog altijd ontoereikend is en daagt Griekenland daarom voor het HvJ-EU. Voor meer informatie, zie het persbericht.
Commissie beslist Spanje voor Hof van Justitie te dagen met betrekking tot erkenning van beroepskwalificaties
De Europese Commissie heeft vandaag beslist Spanje (INFR(2018)2306) voor het Hof van Justitie van de Europese Unie (HVJ-EU) te dagen omdat het zijn regels niet in overeenstemming heeft gebracht met de richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (Richtlijn 2005/36/EG), die waarborgt dat volledig gekwalificeerde beroepsbeoefenaars hun kwalificaties kunnen laten erkennen in een ander EU-land, en met de artikelen 45 en 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De zaak betreft beëdigde vertalers en tolken. De Spaanse nationale regels zijn niet volledig in overeenstemming met de vereisten van de richtlijn en het VWEU, met name wat betreft de erkenning van beëdigde vertalers en tolken die zich permanent in Spanje willen vestigen of tijdelijk grensoverschrijdende diensten willen verlenen. Ondanks eerdere toezeggingen heeft Spanje niet de nodige maatregelen getroffen om zijn regels in overeenstemming met de richtlijn en het VWEU te brengen. De Commissie daagt Spanje daarom voor het HvJ-EU. Voor meer informatie, zie het persbericht.
12. Fraudebestrijding
(meer informatie: Balazs Ujvari – tel. +32 229 54578; Isabel Otero Banderas – tel. +32 229 66925)
Aanmaningsbrief
Commissie verzoekt Cyprus OLAF-verordening te eerbiedigen
De Europese Commissie heeft beslist een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Cyprus (INFR(2026)2054) omdat het zijn verplichting uit hoofde van het Unierecht, vastgesteld bij artikel 7, lid 3 bis, van de OLAF-verordening (Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013), niet is nagekomen. Dit is de tweede inbreukprocedure die de Commissie in verband met dit onderwerp tegen een EU-land heeft ingeleid, na de procedure tegen Ierland die op 4 juni 2026 is ingeleid. De OLAF-verordening regelt de werkzaamheden van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) ter bescherming van de begroting van de Europese Unie. In 2020 is de OLAF-verordening gewijzigd om er specifieke bepalingen in op te nemen die de verplichtingen van de lidstaten verduidelijken wat betreft het bijstaan van OLAF door het op verzoek doorgeven van informatie over bankrekeningen en gegevens van banktransacties. Volgens de Cypriotische wet wordt dergelijke informatie niet in het kader van administratieve onderzoeken aan OLAF verstrekt als er geen redelijk vermoeden van een strafbaar feit bestaat. Het Cypriotische recht is derhalve in strijd met artikel 7, lid 3 bis, van de OLAF-verordening, en dat belemmert aanzienlijk de resultaten van OLAF-onderzoeken. De Commissie stuurt Cyprus daarom een aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om opmerkingen in te dienen en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen overeenkomstig artikel 258 VWEU een met redenen omkleed advies uit te brengen.