Het kabinet komt met een wetsvoorstel om scheefhuur in sociale huurwoningen van woningcorporaties tegen te gaan. Bij scheefhuur is het inkomen van een bewoner niet (meer) passend bij de huurprijs. Om dit beter in balans te brengen, gaan huurders met een hoger inkomen een hogere huurprijs betalen. Ook komt er een toets op vermogen bij toewijzing van de woning. Zo moeten sociale huurwoningen beschikbaar blijven voor wie de woningen bedoeld zijn.

Minister Elanor Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt de plannen de komende tijd uit. Doel is om het wetsvoorstel begin 2027 in consultatie te brengen.

Woningcorporaties worden in het wetsvoorstel verplicht om bij huurders met een hoger inkomen de huur te verhogen met € 50 of € 100 per maand, afhankelijk van hun inkomen. Corporaties moeten deze verhoging elk jaar opnieuw doorvoeren, tot de maximale huurprijs die bij de woning past op basis van het woningwaarderingsstelsel. Huurders blijven dus altijd een prijs betalen die past bij de kwaliteit van de woning. In 2024 had ongeveer 8 procent van de sociale huurders (177.000 huishoudens) een inkomen dat in aanmerking zou komen voor deze inkomensafhankelijke huurverhoging.

Ook zijn er huurders die een inkomen hebben dat past bij de sociale huur, maar wel beschikken over vermogen of een eigen woning. Een toets op vermogen bij toewijzing van de woning moet ervoor zorgen dat sociale huurwoningen niet of tegen een hogere huurprijs worden toegewezen aan huishoudens met vermogen.

Verder onderzoekt het kabinet of huurders met vermogen ook een hogere huurverhoging kunnen krijgen van € 50 of € 100 per maand. Ook gaat de minister in gesprek met woningcorporaties over een toets op eigenwoningbezit bij toewijzing van sociale huurwoningen.