Inbreukenpakket voor oktober: voornaamste beslissingen
Overzicht per beleidsterrein
Het periodieke pakket inbreukbeslissingen betreft de gerechtelijke stappen van de Europese Commissie tegen lidstaten die hun verplichtingen uit hoofde van het EU-recht niet zijn nagekomen. De beslissingen betreffen diverse EU-beleidsterreinen en moeten ervoor zorgen dat het EU-recht correct wordt toegepast. Daar hebben zowel burgers als bedrijven baat bij. De voornaamste beslissingen van de Commissie worden hieronder weergegeven, per beleidsterrein.
De Commissie sluit ook 87 zaken waarin de kwesties met de betrokken lidstaten zijn opgelost. In die zaken hoeft de Commissie de inbreukprocedure dus niet voort te zetten. Deze interactieve kaarten en aanpasbare grafieken tonen de stand van zaken van de handhaving door de Commissie en de naleving van het EU-recht door de lidstaten. U kunt het register van inbreukbeslissingen raadplegen voor meer informatie over de geschiedenis van een zaak of om toegang te krijgen tot de volledige database van inbreukbeslissingen. Zie ook de vragen en antwoorden voor meer informatie over de EU-inbreukprocedure.
1. Milieu
(meer informatie: Anna-Kaisa Itkonen – tel. +32 229-575 01; Maëlys Dreux – tel. +32 229-54673)
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt Zweden richtlijn behandeling stedelijk afvalwater correct om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Zweden (INFR(2020)2096) omdat het land bepaalde maatregelen uit de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater (Richtlijn 91/271/EEG van de Raad) niet heeft uitgevoerd. Deze verplichtingen veranderen niet door de herschikte richtlijn behandeling stedelijk afvalwater (Richtlijn (EU) 2024/3019) die tegen 31 juli 2027 in nationaal recht moet zijn omgezet. De doeltreffende behandeling van stedelijk afvalwater helpt de doelstellingen van de strategie voor waterweerbaarheid te verwezenlijken. Onbehandeld afvalwater kan een risico voor de menselijke gezondheid vormen, en verontreinigt meren, rivieren, bodem, kustwateren en grondwater, waaronder gebieden voor drinkwaterwinning. Zweden heeft geen technische normen vastgelegd voor ontwerp, bouw en onderhoud van opvangsystemen voor stedelijk afvalwater, voor het voorkomen van lekken en voor het beperken van verontreiniging van de oceaan, rivieren of meren door overstorting van stedelijk afvalwater. Bovendien heeft Zweden onvoldoende bewijs geleverd dat zijn gebruik van een andere meeteenheid voor lozingen beantwoordt aan de vereisten van de richtlijn. De Commissie had Zweden in mei 2020 een aanmaningsbrief gestuurd. Na analyse van het antwoord van Zweden was de conclusie van de Commissie echter dat het land nog steeds niet aan de zo-even vermelde verplichtingen voldoet. Daarom heeft de Commissie besloten Zweden een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Commissie verzoekt Portugal bijvangst walvisachtigen te monitoren en te voorkomen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Portugal (INFR(2020)4038) wegens het niet uitvoeren van de maatregelen die de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG van de Raad) oplegt om de bijvangst van walvisachtigen te monitoren en te voorkomen. Bijvangst is vis die meegevangen wordt met de doelsoort. De habitatrichtlijn verplicht de lidstaten om de bijvangst en het doden van streng beschermde soorten te monitoren. Ook moeten ze ervoor zorgen dat een en ander geen significant negatieve gevolgen heeft voor de betrokken soorten. De lidstaten moeten ook de nodige stappen zetten om aanzienlijke verstoringen te voorkomen van soorten die beschermd zijn in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen in het kader van de habitat- en de vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG). Portugal beschikt niet over een effectief systeem om de bijvangst te monitoren van soorten zoals de tuimelaar (Tursiops truncatus), de gewone dolfijn (Delphinus delphis) en de bruinvis (Phocoena phocoena) – die allemaal beschermd zijn door de habitatrichtlijn. Ook heeft Portugal nagelaten verder onderzoek te verrichten en instandhoudingsmaatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat bijvangst en het doden voor deze soorten geen significant negatieve gevolgen heeft. Portugal heeft evenmin de nodige stappen gezet om significante verstoringen – door het risico op bijvangst – te voorkomen in de Natura 2000-gebieden die voor de bescherming van die soorten zijn aangewezen. De Commissie had Portugal in november 2023 een aanmaningsbrief gestuurd. Na analyse van het antwoord van Portugal was de conclusie van de Commissie dat Portugal, ook al heeft een aantal nationale maatregelen genomen, nog steeds niet aan de zo-even vermelde verplichtingen voldoet. Daarom heeft de Commissie besloten Portugal een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Commissie verzoekt Bulgarije, Tsjechië, Spanje, Cyprus, Luxemburg, Polen en Roemenië kennis te geven van omzetting richtlijn afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Bulgarije (INFR(2025)0301), Tsjechië (INFR(2025)0304), Spanje (INFR(2025)0321), Cyprus (INFR(2025)0303), Luxemburg (INFR(2025)0341), Polen (INFR(2025)0353) en Roemenië (INFR(2025)0360) wegens niet-kennisgeving van maatregelen om de richtlijn afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (Richtlijn 2012/19/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2024/884/EU) volledig in hun nationale recht om te zetten. De lidstaten hadden tot 9 oktober 2025 de tijd om de richtlijn om te zetten. De AEEA-richtlijn wil het milieu en de menselijke gezondheid beschermen door voorrang te geven aan het voorkomen van de productie van AEEA en door in te zetten op hergebruik, recycling en terugwinning van AEEA en het verbeteren van efficiënt hulpbronnengebruik. Als gevolg van het arrest van 25 januari 2022 van het EU-Hof van Justitie (HvJ-EU) moest Richtlijn 2012/19/EU worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat kosten voor het beheer van afvalstoffen afkomstig van fotovoltaïsche panelen in alle lidstaten worden gedragen door producenten, ook voor producten die de producenten al vóór de inwerkingtreding van Richtlijn 2012/19/EU op de markt hadden gebracht. Om rechtszekerheid te garanderen maakte de wijzigingsrichtlijn duidelijk dat Richtlijn 2012/19/EU niet van toepassing is op fotovoltaïsche panelen die tussen 13 augustus 2005 en 13 augustus 2012 in de handel waren gebracht, en evenmin op “open scope” elektrische en elektronische apparatuur die tussen 13 augustus 2005 en 15 augustus 2018 in de handel waren gebracht. Volledige omzetting van de gewijzigde EU-regels is van cruciaal belang om rechtszekerheid te garanderen en duidelijkheid te creëren over wie verantwoordelijk is voor het betalen van bepaalde kosten voor het beheer en de verwijdering van afvalstoffen – en zo hun nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met het arrest van het EU-Hof van Justitie. De Commissie heeft Bulgarije, Tsjechië, Spanje, Cyprus, Luxemburg, Polen en Roemenië in november 2025 een aanmaningsbrief gezonden. Deze lidstaten hebben nog steeds geen kennisgegeven van maatregelen om de wijzigingsrichtlijn volledig om te zetten. Daarom heeft de Commissie besloten deze zeven lidstaten een met redenen omkleed advies te sturen. Ze hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Verwijzingen naar het Hof van Justitie
Commissie besluit Finland voor EU-Hof van Justitie te brengen omdat het land zijn regels niet met Seveso III-richtlijn in overeenstemming heeft gebracht
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Finland (INFR(2020)2218) voor het EU-Hof van Justitie te brengen omdat het land zijn regels niet met de Seveso III-richtlijn (Richtlijn 2012/18/EU) in overeenstemming heeft gebracht. Doel van die richtlijn is het om zware ongevallen (bv. belangrijke emissies, branden of explosies) waarbij gevaarlijke stoffen, en met name chemische stoffen, betrokken zijn, te voorkomen en de negatieve impact ervan op de menselijke gezondheid en het milieu te beperken. De richtlijn is van toepassing op rond elfduizend industriële installaties in de Europese Unie, zoals de chemische en petrochemische industrie of de groothandel in en opslag van brandstoffen. Finland heeft de richtlijn nog steeds niet correct omgezet, met name wat betreft inspecties, toegang tot informatie voor het publiek en toegang tot de rechter. Dit zijn belangrijke punten die van invloed zijn op de doeltreffendheid van nationale handhaving en de toekenning van rechten aan burgers. Met name, wanneer verslagen of voorraden gevaarlijke stoffen vertrouwelijke of gevoelige informatie bevatten – bijvoorbeeld met betrekking tot openbare veiligheid of nationale defensie – mogen Finse nationale autoriteiten volgens Finse nationale regels geen inzage verlenen in andere niet-gevoelige of niet-vertrouwelijke delen van die verslagen of voorraden. Voorts kunnen door de Finse nationale regels inspecties van inrichtingen, waar mogelijk, niet worden gecoördineerd en gecombineerd met andere inspecties op grond van EU-wetgeving. Dit kan leiden tot gefragmenteerd toezicht en minder doeltreffende handhaving. De Commissie heeft Finland in juli 2020 een aanmaningsbrief gestuurd en in december 2025 een met redenen omkleed advies. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de Finse autoriteiten om de nodige stappen te zetten om de nationale wetgeving te wijzigen, tot nu toe ontoereikend zijn, en brengt Finland daarom voor het EU-Hof van Justitie. Zie voor meer informatie het persbericht.
Commissie besluit Griekenland en Cyprus voor EU-Hof van Justitie te brengen omdat ze geen adequate afvalbehandeling garanderen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Griekenland (INFR(2021)2166) en Cyprus (INFR(2021)2217) voor het EU-Hof van Justitie te brengen omdat ze de richtlijn storten van afvalstoffen (Richtlijn 1999/31/EG) en de kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) niet correct toepassen. De Commissie had Griekenland in november 2021 een aanmaningsbrief gestuurd en in december 2024 een met redenen omkleed advies wegens tekortkomingen op 84 stortplaatsen, maar ook omdat Griekenland nog steeds geen geïntegreerd en adequaat netwerk van afvalbeheerinstallaties had opgezet, rekening houdende met de beste beschikbare technieken. Na analyse van het antwoord van de Griekse autoriteiten en de beschikbare informatie, blijkt dat drie stortplaatsen zijn gesloten. Van de overige 81 stortplaatsen voldeden er 66 stortplaatsen (of 81%) volgens de Commissie niet aan de vereisten. De Commissie had Cyprus in december 2021 een aanmaningsbrief gestuurd en in december 2024 een met redenen omkleed advies omdat het land er niet voor zorgt dat afval adequaat behandeld wordt voordat het wordt gestort, maar ook omdat Cyprus geen geïntegreerd en adequaat netwerk van afvalbeheerinstallaties had opgezet, rekening houdende met de beste beschikbare technieken. Na analyse van het antwoord van de Cypriotische autoriteiten en de beschikbare informatie, was de conclusie van de Commissie dat 21% van het op Cyprus geproduceerde afval wordt gestort zonder dat het vooraf is behandeld. Ook concludeerde de Commissie dat in beide landen de capaciteit van installaties om afval te behandelen voordat het wordt gestort, ontoereikend is wat betreft de behandeling van gemengd stedelijk afval. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de Griekse en Cypriotische autoriteiten om de tekortkomingen te verhelpen, tot nu toe ontoereikend zijn, en brengt Griekenland en Cyprus daarom voor het EU-Hof van Justitie. Zie voor meer informatie het persbericht.
2. Interne markt, industrie, ondernemerschap en midden- en kleinbedrijf
(meer informatie: Siobhan McGarry – tel. +32 229-64798; Rüya Perincek – tel.: +32 460 76 25 10)
Aanmaningsbrief
Commissie besluit inbreukprocedure in te leiden tegen Frankrijk wegens beperking vrije toegang tot verplichte Franse normen
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Frankrijk (INFR(2026)4017) omdat niet alle bedrijven in de EU niet-discriminerende toegang krijgen tot normen die bij Franse wet verplicht zijn. Volgens Franse wetgeving moeten verplichte normen kosteloos kunnen worden geraadpleegd op de website van AFNOR, de Franse nationale organisatie die belast is met de ontwikkeling en coördinatie van vrijwillige normen, certificering en opleiding. Maar alleen in Frankrijk gevestigde bedrijven hebben kosteloos toegang tot deze normen, terwijl bedrijven uit andere lidstaten moeten betalen om toegang te krijgen. Volgens de Commissie doet dit verschil in behandeling extra kosten ontstaan voor bedrijven uit andere lidstaten die deze normen moeten raadplegen om juridisch bindende eisen in Frankrijk te kunnen naleven. Dit kan economische spelers uit andere lidstaten belemmeren in hun mogelijkheden om goederen op de Franse markt af te zetten of in Frankrijk diensten te verrichten. De Commissie vindt dat deze praktijk inbreuk maakt op, respectievelijk, de rechten van het vrije verkeer van goederen en de vrijheid van dienstverrichting die in de artikelen 34 en 35 VWEU zijn vastgelegd, en strijdig is met artikel 16 van de dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG). Daarom stuurt de Commissie Frankrijk nu een aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt Denemarken kennis te geven van omzetting richtlijn betreffende het verminderen rapportagevereisten voor marktdeelnemers
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Denemarken (INFR(2026)0043) wegens niet-kennisgeving van de maatregelen tot omzetting van de verplichtingen uit Richtlijn (EU) 2024/2839. Het met redenen omklede advies volgt op de aanmaningsbrief van januari dit jaar. De betrokken richtlijn vermindert de rapportage-eisen voor lidstaten en marktdeelnemers op verschillende gebieden. Voor marktdeelnemers gaat het om rapportage-eisen met betrekking tot geluidsemissies door materieel voor gebruik buitenshuis. De richtlijn preciseert aan welke rapportageverplichtingen marktdeelnemers niet langer hoeven te voldoen. Daarom heeft de Commissie besloten Denemarken een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Commissie verzoekt Hongarije EU-regels na te leven bij gunning concessies voor snelwegen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Hongarije (INFR(2024)4006) wegens niet-nakoming van EU-regels inzake overheidsopdrachten (Richtlijn 2014/24/EU) en concessies (Richtlijn 2014/23/EU) bij de gunning van een opdracht voor aanleg, exploitatie en onderhoud van zijn snelwegennet. Het met redenen omklede advies komt er na de aanmaningsbrief van april 2024 en de aanvullende aanmaningsbrief van juli vorig jaar. Deze regels moet zorgen voor een gelijke behandeling van marktdeelnemers en het openstellen van overheidsopdrachten en concessies voor concurrentie. Volgens de Commissie wordt met het over 35 jaar lopende Hongaarse contract voor aanleg, exploitatie en onderhoud van het snelwegennet onvoldoende operationeel risico overgedragen aan de concessiehouder – een sleutelelement om een concessie te onderscheiden van een overheidsopdracht. Daarom concludeerde de Commissie dat het contract verkeerdelijk als concessie was aangemerkt – in plaats van als overheidsopdracht – waardoor inbreuk is gemaakt op het beginsel van gelijke behandeling en het transparantiebeginsel. Bovendien waren de aanpassingen aan het contract in april en december 2023 in strijd met de EU-regels voor overheidsopdrachten. De Commissie heeft daarom besloten Hongarije een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Ingebrekestelling na een arrest (artikel 260 VWEU)
Commissie verzoekt Griekenland arrest inzake betalingsachterstand na te komen
De Europese Commissie heeft besloten een aanmaningsbrief te sturen aan Griekenland (INFR(2019)2298) wegens niet-nakoming van het arrest van het Hof van Justitie van 19 juni 2025 (zaak C-317/24). Daarin oordeelde het Hof dat Griekenland inbreuk had gemaakt op de richtlijn betalingsachterstand (Richtlijn 2011/7/EU) door buitensporige betalingstermijnen voor betalingen van openbare ziekenhuizen aan hun leveranciers. Volgens de richtlijn moeten overheidsorganisaties in de gezondheidszorg hun leveranciers binnen maximaal 60 kalenderdagen betalen. Griekse openbare ziekenhuizen blijven deze termijn echter fors overschrijden. In juni 2026 kwam het bedrag aan onbetaalde facturen van leveranciers uit op 1,3 miljard euro, meer dan driemaal zoveel als in 2019. Deze betalingsachterstanden zijn een zware financiële last voor leveranciers, voor het merendeel mkb-bedrijven, en tasten hun mogelijkheden aan om te handelen, te groeien en te investeren. Griekenland heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de tekortkomingen te verhelpen. Als de Commissie het antwoord ontoereikend vindt, kan zij besluiten deze zaak opnieuw aan het Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Commissie dringt bij Griekenland aan om EU-evenredigheidsregels voor gereglementeerde beroepen volledig om te zetten
De Europese Commissie heeft besloten een aanmaningsbrief te sturen aan Griekenland (INFR(2021)2200) omdat het land het arrest van het EU-Hof van Justitie van 20 november 2025 in zaak C‑518/24. Dat arrest handelde over de omzetting van Richtlijn (EU) 2018/958 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voordat nieuwe reglementering voor beroepen wordt ingevoerd. De richtlijn moet ervoor zorgen dat alle bevoegde instanties, waaronder ook parlementen en beroepsverenigingen, een evenredigheidsbeoordeling uitvoeren voordat ze regels invoeren of wijzigen die de toegang tot of uitoefening van gereglementeerde beroepen beperken. Het EU-Hof had geoordeeld dat Griekenland er niet voor gezorgd had dat nationale maatregelen tot omzetting van de richtlijn zien op alle soorten organisaties die bevoegd zijn om beroepen te reglementeren en/of reglementering ervan voor te stellen, met inbegrip van parlementaire initiatieven en amendementen. Evenmin had het land gezorgd voor een periodieke toetsing van die bepalingen. De wijzigingen van nationale wetgeving die Griekenland in reactie op het arrest heeft aangenomen, komen niet volledig tegemoet aan de vereisten van de richtlijn, aangezien parlementaire initiatieven en amendementen buiten de reikwijdte van de periodieke toetsingsverplichting vallen. Griekenland heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de tekortkomingen te verhelpen. Als de Commissie het antwoord ontoereikend vindt, kan zij besluiten deze zaak opnieuw aan het Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
3. Migratie en binnenlandse zaken
(meer informatie: Markus Lammert – tel. +32 229-67533; Elettra Di Massa – tel. +32 229-82161)
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt België, Frankrijk en Nederland blauwekaartrichtlijn volledig om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan België (INFR(2024)0004), Frankrijk (INFR(2024)0058) en Nederland (INFR(2024)0102) omdat deze landen de blauwekaartrichtlijn betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (Richtlijn (EU) 2021/1883) niet volledig hebben omgezet. De blauwekaartrichtlijn bepaalt de voorwaarden voor toegang en verblijf van hooggekwalificeerde niet-EU-onderdanen die in de EU komen wonen en werken en voert doeltreffendere regels in om hooggekwalificeerde werkers aan te trekken naar de EU. Deze regels omvatten soepelere toelatingsvoorwaarden, meer rechten en de mogelijkheid om gemakkelijker te reizen tussen EU-lidstaten en er te werken. België, Frankrijk en Nederland hebben kennisgegeven van slechts een gedeeltelijke omzetting van de richtlijn. Daardoor beperken ze de mogelijkheden die de EU-blauwekaartrichtlijn biedt aan hooggekwalificeerde niet-EU-onderdanen. Daarom heeft de Commissie besloten die lidstaten een met redenen omkleed advies te sturen. Ze hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaken aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
4. Justitie
(meer informatie: Markus Lammert – tel. +32 229-67533; Antoine Lomba- tel. +32 229-93233)
(meer informatie over gelijkheid: Eva Hrncirova – tel. +32 229-88433; Anna Gray – tel. +32 229-80873)
Met redenen omklede adviezen
Commissie dringt bij lidstaten aan om richtlijn kredietovereenkomsten voor consumenten volledig om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Bulgarije (INFR(2026)0017), Tsjechië (INFR(2026)0031), Estland (INFR(2026)0045), Ierland (INFR(2026)0079), Spanje (INFR(2026)0059), Frankrijk (INFR(2026)0069), Kroatië (INFR(2026)0073), Cyprus (INFR(2026)0023), Letland (INFR(2026)0096), Luxemburg (INFR(2026)0088), Malta (INFR(2026)0100), Nederland (INFR(2026)0108), Polen (INFR(2026)0114), Portugal (INFR(2026)0122), Roemenië (INFR(2026)0131) en Slovenië (INFR(2026)0141). Die landen hebben namelijk geen volledige omzetting van de richtlijn kredietovereenkomsten voor consumenten (Richtlijn (EU) 2023/2225) meegedeeld. Deze richtlijn wil de consumentenbescherming op de kredietmarkt versterken door te zorgen voor transparante en eerlijke krediettransacties in alle lidstaten. De lidstaten hadden tot 20 november 2025 de tijd om de richtlijn in nationale wetgeving om te zetten. In januari 2026 heeft de Commissie besloten inbreukprocedures in te leiden door 23 lidstaten een aanmaningsbrief te sturen wegens niet-mededeling van volledige omzettingsmaatregelen. Momenteel hebben deze zestien lidstaten de Commissie nog niet meegedeeld dat ze de richtlijn volledig hebben omgezet. Daarom heeft de Commissie besloten die zestien lidstaten een met redenen omkleed advies te sturen. Ze hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaken aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Commissie verzoekt Hongarije regels over rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures correct om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Hongarije (INFR(2025)2163) wegens het niet correct omzetten van de EU-regels voor rechtsbijstand in strafprocedures (Richtlijn (EU) 2016/1919). Het EU-recht waarborgt dat de grondrechten van verdachten en beklaagden worden beschermd. Gemeenschappelijke minimumnormen zijn nodig voor de erkenning van rechterlijke beslissingen van een lidstaat door andere lidstaten. De Commissie constateerde dat in Hongarije niet alle personen op wie de richtlijn ziet, toegang hebben tot rechtsbijstand en dat de toekenning van rechtsbijstand afhangt van een verzoek van de betrokken persoon. Daarnaast kent Hongarije weliswaar een stelsel van verplichte rechtsbijstand, maar dat bestrijkt niet alle in de richtlijn beschreven scenario's en garandeert evenmin dat onmiddellijk rechtsbijstand wordt verleend. In november 2025 had de Commissie besloten een inbreukprocedure tegen Hongarije in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen. De geconstateerde probleempunten staan echter nog open. De Commissie heeft daarom besloten Hongarije een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Anders kan de Commissie besluiten Hongarije voor het EU-Hof van Justitie te brengen.
Commissie verzoekt Ierland richtlijn die schending beperkende EU-maatregelen strafbaar stelt, volledig om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Ierland (INFR(2025)0227) omdat het land de Commissie geen kennis heeft gegeven van nationale maatregelen tot omzetting in nationaal recht van de richtlijn betreffende de strafbaarstelling van de schending van beperkende maatregelen van de Unie (Richtlijn (EU) 2024/1226). De richtlijn voorziet in gemeenschappelijke regels om de definitie van strafrechtelijke delicten en van sancties wegens schending van beperkende maatregelen van de Unie te harmoniseren. Ze heeft tot doel omzeiling te voorkomen van beperkende EU-maatregelen van de Unie, zoals de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de Russische agressie tegen Oekraïne. Harmonisatie van het nationale strafrecht op dit gebied vergemakkelijkt het onderzoek naar en de vervolging van schendingen van beperkende EU-maatregelen in alle lidstaten, waardoor deze meer slagkracht krijgen. De lidstaten hadden tot 20 mei 2025 de tijd om de richtlijn in nationale wetgeving om te zetten. In juli 2025 heeft de Commissie besloten een inbreukprocedure in te leiden door verscheidene lidstaten een aanmaningsbrief te sturen wegens niet-mededeling van volledige omzettingsmaatregelen voor de richtlijn. Tot dusver heeft Ierland nog steeds geen maatregelen tot omzetting van de richtlijn meegedeeld. Daarom heeft de Commissie besloten Ierland een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten Ierland voor het EU-Hof van Justitie te brengen.
Verwijzing naar het Hof van Justitie
Commissie besluit Spanje voor EU-Hof van Justitie te brengen wegens niet-naleving EU-regels inzake aansprakelijkheid Staat voor inbreuken op EU-recht
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Spanje (INFR (2017)4004) voor het EU-Hof van Justitie te brengen wegens niet-nakoming van een arrest van het Hof. In juni 2022 oordeelde het Hof dat Spaanse regels het voor particulieren veel te moeilijk maakten om schadevergoeding te ontvangen voor schade die de Staat heeft berokkend door wetgeving aan te nemen die strijdig is met EU-recht. Spanje was dus de uit hoofde van EU-recht op het land rustende verplichtingen niet nagekomen, en had inbreuk gemaakt op het doeltreffendheidsbeginsel. In 2015 had de Commissie klachten ontvangen dat delen van de Spaanse wetgeving betreffende de publieke sector en de bestuurlijke procedure in ambtenarenzaken niet aan het EU-recht voldeden. In juni 2017 opende de Commissie een inbreukprocedure. Spanje voerde geen wijzigingen door in zijn wetgeving, zelfs niet nadat de Commissie in januari 2018 een met redenen omkleed advies had uitgebracht. Daarom had de Commissie in november 2019 besloten de zaak voor het EU-Hof van Justitie te brengen. In zijn arrest van 28 juni 2022 had het Hof het standpunt van de Commissie bevestigd dat Spanje inbreuk had gemaakt op EU-recht. Aangezien Spanje het arrest van het Hof niet in zijn rechtsorde heeft omgezet, heeft de Commissie in december 2025 een aanmaningsbrief gestuurd. Zelfs na verdere contacten met de Spaanse autoriteiten, is het arrest nog steeds niet ten uitvoer gelegd en een ontwerpwet tot wijziging van de betrokken wetsbepalingen is nog steeds bij het Spaanse Parlement in behandeling. Daarom brengt de Commissie Spanje voor het EU-Hof van Justitie. Zie voor meer informatie het persbericht.
5. Energie en klimaat
(meer informatie: Anna-Kaisa Itkonen – tel. +32 229-57501; Cristiana Marchitelli – tel. +32 229-89407; Ana Crespo Parrondo – tel. +32 229-81325)
Aanmaningsbrieven en aanvullende aanmaningsbrieven
Commissie verzoekt België, Spanje en Frankrijk kennis te geven van hun risicoparaatheidsplan voor elektriciteit
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Spanje (INFR(2026)2191) en Frankrijk (INFR(2026)2192), en een aanvullende aanmaningsbrief aan België (INFR(2026)2036), wegens niet-kennisgeving van hun risicoparaatheidsplan overeenkomstig Verordening (EU) 2019/941 betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector. Het risicoparaatheidsplan is een belangrijk instrument om maximale paraatheid in de elektriciteitssector te waarborgen en moet worden opgesteld om verstoringen van de elektriciteitsvoorziening te voorkomen of, als zich verstoringen voordoen, de gevolgen ervan te beperken. Het moet alle geplande of getroffen maatregelen bevatten om elektriciteitscrises te voorkomen, voorbereidingen om deze crises tegen te gaan en deze te beperken. Elektriciteitscrises kunnen om allerlei redenen ontstaan, bijvoorbeeld als gevolg van onder meer extreme weersomstandigheden, aanslagen of brandstoftekorten. Crisissituaties hebben vaak grensoverschrijdende effecten. Grootschalige incidenten, zoals koudegolven, hittegolven of cyberaanvallen, kunnen verschillende EU-landen tegelijkertijd treffen. Risicoparaatheidsplannen zijn gebaseerd op regionale en nationale crisisscenario's en zorgen ervoor dat in geval van een crisis elektriciteit wordt gestuurd naar de plaatsen waar die het hardste nodig is. De lidstaten moeten hun geactualiseerde risicoparaatheidsplannen om de vier jaar vaststellen en publiceren, te rekenen vanaf het eerste plan dat uiterlijk op 5 januari 2022 moest worden ingediend. België, Frankrijk en Spanje hadden hun geactualiseerde risicoparaatheidsplan tegen 5 januari 2026 moeten indienen, maar hebben dat niet gedaan. De Commissie vraagt België, Frankrijk en Spanje nu om zonder verdere vertraging de verordening na te komen. België had al geen kennis gegeven van het vorige gewijzigde risicoparaatheidsplan. Evenmin had het zijn ontwerp van risicoparaatheidsplan ingediend voor raadpleging; daarvoor kreeg het in maart 2026 een aanmaningsbrief gestuurd. Deze lidstaten hebben twee maanden de tijd om op de aanmaningsbrief te antwoorden. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Roemenië doeltreffende naleving EU-regels inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering te waarborgen
De Europese Commissie heeft besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Roemenië (INFR(2025)2074) wegens het niet waarborgen van een doeltreffende naleving van de EU-regels inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering. Lidstaten zijn verantwoordelijk voor een doeltreffend toezicht op hun markten en moeten ervoor zorgen dat alleen producten die aan alle toepasselijke regels voldoen, op de markt komen. In de praktijk betekent dit dat wordt gecontroleerd of producten voldoen aan de eisen inzake minimaal energieverbruik conform de verordeningen ecologisch ontwerp en dat ze een correct energie-etiket hebben dat consumenten de informatie biedt die ze nodig hebben voor hun aankoopbeslissingen. Volgens de Commissie is Roemenië zijn verplichtingen uit hoofde van de verordening markttoezicht (Verordening (EU) 2019/1020) niet volledig nagekomen om doeltreffend markttoezicht te waarborgen wat betreft de EU-regels inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering. Daarom heeft zij Roemenië in juli 2025 een aanmaningsbrief gestuurd. Ook al hebben de Roemeense autoriteiten toegezegd om nieuwe wetgeving aan te nemen om autoriteiten voor markttoezicht aan te wijzen, is dit nog niet gebeurd. Daarom heeft de Commissie nu besloten een aanvullende aanmaningsbrief te sturen om de wettelijke vereisten van dit specifieke aspect van de zaak te verduidelijken. Roemenië heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Met redenen omklede adviezen
Commissie dringt bij Griekenland, Spanje, Italië en Malta aan om EU-regels inzake energie-efficiëntie volledig om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag een met redenen omkleed advies gestuurd aan Griekenland (INFR(2025)0315), Spanje (INFR(2025)0319), Italië (INFR(2025)0334) en Malta (INFR(2025)0345) omdat ze de bepalingen van de herschikte richtlijn energie-efficiëntie (Richtlijn (EU) 2023/1791) niet volledig hebben omgezet. De herziene richtlijn werd in 2023 vastgesteld en vervangt de vorige richtlijn, Richtlijn 2012/27/EU. Lidstaten moesten tegen uiterlijk 11 oktober 2025 kennisgeven van de omzettingsmaatregelen, afgezien van een aantal specifieke bepalingen waarvoor specifieke termijnen golden. De herschikte richtlijn voert ambitieuzere maatregelen in voor energie-efficiëntie, die het totale energieverbruik in de EU moeten helpen te verminderen – en zullen zo helpen de EU-klimaatambities te verwezenlijken en de energiezekerheid en de betaalbaarheid van energie verbeteren. De herziene richtlijn bevat streefcijfers voor energieverbruik en energiebesparingen, met bijzondere aandacht voor maatregelen om energiearmoede terug te dringen, alsook streefcijfers voor het verbruik van overheidsinstanties en de renovatie van gebouwen die eigendom zijn van overheidsinstanties. Ook heeft de richtlijn het beginsel “energie-efficiëntie eerst” geïntroduceerd, dat als grondbeginsel moet dienen voor het EU-energiebeleid en erop neerkomt dat de EU-landen bij alle beleidsbeslissingen en bij belangrijke investeringen, al dan niet in de energiesector, rekening moeten houden met energie-efficiëntie. In november 2025 heeft de Commissie 26 EU-landen een aanmaningsbrief gestuurd omdat ze de richtlijn niet volledig in nationaal recht hadden omgezet. Na onderzoek van de omzettingsmaatregelen en de toelichting die Griekenland, Spanje, Italië en Malta hadden gegeven, was de conclusie van de Commissie dat deze lidstaten de richtlijn nog niet volledig hadden omgezet. Daarom heeft de Commissie besloten een met redenen omkleed advies uit te brengen, waarin zij aangeeft welke specifieke bepalingen als niet omgezet worden beschouwd. De vier betrokken lidstaten hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de omzetting af te ronden. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Commissie dringt bij Kroatië aan om versterkte regels ter bevordering van hernieuwbare energie om te zetten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Kroatië (INFR(2025)0222) omdat het land de bepalingen van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (Richtlijn (EU) 2023/2413) die tegen de tweede omzettingsdatum in nationaal recht hadden moeten zijn omgezet, niet volledig heeft omgezet. De richtlijn werd in 2023 vastgesteld en de lidstaten moest tegen 21 mei 2025 kennisgeven van de omzetting, afgezien van een aantal bepalingen met betrekking tot vergunningverlening, die al tegen 1 juli 2024 moesten worden gemeld. De nieuwe regels moeten de uitrol van hernieuwbare energie in alle sectoren van de economie versnellen – dus niet alleen in de energiesector, maar ook en vooral in sectoren waar de vooruitgang moeilijker is, zoals verwarming en koeling, gebouwen, vervoer en industrie. Daar zijn ook nieuwe of aangescherpte streefdoelen vastgesteld. De regels bevatten horizontale en dwarsdoorsnijdende maatregelen om het gebruik van hernieuwbare energie te bevorderen, zoals aangescherpte oorsprongsgaranties, eenvoudigere integratie van energiesystemen door elektrificatie en hernieuwbare waterstof te bevorderen, en waarborgen voor een duurzamere productie van bio-energie. De uitvoering van de wetgeving is van cruciaal belang om de uitrol van eigen schone energie te versnellen, de broeikasgasemissies in de energiesector – die momenteel goed is voor meer dan 75% van de totale broeikasgasemissies in de EU – verder terug te dringen en de energiezekerheid te versterken. Dit zal ook helpen om de energieprijzen te doen dalen en zal het concurrentievermogen van de EU-economie vergroten. In juli 2025 heeft de Commissie 26 lidstaten een aanmaningsbrief gestuurd omdat ze de richtlijn niet volledig in nationaal recht hadden omgezet. Na onderzoek van de omzettingsmaatregelen en de toelichting die Kroatië had gegeven, was de conclusie van de Commissie dat Kroatië de richtlijn nog niet volledig had omgezet. Daarom heeft de Commissie besloten een met redenen omkleed advies aan Kroatië uit te brengen, waarin zij aangeeft welke specifieke bepalingen als niet omgezet worden beschouwd. Kroatië heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Commissie verzoekt Polen en Roemenië EU-regels inzake veiligheid offshore olie- en gasactiviteiten volledig na te leven
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Polen (INFR (2021)2151) en Roemenië (INFR(2021)2150) met het verzoek aan beide lidstaten om de EU-regels inzake de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten (Richtlijn 2013/30/EU) volledig na te leven. Deze richtlijn moet de kans op zware ongevallen bij offshore olie- en gasactiviteiten verkleinen en de gevolgen ervan voor het menselijke leven, het mariene milieu en kusteconomieën beperken. Volgens de Commissie voldoen Polen en Roemenië niet volledig aan een aantal van hun verplichtingen uit hoofde van de EU-regels om ongevallen op offshore-installaties voor gas- en olieactiviteiten te voorkomen en daarop te reageren. Gezien de energievraag in de EU helpen deze offshoreactiviteiten voor energievoorzieningszekerheid te zorgen. EU-regels inzake offshoreveiligheid zijn belangrijk omdat een ongeval in een land ook milieu- en economische schade in buurlanden kan veroorzaken. Na aanmaningsbrieven in september 2021 hebben deze lidstaten nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten Polen en Roemenië voor het EU-Hof van Justitie te brengen.
Commissie verzoekt lidstaten hun ontwerpen van nationale plannen voor renovatie gebouwen in te dienen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan België (INFR(2026)2014), Tsjechië (INFR(2026)2016), Ierland (INFR(2026)2023), Italië (INFR(2026)2024), Luxemburg (INFR(2026)2025), Hongarije (INFR(2026)2027), Malta (INFR(2026)2029), Polen (INFR(2026)2029) en Slowakije (INFR(2026)2032) omdat ze nog steeds hun ontwerp van nationaal plan voor de renovatie van gebouwen (NBRP) bij de Commissie niet hebben ingediend, terwijl de termijn daarvoor 31 december 2025 was. Deze plannen worden verplicht door de richtlijn energieprestatie gebouwen. In maart 2026 waren aanmaningsbrieven gezonden omdat deze negen lidstaten hun ontwerp-NBRP niet tegen 31 december 2025 bij de Commissie hadden ingediend. Ze hebben hun ontwerp-NBRP echter nog steeds niet ingediend. De NBRP's zijn een essentieel strategisch instrument voor de lidstaten om hun gebouwenbestanden tegen 2050 om te vormen tot goed presterende, energie-efficiënte en koolstofvrije activa. Door voorspelbare renovatiepijplijnen en duidelijke langetermijntrajecten te creëren, zullen deze plannen de volledige uitvoering van de herschikte Richtlijn (EU) 2024/1275 betreffende de energieprestatie van gebouwen ondersteunen en de nodige stabiliteit en voorspelbaarheid voor investeringen bieden. Deze plannen zijn van essentieel belang om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren en dragen zo bij aan energieonafhankelijkheid, concurrentievermogen, betaalbaar wonen, lagere energierekeningen en betere leefomstandigheden. Tijdige indiening van deze ontwerpplannen is van cruciaal belang voor het aanjagen van onze collectieve inspanningen om gebouwen koolstofvrij te maken. De Commissie vraagt de betrokken lidstaten nu om hun ontwerpplannen zonder verder uitstel in te dienen. Deze lidstaten hebben nu twee maanden de tijd om te reageren op de met redenen omklede adviezen en hun ontwerp-NBRP's in te dienen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Commissie verzoekt Oostenrijk en Roemenië informatie in te dienen die in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatverslagen ontbreekt
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Oostenrijk (INFR(2026)2034) en Roemenië (INFR(2026)2033) omdat ze in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen (NECPR's) nog steeds niet alle vereiste informatie hebben ingediend. Die informatie had tegen 15 maart 2025 ingediend moeten zijn. Op grond van artikel 17 van de verordening inzake de governance van de energie-unie en klimaatactie (Verordening (EU) 2018/1999) moeten lidstaten om de twee jaar via de NECPR's aan de Commissie verslag uitbrengen over de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen (NECP's). Uiterlijk op 15 maart 2025 moesten lidstaten verslag uitbrengen over hun vooruitgang bij de uitvoering van hun NECP's over de periode 2021-2030, en met name over hun doelstellingen, streefdoelen en bijdragen met betrekking tot de vijf dimensies van de energie-unie (decarbonisatie, energie-efficiëntie, interne energiemarkt, energievoorzieningszekerheid, onderzoek en innovatie, en concurrentievermogen). Wat er precies in deze verslagen moet staan, is vastgelegd in diverse artikelen van Verordening (EU) 2018/1999 en sectorale richtlijnen. De indiening van de NECPR's geldt als volledig wanneer alle vereiste informatie is verschaft via het speciale e-platform. De NECPR's zijn van cruciaal belang omdat ze laten zien hoe de regeringen van de lidstaten hun energie- en klimaatdoelstellingen, zoals geformuleerd in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, waarmaken. Ze zorgen voor transparantie en een betere verantwoordingsplicht door deze informatie openbaar te maken en vergelijkbaar te maken tussen de lidstaten. Bovendien zijn ze voor de Commissie van essentieel belang om de vooruitgang van de Unie bij de verwezenlijking van haar gemeenschappelijke streefdoelen te volgen. Oostenrijk en Roemenië hebben zich niet aan deze verplichting gehouden en hebben, zelfs na de aanmaningsbrieven die in maart 2026 zijn verstuurd, nog steeds niet alle vereiste informatie ingediend. Daarom heeft de Commissie nu besloten een met redenen omkleed advies aan deze beide lidstaten te richten. Deze lidstaten hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Anders kan de Commissie besluiten de zaken aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Verwijzingen naar het Hof van Justitie
Commissie besluit Hongarije voor EU-Hof van Justitie te brengen om naleving regels arbitrage tussen investeerders en staten binnen EU te verzekeren
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Hongarije (INFR(2025)2204) voor het EU-Hof van Justitie te brengen omdat het land schendingen van het verbod op arbitrage tussen investeerders en staten binnen de EU niet voorkomt, zoals vereist door de rechtspraak van het EU-Hof van Justitie. In zijn arrest in zaak C-741/19 (“Komstroy”) oordeelde het Hof van Justitie dat de artikelen 267 en 344 VWEU verhinderen dat een investeerder uit een lidstaat op grond van een internationale overeenkomst, zoals artikel 26 van het Verdrag over het Energiehandvest, een geschil over investeringen in een andere lidstaat bij een door die lidstaat als bevoegd aanvaard scheidsgerecht aanhangig mag maken. Hongarije heeft namelijk staatsbedrijven toegestaan om verplichtingen op grond van EU-recht te omzeilen, onder meer wat betreft arbitrage tussen investeerders en staten. MOL heeft inbreuk gemaakt op het verbod op arbitrage tussen investeerders en staten in de EU door een rechter van een derde land te verzoeken een in zijn voordeel gewezen arbitraal vonnis in een geschil tussen investeerders en staten op grond van artikel 26 van het Verdrag over het Energiehandvest te erkennen en ten uitvoer te leggen. De Commissie heeft Hongarije in december 2025 een aanmaningsbrief gestuurd en in april 2026 een met redenen omkleed advies. Aangezien de Commissie van mening is dat Hongarije in strijd met EU-regels handelt, heeft zij besloten de zaken voor te leggen aan het EU-Hof van Justitie. Zie voor meer informatie het persbericht.
Commissie besluit Bulgarije voor EU-Hof van Justitie te brengen wegens onvolledige omzetting richtlijn gemeenschappelijke regels interne markt elektriciteitsmarkt
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Bulgarije (INFR (2021)0015) voor het EU-Hof van Justitie te brengen omdat het land Richtlijn (EU) 2019/944 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU, niet volledig heeft omgezet. Richtlijn (EU) 2019/944 bevat belangrijke regels met betrekking tot de organisatie en het functioneren van de elektriciteitssector in de EU, om zo een geïntegreerde, concurrerende, consumentgerichte, flexibele, eerlijke en transparante elektriciteitsmarkten in de hele EU tot stand te brengen. De richtlijn zet ook in op hoge niveaus van consumentenbeschermingen en biedt alle consumenten de mogelijkheid actief in de energiemarkt te participeren. De uiterste termijn voor lidstaten om de richtlijn in hun nationale wetgeving om te zetten, was 31 december 2020. In februari 2021 heeft de Commissie Bulgarije een aanmaningsbrief gestuurd. Nadien heeft zij Bulgarije in april 2023 een met redenen omkleed advies gestuurd, omdat zij tot de bevinding was gekomen dat niet alle bepalingen van de richtlijn in nationaal recht waren omgezet. Na analyse van de antwoorden van Bulgarije en van de meegedeelde nationale omzettingsmaatregelen is de Commissie van oordeel dat Bulgarije de richtlijn nog steeds niet volledig heeft omgezet. Dit besluit maakt deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen van de eengemaakte markt op elf aandachtsgebieden weg te werken, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels” (COM(2026) 380 final, bijlage II). Daarom heeft de Commissie besloten deze zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen. Zie voor meer informatie het persbericht.
6. Belastingen
(meer informatie: Louise Bogey – tel. +32 229-69776; Thérèse Lerebours – tel. +32 229-63303)
(meer informatie over douane: Olof Gill – tel. +32 229-65966; Paula Clara Ritter-Moschütz – tel.: +32 229-64083)
Aanmaningsbrieven
Commissie verzoekt Duitsland, Estland, Letland, Litouwen en Hongarije doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties in te voeren voor overtredingen regels uit richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied
De Europese Commissie heeft besloten inbreukprocedures in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Duitsland (INFR(2026)2156), Estland (INFR(2026)2157), Letland (INFR(2026)2160), Litouwen (INFR(2026)2159) en Hongarije (INFR(2026)2158) omdat ze geen regels inzake doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties hebben vastgesteld voor overtredingen van de regels uit de richtlijn betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (DAC) (Richtlijn 2011/16/EU van de Raad). De sancties in de Duitse, Estse, Letse, Litouwse en Hongaarse wetgeving zijn duidelijk veel te laag om afschrikkend te werken tegen niet-naleving door multinationals of individuen in verband met agressieve fiscale planning via grensoverschrijdende fiscale constructies. Bovendien bieden de sanctiekaders vaak niet de mogelijkheid om afdoende rekening te houden met de ernst, omvang of recidive van de overtredingen van DAC-regels, de economische capaciteit van de overtreder, of de economische prikkels die voor belastingplichtigen aan niet-nakoming verbonden zijn. Al met al dreigen deze tekortkomingen de kwaliteit, volledigheid en betrouwbaarheid aan te tasten van de via DAC verkregen informatie voor uitwisseling tussen belastingdiensten. Ondoeltreffende sanctiekaders verzwakken de administratieve samenwerking op belastinggebied binnen de Unie. Met haar handhavend optreden geeft de Commissie gevolg aan de oproepen van de Europese Rekenkamer (ERK) in haar speciale verslagen 03/2021 (over de uitwisseling van fiscale inlichtingen in de EU) en 27/2024 (over de bestrijding van schadelijke belastingregelingen en de ontwijking van vennootschapsbelasting). In die verslagen werd de noodzaak beklemtoond van effectieve compliancemechanismen in alle lidstaten. Daarom stuurt de Commissie een aanmaningsbrief aan Duitsland, Estland, Letland, Litouwen en Hongarije. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Hongarije einde te maken aan fiscale discriminatie van rente-inkomsten uit EU- en EER-overheidsobligaties
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Hongarije (INFR(2026)2155) omdat het land zijn wetgeving over de fiscale behandeling van inkomsten uit overheidsobligaties niet in overeenstemming heeft gebracht met wetgeving inzake het vrije verkeer van kapitaal (artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-overeenkomst). Volgens Hongaarse belastingwetgeving zijn rente-inkomsten uit overheidsobligaties die door de Hongaarse Staat worden uitgegeven en waarvan de doelmarkt die van retailbeleggers is, fiscaal vrijgesteld. Hetzelfde soort inkomen valt ook niet onder de socialebijdragenbelasting. Daarentegen is de normale belastingheffing van toepassing op inkomsten uit obligaties uitgegeven of gegarandeerd door andere EU-lidstaten en EER-landen. Dit verschil in fiscale behandeling ontmoedigt Hongaarse ingezetenen om te investeren in obligaties die andere EU-lidstaten of EER-landen uitgeven of garanderen. Dit besluit maakt deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op de eengemaakte markt op elf aandachtsgebieden weg te werken, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels” (COM(2026) 380 final, bijlage II) en in het kader van de mededeling van 2025 “Spaar- en investeringsunie. Een strategie om in de EU de welvaart van burgers en het economische concurrentievermogen te stimuleren” (COM(2025) 124 final). Daarom stuurt de Commissie nu een aanmaningsbrief aan Hongarije. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren op de bezwaren die de Commissie heeft geformuleerd en om de gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Roemenië eind te maken aan discriminerende fiscale behandeling vermogenswinst uit overdracht effecten en andere financiële instrumenten wanneer financiële intermediair niet in Roemenië is gevestigd
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Roemenië (INFR(2026)2173) omdat het land zijn wetgeving over de fiscale behandeling van vermogenswinst uit effecten en andere financiële instrumenten niet in overeenstemming heeft gebracht met de regels inzake vrijheid van dienstverrichting (artikel 56 VWEU en artikel 36 van de EER-overeenkomst). Volgens Roemeense wetgeving gelden voor vermogenswinst uit de overdracht van effecten en andere financiële instrumenten waarbij de intermediair die de transactie verwerkt, niet in Roemenië is gevestigd, hogere belastingtarieven dan voor intermediairs die wel in Roemenië zijn gevestigd. Deze voorwaarden maken bewaarnemings- en administratiediensten van financiële intermediairs uit andere EU-lidstaten of EER-landen zonder vaste inrichting in Roemenië, minder aantrekkelijk en werken ontradend voor beleggers die op dit soort financiële intermediairs een beroep doen. Dit besluit maakt deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op de eengemaakte markt op elf aandachtsgebieden weg te werken, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels” (COM(2026) 380 final, bijlage II) en in de mededeling van 2025 “Spaar- en investeringsunie. Een strategie om in de EU de welvaart van burgers en het economische concurrentievermogen te stimuleren” (COM(2025) 124 final). Daarom stuurt de Commissie Roemenië nu een aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Italië eind te maken aan discriminerende fiscale behandeling rente- en andere inkomsten uit Italiaanse obligaties voor bepaalde niet-ingezeten beleggers
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Italië (INFR(2026)4015) omdat het land zijn wetgeving over de fiscale behandeling van rente en andere inkomsten uit Italiaanse obligaties niet in overeenstemming heeft gebracht met de regels inzake vrijheid van dienstverrichting (artikel 56 VWEU en artikel 36 van de EER-overeenkomst). Volgens Italiaanse wetgeving zijn rente en andere inkomsten uit Italiaanse bedrijfs- en overheidsobligaties in de regel aan bronbelasting onderworpen. Bepaalde niet-ingezeten beleggers kunnen aanspraak maken op een belastingvrijstelling. Dit is alleen het geval wanneer de obligaties zijn gedeponeerd bij een Italiaanse ingezeten financiële intermediair, de Italiaanse vaste inrichting van een niet-ingezeten intermediair of, in sommige gevallen, een niet-ingezeten intermediair die een Italiaanse fiscale vertegenwoordiger heeft aangewezen. Deze voorwaarden maken bewaarnemings- en administratiediensten van financiële intermediairs uit andere EU-lidstaten of EER-landen zonder vaste inrichting in Italië, minder aantrekkelijk dan gelijkwaardige diensten van Italiaanse financiële intermediairs en werken ontradend voor niet-ingezeten beleggers die op dit soort financiële intermediairs een beroep doen. Dit besluit maakt deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op de eengemaakte markt op elf aandachtsgebieden weg te werken, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels” (COM(2026) 380 final, bijlage II) en in de mededeling van 2025 “Spaar- en investeringsunie. Een strategie om in de EU de welvaart van burgers en het economische concurrentievermogen te stimuleren” (COM(2025) 124 final). Daarom stuurt de Commissie Italië nu een aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Ierland eind te maken aan fiscale discriminatie van vermogenswinst uit EU- en EER-overheidsobligaties
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Ierland (INFR(2026)4016) omdat het land zijn wetgeving over de fiscale behandeling van vermogenswinst uit de vervreemding van overheidsobligaties niet in overeenstemming heeft gebracht met de regels inzake het vrije verkeer van kapitaal (artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-overeenkomst). Volgens Ierse wetgeving is vermogenswinst uit de vervreemding van door de Ierse overheid en bepaalde Ierse overheidsentiteiten uitgegeven of gegarandeerde obligaties vrijgesteld van vermogenswinstbelasting. Daarentegen is het normale belastingtarief van 33% van toepassing op vermogenswinst uit de vervreemding van obligaties die andere EU-lidstaten en EER-landen uitgeven of garanderen. Dit verschil in fiscale behandeling ontmoedigt Ierse ingezetenen om te investeren in obligaties die andere EU-lidstaten en EER-landen uitgeven of garanderen. Dit besluit maakt deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op de eengemaakte markt op elf aandachtsgebieden weg te werken, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels” (COM(2026) 380 final, bijlage II) en in het kader van de mededeling van 2025 “Spaar- en investeringsunie. Een strategie om in de EU de welvaart van burgers en het economische concurrentievermogen te stimuleren” (COM(2025) 124 final). Daarom stuurt de Commissie nu een aanmaningsbrief aan Ierland. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren op de bezwaren die de Commissie heeft geformuleerd en om de gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt Duitsland btw-vrijstelling voor diensten voor kredietbeheer en kredietgarantiebeheer correct om te zetten en toe te passen
De Europese Commissie heeft besloten een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan Duitsland (INFR(2026)4020) omdat het land de btw-vrijstelling van artikel 135, lid 1, punten b) en c), van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de btw-richtlijn) niet correct heeft omgezet en toegepast. Volgens die bepalingen moeten lidstaten onder meer het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend en het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend, van btw vrijstellen. De Commissie is van oordeel dat de betrokken bepalingen van de Duitse btw-wetgeving deze diensten niet bestrijken en dat daardoor bepaalde diensten, en met name die van syndicaatsleiders bij open syndicaatsleningen, btw-plichtig zijn – in strijd met EU-wetgeving. Daarom stuurt de Commissie Duitsland een aanmaningsbrief. Het land heeft twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie aan de orde gestelde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Commissie verzoekt België, Griekenland, Frankrijk, Hongarije, Nederland, Polen en Portugal alle functionaliteiten systeem voor gecentraliseerde inklaring (CCI) uit te rollen
De Europese Commissie heeft besloten inbreukprocedures in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan België (INFR(2026)2167), Griekenland (INFR(2026)2162), Frankrijk (INFR(2026)2165), Hongarije (INFR(2026)2164), Nederland (INFR(2026)2161), Polen (INFR(2026)2168) en Portugal (INFR(2026)2163) omdat ze niet voldoen aan hun verplichtingen om het systeem voor gecentraliseerde inklaring (CCI) uit te rollen. Lidstaten moesten het CCI-systeem in twee fasen uitrollen (fase I met o.a. gecentraliseerde vrijmaking met standaard douaneaangiften en fase II voor de implementatie van alle overige functionaliteiten) uitrollen tegen 1 juli 2024 en 2 juni 2025, overeenkomstig het EU-douanewetboek (DWU) (Verordening (EU) nr. 952/2013) en het DWU-werkprogramma (Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2879 van de Commissie). De implementatie van het CCI door alle lidstaten is van vitaal belang voor de douane in EU en is van kritiek belang om de doelstellingen van de douanehervorming waar te maken. Hiermee worden de 27 versnipperede nationale douanediensten omgevormd tot één samenhangend geheel, waardoor bedrijven met een vergunning douaneaangiften kunnen indienen in hun lidstaat van herkomst, ongeacht waar de goederen fysiek de EU-grens overschrijden. Het systeem zorgt voor een naadloze elektronische uitwisseling van informatie tussen de betrokken douanekantoren, zodat de administratieve lasten voor de nationale douanediensten bij de verwerking van de douaneaangifte voor invoer worden verlicht. Bovendien stelt CCI de markt open, vermindert het de administratieve rompslomp en kosten voor marktdeelnemers en kunnen mkb-bedrijven er zelfs gemakkelijker door opschalen. Lidstaten die de CCI niet implementeren, brengen deze doelstellingen in gevaar. Daarom stuurt de Commissie een aanmaningsbrief aan België, Griekenland, Frankrijk, Hongarije, Nederland, Polen en Portugal. Die landen hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt Tsjechië implementatie regels voor informatie-uitwisseling inzake administratieve samenwerking op belastinggebied te voltooien
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Tsjechië (INFR(2026)0038) omdat het land Richtlijn (EU) 2025/872 tot wijziging van de richtlijn betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (Richtlijn 2011/16/EU) niet volledig heeft omgezet. Die richtlijn verplicht de lidstaten de verzameling van de aangiften met informatie betreffende de bijheffing te standaardiseren en de informatie in die aangifte automatisch uit te wisselen. De aangifte met informatie betreffende de bijheffing maakt deel uit van de aangifteverplichtingen uit Richtlijn (EU) 2022/2523 (pijler 2-richtlijn) tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie. Tsjechië heeft tot dusver niet alle nationale omzettingsmaatregelen vastgesteld of meegedeeld, terwijl belastingautoriteiten in de hele EU vanaf juni 2026 zouden moeten kunnen beginnen met de uitwisseling van informatie over multinationale ondernemingen die onder de pijler 2-richtlijn vallen. In januari 2026 heeft de Commissie de lidstaten aanmaningsbrieven gestuurd omdat ze de regels van de richtlijn niet volledig hadden geïmplementeerd. Daarom heeft de Commissie besloten Tsjechië een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
Commissie verzoekt Griekenland, Frankrijk en Portugal elektronische douanesystemen volledig uit te rollen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Griekenland (INFR(2025)2019) omdat het land het nationale invoersysteem (NIS) niet heeft uitgerold, alsmede een met redenen omkleed advies aan Frankrijk (INFR(2025)2060) en een aanmaningsbrief aan Portugal (INFR(2026)2134) wegens niet-nakoming van hun verplichtingen om het geautomatiseerde uitvoersysteem (AES) uit te rollen. Lidstaten hadden het AES en NIS tegen 31 december 2023 moeten bouwen en operationeel maken, onder meer door de systemen van de betrokken marktdeelnemers volledig te migreren, overeenkomstig het EU-douanewetboek (DWU) (Verordening (EU) nr. 952/2013) en het DWU-werkprogramma (Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2879 van de Commissie). Het AES moet de uitvoering van de uitvoerprocedures en de exitformaliteiten op gemeenschappelijke, nationale en externe gebieden automatiseren. Het NIS zorgt ervoor dat de betrokken fiscale en niet-fiscale maatregelen worden toegepast op goederen die in de EU worden ingevoerd. Doordat het NIS gekoppeld is aan verschillende andere nationale toepassingen, speelt het een centrale rol bij het waarborgen van onder meer de doeltreffende inning van inkomsten en de bescherming van de financiële belangen van de EU, en bij de handhaving van EU- en nationale restricties wat betreft de invoer van goederen. Deze maatregelen moeten de EU-markt en de consumenten helpen te beschermen tegen goederen die niet aan de regels voldoen. De Commissie is van oordeel dat Griekenland, Frankrijk en Portugal hun verplichtingen niet zijn nagekomen om het betrokken elektronische douanesysteem uit te rollen. De Commissie had Griekenland en Frankrijk al een aanmaningsbrief gestuurd en stuurt Griekenland nu een met redenen omkleed advies omdat het land het NIS niet heeft uitgerold. Frankrijk krijgt een met redenen omkleed advies toegestuurd en Portugal een aanmaningsbrief wegens niet-nakoming van hun verplichtingen om het AES uit te rollen. Deze lidstaten hebben nu twee maanden tijd om te reageren en de door de Commissie geconstateerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie besluiten Frankrijk en Griekenland voor het EU-Hof van Justitie te brengen of een met redenen omkleed advies aan Portugal te richten wegens het niet uitrollen van de betrokken elektronische douanesystemen.
Verwijzing naar het Hof van Justitie
Commissie besluit Slowakije voor het Hof van Justitie te brengen wegens niet uitrollen elektronisch systeem voor tijdelijke opslag voor het luchtvervoer
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Slowakije (INFR(2025)2021) voor het EU-Hof van Justitie te brengen omdat het land het elektronische systeem voor tijdelijke opslag voor het luchtvervoer niet heeft uitgerold. Dat systeem bevat informatie over bij de douane aangebrachte niet-Uniegoederen die in tijdelijke opslag worden gehouden in afwachting dat ze onder een douaneprocedure worden geplaatst of worden wederuitgevoerd. Volgens het EU-douanewetboek (DWU) (Verordening (EU) nr. 952/2013) en de uitvoeringshandeling ervan (Verordening (EU) 2015/2447) moeten lidstaten het elektronische systeem voor tijdelijke opslag voor het luchtvervoer bouwen en operationeel maken binnen de daarvoor geldende termijn. Met dit systeem kunnen de betrokken aangiften tot tijdelijke opslag van goederen die via de lucht aankomen, elektronisch worden ingediend. Een en ander draagt bij aan een veiligere en beter gereguleerde interne markt doordat douaneautoriteiten goederen beter kunnen monitoren – vanaf hun binnenkomst in de EU totdat ze onder een douaneprocedure worden geplaatst of worden wederuitgevoerd. Een en ander helpt ervoor te zorgen dat ingevoerde goederen voldoen aan toepasselijke EU- en nationale eisen. De Commissie is van mening dat Slowakije zijn verplichtingen om het elektronische systeem voor tijdelijke opslag voor het luchtvervoer uit te rollen, niet is nagekomen. De Commissie heeft Slowakije op 7 mei 2025 een aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een met redenen omkleed advies op 11 december 2025. Aangezien Slowakije de betrokken verplichtingen niet is nagekomen, brengt de Commissie de zaak nu voor het Hof van Justitie. Het optreden van de Commissie moet ervoor zorgen dat de volgens het DWU verplichte elektronische douanesystemen tijdig worden uitgerold. Deze systemen zijn immers van essentieel belang voor het daadwerkelijke toezicht op goederen die de EU binnenkomen en voor het correcte functioneren van de EU-douane-unie. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de Slowaakse autoriteiten tot nu toe ontoereikend zijn en brengt Slowakije daarom voor het EU-Hof van Justitie. Zie voor meer informatie het persbericht.
7. Mobiliteit en vervoer
(meer informatie: Anna-Kaisa Itkonen – tel. +32 229-57501; Annie Juusola – tel. +32 229-60986)
Met redenen omklede adviezen
Commissie verzoekt Tsjechië regels over vervoer gevaarlijke goederen bij te werken
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Tsjechië(INFR(2025)0208) wegens het niet volledig omzetten van de richtlijn vervoer van gevaarlijke goederen over land (Richtlijn 2008/68/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2025/149) in nationale wetgeving. De gewijzigde richtlijn brengt een eengemaakt, gemeenschappelijk juridisch kader tot stand voor het veilige, betrouwbare en geharmoniseerde vervoer van gevaarlijke goederen tussen EU-lidstaten over de weg, per spoor en via de binnenwateren. Zij creëert één regeling die internationale veiligheidsnormen toepast op grensoverschrijdende vervoer, maar ook op nationaal vervoer binnen individuele EU-landen. De gewijzigde richtlijn integreert in EU-wetgeving ook wijzigingen van internationale overeenkomsten over het vervoer van gevaarlijke goederen, die in de periode tussen 2022 en 2024 zijn doorgevoerd. De uiterste termijn voor de lidstaten om de gewijzigde richtlijn in hun nationale wetgeving om te zetten, was 30 juni 2025. Tsjechië heeft niet alle noodzakelijke maatregelen genomen om de richtlijn volledig in zijn nationale recht om te zetten en heeft de Commissie niet in kennis gesteld van dergelijke maatregelen. De Commissie heeft Tsjechië in juli 2025 een aanmaningsbrief gestuurd. In zijn antwoord van september 2025 zegde Tsjechië toe zijn nationale wetgeving te zullen wijzigen om volledige naleving van de richtlijn te waarborgen. Tot dusver is deze herziening echter nog niet afgerond. Daarom heeft de Commissie besloten Tsjechië een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Commissie verzoekt Portugal verplichtingen uit hoofde van EU-wetgeving inzake maritieme beveiliging na te komen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Portugal (INFR (2025) 2166) wegens niet-nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de EU-wetgeving inzake maritieme beveiliging, nl. Verordening (EG) nr. 725/2004, Richtlijn 2005/65/EG en Verordening (EG) nr. 324/2008. Dit rechtskader omvat veiligheidseisen voor schepen, havenfaciliteiten en havens en bevat procedures voor maritieme veiligheidsinspecties. Deze maatregelen zijn belangrijk om havens beter te beveiligen tegen dreigingen van opzettelijke onrechtmatige handelingen en om de veerkracht van kritieke infrastructuur van de EU te verhogen. De Commissie kwam tot de bevinding dat Portugal niet alle administratieve en controletaken uitvoert die nodig om de EU-wetgeving inzake maritieme beveiliging daadwerkelijk uit te voeren. Het met redenen omklede advies van vandaag volgt op een aanmaningsbrief die de Commissie in november 2025 heeft verzonden. Portugal heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie de zaak voor het EU-Hof van Justitie brengen.
Commissie verzoekt Spanje, Frankrijk en Italië te voldoen aan EU-regels inzake havendiensten
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Spanje (INFR(2025)4021), Frankrijk (INFR(2025)2180) en Italië (INFR(2025)2181) omdat ze hun verplichtingen uit hoofde van artikel 4, leden 3 en 4, van de verordening havendiensten (Verordening 2017/352/EU) en artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet zijn nagekomen. Die bepalingen laten lidstaten toe een vlagvereiste op te leggen aan vaartuigen die sleep- of meeractiviteiten verrichten in havens op hun grondgebied. Een en ander is wel afhankelijk van strikte voorwaarden als transparantie, non-discriminatie en evenredigheid, en voor zover dit nodig is om naleving van hun sociale en arbeidswetgeving te verzekeren, met inbegrip van arbeidsinspecties. Spanje, Frankrijk en Italië hebben vaartuigen die in hun havens voor sleep- of meeractiviteiten worden ingezet, verplicht hun respectieve nationale vlag te voeren, om zeker te zijn dat hun nationale sociale wetgeving wordt toegepast. Zoals de Commissie in het met redenen omklede advies echter heeft uitgelegd, geeft de verordening havendiensten geeft EU-landen namelijk nu al de bevoegdheid om die nationale sociale en arbeidswetgeving af te dwingen, ongeacht de vlag van het vaartuig dat wordt geïnspecteerd. Mochten lidstaten toch besluiten om een vlagvereiste op te leggen, dan moet dit worden gedefinieerd als een vlag van een EU-lidstaat – niet als een nationale vlag van een bepaalde lidstaat. Een verplichting om de nationale vlag te voeren, zoals geformuleerd door Spanje, Frankrijk en Italië, is dus niet in overeenstemming met de EU-verplichtingen uit hoofde van artikel 4, leden 3 en 4, van de verordening havendiensten en de vrijheid van vestiging van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. In januari 2026 heeft de Commissie deze drie lidstaten een aanmaningsbrief gestuurd omdat ze hun verplichtingen uit hoofde van deze wetgeving niet waren nagekomen. De Commissie tekent aan dat Spanje, Frankrijk en Italië deze verplichtingen nog steeds niet zijn nagekomen. Daarom stuurt de Commissie deze drie lidstaten een met redenen omkleed advies. Ze hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Verwijzing naar het Hof van Justitie
Commissie besluit Bulgarije voor EU-Hof van Justitie te brengen wegens niet-omzetting EU-regels voor huurvoertuigen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten Bulgarije (INFR (2023)0192) voor het EU-Hof van Justitie te brengen omdat het land bijna alle maatregelen uit de richtlijn huurvoertuigen (Richtlijn (EU) 2022/738) niet in nationale wetgeving heeft omgezet. Deze richtlijn legt minimumnormen vast voor het gebruik van huurvoertuigen zonder bestuurders in het goederenvervoer. De gemeenschappelijke normen kunnen de kosten verlagen en bedrijven in het wegvervoer meer flexibiliteit bieden. De lidstaten hadden tot 6 augustus 2023 de tijd om de richtlijn in nationaal recht om te zetten en aan de bepalingen ervan te voldoen. Aangezien Bulgarije de richtlijn tegen die datum niet had omgezet, heeft de Commissie Bulgarije in september 2023 een aanmaningsbrief gestuurd en in december 2024 een met redenen omkleed advies. Sindsdien heeft Bulgarije kennisgegeven van een aantal nationale omzettingsmaatregelen. Toch concludeerden de diensten van de Commissie dat slechts één bepaling van de richtlijn – die betreffende het bewijs dat aan voorwaarden is voldaan – is omgezet. De Commissie is van mening dat de inspanningen van de Bulgaarse autoriteiten tot nu toe ontoereikend zijn, en brengt Bulgarije daarom voor het EU-Hof van Justitie. Zie voor meer informatie het persbericht.
8. Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaalmarktenunie
(meer informatie: Siobhan McGarry – tel. +32 229-64798; Saul Louis Goulding – tel. +32 229-64735)
Aanmaningsbrieven
Commissie verzoekt Italië en Slovenië eind te maken aan discriminerend vereiste voor portefeuille-allocatie voor fiscaal gestimuleerde spaar- en beleggingsrekeningen
De Europese Commissie heeft een inbreukprocedure ingeleid door een aanmaningsbrief te sturen aan Italië (INFR(2026)2170) en Slovenië (INFR(2026)2169) wegens niet-nakoming van artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Commissie is van oordeel dat een aantal bepalingen uit de Italiaanse wet betreffende het individuele plan voor langetermijnsparen en de Sloveense wet betreffende individuele beleggingsrekeningen een ongerechtvaardigde beperking vormen van het vrije verkeer van kapitaal. Volgens de Italiaanse wetgeving moet, om aanspraak te kunnen maken op de fiscale voorkeursbehandeling, een minimumpercentage van de op dergelijke rekening gehouden portefeuille financiële instrumenten omvatten die zijn uitgegeven door ondernemingen die in Italië of de Europese Economische Ruimte ingezeten zijn, maar die een vaste inrichting in Italië hebben. Om in Slovenië voor de fiscale voorkeursbehandeling in aanmerking te komen, kunnen alleen aanvullende bijdragen aan de speciale subrekening van een individuele beleggingsrekening worden gedaan indien deze worden belegd in financiële instrumenten die zijn uitgegeven door ondernemingen met vestiging in Slovenië of door de Republiek Slovenië. Spaar- en beleggingsrekeningen kunnen, indien goed vormgegeven, een cruciale rol spelen bij het bevorderen van de doelstellingen van de spaar- en investeringsunie doordat ze kapitaalmarkten aantrekkelijker en beter toegankelijk maken voor retailbeleggers, de concurrentie tussen aanbieders vergroten en innovatie aanmoedigen. In hun huidige vorm ontmoedigen de Italiaanse en Sloveense fiscaal gestimuleerde spaar- en beleggingsrekeningen hun ingezetenen om te beleggen in ondernemingen in andere lidstaten. Daardoor krijgen zij ook minder kansen om hun beleggingen binnen de eengemaakte EU-markt te diversifiëren. Een en ander is onder meer een belemmering voor buitenlandse ondernemingen die grensoverschrijdende beleggingen vanuit, respectievelijk, Italië en Slovenië willen aantrekken – en draagt zo bij tot de compartimentering van EU-kapitaalmarkten. Daarom stuurt de Commissie Italië en Slovenië nu een aanmaningsbrief. Ze hebben nu twee maanden de tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Met redenen omklede adviezen en aanvullend met redenen omkleed advies
Commissie verzoekt Zweden EU-regels voor beheer bankencrises na te komen
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Zweden (INFR(2024)2036) wegens het niet correct omzetten van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (Richtlijn 2014/59/EU) zoals gewijzigd bij de tweede richtlijn herstel en afwikkeling van banken (Richtlijn (EU) 2019/879). De richtlijn stelt regels vast voor een ordelijk beheer van het falen van banken en beleggingsondernemingen. De bij de tweede richtlijn herstel en afwikkeling van banken (Richtlijn (EU) 2019/879) ingevoerde wijzigingen omvatten onder meer nadere regels voor de schuldbuffer die banken en beleggingsondernemingen moeten aanhouden om verliezen te kunnen absorberen en bij afwikkeling te worden geherkapitaliseerd (zogenaamde “minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva” of “MREL”). De Commissie constateerde dat diverse technische aspecten van de nationale regels die in Zweden zijn aangenomen, niet voldoen aan de gewijzigde richtlijn. De Commissie heeft Zweden in april 2024 een aanmaningsbrief gestuurd. Zweden heeft toegezegd zijn nationale wetgeving te zullen wijzigen om volledige naleving van de richtlijn te waarborgen. Met de wijzigingen die in Zweedse wetgeving zijn aangebracht, is weliswaar het merendeel van de bevindingen uit de aanmaningsbrief verholpen, maar niet alle probleempunten in die brief zijn momenteel op bevredigende wijze aangepakt. Daarbij gaat het met name om de rangorde van schuldeisers bij insolventie, het soort instrumenten volgens het recht van derde landen waarvoor een vrijstelling kan worden verleend van het vereiste om een contractuele bepaling op te nemen waarin toepassing van de bail-in-tool door EU-autoriteiten wordt erkend. Door deze regels niet na te komen, verhindert Zweden de toepassing van afwikkelingsmaatregelen die moeten helpen om banken en beleggingsondernemingen te laten falen met een zo beperkt mogelijke impact op de financiële stabiliteit en de continuïteit van hun functies te waarborgen, waarbij in hoofdzaak op de middelen van bestaande aandeelhouders en crediteuren wordt gesteund. Daarom heeft de Commissie besloten Zweden een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
Commissie verzoekt Bulgarije zijn wetgeving over verwerving landbouwgrond te wijzigen
De Europese Commissie heeft een aanvullend met redenen omkleed advies gestuurd aan Bulgarije (INFR(2015)2018) met de vraag dat het land zijn wetgeving wijzigt om deze in overeenstemming te brengen met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Volgens de Bulgaarse wet betreffende eigendom en gebruik van landbouwgrond (ZSPZZ) moeten particulieren en rechtspersonen die landbouwgrond in Bulgarije willen verwerven, meer dan vijf jaar in het land hebben gewoond of er gevestigd zijn. Deze nationale regels die in 2014 zijn ingevoerd, legden forse beperkingen op aan de verwerving van Bulgaarse landbouwgrond door niet-ingezetenen en nieuw opgerichte entiteiten. Voor de Europese Commissie vormden deze eisen een onevenredige beperking van het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging. In 2016 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht met het verzoek aan Bulgarije het probleem te verhelpen. Nadien is meermaals overleg gevoerd tussen de Commissie en Bulgarije is geweest, maar toch blijft dit probleem tot op heden bestaan. Bovendien heeft het EU-Hof van Justitie over dit thema duidelijkheid verschaft in zijn arrest van 18 januari 2024 in zaak C562/22, JD/OB. In zijn arrest oordeelde het Hof dat EU-regels inzake het vrije verkeer van kapitaal zich ertegen verzetten dat een persoon verplicht meer dan vijf jaar in een land moet wonen om landbouwgrond te kunnen kopen. Tegen deze achtergrond vult de Commissie haar bestaande standpunten over de inbreuk aan met een aanvullend met redenen omkleed advies. Met de gevraagde wetswijzigingen zal EU-burgers gemakkelijker landbouwgrond in Bulgarije kunnen verwerven. Indien Bulgarije zijn nationale wetgeving niet binnen twee maanden in overeenstemming brengt met EU-recht, kan de Commissie besluiten deze kwestie voor het EU-Hof van Justitie te brengen.
Commissie verzoekt zes lidstaten de zesde richtlijn kapitaalvereisten volledig om te zetten
De Europese Commissie heeft besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan Griekenland (INFR(2026)0169), Spanje (INFR(2026)0172), Nederland (INFR(2026)0197), Portugal (INFR(2026)0203), Roemenië (INFR(2026)0206) en Finland (INFR(2026)0174) omdat ze de zesde richtlijn kapitaalvereisten (CRD6) (Richtlijn (EU) 2024/1619) niet volledig hebben omgezet. De uiterste termijn voor de lidstaten om CRD6 in hun nationale wetgeving om te zetten, was 10 januari 2026. In maart 2026 heeft de Europese Commissie besloten een inbreukprocedure in te leiden door een aanmaningsbrief te sturen aan alle lidstaten die op dat ogenblik CRD6 niet volledig hadden omgezet. CRD6 is een belangrijke update van het prudentiële bancaire kader in de EU. Doel van deze richtlijn is het harmoniseren van de regels voor het aanbieden van bankdiensten in de EU door ondernemingen uit derde landen. Dat gebeurt door hen te onderwerpen aan een reeks minimumeisen en minimale geharmoniseerde regels voor het verrichten van diensten. Ook moet de richtlijn toezichtbevoegdheden en -instrumenten op een aantal gebieden harmoniseren, zoals uit prudentieel oogpunt relevante transacties, dwangsommen, geschiktheidstoetsingen en onafhankelijkheid van toezichthouders. Voorts wil zij de bepalingen inzake milieu-, sociale en governancerisico's (ESG-risico's) versterken door het beheer ervan beter te integreren in het prudentiële raamwerk. EU-burgers hebben hier baat bij doordat een en ander voor financiële stabiliteit zorgt, zodat banken in alle economische omstandigheden leningen en diensten aan burgers kunnen verstrekken. Momenteel hebben deze zes lidstaten nog geen omzettingsmaatregelen meegedeeld. Daarom stuurt de Commissie een met redenen omkleed advies aan de betrokken lidstaten. Ze hebben nu twee maanden de tijd om te reageren, de omzetting te voltooien en de Commissie in kennis te stellen van hun maatregelen. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie besluiten deze zaak aan het Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
9. Digitale economie
(meer informatie: Thomas Regnier – tel. +32 229-91099, Patricia Poropat – tel. +32 229-80485)
Aanvullende aanmaningsbrief
Commissie vraagt Bulgarije verordening digitale diensten na te leven en de nationale autoriteiten handhavingsbevoegdheid te verlenen
De Europese Commissie heeft besloten een aanvullende aanmaningsbrief te sturen aan Bulgarije (INFR(2024)2241) wegens niet-nakoming van de verordening digitale diensten (DSA) (Verordening (EU) 2022/2065). De Commissie had haar punten van zorg al in mei 2025 aan de orde gesteld in een met redenen omkleed advies dat zij aan Bulgarije richtte. Bulgarije komt volgens de Commissie de DSA niet volledig na. De DSA verplicht de lidstaten namelijk digitaledienstencoördinatoren aan te wijzen, d.w.z. nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de verordening binnen hun rechtsgebied. Digitaledienstencoördinatoren moet volledig operationeel zijn om de bepalingen van de DSA op het grondgebied van hun lidstaat te doen uitvoeren, zodat gebruikers de regels kunnen gebruiken en om rechtszekerheid voor bedrijven te creëren. Na de aanmaningsbrief van de Commissie en daarna het met redenen omklede advies heeft Bulgarije wetgeving aangenomen waarbij een van de autoriteiten de bevoegdheid krijgt om als digitaledienstencoördinator op te treden. De Commissie is van oordeel dat Bulgarije de verordening nog steeds niet nakomt omdat zij de Commissie bescherming persoonsgegevens en de Raad voor de elektronische media niet heeft aangewezen en de nodige bevoegdheden heeft verleend. Zo zou met deze nationale autoriteiten het nationale handhavingskader van de DSA worden voltooid. Voorts is de Commissie van oordeel dat Bulgarije de in de DSA vastgelegde bevoegdheden om sancties op te leggen verkeerd uitvoert, omdat de wet niet altijd het plafond voor geldboeten respecteert. Evenmin waarborgt de wet dat alle sancties doeltreffend, evenredig en ontradend zijn, mede gelet op de verschillende behandeling van natuurlijke personen en rechtspersonen, een onderscheid dat in de verordening niet wordt gemaakt. Bulgarije heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en te antwoorden op de door de Commissie aan de orde gestelde tekortkomingen. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een aanvullend met redenen omkleed advies uit te brengen.
10. Landbouw
(meer informatie: Louise Bogey – tel. +32 229-69776; Paula Clara Ritter-Moschütz – tel. +32 229-64083)
Met redenen omkleed advies
Commissie verzoekt België richtlijn volledig om te zetten die regels bijwerkte voor samenstelling, etikettering en presentatie van honing, vruchtensappen, vruchtenjam en gedehydrateerde melk
De Europese Commissie heeft vandaag besloten een met redenen omkleed advies te sturen aan België (INFR(2026)0014) wegens onvolledige omzetting van Richtlijn (EU) 2024/1438. Deze richtlijn wijzigde de zogenaamde “ontbijtrichtlijnen”, die gemeenschappelijke regels vastleggen voor de samenstelling, verkoopbenamingen, etikettering en presentatie van honing (Richtlijn 2001/110/EG), vruchtensappen (Richtlijn 2001/112/EG), jam of confituur, gelei, marmelade en kastanjepasta (Richtlijn 2001/113/EG) en gedehydrateerde melk (Richtlijn 2001/114/EG). Deze regels moeten het vrije verkeer van deze producten binnen de interne markt waarborgen en consumenten helpen geïnformeerde keuzes te maken. Deze richtlijn verplicht lidstaten onder meer tot het omzetten van de nieuwe regels inzake verplichte oorsprongsetikettering voor honing, extra categorieën vruchtensappen (vruchtensappen met verlaagd suikergehalte) in te voeren en toe te staan dat het etiket “vruchtensap met alleen natuurlijke suikers” vermeldt. Ook verhoogt de richtlijn het minimumgehalte aan fruit in jam (confituur), staat zij het gebruik van de term “marmelade” als synoniem van “jam (confituur)” toe en moderniseert zij de etikettering van gedehydrateerde en geëvaporeerde melk. De volledige uitvoering van de regels inzake de samenstelling en etikettering van sommige ontbijtproducten waarborgt het vrije verkeer daarvan binnen de interne markt en helpt consumenten geïnformeerde keuzes te maken. De uiterste termijn voor de lidstaten om de gewijzigde richtlijn in hun nationale wetgeving om te zetten, was 14 december 2025. België heeft niet alle noodzakelijke maatregelen genomen om voor de volledige omzetting van de richtlijn in zijn nationale recht te zorgen en heeft de Commissie niet in kennis gesteld van dergelijke maatregelen. De Commissie heeft België in januari 2026 een aanmaningsbrief gestuurd. Sindsdien heeft België kennisgegeven van diverse omzettingsmaatregelen, maar het heeft nog steeds geen maatregelen gemeld tot omzetting van artikel 3 en bijlage II bij Richtlijn 2024/1438 wat betreft voor menselijke voeding bestemde vruchtenjam of -confituur, -gelei en -marmelade en kastanjepasta. Daarom heeft de Commissie besloten België een met redenen omkleed advies te sturen. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te nemen. Anders kan de Commissie besluiten de zaak aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen.
11. Werkgelegenheid en sociale rechten
(meer informatie: Eva Hrncirova – tel. +32 229-88433; Eirini Zarkadoula – tel. +32 229-57065)
Aanvullende aanmaningsbrief
Commissie verzoekt Griekenland maatregelen goed te keuren om zijn waarschuwingsmechanisme volledig operationeel te maken overeenkomstig EU-regels
De Europese Commissie heeft besloten een aanvullende aanmaningsbrief te sturen aan Griekenland (INFR(2018)2172), met daarin meer details over de tekortkomingen die bij de implementatie van het waarschuwingsmechanisme zijn geconstateerd. Het waarschuwingsmechanisme moet andere lidstaten op de hoogte brengen van beperkingen of verboden opgelegd aan beroepsbeoefenaren en van gevallen waarin sprake is van valse diploma's. Deze uitwisseling verloopt via het informatiesysteem interne markt (IMI), het IT-instrument dat bevoegde autoriteiten gebruiken om in de EU deze informatie te melden en te raadplegen. Het Griekse waarschuwingsmechanisme is nog steeds maar gedeeltelijk operationeel, het informeert andere lidstaten niet adequaat en verdere maatregelen zijn nodig wil het in de praktijk volledig operationeel worden – en dus voldoen aan Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (Richtlijn 2005/36/EG). Na haar eerste aanmaningsbrief aan Griekenland heeft de Commissie nu verdere technische aspecten en punten van bezwaar geconstateerd die moeten worden verholpen. Daarom heeft de Commissie besloten een aanvullende aanmaningsbrief te sturen waarin zij Griekenland oproept om de resterende tekortkomingen bij de uitrol van het waarschuwingsmechanisme van de richtlijn beroepskwalificaties te verhelpen. Griekenland heeft nu twee maanden de tijd om te antwoorden en de nodige maatregelen te treffen. Doet het land dat niet, dan kan de Commissie besluiten een aanvullend met redenen omkleed advies aan Griekenland te richten.
Ingebrekestelling na een arrest (artikel 260 VWEU)
Commissie verzoekt Slowakije arrest EU-Hof van Justitie over erkenning beroepskwalificaties na te komen
De Europese Commissie heeft besloten een aanmaningsbrief te sturen aan Slowakije (INFR(2018)2304) wegens het niet volledig nakomen van het arrest van het EU-Hof van Justitie (zaak C-773/22) over de erkenning van beroepskwalificaties (Richtlijn 2005/36/EG zoals gewijzigd bij Richtlijn 2013/55/EU) (richtlijn beroepskwalificaties). In zijn arrest van 29 juli 2024 oordeelde het Hof dat Slowakije diverse van zijn verplichtingen uit hoofde van de richtlijn beroepskwalificaties niet was nagekomen. Slowakije had weliswaar de belangrijkste geconstateerde tekortkomingen aangepakt, maar had de kwestie met betrekking tot de erkenning van stageperiodes in het buitenland nog niet volledig opgelost. Met name zijn de vereiste procedures en richtsnoeren voor bepaalde beroepen nog niet volledig beschikbaar. De EU-regels inzake de erkenning van beroepskwalificaties maken het voor beroepsbeoefenaren gemakkelijker om te reizen en diensten te verrichten in de EU, maar bieden wel de nodige garanties voor burgers en consumenten. Deze regels zijn van toepassing op een breed scala gereglementeerde beroepen, zoals artsen, verpleegkundigen, tandartsen, verloskundigen, apothekers, dierenartsen en architecten. De Commissie stuurt Slowakije daarom een aanmaningsbrief. Het land heeft nu twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie besluiten deze zaak aan het Hof van Justitie voor te leggen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.
12. Mededinging
(meer informatie: Ricardo Cardoso – tel. +32 229-80100; Sara Simonini – tel. +32 229-83367)
Verwijzing naar het Hof van Justitie
Commissie besluit België voor EU-Hof van Justitie te brengen wegens erkenning arbitrale vonnissen die beginsel autonomie EU-recht schenden
De Europese Commissie heeft vandaag besloten België (INFR(2025)2199) voor het EU-Hof van Justitie te brengen omdat het land zijn verplichtingen uit hoofde van het EU-recht niet nakomt om geen arbitrale vonnissen te erkennen die het beginsel van de autonomie van het EU-recht schenden. De arbitrale vonnissen in kwestie verplichten bepaalde lidstaten sommige investeerders te compenseren wegens een wijziging van een regeling voor hernieuwbare energie. Nadat het Hof van Justitie had duidelijk gemaakt dat dit soort vonnissen inbreuk maakt op EU-staatssteunregels – en dus niet ten uitvoer mogen worden gelegd – hebben die lidstaten de betrokken arbitrale vonnissen bij de Commissie aangemeld als staatssteun. De toegewezen bedragen mogen pas worden uitgekeerd nadat de Commissie daarvoor goedkeuring heeft verleend. De Belgische administratieve autoriteiten hebben deze arbitrale vonnissen echter erkend zodat deze in België direct uitvoerbaar werden, zonder de toestemming van de Commissie aan de andere lidstaten af te wachten om de staatssteun toe te kennen. Door zo te handelen heeft België een imminent risico gecreëerd dat andere lidstaten worden gedwongen de vergoeding te betalen, hetgeen in strijd zou zijn met EU-regels inzake het algemene beginsel van autonomie van het Hof van Justitie, en inbreuk zou maken op de standstillverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU en het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel SA.40348 over de regeling hernieuwbare energie. De Belgische autoriteiten hadden erkenning op grond van het beginsel van loyale samenwerking moeten weigeren. De Commissie heeft België in december 2025 een aanmaningsbrief gestuurd en in april 2026 een met redenen omkleed advies. De Commissie is van mening dat de Belgische autoriteiten de inbreuk tot nu toe niet hebben verholpen en brengt België daarom voor het EU-Hof van Justitie. Zie voor meer informatie het persbericht.
Zie je content die volgens jou niet op deze site hoort? Check onze disclaimer.